• Een gesprek over waarheid met Jan Hanlo Essayprijs winnaar Wytske Versteeg

    Een gesprek over waarheid met Jan Hanlo Essayprijs winnaar Wytske Versteeg

    De Jan Hanlo Essayprijs Groot ging dit jaar naar Waar van Wytske Versteeg. Wel verdiend. Met de zoektocht naar waarheid van een twijfelende schrijver voegt Versteeg echt iets toe aan het literaire landschap. Ik sprak haar op het terras van een café in Delft, waar het luiden van de kerkklokken de geluidsopname af en toe verstoorde.


    Waar
    is begonnen met je proefschrift en de uitspraak dat wetenschap ook maar een mening is. In het boek wordt daarnaast duidelijk dat je het ook vanuit een persoonlijke motivatie hebt geschreven. Kun je wat meer vertellen over wat de waarheid voor jou inhoudt en hoe je je daartoe verhoudt?

    ‘Om maar met een kleine vraag te beginnen! Aan het begin van Waar verwijs ik naar Verdwijnpunt, waarin ik over mijn familie-ervaring schrijf. Ik denk dat ik indringend heb ervaren hoe verschillende verhalen naast elkaar kunnen bestaan. Mensen kunnen een situatie die feitelijk hetzelfde is, toch anders zien. Ik denk dat daar die fascinatie voor waarheid vandaan komt en ook een wantrouwen tegen mensen die zeggen: dit is gewoon zo. Iets waar wetenschappers verbazingwekkend goed in zijn.’

    ‘Ik las laatst een theorie, geen idee of er iets van klopt, dat mensen die veel cognitieve dissonantie ervaren als kind, meer geneigd zijn om schrijver te worden. Omdat je dan een soort oplossing hebt in al die verhalen. Ik kan me voorstellen dat daar iets in zit. Een verhaal is per definitie een benadering van de werkelijkheid. Ik denk dat in al mijn boeken een fascinatie met waarheid zit, zelfs al in Dit is geen dakloze. In dat boek wilde ik voorbij stereotypes kijken, wat denk ik maar deels gelukt is omdat je, zodra je voorbij een stereotype probeert te kijken, dat stereotype toch herhaalt. Ook in De wezenlozen zat de fascinatie met waarheid: verschillende personages hebben in dat boek een ander beeld van dezelfde situatie. Het is belangrijk de beperkingen van onze eigen blik te laten zien.’


    Als het gaat om het vertellen van verhalen: in proza en essay wordt op een andere manier met waarheid omgegaan. Jij schrijft beide. Is er voor jou een verschil in hoe je dat ervaart?

    ‘Dat hangt ervan af welk type essay. Bij Waar heb ik bewust alle bronnen erin gezet, zodat alles wat ik zeg, in elk geval de dingen die over feiten gaan, met bronnen onderbouwd is. Een wat losser essay zit dichter bij proza. Toch is ook proza een waarheid, alleen dan onder denkbeeldige omstandigheden. Je creëert een wereld en daarin kun je fantastische dingen laten gebeuren, maar het moet wel binnen die wereld waar zijn.’


    Je houdt je al jaren bezig met waarheid. Heb je de indruk dat er in die tijd verschuivingen zijn geweest in hoe er met waarheid omgegaan wordt in het publieke debat? Zijn mensen kritischer geworden op leugens, van politici bijvoorbeeld?

    ‘Ik denk dat je meer schaamteloze liegende politici ziet, helaas, en in de tussenliggende jaren is het woord post-truth gemunt, waar je van alles op kunt afdingen. Ik geloof niet per se dat we in een post-truth samenleving leven. Dat zou suggereren dat er een soort gouden tijd was waarin het alleen maar om waarheid ging en, omgekeerd, dat mensen nu helemaal niet meer om waarheid geven. Ik geloof niet dat dat zo is en het onderzoek dat er ligt wijst daar ook niet op.’

    ‘Maar een samenleving wordt wel beïnvloed door wat mensen aan de top doen. Als schaamteloos liegen daar een manier wordt om je waarachtigheid te bewijzen, is dat heel zorgelijk. Waarbij ik wil opmerken dat de voedingsbodem daarvoor eerder is gelegd. Dat zoveel mensen hun toevlucht zoeken bij politici die tegen het systeem schoppen: dat komt doordat het vertrouwen al ondergraven was. Mensen die het zelf makkelijker hebben, zien dat vaak niet.’


    Met het oog op de verkiezingen krijgt waarheid extra gewicht. Denk aan het migratiedebat, bijvoorbeeld, waarin aantoonbare onwaarheden steeds herhaald worden. Het lijkt of we als samenleving, of in ieder geval als individuen, niet weten wat we moeten doen. Wat denk jij dat er moet gebeuren om het tij te keren?

    ‘Een aantal dingen, op verschillende niveaus. Kijk je op politiek niveau, dan is het ingewikkeld dat onze publieke sfeer zich voor een groot deel afspeelt onder de hoede van bedrijven die baat hebben bij emotiekliks. Dat is levensgevaarlijk voor een samenleving.’ 

    ‘Wat je als individu kan doen is lastig, want het voelt alsof het een druppel op een gloeiende plaat. Toch: het contact van mens tot mens. Naar elkaar luisteren, deep canvassing [langs de deuren gaan om ‘moeilijke’ gesprekken te voeren]. Ik denk dat dat belangrijk is. Omdat het ook over eenzaamheid gaat. En angst. Dat is waarmee ik het boek eindig: in je eentje doe je niks en toch maakt het uit wat jij in je eentje doet. Ik geloof in een idee van verandering zoals dat door Rebecca Solnit wordt voorgesteld. We hebben het idee dat verandering radicaal moet zijn en tot stand komt door enkelingen aan de top, maar het is een langzame beweging die ontstaat door kleine handelingen die op zichzelf niks voor elkaar lijken te krijgen. Sinds Waar blijk ik bij panelgesprekken vaak de meest optimistische stem te zijn. Een rare ervaring, want als je de rest van mijn werk leest, is dat voor mij een ongebruikelijke rol. Ik ben niet optimistisch over waar we heen gaan, maar juist omdat die ontwikkeling zo gevaarlijk is, is het des te belangrijker om goed te kijken naar wat er aan de hand is.’


    Een essay over de manier waarop pers omgaat met waarheid en de invloed daarvan op burgers zou interessant zijn geweest. Heb je een dergelijk essay overwogen en waarom wel of juist niet?

    ‘Ik heb het niet bewust overwogen als een apart essay, mede door de manier waarop dit boek tot stand is gekomen. Na mijn proefschrift wilde ik een tijd niets meer doen met het onderwerp waarheid. Mijn hoofd zat ook te vol met academische taal. Een paar jaar later ergerde ik me toch teveel aan wat er in de pers werd gezegd over waarheid, niet in de laatste plaats door wetenschappers. Toen ben ik gaan schrijven. Vanuit twijfel, net zoals wanneer ik een roman zou schrijven, op die manier mijn weg zoekend door het boek. Daarbij heb ik me ver gehouden van actuele onderwerpen, want daarover heeft iedereen al een mening. Als je het over media hebt, haal ik voorbeelden aan over de boekdrukkunst en de radio, die verrassend herkenbaar zijn — in de hoop dat mensen vanuit die historische voorbeelden beter kijken naar wat er nu aan de hand is.’


    Als ik het goed begrijp is de twijfelende schrijver in dit geval het personage wat je door het boek leidt. Kan ik dat zo zien?

    ‘Ja, het is hoe ik het boek geschreven heb. Ik vind dat een interessante manier.’


    Mensen houden er ieder hun eigen waarheid op na en zitten opgesloten in hun gedachten. Is het schrijven van essays een poging om tegen vaste gedachtensporen in te gaan? Of juist om door alle twijfels heen je eigen spoor te vinden?

    ‘Ik denk allebei, maar niet op hetzelfde moment. Alles wat ik schrijf is een onderzoek. Ik schrijf over dingen waar ik niet genoeg van weet. Door te schrijven hoop ik iets uit te vinden. Tegelijkertijd is elk boek ook een manier om naar een stem te zoeken en die heb je als je iets te zeggen hebt. Dus daar zit een soort dubbelheid in.’


    Is het dan zo dat je begint met de eerste zin zonder dat je weet waar je gaat uitkomen?

    ‘Ja, ik begin bij de eerste zin en weet het echt niet. Vroeger gaf mijn agentschap cursussen aan mensen die wilden schrijven. Dan legden ze uit: je moet een idee hebben, een synopsis en een stappenplan. Als ik dan als schrijver werd uitgenodigd om langs te komen, moest ik vertellen dat ik al die dingen niet doe.’ 


    Hoe zorg je dat er structuur in een boek komt?

    ‘Ik schrijf in cirkels. Dat is de enige manier om het te doen en dat kost tijd en moeite. Omdat je er elke keer achter komt dat iets toch anders moet en dan moet je weer terug. Ik zou niet kunnen schrijven vanuit een synopsis en stappenplan, ik vind dat niet interessant en zou niet weten op basis waarvan ik die stappen dan zou zetten.’


    Waar
    is een dapper boek over een groot en ongrijpbaar onderwerp. Je schrijft dat het schrijven lange tijd niet ging zoals je wilde. Je wantrouwde je eigen stem zodra die zelfverzekerd klonk. Hoe ben je daar doorheen gekomen?

    ‘Erdoorheen gekomen is een groot woord.’ 


    Het boek is er!

    ‘Als schrijver blijf ik mijn stem wantrouwen. Soms is dat gevoel zo hevig dat ik niet kan schrijven, soms is het op het niveau dat ik kritisch genoeg ben. Als je je eigen stem niet wantrouwt, is er iets mis. Voor Waar maakte het uit dat ik een hond kreeg, waardoor ik nauwelijks tijd had om te schrijven en mijn gedachten op een ander spoor werden gezet. Het thema waarheid of werkelijkheid werd fysieker toen ik me zo in mijn hond moest inleven dat het was alsof ik in zijn hoofd leefde. Vaak heb je een zetje van buitenaf nodig om in een werkelijkheid te komen die ver van je af ligt. Anders zit je opgesloten in wat je al gelooft.’


    Nu je de Jan Hanlo Essayprijs hebt gewonnen gaan veel meer mensen Waar lezen. Je eindigt met een oproep aan de lezer: het hangt van jou af. Daar zit een tegenstrijdigheid in, want je zegt ook dat je als individu machteloos bent. Wat hoop je dat mensen doen? Ze lezen dit boek, gaan naar buiten en dan?

    ‘Wat ik van mensen hoor is dat het boek ze sterkt in het gevoel dat ze niet alleen zijn met hun twijfel en in het besef dat ze zich niet stil hoeven te houden omdat de mensen die het allemaal zo zeker weten aan het woord zijn. Het maakt mij blij dat Waar mensen die twijfelen helpt om hun twijfel serieus te nemen en het voor hen misschien ook makkelijker maakt die twijfel uit te spreken. Als iedereen die het heeft gelezen iets meer vertraagt en de ruimte neemt om een gesprek aan te knopen met een onbekende: dat is al een effect. Zelfs in deze donkere, extreemrechtse tijd waar we in zitten. Ik denk dat er vaak te gemakkelijk wordt gepraat over mensen die op een rechtse partij stemmen. Dat merk ik bijvoorbeeld op bijeenkomsten met academici, zij praten denigrerend over zulke kiezers. Daarmee verliezen ze een groot deel van de werkelijkheid uit het oog. Ik sprak laatst met een maatschappelijk werker. Die vertelde dat hij eens tegenover iemand zat die continu racistische opmerkingen maakte. Toen keek die man op zijn horloge en zei: nu is het klaar, want ik moet die mevrouw naar het ziekenhuis brengen. In de deuropening stond een mevrouw met een hijab.’


    Dat was natuurlijk de buurvrouw.

    ‘Precies. En als die maatschappelijk werker eerder in het gesprek had gezegd: jij bent een racist en ik praat niet meer met je, dan was dat het einde geweest. Er zijn verschillen in taalgebruik. Binnen de universiteit is iedereen alert op woorden, maar de universiteit is niet inclusief. Terwijl mensen die in taal rechtser klinken vaak een gemengdere groep mensen tegenkomen en met hen samenleven. Het zou goed zijn als ze zich daar in universitaire bubbels bewust van worden, in plaats van mensen af te serveren omdat ze op een andere partij hebben gestemd. Toch is er een spanningsveld. Hoe meer iets wordt herhaald, hoe normaler het wordt. Het is dus goed om streng te zijn op het taalgebruik in de Tweede Kamer.’


    Dus mensen met macht kun je op een andere manier aanpakken dan je buurman die op de pvv gestemd heeft. Dat onderscheid maken mensen niet altijd.

    ‘Omdat het observeren van de ander de makkelijkste manier is om je beter te voelen over jezelf.’


    Een goede laatste zin.

    ‘Bam!’

     

     


     

     

     

     

     

    Foto van de auteur: Eline Spek

     

  • Wie is er bang voor de waarheid

    Wie is er bang voor de waarheid

    ‘Hoe weet je dat ik niet lieg?’ Wytske Versteeg heeft een verontrustende eerste zin gekozen voor haar essaybundel, Waar — Over de kunst van het (niet) weten. Het boek bevat vijf essays met titels als ‘Het onschuldige oog: waarom mijn waarheid niet de jouwe is’ en ‘Waarheidssprekers, illusionisten: als onwaarheden de wereld overwoekeren’. Dat deze niet door ‘zomaar iemand’ zijn geschreven blijkt al op de tweede bladzijde, waar Versteeg vermeldt dat ze eerder haar proefschrift heeft geschreven over ‘de manier waarop we onderhandelen over wat waar is, wat telt als echte kennis en wat als onzin terzijde kan worden geschoven’. Niet dat ze zelf zou beweren dat dat een reden is om haar op haar woord te geloven.

    In het eerste essay zet Versteeg op knappe wijze de toon. Met scherp gekozen resultaten van wetenschappelijk onderzoek zet ze veel gehoorde aannames, zoals het idee dat wetenschap voor veel mensen tegenwoordig ook maar een mening is en waarheid er niet meer toe doet, op losse schroeven. De coronapandemie, bijvoorbeeld, heeft voor de meeste mensen juist geleid tot een stijging van het vertrouwen in de wetenschap, in tegenstelling tot wat je misschien zou denken als je kijkt naar coronagerelateerde complottheorieën. Sceptici kunnen deze uitspraak uitpluizen, de onderzoeken waar die op is gebaseerd staan keurig vermeld in de noten. Waar is geen boek van vlotte of simpele antwoorden. Versteeg spoort je aan om kritisch te lezen en kritisch te denken.

    Zelftwijfel en draaglijkheid

    Versteegs essays zijn het spannends op de momenten waarop ze bestaande ideeën weerlegt. Ze leiden dan ook eerder tot (zelf)twijfel dan tot vaste overtuigingen. Dat zijzelf zich kwetsbaar opstelt maakt het makkelijker om die twijfel aan te gaan. Het zoeken naar waarheid, de nooit aflatende urgentie ervan, Versteeg kan erover meepraten. In de eerste pagina’s van het eerste essay zegt ze: ‘Mijn eigen obsessie met waarheid begon lang voor mijn proefschrift, is persoonlijker en ingewikkelder. Mijn werkelijkheid is nooit erg constant geweest, mijn waarneming wankelt voortdurend.’ Waar Versteeg precies op doelt, is niet duidelijk. Helemaal aan het einde van het essay lijkt ze erop terug te komen met een alinea over trauma. Hoe dat met waarheid te maken heeft? ‘Een gebeurtenis die als traumatisch of verwondend ervaren wordt, is dat vaak juist omdat de werkelijkheid die je doorgaans ervaart als normaal en vanzelfsprekend, plotseling ruw wordt doorbroken.’ Is dat waar? Een interessante gedachte is het zeker.

    Hoe je een tekst uit het persoonlijke trekt laat Versteeg onder andere zien in haar essay over waarnemen en de onzekerheid die daarbij komt kijken. Ze doet dit door aandacht te besteden aan de gevolgen van selectieve waarneming op het niveau van instituties. Haar beschrijving van haar ervaringen aan de universiteit is pijnlijk herkenbaar voor iedereen die zich in een gemarginaliseerde positie bevindt: ‘Mijn eigen stem klonk veel zachter dan die van de gepensioneerde Shell-man voor wie deze studie een nieuwe hobby was en het duurde niet lang voor ik, opgebrand, moest stoppen.’ Ook met haar pleidooi voor het belang van minderheidsperspectieven weet ze te raken: ‘Zodra het perspectief vanuit kwetsbaardere posities verloren gaat, raken aspecten van de werkelijkheid buiten beeld, worden hele werelden plotseling onvoorstelbaar.’ Het gaat hier niet alleen om het effect op individuen die achtergesteld worden, maar ook om de destructieve uitwerking op een samenleving als geheel.   

    Ongrijpbaar

    Essays hebben iets ongrijpbaars. De inhoud ervan wordt bepaald door de gedachtengang van de schrijver en vaak is die niet rechttoe rechtaan. Tegenstrijdigheden, beweringen met mitsen en maren, omtrekkende bewegingen en onverwachte conclusies: het kan allemaal. Hoe weten we dat Versteeg niet liegt? Het is een vraag waar ze in een aantal van de essays op terugkomt, steeds in een net iets andere vorm. Het antwoord laat zich raden. Waarschijnlijk beseft Versteeg zelf ook dat essays geen simpele kost zijn. Aan het begin van ieder essay, net onder de titel, staat in schuingedrukte letters een opsomming van wat er in de tekst eronder aan bod zal komen. Houvast voor de zoekende lezer. Versteeg slaagt erin van het begin tot het eind te boeien, al zijn de wat meer filosofische stukken trager en minder risicovol van aard. Gelukkig volgt er telkens weer een stuk waarin Versteeg haar lezers met scherpe onderzoeksresultaten uitdaagt bestaande zekerheden los te laten. Waar is een boek voor wie niet bang is af en toe even zijn evenwicht te verliezen.

     

     

  • Fotosynthese 31 – Verloren boek

    Fotosynthese 31 – Verloren boek

    (klik op de foto om de achtergrond te zien)


    Vijfendertig jaar geleden beschreef ik het wonderlijke leven van een onverzadigbare levensgenieter. Een ornitholoog, gezagsuitdager en filantroop bovendien, die het lukte om er in zeventien jaar een enorm familiekapitaal doorheen te jagen. Toen hij als gevolg daarvan eerst onder curatele werd gesteld en later failliet verklaard, ontkwam hij door een truc aan een persoonlijke ondergang terwijl het leven van zijn rentmeester voorgoed geruïneerd bleek.

    Deze kleurrijke man was Jan Jacob Luden (1877-1935). Ik hield me enkele jaren bijna obsessief met hem bezig. Toch is hij ook een al lange tijd weer met respect begraven bezetenheid.  Tot de man af en toe opnieuw wordt opgeroepen door een toeval. Dat gebeurde onlangs door het essay Het lijf van de grond dat Wytske Versteeg schreef voor De Gids nr 2023/3. Ze brengt daarin Justus von Liebig ter sprake die halverwege de 19de eeuw experimenteerde met kunstmest, maar later in zijn leven inzag dat die de grond zou uitputten. Hij pleitte sindsdien voor kringlooplandbouw.

    Ik zag in gedachten Luden weer in zijn vogellaboratorium zitten. Hij schreef er vanaf ongeveer 1910 zijn boeken met natuurobservaties en onderzoeken naar ingewanden van vogels, werk dat hij samen met zijn taxidermist Eduard Blaauw uitvoerde. Zijn boeken zijn, zij het beperkt, terug te vinden in grote bibliotheken en archieven zoals dat van Naturalis in Leiden.

    Tijdens mijn research voerde ik tal van gesprekken met merendeels kinderen van ouders die nog met Luden hadden samengewerkt of contact met hem hadden gehad. Onder hen was een planoloog wiens vader met mijn hoofdpersoon een belangstelling voor archeologie deelde en hem daarover wel eens sprak. Of het een echte vriendschap was, is me nooit duidelijk geworden, maar ik kreeg via zijn zoon wel enkele persoonlijke brieven van Luden in handen. De verwijzing door Wytske Versteeg naar Von Liebig katapulteerde me terug naar de boekenkast van de planoloog. Hij haalde daaruit bij mijn bezoek destijds een dun gedrukt boekje tevoorschijn van slechts vijftien pagina’s, eerder een pamflet, dat hij van zijn vader had geërfd. Het was geschreven door Jan Jacob Luden en getiteld Zijn onze tegenwoordige theorieën over bemesting steekhoudend? Ik stond perplex. Dat Luden tegen gebruik van kunstmest was, wist ik – ik had de bouwtekening gezien voor een kleine fabriek voor natuurlijke mest  (die er nooit gekomen is omdat zijn faillissement zich toen al aankondigde). Maar ik wist niet dat hij zijn ideeën over bemesting ook gepubliceerd had. Ik was het boekje nergens tegengekomen; zelfs een verwijzing ernaar had ik nooit ontdekt.

    Ik hield het enigszins verkleurde exemplaar in mijn trillende handen alsof het een onschatbaar kleinood was. De man die het me aanreikte was op dit aandenken aan zijn vader erg gesteld: ik mocht het lenen om het te kopiëren, maar moest het liefst dezelfde dag nog terugbezorgen. Ik las erin hoe Luden als een milieu-activist avant la lettre fulmineerde tegen de vergiftiging van de mens en de bodem door kunstmest zoals die werd aangeprezen in een toen populair handboek, geschreven door een pastoor, H.W. Roes, en uitgegeven door de Boerenstand van Alem, Maren en Kessel. Het boek putte volgens Luden uit het vroege ‘Liebigsche arsenaal’ dat volgens hem hopeloos verouderd was. Daarmee doelde Luden op het gebruik van nitraten door Von Liebig die aanvankelijk inderdaad leidden tot grotere opbrengsten van gewassen, maar op termijn de bodem bleken te verschralen.

    Ik zocht wat globale gegevens over Von Liebig op, maar besteedde weinig aandacht aan hem omdat hij te ver af stond van wat ik in de biografie over Luden te vertellen had.

    Een jaar of tien geleden vernam ik bij toeval dat de planoloog, die me de opwinding destijds bezorgd had, was overleden. Al ettelijke maanden eerder. Met wat reserve – ik voelde iets van lijkenpikkersschaamte – spoorde ik zijn zoon op en vroeg hem of hij het boekje in de nalatenschap had aangetroffen en zo ja, of ik het mocht hebben. Hij praatte me bij. Een klein deel van de boeken van zijn vader was naar de familie gegaan en een grotere partij naar een antiquariaat. In zijn garage stonden nog wat dozen met boeken die hoogstwaarschijnlijk een bestemming als grondstof voor nieuw papier zouden krijgen. Het door mij gezochte boekje kende hij echter niet. Hij wist zeker dat het niet in zijn familie terechtgekomen was en evenmin in de dozen in de garage. Voor de zekerheid ging ik nog bij het antiquariaat langs, maar ook daar bleek het in de in- en verkoopadministratie niet voor te komen. Ik hervatte met een vage hoop – toen ik de biografie schreef stond internet nog in de kinderschoenen, laat staan dat je in gedigitaliseerde bestanden kon zoeken – mijn zoektocht. Vergeefs: ook in 2023 kan ik het boekje niet vinden.

    Ik leef nu met het verwarrende idee dat ik kopieën bezit van een boekje dat niet meer bestaat. Een echte obsessie is het niet meer, maar toch voel ik af en toe de verleiding, tijdens naspeuringen op internet naar zaken van een heel andere orde, gevolg te geven aan een opkomende impuls toch nog even te kijken op een plek waaraan ik nog niet gedacht had. Maar eigenlijk kan ik niet anders dan slechts weemoedig naar de foto kijken van die werkplaats waarin Luden zich zat op te winden over het gebruik van kunstmest. En zijn mening met giftige pen neerschreef in een pamflet dat verloren is gegaan.

     

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Ook vele andere schrijvers, onder wie medewerkers van Literair Nederland, wijden zich aan dit genre.

     

  • Wat te pijnlijk is om te verwoorden

    Wat te pijnlijk is om te verwoorden

    Wytske Versteeg (1983) debuteerde in 2012 als romancier met het alom geprezen De wezenlozen en won dit jaar de Frans Kellendonk prijs voor haar oeuvre. Haar eveneens geprezen roman Quarantaine (2015) geniet wederom aandacht dankzij de coronacrisis. Naast romancier is Versteeg essayist en docent creatief schrijven aan de hogeschool voor de kunsten in Arnhem en Wageningen University. De afgelopen jaren schreef Versteeg vier romans. Al die tijd sluimerde Verdwijnpunt, het verhaal over haar incestverleden, op de achtergrond. Lange tijd was er de angst dat een dergelijke persoonlijke geschiedenis als sleutel tot begrip van haar werk zou worden gezien en dat was haar te eendimensionaal, vertelt Versteeg in een interview met de NRC in april. Bovendien had ze rekening te houden met gevoeligheden binnen de familie. De man die haar van haar vierde tot ongeveer haar elfde misbruikte was tenslotte de vader van haar moeder. 

    Verdwijnpunt begint bij een centrum voor geestelijke gezondheidszorg, waar Versteeg door een vriend naartoe is gebracht nadat ze weken nauwelijks heeft kunnen slapen. Na een jarenlang verzet tegen therapie, tegen ‘inmenging van welke psycholoog dan ook,’ ontkomt ze er niet meer aan. Ze heeft het gevoel in ‘één ruimte opgesloten (te zitten) met vroeger, en alsof die ruimte steeds kleiner wordt.’

    Onder de oppervlakte

    Aan de opname gaat heel wat vooraf. Versteeg is eerstejaars student politicologie wanneer ze in korte tijd twee keer wordt aangerand, beide keren in de trein. Ze begint zich af te vragen waarom ze zo’n gemakkelijk prooi is, waarom ze de grenzen van haar lichaam – of überhaupt haar lichaam – zo slecht kent. De vraag over het prooi-zijn doet denken aan wat Manon Uphoff schrijft in Vallen is als vliegen. ‘Blijkbaar is het zo, heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond, dat wanneer je tot object wordt gemaakt, plat moet liggen, geen geluid of kik mag geven, je een geur afgeeft. Een riek van angst die je begeleidt. Of zelfs een van gemakkelijke overgave, omdat je hebt geleerd dat snelle capitulatie het beste is.’ Die geurcellen, suggereert Uphoff, blijven hardnekkig aan slachtoffers van seksueel geweld kleven. Tenzij de cyclus wordt onderbroken zal het slachtoffer steeds opnieuw te maken krijgen met grensoverschrijdend gedrag van anderen. 

    De incidenten in de trein rakelen een verleden op dat Versteeg tot dan toe zorgvuldig onder de oppervlakte heeft weten te houden, een verleden dat ze doorgaans liever neutraal aanduidt als ‘wat er gebeurd is’ of ‘vroeger’ in plaats van wat het werkelijk is: incest en seksueel geweld. Zo’n overlevingsmechanisme is niet vol te houden omdat het er een is van ontkenning, en wat ontkend wordt zal zich steeds hardnekkiger gaan opdringen. Een lichaam dat is blootgesteld aan geweld zal krimpen, zijn best doen ‘zichzelf kleiner te maken, onzichtbaar, niet langer bestaand’ met als gevolg dat de bewoner van dat lichaam er niet langer mee in contact staat en het begint te veronachtzamen. Zo ook bij Versteeg, die haar lijf systematisch verdooft door langer hard te lopen, meer te fietsen, vaker te zwemmen’ totdat ze zo uitgeput raakt dat het haar nauwelijks meer lukt een trap op te lopen. Ze vervreemdt van zichzelf, op zowel emotioneel als fysiek vlak. Daarbij is haar poging haar perfecte, onafhankelijk ogende buitenkant te behouden – I am a rock, I am an island, citeert ze Simon & Garfunkel – evenmin vol te houden. Ze stort in, met een opname tot gevolg.  

    Lichaam als bron van genezing

    Versteeg beseft dat a rock geen warmte kan ontvangen en an island geen verbintenissen kan aangaan. Ze heeft ‘een diep verlangen om te helen,’ om ‘gezond te worden, vanbinnen één geheel met duidelijke buitengrenzen.’ Maar praattherapie is zinloos, met de standaardvragen van de therapeuten met wie ze tot dan toe te maken heeft gehad, kan ze niets. Sommige therapieën zijn angstaanjagend. Tegen een kussen praten dat haar opa voorstelt bijvoorbeeld. Of overtuigend Stop! roepen tegen een dramatherapeut die langzaam op haar af komt lopen. Dan komt ze in contact met lichaamstherapeut D en leert ze heel langzaam haar lichaam op te merken, te bewonen, te vertrouwen, lief te hebben. D geeft haar het gevoel ertoe te doen. Ze vraagt zich af of dit is wat er nodig is: ‘door een ander gezien, gehoord te worden vóórdat het mogelijk is jezelf te zien, je eigen stem te horen.’ Ze voelt zich veilig bij hem, zozeer dat hij na verloop van tijd een arm om haar heen mag slaan. Gaandeweg leert ze ook iets cruciaals over de werking van het geheugen: herinneringen aan incest en geweld presenteren zich niet als keurig gecomponeerde scènes met een begin, midden en eind. Veeleer zijn het woordeloze beelden die in een donker hoekje van het geheugen schuilen. Dat maakt ze echter niet minder betrouwbaar.  

    Onbeantwoorde vragen

    In Verdwijnpunt verweeft Versteeg persoonlijke gebeurtenissen met rauwe dagboekfragmenten die haar angst en verdriet weergeven. Ze zoekt houvast in de woorden van filosofen, mythologie en kunst, rituelen van andere culturen. Met precisie onderzoekt ze de etymologie van woorden als ‘trauma’ en legt ze sleetse uitdrukkingen als ‘iets een plek geven’ en ‘in je kracht staan’ onder de loep. Soms kan ze alleen de woorden van een ander lenen, maar niet zonder zich af te vragen ‘of die woorden niet al te groot, te melodramatisch zijn voor iets wat zo vaak voorkomt als seksueel geweld.’ Treffend beschrijft Versteeg de beleving van depressie. ‘Het land om (de balling) heen heeft geen diepte meer, het raakt hem niet. Dat is hoe het voelt als het slecht gaat: alsof alles in zichzelf keert, zich afwendt, de afstand vergroot. Er is minder detail, er is geen textuur. De wereld zelf trekt zich terug, stapt achteruit.’ 

    Versteeg heeft het niet over de impact van het verleden op haar relaties. Ze presenteert zich als outsider, als loner, maar er zijn veel vrienden die haar bijstaan en soms langdurig opvangen. Ze heeft begrijpelijk het contact met haar ouders verbroken maar bezoekt wel haar oma. In plaats van licht te laten schijnen op deze kwesties verliest ze zich regelmatig in academische uiteenzettingen. In dit opzicht blijft het boek afstandelijk en laat het de lezer achter met onbeantwoorde vragen. Maar misschien kan Versteeg niet anders. ‘Het maakt uiteindelijk niets uit,’ zegt ze in een gesprek met D, ‘want zelfs als je probeert om iets te zeggen over hoe het is, lukt dat toch niet, nooit echt.’ Versteeg geeft ons geen happy end. Wel vooruitgang, stap voor stap, en dat is genoeg. 

     

     

  • Oogst week 9 – 2020

    Verdwijnpunt

    Een narratief over verdriet of pijn wordt vaak in de vorm van een queeste of sprookje gegoten, een reis die positief eindigt. Natuurlijk is dit niet representatief: het kan voorkomen dat de pijn niet verdwijnt of dat het verdriet niet minder wordt. In Verdwijnpunt onderzoekt Wytske Versteeg (1983) ‘de verschillende facetten van pijn en de gevolgen van geweld en machteloosheid’. Geen sprookjes, maar een zoektocht naar ‘wat het betekent om te leven en kwetsbaar te zijn’.

    Versteeg schrijft essays, romans, scenario’s en recensies. Haar roman Boy stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs en voor haar gehele oeuvre werd de Frans Kellendonkprijs in 2019 aan haar toegekend. Op dit moment geeft ze les in fictie aan de Hogeschool Artez.

    Verdwijnpunt
    Auteur: Wytske Versteeg
    Uitgeverij: Querido

    Orkaanseizoen

    Fernanda Melchor (1982) is een Mexicaanse auteur en journalist. Orkaanseizoen is haar tweede boek en haar eerste werk met een Nederlandse vertaling. In 2019 won ze met Orkaanseizoen zowel de Internationale Literatuurprijs als de Anna Seghers-prijs. In dit boek is de Heks, een persoon in transitie, vermoord. Door wie is niet belangrijk, het draait om de vraag waarom.

    De Heks bleek onderdeel uit te maken van een gruwelijk, arm dorp waarin huiselijk geweld, ongewenste zwangerschappen en drugsmisbruik orde van de dag zijn. Eén van de grootste problemen van Zuid-Amerika is geweld tegen en moord op vrouwen. Juist daarover gaat Orkaanseizoen en Melchor gebruikt woest proza met diepgaande personages om dit verhaal te vertellen.

    Orkaanseizoen
    Auteur: Fernanda Melchor
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Als je de stilte ziet

    In Als je de stilte ziet lukt het de hoofdpersoon niet om een goede band op te bouwen met zijn pleegbroer. Hij weet niet hoe het komt, maar het geheim dat tussen hen in staat blijft hem de rest van zijn leven achtervolgen. Dit levert een filmisch geschreven en ontroerend verhaal op ‘over verlangen, vluchtigheid en betekenis geven aan het leven’.

    De voor Thomas Verbogt (1952) kenmerkende lichte, melancholieke verteltoon komt prachtig tot zijn recht in Als je de stilte ziet. Naast romans schrijft Verbogt ook humoristische korte verhalen, columns voor De Gelderlander, toneelstukken en cabaretteksten. Elsbeth Etty noemde hem ‘een meester van de dialoog’.

    Als je de stilte ziet
    Auteur: Thomas Verbogt
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam
  • Te mooi om waar te zijn

    Te mooi om waar te zijn

    Wie of wat is Grime? Het is niet alleen de nieuwsgierigheid die prikkelt om verder te lezen, ook Wytske Versteegs vloeiende stijl doet dat. Maar voordat de nieuwsgierigheid bevredigd wordt, valt er behoorlijk wat te verstouwen. In niet chronologische vooruit- en terugblikken onthult Versteeg langzaam haar verhaal.

    Een vriendengroep van vier studeert aan Shelterwood, een soort kunstacademie die ‘een veilige haven [moet] zijn, afgezonderd van de bedreigingen van onze tijd, een plek die studenten in staat stelt om zich op alle vlakken te ontplooien.’ De vier zijn Suyin – wier vader het instituut voor zijn kwetsbare dochter heeft opgericht, – haar beste vriendin Sophie, hoofdpersoon en ik-verteller Nino, en Michael, een vroegere vriend van Nino toen hij nog thuis woonde en die tot Nino’s frustratie onverwacht verdwijnt en jaren later even plotseling op Shelterwood weer opduikt.

    Wanen met Grime
    Nino is verliefd op Suyin en de twee hebben een relatie, al laat Suyin zich de liefde vooral aanleunen. In de hete zomer waarin het boek speelt, raakt zij langzaam maar zeker verder weg van de werkelijkheid. Ze wordt vergaand beïnvloed door de virtuele figuur Grime die in haar instabiele geest steeds grotere proporties aanneemt. Ook de fotograferende en filmende Michael imponeert Suyin en voor zijn lopende camera is zij bereid over haar wanen met Grime te vertellen. Als ze haar zelfbeheersing verliest, valt de vriendengroep uit elkaar.

    Obsessie
    Zes jaar later komt de neurotische Nino Sophie weer tegen en krijgen ze een relatie en een kind. Nino probeert een boek te schrijven over de bewuste zomer en het voorval waarmee Suyin ontspoorde. Daarmee voedt hij zijn obsessie: hij kan nog steeds het vroegere verdwijnen en terugkomen van Michael niet verkroppen, noch diens toenmalige invloed op Suyin. Intussen vergeet hij van Sophie te houden. ‘Het is niet jouw geschiedenis,’ is Sophie’s enige verweer, en dat is alles wat er over de zaak wordt gecommuniceerd. Het onderwerp is taboe.

    Waar?
    Waar het verhaal zich afspeelt blijft ongewis. Er is het niet bestaande dorp Mercad, het onbekende eiland Eina en de stad S. waar het altijd warm is maar iemand toch een dikke sjaal om heeft, er zijn zandstormen, jacarandabomen en regentijden en er wordt terugverlangd naar seizoenswisselingen. Verwarrend bijvoorbeeld is dat op de plek waar Nino en Sophie wonen de temperatuur nauwelijks fluctueert, terwijl Nino op een andere pagina terugdenkt aan de architect van hun huis, die daar in de sneeuw en de kou moet hebben gelopen. Versteeg verbleef tijdens het schrijven van Grime een tijdlang in Californië, wat haar bij de keuzes voor plaatsen en natuur parten zal hebben gespeeld.

    Parasiet
    Na een veelbelovend begin slaat gaandeweg het lezen de teleurstelling toe. Versteeg lardeert het boek met veel wetenswaardigheden en onderwerpjes die er niet toe doen, zoals oorlogsfotografie en het groeien van een kreeft. Ze leiden af van het verhaal en komen de coherentie van de roman niet ten goede.

    De vier personages blijven vaag en aan de oppervlakte. Wat hen drijft is een raadsel, evenals de oorzaak van Nino’s angst en obsessie. Suyins geesteszieke gedrag heeft nog de meeste diepgang. Het verhaal lijkt om haar ongrijpbare psyche te draaien, maar uiteindelijk is het Nino die voortdurend naar houvast zoekt. Als een parasiet klampt hij zich aan zijn vrienden beurtelings vast. Vroeger thuis aan Michael, later aan Suyin, daarna zoekt hij zekerheid bij Sophie en dan nogmaals bij Michael.

    Te mooi
    Desondanks heeft Versteeg de gebeurtenissen knap door elkaar geweven en ook aan weldoordachte stilistische perfectie ontbreekt het haar niet. Deze doet door de tekst heen snellen, maar helaas gaan in diezelfde taalkundige vaardigheid sfeer en details soms ten onder. De korte gruwelscène van kat en trein doet obligaat aan en had achterwege kunnen blijven.

    Hoe intrigerend het verhaal ook in elkaar zit, hoeveel onderwerpen Versteeg, ongetwijfeld verantwoord, ook aanstipt en hoe prachtig geschreven ook, ergens halverwege ontstaat twijfel aan de authenticiteit van de vertelling. De auteur lijkt haar fantasie niet in de hand te hebben gehad, heeft het allemaal te mooi willen maken. Dat is jammer, want de kracht van goede fictie zit voor een groot deel in de geloofwaardigheid. Wellicht is ook het lang uitblijven van de cruciale scène er debet aan, omdat we dan al weten dat het drama niet zo vreselijk groot was en de gevolgen uiteindelijk weinig schokkend. Grime heeft een ingenieuze maar overgedoseerde plot en mist de impact die het had kunnen hebben.

     

     

  • Een Tirade waardig…

    Een Tirade waardig…

    Wie plaats neemt in de redactie van een literair tijdschrift, doet dit om de schitteringen in de literatuur mede prijs te mogen geven. Aankomend schrijvers die ‘het’ in zich hebben voor het voetlicht te schuiven. Zelfs als ze volledig onbekend zijn. Alles uit liefde voor de literatuur. Want voor een dagelijks goed belegde boterham (of biologische salade) hoef je het niet te doen. Zo liet ook Jeroen Brouwers in 1979 (Kroniek van een karakter, Dl. 1) weten in een lange brief  aan Geert van Oorschot. Een van de redenen dat hij niet in de redactie wilde plaatsnemen was dat er niet genoeg mee te verdienen valt. Een andere, meer doorslaggevender lijkt het, is dat Brouwers niet tevreden is over de koers die Tirade vaart. Hij verwijt Van Oorschot onder meer dat er in Tirade stukken worden opgenomen die evengoed in welk ander blad hadden kunnen staan; Tirade onderscheidt zich te weinig van andere bladen was de grote kritiek van Brouwers. Het was in de volgende bewoordingen dat Brouwers het verzoek van Van Oorschot afwees:
    “Ach Geert! Ik ambieer dat niet, maar ik zou het wél kunnen.(…) Mijn opvattingen zijn anders dan jouw opvattingen. Alle achting en alle vriendschap voor jou, dat weet je wel – maar als ik ‘Tirade’ zou doen, dan zou ik ‘Tirade’ doen, en niet jij-en-ik.”

    Hoe Brouwers dat zou doen, welke bijdragen hij het keurmerk Tirade waardig vindt, zullen we nooit weten. Wel wat de huidige redactie als keuze criteria heeft; Het gaat om het werk en niet om de (gevestigde) naam, schrijft Anja Sicking in een redactioneel stukje. De mailbox van de redactie stroomt elke keer weer vol met werk van debutanten, gevestigde schrijvers en van ‘mensen die nooit zullen worden uitgegeven’. Waarbij opgemerkt wordt dat die laatste categorie het grootst is. Iemand afwijzen is niet een fijn ding, maar wel noodzakelijk. Wat er dan uiteindelijk uit die berg teksten gefilterd wordt en in Tirade verschijnt zijn stuk voor stuk teksten die, zoals gewenst, een Tirade waardig zijn.

    Editie 468 is een nummer met literaire sciencefiction. Zes verhalen van o.a. Anoek Nuyens, Wytske Versteeg, Said El Haji, Renée van Marissing. De verhalen zijn geschreven in opdracht tijdens de workshop De geschiedenis van morgen (februari dit jaar), en georganiseerd door SLAA en Monnik. Mooie verhalen, zelfs voor wie niet van sciencefiction houdt. Van de dichter en prozaschrijver Ian McLachlan (Londen) een zestal (sciencefiction) gedichten in vertaling van Maarten Buser. Die zo prettig lezen dat je je afvraagt of we niet nu al in de tijd vooruit leven, in sciencefiction. 

     

    In Tirade 467 een verhaal, Eindhoven, van Rob van Essen (gevestigd schrijver en recensent) en het essay; Olaf Hendriks, Een essay in de derde persoon, van Tiemen Hiemstra (onbekend). Door de redactie aangemerkt als ‘origineel’. Over een wereld waarin aanslagen en bedreigingen als standaard worden gezien. Horror scenario’s op het netvlies van de jongeman Olaf die lijdt aan hyperventilatie en hartkloppingen en die het woord ‘gootsteen’ gebruikt om zijn angst te bezweren. Want ja, de kans is groter dat je bij het ontstoppen van een gootsteen gewond raakt (‘bij het lostrekken van de plopper achterovervallen en met je hoofd op de rand van het een of ander terechtkomen.’) dan dat je een terroristische aanslag meemaakt. Waarin een voetbalwedstrijd het qua belangstelling, wint van een boekpresentatie. Het leven zoals we dat kennen in beschouwingen en meldingen in de media en inderdaad zeer origineel  in voorbeelden en .
    Een ronduit prachtig verhaal is Meneer Sjandoor van student aan de schrijversvakschool, Ilona Barsony; een zo goed verteller , dat je voor de duur van het verhaal bent weggevoerd.

    In de rubriek Zestig jaar Tirade, verschijnt deze jaargang ter gelegenheid van het zestig jarig jubileum in elke editie van Tirade, een essay of verhaal dat teruggrijpt op de geschiedenis van het blad. In nr. 468 reageert Julie Benschop met het essay De opwaartse kracht van J.J. Voskuil op Hanny Michaelis’ artikel ‘Mirakuleuze herrijzenissen’ uit Tirade 300, over de heropleving van een boek, zoals Bij nader inzien (1963) van Voskuil, dat in 1985 een heropleving kende. Benschop vraagt zich af of herrijzenissen wel zo mirakuleus zijn als Michalis wil doen geloven.

    Schrijver Marijn Sikken inspireerde haar bijdrage, Notities over Huub, in deze rubriek op het stuk Notities, van K. Schippers uit Tirade 200. De koppen boven de (elf )stukken zijn van Schippers. Het verhaal met de titel ‘Geluid’ begint zo: “Het eerste wat wij meekrijgen van Huub, zijn z’n schoenen. Huub draagt gewone sneakers, wit met grijze streep, broer en ik vermoeden dat ze een maat te klein zijn.” Waarmee Sikken de lezer meeneemt  en niet stopt voor de laatste punt is gezet.
    Een mooie Kroniek van een roman van Carel Peeters, die Het einde van de eenzaamheid van Benedict Wells samenvat als, een roman ‘over de gevolgen van het op jonge leeftijd verliezen van je ouders’. Het mooiste verhaal uit beide edities is het toekomstverhaal van Maurits de Bruijn, Het geheugen van smartphones. Waarin de geschiedenis van alles wat we weten verwijderd wordt en de geschiedenis herschreven wordt. Misschien is er nog een weg terug, Na dit gelezen te hebben wens je bijna dat er nog een weg terug is. Misschien wordt dat wel de sciencefiction van de toekomst; een weg terug.

    En De Tirade van… is van Roos van Rijswijk, waarin ze haar enthousiasme over optreden bij leesclubs toelicht en dat je daat eigenlijk niet enthousiast over mag zijn; ‘(…) er zijn lezers die dingen opvallen waar ik zelf helemaal niet aan gedacht had. (…) soms zijn er tien mensen van wie er vijf het boek enigszins hebben gelezen, en van die vijf mensen is er dan altijd één iemand die het helemaal niks vond en de hele tijd heel zuur zit te kijken met haar ogen rolt.’

    Twee edities Tirade, het lezen meer dan waard want, andere inzichten! Te koop bij de betere boekhandel, (de nieuwe editie Nr. 469, ligt overigens al weer klaar), maar misschien is een abonnement beter. En kijk vooral ook op: Tirade.nu.

     

  • Literaire ontwikkelingen in een momentopname

    Literaire ontwikkelingen in een momentopname

    De Revisor heeft oog voor kwaliteit en oorspronkelijkheid. Daarbij wordt er meer gelet op de stijl dan op de inhoud van een verhaal. Een goede maatstaf, want waar het verhaal ook over gaan mag, als de stijl niets is, wordt het met dat verhaal ook niets. De Revisor zet dan ook, zo verkondigd hun website, stijl voor boodschap; kwaliteit voor vorm en marketing en wil daarmee het beste podium voor proza, poëzie en het literaire essay zijn. Wanneer je het halfjaarlijks verschijnend boekwerk doorneemt kan dan ook geconstateerd worden dat ze daar steeds weer in slagen. De eerste editie van dit jaar (de tweede is onlangs gepresenteerd) bevat veel, of beter, niets dan prachtige, boeiende en verrassende bijdragen van bekend en ongekend talent. Alles zonder begin of eind dus ook geen plot. Dat levert mooie literatuur op.

    Mischa Andriessens Waar het heen moet? gaat over zijn mislukte eerste roman en is het verslag van de strijd een plotloze roman te willen schrijven. Hij faalde met het schrijven van die roman omdat het verhaal hem ergens heen wilde leiden. Daarom werd het niks. Andriessen kiest voor vrije ontwikkelingen in de roman die dus niet vrijelijk kunnen ontstaan als er een bedachte lijn in zit. Betekenisvolle zin hieruit: ‘Later borg ik die roman op in de berging van een inmiddels onbruikbare computer.’

    Wytske Versteeg is zo’n schrijver die zonder plot werkt, dat bespeur je in haar verhaal Beesten, waarin je als lezer de draad van een ontwikkeling volgt tussen twee personen die elkaar toevallig treffen en nergens heen gaan.

    Wim Noordhoek schrijft in Alle trams rijden naar de hemel een van zijn herinneringen uit. En dat doet hij in korte, sprekende zinnen en begint met: ‘In slaap gevallen in de tram was ik.’ een beeld gevend van een voorbije tijd, wat herinneringen zijn natuurlijk, maar Noordhoek tracht de tijd te behouden en laat ons een blik werpen op achtergebleven stukken rails in slordig geasfalteerde wegen. ‘Hier reed vroeger een tram, maar nu niet meer.’

    Van Sandra Heerma van Voss een persoonlijk essay Van Blaman tot Brookner, schrijven over eenzaamheid. Lees hier over de kunst of kitsch van het werk van Anna Blaman, dat meeblèren met Queens’ ‘Somebody to Love’ net zo lekker kan voelen als het werk van Blaman lezen. En over meer gedesillusioneerde en boze vrouwelijke auteurs als Jean Rhys (1890-1979) en Dorothy Parker (1893-1967). Dit zijn wat je noemt handreikingen uit de belezenheid van anderen.

    Nog eentje dan. Een essay van Poetry International programmeur Jan Baeke. Over de poëzie in de wereld. Waarin hij zich onder andere afvraag of er iets in de poëzie is veranderd. In tijden van internet en sociale media. En waarin hij ingaat op de poëzietraditie in China, die ervoor zorgt dat poëzie van eeuwen geleden nog altijd als referentiekader geldt. Voor de gretige liefhebbers die er hun blik op poëzieland mee kunnen vernieuwen.

    Meer mooie verhalen van onder andere Gilles van der Loo, Erik Lindner (en gedichten), Bart Koubaa, (beginnend talent) Jori Stam, Jerry Hormone (werkt aan zijn debuut), Jan van Mersbergenn en gedichten van Ider de la Parra, Ruth Lasters en Kees ’t Hart.

    Een teveel aan informatie mag er wel van de kleine recensies gezegd worden die onder elke bijdrage over het werk van de auteur en/of het gepubliceerde stuk staan. Sommige literaire tijdschriften geven zeer summier of zelfs geen informatie over hun auteurs en hun werk. De werkbiografietjes in De Revisor zetten een stempel waar je zelf zou willen oordelen. Maar goed, een kniesoor. Opmerkelijk is dat het stuk voor stuk mooie bijdragen zijn die je allemaal wilt lezen. En sommigen wilt herlezen. En nog eens.

     

     

     

  • Debatavond in De Balie over 'Generatie IK LIT. Schrijven is hip!'

    Agenda

    Jonge schrijvers trekken zich niets aan van de crisis in de boekenbranche; publiceren willen ze. En uitgevers ontketenen een ware hausse door  jonge debutanten als popsterren te lanceren. En is het zo dat schrijven, het schrijverschap, voorleesavonden en boekenclubjes hip zijn?

    Wie zijn deze jonge schrijvers, waar schrijven ze over en representeren zij de stem van hun generatie? Zijn het rolmodellen, smaakmakers, rebellen of is er slechts sprake van een klein groepje Amsterdamse hipsters die enkel en alleen voor hun eigen peergroup schrijven?

    Het merendeel van deze debuutromans lijkt een afspiegeling te zijn van het privéleven van de jonge schrijver. Is dit ook meteen  typerend voor Generatie IK: een generatie die alleen maar over zichzelf  kan schrijven? Betekent het een gebrek aan visie, engagement en maatschappelijke betrokkenheid ? Of leidt de enorme preoccupatie met de IK tot een over zelfbewustzijn en zelfrelativering die de durf en bravoure  om een groter verhaal te vertellen bij voorbaat nekt?

    Tijdens deze avond gaan we in debat met jonge schrijvers, uitgevers, fans en criticasters. Met Johan Fretz, Maurice Seleky, Wytske Versteeg, Joost de Vries en Olga Kortz.

     

    Debatavond in De Balie
    do. 21 februari
    aanvang: 20.00 uur
    Tickets