• Personages J.J. Voskuil leven voort bij Wim Huijser

    Personages J.J. Voskuil leven voort bij Wim Huijser

    Maarten en Nicolien, wie kent ze niet? Deze hoofdpersonages uit de zevendelige roman Het Bureau van J.J. Voskuil, leven voort in Wim Huijsers roman Het Genootschap. De roman bestaat uit 119 korte hoofdstukjes met scenes uit hun leven en dat van bestuursleden en bijeenkomsten van het J.J. Voskuil Genootschap. Bijzonder is dat Huijser van Maarten en Nicolien reële autonome wezens heeft gemaakt, die los van hun schepper Voskuil voortbestaan.

    Het boek is een nieuwe ‘loot aan de Voskuilboom’, zoals Huijser het zelf eens formuleerde. Na Voskuils dood zijn er in diens voetspoor verschillende romans verschenen waarin zijn stijl en thema’s herkenbaar zijn, onder meer die van Detlev van Heest en Minke Douwesz. Huijser zelf heeft in de afgelopen twee jaar ook ijverig meegewerkt aan het uitlopen van deze stam. Hij volgde Voskuil niet alleen in stijl en thema’s, maar gebruikte ook zijn personages. Eerst publiceerde hij twee boeken met wandelingen van het echtpaar Maarten en Nicolien: Aan de wandel, waarin zij kriskras door Nederland wandelen en Op Pieterpad, waar ze het bekende ‘Lange Afstands Wandelpad’ lopen. En nu dan Het Genootschap.

    Feest der herkenning

    In deze roman wordt Maarten per brief gevraagd om erelid te worden van het J.J. Voskuil Genootschap. Het is het begin van een grappige roman die vooral voor Voskuillezers een feest der herkenning is. Maarten en Nicolien kissebissen evenzeer als de romanfiguren van Voskuil over van alles, om te beginnen over de vraag of Maarten aan het verzoek van het Genootschap gehoor moet geven. Nicolien is daarop tegen. Maarten gaat echter op de uitnodiging in en is zelfs bereid mee te werken aan een ledenvergadering, door ‘De Knat’ voor te lezen, het verhaal dat Maarten ooit in een van Voskuils boeken ook heeft voorgelezen.

    Het J.J. Voskuil Genootschap bestaat uit een excentriek stel mensen bij elkaar. De bestuursleden gaan door het leven onder Bordewijkiaanse namen als Jacques Strategier (secretaris), Herman Draatzoeker (voorzitter) en Sylvie de Vragende (penningmeester). In een later stadium komt daar Coosje van Well als jeugdig nieuw bestuurslid bij. Die bestuursleden komen afzonderlijk of gezamenlijk voor in aparte hoofdstukjes en vergaderen telefonisch en op locaties heel wat af. Daardoor krijgt de roman dezelfde afwisseling als Het Bureau, een afwisseling die in de wandelboeken van Huijser met Maarten en Nicolien ontbreekt. Er ontstaat een dynamiek tussen de belevenissen van het echtpaar in de huiselijke sfeer en die van het Genootschap, waarin Maarten soms participeert. Deze dynamiek maakt Het Genootschap tot een ware Voskuilpastiche.

    Spel met alter ego’s

    Het wordt helemaal interessant als Maarten en Nicolien kritiek gaan leveren op hun schepper Voskuil. Kritiek, met name op de dagboeken van Voskuil, die in de verhaaltijd van deze roman (september 2022-april 2023) verschijnen. Ze vinden vooral het eerste deel van het dagboek, dat de periode tot 1955 bestrijkt, niet veel. ‘Die (Voskuil) deed in de Tweede Wereldoorlog niets anders dan bandenplakken’ merkt Maarten venijnig op en hij noemt het dagboek een ‘in zichzelf gekeerde worsteling.’ Maarten en Nicolien willen als eigenstandige personen beslist niet vereenzelvigd worden met hun schepper. 

    De roman is dus een spel met alter ego’s, aliassen en identiteiten. Eindeloos hebben de critici in het verleden gediscussieerd over de relatie tussen Voskuil en zijn alter ego Maarten Koning. In deze roman beweert Maarten dat Voskuil in Het Bureau een ideaaltype van zichzelf heeft geschapen, dat in geen enkel opzicht met de schrijver verward mag worden. Nog ingewikkelder wordt het als het echtpaar reageert op de verschijning van Aan de wandel dat Wim Huijser schreef met hen als hoofdpersonen. Voskuil is de creator van Maarten en Nicolien, door Huijser in Het Genootschap als echte personen opgevoerd die reageren op een door Huijser gecreëerd wandelboekje. Nicolien is in Het Genootschap erg boos over de verschijning ervan: ‘Dat hoeven wij toch zeker niet te pikken!’ reageert ze, ‘Het zou verboden moeten worden’. Op deze wijze spot Wim Huijser ook met zijn eigen creatie. Maarten heeft er minder moeite mee en gaat zelfs naar de presentatie van dit wandelboek.

    Levensduur van romanpersonages

    Het plezier in het schrijven spat van iedere bladzijde van dit boek af. Huijser geeft Maarten en Nicolien een nieuwe levenstijd. De 119 hoofdstukjes zijn kort en afwisselend waardoor je het boek niet snel weglegt: ‘Nog eentje dan!’ De Voskuilervaring wordt er weer helemaal door opgefrist en in de tijd gebracht. Vooral Maarten, maar ook Nicolien, zijn in deze roman met hun tijd meegegaan. Maarten heeft thuis een ‘spinningbike’ en loopt op ‘sneakers’, hij downloadt teksten en gebruikt een mobieltje en een laptop. Interessant is dat Huijser in dit boek de oudste vriend van Voskuil, Loe van Ooijen, veel aandacht geeft, die als het personage Klaas de Ruiter in Het Bureau figureert. Van Ooijen heeft zich namelijk ooit garant gesteld voor het verschijnen van Voskuils roman Bij nader inzien (1963), iets waar Voskuil zelf nooit ruchtbaarheid aan heeft gegeven. Deze van Ooijen is weer de oud-leraar Nederlands van Wim Huijser en zo speelt Huijsers eigen leven ook een rol in de roman. Ook het publiciteitsbureau, dat het J.J. Voskuil Genootschap gratis van een imago wil voorzien, is ontsproten aan Huijsers eigen ervaringen.

    Een van de thema’s is dat romanpersonages bestaan zolang ze gelezen worden. Huijsers roman verlengt niet alleen fictief hun leven, maar wij ook door deze roman en het werk van Voskuil te blijven lezen. Het boek eindigt met een bijeenkomst van leden van het J.J. Voskuil Genootschap in Den Haag, waar ze een wandeling maken langs de begraafplaats van Voskuil en langs de huizen waar hij gewoond heeft. Bij deze bijeenkomst zijn verrassend veel jongeren aanwezig. Coosje van Well, het jongste bestuurslid, heeft door haar charmante en deskundige presentatie over het genootschap op tv de belangstelling voor de schrijver en voor het genootschap vergroot. Misschien schreef Huijser het boek wel omdat hij anderen, jongeren, ook het plezier in Voskuils boeken gunt. Het boek zal in ieder geval de lezers van Voskuil een groot genoegen schenken, omdat deze roman dezelfde geestige en ironische blik op de mensheid werpt als Voskuil dat in zijn werk deed. Voskuil leeft niet meer, maar zijn creaties leven voort.

     

     

  • Bloemlezing waarin niet alles lezenswaardig is

    Bloemlezing waarin niet alles lezenswaardig is

    Wim Huijser bezorgde al een biografie (2015) van C. Buddingh’. Onlangs werd er nog een ANWB informatiebord over het werk van C. Buddingh’ op een brugwachtershuisje in Dordrecht onthuld waarbij Huijser ook het eerste exemplaar van de door hem samengestelde poëzie bloemlezing van Buddingh’ Een geluk bij een ongeluk aan de loco-burgemeester overhandigde. Wim Huijser zit in het bestuur van het Buddingh’ Genootschap en poogt een Buddingh’ revival van de grond te krijgen. Daar behoort ook een bloemlezing uit Buddingh’s proza, Bazip, Deibel en andere verhalen toe.
    Buddingh’ (1918-1985) is bekend van de Blauwbilgorgel, het absurdistische gedicht over een fantasiedier, en van het potje Sandwichspread waarvan het deksel op het potje Marmite paste. Een gedicht dat zo realistisch en pretentieloos is dat het absurd wordt. In ieder geval is het grappig, zeker zoals Buddingh’ het voordroeg tijdens de befaamde dichtersmanifestatie in Carré in 1966. Dit komisch realisme is terug te vinden in Buddingh’s proza. Het verhaal Krijn kan weer pissen (1975) opent prachtig:

    Op de groentemarkt stond Dikke Dolf aan een aubergine te ruiken. Hij liet hem een paar centimeter zakken en vroeg: ‘Heb je het gehoord?’ ‘Wat gehoord?’ ‘Krijn kan niet meer pissen.’

    Vervolgens wordt in sprankelende dialogen de hypochondrische Krijn en diens verhouding tot zijn traditioneel-anarchistische gezin beschreven. De verteller van het verhaal is uitsluitend aanwezig als chroniqueur van een vermakelijke episode en geeft over zichzelf weinig prijs. In het openingsverhaal, over een familie die last heeft van vissensterfte, zijn de dialogen uit het leven gegrepen zonder ook maar enigszins aangetast te zijn door de tand des tijds. Opmerkelijk, aangezien het verhaal al tijdens de Tweede Wereldoorlog is geschreven en tot Buddingh’s vroegste werk behoort.

    Als schrijver van tableaux vivants met een scherp oog voor het komische is Buddingh’ als prozaïst op zijn best. In het iets te lange verhaal over de getalenteerde, maar onuitstaanbare voetballer Jopie Deibel weet hij aan die ingrediënten een dramatisch en verrassend eind toe te voegen. Terwijl Belofte maakt schuld wordt opgediend met een scheutje melancholie; het beschrijft het moment waarin de nederlaag zich aandient van twee titaantjes die de literaire wereld van de jaren zestig aan het veroveren zijn.

    Deze bloemlezing maakt ook Buddingh’s beperkingen duidelijk. Als Buddingh’ zelf de hoofdpersoon is (Leve het bruine monster) dan ontbreekt de spanning, de introspectie noch het plot zorgen voor veel opwinding. ‘Bijzonder aardig: prima, prima’, om met Hermans te spreken die in 1978 zowel Buddingh’ als zijn gepubliceerde dagboek in een ingezonden stuk in het NRC genadeloos op de korrel nam. Buddingh’ was nadien nooit meer dezelfde. In dat licht gezien niet handig dat Huijser besloten heeft dit langdradige, wat gezapige verhaal over Buddingh’s wederwaardigheden als voetballer, aan de bloemlezing toe te voegen. Voor de biografische gegevens kunnen we beter terecht bij Huijsers biografie Dichter bij Dordt.

    Wellicht werd het erin opgenomen omdat Buddingh’ erg weinig publicabel prozawerk heeft voortgebracht, in deze bundel staan slechts vijf korte verhalen. Om dezelfde reden lijken De avonturen van Bazip Zeehok toegevoegd. Volgens Huijser is het onmiskenbaar een roman – het werk beslaat inderdaad ruim 150 pagina’s, meer dan de helft van de bloemlezing , maar daar is alles mee gezegd.
    De 69 schetsen over een wereldvreemd en oppervlakkig personage dat stuurloos in een oceaan van gezapigheid dobbert, zijn in een zeer infantiele kinderboekentaal beschreven: ‘En ze bijt Bazip even in zijn oor, wat hij natuurlijk wel heel prettig vindt, maar toch ook een beetje, hoe noem je dat ook alweer, oh ja, gênant (…)’. In De avonturen van Bazip Zeehok triomferen Buddingh’s zwaktes (oppervlakkigheid, onvermogen tot plot building en overtuigend psychologiseren) en ontbreken zijn sterke punten (rake en geestige typeringen van de eigen omgeving).

    Net als zijn idool C. Buddingh’, weet Huijser geen maat te houden. Van een bloemlezing wordt verwacht dat alleen het beste werk erin opgenomen wordt. Daar zouden de oubollige en nietszeggende verhalen van Bazip Zeehok dan zeker niet toebehoren.

     

     

  • Oogst week 9

    Mijn wilde tuin

    Tuinieren is voor wie de hele dag in zijn hoofd verblijft doorgaans een welkome afleiding. Als grote schrijvers het over hun tuin hebben, hebben ze het dan ook zelden alleen over hun tuin. Wat daar groeit en bloeit, staat voor het leven zelf. Dat geldt ook voor Mijn wilde tuin van Meir Shalev. Zijn ‘aantekeningen van een wildtuinier’ beginnen met zijn verhuizing naar de dorre Vlakte van Jizreel in het noorden van Israël. Tuinieren valt daar niet mee. Shalev oefent geduld, houdt vol, observeert en filosofeert. Dat levert een boek op dat niet alleen over tuinieren en literatuur gaat, maar ook over koken. Een zelfportret van tekeningen voorzien door Rafaela Shir.

    Mijn wilde tuin
    Auteur: Meir Shalev
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Bazip, Deibel en andere verhalen

    Het is dit jaar honderd jaar geleden dat C. Buddingh’ in Dordrecht werd geboren. Voor die gelegenheid selecteerde zijn biograaf Wim Huijser de beste verhalen van Buddingh’, die door velen die minder ingewijd zijn in zijn werk vooral als dichter herinnerd zal worden. Een dichter die het licht hield, ook als hij het over ernstige zaken had.

    Tot de beste verhalen van C. Buddingh’ die in Bazip, Deibel en andere verhalen gebundeld zijn, horen parabels bewoond door even absurdistische wezens als de legendarische Blauwbilgorgel, maar ook verhalen die ogenschijnlijk over normale dagelijkse dingen gaan. En toch weet Buddingh’ ook daar in taal weer zijn draai aan te geven.

    Bazip, Deibel en andere verhalen
    Auteur: C. Buddingh'
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Slapende tijgers

    Verhalen vertellen helpt bij het verwerken van tegenslag en teleurstelling. Na de dood van een buurjongen werken verhalen helend voor een zesjarig meisje. Verhalen over de dieren in de dierentuin die zich ooit bevond in de wijk waar ze nu woont. Samen met haar vriendje Ben gaat ze er helemaal op in die verhalen.  Maar dan maakt een aangekondigde verhuizing inbreuk op hun fantastische kijk op het leven.

    Astrid Panis gelooft in de kracht van verhalen. In haar debuutroman Slapende tijgers ze maakte daarvoor  twee prentenboeken – zorgt ze dat haar personages zich kunnen laven aan verbeelde troost.

    Slapende tijgers
    Auteur: Astrid Panis
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee
  • Oogst week 22

    Door Ingrid van der Graaf

    De Kroatische (experimentele) schrijfster, essayiste en letterkundige Dubravka Ugrešić woont al jaren in Amsterdam. Ze schrijft in het Kroatisch maar haar werk, waarvoor ze verschillende literaire prijzen ontving, is in vele talen vertaald.
    In de essaybundel Europa in sepia dwaalt Ugrešic van de Amerikaanse Midwest tot Zuccotti Park, en van de Ierse Aran-eilanden tot Jeruzalems Mea Shearim, van de tristesse van de Nederlandse Vinex-wijken tot de rellen in Zuid-Londen. Ondertussen stipt ze tal van kwesties aan, van de lusteloosheid in Centraal-Europa tot de verveling in de Lage Landen. Met een vinger aan de pols van een uitgeput Europa en een andere aan die van postindustrieel Amerika, onderzoekt Ugrešic de fall-out van politiek falen en de vuilnisbelt van de populaire cultuur. Ugrešic’ schrijft met een lichte toon en dat, samen met haar gevoel voor het absurde, maakt Europa is sepia tot een bundel betoverende wanhoop. Uitgegeven bij Singeluitgevers, 376 blz, € 24,95.

    9789048824076Schrijver en vertaler Thomas Willmann (1969 München) studeerde muziekwetenschap en was cultureel verslaggever en gastpresentator bij een klassieke radiozender voor hij in 2014 debuteerde met Het duistere dal.
    Een roman waarin wraak een hoofdrol speelt. In een afgelegen dal hoog in de bergen, ingeklemd tussen machtige bergtoppen, ligt een dorp. Op een dag arriveert een vreemdeling om er de winter  te verblijven. Om te schilderen. Zeer onwillig wordt hem onderdak toegewezen in het huis van weduwe Gader. Het dorp raakt ingesneeuwd en het leven komt tot stilstand. Dan verongelukt de jongste zoon van een familie uit het dorp. Een tweede zoon wordt teruggevonden in een beek. In Het duistere dal wordt het verleden tot het heden gebracht. Uitgegeven bij Meridiaan, 304 blz, € 19,99.

    21614987-Economie-is-geen-wetenschap-Bernard-MarisBernard Maris is een van de omgebrachte redacteuren van Charlie Hebdo. Economie is geen wetenschap is zijn laatste boek. Net als Thomas Piketty beweerde Maris dat hij meer geleerd heeft van grote literaire auteurs dan van bekende economen. Hij stond altijd vooraan wanneer het ging om het bekritiseren van economen en het bestaande economische systeem.  In dit boek leest hij de huidige tijd aan de hand van het werk van Michel Houellebecq en in het licht van veel geciteerde economen als Marx, Friedman en Keynes. Economie is geen wetenschap is scherp geschreven, ook bedoeld voor mensen die Houellebecq niet lezen. Uitgegeven bij De Geus, € 14,95.

     

    huijser-buddingh-2015-188x300De biografie, waar velen naar uitkeken, is nu verschenen. Vanaf 2003 is Wim Huijser de biograaf van de Dordtse schrijver, dichter, vertaler, essayist C. Buddingh’ (1918-1985). Sinds die tijd verschenen van hem meerdere publicaties over Buddingh’, waaronder in 2010 Buddingh’s verzamelde gedichten onder de titel Buddingh’ Gebundeld.
    C. (Kees) Buddingh’ (1918-1985) mag gerekend worden tot de populairste schrijvers van zijn generatie. Met zijn Gorgelrijmen verwierf hij al in de jaren veertig en vijftig zijn eerste bekendheid: ‘De blauwbilgorgel’ is zelfs klassiek geworden. Dankzij zijn droge humor en karakteristieke stemgeluid was hij een opvallende verschijning tijdens Nederlands eerste grote dichtersmanifestatie Poëzie in Carré (1966). Uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar, 410 blz, € 34,99.