• Yoghurtpak

    Yoghurtpak

    Telkens als ik een pak yoghurt uit de koelkastdeur pak, lees ik op de schuine bovenkant: ‘Waar is de dop?’ Ik heb geen idee, antwoord ik in mezelf. Dat gaat volkomen automatisch, dat antwoord. Ook ontsnapt me wel eens: ‘Ik zou het niet weten’, en na het zoveelste pak yoghurt met dezelfde vraag roep ik wel eens: ‘Weten ze nu nog niet waar die dop is?’
    ‘Waar is de dop?’ en het niet weten. Hoe houdt een mens dat vol. Ik kan in het rekje van de koelkastdeur kijken of onder de tafel maar dat lost niets op want die dop is er gewoon niet meer. Als er een vraag is, wil je reageren, al is het maar: ‘Hou nou is op!’  Het is zoiets als bij vrienden op bezoek komen en er gevraagd wordt: ‘Waar is de bank?’ waardoor ik gelijk mijn aandacht op de bank richt en zie dat het een nieuwe is, dat ik dan uitroep: ‘Hebben jullie een nieuwe bank!’ Je gaat erop zitten en raakt er het eerste kwartier niet over uitgepraat. Niet dat ik zulke vrienden heb waar het interieur onderwerp van gesprek zou kunnen zijn, maar het zou kunnen.

    Met de vraag: ‘Waar is de dop?’, wil de pakkenfabrikant wellicht dat ik roep, ‘Hé, de dop is weg!’ En dat ik daar dan over na ga denken, erover in gesprek ga met iemand: ‘Zeg, heb je het gezien, de dop is weg.’ Maar hé, in den beginne was het een pak zonder dop, toen werd het een pak met dop en nu is de dop weer weg. Het is zoals het is. Overigens heb ik me deze week bij het ontbijt zeer vermaakt met de nieuwe editie van het fraaie poëzietijdschrift Het Liegend Konijn. Waarin werk van onder andere Gerry van der Linden en Marieke Rijneveld. Niets beters om stompzinnigheid te overwinnen dan een gedicht in de ochtend.

    Terwijl ik mijn yoghurt uit het pak zonder dop oplepelde, las ik het gedicht ‘Voor Wim Brands (1959-2016)‘, van Gerry van der Linden. Het bracht me een afstand tot de dingen die het waarnemen scherper maakt. Eenvoudige woorden in kleine strofen waar een oprechte maar afstandelijke genegenheid uit spreekt en dat prachtig eindigt met: ‘je was gevallen – ik zag het / je wilde opstaan uit een lege stoel’. En ik las Marieke Rijneveld, die schrijft: ‘(…) zij zei dat dichters die hun ouders ontberen hetzelfde zijn als jongens met vouwranden die maar niet willen blijven plakken.’
    ‘Jongens met vouwranden’. Dat wil ik nou wel eens gedrukt zien staan op een pak met yoghurt.

     

     

  • Over tederheid

    Over tederheid

    In mijn hoofd klinkt sinds een week het melancholieke deuntje van ‘Verdomme Kees’, van Frans Halsema. Het zit in mijn hoofd, wil er niet meer weg. Ik leg mijn bestek neer als ik uitgegeten ben, schuif een stoel achteruit, haal broden uit de oven, zie hoe ze daar goudbruin liggen te dampen, alles gewoon. Dan als ik me omdraai, mijn jas op hang, de krant dichtvouw, mijn fiets op slot zet, zingt er een plotseling ‘Verdomme Kees’ door mijn hoofd. Op de nagalm van deze tune ga ik verder met de dingen tot weer dat deuntje door mijn hoofd gaat, ik stilsta, weet dat het door ‘Wim’ is dat ‘Verdomme Kees’ in mijn hoofd zit.

    Wat helpt is lezen in De duimsprong van Miek Zwamborn. Het is een van de mooiste en zachtmoedigste boeken die ik in jaren heb gelezen. Een roman rijk aan verhalen over personen die de aarde in  kaart willen brengen. Haar manier van schrijven is onderzoekend maar vooral helder en maakt van elk persoon, hoe moeizaam de levensloop ook, een oprecht geaard mens. Ze beschrijft mensen die een doel hebben, ook al is dat doel het einde van het leven. De rode draad in De duimsprong is een jonge vrouw die, nadat ze hoort dat haar klimvriend Jens is verdwenen, wil achterhalen wat er gebeurd is. In de hoop hem te vinden gaat ze opnieuw de klimtochten maken die ze eerder met hem maakte, ze zoekt op alle plekken waar ze samen zijn geweest. De ontroering ontspringt uit de poging de tijd stil te zitten, te geloven dat hij daar is waar ze hem gezien heeft, waar ze samen waren.

    ‘Op de een of andere manier geloofde ik door naar de plekken te gaan waarover hij me had verteld dichter bij zijn verdwijnpunt te komen. Ik vertrok naar Engeland. Toen ik net als Jens langs de stronken van het Fossil Forrest liep en me op de terugweg over het strand van de Hoefijzerbaai liet blazen ontdekte ik in een van de straten dwars op de baai een boom met daarin buitensporig veel plastic emmertjes en schepjes, aangespoeld waarschijnlijk, verzameld door de zee zelf of achtergebleven op het strand. Daar onder die boom heb ik voor het eerst om Jens gehuild. Al die vermiste voorwerpen bijeen in de boom deden me beseffen dat ik hem wellicht nooit meer terug zou zien.’

    Miek Zwamborn werd door Wim Brands geïnterviewd in 2013. Brands geniet zichtbaar hoe ze vertelt over de uitgangspunten en ontdekkingen die haar tot het schrijven van dit boek hebben aangezet. Genieten is een vorm van tederheid. En dan zingt het weer in mijn hoofd ‘Verdomme Kees’, bij wie moeten nu al die jonge schrijvers, voor wie het het toppunt van waardering is ooit in Boeken met Brands te mogen zitten, waar moeten die nu heen? Nog liever dan met een DWDD-sticker te worden opgescheept werden ze, zeker weten, liever door Wim Brands uitgenodigd om over hun boek te komen praten. ‘Dat zegt iets, naar ik vrees…’

     

    Kijk hier de uitzending met Miek Zwamborn: vpro.nl


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • In memoriam Wim Brands 1959 – 2016

    Brands


    “Dit is mooi, dit boek moet je lezen”

    De man die als enige en nooit aflatende taak in zijn leven het verspreiden van literatuur leek te hebben, is gistermorgen op 57-jarige leeftijd door zelfdoding overleden. Een groot verlies voor de Nederlandse literaire wereld. Daar waar de Nederlandse literatuur zich manifesteerde, was Wim Brands aanwezig. Als interviewer kon hij wat stijfjes overkomen maar zijn vraagstelling was dermate goed dat de geïnterviewde schrijver op zo’n wijze aan het woord kwam dat ze voor dat moment schitterden en het besproken boek de urgentie verleende gelezen te moeten worden. Deze boeken hadden geen DWDD stickers nodig om het publiek te bereiken. Mensen aan het lezen te krijgen, ze te laten bewegen in de stilte, of bewegingen stil te leggen door de literatuur, dat was zijn missie.

    Wim Brands, geboren in Brummen een kleine gemeente bij Zutphen, vertrok op negentienjarige leeftijd naar Amsterdam en bezocht de school voor de Journalistiek. In de jaren tachtig werd Brands vooral bekend met zijn vele radio uitzendingen bij de VPRO op het gebied van filosofie en literatuur en waar hij samen met Wim Noordhoek de bedenker werd van het programma De Avonden. Later maakte hij wekelijks op Radio 1, op de vrijdagavond het interviewprogramma Brands met Boeken. In 2005 verscheen hij met dit programma op tv. In 2013 maakte hij het programma Boeken op reis met Wim Brands waarin hij op reis ging naar zes internationaal bekende schrijvers als, David Grossman, Annie Proulx, Lionel Shriver en Karl Ove Knausgard, wat prachtige en inspirerende schrijversportretten opleverde. Tussendoor interviewde hij schrijvers op literaire festivals als Winternachten, Crossing Border en Nacht van de Poëzie en verzorgde hij interviews voor de humanistische beweging Human, waarvoor hij in de zomer van 2014 twee gesprekken voerde met de filosoof René Gude (1957-2015). Diepgaande gesprekken over, ‘Wat wil je nalaten aan je nabestaanden?’ en Waar gaat het om in het leven?’

    Vorig jaar verscheen van hem de samenstelling De Nederlandse Literatuur van de 21ste eeuw, zestig schrijvers waarvan Brands zegt, ‘Dit moet je lezen’, in samenwerking met zijn dochter Nikki. Het was niet zijn idee een bloemlezing van de debuut romans van Nederlandstalige schrijvers samen te stellen. Hij was er eigenlijk wars van, het risico iemand te vergeten was groot. Dat had hij al eens ervaren toen de Volkskrant hem vroeg jaarlijks een lijstje samen te stellen van de beste jonge schrijvers van dat moment. Schrijvers die er toe doen. Hij heeft het één keer gedaan en toen nooit meer. Die ene keer was hij vergeten Gustaaf Peek te vermelden terwijl hij wist dat dit een van de belangrijkste nieuwe schrijvers was. Hij probeerde hem er nadien nog bij te krijgen, op die lijst. Maar het bleek dat Peek niet meetelde, hij was alweer te oud. En daar hield het voor Brands ook op, voor hem was goede en belangwekkende literatuur leeftijdloos. Het kan niet onvermeld blijven dat hij met deze bloemlezing een aanzet heeft gegeven tot de vorming van een canon van de Nederlandstalige literatuur van de 21ste eeuw.

    Als dichter debuteerde Wim Brands in 1978 in Hollands Maandblad, toen nog onder redactie van K.L. Poll. De volgend anekdote vertelde Brands tijdens een interview, waarbij hij voor de verandering geïnterviewd werd door Kees ’t Hart, hoe hij dichter werd.

    Toen hij zijn eerste gedicht geschreven had fietste hij met dat gedicht in zijn zak van Brummen naar Zutphen alwaar een vriend van hem, die de eigenlijke dichter was, in een toren woonde. Hij klopte aan en vroeg aan de vriend die in de deuropening verscheen, wat hij ermee kon doen. De dichter sprak: ‘Je stuurt het op naar een literair tijdschrift en dan krijg je het terug.’ Hij stuurde het gedicht op en het werd geplaatst. Zo werd zijn leven bepaald en werd hij dichter.

    Hij publiceerde de volgend bundels: Inslag (1985) / Koningen de gehavenden (1990) / Zwemmen in de nacht (1995) / In de metro (1997) / De schoenen van de buurman (1999) / Ruimtevaart (2005) / Neem me mee zij de hond (2010) / ’s Middags zwem ik in de Noordzee (2014)
    Bij dit alles was hij poëzie docent aan de Schrijversvakschool en Rietveld Academie in Amsterdam, publiceerde hij geregeld poëzie in literaire tijdschriften en was voorzitter van literair tijdschrift Terras.

    In de literaire wereld heeft zijn overlijden een grote schok teweeg gebracht.

     

     

  • Een knappe jongen

    Een knappe jongen

    Ik was in de ban van het verhaal over de oude en koppige moeder en de ongeduldige schrijver in Ik kom terug van Adriaan van Dis en las elk moment dat ik even niets te doen had. Ik stond op het perron in Brummen en sloeg voor de drie minuten die mij restte tot de trein zou arriveren, het boek open en zat direct weer midden in die ongemakkelijke verwikkelingen tussen moeder en zoon. Vaag achter me hoorde ik een vrouwenstem zeggen: ‘Hee…, hallo? Hoe is het?’ Het was een vlotte herfstochtend, helder zonlicht streek over het perron terwijl de trein kwam binnenrijden. ‘Kees’, zei de man die iets verder op het perron stond en er niet oud maar ook niet jong uitzag. De vrouw was van het type vijftig is het nieuwe veertig dat ze met heel haar wezen had omarmd. ‘Jaja, natuurlijk. Kees, haha. Ik was het even kwijt, maar nee, natuurlijk Kees. Hoe is het?’ Hoewel Kees en de vrouw en ik door verschillende ingangen de trein binnen gingen, kwamen we in dezelfde coupe te zitten.

    Zo gauw ik had plaats genomen nam ik mijn boek weer ter hand. Ik was bij de scène dat Van Dis neerknielde in het toilet waar zijn moeder op de pot zat en er ogenschijnlijk niet meer zonder hulp vanaf kon komen. Niemand mocht haar helpen, iedere aanraking tussen haar en de personen die haar na stonden, was een onmogelijkheid. Door de cynische opmerkingen en botte genegenheid tussen moeder en zoon, zou je het boek bijna dichtslaan maar dan komt dus die scène die zo schrijnend stuntelig is en tegelijk zo vertederend. Hij knielt voor haar neer en, hij die nooit fysiek contact met haar zocht, raakt in een moment van overgave met zijn hand haar ontblote knie aan en vraagt of hij haar zal helpen. Zijn moeder schrikt en zegt zoiets als: ‘Ben je gek. Ik heb van niemand hulp nodig.’ En de schrijver weet weer waar zijn plaats is: ‘Hup jongen, in je mand.’

    Ondertussen spraken Kees en de vrouw op een toon met elkaar waarin de verrassing om het weerzien en de verbazing over wie ze geworden waren de boventoon voerden. Je kon er gewoon uit horen dat ze elkaar sinds de middelbare school niet meer gesproken hadden. Hun gebabbel kabbelde om me heen als ritselende bladeren die zacht door de wind beroerd werden. Mijn oren spitsten zich toen ik Kees hoorde zeggen, ‘En dan hebben we Ap nog.’ Ze waren duidelijk hun referentiekader aan het aftasten vanwaaruit ze ooit de wereld tegemoet gingen. ‘Ja,’ zei de vrouw van vijftig is het nieuwe veertig, ‘die was laatst nog op tv. Heb ik op internet nog terug gekeken. Leuk hoor. Vond het vroeger zo’n knappe jongen. Ik herkende hem niet meer.’

    ‘Ach ja,’ zei Kees die deed of hij dat van die knappe jongen niet gehoord had en verder ging met: ‘En hij werd geïnterviewd door die jongen uit Oeken.’
    ‘Wim Brands’, zei de vrouw van het nieuwe veertig. ‘Ja die,’ zei Kees. ‘Hij leek me wel gelukkig’ zei de vrouw weer en ik begreep dat ze het over Ap had. ‘Haha,’ lachte ze opeens, ‘hij is er in ieder geval wel mee bezig.’ Toen wist ik dat het Ap Dijksterhuis was die onlangs geïnterviewd werd in Brands met boeken over zijn nieuwe boek, Op naar geluk. De trein reed het station van Arnhem binnen en ik moest overstappen. Terwijl ik over het perron liep dacht ik aan jongens zoals Ap, Wim en Adriaan die, hoe ver ze het ook brengen in hun leven, voor altijd ‘die jongens’ blijven.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat wel zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Wim Brands en Kees ’t Hart in wederzijds-interview

    Wim Brands en Kees ’t Hart in wederzijds-interview

    Een ontmoeting tussen Wim Brands en Kees ’t Hart bij de literaire salon in het Letterkundig Museum Den Haag. De één publiceerde onlangs de dichtbundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee en de ander de satirische roman Theatro Olympico. Twee schrijvers  met elkaar in gesprek over hun schrijfproces. Voor de pauze interviewde Wim Brands, Kees ’t Hart over zijn laatste roman, na de pauze sprak ’t Hart met Brands over zijn dichtbundel.

     


    Nooit over jezelf schrijven

    Er is al veel gezegd over de opzet van ’t Harts roman Theatro Olympico en Brands vraagt zich af hoe het komt dat het geen ‘onzin’ roman is geworden. Dat ’t Hart daar erg zijn best voor moet hebben gedaan. ’t Hart geeft wat ontwijkende antwoorden en Brands wil weten wat hem ergert. ‘Nou’, zegt ’t Hart, ‘dat is die in zich zelf gekeerde draai die ik maak.’
    ‘De personages in je romans nemen zichzelf niet serieus’, gaat Brands door. ’t Hart bevestigt dat hij met omtrekkende bewegingen schrijft om te vermijden dat je over jezelf gaat schrijven. ‘Nooit over jezelf schrijven’. roept hij stellig. Brands: ‘Maar je doet niet anders.’ ‘Jaja, nu ja’, mompelt ’t Hart, die dondersgoed weet dat hij dat doet. ‘Wat ben je nu aan het doen?’ besluit Brands. ’t Hart werkt aan een kleine historische novelle, Het beeld van Goethe. En aan een idee voor een boek over een echtpaar dat in nare situaties belandt door alledaagse ergernissen.

    Brands op de plek van geïnterviewde toont onwennig, maar geen nood, hij neemt als vanzelfsprekend de leiding in dit interview. Hij stelt voor, omdat hem dit maar het beste lijkt, gelijk de angel eruit te halen (of zoiets) en het eerste gedicht uit zijn bundel te belichten. Zijn bundel, bestaande uit zo’n veertig gedichten lag vorig jaar rond deze tijd klaar toen zijn vrouw te horen kreeg dat ze ernstig ziek was. Zijn gedichten kwamen hem opeens zo nutteloos voor dat hij ze bijna allemaal wegdeed en twintig nieuwe schreef.

    Hij vertelt over een nacht dat het stormde en hij niet slapen kon. En daar kwam ‘de troost van de onverschilligheid’. Een zin die zich in zijn hoofd vormde terwijl hij daar, in de nacht, stond. Hij leest voor: ‘In de eerste nacht nadat ik had / gehoord dat je ziek was / schrok ik wakker // Het waaide buiten. Het waait, zei / jij, die nog geen oog dicht had / gedaan, en je glimlachte. // Ik begreep het pas later. // Wat er ook is, het zal de natuur een / zorg zijn. // Het waait, het waaide – buiten klonk / de troost van de onverschilligheid.’

    Iemand die iets is, wil altijd iets anders worden

    Brands wilde vroeger bioloog worden. Op zijn zestiende schreef hij zijn eerste gedicht en vroeg aan een vriend, die eigenlijk de dichter was, wat hij ermee kon doen. De dichter sprak: ‘Je stuurt het op naar een literair tijdschrift en dan krijg je het terug.’ Hij stuurde het gedicht op en het werd geplaatst. En zo werd hij dichter in plaats van bioloog. Maar ’t Hart herkent in zijn gedichten de bioloog, de ‘sporenzoeker’ in een poging iets te snappen.

    Hoe gaat het schrijven van een gedicht in zijn werk? Een gedicht begint met een gedachte die mogelijkheden openhoudt. Brands wilde een liefdesgedicht schrijven en vroeg zich af: hoe begint een liefde? Daarbij herinnerde hij zich een uitspraak van Wubbo Ockels. Gedaan nadat hij een rekening van 3000 euro voor zijn iPhone gebruik ontving en zijn kinderen hem hadden uitgelegd wat hij had fout gedaan, ‘Achteraf is alles altijd eenvoudig.’

    Het hoofd van de dichter als een vat vol uitspraken en een web van gedachten waarin ook de uitspraak ‘’s middags zwem ik in de Noordzee’, is blijven hangen. Deze opmerking is ontstaan in de tijd dat Brands met zijn, toen nog jonge gezin, vele seizoenen in Bakkum aan zee verbleef. Iemand kwam hem berichten dat de VPRO hem wilde bellen en hij sprak: ‘Dat is goed, maar ’s middags zwem ik in de Noordzee’. En dan ontstaat jaren later dit liefdesgedicht voor zijn vrouw:

    ‘Mijn liefde voor haar begon als een geloof. / Ze was er op een dag, daarna volgden / bedremmeld de redenen: // haar licht loensende ogen, hoe ze sprak / ‘Nee, ’s middags zwem ik in de Noordzee’. // Hoe in dat water haar armen nauwelijks / bewogen. Eenvoudig. Achteraf is alles / altijd eenvoudig.’

    ’t Hart merkt op dat hij geen poëtische taalmunter is, geen grote bewoordingen gebruikt, geen metrum en geen rijm. Dan zegt Brands: ‘Als mislukt bioloog ben ik misschien ook wel mislukt als kunstenaar.’ Maar dat weet hij beter.

     

     

  • Situaties waar je niet omheen kunt

    Situaties waar je niet omheen kunt

    Wie Wim Brands’ vorige dichtbundels heeft gelezen, zal verrast worden door ’s Middags zwem ik in de Noordzee. Enerzijds doen de stijl en toon vertrouwd aan. Anderzijds verschilt deze achtste bundel op diverse vlakken van zijn directe voorganger Neem me mee, zei de hond (2010). Niet dat er een aardverschuiving heeft plaatsgevonden, maar Brands’ gedichten zijn opener geworden, minder mysterieus. Realisme verdringt steeds meer het licht-surreële uit eerder werk. Situaties zoals die met de giraffe uit Ruimtevaart (2005) zijn nu echt verleden tijd. (‘De giraffe komt van Neptunus. / Hij daalde af op een lange, / snelle roltrap. / De giraffe kan goed dansen.‘)

    Even een flashback naar 2010: in dat jaar verscheen de bundel waarin Brands’ stijl een kwalitatief hoogtepunt bereikt. In Neem me mee, zei de hond staan anekdotische gedichten in perfect heldere taal, maar ze zijn alsnog mysterieus. Een hond spreekt iemand toe. Het blijkt dat je engelen door de telefoon kunt horen. De compactheid versterkt het mysterieuze van de gedichten: je kon een idee krijgen van de behandelde abstractere thema’s als het stadsleven of de dood, maar de beschreven situaties bleven verrassend en intrigerend, ook bij herlezing:

    Sinds vanochtend weet ik dat engelen soms verdwijnen.
    Mijn beschermengel was laat. Ik zat al in de bus toen ik hem
    pas zag, ineengedoken op de schouder van een oude man.
    Ik ga dadelijk, zei hij, bij de volgende halte ga ik. Ik mocht je.
    Ik jou ook – en ik keek ongelovig en haalde mijn schouders op:
    waarom?
    Omdat je te veel hebt gereisd, zei hij, en ik altijd volgde;
    Weet je hoeveel kilometers het naar de maan is?
    Als engelen dat aantal hebben gevlogen verdwijnen ze.
    (Uit: Neem me mee, zei de hond)

    In ’s Middags zwem ik in de Noordzee zitten geen engelen of pratende honden. Bovendien bevat de bundel gedichten van soms anderhalve pagina lang. En ook niet geheel onbelangrijk: de gedichten laten zich makkelijker duiden. Ze zijn opener geworden in de zin van: je kunt er beter vat op krijgen. De bundel begint met een gedicht dat nog wel anekdotische aspecten bevat, maar tegelijkertijd opmerkelijk lyrischer is:

    In de eerste nacht nadat ik had
    gehoord dat je ziek was
    schrok ik wakker.

    Het waaide buiten. Het waait, zei
    jij, die nog geen oog dicht had
    gedaan, en je glimlachte.

    Ik begreep het pas later.

    Wat er ook is, het zal de natuur
    een zorg zijn.

    Het waait, het waaide – buiten klonk
    de troost van de onverschilligheid.

    Hoewel er genoeg te genieten valt in ’s Middags zwem ik in de Noordzee, is de bundel toch ook wat onevenwichtig. Dat zit vooral in de afsluitende gedichten, die geschreven werden bij eenzame uitvaarten. Dat zit hem ook eigenlijk wel in het karakter van het soort gedicht. Van de overledene is vaak namelijk weinig bekend, en wat moet je over zo iemand schrijven? Brands’ gedichten worden er wat gisserig door. De ‘ik’, in wie het heel gemakkelijk de dichter tijdens een eenzame uitvaart herkend kan worden, probeert zich een voorstelling van het leven van de overledene te vormen. Dat doet de ‘ik’ door in vragende vorm veronderstellingen te doen over de overledene. Zo vraagt hij zich af of Jan Willemse nog vaak met zijn dochter belde:

    Spraken jullie elkaar nog, soms, heb je weleens opgehangen
    nadat zij haar naam had genoemd?
    Of deed zij dat, na het horen van de jouwe, of alleen je adem?

    Op zich fraaie regels, en de wetenschap dat dit een gedicht bij een eenzame uitvaart is suggereert een nog ongemakkelijkere relatie tussen vader en dochter, maar de trefzekerheid gaat enigszins verloren. In een ander gedicht staan regels als ‘Wanneer sprak u voor het laatst iemand? Hoe vaak deed u / boodschappen. Wat zei u in de winkels, wachtte u soms te lang // omdat u verlegen om een gesprek anderen voor liet gaan?‘ Zulke onzekerheden zijn opties, mogelijkheden, terwijl Brands juist op zijn best is als hij pats-boem situaties neerzet waar je eigenlijk niet aan kunt ontkomen.

    Evenwel staan er nog genoeg situaties in ’s Middags zwem ik in de Noordzee waar je niet omheen kunt. Een hoogtepunt is het aangrijpende vadergedicht, waarin Brands persoonlijker is dan ooit. Vanuit een opsomming van hoe vaak zijn vader iets heeft gebroken en welke lichaamsdelen precies, ontvouwt zich een ontroerend portret met dito slot:

    Hij grijnsde toen hij verderging met
    wat hij opeens bleek te
    bedenken:

    het bakken van een ei. Hij brak
    de schaal en gooide een klont boter
    op het ei.

    Ik zie ons weer staan:
    Ik die het niet kon laten om hem te
    wijzen op de verkeerde volgorde,

    hij met een gezicht waarop een lach
    doorbrak die ik niet kon
    thuisbrengen:

    een te oude dooier die in de plan
    glijdt
    .

    Dat persoonlijke geeft Brands’ poëzie net dat beetje meer gewicht dan zijn minimysteriën. Ook in andere gedichten, zoals in het eerder geciteerde openingsgedicht, laat hij de lezer dichterbij komen. Niet op het niveau dat de ‘ik’ per se de dichter zelf is, maar zoals gezegd, deze gedichten voelen persoonlijker aan dan ooit.

    Hoewel niet elke ontwikkeling in Brands’ poëzie uitgekristalliseerd aanvoelt, is ’s Middags zwem ik in de Noordzee over de gehele linie vertrouwd sterk, en tegelijkertijd verrassend. Brands blijft zich duidelijk ontwikkelen, terwijl hij al goed dertig jaar meedraait. Dat maakt je wel weer nieuwsgierig naar zijn volgende worp.

     

     

  • Vergeten schrijver

    Vergeten schrijver

    Laatst was ik toevallig op Tirade.nu verzeild geraakt, (hóe toevallig dat ik  daar verzeild raakte weet ik eigenlijk niet, zo nu en dan beland ik daar en vraag me altijd weer af waarom ik niet vaker, zeg maar dagelijks, hier voor een moment of meer verpozing zoek). Elke dag wordt daar een blog geplaatst van wisselende bloggers die lezen als een goed-begin-van-de-dag-verhaaltje. Er staan inmiddels honderden blogs op van meer dan twintig schrijvers.

    Ook Wim Brands schreef een serie blogs voor Tirade.nu. Waaronder een stuk over de journalist en schrijver Eelke de Jong (1935-1987). Een schrijver waarvan gezegd kan worden dat hij niet het soort schrijver is die na zijn dood nog voortleeft. Ik bedoel, zijn boeken worden niet meer herdrukt en in geen enkel literair circuit (met uitzondering van de ingewijden) hoor je meer over hem. Het was goed te lezen dat Brands hem niet vergeten is, (hoewel hij onmiskenbaar tot de ingewijden behoort). Brands beschouwt Eelke de Jong als een van de betere naoorlogse Nederlandse schrijvers. Dat is mooi. Hij had gehoord dat Eelke de Jong eens een verhaal schreef over Jan Arends. En dat dat verhaal door een misverstand in een verhalenbundel van Jan Arends zelf terecht kwam en dat niemand dat ooit opmerkte.

    Dat voorval noemt Brands typerend voor het talent van Eelke de Jong. Al begreep ik niet direct wat hij daar mee bedoelde. Misschien dat Eelke de Jong in de luwte leefde, er niet van hield in het zicht te staan, inwisselbaar bleek. Niet voor niets trok hij zich in de jaren zeventig terugtrok als schaapherder bij Hoog Buurlo. In 1984 (hij woonde inmiddels weer onder de mensen) had ik me ingeschreven voor een schrijfcursus bij Eelke de Jong. De cursus vond plaats in de kelder van een café in het centrum van (off all places) Raalte.

    Eelke de Jong was een boomlange man met een onwaarschijnlijke snor. Hij rookte de ene sigaret na de andere, na afloop werd er steevast nagepraat met een borrel aan de bar. Tijdens die zes avonden dat de cursus duurde, heb ik hem nooit die bar zien verlaten. Wanneer de cursisten aanstalten maakten te vertrekken, plaatste hij nog een bestelling en liet ons met een vriendelijke blik en een knikje van zijn hoofd de late avond ingaan. Ik kan me zomaar voorstellen dat hij daar nog steeds zit. Sigaret in de mond, dichtgeknepen ogen tegen de rook, een borrel voor zich.

    Op de laatste avond dat ik hem zag, zei hij ‘het te laten weten wanneer ik wat af had’. Ik had nooit wat af en kon toen niet weten dat hij er drie jaar later niet meer zou zijn dan alleen nog in mijn boekenkast, waar hij vertegenwoordigd is met De verhalen en De kunst van het lassowerpen. Inderdaad, hij is een van de betere Nederlandstalige kortverhaal schrijvers die ik ken.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

  • Voor jou – K. Schippers

    Etalage

    K. Schippers is in Brussel om workshops te geven aan filmstudenten en om aan zijn nieuwe verhalen over kijken en het toeval te werken. Bevlogen vertelt hij over het wonder van Barcelona en over zijn ontmoeting met de vrouw die op haar zestiende model stond voor de schilder Balthus. Maar dan wordt zijn verblijf in Brussel ruw onderbroken: kort na elkaar sterven twee van zijn vrienden, de schrijvers en medeoprichters van Barbarber: Bernlef en G. Brands. Wanneer Schippers verder schrijft, komen er steeds meer herinneringen naar boven. Schrijvendeweg worden de twee vrienden opgenomen in de verhalen waarmee hij ze voorgoed een plaats geeft.

    Lees hier een fragment uit Voor jou op de site van Athenaeum Boekhandel

    K. Schippers (1936) schrijft romans, gedichten, verhalen, essays en literaire beschouwingen. Eerder ontving hij al de P.C. Hooftprijs en de Libris Literatuurprijs.

    Hier een radio intervies van Wim Brands met K. Schippers in Brands met boeken van 30 aug. 2013. Schippers praat over zijn nieuwste boek en de Barbarber tijd.

     

     

  • Extaze nr. 1 – droom op ander leven

    Recensie door Ingrid van der Graaf

    In oktober 2010 legden Cor Gout en Els Kort (redactie) de basis voor het literaire tijdschrift Extaze vanuit de behoefte de literaire kring van Den Haag weer op de kaart te zetten. Maar ook Nederlandstalige schrijvers buiten Den Haag publiceren in Extaze, wat in deze tweede editie een mooie melange oplevert. Hiervoor ons ligt de nr. 1 editie en onlangs kwam in januari Extaze nr. 2 uit.

    Aan Extaze nr. 1 werkten twintig auteurs mee waarvan er acht in Den Haag woonachtig zijn of anderszins met deze stad verbonden zijn. En Couperus komt erin voor, opgevoerd door de Haagse schrijfster Christien Kok die het verhaal Rondleiding schreef. Vertelster en bedenker van de literaire rondleiding – de Couperusronde – heeft deze georganiseerd om de zoon van haar overleden vriend een zinniger bestaan te bieden. Maar dat pakt anders uit. Nadat ze een gezelschap bij elkaar heeft gekregen waarmee die zoon zijn eerste rondleiding kan houden, belt hij af. Er zit voor haar niets anders op dan het zelf te doen, daarbij ontdekt ze hoe gruwelijk vervelend zo’n rondje literatuur door Den Haag kan uitvallen. Vier heren en acht dames wachten haar op. Niets van wat ze tijdens de ronde over Couperus en zijn werk vertelt is aan deze groep besteed. Wanneer ze vraagt wie er Eline Vere heeft gelezen wordt er plotseling  geklaagd over moeilijk ter been zijn. Dan laat Kok het verkeer van de Laan Copes van Cattenburch ‘spottend ruisen’. (Prachtig, dat is nog eens een ‘dijk’ van een Haagse laan om in een verhaal op te nemen.) Een deel van het gezelschap drijft de spot met de hysterische personages die in de verhalen van Couperus voorkomen. Dan loopt het uit de hand. Een deelnemer uit luid zijn ergernis waarop drie vrouwen hem beginnen uit te schelden. De gids heeft geen enkele invloed meer op de groep en gaat er als een haas vandoor, terwijl de man hysterisch om zich heen maaiend, op de grond eindigt. Een schijnbaar luchtig verhaal waarin de Haagse sfeer verleidelijk werkt.
    Verder verhalen van Ronnie Krepel, Jan Paul Bresser, Ezra de Haan, Nina Roos, Anneloes Timmerije, Murat Tuncel en Jaap Harten, die in een ver verleden ooit de ogenschijnlijk onbereikbare dichter A. Roland Holst bij een banketbakker te Amsterdam de volgende vier woorden hoorde uitspreken: ‘Twee ons marsepeinen aardappeltjes’. Alsof hij God zelf hoorde.

    Serieuzere bijdragen zijn er van Leo Samama (componist en musicoloog). De opgenomen (verkorte versie van de) lezing Het belang van kunst en cultuur en waarom deze ondersteund moeten worden werd eerder gehouden voor Home Academy in januari 2011. Een doorwrocht essay over hedendaags kunstbeleid gehouden tegen het licht van de achttiende eeuw. Samama maakt onderscheid tussen kunst en cultuur en toont aan waarom het ene (kunst) door het andere (cultuur) ondersteund dient te worden. Daarbij kunst definiërend als: ‘Kunst valt niet samen met cultuur, maar vormt er een onderdeel van, volgens velen een ‘hoger’, meer verheven onderdeel, met een publiek bereik dat selectiever wordt naarmate de verhevenheid ervan toeneemt.’ Sanama eindigt met te zeggen dat het hoog tijd is, ‘dat er in Nederland beleid ontwikkeld wordt waarin wordt vastgelegd wie er verantwoordelijk is voor het in stand houden van kunst, (…) Dat beleid moet op zijn minst het belang en de waarde van kunst en cultuur onderkennen en moet worden opgesteld door mensen die daartoe in staat zijn doordat ze verstand van zaken hebben.’

    Rob Groenewegen, auteur van de in september 2011 uitgekomen biografie over Jo Otten, Te leven op duizend plaatsen (waarvan hier een recensie) schreef een stuk over de onrust in het leven van deze Rotterdamse schrijver, getiteld: Altijd maar weer in beweging. Ook zijn er twee teksten van Jo Otten zelf opgenomen. Het eerste, Onmacht (onvoltooid, ca. 1934) is geschreven op de toon van een dominee die van de kansel preekt, een wanhopige preek. Gevolgd door Lianen. Een tijdsbeeld waarin Otten ook min of meer (zede)predikt tegen het tijdsbeeld (ca. 1936). Flink gedateerde teksten die interessant zijn voor wie de biografie kent.

    Tom Dommisse (filosoof) zet zijn essay: Het streven naar menselijke waardigheid, Een kleine thymotiek van Goethe’s Faust, die hij in het 0-nummer begon, in deze uitgave voort, een beschouwing van de twee meest recente toneeluitvoeringen van Goethe’s Faust in Nederland.
    Van Jaap Goedegebuure het essay Onteigend, ontheemd, ontaard over de personages in het werk van de Zuid-Afrikaanse schrijfster Marlene Niekerk. Karel de Vey Mestdagh schreef het essay It’s not cricket, Wat is cricket en wat is ‘not cricket’?

    De ondertitel van dit nummer – droom op ander leven – geeft een indruk van verlangen en komt uit het eerste van de hierin opgenomen Drie gedichten van Pieter Boskma. Een dichter die de pathetiek niet vreest, beschrijft in drie gedichten, waarin de taal steeds groffer wordt en de ‘daad’ steeds gruwelijker. Het eerst gedicht begint met: ‘Mocht men willen neuken, dan is dat aan te raden, mocht men willen sterven, doe dat dan nog niet vandaag.’  Waarna in het tweede gedicht de rauwheid van dezelfde zoektocht naar lijfelijke liefde zich uit in het drinken van ‘(…) het sobere wondvocht’. Om dan in het laatste gedicht, dat zich zo verdicht heeft dat het meer proza is dan een gedicht,  de liefdesdaad met de dood te vergelijken: ‘(…) een geraamte dat een dode komt bevredigen.’  Indrukwekkende gedichten waarin wanhoop en verzet, de dood en de liefde een verbond met elkaar sluiten.
    Een gedicht van Wim Brands, In memoriam Carlos Westerhout, is speciaal geschreven voor Carlos Westerhout (1945-2011) en voorgedragen tijdens Eenzame uitvaart nummer 131 te Amsterdam. Een man zonder vaste woon- of verblijfplaats en een postadres in Zaandam. Brands geeft in het gedicht een beeld van een man die bestaan heeft, maar zich nooit zichtbaar opstelde. In het gedicht plaatst hij hem in de stationsrestauratie van Den Haag waar hij zwijgend en rokend zijn tijd doorbrengt en laat hem lopen in de Passage. Het gedicht begint aldus: ‘Ik kende in Den Haag een man die elke avond in de stationsrestauratie zat;’ En de laatste regel: ‘Wie was je? Dit spookt door mijn hoofd: dat je post naar Zaandam ging. / Dat heet post apart.’

    Theo van der Wacht schreef een speels gedicht: Drieluikje op de schilder Adriaan Coorte, (Nederlands kunstschilder 17e eeuw). Al dichtend wordt fruit herschikt en ververst. Het schilderij zo levensecht dat: ‘ (…) een vlieg (…) dat ik subiet / aan doodslaan denk (…)’.
    Meer poëzie van Maaike Klaster, Jaap Harten en stadsdichter van Zuthpen Hans Mirck.

    Elke editie is geïllustreerd met werk van een beeldend kunstenaar. In dit nummer zijn dertien tekeningen (houtskool/inkt?) van de Friese kunstenaar Tjibbe Hooghiemstra opgenomen. In de in grijstinten uitgevoerde afbeeldingen, verbergt de kracht zich in het onzichtbare door de streperige en uitgeveegde beelden waaruit toch steeds een beeld naar voren komt, zoals bij de Rorschachtests die in de psychologie gebruikt worden. En het werkt, de illustratie past bij de tekst en als je goed kijkt, komt er een beeld naar voren.

    Extaze nr. 1 richt een kritische blik op de huidige tijd en kunst in het algemeen met een aantal  goed vertelde verhalen en veelzeggende poëzie. Maar de boventoon is er vooral een van: ‘Wij zullen doorgaan’; doorgaan met het maken van literatuur, ongeacht het beleid van de huidige regering; doorgaan om te laten zien wie je bent, doorgaan omdat je niet anders kan, doorgaan, maar nooit tegen beter weten in. Want de redactie van Extaze weet wat ze doet.

     

    Extaze

    Losse nummers € 15,00
    Jaarabonnement (4 nummers per kalenderjaar) € 60,00
    Voor de eerste volledige jaargang, te beginnen met nummer 1, geldt een kennismakingsabonnement van € 50,00.
    Uitgegeven bij: In de Knipscheer