• Wim Brands tegenkomen

    Wim Brands tegenkomen

    Twaalf jaar geleden verhuisde je naar het dorp waar Wim Brands opgroeide. Dat hij opgroeide bij het bos van Voorstonden waar jij wandelde. Je hem daar opeens kunt zien lopen, als jongen. Je denkt zelfs de plek te weten waar hij een hut maakte om te schuilen. Er was altijd de behoefte aan een schuilplaats. Dat huize ‘Oldenhof’ aan de Buurtweg waaraan je gewoon voorbijfietste, het huis was waar hij zijn eerste gedichten schreef. Dat het nu, opnieuw geverfd, tuinmeubels op het erf nog de verlatenheid toont van zijn gedichten uit die tijd.

    Het is de weemoedigheid van de herfst. De aarde lijkt constant in tranen, heeft daar alle redenen toe. Ze druppen langs blad en stam. De grond bezaaid met bladeren van plataan en kastanje, als vochtige zakdoekjes neergelaten. Je liep op weg naar het dorp over de begraafplaats. Bij de achteruitgang kwam je Wim Brands tegen in een gedicht op een kleine vierkante steen. Het gaat over de grootvader op een bank tegen de muur van het huis, die altijd dezelfde kant opkeek, steeds een ander uitzicht had. Het was de gedenksteen van zijn vader. Je dacht dat hij het zelf daar had achtergelaten. Later meende je dat het een dorpsbewoner moet zijn geweest, dit gedicht overtypte, er een hoesje bij zocht en het daar achterliet voor de vader, de zoon.

    Zijn vader werkte in de papierfabriek in een dorp verderop, was ‘fabrieksarbeider’. Hoe Wim zich afkeerde van de man die steeds stuiptrekkend onderuitging. Soms denk je hem te zien, die zwijgende jongen op een fiets. Of denk je te weten in welke sloot zijn vader van zijn fiets donderde door een epileptische aanval. Je ziet de jongen die Brands toen was naast die sloot stilhouden, omkeren, wegfietsten. Hoe de herinnering daaraan hem met schaamte vervulde. Veel later schreef hij erover in een brief aan zichzelf. 

    ‘Beste Wim,
    Het is vandaag Hemelvaartsdag en ik moet opeens denken aan die Hemelvaart – lang voordat hij zelfmoord pleegde – waarop jij met je vader een fietstocht maakte. Jullie hadden een moeizame relatie, om het vriendelijk uit te drukken. De meeste dagen zeiden jullie niets tegen elkaar. Soms een grauw en een snauw, zoals je moeder het uitdrukte. (…) Je moeder riep voortdurend dat ze nooit had moeten trouwen met die man. (…) Tijdens die Hemelvaart fietste hij opeens in een sloot. Je reed achter hem, dus je had niet gezien welk grimassen zijn hersens op zijn gezicht toverden, anders had je wel geweten hoe laat het was. Je kon zijn gezicht lezen zoals je grootvader zijn tuin. Het was een moddersloot. Ondiep gelukkig, zodat hij niet kopje-onder ging. (…) Je zag dat hij niet kon verdrinken, je wist dat hij weer bij zou komen… en je besloot weg te fietsen. Je hebt daar nooit met iemand over gepraat. (…)’

    In die brief aan zichzelf heeft hij het ook over zijn dwangneuroses, hoe hij daaraan ontsnapte door te lezen, te schrijven en programma’s te maken. ‘- je was eigenlijk altijd aan het werk sinds je aan die slootkant snel weer op je fiets stapte.’ Hoe hij ontsnapte, maar toch niet helemaal. Brands lezen is vervoerd worden naar een bepaald evenwicht. Wat achteraf bezien het wankel evenwicht verbloemde.

    En soms kom ik hem nog tegen op Tiradeblog, zoals hier in: ‘Terugkomen’.

    ‘Terugkomen is niet hetzelfde als blijven.
     Staat op een muur onder de brug over de Singel, vlakbij het Amsterdamse centraal station,
    het is geschreven door Belle van Zuylen.
    Hoe vaak heb ik daar niet gefietst?
    Hoe kan het dat ik vanochtend voor het eerst die regel las?
    Ik weet wel dat ik hem graag zelf had geschreven. Een regel
    die somber kan stemmen maar ook vrolijk, het hangt er maar
    vanaf welke kant je op rijdt.’

    Dat alles dus afhangt van welke kant je op gaat.

     

    Wim Brands (1952-2016)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft wekelijks over haar lezende leven.

     

     

     

  • Eeuwige veelbelovendheid

    Eeuwige veelbelovendheid

    Eerst is er alleen geluid. Een zacht ritselen, ritmisch, als het omslaan van een bladzijde, en dat is het ook. Dan hoor je iemand ademen, zwaar ademen, dat zich voegt bij het ritmisch ritselen. Dan is er beeld. Een man met een grijze baard, grijze haren, een amberkleurige bril halverwege zijn neus. Hij zit achter zijn werktafel te bladeren door een bundel. Het is Koenraad Goudeseune. Hij zegt ‘Ja’, en leest voor uit de bundel. ‘Ik was de leerling van een schilder, ik mocht met [onverstaanbaar]  pigmenten mengen / Iedere morgen sloeg mijn vader mij uit bed.’ terwijl hij voorleest, kijken we naar beelden van het Vlaamse platteland. We zien boerenschuren, omgeploegd land. Dan een intrigerende jongeman als uit een andere tijd, achterin een auto, het raampje op een derde geopend. God, wat een aantrekkelijke jongeman, wat een belofte voor de literatuur. 

    Ik kijk naar een documentaire over de Vlaamse dichter Koenraad Goudeseune. Sharon Kromotaroeno bezocht hem in 2018 tweemaal in Gent. Nadat hij in 2020, ziek door darmkanker, euthanasie pleegde, maakte ze een documentaire over de dichter wiens werk ze bewonderde. Ze laat bewonderaars, een vriend, een familielid en zijn voormalige vriendin aan het woord over Goudeseune, de dichter die zich niet thuis voelde in het literaire circuit.

    Chrétien Breukers bewonderde de leeftijdgenoot die op 28 jarige leeftijd een boek (Vuile was) klaar had. ‘Het is een doorvertelboek, pure taalvreugde, geïnspireerd door Jeroen Brouwers, alles wat ik ook leuk vind. Breukers dacht, ‘daar komt een soort nieuwe Hugo Claus aan, een enorm oeuvre komt eraan.’ Maar dat kwam niet. 

    Er is een opname van Wim Brands uit 2014 van de VPRO die uit de bundel Het probleem met mensen die naar zee gaan, van Goudeseune voordraagt. Waarom hij van zijn poëzie houdt: ‘Omdat deze man een toon aanslaat die veel Nederlandse dichters nooit zullen aanslaan, omdat ze denken dat het geen poëtische toon is.’ Goudeseune schreef poëzie die dicht bij de taal die we allemaal spreken staat. 

    Zijn zus leest zijn boeken nu meer dan ze ooit deed, alsof ze nu pas, nu hij er niet meer is, de ruimte voelt om haar broer als schrijver te leren kennen. Vanaf de bank in haar huiskamer leest zij een gedicht waarin Goudeseune de jaarlijkse foto’s die van het gezin op de trap van de veranda werd genomen, beschrijft. Vader, moeder, vier kinderen, altijd lachend. ‘Toen ik nog klein was, lachte ik vanzelf, geloof ik, het moest me niet worden opgelegd’, dichtte de dichter. De laatste foto is die waarop niemand lacht, de moeder is gestorven. De zus stokt, valt stil. Tussen kussen en linkerbeen ligt een pakje zakdoekjes op de bank, onopvallend, maar je ziet het liggen. We zien haar het pakje niet oppakken, maar de suggestie van tranen is er. 

    Er zit een zwart/wit opname van een zeer jonge Jeroen Brouwers die vellen papier volschrijft in een klein kamertje, sigaret in zijn linkerhand. ‘Schrijven is ook de discipline hebben je aan je schrijftafel te zetten en elke dag te schrijven.’, schreef Brouwers eens aan Goudeseune. Brouwers en Herman De Coninck geloofden in hem, als schrijver, als dichter, maar nogmaals, hij voelde zich niet thuis in de literaire wereld.

    Ingmar Heytze bewonderde Goudeseune en nodigde hem eens uit voor een optreden tijdens de Nacht van de Poëzie. Heytze vertelt hoe de verlegen dichter arriveerde, en hij, die hem bovenmatig bewonderde, hem ontving, hoe ze tegenover elkaar stonden te zwijgen. ‘Het was net een stukje voor twee heren die een beetje naar hun schoenen stonden te kijken.’

    ‘Het leven was voor Koen lastig’, zegt zijn vriendin, die ergens zijn vriendin niet meer was maar op het eind hem wel verzorgde. Hij was een eenling in de literatuur, een gekwetste eenling. ‘Hij had last van paniekaanvallen, en als hij begon te drinken dan stopte hij niet meer’, zegt zijn vriendin die zijn vriendin niet meer was. Zijn laatste bundels werden amper besproken. ‘Ik weet bijna zeker dat na mijn dood erkenning wacht.’, zegt Goudeseune ergens. En ook Delphine Lecompte, die een paar gedichten van hem voordraagt, zich verwant aan deze dichter voelt, gelooft dat hem erkenning wacht. Want deze dichter laat een  prachtig oeuvre na, in een taal die we allemaal spreken. 

    De documentaire eindigt met de gelijke beelden als het begint. Een auto rijdt door een boerenlandschap, langs sloten en boerderijen. Afgewisseld met opnamen van de dichter achter zijn bureau, bladerend. Dan weer, de jonge en veelbelovende prozaïst en dichter op de achterbank, glijdend door het landschap. Een beeld van eeuwige veelbelovendheid. Maar lees dan toch zijn werk!



    Documentaire: Ik heb voor niks geschreven door Sharon Kromotaroeno.


    Inge Meijer is een pseudoniem

  • Probeersels

    Probeersels

    Er is behoefte aan orde. Het moment om een plank vrij te maken voor dichtbundels die gestapeld tegen de muur staan. Ze een voor een ter hand nemen. Begin met Achmatova, eindig met Wislawa Szymborska. Daartussen Bindervoet, Brands, Michaelis, Perk,en Schouten naast Schaffer. ‘t Hart (Kees), voorafgegaan door Van Geel, daarna Hertmans, Van Hest, Heytze op weg naar Hussem, Jansma, Jonker, Van der Linden, Lagemaat, Perk, Pessoa, Perquin en meer. Ik sta met Herzberg in mijn handen, haar eenvoud in haar gedichten is hoe ze als mens is. De drieluik Leedvermaak, Rijgdraad en Simon wordt weer op toneel gebracht. In een interview in de Volkskrant werd haar gevraagd of dit drieluik een belangrijk stuk in haar oeuvre is. Ze zei, ‘Welnee. Om te beginnen héb ik geen oeuvre. Dat vind ik een veel te groot woord. Ik beschouw niets van mijn werk als “belangrijk”. Als ik het zelf belangrijk zou gaan vinden dan zou ik helemaal verstijven. Het zijn allemaal probeersels.’ Creaties als een ruimte waaruit ontsnappen mogelijk is.

    Ik denk aan Wim Brands die zes jaar geleden op 4 april uit het leven stapte. In Alles komt goed, delen tweeëntwintig auteurs herinneringen aan hem. Herzberg schrijft over de keer dat ze samen met hem op Het Tuinfeest in Deventer was. Ze had hem nooit ontmoet, kende hem enkel van zijn boekenprogramma, waar ze zogezegd verslaafd aan was. ‘Wim beschikte over een enorme voorraad oproepbare weetwaardigheid. Daardoor voelde wie door hem gevierd werd, geïnterviewd bedoel ik, voelde zo iemand zich zowel heel precies en aandachtig als eenling erkend, als ook ingebed in een veel groter geheel.’ De verspreking ‘gevierd’ in deze, is geweldig. Herzberg herinnert zich ook hoe ontzet ze was toen hij tijdens zijn optreden regels uit het gedicht over de dood van zijn vader voorlas. ‘Het leek of hij ze het publiek in smeet. Voor mij waren ze nieuw en ik neem aan dat ze dat ook waren voor veel mensen die om me heen zaten en stonden’. De volgende ochtend treffen ze elkaar bij het ontbijt in de hoteltuin. Ze wil wel iets zeggen over zijn gedichten, maar weet niet wat. Ik was er niet bij maar ik denk dat het regels uit dit gedicht waren die hij voorlas:

    (…)
    Hij verhing zich.

    Brak hij toen zijn nek?
    ik vraag het me opeens af
    nu ik dit schrijf

    maar ik durf het niet te vragen
    En aan wie?

    Brands gaf Herzberg een bundel met een opdracht, die ze eerst niet kon ontcijferen. ‘Nu het me toch gelukt is te lezen wat hij had geschreven werd ik met terugwerkende kracht ontroerd.’ Dit stond er: ‘Dag Judith, ik doe je deze bundel graag cadeau omdat ik door het lezen van o.a. jouw poëzie ooit dacht: dat moet ik ook eens proberen, gedichten maken. Liefs, Wim.
    Herzberg ziet dat er eerst, ‘door het lezen van jouw poëzie’ stond. Dat er later, heel klein ‘o.a’ tussen was geschreven. ‘Onder andere,’ schrijft ze, ‘Dat maakt het redelijker, betrekkelijker, grappiger en groter.’ Ik denk aan Wim Brands die dichtregels het publiek in smeet, als wilde hij er vanaf. Hoe definitief dingen zijn als je het onherroepelijke doet.   

     

     

    Uit: ’s Middags zwem ik in de Noordzee / Wim Brands/ Nw A’dam 2014


    Inge Meijer is een pseudoniem, koopt zich een fiets, leest boeken tot de laatste bladzijde.

  • Zij huilt

    Zij huilt

    Wim Brands fietste als jongen naar Zutphen om het NRC te kopen, niet voor thuis, daar lazen ze geen kranten, maar voor zichzelf. Soms fiets ik de weg die hij toen fietste, vermoed ik. Voor de NRC vrijdageditite moet je vanuit Brummen en de buitengebieden, waar Brands opgroeide, nog steeds naar Zutphen. Brands fietste voor de krant om een stukje van Rudy Kousbroek te scoren, stukjes die hij als jongen verslond. Ik voor het ‘Cultuur’ katern en voor de ‘Achterpagina’, met Frits Abrahams. Abrahams signaleert, schrijft over zijn onwil in de pas te lopen, zijn tekortkomingen. Ik lees ze graag. Afgelopen vrijdag schreef hij over een plan J, dat de lockdown overbodig zou maken, bedacht door uitgever Menno Hartman en journalist Henk Peter Steenhuis. Een plan waarbij de bevolking in vier leeftijdsgroepen wordt ingedeeld, iedere leeftijdsgroep krijgt een deel van de dag om zich te verzetten, te chillen, theater, horeca te bezoeken. Geen gek plan. Of we het nodig zullen hebben hangt af, eindigt Abrahams zijn column, ‘van “het vaccin”, wat bijna een andere naam voor God is geworden.’

    Op een van die keren naar de stad fietste Wim Brands met zijn vader toen deze een epileptische aanval kreeg en in een ondiepe sloot viel. Hij liet hem daar liggen, fietste weg. Daar schreef hij een gedicht over, over die vader in een ondiepe sloot en de schaamte daarover. In zijn gedichten en korte prozastukken herken ik veel uit de omgeving waar ik nu acht jaar woon, waar Brands zijn jeugd verdeelde tussen insider en outsider zijn. Insider was hij als kind in het bos, outsider werd hij op school, in de stad. Ik herken de boerderijen, de ruïnes, vergeten schuren. De oude boer die steeds naar achteren loopt als ik voorbij fiets, nooit groet, had zomaar in een gedicht van Brands kunnen voorkomen. De telefoon is een terugkerend onderwerp in zijn gedichten. ‘Soms pakt ze de telefoon om te controleren / of er nog een kiestoon is – er valt / niet veel te kiezen -‘.  Of zoals in deze regels:

    ‘Te schrijven zoals mijn grootouders
     een telefoongesprek voerden.

    Ze belden nooit, ze werden
    een doodenkele keer gebeld

    en konden tot aan het einde
    van hun leven niet geloven

    dat hun stemmen ook elders
    klonken.’

    Geweldig te willen schrijven zoals zij ‘een telefoongesprek voerden’, en ‘hun stemmen ook elders klonken’. Een van zijn gedichten begint zo:
    ‘Ze hebben kaartjes voor het ballet maar zijn eigenlijk doodmoe / en willen naar bed. Hij heeft haast, zij treuzelt, de vlucht uit de dag begint met strijd. / Zijn jas is te krap, zij huilt, terwijl ze dat later pas wil, / Zij kent hem. Hij vindt het overdreven / dat twee mensen zo ongelukkig van elkaar houden /(…).’
    Er is een terugtrekken, een ontsnappen aan, in veel van zijn gedichten. Als ik over onverharde wegen in de buitengebieden van Tonden en Voorstonden fiets, dan zie ik nog wel eens zo’n jongen die een is met het land, op weg naar de stad.

     

     

    Uit: Wim Brands, Verzamelde gedichten / samengesteld door Monique Edelschaap en Thomas Verbogt / 521 blz. / Van Oorschot (2017). Lees hier meer over Plan J.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, zoekt naar een goed verhaal.

     

     

  • Typisch

    Typisch

    Als een boek mijn aandacht trekt, bestel ik dat het liefst gelijk. Alsof er niet genoeg te lezen is in dit huis. En nee, ik zal niet vertellen hoe het is om bij een plaatselijke boekhandel een online bestelling te plaatsen. Hoe boeken uit winkelwagentjes verdwijnen, er geen zoekfunctie is, of winkelwagentjes waarin maar een boek past. Zo anders als bij die grote virtuele boekwinkel. Waar je je karretje vollaadt, het op een ander adres kan laten bezorgen, een boodschap bij kan schrijven, betalen eenvoudig is. Het maakt me tot onbetrouwbare klant van de echte boekhandel. Deze week gaf ik het twee keer op, verliet geagiteerd de online bestelpagina van een boekhandel. Maar daar zou ik het niet over hebben. Ik vroeg me af waarom er na het kijken van Mondo nooit een gedachte aan een boek dat ik zou willen lezen blijft hangen.

    Sinds ik iets mis inzake literatuur op tv, ging ik het boekenprogramma met Wim Brands terugkijken. Meteen begreep ik waarom het nieuwe programma waarvoor Boeken plaats moest maken, niet aanzet tot gretige boekaankopen. Mondo leidt tot ongemakkelijk schuiven op de bank. Kijkend naar een presentatrice die, omgeven door bewegende beelden, een oog dichtknijpt zogauw het gesprek interessant wordt, een soort knipoog (maar het is géén knipoog). Ik zie de prachtige haren die voor of achterlangs een oor gewerkt worden, het rechteroortje dat bevoeld wordt, het veelvuldig bewegende, knikkende, luisterhoofd. Als die buurvrouw, die met een soort gulzigheid de woorden uit mijn mond wil halen, die het al begrijpt nog voor ik uitgesproken ben. Knikkend beamend, door te vroeg gestelde vragen onderbroken, worden woorden van betekenis ontdaan. Door schaamte bevangen glijd ik van de bank. Vanaf de grond, frutsend aan mijn haar, zit ik het programma met geloken ogen uit. Mijn lief vindt dat iedereen een kans moet krijgen.

    Terwijl ik me verbeeld dat in de ogen van de genodigde schrijvers naast ontreddering een verlangen schemert. Verlangen naar een eenvoudige tafel met boeken, een glas water en twee stoelen, tegenover elkaar. Waar de enige afleiding bestaat uit een voorbijrammelende tram, of zicht op water, een haven. Zicht op iets dat geen bedoeling heeft.

    In een aflevering uit 2012 is Wim Brands in gesprek met de regisseur van de film En un Momento Dado, Ramon Gieling. Over zijn boek De hoofdletter pijn, onverfilmbare verhalen. Brands stelt vragen die verhalen ontlokken aan de schrijver, tijd speelt geen rol. Hij lokt de schrijver met een,’Toe, vertel nu nog even hoe dat citaat van Luis Buñuel gaat dat voor in het boek staat. Kun je dat? Uit je hoofd?’ Want uit het hoofd, dan staat een tekst pas echt, wordt het een boegbeeld. En de schrijver kon dat, hij sprak: ‘Als ik morgen op straat een overleden vriend zou tegenkomen, zou ik niet denken aan een wonder. Ik zou gewoon denken: Luis, daar heb je nou weer typisch iets wat je niet begrijpt.’
    Dit was dus zo’n boek dat ik moest hebben. Om de titel, het citaat van Buñuel, en dan die verhalen, schrijnend mooie verhalen, niet te filmen zo mooi.

     

    De hoofdletter pijn, onverfilmbare verhalen / Ramon Gieling / Uitgeverij Augustus (2011)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, bestelt boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

     

  • Verdoving

    Verdoving

    In Londen werd bij een vrouw een hersentumor verwijderd terwijl ze viool speelde. Ze speelde opdat chirurgen dat deel van haar hersenen, waar precieze bewegingen worden aangestuurd en die op een scherm zichtbaar werden, niet zouden beschadigen. Er ging een foto rond van de vrouw in operationele toestand (zuurstofkapje, infuus), de viool onder haar kin geklemd, arm met strijkstok geheven. Even dacht ik dat het om een nieuwe methode van ‘onder narcose brengen’ ging: mensen dingen laten doen waardoor ze boven zichzelf uitstijgen, grip krijgen op hun geestestoestand. Het leek me niet zo gek. Toen ik eens door migraine aan bed gekluisterd was, kon ik het lezen van de ochtendkrant niet laten. Tot me een interview met Martin Michael Driessen trof. Over zijn schelmenroman De heilige. Ik weet niet waardoor, maar ik werd erdoor gegrepen. Er wrong zich iets in mijn linker hersenhelft, er balde zich iets samen, ik registreerde de woorden, las het interview, en knapte er geweldig van op. De hoofdpijn verdween nagenoeg. Nu dacht ik het bewijs gevonden te hebben dat een goed interview, een intelligent gesprek iets met de hersenen doet waardoor migraine (hersenpijn) verslagen kan worden. 

    In Geluk, een geheimtaal, beschrijft Arthur Japin iets soortgelijks. In een periode waarin hij aan een zware depressie leed, zijn gevoelens afgevlakt, is hij getuige van een mishandeling in de tram. Een vrouw wordt bij het uitstappen door een jonge vrouw in haar rug getrapt. De vrouw valt, de jonge vrouw schopt nog eens. Japin grijpt in, trekt ze uit elkaar. Het slachtoffer vlucht naar buiten, de tram rijdt verder. Als Japin weer zit, wordt hijzelf aangevallen. Een man grijpt hem bij zijn revers, stompt hem, dreigt hem te doden. Dan laat hij hem los, gaat achter hem zitten, om hem even later opnieuw beet te pakken. Dat herhaalt zich een paar keer. Als de vrouw en de man eindelijk de tram verlaten, registreert Japin: ‘Korte tijd leefde ik in het moment. Wat voelt dat goed! Het vóélde. (…) De schrik is te midden van de geestesvlakheid eindelijk een prikkel.’ 

    Japin ontmoet veel bekende mensen, (Vanessa Redgrave, Sandro Veronesi, Barack Obama). Ontmoetingen vinden over de hele wereld plaats, Rio, Londen, Houston, Frankrijk, Rusland. Je zou er jaloers van worden, ben ik ook, want wie zou er niet willen sparren met Stephen Fry? Maar er is een verdrietige onderstroom gelijk deze sombere februaridagen. Japin keert wie hem beschimpt (ja, dat gebeurt in letterenland) de andere wang toe, steeds weer, soms op het pijnlijke af. Er is de zelfmoord van Japins vader die zijn leven bepaalt, en dan Wim Brands, Joost Zwagerman, en zelf hoeft hij eigenlijk ook niet meer. De schrijver die in noodgevallen op zijn best is: ’Het is de rest van het leven waarvan ik in paniek raak.’ Die aangrijpende ondertoon, die laat niet los.

     

    Geluk, een geheimtaal, Dagboeken 2008 – 2018 / Arthur Japin / Privé-domein nr. 306 / Arbeiderspers (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV, en leest.

  • Het titelverhaal getuigt van een groot talent

    Het titelverhaal getuigt van een groot talent

    Schrijven over transformaties is een uitdaging voor de schrijver. Ovidius schreef met Metamorphosen wellicht de bekendste verhalenbundel met dat thema, hoewel ook Kafka zich er graag aan waagde met De gedaanteverwisseling, waarin een man in een kakkerlak verandert. Dit verhaal inspireerde weer de Ierse schrijver Ian McEwan tot het schrijven van de schitterende Brexit-parodie, The Cockroach. Interessant thema moet ook Jeroen van Kan gedacht hebben en hij schreef prompt een interessante verhalenbundel waarin het thema transformatie centraal staat. Van Kan kende zelf ook verschillende transformaties, zo was hij redacteur van de literaire tijdschriften De Tweede Ronde en Tirade, werkte hij jarenlang voor de VPRO-radio en presenteerde tot vorig jaar het VPRO Boeken waarna hij directeur werd van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA). In 2017 werd hij ‘ontmaskerd’ toen bleek dat hij onder het pseudoniem Wesley Abstmeyer  gedichten publiceerde. Dit leidde uiteindelijk tot de publicatie van zijn debuutbundel De wereld onleesbaar.

    Transformaties en zelfmoord

    Hoe Matt een dode vis werd is een verhalenbundel met zeven verhalen, waarbij vooral de drie langere verhalen overtuigen. Het motto van Ovidius luidt: ‘Jaag mij uit het rijk van dood en leven allebei! Gun mij een andere vorm!’ Meteen een aanduiding van de twee belangrijkste thema’s van de bundel, transformaties en zelfmoord. Van Kan was zeer geraakt door de zelfmoorden van zijn voorganger bij VPRO Boeken, Wim Brands en van schrijver Joost Zwagerman. Die gebeurtenissen lijken een spoor te hebben nagelaten, het thema dan ook prominent aanwezig in de bundel. 

    In het openingsverhaal Het delicate monster, wordt Philip Verstaggen geconfronteerd met een vergroeiing van zijn kaakbeen. Nauwgezet en tot in de details krijgt de lezer een beschrijving van het tandartsbezoek. Als blijkt dat de tandarts hem niet kan helpen, wordt hij constant doorgestuurd van kaakchirurg tot plastisch chirurg en psycholoog toe. Allen zetelen ze in het Centraal College Uitzonderlijk Medische Gevallen. Overal hoort hij hetzelfde, niemand kan hem helpen en hij moet berusten in zijn lot. Uiteindelijk is zijn misvorming van zodanige aard dat hij als wetenschappelijk onderzoeksobject gebruikt zal worden.

    Kwispelen met de ketting is aanvankelijk een warrig verhaal over schrijverschap en zelfmoord. Het verhaal wisselt voortdurend van perspectief en toont de teloorgang van een schrijverskoppel: hij een ietwat misnoegde , weinig succesvolle auteur, zij een succesvolle soapschrijfster. Als zijn tegenpool Saquelle, razendpopulaire auteur, zelfmoord pleegt, zit er voor hem maar een ding op. Hij worstelt met het leven en wil eraan ontsnappen. Uiteindelijk toont hij hoe de drang naar de dood, los van alle twijfel, overwint. De voorbereidingen en de uiteindelijke sprong van het dak sluiten het verhaal af. Dit verhaal wordt beter naarmate het einde nadert.

    De metamorfoseur

    Een interludium in de bundel is het zeer korte Neem me mee, een mysterieus interactief contact tussen een jong meisje dat met haar ouders zit te eten in een restaurant en een oudere man aan een ander tafeltje. De precieze bedoeling is onduidelijk, ook na herhaaldelijk herlezen. Van een heel andere orde is het heel leuke en bijzonder leesbare titelverhaal. Matt is een man van kleine gestalte die allerlei gedaanten kan aannemen. Gedurende zijn levensverhaal leert de lezer hoe hij ‘metamorfoseur is geworden. Hij kan in alles veranderen wat hij maar wil, maar omdat zijn ouders verdronken zijn na een schipbreuk, wil hij niet veranderen in iets wat met de zee te maken heeft. Als hij op een avond moet optreden voor de visser vakbond, slaat het noodlot toe, zoals uit de titel blijkt. In dit verhaal toont van Kan wat hij allemaal in zijn mars heeft: het is een boeiend verhaal, origineel met spanning en een mooie balans tussen gevoels uitersten. 

    Wisselende duiding

    De bundel sluit af met drie kortere verhalen waarvan vooral De doodroker blijft hangen. Daarin wordt de lezer geconfronteerd met een man die weet dat hij door te blijven roken een eind maakt aan zijn leven. Hij vindt zichzelf een experiment: wat zal er allemaal mislopen als ik blijf roken? Zijn tenen zijn  al geamputeerd, zijn benen zullen volgen. Ook een beroerte behoort tot de mogelijkheden. Dat schijnt hem allemaal niet te deren. Dood moet men toch. In het laatste verhaal In de orde van Apollo toont de auteur wat er kan gebeuren als de routine van alledag in het leven van een oude man wordt gebroken. 

    Hoe Matt een dode vis werd is een interessante verhalenbundel met wisselende kwaliteit. Waarbij het titelverhaal getuigt van een groot talent, Van Kan slaagt er moeiteloos in de lezer volledig op sleeptouw te nemen. De wat kortere verhalen ontberen een duidelijkheid die de lust tot verder lezen kan ontnemen. 

     

  • Oogst week 15

    Verzamelde gedichten

    Vorige week herdachten literaire vrienden en bewonderaars Wim Brands, de dichter, journalist en televisiemaker die een jaar geleden overleed. Tijdens die bijeenkomst werd ook zijn Verzamelde gedichten gepresenteerd. Veel van Brands’ anekdotes waren aanleiding tot poëzie. Verzamelde gedichten geeft daarom een goed beeld van wat en wie Wim Brands was. In de geest van Brands hebben de samenstellers soepel geselecteerd.

    ‘Er staat een stripverhaal in deze bundel, en er zijn blogs en brieven in te vinden. Voor Brands zijn gedichten verhalen, en hij maakt van verhalen poëzie, steeds door heel goed over de vorm na te denken, door in te dikken en te schrappen – want het kon altijd preciezer.
    Deze verzameling toont wat een geweldig dichter Wim Brands was. De bundel bestaat uit zijn verschenen bundels plus veel ongepubliceerd materiaal.’
    Thomas Verbogt schreef een nawoord.

    Verzamelde gedichten
    Auteur: Wim Brands
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.

    Vintage

    De stap van haar zoon Jord verrast Cecile. Zij heeft de meubelzaak van haar vader omgetoverd tot een toonaangevende designwinkel en dan, na vier afgebroken studies en een half jaar bankhangen besluit Jord in de zaak te komen werken.

    Haar winkel staat in vrijwel elke toeristische gids. Ze is een begrip. Dat Jord alleen al op het idee komt! Vanwaar zoveel zelfvertrouwen? Vier studies was hij al begonnen, steeds binnen een jaar gestopt, niet leuk genoeg. En toen kreeg hij de onzalige gedachte om de winkel over te nemen. Hij had het plechtig gebracht als een geschenk: ‘Mam, ik ga de familietraditie voortzetten.

    Cecile is niet onverdeeld enthousiast. Daarbij heeft ze nog een dochter, Juul, die alleen via sms communiceert. Als Ceciles vader ten val komt en bij haar intrekt, verschuiven alle verhoudingen en komt een pijnlijk familiegeheim aan het licht dat veel verklaart.

    Vintage
    Auteur: Patty Stenger
    Uitgeverij: Singel Uitgeverijen, Uitgeverij De Geus

    Tien dagen die de wereld deden wankelen

    Dit jaar is het 100 jaar geleden dat de Russische Revolutie plaatsvond. Eindeloos veel boeken zijn daarover geschreven. Sommige analyserend, andere verhalend, sommige negatief, andere positief. Maar al deze boeken zijn achteraf geschreven. Uitzondering daarop is Tien dagen die de wereld deden wankelen. Dit meeslepende ooggetuigenverslag van John Reed, zal in mei bij Uitgeverij Schokland in een nieuwe editie en een herziene vertaling verschijnen.

    John Reed (1887-1920) was een jonge Amerikaanse journalist die als een van de weinige westerlingen de revolutie vanaf de eerste rij meemaakte. ‘In zijn reportage holt Reed als een razende reporter van hot naar her, brengt verslag uit van de toespraken van Lenin over ‘Brood, vrede en land’, staat op de eerste rij bij de bestorming van het Winterpaleis en woont de bezetting van fabrieken bij. Een boek dat de geestdrift van die periode geniaal in woorden weet te vatten.’

    Tien dagen die de wereld deden wankelen
    Auteur: John Reed
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland
  • Sporenzoeker

    Sporenzoeker

    Gisteren werd Wim Brands herdacht in de Rode Hoed. Er kwamen veel mensen op af. Brands kende veel mensen, veel meer mensen kenden hem, waaronder ikzelf. Hoewel kennen? Van zijn radioprogramma’s dan toch. De Avonden met Wim Noordhoek in de jaren negentig. Later – toen ik na zeven jaar Portugal weer terug in Nederland was – Boeken met Brands. Het werd mijn favoriete radioprogramma. Toen wist ik dat ik zulke dingen – buiten de Hema en nog zo wat Hollandse eigenaardigheden – al die jaren vreselijk gemist had; Brands over boeken en zijn interviews met schrijvers, de lange adem gesprekken die spontaan leken te ontstaan.

    Hoe hij schrijvers interviewde had wel iets weg van een forensisch onderzoek, een sporenzoeker. Ook in zijn gedichten werd dat ‘onderzoek’ herkend. In 2014 vertelde hij in een wederzijds-interview met Kees ’t Hart in het Letterkundig Museum in Den Haag, dat hij bioloog had willen worden. Dat was nadat ’t Hart had opgemerkt dat hij in zijn gedichten iets herkende van een ‘sporenzoeker’. In plaats van bioloog werd hij dichter. Dat kwam omdat zijn eerste ingestuurde gedicht gelijk werd geplaatst. Die middag in Den Haag ging het over zijn laatste bundel ’s Middags zwem ik in de Noordzee.

    Ik kende hem ook als docent poëzie, toen ik een korte wijle de schrijversvakschool bezocht. Ik was een schrijfstudent die vooral niet wilde opvallen, vond het maar lastig mijn werk – waarvan ik wist dat het niks was – in zijn bijzijn voor te lezen. ‘Toe maar’, sprak hij bemoedigend terwijl hij met zijn stoel op twee poten steunend achterover leunde, zijn knieën onder de tafelrand klemmend en het aanhoorde. ‘Er is geen goed en geen fout’, zei hij ook altijd. Jaren nadat ik de schrijversvakschool verlaten had kwam ik hem tegen bij bovenstaand interview met Kees ’t Hart in Den Haag. Na afloop kocht ik zijn bundel aan het tafeltje waar hij ook signeerde. Nadat hij een gesigneerd exemplaar teruggaf aan degene die voor me stond, zag hij me en zei: ‘Ha’, en stak zijn hand uit. Terwijl ik zijn hand schudde zei ik – in de veronderstelling dat hij mij niet kon kennen – mijn naam. ‘Weet ik toch,’ zei hij.

    Een mens bestaat uit vele aspecten. Verschillende vrienden en mensen die met hem gewerkt hadden, brachten woord bij woord, herinnering bij herinnering, anekdote bij anekdote een beeld voor het voetlicht van een man die veel weg had van een ontsnappingskunstenaar maar het werd vooral een prachtig voegwerk waaruit de dichter ontstond die Wim Brands bovenal was. Deze verhalen die, ondanks de nuchterheid die Brands voorstond, vertederen door zijn directheid en no nonsens instelling, zijn gebundeld in het boekje Alles komt goed (Uitg. Balans). Een verzameling van Brands’ eigen werk werd uitgegeven als Verzamelde gedichten (Uitg. Van Oorschot), maar bevat ook verschillende van zijn blogs en brieven. Een uitgave die ik verdomd graag had willen hebben maar moet nog even wachten. Zo stel ik mijn verdere onderzoek naar deze bijzondere dichter nog even uit.

     

     

  • Buitenstaanders

    Een jaar geleden overleed Wim Brands. Overmorgen wordt in de Rode Hoed te Amsterdam zijn Verzamelde gedichten gepresenteerd. Ik ga erheen om een bijzondere man te gedenken, die eigenlijk bijna in weerwil van zijn eigen weerbarstigheid aardig werd gevonden door een hoop mensen. Hij ademde en leefde een literaire vorm van overlevingsdrang. Iemand die buiten het domein van de literatuur en de cultuur waarschijnlijk een nog moeizamer leven zal hebben geleid wanneer hij had moeten leven zonder poëzie in het hoofd en boeken in de hand.

    En zo geldt dat denk ik voor veel meer mensen op deze wereld, en niet alleen in deze tijd en op deze plek op aarde. Net buiten de kudde heeft de non-conformistische mens het in principe altijd lastig. En je moet een sterk mens zijn om er buiten te vallen en dan toch in de mainstream te kunnen en moeten meedraaien. Kijk ook naar outsider-projecten als het kunstenaarsdorp Ruigoord, in de haven van westelijk Amsterdam. Steeds meer ingesloten door de havenindustrie waar enorme opslagtanks en loodsen de kleine gemeenschap naderen. Het buitenstaandersschap wordt opgeslokt door de economie. Het is ook te zien in de kunsten. Kunstenaars moeten culturele ondernemers zijn om – met een slinkende subsidiepot – hun bestaan als creatieve geest in de maatschappij te kunnen volhouden. Terwijl het in de creatieve sector juist niet gaat, of in elk geval niet alleen, om geldelijk gewin.

    Vandaar dat politieke partijen als de VVD en de PVV het mes willen zetten in ondersteunende maatregelen voor kunst en cultuur. Elke menselijke activiteit wordt bij hen teruggebracht tot een instrumentele, rationale handeling ten bate van onze welvaart en welzijn. Maar ons welzijn is juist niet enkel te verhogen met materialistische doelen. Dat vind ik een karig bestaan. En dus is een samenleving rijker als er mensen zoals Wim Brands en andere dichters en schrijvers en kunstenaars langs de randen van het conformistische bestaan mogen wandelen en gewaardeerd worden om hun status van outsider. Al ben ik er zelf te weinig creatief voor en met het vooruitzicht dat het gevecht met de binnen de lijntjes kleurende maatschappij niet makkelijk zou zijn, ik was toch graag een literaire outlaw of kunstzinnige buitenstaander geweest. Verstandige rebellen zijn hard nodig.

     

     

  • Onderstrepingen

    Onderstrepingen

    ‘Men had zijn werk en rondom de vernietiging.’ De dit jaar te vroeg overleden Wim Brands onderstreepte deze zin als enige in de verhalenbundel De meester van de Laërtes (1975) van F.C. Terborgh. Een deeltje uit de Salamander-reeks van uitgeverij Querido. Toen Wim Brands nog leefde, kochten wij als antiquariaat op regelmatige basis boeken bij hem in. Na zijn dood komt zijn bibliotheek deels bij mij terecht.

    ‘Men had zijn werk en rondom de vernietiging.’

    Snel concluderend kun je deze markering aanwijzen als een teken van hoe Wim Brands het leven, de wereld zag. Ergens denk ik dat dat ook zo was, als ik al enige aanspraak mag maken op een psychologische duiding van deze dichter en presentator. Ik vind het ook een mooie zin, in al zijn gruwelijkheid. Het geeft een absolute manier van leven aan. We werken, we leven en om ons heen is er de dood, de ondergang. Maar we werken door ondanks alles wat kapot is, kapot ging of kapot gaat. ‘Men ging er ook langs, het oog op de grond gericht, en recht vooruit, en negeerde de verwoesting, want zelfverdediging dwong ertoe’ (Terborgh). We zijn de ‘vuilnisroos’ naar de roman van Ben Borgart uit 1972.

    Ik denk dat Wim ook zo leefde. Wim wilde altijd door. Als ik op boekeninkoop bij hem was, vroeg hij altijd naar wat er nog allemaal stond te gebeuren in de winkel  – we hielden geregeld een literair avondje of een boekpresentatie – en: ‘Hoe is het nu met je?’ Nadat ik door een rare neuropathologische aandoening (Guillain-Barré Syndroom) in 2004 een tijdje niet kon werken en een paar maanden aan bed en rolstoel gekluisterd was, verbaasde het me dat hij dit jarenlang is blijven vragen: ‘En? Hoe is het nu met je?’ Ik denk dat Wim degene is geweest die dat het langst is blijven vragen. Als hij in de winkel kwam of als ik bij hem thuis over de vloer kwam: ‘Hee jongen, gaat het goed met je?’ Ik denk nu vaak terug aan die simpele momenten van aandacht, daar was Wim heel goed in. In De vijftig beste gedichten van Wim Brands schreef hij een opdracht voorin: ‘Voor Stefan, met wie ik via de boeken verkeer, Wim!’

    In den beginne was er een verhaal over vertrekken
    dat hij op een regenachtige maandagochtend
    vertelde.

    Hij huilde niet, jij ook niet, hij sprak alsof
    hij je wilde bedanken, jou, omdat er
    niemand anders was.

    En toen was hij dan echt vertrokken.
    Daar lag hij. Zoek mij niet, leek hij
    te zeggen, ik ben de woestijn in,

    naar het poolijs, op zoek naar God die
    uiteindelijk de beste verhalen kent;
    en mocht hij slapen

    dan weet ik dat hij ook dan
    onophoudelijk aan poëzie denkt.

     

    Uit: ’s Middags zwem ik in de Noordzee,
    Nieuw Amsterdam, 2014