• Maatje, zag je mij? 

    Maatje, zag je mij? 

    Tijdens de oorlog vond in Nederlands-Indië een driedeling plaats onder de Nederlanders:  alle weerbare mannen – meestal opgeroepen voor het leger – werden ingezet als dwangarbeider voor het aanleggen van spoorwegen (in Birma, op Sumatra) of het werken in de Japanse mijnen. Vrouwen, kinderen en bejaarde mannen werden geïnterneerd, tenzij ze konden aantonen méér dan 50% Indonesisch bloed in de aderen te hebben. Dan mochten ze buiten de kampen blijven, waar ze – de economie was ingestort – met het breien van sokken voor de Japanse soldaten of het verkopen van koekjes of het verpanden van huisraad moesten zien te overleven.

    De geïnterneerden maakten kennis met de hardhandige Japanse cultuur, waar hogergeplaatsten diepe buigingen van hun ondergeschikten verwachtten en slaan en schoppen een gebruikelijke bestraffing was. Elke Japanse soldaat was hier de meerdere van de gevangenen en ze maakten daar lustig gebruik van. Kinderen zagen hun moeder voor hun ogen vernederd en afgerammeld worden en tezamen met de steeds slechter wordende voeding – die aan het eind van de oorlog vaak slechts bestond uit wat doorzichtige tapioca-pap –  maakte dit de oorlog tot een zwarte herinnering. Een speciale sub-groep vormden de jongens die 10 jaar of ouder waren. Zij werden van hun moeder gescheiden en in aparte kampen gezet, waar zij de oude – vaak zieke – mannen moesten verzorgen. De herinneringen van die jongetjes aan de zelfzuchtigheid van de stervende bejaarden behoren tot de meest trieste van deze oorlog. Vanwege de zware arbeid die zij moesten verrichten kregen zij iets meer te eten en het kwam voor dat de zieke bejaarden uit nijd spuugden in de etensbakjes van de kinderen. Tot deze subgroep behoorde Willem Nijholt (1934) die een jaar voor het eind van de oorlog 10 werd en met zijn oudere broer Jan in zo’n mannen-kamp terecht kwam.

    Hij hield aan de oorlog bittere herinneringen over, niet alleen om wat hem was overkomen, maar ook om wat zijn moeder, zijn ‘maatje’ had moeten ondergaan. Eerder schreef hij dat al deels van zich af in een reeks brieven aan Hella Haasse. Gebundeld onder de titel Met bonzend hart.
    En nu verschijnt het autobiografische Een ongeduldig verlangen waarin Nijholt terugkeert naar zijn jeugd.
    De Indische Letteren waartoe dit boek zeker behoort, vormen een enclave in de Nederlandse Letteren, met schrijvers als Multatuli, Maria Dermout, Bep Vuyk, Vincent Mahieu. P.A. Daum, F. Springer en nog aardig wat anderen.
    Van oudsher bestond het contact tussen de in de kolonie wonende Nederlanders en hun familie uit brieven, waarin zij vertelden over hun leven in de Oost. De brieven-schrijfstijl was gebaseerd op spreektaal, losser en ook verhalender dan het zwaarwichtige Hollandse proza van de 19e en begin 20ste eeuw. En die losse, verhalende stijl werd het kenmerk van schrijvers met een koloniale achtergrond. Willem Nijholt maakt daarop geen uitzondering met zijn brievenboek.

    Rasverteller
    Ook in Een ongeduldig verlangen is een verteller aan het woord. Een rasverteller op zijn praatstoel.
    Nijholt springt ogenschijnlijk van de hak op de tak, maar zorgt er voor dat zijn verhaal zich afwisselend afspeelt in het aangename en gedetailleerd beschreven dorp Millingen waar zijn doodzieke Maatje en de kinderen na de oorlog warm werden opgevangen, het mooie Nederlands-Indië van zijn vroegste jeugd en het gehate Japanse Indië van de oorlogsjaren. Met als kers op de taart een prachtig relaas van zijn 3 maanden in Denemarken, het land dat aangeboden had de sterk vermagerde bleekneusjes uit de Oost op te vangen met roomboter en vette melk. Hij komt terecht in de boerderij van Karl en Anne en beleeft er als elfjarig jongetje voor het eerst een homo-erotische sensatie als hij Karl ziet slapen op de sofa en merkt dat er uit de scheur in diens werkbroek iets aan het licht komt:

    Nog nooit had ik de piemel van een volwassen man gezien. Door zijn liggende houding was Karls werkbroek strak om zijn dijen getrokken waardoor ik nu duidelijk door die scheur naast de gulp-rits zijn piemel kon zien opbollen. Toen ik uit de flauwte bijkwam, kreeg ik een sterke drang om die arme piemel, die zo in de knel zat, uit zijn gulp te halen en goed te leggen. Meteen liet ik dat idee varen. Gedachten en gevoelens streden om het hardst in mijn donder! Stel je voor dat Karl wakker zou worden. Wat moest hij dan niet van me denken! Hij zou mij vragen waar ik mee bezig was.

    Want het 11-jarige jongetje Nijholt had tot dan toe alleen verliefdheden gekend die op meisjes gericht waren: Ik had toch in Millingen een vriendinnetje, Corrie Sak, die op Doris Day leek en heel lange, blonde pijpenkrullen had. Tot op haar bips. Pijpenkrullen die altijd om haar heen dansten en haar ‘onbereikbaar maakten bijkans’, zoals Jan van Lier altijd zei als zij met nuffig neusje voorbijschreed.

    Een steeds terugkerend thema is natuurlijk de oorlog en wat dat met zijn Maatje en hemzelf maar ook zijn vader had gedaan. Vader, een Overijsselse boerenzoon, in de jaren dertig naar Indië getrokken en daar bij het KNIL exercitie-sergeant geworden had met moeite de Birma spoorweg overleefd en was daarna direct ingeschakeld in de oorlog tegen de Indonesische Nationalisten. Dat deed hem veel pijn, want hij – die ze vaak had opgeleid voor het KNIL –  zag ze als ‘zijn jongens’.  Als hij een paar jaar na de oorlog terugkeert in het gezin is hij een oude man geworden, zonder gezag over zijn puberende zoons. Nijholt doet zijn best om in herinneringen de klewang-held te laten herleven die zijn vader vroeger voor hem was. Vader ontwikkeld een goede relatie met het jongste kind Ria, de twee zoons zijn hem ontgroeid. Van die twee voelt Willi zoals Willem genoemd werd, zich inferieur aan zijn sportieve broer Jan, die al snel een praktische opleiding voltooit en geld gaat verdienen.
    Willi is een aarts-kwebbelaar die naar eigen gevoel altijd en overal mislukt. De HBS-B blijkt een verkeerde keuze en ook een korte tijd bij de Marine mislukt omdat hij toch te ánders is.
    Zoekend en tastend in het geheugen, zichzelf onderbrekend met verwijzingen naar zijn huidige staat (Nou ja, dat bordje pap onder mijn schedel is zo langzamerhand aan het verschalen, en niet meer op te kloppen) neemt Nijholt ons mee in de vaak verrassend levendige en gedetailleerde herinneringen aan de tijd dat hij nog zoekende was.

    Identiteit
    Adembenemend is de beschrijving van het moment waarop zijn seksuele identiteit gevonden heeft in contact met de klusjesman van het bejaardenhuis waar zijn oma woont.
    Frans, de klusjesman is een ‘ongeveer dertigjarige, lange man met een blozend hoofd, blonde krullen en een brede lach die een rij perfecte witte tanden liet zien.’
    Hij en Willi kunnen goed met elkaar overweg en als hij Frans een aantal jaren niet gezien heeft en hem als puber opzoekt gebeurt ineens het volgende:

    Toen ik de keldergang in was gelopen, had ik zijn naam geroepen: ‘Fráns, ben je daar?’
    Even was het stil en toen galmde mijn naam ‘Willi! Ziedde gij ut?!’ vanuit zijn werkplaats tegen de muur van de gang en weerklonk tot achterin door. (…) Frans was meteen de hoek om gekomen, nam de zon mee in een straal licht die vanuit het raam in de werkplaats tegen de gangmuur kaatste. Goud vonkte zijn haar, rood sloegen zijn wangen uit en de witte streep (tanden, HV) flitste breder dan ooit toen ik op hem toeliep. Hij opende zelfs zijn armen wijduit waarin ik me meteen nestelde, maar snel liet hij me weer los en wist duidelijk niet waar hij met zijn armen verder moest blijven. Ik kon even niets zeggen, zo verrast was ik door dit intens vreugdevolle welkom dat ik maar doorliep de werkplaats in en mijn billen op de werkbank schoof. Frans kwam langzaam binnen, bleef naar mij kijken en wist ook even niets te zeggen, maar lachte opeens en zei: ‘Willi, ge bint al een mooie, grote knul.’

    Een mooiere weergave van wat kortweg ‘het klikte tussen ons’ genoemd wordt, moet nog geschreven worden. En na het vinden van zijn seksuele identiteit begin Willi ook zijn talenten te ontdekken. Het ongeduldig verlangen dat hij in zijn jeugd voelde krijgt vorm en wat tot dan toe Spielerei leek (het naspelen van filmrolletjes en het verzinnen en regisseren van toneelstukjes voor de buurtvriendjes) blijkt ineens de kern te zijn van wat hij wil en kan. Zijn moeder zag niets in een carrière op het toneel en dat zij – jong overleden-  zijn debuut op de planken niet heeft kunnen meemaken is een terugkerende pijn in Het ongeduldig verlangen. Nijholts beschrijving van haar overlijden is diep ontroerend.

    Dat haar Willi ook nog schrijven kon heeft ze zelfs nooit kunnen vermoeden.  Als ze dit boek had kunnen lezen zou ze gemerkt hebben dat hij zijn belevenissen van vóór en na de oorlog met passie en in klein detail beschrijft, maar zodra het over de Japanse internering in de oorlog gaat nemen de woede en het verdriet Nijholts pen over en remt hij zichzelf na enige tijd af.
    Déze herinneringen in detail oproepen is ook na 70 jaar kennelijk nog te moeilijk. In de persoonlijke brieven aan Hella Haasse (gebundeld in Met bonzend hart) ging hem dat makkelijker af. Laten we hopen dat het met Nijholts late schrijverschap nog niet ‘En toen al’ is, de gebruikelijke afsluiting van een Indische vertelling. Dat er nog veel herinneringen mogen volgen. De laatste 60 pagina’s van Het ongeduldig verlangen gaat over zijn leven als acteur. Daar moet nog heel wat meer over te vertellen zijn.

     

     

  • Oogst week 36

    Een ongeduldig verlangen. Herinneringen

    De eerste pagina’s van Een ongeduldig verlangen nodigen direct uit om door te lezen. Willem Nijholt komt na een stormachtige tocht in Nederland aan. Nog gekleed in zijn tropengoed stapt hij samen met zijn broertje naar buiten, het dek op.

    Maar al meteen merkten we hoe de ijzige winterkou ons heftig in de klauwen greep, ons liet kleumen in onze dunne, lichte tropenkleren, ons liet glibberen op het gladde, met een laag ijzel bedekte dek, ons kon laten neerkletteren. Hoe alles wat je handen aanraakten onmiddellijk vast zou vriezen als je geen wanten of handschoenen aanhad. En Jan en ik hadden handschoen noch want, muts noch winterkleding.’ 

    Maar: ‘We hadden het gehaald! De Jap was verslagen. Wij, kinderen, hadden in Indië jaren van honger meegemaakt, dagelijks onder bewaking van de Jappen op onze knieën moeten liggen hakken in de keiharde tropische grond, onder de koperen ploert, met een geweer in de rug en geschreeuw aan je kop.

    Eigenlijk nog maar kort na het verschijnen van Met bonzend hart, zijn brieven aan Hella Haasse, verschijnt er weer een nieuw boek van Willem Nijholt. In Een ongeduldig verlangen vertelt hij over zijn jeugd in Indië, de tocht naar Nederland en zijn eerste tijd daarna.

    Volgende week een lange recensie!

    Een ongeduldig verlangen. Herinneringen
    Auteur: Willem Nijholt
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Het Sumatra van Bloem

    Ook over Indonesië, over het eiland Sumatra om precies te zijn, gaat Het Sumatra van Bloem, dat Marion Bloem samen met haar echtgenoot Ivan Wolffers heeft gemaakt. Ze reizen door een overweldigende natuur, langs de smalle Trans Sumatra Highway.
    Ook dit boek is een reis door de tijd, al gaat het hier niet over de auteur zelf, maar over haar familie. Bloem heeft haar leven lang verhalen gehoord o.a. van en over haar grootmoeder en vader. Die verhalen geeft ze door in dit boek.

    Daarnaast bevat het boek prachtige foto’s, maar ook recepten uit de bijzondere keuken van Sumatra.

     

     

    Het Sumatra van Bloem
    Auteur: Marion Bloem
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers

    De schooldagen van Jezus

    Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee behoeft geen betoog. Zijn nieuwe boek, De schooldagen van Jezus (niet te verwarren met zijn boek De kinderjaren van Jezus), gaat over Símon en zijn pleegzoon David.

    De schooldagen van Jezus toont ons een vader die zijn kijk op de wereld baseert op logica en feiten, die meer op zijn geest vertrouwt dan op zijn lichaam, en een zoon die in alles het tegenovergestelde lijkt. Maar dan gebeurt er iets in het schoolgebouw dat de hele stad op zijn kop zet. Langzaam ziet Simón in dat er misschien nog een andere kant van het menselijk bestaan is: iets náást denken en ratio. Het lichaam, het gevoel, de dans; iets wat vooralsnog ongrijpbaar voor hem was, maar waar Davíd het levende bewijs van is. Simón zet alles op alles om zijn zoon te kunnen liefhebben en eindelijk te begrijpen.’

     

     

     

    De schooldagen van Jezus
    Auteur: J.M. Coetzee
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Hoe lees ik?

    Op het omslag van Hoe lees ik? van Lidewijde Paris staat al een aantal vragen. ‘Wat wil de schrijver?’ ‘Hoe is de opbouw van het verhaal?’ ‘Weet iemand alles beter?’

    Het is een aanzetje tot de inhoud van het boek. Hoe lees ik? geeft gelukkig niet aan hoe je moet lezen, of wat je uit een boek moet halen. Dat is voor iedereen anders, betoogt Paris, maar toch geeft ze een paar aanwijzingen die elke lezer kunnen helpen een tekst eens anders te lezen. Hoe lees ik? staat vol met dat soort suggesties, aan de hand van zinnen, alinea’s, verhalen en romans. Van de Max Havelaar via De zwarte met het witte hart naar David Mitchell. Het eindigt met allerlei tips voor leesclubs, boekhandelaren, scholen, beginnende schrijvers en alle andere lezers.

     

     

    Hoe lees ik?
    Auteur: Lidewijde Paris
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam
  • Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Recensie door: Lodewijk Lasschuijt

    Adoe, Willem, hij heeft een tak, hij springt erop, hij springt eraf. Mannen die hun jeugd hebben doorgebracht in Nederlands Indië bedienen zich soms, als ze onder elkaar zijn, van een grappig taaltje dat is doorspekt met Maleise woorden en waarbij dan ook nog eens spreekwoorden en zegswijzen worden verhaspeld, het zogenaamde petjoh. Willem Nijholt springt dus van de hak op de tak in zijn brieven aan Hella Haasse maar hij doet dat op een buitengewoon onderhoudende wijze. Natuurlijk, hij heeft een kist vol met sporen die hij allemaal heeft verdiend als acteur en voordrachtskunstenaar maar nu blijkt dat hij ook een boek kan schrijven. Maar wat is het voor een boek? Is het een roman in brieven en gaan hiermee de tijden van Sara Burgerhart herleven? Is het een dagboek? Allebei niet, het is een boek zoals alleen Willem Nijholt het kan schrijven waarin hij herinneringen ophaalt aan het land waar Hella en hij hun jeugd hebben doorgebracht.

    Niet alle herinneringen zijn even mooi, ook de afgrijselijke belevenissen in het jappenkamp worden in meerdere brieven gememoreerd. Willem schrijft de narigheid van zich af, de brieven hebben misschien een therapeutisch karakter.
    Vanaf het moment dat hij toelatingsexamen doet voor de toneelschool wordt de toneelcarrière gevolgd en komt de verhouding met een aantal collega’s uitvoerig aan de orde. Er waren eeuwigdurende vriendschappen maar er was ook wel eens sprake van onverenigbaarheid van karakters, echter nooit van een echte vijandschap. Willem is niet haatdragend want zelfs wanneer Japan wordt getroffen door rampen en overstromingen gaat zijn mededogen uit naar de mensen die er ook niets aan konden doen dat hun grootvader misschien wel had behoord tot de Japanse horde die destijds Indië onder de voet had gelopen.

    Interessant is ook de discussie die ontstaat wanneer er een vriend op bezoek komt die geen enkele empathie op kan brengen voor het leed dat de Indische Nederlanders is overkomen tijdens de Japanse bezetting. Het woord Auschwitz valt als een hakbijl. Het Indische leed wordt vergeleken met het Joodse leed. De herdenking op 4 mei op de Dam wordt gekenmerkt als een samenkomst waar de slachtoffers van de Holocaust worden herdacht, en de Indische samenkomsten in Den Haag op 15 augustus zouden meer het karakter hebben van een reünie. Nu heeft Willem de grootste moeite om zijn boosheid te verbergen, hij blijft netjes en houdt zijn mond stijf dicht, maar God hoort zijn gebrom. De volgende morgen belt de vriend, die eigenlijk geen vriend meer is, Willem op met de vraag of hij nog steeds boos is. Het antwoord luidt: ‘Als praten over Jappenkamp met Joodse mensen, adoe, jij vangt bot. Nu soeda dese’.

    Steeds opnieuw komen er herinneringen naar boven en die worden dan uitvoerig opgeschreven in de brieven aan Hella. De beschrijvingen in de brieven zijn vaak poëtisch van aard, zij zijn als vallende bladeren neergedaald in een vijver, om daar langzaam te verzinken in het slik van de vergetelheid en komen soms boven drijven wanneer er een steen in de vijver wordt gegooid. Een dergelijke steen valt in de vijver als Willem in een boek leest over de onthoofding met een botte klewang van een gevangene aan de Birma spoorweg en hij herinnert zich heel goed dat zijn vader nooit wilde praten over dergelijke gebeurtenissen. Hij vertelt wel een nogal cynisch grapje dat Wim Kan ooit maakte. Hij vroeg zich af, tijdens zijn verblijf in Birma: ‘Wat zal ik vandaag eens aantrekken? Tja wat’. Ter verduidelijking, het Maleise woord tjawat betekent schaamlap en dat was zo ongeveer het enige kledingstuk dat de gevangenen aan de Birmaspoorweg droegen.

    Willem Nijholt heeft als acteur altijd getracht zijn publiek te verheffen uit de smurrie van het dagelijks bestaan en dat is hem gelukt. Zelf heeft hij zichzelf uit de smurrie van de kampherinneringen omhoog getrokken en de brieven aan Hella waren daar een belangrijk hulpmiddel bij.

     

    Met bonzend hart

    Auteur: Willem Nijholt
    Verschenen bij: Uitgeverij Querido
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 19,95, als E-boek: € 15,95