• Wiegend naar het einde

    Wiegend naar het einde

    Als in een boek iets geschreven staat waar je later, exact zoals beschreven staat onderdeel van wordt, dan is dat boek nooit meer hetzelfde en wordt literatuur een intense beleving.

    Er was de begrafenis van F. Starik.

    Zijn gedichten en poëtische vertellingen zijn miniatuurtjes. Zijn voordrachten overweldigend. De eerste keer hoorde ik hem voordragen in Pakhuis de Zwijger tijdens ‘De Langste Dag’ (2010). Een voordracht-marathon waarmee de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) zijn tienjarig bestaan vierde. Levende dichters brachten dode dichters tot leven door hun werk voor te dragen, een avond lang, tot diep in de nacht. Starik deed Willem Kloos. Hij declameerde gematigd en ingehouden vanachter het spreekgestoelte de eerste gedichten, sterk articulerend, met raspend keelgeluid. Een van de laatste gedichten, (alsof hij eindelijk de boeien had losgegooid, het anker gehesen en vaart kon maken) kwam sputterend en schreeuwend naar buiten. Zo krachtig dat ik er voor terugdeinsde, als door een golfslag op het strand gesmeten. Een dichter waar je niet omheen kon.

    Toen was er opeens zijn uitvaart. De kleine kapel van begraafplaats Sint Barbara stroomde vol. We stonden langs de muren opgesteld, er kon geen mens meer bij. Starik had ooit beschreven hoe zijn uitvaart eruit moest zien, vertelde zijn uitgever Jasper Henderson, hij las het stukje voor. Daarin stond de wens op een speciaal nummer van Virgin Prunes te worden binnengedragen, aan de bezoekers het verzoek met de dragers mee te bewegen op de maat van de muziek.

    Deze week las ik Moeder doen, waarin de dichter nog zo verschrikkelijk in beweging is, zorgend voor zijn moeder en zijn vissen. Daar kwam ik hetzelfde stukje tegen.

    ‘Bij het binnenrijden van de kist klinkt het nummer van The Virgin Prunes, van …If I Die, I Die (…). De mensen zitten al in de aula. Dan klinkt het nummer op, de deuren van de aula gaan open, ik maak mijn laatste entree. De baar met mijn kist erop wordt naar voren gerold, vier stokoude dragers, liefst met karpatenkop, stampen hard op de trage maat van de muziek, voet voor voet, stukje naar voren, rukje naar achter, alsof de dode tegenstribbelt, (…).
    Het zou natuurlijk aardig zijn als jullie, mijn hooggeëerd publiek, de dragers spontaan te hulp zouden schieten door op de maat van de muziek mee te stampen. (…)’

    De kist werd gedragen door zes mannen (niet stokoud, geen karpatenkoppen) die na twee stappen vooruit er een weer terug stapten. Wij, de aanwezigen, stonden allen op en stampten met onze voeten op de kerkvloer op het trage ritme van de muziek. Een dreun als van neerkomende paukenslagen trok door de kapel. Vijf jaar voor zijn werkelijke verscheiden, beschreven in dat ontroerend eerlijke boekje Moeder doen. Toen ik het teruglas, zat ik in die tekst, beleefde wat daar beschreven stond.We stampten met onze voeten op de plaats, links – rechts, minutenlang wiegden we F. Starik naar zijn eindbestemming. Dat hij nog lang moge leven in zijn boeken.

     

    Opname van De Langste Dag (2010).


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, heeft een OV kortingskaart.

  • Fraai verzorgde biografie over een moeilijk mens

    Fraai verzorgde biografie over een moeilijk mens

    Jacques Perk is Nederlands ultieme jonggestorven dichter, De nieuwe gids is het ultieme Nederlandse revolutionaire literaire tijdschrift, de Tachtigers zijn de jonge, dichterlijke hemelbestormers par excellence.  Te midden van dit alles: Willem Kloos, schrijver van een handvol onvergetelijke sonnetten, drinkebroer, intrigant, halfgare zwerver, poète maudit.

    Hoezeer ook het beeld van de Beweging van Tachtig in de loop der jaren op grond van talrijke publicaties is verduidelijkt, genuanceerd en ook wel verbleekt, de reputatie ervan blijkt onverwoestbaar. En ziedaar: opeens is er dit nieuwe boek over Kloos. Mooi uitgegeven, kloek van omvang, met veel foto’s en citaten uit vele brieven, dagboeken, dichtbundels en artikelen. De auteurs Peter Janzen en Frans Oerlemans schetsen een beeld van de dichter Kloos dat wij wel zo’n beetje kennen, maar dat aan de hand van de goedgeschreven tekst en zorgvuldig gekozen citaten uit originele bronnen nieuwe contouren krijgt. Kloos’ eenzame jeugd, Kloos’ eigenzinnige en eigenmachtige redacteurschap van De nieuwe gids, Kloos’ geldgebrek en drankzucht en uiteraard zijn hartstochtelijke gevoelens voor vrienden en collega’s als Jacques Perk, Frederik van Eeden, Lodewijk van Deyssel, Albert Verwey, Willem Witsen en Hein Boeken. Gevoelens van affectieve aard, die onder invloed van de gebeurtenissen net zo makkelijk konden omslaan in bittere vijandigheid. Met aansluitend als apotheose of, zo men wil, het begin van het einde: Kloos’ huwelijk in het jaar 1900 met Jeanne Reyneke van Stuwe en onder haar streng-beschermend bewind, de bedaarde Haagse jaren tot aan de dood van Willem Kloos in 1938.

    In het kort komt het neer op het volgende: dit is een boeiend boek over een moeilijk, zeg maar gerust, onaangenaam mens. Natuurlijk mag een 19de eeuwer als Kloos niet een-op-een beoordeeld worden naar de maatstaven van 2017, maar toch vraagt de lezer van nu zich wel eens af waarom Kloos nooit werd gewezen op zijn ‘eigen verantwoordelijkheid’. Het schaamteloze gemak waarmee hij er vanuit ging dat er wel voor hem zou worden gezorgd en (dus) over alles en bij iedereen mopperde, klaagde en om geld zeurde – zelfs bij vrienden die hij in bespottelijke en afschuwelijk slechte sonnetten dodelijk had beledigd – is ‘met de kennis van nu’ onvoorstelbaar.

    Een kleine tien jaar na de dood van Kloos, in 1947, verscheen Het menschelijke beeld van Willem Kloos, geschreven door zijn weduwe dat zo berucht onwaarachtig-hagiografisch van aard was, dat het zijn doel volkomen miste. De auteurs van Willem Kloos stellen daar een publicatie tegenover die uitgaat van het ‘ziektebeeld’ van Kloos waarbij de term ‘borderline’ valt. In dat kader passen alle karaktertrekken die zo uitvoerig aan bod zijn gekomen: stemmingswisselingen, neerslachtigheid, wraakzucht, zelfmoordneigingen, verlatingsangst, drankzucht, zich willen hechten – en dit alles met als overkoepelend element een intensiteit die Janzen en Oerlemans benoemen als onmatig. Opmerkelijk is dat dit inzicht steeds ruimschoots aanwezig blijkt bij Kloos’ vrienden en tijdgenoten. Willekeurig voorbeeld: Frederik van Eeden schrijft in een brief uit 1896: ‘Hij [= Kloos] heeft nog altijd maar een zorg, zijn eigen figuur op te houden, zijn eigen houding te idealiseren als die van de grooten, sterken martelaar.’

    Dit omvangrijke en fraai verzorgde boek is een bewerking – althans dat kan worden verondersteld, want vermeld wordt dit feit nergens – van twee nog meer uitgebreide publicaties waarop de beide auteurs Janzen en Oerlemans in 2013 tegelijkertijd promoveerden, en waarin Kloos’ Amsterdamse jaren (1859-1900) gedocumenteerd werden in meer dan 800 pagina’s. Dat het nu bij uitgeverij Vantilt verschenen boek tot minder dan de helft is teruggebracht is maar goed ook, want het is welletjes zo. En toch, en toch … het spannendste aan dit boek is misschien wel de vaststelling, dat het vuur van de reputatie van de Beweging van Tachtig, gesymboliseerd door de merkwaardige, centrale dichtersfiguur Willem Kloos, na bijna honderdveertig jaar nog altijd niet is gedoofd.

     

     

  • Nieuwe blik op dode dichter

    Nieuwe blik op dode dichter

    Willem Kloos is hét protoype van de dichter. Gekweld, dronken en eenzaam. Vol van Grote Gevoelens, Hevige Hartstochten en Onvervulde Verlangens die zich in eindeloze stromen sonnetten en andere gedichten een weg banen. Willem Kloos (1859-1938) was de dichterlijke voorman van de paleisrevolutie in de Nederlandse letteren bij uitstek: de Beweging van Tachtig. Hij bezorgde in 1882 de eerste uitgave van de gedichten van zijn jonggestorven vriend Jacques Perk, die een nieuw tijdperk inluidden in de Nederlandse literaire geschiedenis en hij – Kloos – voorzag dit boekje van een programmatische inleiding. En ten slotte redigeerde hij vanaf 1885 meer dan vijftig jaar het tijdschrift dat spreekbuis der Tachtigers was: De nieuwe gids. Na drieste beginjaren vol van passie, originaliteit en overmoed ontpopte Kloos zich tot een levend fossiel van wat zo glorieus begon. En daarmee zat hij zijn eigen beeldvorming en nagedachtenis danig in de weg. Het is dus een mooie daad van eenvoudige rechtvaardiging dat aan Kloos’ leven en werk onlangs een biografie werd gewijd.

    Het beeld van Kloos als gedoemd poëet c.q. dichtervorst is op het lachwekkende af herhaald in hagiografisch aandoende en inmiddels zeer gedateerde publicaties, zoals van Max Kijzer, K.H. de Raaf en last but not least van Kloos’ weduwe Jeanne Reyneke van Stuwe herself. Dit beeld wordt door Bart Slijper krachtig bijgesteld, allereerst door zijn focus op de enkele jaren van Kloos’ werkelijk belangrijke optreden in de Nederlandse letteren en ten tweede door Kloos zonder terughouding in al zijn deerniswekkendheid voor het voetlicht te brengen. Kloos’ zelfmoordpoging (met een broodmes) is wel een dieptepunt dat hier waarschijnlijk voor het eerst wordt opgedist (Jeroen Brouwers noemt in elk geval in zijn boek uit 1984 over zelfmoord in de Nederlandse letteren het geval Kloos niet).

    Slijpers suggestieve beschrijving van het contact tussen de jeugdige dichters Kloos-Perk resp. Kloos-Verwey laat ruimte genoeg voor een 21ste eeuwse interpretatie van volledig geconsumeerd homoseksueel contact. Of daarvan echt sprake geweest is blijft vaag. Doet het ertoe en ‘willen wij dit weten’? Misschien niet, maar de ogenschijnlijk veelzeggende behandeling van dit even delicate als gewichtige onderwerp laat onduidelijkheid bestaan die de nieuwsgierigheid wel prikkelt maar niet bevredigt.

    Slijper laat meer vragen van de lezer onbeantwoord: bv. hoe Kloos’ vrienden reageerden op zijn toch wel wat burgerlijke huwelijk. En we hadden ook wel iets meer willen weten over contacten van Willen Kloos met zijn vader, stiefmoeder, stiefbroer. Of waar Kloos van leefde. Of hoe Kloos m.n. in zijn zwartste jaren zijn zenuwziekte en alcoholverslaving wist te combineren met het redacteurschap van De nieuwe gids. Over de achtergrond van figuren als Witsen, Van der Goes, Gorter, Alberdingk Thijm, Paap hadden ook enkele aanvullende alinea’s kunnen zorgen voor meer reliëf en perspectief. Wie waren al die mensen, hoe kenden ze elkaar, etc. Nu blijven het toch passanten die af en toe fel belicht worden. Wie niet enigszins thuis is in de betreffende materie kan daardoor ook wel wat ‘tekort komen’.

    Als er één woord van toepassing is op dit boek dan is het ‘impressionistisch’. De auteur Bart Slijper focust zeer sterk op een beperkt aantal levensjaren van Kloos. Die zijn zonder meer doorslaggevend of in elk geval relevant, zeker waar het zijn vriendschappen betreft (Slijper spreekt dikwijls van ‘liefdes’) met Jacques Perk en Albert Verwey. Maar het resultaat is toch ook: onevenwichtigheid. Bij sommige gebeurtenissen staan we zo ongeveer in de kamer om een en ander bij te wonen en mee te maken, door middel van langdurig uitgesponnen verslagen, levendig aangevuld met goedgekozen dagboek- en briefpassages. Anderzijds worden Kloos’ laatste veertig levens- en huwelijksjaren in enkele alinea’s afgedaan. Neutraler geformuleerd: dit is een journalistieke biografie. Slijper concentreert zich op wat ‘het belangrijkste’ is in Kloos’ leven, de rest is bijzaak – en blijft dus grotendeels buiten beeld.

    Dit doet niet af aan het feit dat dit boek levendig en aantrekkelijk is. Het prijkt, zoals het hoort, met een aanzienlijk notenapparaat en verantwoording, maar de biografie is nergens zwaarwichtig of taai. De bronnen waaruit Slijper heeft geput zijn bovendien overvloedig, rijk, origineel en gevarieerd. Slijpers commentaar is hier en daar juist knap-laconiek (‘Dingen waren anders vroeger.’, p. 199) of aandoenlijk betrokken (‘Ach, Willem dan toch.’, p. 225; ‘De treurigheid van dit alles.’, p. 227). Ook scherp is Slijper soms in zijn bijna aforistisch aandoende kwalificaties: ‘Hij is gecapituleerd en heeft overwonnen’, p. 242.

    Zoals gezegd: het bestaande beeld van Willem Kloos – als daarvan al iets was overgebleven – was eenzijdig, verouderd en ook niet helemaal rechtvaardig. Bart Slijper geeft met zijn levendige boek over deze dode dichter de lezer van vandaag een nieuwe blik. Het verhaal over ‘de mens’ Willem Kloos kan biograaf Bart Slijper niet leuker maken dan het is; de ‘figuur’ Willem Kloos verdient dit boek volledig. Slijper heeft Kloos ontdaan van literair-historisch aangekoekte ballast die het zicht op de reële betekenis van Kloos belemmerde. Namelijk die van katalysator van de Beweging van Tachtig en van een ‘nieuw geluid’ in de toenmalige Nederlandse letteren.

    In dit gevreesd gemis.
    Het leven van Willem Kloos

    Auteur: Bart Slijper
    Verschenen bij: Uitgeverij Bert Bakker
    Aantal pagina’s: 325
    Prijs: € 24,95