• Niets is verboden in een land waar alles verboden is

    Niets is verboden in een land waar alles verboden is

    Willem du Gardijn heeft met Het koor van de 300 moordenaressen een indrukwekkende roman geschreven over repressie en wat dat met een mens doet. We schrijven de Koude Oorlogtijd, met name de jaren ’80 van de vorige eeuw in Oost-Berlijn. ‘Für Frieden und Sozialismus…’ is de groet die pioniertjes van 6 tot 14 jaar jong massaal beantwoorden met ‘… seid bereit – immer bereit’. Hoofdpersonen Lena en Maksa zitten aan het begin van de roman in de tram als er twee volksagenten instappen die tegenover hen gaan zitten en naar hen kijken. Lena schrikt, maar probeert zichzelf gerust te stellen. ‘Mag hij?’ vraagt ze zich in stilte af? ‘Ja dat mag hij, want niets is verboden in dit land waar alles verboden is.’ Ze voelt zich ongemakkelijk, gegeneerd, betrapt. Ze zou neutraal naar buiten willen kijken, maar dat lukt niet. Er zijn vele zaken in haar leven die ze liever anders zou zien, maar die onveranderbaar zijn gebleken.

    De eerste drie van de in totaal zes hoofdstukken die de roman telt sleuren de lezer indringend mee in de beklemming van leven in een totalitair geregeerd land en in de paranoia, waanzin, onzekerheid, angst en het wantrouwen die de bijbehorende controle voor individuele mensen met zich meebrengt. Grip krijgen op het verhaal vereist de nodige aandacht, omdat het niet alleen wordt verteld vanuit het wisselende perspectief van de twee vrouwen, maar vooral omdat dat gebeurt vanuit hun innerlijke monologen die in bijpassend eindeloos lang meanderende zinnen de omgeving en hun beider gedachtes, overwegingen en beschouwingen beschrijven. De symboliek is overduidelijk: alleen die ‘Gedanken sind frei’. Zwijgen is goud in hun wereld die beheerst wordt door controle en waarin je niet weet wie te vertrouwen is. Hun onvrijheid en machteloosheid in de stad waarin je – zoals Maksa het verwoordt – schuldig bent om wie je bent, ‘schuldig omdat de zon ondergaat’ is op een knappe manier heel dichtbij geschreven.

    Verzet en verraad

    Tussen de regels door laat met name Lena regelmatig – in haar gedachtes – meer of minder cynisch en kritisch haar mening of gevoel blijken. Als kind voelt ze al verzet. Ze wil geen vis in een vissenkom zijn, maar één in de zee en en ze weet dat ze daar niet alleen in staat. Ze ‘hoort’ de gedachten vol ontevredenheid van mensen op straat en ze voelt dan al dat ‘de heiningen van het volwassenleven’ inhouden ‘onder het mom van collectiviteit mensen van elkaar te scheiden en te onderscheiden’. Honecker krijgt een veeg uit de pan als ze langs een van de vele alom aanwezige portretten van hem loopt: ‘Als je in de buurt bent van zijn door buislampen verlichte hoofd weet je wat je moet doen, je verzetten tegen nazi’s, die zitten overal.’
    ‘Sterft gij oude vormen en gedachten’ citeert ze de Internationale net zo cynisch als ze beschrijft wat de nieuwe tijd inhoudt, namelijk blij in plaats van boos zijn met het kleine: ‘(…) als je je niet gelukkig voelt, speel dat je gelukkig bent.’

    Maksa is net zo gepijnigd eenzaam en ontredderd, maar ze is uit ander hout gesneden. Lena bespeurt al in het begin van de roman ‘wolken op haar voorhoofd, mijn vriendin heeft iets (…)’, maar Maksa kan er niet over praten. Via haar is vooral invoelbaar hoe mensen tegen elkaar worden uitgespeeld. ‘Ik kan er niet tegenop,’ denkt Maksa, en: ‘Als hij kan liegen, kan ik dat ook.’ Dit leidt halverwege het boek tot een catastrofale clou van een mislukte tunnelontsnapping door verraad waarbij zelfs doden vallen en Lena na vreselijke verhoorsessies in een vrouwengevangenis buiten Berlijn belandt. Maksa kan hierna haar evenbeeld in de spiegel niet meer verdragen, zegt ze.

    Louterend zingen

    De laatste drie hoofdstukken van het boek beschrijven Lena’s overlevingsstrijd in gevangenschap na de desastreuze ontknoping bij de tunnel naar West-Berlijn die geen tunnel bleek, en Maksa’s wraak uit wanhoop. Weer worden de interne gevechten indringend, inleefbaar en zeer knap beschreven. Met depersonalisatie, buiten haarzelf treden, houdt Lena zich staande tijdens de martelingen. Eenmaal in de vrouwengevangenis in Hohenbrunnen, waarvoor de beruchte vrouwengevangenis in Hoheneck model heeft gestaan, treden er voor haar andere fasen aan. Een louterende rol bij haar mentaal opkrabbelen heeft de samenzang in de gevangenis. Als kind heeft Lena de magie van zingen al ervaren. Ze mag dan wel eens mee naar een zanguitvoering waarin haar moeder meezingt. ‘Met mijn handjesvolle levensjaren [voel ik] aan dat er met zingen iets op het spel wordt gezet.’

    Praten zonder strijd en beoordeling, is praten dat op zingen lijkt, een ‘koor van stemmen’ ervaart ze dan al. In de vrouwengevangenis is er een ander koor, een koor van 300 vrouwen die allen op beschuldiging van moord opgesloten zitten. En er is vooral ‘het vrouwtje’, de leider van het koor. Ze blijkt empathisch en geïnteresseerd en ze is verantwoordelijk voor veel verbeteringen in het gevangenisregime. Lena voelt zich voor het eerst sinds tijden niet alleen en dankzij het samen zingen geniet ze. ‘Een koor is het tegendeel van gevangen zijn (…) ik voel geen beperkingen.’ Het zingen werkt helend voor haar. Geloofwaardig of niet: de macht van ‘het vrouwtje’ en het herstel van Lena onder andere door het samen zingen, hoopvol is het in ieder geval. Willem du Gardijn breekt een lans voor een wereld waarin mensen elkaar liefhebben, niet kapot maken. De apotheose van het boek leidt naar vrede en acceptatie, naar vergeving en verzoening.

    Met Het koor van de 300 moordenaressen heeft historicus Du Gardijn niet alleen een overtuigende psychologische roman afgeleverd, maar ook – voor wie de Koude Oorlog heeft meegemaakt – een ‘throwback memory’ waarin het Oostblok volop tot leven komt met Trabantjes en Wartburgauto’s, vopo’s en stasi’s. Dit alles tegen het decor van de alomtegenwoordige muur in Berlijn en bij de Friedrichstrasse met het beroemde overstapstation voor reizigers van west naar oost en vice versa, sinds 2011 het Tränenpalastmuseum. Het lachen is velen vergaan maar als er hoop is gebleven lijkt dat terecht, zowel in de echte werkelijkheid als in de verhaalwerkelijkheid van Du Gardijn.

     

     

  • Een onaf experiment

    Een onaf experiment

    Het boek Het einde van het lied van Willem du Gardijn draait om drie mensen: een vrouw, haar man en keizer Hadrianus (76 – 138 na Christus), over wie Marguerite Yourcenar ook al eens een roman schreef. Du Gardijn is van oorsprong historicus maar realiseerde zich op een gegeven moment dat romanciers betere en mooiere teksten schreven over geschiedenis dan de beste historici, zonder ook maar een voetnoot naar academisch-historische bronnen. Dat deed hem wellicht besluiten zich te gaan richten op de letteren. Dit boek lijkt daarvan een gevolg aangezien een historisch feit de literaire finale van het boek vormt

    Hadrianus

    Van keizer Hadrianus is bekend dat hij stierf in Baiae in het huidige Italië en ook dat dit op 10 juli 138 plaatsvond. Onhelder is echter wáár de keizer nu precies stierf. Du Gardijn doet een poging dat te achterhalen door zich in het hoofd van de vermoeide en zieke keizer te nestelen en hem diens laatste reis naar zijn plaats van overlijden te laten beschrijven. Hij laat Hadrianus in een soort dagboek van brieven schrijven, waarin hij van dag tot dag zijn maaltijden beschrijft, zijn afkalvende gezondheid en de gesprekken die hij voert met zijn gevolg over zijn nakende overlijden. Hij reflecteert daarin op zijn wens herinnerd te worden, door middel van zijn daden maar ook door de gebouwen die zijn naam dragen. Met de muur van Hadrianus – de meest noordelijke grens van het Romeinse Rijk in Groot-Brittannië om het Romeinse Rijk tegen de Picten te beschermen – is dat in elk geval gelukt.

    Adriaan

    De schrijfsels van Hadrianus beslaan maar een derde van het boek, het vormt het laatste ‘Lied’ (het boek is opgedeeld in drie liederen). De lezer heeft dan al twee geheel andere Liederen gelezen, novelles bijna. Het tweede deel gaat over een schrijver annex onderzoeker, Adriaan, die aan het begin van deze eeuw bezig is met een onderzoek naar Hadrianus. Vermoedelijk is hij de auteur van het derde deel. Hij woont een periode in Napels en is bezig met historisch (veld)onderzoek naar Hadrianus. Het onderzoek vlot niet zoals hij zou willen; het lijkt wel alsof zijn Italiaanse bronnen helemaal geen zin hebben in een Nederlander die rondneust in de omstandigheden van een keizer die bijna twee millennia geleden overleed. Het appartementje waar hij bivakkeert lijkt aanvankelijk een prettige plek, maar hij voelt zich, ook daar, steeds meer een ongenode gast.

    Aimée

    Het eerste deel lijkt een vreemde eend in de bijt – al schuift hoofdpersoon Aimée op enig moment wel een boek over Hadrianus opzij, valt zijn biografie later nog eens op de grond en liggen er ergens te veel dingen over de keizer in de weg. Aimée blijkt de vrouw van Adriaan. Ze heeft een affaire gehad met Yves, haar pianostemmer. Adriaan komt erachter, waarna zij in een depressie belandt. De soms ultrakorte zinnen waarmee Du Gardijn haar gedachten en gevoelens beschrijft trekken de lezer werkelijk helemaal mee in haar overwegingen en gedachtes. Het grijpt bij de keel: ‘Ze deed net of ze las in bed. Later deed ze net of ze sliep. Het was te warm. Kon ze maar ergens in een zwembad liggen. De klok had de tijd tot na enen weggetikt. Ze hoorde slechts stemmen, varianten op varianten. Ik ben te dun aan de buitenkant. Voel me veel, behalve mijn naam. Waarom hielpen die pillen niet?’ Adriaan is in dit eerste deel zo op het oog een wat naïeve echtgenoot die de moed erin probeert te houden, Aimée aanspoort om er toch vooral iets van te maken en ondertussen lesgeeft op een middelbare school over de Metamorfosen van Ovidius.

    Drie Liederen

    De vraag die zich opdringt is wel: wat moet je met deze drie delen? Ze zijn overduidelijk aan elkaar gelinkt door de personages en de historische figuur, maar wat betekent dat alles? Dit boek heeft wat onbevredigends. Het heeft iets van een onaf experiment; alsof je steeds een fragment van een op het oog uitstekende film ziet, zonder dat je weet waar het de regisseur nu precies om te doen is. Steeds als de film je net begint te bevallen wordt er, zonder dat je dat wilt, gezapt.

    Wat stoort is dat het personage Adriaan niet tot leven komt in zijn relatie met Aimée. In het tweede deel blijft dat helaas zo: uiteindelijk kom je ook daar vrijwel niets over hem te weten omdat het in dat deel voornamelijk gaat om zijn moeizame zoektocht naar de plaats van sterven van Hadrianus. We leren hem niet écht kennen, terwijl dat nu juist zo interessant was geweest: hoe heeft het nu zover kunnen komen met Aimée? Trok de fascinatie van Adriaan voor zijn bijna-naamgenoot een zodanige wissel op hun relatie dat het haar te veel werd? Was het verdriet om haar dood de oorzaak van de maniakale zoektocht in Zuid-Italië van Adriaan en was het anders nooit zover gekomen? Heeft zij zijn eigen metamorfose van leraar naar onderzoeker ingeleid? Al die vragen blijven onbeantwoord.

    De finale is uiteindelijk toch niet meer dan een wat eentonige beschrijving van Hadrianus’ reis. Hij beschrijft de plaatsen die hij passeert, de huizen waarin hij slaapt, de maaltijden die hij verorbert en de behandelingen die hij ondergaat van zijn lijfarts. Hoewel gelardeerd met bespiegelingen over zijn nalatenschap laat dat laatste deel ook geen blijvende indruk achter.
    Al met al is Het einde van het lied daardoor niet helemaal geslaagd. Het lijkt alsof drie incomplete verhalen losjes bij elkaar zijn gevoegd, drie onaffe maar op zichzelf interessante schetsen in een lijst zijn geperst. Wellicht om hun imperfectie te verhullen? Adriaan als personage is te zwak, te plat, om dit hele boek te dragen en als scharnier te dienen van het eerste en het laatste Lied.

     

  • Oogst week nr 37 – 2021

    Het einde van het lied

    Het einde van het lied van Willem du Gardijn is een roman in drie liederen. In het eerste worden we meegenomen in het hoofd van Aimée wier partner, de docent klassieke talen Adriaan, haar huis na een ruzie heeft verlaten en naar Rome is vertrokken. Zij is vreemd gegaan en probeert de gevolgen te verwerken.

    In het tweede lied volgen we Adriaan die probeert exact te reconstrueren waar keizer Hadrianus is gestorven. Maar hoe kun je weten wat waarheid is? Hij neemt in het derde deel zijn toevlucht tot fictie en pakt de draad op waar Marguerite Yourcenar haar pen neerlegde toen ze haar Herinneringen van Hadrianus beëindigde. Hij schrijft er een vervolg op. ‘Een opmerkelijke tour de force over liefde, noodlot en aanvaarding’ noemt de uitgever deze derde roman van Du Gardijn. Op diens eigenwebsite valt de term ‘grote Italië-roman’

    Het einde van het lied
    Auteur: Willem du Gardijn
    Uitgeverij: Koppernik

    De gelukzalige jaren van tucht

    Fleur Jaeggy werd in 1940 geboren in Zürich, maar verhuisde naar Italië waar ze trouwde met Roberto Calasso, die op 28 juli van dit jaar overleed. Ze schrijft in het Italiaans. Uitgever Koppernik bracht in 2019 haar verhalenbundel Ik ben de broer van XX en de roman SS Proleterka uit en komt nu met de novelle De gelukzalige jaren van tucht, eerder in Nederland verschenen in 1990. Hij begint als de liefdesgeschiedenis van de 14-jarige Frédérique op een kostschool in Appenzell, ‘een Arcadië van ziekelijkheid’, waar de boosaardige Mevrouw Hofstetter, ‘haar glimlach verzonken in vet’, de scepter zwaait:

    ‘Een omgeving waar Robert Walser vaak had gewandeld toen hij in het gesticht verbleef, in Herisau, niet ver van ons internaat. Hij stierf in de sneeuw. Op foto’s zie je zijn voetsporen en zijn lichaam languit in de sneeuw. Wij kenden die schrijver niet. Zelfs onze lerares Duits kende hem niet. Soms denk ik dat het mooi moet zijn om zo te sterven, na een wandeling, om je in een natuurlijk graf te laten vallen in de sneeuw van Appenzell, na bijna dertig jaar gesticht in Herisau. Het is echt zonde dat wij niet van het bestaan van Walser afwisten, we zouden een bloem voor hem hebben geplukt’. Dat belooft geen vrolijk verhaal en dat is het ook niet.

    De gelukzalige jaren van tucht
    Auteur: Fleur Jaeggy
    Uitgeverij: Koppernik

    Omdat Venus op de dag dat ik werd geboren een alpenviooltje passeerde

    Met Omdat Venus op de dag dat ik werd geboren een alpenviooltje passeerde doet de Noorse Mona Høvring (1964) haar intrede in Nederland. De novelle werd in 2018 in haar eigen land bekroond met de Kritikerpreis. De hoofdpersonen zijn twee zussen van wie de ene, Ella van 22, vertelt over de zenuwinzinking die haar één jaar oudere zus Martha kreeg na een mislukte relatie. Plaats van handeling is een soort sanatorium waar de oudste probeert bij te komen. In een dromerige sfeer van liefde, conflicten en herinneringen aan hun beider verleden onderzoeken de zussen hun symbiotische relatie.

    Omdat Venus op de dag dat ik werd geboren een alpenviooltje passeerde
    Auteur: Mona Høvring
    Uitgeverij: Oevers
  • Buitensporig geloofwaardige mensen

    Buitensporig geloofwaardige mensen

    In fijnzinnig taalgebruik neemt Willem Du Gardijn alle tijd om zijn verhalen te vertellen, zodat het alleen al om die reden een genot is om ze te lezen. Bovendien zijn er geen zijweggetjes, geen niet ter zake doende beschrijvingen, niet de kleinste afleiding voert weg van wat zich afspeelt in de ervaring van zijn personages. Alles is gefocust op het gebeuren van het moment. Du Gardijn formuleert precies en snedig. De zes verhalen uit Het grote vakantiepark doen je verzinken in de wereld van de ander.

    Het eerste verhaal, Het verbrande huis, vertelt over de verliefdheid van de zestienjarige hoofdpersoon Ben op een rijk meisje uit zijn klas. Hij is geschokt als de villa waar ze woont afbrandt. Als het huis weer herbouwd is gluurt hij over de muur naar de bewoners die met buitenlandse gasten plezier maken bij het zwembad. Alicia is onbereikbaar, al heeft Ben kortstondig reden om aan te nemen dat de gevoelens wederzijds zijn. Tot ver in zijn volwassenheid is hij door haar geobsedeerd.

    In Deemstering woont de oude Wim Visser in een verzorgingshuis waar hij zijn levenssituatie het hoofd biedt door lijstjes te maken van willekeurige, rijmende, soms komieke woorden. Hij leest ze voor aan de vogels voor het raam. ‘Vogels, dat is zeker, nemen de dingen niet erg zwaar. Ze zijn licht en luchtig. Dat vind ik aantrekkelijk omdat ik zelf sinds een jaar of tien in licht- en luchtigheid onbekwaam ben.’ Hij maakt ook woordenlijstjes over zijn medebewoners, waarvan sommigen behoren tot ‘de ene groep [die] is uitgedoofd en altijd in dezelfde stemming.’ Uitgedoofd en altijd in dezelfde stemming, wat een vondst!

    Gissen
    In Een huid, een huwelijk is Irmigard de liefdevolle verzorgster van een zieke ‘mevrouw’, die in duisternis leeft omdat ze een lichtallergie heeft. ‘De Dag kwam […] het lichaam zou oververhit raken, nog meer fik. Meneer was er niet. Zijn nationale politiek kon niet afgestemd worden op de hitte van de thuissituatie.’ De politiek en ‘meneer K.’ (één keer als zodanig aangeduid), kunnen bij Du Gardijn niet op veel sympathie rekenen. Het is slechts gissen naar wat hij met dit verhaal beoogt. Het roept onmiddellijk associaties op met Hannelore Kohl, die net als het personage aan seborroïsche lichtallergie leed, een bondskanselier als echtgenoot had en zichzelf het leven benam.

    Laf
    Tijdens het eten met een vriend beseft de verteller uit Einde van een vriendschap dat hij diens zelfingenomen houding, in een restaurant gedemonstreerd met spottend gedrag tegenover de serveerster in wie de verteller zelf een mogelijke geliefde ziet, niet langer kan verdragen. Met lichtvoetige ironie tekent Du Gardijn de vriend: ‘Juist toen David met opgeblazen borstkas zijn algemeen beschaafde haat voor de mensheid predikte, waarbij hij een hele serie minzame eigenschappen besprak die naar eigen zeggen ook op hem van toepassing waren, […]’. Toch lijkt het alsof de schrijver in dit verhaal niet duidelijk voor ogen stond waartoe hij zijn onzekere verteller eigenlijk wilde bewegen. Lafheid houdt het personage in haar greep, ‘David’ heeft geen idee van de weerzin van zijn vriend.

    Kafkaësk
    Na deze vier realistische verhalen volgt de vervreemding in Een schone afhandeling waarbij het onbehagen van de lezer met elke alinea toeneemt. Een vrouw wordt geconfronteerd met een politieagente die zich in de logeerkamer van haar huis heeft geïnstalleerd. De echtgenoot verkondigt dat van tijd tot tijd bij iedereen wel eens een politieagente intrekt. De vrouw is niet gerust, ze kan de agente niet de baas. ‘”Ger, deze vrouw zegt dat ons huwelijk voorbij is en dat ik jou vanmiddag een afscheidsbrief ga schrijven.” “En heeft zij daar gelijk in?”’ Met krachteloos protest gaat de vrouw onafwendbaar de door Du Gardijn uitgestippelde weg. Kafka is er niets bij.

    Vanuit de dood
    In alle verhalen delft de hoofdpersoon het onderspit, is de eenzaamheid troef en ligt de dood in het verschiet. In het laatste verhaal Het grote vakantiepark (‘HGVP’) is de verlossende dood al ingetreden. Ik-verteller Petra is vertrokken naar HGVP. ‘Wij van afdeling Nederland hebben een speciale ingang voor mensen die op eigen initiatief een einde aan hun leven hebben gemaakt. We hebben gemiddeld zo’n vijf ontvangsten per dag. We maken daar echt een vrolijke boel van, vooral omdat deze mensen op aarde vaak niet erg goedgehumeurd waren.’ Vanuit haar tevreden overleden toestand vertelt ze droogjes over haar leven met een labiele moeder, een recalcitrant broertje en een vader die aan ‘een boek werkt dat iets met mij te maken had, maar ik was geen gesprekspartner.’ Schizofrenie bestaat niet, heet het boek. Ook in dit verhaal krijgen alle pijnlijke en triviale feiten van Du Gardijn een absurdistisch tintje.

    Van vlees en bloed
    Tijdens een recent interview met André Klukhuhn in café Kapitein Zeppos in Amsterdam vertelde Du Gardijn dat het schrijven van dit soort verhalen hem helpt zich met het bestaan te verzoenen. Hij wil ‘buitensporig geloofwaardige’ personages scheppen en vergankelijkheid hoort daar nu eenmaal bij. Ook vindt de schrijver dat taal ons de mogelijkheid verschaft om buiten onszelf te treden. ‘Orde drukt op ons en geeft mogelijkheid tot overschrijding,’ meent hij in navolging van de filosofische denkbeelden van Georges Bataille. De toepassing van dit soort beschouwingen liet de schrijver al zien in zijn roman Bevrijding uit 2016, met zijn puntige formuleringen, verrassende zinswendingen en onstuimig tempo.

    De mensen die Du Gardijn in zijn verhalen tot leven brengt zijn zó herkenbaar en invoelbaar, zo zeer van vlees en bloed, dat we ze haast de hand kunnen schudden.