• In memoriam Willem Barnard 1920 – 2010

    Op zondag 21 november is schrijver en dichter Willem Barnard overleden. Barnard was een belangrijk dichter die ten tijde van de Vijftigers debuteerde maar lange tijd door de pers veronachtzaamt werd. Pas in 1998 – tijdens de Nacht van de Poëzie in Utrecht – werd hij op 88 jarige leeftijd als dichter herontdekt. Hij is onder meer van grote betekenis geweest bij de vernieuwing van het kerklied in de protestantse kerken.

    Barnard publiceerde onder het pseudoniem Guillaume van der Graft een twintigtal dichtbundels en was als Willem Barnard een veelzijdig schrijver van essays, dagboeken, Bijbeluitleg en psalmliederen. Een pseudoniem koos hij om de dichter van de dominee te scheidden. Waar hij uiteindelijk niet in geslaagd is. Hij gold als een van de belangrijkste dichters op het gebied van psalmvertalingen en nieuwe gezangen. Wellicht stond zijn christelijke identiteit hem in de weg om een doorbraak naar het grote publiek mogelijk te maken. Van der Graft publiceerde zijn eerste gedicht in 1944 in het illegale tijdschrift, Parade der Profeten, waarin ook W.F. Hermans debuteerde.

    In 1946 debuteerde hij met de bundel In exilio. Als dichter werd hij sterk beïnvloed door  Martinus Nijhoff, vooral door de grote gedichten als Awater,( 270 regels ). Ook was hij op zoek naar open uitdrukkingsvormen en taalvernieuwing. Toen hij doorbrak als dichter in 1953 met de bundel Vogels en vissen, werd hij wel vergeleken met Gerrit Kouwenaar en Simon Vinkenoog. Ondanks de verwantschap die er wel degelijk was tussen Van der Graft en de Vijftigers, bleef hij door de religieuze inbedding van zijn werk een buitenstaander. Zelf sprak Barnard van het zelfverkozen lot van de eenling. Hij wilde niet bij een groep horen. Dichten noemde hij: ‘Een dialoog met de stilte’, daar had hij geen statement voor nodig. Van der Graft  wilde meer dan experimentele vorm en taal in de poëzie en zocht steeds naar de diepere betekenis van taal.

    Barnard wenste zijn werk als theoloog te scheiden van zijn dichterlijke activiteiten. Dat lukte niet altijd, er was zeker sprake van, zowel in zijn theosofische werken als in zijn gedichten, een Barnard-Van der Graft overlapping. Zelf had Willem Barnard “onnoemelijk spijt” van zijn pseudoniem. Op het moment dat hij zijn pseudoniem wilde afschaffen begon zijn zoon –  schrijver en dichter Benno Barnard  (1954) – naam te maken in de literatuur.

    Dat Barnard ooit koos voor een studie theologie boven een studie in de Letteren, heeft hem een dubbele identiteit opgeleverd waar hij zelf niet altijd gelukkig mee was. Met name de benaming dominee-dichter verafschuwde hij. Van 1947 tot 1975 was Willem Barnard predikant. In die periode werkte hij in opdracht van de kerk als dichter en vertaler nauw samen met Martinus Nijhoff, Ad den Besten, J.W. Schulte Nordholt en Jan Wit. Het leidde tot een nieuwe psalmberijming die in 1973 gepubliceerd werd als Liedboek van de Kerken.

    In 1997 maakte Van der Graft een comeback als dichter. Na de verschijning van het aan zijn overleden vrouw opgedragen Onbereikbaar nabij, dat tegelijkertijd ook het hoogtepunt in zijn werk genoemd wordt, gaf hij een indrukwekkend optreden tijdens de Nacht van de Poëzie(1998) te Utrecht. Het is daar dat  Van der Graft kennismaakte met jonge dichters als Ruben van Gogh en Ingmar Heytze, die hem op hun beurt ontdekten. Het leidde tot nieuw werk dat, meer en meer gericht op de liefde, de dood en de poëzie, steeds soberder en kernachtiger werd.

    Willem Barnard was eredoctor aan de Universiteit Utrecht en Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Daarnaast ontving hij tal van literaire onderscheidingen als de Van der Hoogtprijs, de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam, en de Dr. C. Rijnsdorpprijs.

     

     

    Foto: Rufus de Vries

    Zie ook de bespreking van: Er loopt een gedicht voor mij uit – Bloemlezing Guillaume van der Graft, door Ingmar Heytze.

     

  • Een dubbeltje op zijn kant. Dagboeken 1945-1978 – Willem Barnard

    Recensie door Rein Swart

    Geen voorganger, maar terzijdeganger

    In een Achteraf schrijft Barnard dat deze dagboeken uit de periode 1945 ? 1978 later zijn verschenen dan het vervolg Anno Domini (over de jaren 1978 ? 1992) omdat selectie en redactie van het zo lang geleden geschrevene meer moeite kostte ? en meer hartzeer.

    Het was dan ook geen gemakkelijke positie waarin de inmiddels negentigjarige Barnard in die jaren als dominee-dichter verkeerde: het dienen van de theologie en de literatuur stond haaks op elkaar, doordat hij als predikant verplicht was te spreken en bij het dichten kon of moest wachten tot de woorden tot hem kwamen. ‘Theologie verhindert mij de literatuur doodernstig te nemen. En literatuur verhindert mij de godsgeleerdheid doodernstig te nemen.’

    Als theoloog ging het hem om de Schrift en in het bijzonder om het Oude Testament. Hij verzette zich tegen de Baäl, de god van het geld en de staat die alleen materiële behoeften erkent, maar ook tegen modieuze ideeën. De kerk mag geen religieuze snoepwinkel worden. Voor hem gaat het erom een traditie hoog te houden, waarin het verhaal belangrijker is dan dogma’s en denkformules. Op verhaal komen, is een mooie manier van uitdrukken waar het hem om ging: Door samen te lezen de betekenis van de bijbelse verhalen ontdekken. Hij moet weinig hebben van het christendom en beschouwt de kerk nog het meest als een soort KNVB die zorgt dat er gespeeld kan worden.

    Door deze dagboeken, die in het begin soms maar enkele (aforistische) regels bevatten en daarom fragmentarisch genoemd kunnen worden, krijgen we een beeld van de tijd waarin Barnard zijn werk verrichtte. Opvallend vaak zinspeelt hij op de ondergang van de wereld. Het is de tijd van de Koude Oorlog en de atoombewapening, van Hirosjima en de Cuba Crisis, maar ook de tijd van afnemend gezag van de dominee en de ontkerkelijking. Barnard toont zich duidelijk wanhopig over de maatschappelijke ontwikkeling.

    Barnard verkeerde graag in het gezelschap van vrouwen en zag de erotiek als het hoogste in het leven. Die was hem nader dan de ethiek. In het begin zinspeelt hij op twijfel over het huwelijk met Tinka in plaats van met Coby. ‘Schrijven wordt bijna een communie met Coby.’ ‘Maar dat is zelfsplitsing, het leidt tot niets dan hoofdpijn,’ voegt de principiële monogamist daaraan toe.

    Zijn zoon Benno schrijft in Een vage buitenlander dat zijn vader veel reisde, bijvoorbeeld naar Barnard Castle in Noord Engeland. Zelf zegt hij daarover dat reizen hem de vreugde gaf om even ontheven te zijn van de druk van het bestaan. Hij weet zich bijvoorbeeld geen raad met een veeleisende gastarbeider en vraagt zich af hoe hij zijn levenswijze in overeenstemming moet brengen met zijn geweten.

    Willem Barnard voelde zich geen voorganger, noch mensenredder of herder, maar iemand die wilde wijzen op de betekenis van de Schrift en daarover wil schrijven. Over de dood, zegt hij in 1957 dat wij een verkeerd uitgangspunt hebben gekozen door er een exit van te maken in plaats van een punt van waaruit alles bezien wordt.

    Soms heeft hij het gevoel dat woorden ons verhinderen het eigenste, het eigenlijke te zeggen, dat het idioom, hoewel door ons bedwongen, ten slotte toch eigen wegen gaat en ons verraadt, namelijk omdat taal een masker is. Zijn moeite om zijn preken te schrijven en zijn wanhoop deed me denken aan zijn collega François Haverschmidt.

    Het is volgens mij exemplarisch wat hij in 1971 over Pasen schreef, namelijk dat het daarbij niet gaat om de opstanding als zodanig, maar om het verhaal, om de tocht van een man. “Wie zegt: ‘Het gaat met Pasen toch om de opstanding!’ heeft er niets van verstaan. Die maakt zich al van het antwoord meester voordat hij de vraag tot zich heeft laten doordringen.” Ik hoor het hem zeggen.

     

    Een dubbeltje op zijn kant is alleen nog tweedehands verkrijgbaar.