• In memoriam Wilbert Cornelissen (1958-2018)

    Vrijdag 19 oktober overleed dichter Wilbert Cornelissen. Wilbert Cornelissen was naast dichter en schrijver van klein proza, filosoof en werkte als poëziedocent aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. In 1998 debuteerde hij met de poëziebundel Ontfermingen (Arbeiderspers), gevolgd door  Kinderlandschappen (2002, Meulenhoff).

    Hoewel Cornelissen veel schreef – van 1 januari 2007 tot 31 december 2016 schreef hij zelfs dagelijks een gedicht – publiceerde hij over een periode van twintig jaar slechts drie dichtbundels. Tien jaar dagelijks een gedicht schrijven, leverde een reeks van 3714 gedichten op die beschouwd kunnen worden als een soort officieuze stadsgedichten van Amsterdam. De dagelijkse gedichten, waarmee hij de geest van de beginnende poëzie probeerde te vangen, schreef Cornelissen onder het heteroniem ‘Mottenfokker’ (nachtvlinderkweker) waaruit dit voorjaar een compilatie verscheen onder de titel Elke dag/Proefsleuven (Arbeiderspers).

    Wilbert Cornelissen was ook danser en had een grote voorliefde voor dansfeestjes in de open lucht. Sinds 2009 organiseerde hij ‘straatdansfeestjes’ om de dans in het dagelijkse leven te laten opgaan. In de afgelopen zomer schreef hij enkele blogs voor Tirade.nu over zijn ziekte onder de titel ‘Klein landschap’ waaruit hieronder een fragment:

    ‘Van al die feestjes is er één overgebleven, en wel het straatdansfeestje dat ik samen met een goede vriend organiseer. Ik wilde dans op straat brengen. Waarom? Ik maakte deel uit van de Amsterdamse danscultuur. Dat had zich zo in de jaren opgebouwd. Ik voelde me bevoorrecht deel van deze wereld te zijn. Waarom dansfeestjes alleen tussen vier muren en in de avonduren houden? Ik begon me steeds meer een zonderling te voelen. Ik hou sowieso van het daglicht. Het hele horeca-idee van een danceparty begon me tegen te staan. Altijd die donkere en vaak bedompte ruimtes. En het kan zo gemakkelijk zijn. Naar buiten, koptelefoontjes op en dansen maar. We begonnen in 2009 ergens in het Amsterdamse Bos. Daarna veranderde het concept naar een maandelijks feestje ergens in de stad. We wilden de dans onder de mensen brengen.’

    Wilbert Cornelissen heeft in de loop der jaren klein proza gepubliceerd in verschillende tijdschriften waaronder Tirade, Revisor, Yang, Dietsche Warande & Belfort (DWB) en Bunker Hill.

    Op Tirade.nu beschrijft Anja Sicking hoe Wilbert Cornellisen door zijn geliefde met een bakfiets naar het Crematorion op Zorgvlied werd vervoerd.

     

    Foto: Merlijn Doomernik

     

  • De kleur van whisky in een herfstblad

    De kleur van whisky in een herfstblad

    In het jaar dat hij zestig wordt publiceert Wilbert Cornelissen zijn vierde dichtbundel. Zijn eerste bundel verscheen in het jaar dat hij veertig werd. Cornelissen is dus een late debutant en een spaarzaam auteur. Maar er is meer. De bundel Elke dag een / proefsleuven begint met de aankondiging: ‘Gedurende tien jaar schreef de Mottenfokker (nachtvlinderkweker) dagelijks een gedicht. Hij begon daarmee op 1 januari 2007 en schreef het laatste op 31 december 2016. In het navolgende zijn proefsleuven getrokken uit deze verzameling van 3714 stadsgedichten.’

    Meer dan drie en een half duizend gedichten in tien jaar. Daaruit kunnen we concluderen dat Cornelissen geen spaarzaam auteur is, integendeel. Bovendien, zo is te zien op Cornelissens eigen pagina op de website van de schrijversvakschool waaraan hij verbonden is, heeft zijn dichterschap zich in diverse richtingen ontwikkeld en schrijft hij onder verschillende ‘heteroniemen’. Het roept ook prikkelende vragen op, want behalve W. Cornelissen (‘de kleine werker’) is er ook nog Heer Lief (de schrijfgeile man) die popelt om uit de kast te komen. Hoe we dat popelen moeten begrijpen is de vraag want googlen op ‘de schrijfgeile man’ brengt je op allerlei onverwachte plekken op het internet – maar niet bij iets wat te herkennen is als werk van de heteronieme dichter Wilbert Cornelissen.

    Terug naar de bundel. De gedichten die de Mottenfokker (motherfucker …?) elke dag schreef zijn gepubliceerd op ‘mottenfokker.hyves.nl’. Tjee … hyves! Was dat niet het platform waarop kinderen elkaar opzochten en zo ons land deden kennismaken met het fenomeen ‘sociale media’ vóórdat we dat het sociale media noemden? De betreffende mottenfokker-hyves-pagina bestaat niet meer. Hyves (tien miljoen gebruikers in 2010) werd in 2013 een spelletjesplatform. Oh vluchtig internet! Dan nu echt naar de bundel.

    Elke dag een / proefsleuven is verdeeld in zeven ‘sleuven’. Elke sleuf bevat gemiddeld 9 gedichten, die alle zijn aangeduid als ‘stadsgedicht’. Uit de gedichten die de Mottenfokker gedurende  tien jaar schreef, koos hij er ruim zestig voor deze bundel. Wat vragen oproept is, dat de gedichten in de bundel tijdens een beperkte periode van die tien jaar zijn ontstaan. In de maanden juni, juli en oktober van het jaar 2015 en de maanden februari, maart, augustus, september en december van het jaar 2016. Was dit omdat de andere maanden van de andere jaren minder vruchtbaar waren?

    Op 21 september 2016 schreef de Mottenfokker stadsgedicht 3613: Hogere werkelijkheid

    ging het kontje van de serveerster ten onder
    in het geheel van onhandigheid, de gebogen houding,

    opgetrokken schouders, schampere glimlach?
    het leren schort dat ze draagt, helpt ook mee;

    het bekken licht naar achter gekanteld, waarom?
    de associatie komt nooit hoger dan het borstbeen,

    maar ja, het hoofd is overal, de octopus reikt tot
    in de tenen; ik ben een man, de innerlijke smartlap

    van de lust, twee teruggebracht tot het verschil
    dat alleen als afstand overbrugd kan worden;

    de fantasie blijft onverwoestbare werkelijkheid,
    verzegeld door de onvervulling;

    voel je het al? Ik kijk haar net zo lang aan tot ik
    wat van haar lijk te willen

    Oh, innerlijke smartlap! Bij de fantasie die door ‘onvervulling’ is verzegeld, roept dit gedicht een ander heteroniem van Wilbert Cornelissen op en wel ‘de schrijfgeile man’. Men is geneigd te zeggen, vooruit, kom uit de kast!

    Stadsgedicht 3270, geschreven op 14 oktober 2015: Leopold-blues

    Jan Hendrik Leopold is Bob Dylan niet
    maar wel zang, zonder de muziek dan,

    zonder het zingen zelfs maar met
    de kleuren van whisky in een herfstblad;

    ‘van alle menschen deedt gij
    mij de zwaarste pijn,

    van alle menschen zult gij
    mij de liefste zijn’

    ik las en het was nooit-meer-vergeten
    op het eerste gezicht,

    dit is poëzie, zo kan er ook gesproken,
    geschreven worden,

    en het was Jan Hendrik Leopold
    die dit voor mij deedt

    Dit is poëzie, het woord waardig. Omineus dat deze conclusie van Cornelissen uitgerekend betrekking heeft op regels die van een ándere dichter zijn. Ondanks de aanhalingstekens – of juist daarom – deugt van het citaat op zichzelf niet veel, maar dit terzijde. Zal het poëtisch zijn – of het is gewoon de impressie geweest van het moment, op die 14de oktober 2015?
    Die hele gimmick van stadsgedichten, elke dag één, tien jaar lang met nummer en datum erbij … het zal allemaal wel. Het lijkt aan de gedichten een betekenisvolle context te moeten verlenen, en toch, onwillekeurig, is juist willekeur de primaire indruk die deze gedichten achterlaten.

    Laten we positief afsluiten: soms is de poëzie er wel, maar dan juist los van gelegenheid, tijd en plaats.  Bijvoorbeeld in ‘Stokken van dienst’ (stadsgedicht 3271, van 15 oktober 2015):

    de stok in huis, de stok achter het huis,
    de stok op zolder, achter de deur

    de stok van dienst, de zitstok, de wandelstok,
    de steek- en scheldstok, slastok,

    de boomstok, de ga- en stastok,
    de stok in de hand, de stok tussen de benen,

    om mee te balanceren, de stok op het puntje
    van je neus, de stok op de snijplank,

    in de broodmand, de tik- en de takstok,
    de tiktakstok voor gevorderden, de afhamerstok,

    de dirigeer- en streelstok, het ijscostokje
    – vergeet de eetstokjes niet