• Europese cruise onder ongelukkig gesternte

    Europese cruise onder ongelukkig gesternte

    Een tocht rond de Middellandse Zee in een cruiseschip. Voor velen staat dat gelijk aan een gedwongen verblijf in een vervuilende gevangenis, maar voor gemakzuchtige consumenten schijnt het de hemel op zee te zijn. In Die Erweiterung,  door Wil Boesten vertaald als De uitbreiding – de tweede Europa-roman van de Weense auteur Robert Menasse – vaart een Europees topgezelschap mee in het luxe deel van zo’n cruiseschip. Alle regeringsleiders van de Balkanstaten, de EU-ministers van buitenlandse zaken en andere vertegenwoordigers, plus hun ambtenaren. Dit op uitnodiging van de regering van Albanië, die de onderhandelingen wil beginnen over toetreding tot de EU en het gezelschap gunstig wil stemmen voor een aan de uitbreiding gewijde conferentie drie weken later in Poznań. Menasse baseert zich in De uitbreiding op een historische gebeurtenis, en wel het veto van Macron (en Rutte) in 2019 op de toetreding van Albanië. De spanning zal niet bedorven worden door te vertellen hoe de cruise afloopt.

    Zo er een Dichter des Vaderlands is, zou Menasse Schrijver van Europa kunnen zijn. Al decennia geldt hij als een warm pleitbezorger van een verenigd Europa. Verschillende essays en twee dikke romans heeft hij daaraan gewijd. En zojuist verscheen het essay, Die Welt von morgenMenasses Europa-project begon meer dan dertig jaar geleden, in 1992. Toen publiceerde hij de lange beschouwing over de Oostenrijkse identiteit, Das Land ohne Eigenschaften. Over het verleden van zijn land, de onprettige erfenis van het austrofascisme en de enthousiaste ‘Anschluss’ bij het Derde Rijk, plus de incompetenties van hedendaagse Oostenrijkse politici. Dat het land beter kon opgaan in een post-nationaal Europa was daarin vrijwel de automatische conclusie. 

    De titel verwees uiteraard naar Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften (1930-1933), vertaald door Ingeborg Lesener als De man zonder eigenschappen, (1988-1991). Aan deze voor Oostenrijkers iconische roman ontleende Menasse ook het thema voor Die Hauptstad (2017, door Paul Beers vertaald als De hoofdstad (2018). Bij Musil moet aan de vooravond van de Grote Oorlog het jubileum van de Oostenrijkse en Duitse keizers worden gevierd. Menasses ‘Big Jubilee Project’ moet dat van de Europese Commissie voorbereiden.

    Tweede Wereldoorlog nooit ver weg

    De hoofdstad werd bevolkt door verschillende EU-ambtenaren. Via het jubileum-project jagen zij hun ambities, dan wel hun ondergeschikten die de plannen moeten ontwikkelen en de boven hen gestelden die kunnen dwarsliggen, na. Het belangrijkste personage is de sympathieke Nederlandstalige Brusselaar die Auschwitz overleefde. Deze oude Joodse man, die telkens opduikt tussen de ambtelijke machinaties, overlijdt bij een islamistische aanslag. Hij was de beoogde overlevende die het EU-jubileum in Auschwitz moest symboliseren. Volgens een Oostenrijkse professor zou het voormalige kamp zelfs de hoofdstad van de EU moeten worden. Opmerkelijk is dat de Tweede Wereldoorlog nooit ver weg is bij Menasse. Ook in De uitbreiding komen veel verschillende personages voor – net als Balzac, waar Menasse in vaak naar verwijst – maar hij weet zijn verhaal wederom overzichtelijk te houden. Ten eerste omdat hij veel ruimte aan hun voorgeschiedenis besteedt, ten tweede omdat hij zijn scheppingen met elkaar verbindt via collegiale-, familiale- of liefdesrelaties.

    Ging De hoofdstad over Brussel, in De uitbreiding zoekt Menasse de periferie op. Polen en Albanië. De Poolse EU-ambtenaar Adam Prawdower was in de katholieke strijd tegen de communistische dictatuur de bloedbroeder van de huidige premier van zijn land, de conservatieve PiS-nationalist Mateusz. Adam is geschokt dat een andere bloedbroeder zich uit protest tegen het PiS-beleid in brand heeft gestoken. Wanneer hij Mateusz opzoekt in Warschau reageert deze cynisch en – Adam is Joods – antisemitisch. De premier heeft hun eed verraden en de consequentie daarvan is dat zijn bloedbroeder hem zou moeten doden.  Overigens is het katholieke Polen tegen de toetreding van Albanië omdat het een islamitisch land is.

    Verbeelding aan de macht

    Een belangrijk personage is de premier van Albanië, voormalig kunstschilder en sportheld die een dichter heeft benoemd tot cultuurhoofd. De verbeelding aan de macht bij Menasse. De dichter bedenkt na het veto van Macron en c.s. een zeer creatieve vlucht naar voren. Wanneer Albanië geen toegang krijgt tot de EU, streeft het naar een Groot-Albanië zoals dat zeshonderd jaar geleden bestond onder de vorst Skanderbeg. Het gegeven dat Skanderbeg tegen de Ottomanen vocht, kan in hun voordeel zijn. Ismail Fati, hoofd voorlichting heeft moeite met het feit dat de premier de helm van Skanderbeg daarbij op zijn eigen hoofd moet zetten. Hij heeft ook individuele problemen. Zijn ouders behoorden tot de ‘inner circle’ van dictator Enver Hoxha, waardoor hij een soort prinsje was en daardoor onder het nieuwe bewind enigszins verdacht. Daarenboven lijkt zijn verliefdheid voor een journaliste niet enthousiast te worden beantwoord.

    Net als bij De hoofdstad heeft De uitbreiding een thriller-laag. De helm van Skanderbeg met geitenkop bevindt zich in de Weense Hofburg en wordt gestolen. Omdat het hoofd van de premier groter is dan dat van zijn ‘voorganger’, laat hij in Tirana een passende kopie maken. Ook die wordt gestolen, wat leidt tot allerlei komische verwikkelingen. Al heeft de Albanese maffia weinig om te lachen. Een EU-collega van Adam Prawdower is de Oostenrijker Karl Auer, belast met de portefeuille Albanië. De Wener commissaris Franz Starek die de gestolen helm moet opsporen, blijkt zijn neef. 

    Dan zijn er de moeizame liefdesrelaties van Ismail Fati en de journaliste Ylbere Lenz, en die van Karl Auer en de Albanese ambtenaar Baja Muniq Kongoli. De laatste relatie kent het gebruikelijke, aanvankelijke ongemak van mensen uit verschillende culturen. Een gering Bouquet-reeks gehalte dus.

    Sluier als hommage Moeder Theresa

    De beschrijvingen van het dagelijks leven in Albanië zijn bijzonder boeiend. De inwoners blijken bijvoorbeeld geen bewonderaars te zijn van de VS, maar juist van de Bondsrepubliek. De voornaam Baja Muniq betekent bijvoorbeeld Bayern München. Grappig is de scene waarin Baja haar Oostenrijkse minnaar Karl Auer, Iraanse moslims laat zien die na het vrijdaggebed op een terras aan de overkant van de moskee een biertje drinken. De enige vrouwen met een hoofddoek die Karl tegenkomt zijn christelijk, als hommage aan de ultraconservatieve Moeder Theresa die oorspronkelijk uit Albanië kwam.

    Indrukwekkend is de Albanese ‘kanun’. ‘O ja, bloedwraak’, zegt Karl, maar het blijkt een erecode die ook gasten onder alle omstandigheden beschermt. Hierdoor lieten islamitische Albanezen tijdens de Duitse bezetting (gevluchte) Joden massaal onderduiken, (jammer dat Mona Keizer geen boeken leest). Zoals de Joodse grootvader van Yberle die als jongeman bij een boer was ondergedoken. De bezetters klopten aan de deur, maar zijn gastheer had de ‘Besa’ (belofte van eer, een Albanees cultureel gebod) gezworen en gaf de bezetter zijn zoon die later in een kamp overlijdt. Yberle viert nog elk jaar met haar familie de sterfdag van de boerenzoon. Zij wil meer weten over de toedracht en gaat vergezeld van Ismail naar het dorpje aan de grens waar ooit de gastvrije boer met zijn familie woonde. Onderweg horen ze gruwelijke verhalen over Servische ‘ordetroepen’ die daar aan het eind van de vorige eeuw op zoek naar gevluchte Kosovaren, het vee doodden en vrouwen verkracht hebben. In het dorp waren veel vluchtelingen uit Kosovo die samen met de dorpelingen door Servische mijnen invalide werden.

    Hoe alles mislukt

    Menasse laat impliciet de eed van de bloedbroeders uit het katholieke Poolse verzet echoën met de ‘Besa’ die de overgrootvader heeft gezworen over zijn gastvrijheid. Bij overtreding daarvan zou hij bloedwraak over zijn familie kunnen afroepen. Het einde van De uitbreiding is even somber als dat van De hoofdstad. Ylbere heeft niets naders over haar voorouders gevonden. Adam Prawdower wilde zijn bloedbroeder op het schip in de internationale schijnwerpers aanklagen. Lukt niet. Commissaris Franz Starek wist zeker dat hij daar het geheim van de gestolen helm zou ontraadselen. Neen. De Albanese premier en zijn helm? Mislukt. Over de belangrijkste oorzaak van die mislukkingen kan weinig gezegd worden, dat zou een spoiler betekenen. Tip: bewaar het kaartje met de vaarroute voor het allerlaatst.

    Op 6 juni kiezen de EU-landen een nieuw parlement en velen houden hun hart vast voor de uitslag. Meer radicaal rechts en nationalisme, precies waarvoor Menasse al jaren waarschuwt. Daarom lijken zijn boeken onder een zeer ongunstig gesternte te verschijnen. Zeker als het om de uitbreiding van de EU gaat. Dat Albanese cruiseschip, weliswaar ‘state of the art’ als het om duurzaamheid gaat, illustreert ook het onvermogen van landen die tot de EU willen toetreden en om zich in te leven in de publieke opinie. Cruiseschepen gelden voor steeds meer Europeanen als uiterst vervuilend en eerder als last voor de plaatsen die ze bezoeken – Amsterdam, Venetië, Barcelona, Mallorca – dan een lust. Albanië zelf pakt de toeristenindustrie ouderwets aan. De kust volstampen met betonnen kolossen en goedkope eettentjes, met als belangrijkste attracties de duizenden kleine bunkers die de paranoïde dictator Enver Hoxha ooit liet bouwen. 

    De wereld van morgen

    Albanië neemt sinds kort vluchtelingen op uit het Italië dat de onafhankelijke omroepjournalistiek wurgt. De politieke verhoudingen van het land lijken niet erg stabiel en de persvrijheid laat te wensen over. Albanië zou bovendien een ‘Erdoğannetje’ kunnen doen: wetten en maatregelen invoeren, zogenaamd om aan de EU-eisen te voldoen, maar die de facto de oppositie uitschakelen. In Georgië kiest de regering uiteindelijk voor een pro-Russische koers. Het door Poetin geteisterde Oekraïne wordt er niet democratischer onder. Illiberale regeringen zijn de baas in Hongarije en Slowakije. Polen leek bevrijdt te zijn van PiS, maar die partij werd opnieuw de grootste bij recente gemeenteraadsverkiezingen. Eenzelfde ontwikkeling is te zien in Slovenië. 

    In de Baltische landen en Kroatië dreigt al jaren radicaal-rechts met rechts te gaan regeren. In Zweden, waar de rechtspopulisten zelfs de grootste regeringspartij vormen, is dat al de praktijk, net als recent in Finland. En nu is Nederland aan de beurt. Als het grootste gevaar beschouwt Menasse in zijn recente essay Die Welt von morgen dan ook niet de groei van radicaal-rechts, maar de keuzes van rechts om uit opportunistische, machtspolitieke motieven met radicaal-rechts samen te werken. Zoals tegenwoordig Ursula von der Leyen met Marine Le Pen. Maar nog steeds wil Menasse dat de mensen in het Europa van de regio’s een ‘demos’ gaan vormen. Een gemeenschappelijke democratie en rechtsstaat, op basis van mensenrechten, gelijke randvoorwaarden en kansen voor allen die in Europa wonen en hun geluk proberen te vinden. We blijven met hem mee hopen.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Een uitdaging

    Een uitdaging

    De Duitse filosoof en historicus Rüdiger Safranski voegde aan zijn indrukwekkende biografieën over een aantal grote denkers en schrijvers, zoals Nietzsche en Goethe, een boek toe over eenling zijn. Een individu zijn, dat zelfstandig denkt, zijn/haar eigenheid ontwikkelt op een zelfbewuste manier.

    In grote lijnen schetst Safranski eenlingen vanaf de Italiaanse renaissance tot nu. Een in wezen traditionele opvatting, waarin wordt uitgegaan van het ontwaken van individualiteit in de renaissance. Hoewel aan die opvatting al geruime tijd wordt gemorreld. Bijvoorbeeld door kunsthistoricus Merlijn Hurx, die aantoonde dat al in de late middeleeuwen bouwmeesters van de gotische kathedralen méér waren dan dat; ze waren individuen met een eigen naam, zelfbewust als ze waren. We kennen zelfs namen, zoals die van de familie Keldermans.

    Tegenstellingen tussen geloof en ratio

    Safranski staat om te beginnen stil bij onder anderen de humanist Pico della Mirandola, die hij met één pennenstreek neerzet als een ‘Don Juan met het aura van een kuise monnik’. Met Pico beschrijft Safranski één kant van het eenling zijn: het zich verheffende individu. Met Machiavelli gaat hij in op de keerzijde hiervan: eenzaamheid.

    Dit is de opzet van Safranksi’s boek: het als dichotomieën, tegenstellingen, tegenover elkaar plaatsen van telkens twee denkers. Zo vergelijkt hij Luther met de filosoof Montaigne. Martin Luther wordt met meer nuances dan Pico della Mirandola ten tonele gevoerd. De auteur beschrijft hoe de reformator zichzelf als eenling ontdekt. In het klooster waarin hij intrad, zocht hij volgens Safranski een ‘exercitieplaats voor zelfdiscipline. Hij wilde zichzelf, en ook zijn vader, bewijzen dat hij niet het gemak, maar de zelfoverwinning zocht’. En God natuurlijk. Eén ‘die zich niet verborg achter instituties (…), maar een God die je persoonlijk kon ervaren’. In de visie van Safranski wil dat zeggen: ‘een God die een eenling van je maakt, omdat je hem als eenling moet ondergaan’.

    Montaigne daarentegen riep een eeuw later niet het geloof, maar de ratio te hulp. Safranski somt allerlei denkbeelden van Montaigne op, die men in zijn eigen tijd eigenaardig vond. Hij gebruikt daarbij het begrip ‘identiteit’, wat op zich óók eigenaardig mag worden genoemd, omdat dit woord pas in 1950 door de psycholoog Erik Erikson voor het eerst werd gebruikt.
    Montaigne schreef weliswaar Over de eenzaamheid, maar of hij ook werkelijk eenzaam was, valt te betwijfelen; hij had aan zichzelf en zijn rijke innerlijke wereld genoeg, net zoals Rousseau, die schreef dat hij in zijn ‘eenzaamheid duizendmaal gelukkiger [was] dan [hij] tussen de mensen zou kunnen zijn.’

    Het lege midden

    Toch is er een verschil tussen beide denkers. Rousseau zocht namelijk de vervulling niet in zichzelf, ‘maar in het wij van de staatsgemeenschap’, aldus Safranski. Daarin stond hij lijnrecht tegenover Diderot, de volgende denker waarop Safranski ingaat. ‘Het ware zelf’, schrijft hij, is voor Diderot ‘een leeg midden waar niets te vinden is dat houvast biedt’.
    Het lege midden moet dan – zo begrijpen wij uit de tekst – worden opgevat als iets diep van binnen. Iets dat doet denken aan de betekenis die de twintigste-eeuwse theoloog Karl Barth eraan gaf: een plek (Hohlraum) die niet is opgevuld met bijvoorbeeld een beeld van God, zoals bij Luther.

    Stendhal en Jaspers

    Dat je er met die tegenstelling tussen telkens twee denkers niet helemaal komt, blijkt uit het hoofdstuk over Stendhal. Stendhal is een schrijver die zichzelf niet als een eenheid beschouwde, die vanuit één centraal punt dacht, maar als ‘een man van de geest of een domkop, moedig of een lafaard’. Dan weer het één en dan weer het ander, een romanticus met een analyserende inslag eigen.
    Safranksi heeft het in dit verband over ‘authenticiteit’, wat nog weer een facet is dat hij aan het begrip eenling toevoegt. Om te vervolgen met Stendhals verlangens: vrouwen, schrijversroem en geld. Overal wilde de schrijver het beste zijn. In die zin was hij volgens Safranski een egotist, iemand die zichzelf weet te ensceneren.

    Een laatste voorbeeld. Nog een andere vorm van eenling zijn vindt Safranski bij psychiater en filosoof Karl Jaspers. Door een ernstige longaandoening was hij hiertoe volgens Safranski van jongs af aan veroordeeld. Of je hier Jaspers’ hele filosofie uit kunt verklaren, is nog maar de vraag. Een feit blijft namelijk dat Jaspers ook is opgevoed met het idee altijd onafhankelijk te denken, zoals Jozef Waanders in zijn boek over Jaspers (Sporen van transcendentie, 2018) schrijft.

    Hiermee heeft Safranksi het eenling zijn beperkt tot wat hij omschrijft als het ‘van een feit (…) een taakstelling [maken] voor je leven en denken’. Dat is iets dat te denken geeft. En hoewel er een facet kan zijn dat daarbij overheersend is, heeft een identiteit altijd meerdere kanten.

    Door deze kanttekeningen en vooral door de compacte schrijfstijl is dit boek als introductie op de thematiek van eenling zijn wellicht wat onbevredigend. Voor lezers die meer vertrouwd zijn met het thema, nodigt het boek evenwel uit tot het zelf leggen van dwarsverbanden. Terug naar de door Safranski niet behandelde middeleeuwen, dwars door de tijd en tot nu. Een uitdaging. Inderdaad, maar dan op een andere manier.

     

     

     

  • De waanzinnige wereld van Albert Vigoleis Thelen

    De waanzinnige wereld van Albert Vigoleis Thelen

    Heeft een roman echt een plot nodig? Geen onlogische vraag na de lezing van De zwarte heer Bazetub van Albert Vigoleis Thelen (1903-1989). Als een boek is uitgelezen, is het een normaal reflex om je ogen even te laten rusten op de barst in het plafond, de indrukken nog even te laten nawerken en je af te vragen waar het nu eigenlijk over ging. In het geval van de kloeke roman De zwarte heer Bazetub, die je met zijn ruim 650 bladzijden wel even zoet houdt, is zo’n vraag echter niet gemakkelijk te beantwoorden, want zoals vertaler Wil Boesten in zijn voorwoord schrijft, ‘gebeurt’ er in de conventionele zin van het woord niets in dit boek. Nou ja, niets is veel gezegd. Er is wel een minimale verhaallijn of raamvertelling: het alter ego van de schrijver van deze roman, ene Vigoleis, een Duitse auteur en tolk die in Amsterdam woont, krijgt de opdracht om de zwarte heer Bazetub, een Braziliaanse professor die in het naoorlogse Den Haag een toespraak moet houden, te begeleiden als tolk en privésecretaris tijdens zijn verblijf in Nederland.

    Maar zoals gezegd doet die minimale plot er niet echt toe. Zo zijn er trouwens nog wel meer voorbeelden uit de wereldliteratuur: Ulysses, het magnum opus van James Joyce, gaat strikt genomen ook maar over een man die een wandeling maakt door Dublin. Thelen doet geen enkele poging om een netjes afgelijnd verhaal te vertellen waarin hij de lezer van beginpunt a naar eindpunt b leidt. In plaats daarvan verkent hij het hele boek lang liever kronkelende zijwegen en duistere steegjes dan de snelweg die in plotgedreven proza trouw wordt gevolgd. Het schiet niet echt op, maar je ziet nog eens wat.

    Thelen creëert een zuiver absurde wereld, een volledig van de pot gerukt universum waarin de lezer een spervuur van grappen en grollen ondergaat, je ware literaire Monty Python als het ware. Door de humor blijft deze op zich eigenlijk veeleisende roman met een zeer rijke, maar niet altijd eenvoudige taal best verteerbaar. Bespiegelingen over internationaal recht (‘Steelt daarentegen een Fransman in een Chinees restaurant van een Duitser een paraplu die hij versjachert aan een Turk, en die zoon van een hond slaat die paraplu tijdens een ruzie aan boord van een Argentijns vrachtschip stuk op de kop van een Griek, en dié zaak moet voorkomen, dan valt dat onder de bevoegdheid van mijn Braziliaanse professor’) gaan bijvoorbeeld naadloos over in historische trivia of rake observaties over de volksaard der Nederlanders, die meermaals in de mangel worden genomen:

    Nederlanders hebben namelijk bijna geen, of laat ik het maar rechtuit zeggen, helemaal geen tafelmanieren, iets waarop ze nog trots zijn ook; even trots als op hun welgemanierde koningin en hun nieuwe haring, die overigens, net als het eerste kievitsei, altijd naar deze koningin gaat.’

    Het is lastig om dit boek uit 1956 in een bepaalde literaire stroming onder te brengen, maar misschien zou je het als ‘absurd realisme’ kunnen beschouwen. De zwarte heer Bazetub is namelijk een roman met een schijnbaar realistische setting waar niet zomaar enkele bovennatuurlijke elementen in doordringen (zoals bij het magisch realisme), maar die een lofzang is op ‘de helderheid van het absurde, door de waarheid van de fantasie en door de hogere werkelijkheid van het niet-bestaande’, zoals in het voorwoord staat.

    Thelen heeft iets van een onvermoeibaar causerende kroegtijger die een hele nacht lang alle toehoorders in het café kan amuseren met uit de losse pols opgediepte anekdotes, sterke verhalen en elegant verwoorde onzin, al slaagt hij er net zo goed in om tussendoor soms quasi achteloos een diepzinnige passage uit zijn mouw te schudden waar je toch even over moet nadenken voordat je verder kunt:

    Alle grote bewegingen die de mensheid heeft voorgebracht zijn terug te voeren op een blik in het niets, alle grote oorlogen op het aanschouwen van de overvloed.’

    De zwarte heer Bazetub is dan ook geen kaal, uitgebeend domineesproza van het soort dat stilaan de norm lijkt te worden, maar het literaire equivalent van een decadent, ouderwets zevengangenmenu dat afsluit met cognac, koffie en een dikke sigaar.

    Overigens bereikte ons nog maar enkele dagen geleden het heuglijke nieuws dat Wil Boesten met deze vertaling is genomineerd voor de Filter Vertaalprijs 2019, met nog vijf andere uitstekende kandidaten. De winnaar wordt op 23 april bekendgemaakt, maar Boesten, die het de Nederlandse lezer naar eigen zeggen niet makkelijker wilde maken dan de Duitse het had en blijkens het volgende fragment de lexicale en syntactische complexiteit van het origineel heeft gerespecteerd, zou ongetwijfeld een verdiende winnaar zijn:  

    ‘Op een schaal als door een keukenkunstenaarshand naar een beroemd voorbeeld opgemaakt als een stilleven, deed het gerecht Nederland, waaraan we de naam van deze vorm van schilderkunst in de eerste plaats te danken hebben, alle eer aan, en niet minder het Hotel der Nederlanden, waar de persillier– in goed Duits de opperselderijkruidenier – na de sausmeester de best betaalde man in de onderneming was. In woorden uit vele talen – dagelijks kwamen er meer bij, de grote Europese idiomen kende hij allemaal – prees meneer Bazetub het degelijke tuberosum-tafereel dat de bediende hem eerst van alle kanten liet zien, als een soort mannequin (ook zo’n woord dat onze beschaving aan de Nederlandse taal heeft te danken) voor de onooglijke kluitvrucht.’

     

  • Oogst week 48 – 2018

    De zwarte heer Bazetub

    Albert Vigoleis Thelen (1903-1989) is een Duitse schrijver die tijdens de oorlogsjaren zijn land ontvluchtte en vriendschappelijke banden onderhield met Nederlandse schrijvers als Albert Helman en Hendrik Marsman. Van 1947 tot 1954 woonde hij met zijn vrouw in Amsterdam. Zijn debuut Het eiland van het tweede gezicht werd in vertaling van Wil Boesten, in 2004 een zogenaamde culthit. In De zwarte heer Bazetub (Der schwarze Herr Bahßetup, uit 1956) en onlangs ook vertaald door Wil Boesten, is een omvangrijke autobiografische roman. Thelen was namelijk ook vertaler vanuit het Portugees en in de jaren na de oorlog krijgt hij de opdracht als tolk en gids op te treden voor de Braziliaanse professor Da Silva Ponto. Deze professor moet een toespraak houden bij het Vredespaleis in Den Haag.

    Thelen loodst deze ‘heer en meester Bazetub’ door het naoorlogse Amsterdam en Den Haag.
    Ondertussen raakt de vredesconferentie van de professor steeds verder uit het zicht en worden er honderden zijpaden bewandeld, waarmee Thelen zijn opdrachtgever gerust wil stellen. Waar ze komen laten ze een spoor van verwarring na. Professor ‘Bazetub’ heeft zijn missie al lang uit het oog verloren. Thelen loodst hem door het verregende Amsterdam, zorgt dat hij anarchistische fietsers overleeft en regelt voor de professor een extra trein naar Den Haag voor een zitting in het Vredespaleis. Kortom, Thelen doet vreselijk zijn best om zijn rol als privésecretaris tot het slot dapper te volbrengen.
    De heer Bazetub – de rechtsgeleerde en minister Manuel Francisco Pinto Pereira (1889-1956) – heeft inderdaad met tolk Albert Vigoleis Thelen door de randstad gedwaald.

    De zwarte heer Bazetub
    Auteur: Albert Vigoleis Thelen
    Uitgeverij: Cossee

    Simeliberg

    Onlangs was de Zwitserse schrijver Michael Fehr (1982) in Nederland en maakte nogal indruk op het Crossingborderfestival met zijn enthousiaste vertelkunst. Naast schrijver is Fehr ook performer en woont sinds kort in Londen. Hij publiceerde drie boeken. Voor hij de roman Simeliberg af had, won hij in 2014 met een fragment uit Simeliberg al twee literaire prijzen: de Kelag-Preis en de Preis der Automatischen Literaturkritik in Klagenfurt.
    Simeliberg wordt omschreven als een poëtische krimi. Er komt een berg in voor waar lijkwagens af en aan rijden. Er is sprake van een geldschat in de la van een vereenzaamde oude boer. Diezelfde boer wordt verdacht van moord op zijn vrouw. Er is de gemeentesecretaris Anatol Griese, die als taak heeft de vereenzaamde boer in te rekenen. Hij wordt met zijn jagershoed en buitenmodel emigrantengeweer door de plaatselijke bevolking argwanend bekeken en door de betreffende instanties van het kastje naar de muur gestuurd.
    Een afspraakje bij een bevriende boerin vormt het begin van een fatale kettingreactie, waarbij Griese zich meer en meer verstrikt in zijn taak en de intrige zich (volgens de achterflap) ontrolt als een tragikomische zwart-witfilm.

    Simeliberg
    Auteur: Michael Fehr
    Uitgeverij: Koppernik BV

    Kluger Hans #35

    Literaire tijdschrift Kluger Hans kiest voor veelstemmigheid in de editie Denkmal. Met fysiek-beeldend werk: ‘Fleeting Parts’ van Milena Naef, bestaand uit marmeren beeldhouwwerken waaruit gaten zijn gehouwen die perfect rond lichaamsdelen passen (zie ook de cover). Veel bijdragen in deze editie waarin tekst en beeld een relatie met elkaar aangaan, zoals het werk van schrijfster Marjan de Ridder dat zich verbindt met het werk van kunstenares Femme ter Haar.
    Er is werk in opgenomen van jonge dichters en schrijvers die aan elkaar gekoppeld werden tijdens een residentie van een week. Mooi beeldend werk met eenvoudige, maar sterk sprekende teksten als: ‘hun kind schrijft op de muur van een toilet: ‘Bel mij als je eenzaam bent’ gaat naar huis en vergroeit daar verder met de muren(…)’. Een zeer veelzijdige editie die in de kern het thema draagt: ‘onschuldige woorden bestaan niet, onschadelijke beelden evenmin’.
    Verhalen van Annelies Leysen, Dennis Pauwels en Felix Sandon. Een editie waar je niet gauw op uitgekeken en in uitgelezen raakt.

    Kluger Hans #35
    Auteur: redactie

    Hoop over been

    De titel van de derde bundel van Joep Kuiper Hoop over been ligt dicht tegen ‘Vel over been’ aan. Dat laatste duidt op uitputting, schraalte het einde nabij en zo meer van alles wat te weinig is. ‘Hoop over been’ geeft het tegenovergestelde aan: er is hoop. Hoop, om kaalslag te omhullen, te vervullen met woorden, met poëzie.
    Hierbij een gedicht uit de bundel:

    jij was het

    ja! ik dacht dit ben jij, en jij was het
    die woord noch bon teruggaf, nooit reageerde
    op de bekentenissen van mijn wegmisbruik,
    de lijst met doden,

    jij was het
    die mij niet wilde arresteren;
    ik smeekte je, dan toch op zijn minst een
    proces-verbaal,

    een nachtje in een warme cel
    een chocolademelk eventueel, en als het echt
    niet anders kon,
    een executie hier en nu, in de sneeuw

     

    Hoop over been
    Auteur: Joep Kuiper
    Uitgeverij: Karaat
  • Haagse Kunstkring met Wil Boesten

    Haagse Kunstkring met Wil Boesten

    Vertaler Duits en schrijver Wil Boesten wordt zondag 20 december geïnterviewd over zijn nieuwe roman Grond, door Jorge Labadie Solano. Labadie Solano is geboeid door de relatie literatuur/muziek en heeft het boek gelezen vanuit die optiek. Acteur Rein Edzard zal uit het boek voorlezen. Waarbij de interviewer benieuwd is of het publiek de muzikaliteit van de tekst herkent. Henk Kranenburg zorgt voor passende achtergrondmuziek.

    Wil Boesten ontving als vertaler Duits veel lofprijzingen voor zijn vertaling van Albert Vigoleis Thelens magnum opus Het eiland van het tweede gezicht. In 2007 debuteerde Wil als prozaschrijver met de roman Spiltijd. Zijn roman Tot de regen komt werd in 2011 genomineerd voor de Halewijnprijs. Hij publiceerde essays en korte verhalen in De Gids en De Revisor.

    Het boek Grond is deze middag te koop en de schrijver zal signeren.
    Toegang is vrij, vrijwillige bijdrage is welkom.

    Haagse Kunstkring
    tel. (070) 364 75 85
    www.haagsekunstkring.nl