• Oogst week 47 – 2024

    Een rijke oogst – Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen

    De Nederlandse schrijver, dichter en journalist Ton van Reen zit 60 jaar in het vak. Hij debuteerde in 1965 als dichter met Vogels. Van halverwege de jaren zeventig tot 1984 had hij samen met zijn vrouw een uitgeverij voor voornamelijk Afrikaanse literatuur die toen nog alleen in het Engels of Frans beschikbaar was. Daarna werd Van Reen full time schrijver en journalist, voor welke job hij de wereld bereisde.

    Om het jubileum van zijn schrijverschap te vieren zorgden tien schrijvers en journalisten voor de uitgave van Een rijke oogst – Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen. Het bevat twaalf verhalen, interviews en studies over leven en werk van Van Reen. Deze wist wel dat er een boek aankwam maar dat tien schrijvers en journalisten eraan werkten was nieuw voor hem. ‘Het is heel verrassend dat ze zoiets voor je maken,’ zegt hij. In het liber amicorum wordt zijn leven behandeld, vanaf zijn jeugd in Panningen tot nu toe. Ook zijn negentig boeken, waarin hij vrijwel altijd maatschappijkritiek verwerkte, en de boeken waaraan hij nu werkt komen aan bod. Veel van zijn romans en verhalen spelen in Noord-Limburg. Van de vier jeugdboeken over de Bokkenrijders is de tv-serie De legende van de Bokkenrijders gemaakt. Van Reen werkte zijn leven lang voor Afrika en de Afrikanen en ziet dat als zijn levenswerk, meer nog dan zijn schrijven. Samen met zijn zoon richtte hij in 1999 de stichting Lalibela in Ethiopië op om kansarmen te helpen.

     

    Een rijke oogst – Schrijver, verteller en wereldburger Ton van Reen
    Auteur: Samenstellers: onder meer, Wim van Grinsven, Hans Hendriks, Wiel Kusters
    Uitgeverij: In de Knipscheer 2024

    Revolutiekoorts – Onrust en oproer in november 1918

    In Revolutiekoorts – Onrust en oproer in november 1918 brengt historicus Wouter Linmans de lezer naar stinkende Amsterdamse grachten en rokerige lokalen waar arbeiders vergaderden, ruzie maakten en revolutionaire plannen smeedden. Direct na de eerste wereldoorlog ontstond er in Nederlandse steden als Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Leiden revolutionaire onrust, net als in Hamburg en Berlijn waar arbeiders staakten en militairen muitten, in navolging van de revolutie van 1917 in Rusland. In Amsterdam werd op 13 november 1918 in de Sarphatistraat met geweerschoten een einde gemaakt aan de dreigende socialistische revolutie.

    Het gebeuren wordt ‘Troelstra’s vergissing’ genoemd. Sociaaldemocraat Pieter Jelles Troelstra (advocaat, journalist, dichter, politicus) had in de Tweede Kamer opgeroepen tot een revolutie. Tevergeefs weliswaar, maar de onrust leidde wel tot de confrontatie tussen de revolutionaire demonstranten en het leger, waarbij doden en gewonden vielen.
    Linmans vertelt in Revolutiekoorts wat er precies gebeurde, wie er bij het oproer betrokken waren en hij gaat na waarom deze geschiedenis in de vergetelheid is geraakt.

    Revolutiekoorts – Onrust en oproer in november 1918
    Auteur: Wouter Linmans
    Uitgeverij: Atheneum 2024

    Een nieuw woord voor liefde

    Verliefdheid, huwelijk, kinderen, donkerte, scheiding, woede, verwarring, verdriet en uiteindelijk veerkracht. Voor velen herkenbaar, net als het daaropvolgende gevoel van bevrijding en toch weer ruimte voor liefde, al zoekt illustrator Marieke van Ditshuizen daar een nieuw woord voor. ‘Dat is wat ik nodig heb, dacht ik, toen de vader van mijn kinderen en ik uit elkaar gingen’ schrijft zij. Want de realiteit van nieuwe liefdes blijkt weerbarstig.

    Van Ditshuizen laat in Een nieuw woord voor liefdeEen graphic memoir over vallen en opstaan na een scheiding alle gevoelens en ervaringen passeren, niet alleen in woorden maar vooral in tekeningen.

    Autodidact Van Ditshuizen experimenteerde al jong met tekenen en schrijven van haar eigen verhalen; schrijven en tekenen gingen altijd hand in hand. Op de kinderboekenbeurs in Bologna liet ze haar werk zien aan uitgeverij Leopold, waarna ze haar eerste prentenboek mocht illustreren. Sindsdien maakt ze voor veel uitgeverijen  vooral illustraties voor kinderboeken en tijdschriftillustraties. Van Ditshuizen geeft ook cursussen kinderboekillustraties. Het autobiografische beeldverhaal Een nieuw woord voor liefde is haar eerste boek voor volwassenen.

     

    Een nieuw woord voor liefde
    Auteur: Marieke van Ditshuizen
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar 2024
  • Verzamelbundel over dichters en poëzie

    Verzamelbundel over dichters en poëzie

    Wiel Kusters is een gedreven en actief publicist in het land der Nederlandse letteren, met kennelijk een extra warm plekje voor de provincie Limburg. Zijn literaire bezigheden sluiten ook aan bij zijn werkzame leven als hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de universiteit van Maastricht.

    Kusters debuteerde in 1976 rond zijn 30ste levensjaar en relatief laat, met een bundeltje gedichten van drie bladzijden. Vanaf dat moment verscheen er haast elk jaar  nieuw werk van hem , dikwijls in kleine oplage bij zogenaamde margedrukkers. Wel steeds op mooi papier, genummerd en gesigneerd. Vaak met illustraties en ter gelegenheid van  bepaalde gebeurtenissen, verjaardagen, jaarwisseling of jubileum. Het boek Leesjongen. Verzamelde gedichten 1978-2017, is een overzicht van zijn poëtische uitgaven .

    In deze verzamelbundel van 300 bladzijden heeft Kusters zijn gehele poëtische oeuvre opnieuw overzien en voor de gelegenheid thematisch geordend. Zelf noemt hij het ‘de kern van mijn dichterlijke werk tot nu toe’. Aldus is een soort dichterlijke autobiografie ontstaan: de rubrieken waarin gedichten zijn ondergebracht zijn getiteld: ‘Dicht bij huis’, ‘Amor en de schedel’, ‘Ik ging eens niet graag dood’, ‘Mijn handen in een droom’, ‘Lezen in de nacht’ en ‘Het halve woord’. Alle poëzie van een leven lang (Kusters is dit jaar zeventig geworden) heeft zodoende ook een nieuwe plaats. De bestaande gedichten zijn uit hun oorspronkelijke verband losgemaakt en hebben een nieuwe , overkoepelende context gekregen. Een goede gelegenheid dus om de poëtische Kusters  te leren kennen. Voor het bestuderen van de ontwikkeling van de dichter Kusters blijkt  deze presentatievorm echter minder bruikbaar.

    In het geval van een dichterlijke autobiografie ligt het min of meer voor de hand dat ‘verhalende’ gedichten overheersen: de gedichten die de lezer iets meedelen over Kusters’ eigen leven. Daarnaast bevat dit boek opvallend veel gedichten over dichters en poëzie.

    ‘Oor’
    Op straat legde ik vaak
    een oor aan de grond

    bewoog daar beneden
    een vader of een zoon?

    Et voilà: een simpel gedichtje met een kinderherinnering, die in luttele woorden (ook) het beeld oproept van Limburg als het land waar de mijnbouw beoefend werd.

    ‘In volle vaart’

    De boot glijdt langzaam over het gladde water.
    Ik ben het kind dat mij heeft ingehaald.
    Almaar sneller roeiend word ik als mijn vader,
    die tussen oeverstruiken is verdwaald.

    De vijver rust gelaten op zijn gronden.
    In niets beweegt hij uit zichzelf vandaan.
    Tot op de bodem ligt de tijd ontbonden,
    in zomerdaglicht hangt een bleke maan.

    Toen en nu zijn hier als steeds vervlochten.
    Zo leeft de dood in ieders ver verleden.
    Je roeit en ziet voortdurend waar je was
    en elke slag verander dadelijk in zopas;
    al had ons hart dat nog zo graag vermeden,
    verliezend telkens wat we net nog zochten.

    Andermaal een verhalend gedicht, vast van vorm, tijdloos naar inhoud. Lyrischer, speelser ook, is ‘Orgel aan zee’.

    Van alle kanten, niet van zee
    brengt de dag een orgel mee:

    drie orgelschelpen op een rij.
    De wind blaast vrij in allebei.

    Het tweetal meeuwen dat hier vliegt,
    krijst dat alle zonlicht liegt.

    De ene die overblijft ten slotte,
    omdat het weggaan niet zo vlotte,

    strijkt op het zwijgend orgel neer,
    kijkt mij aan en is niet meer.

    Aan zoiets, maar bijvoorbeeld ook aan het merkwaardige ‘Villa massimo 1984’, met regels als, De silben stroomden glad naar /  grimm / piano tonies xylofoon / azijn en olie suikeroom, kan de lezer merken dat Wiel Kusters een dichter is, die met zijn gevarieerde vormentaal  verschillende registers bespeelt. Een bonus bij deze uitgave is een CD waarop we Kusters kunnen horen voorlezen. Deze selectie van ruim dertig gedichten vormt dan weer, kan worden aangenomen,  de persoonlijke voorkeur van de dichter zelf uit het grotere geheel. De dichter brengt dat dus nog dichterbij: zíjn selectie, uit zijn eigen poëzie, door hemzelf voorgelezen. Beluister zijn rustige voordracht, hoor zijn uitspraak met de onmiskenbare zachte g. Kusters is niet het soort performer wiens voordracht iets toevoegt, zoals bv. Bart Chabot. Het gedicht ‘Kniettewies’ in het Kerkraads, veroorzaakt een uitgesproken regionaal accent. Aldus maakt de lezer kennis met een veelzijdige Nederlandse dichter, schrijver en academicus, die begint en  eindigt in de provincie.

     

     

  • Voorbeeldig lezen, of tastend op zoek naar zin

    Voorbeeldig lezen, of tastend op zoek naar zin

     

    Wiel Kusters nam afgelopen voorjaar afscheid als hoogleraar letterkunde aan de universiteit van Maastricht. Daarmee sloot hij een literatuurwetenschappelijke carrière af die als eerste mijlpaal een proefschrift kende over een cyclus gedichten van Gerrit Kouwenaar. Nu verscheen een bundeling van artikelen over een breed scala aan schrijvers en dichters. Waaronder Kouwenaar, natuurlijk.

    De schrijver als Killer
    Kusters promoveerde in 1986 op een proefschrift over Kouwenaars gedichtencyclus ‘Weg/verdwenen’. Titel: De killer. Het was een hoogtepunt en in zekere zin eindpunt van de ergocentrische literatuurbenadering: de literaire tekst stond centraal en alleen zorgvuldige close-reading kon de geheimen ervan aan het licht brengen. De buitenwacht sprak vol ontzag (of sarcasme) over het aantal pagina’s geleerdheid per dichtregel van Kouwenaar. Enig afkeurend gemompel klonk op uit de academische gelederen. Niet omdat Kusters verdacht leesbaar was, maar omdat hij teksten ‘van buiten’ inzette ter verheldering. Bij voorbeeld krantenartikelen over de afbraak van de galerie van het Amsterdamse Paleis voor de Volksvlijt. En die waren van de hand van – o huiver – de vader van de dichter. Biografisme! Doodzonde! En het laatste hoofdstuk was gewijd aan de poetica (de literatuuropvatting) van Kouwenaar. Werd daar niet de weg terug van tekst naar schrijver ingeslagen? Afijn. Kusters promoveerde en de rest is geschiedenis. Hij publiceerde onverdroten leesbare artikelen die ontspannen omgingen met poëzie en publiceerde zelfs een biografie over Pierre Kemp. Enige maanden geleden nam hij afscheid als hoogleraar en verscheen een bundeling van negentien essays over proza en poëzie. Die waren tussen 1993 en 2009 gepubliceerd in literaire tijdschriften, in thematische bundelingen (´Oostende in de literatuur´, ´De Zuiderzee verbeeld´), in huldebundels (voor Fens en Brems), monografieën (over Bloem en Hermans) en zelfs in het Tijdschrift voor Geneeskunde en Ethiek.

    Tekst op de pijnbank
    De titel Dit nog, ook dit, ontleent Kusters aan een gedicht van Willem Frederik Hermans. Hij verwijst ongetwijfeld naar het verzamel-karakter van de bundel, maar ook naar Kusters’ manier van lezen: hij neemt de lezer stap voor stap mee door de tekst en wijst aan waar het gebeurt; waar de betekenis tot stand komt, waar aandacht vereist is, waar misverstanden loeren en waar verbanden liggen met andere teksten. Kusters interpreteert teksten van canonieke en klassiek-‘moeilijke’ auteurs (Kouwenaar, Hermans en Beurskens), maar ook de veel toegankelijker Aafjes, Hoornik en Elschot, vaak met verrassend resultaat.

    De bundel opent met een beschouwing over het verhaal ‘Maagpijn’ van Louis Paul Boon, dat hij op de pijnbank legt om het thema ´pijn´ nader te duiden. Daarna volgt een drietal samenhangende artikelen over W.F. Hermans, waarin Kusters diens wereldbeeld vol ‘chaos’ en ‘entropie’ verheldert aan de hand van Hermans’ (populair-)wetenschappelijke boek Erosie en zijn essay ‘Achter borden verboden Toegang’. De mens is niet het culminatiepunt van de schepping of evolutie, maar een restproduct, voortgekomen uit en levend op erosie, afval, puin. Onder die puinschil gaat een granietharde en strak geordende wereld schuil. Hermans’ mensbeeld, maar ook zijn obsessie met ´de pijl van de tijd´, – zie de roman De Heilige van de Horlogerie – krijgen er een dimensie bij. Kusters traceert dit thema in het gedicht ‘Gij zonne, sta stil’ en het verhaal ‘Samen naar Oostende’. De Hermans-artikelen vormen het beste van het boek, omdat ze niet alleen specifieke teksten verhelderen, maar nieuw licht werpen op Hermans’ oeuvre, waar de lezer ‘mee voort kan’.

    Tekst en leven
    Andere stukken zijn meer thematisch: over het motief van de huid als papier en het schrijven als aanraken (in gedichten van Vroman, Elburg, Gorter, Kemp en anderen); over sporen van Nijhoff in de poëzie van na de Tweede Wereldoorlog, of gedichten over het doorbreken van het doodsbesef bij kinderen (van Leeflang, Vroman, Van Duinkerken en Hoornik). Het zijn meer verkennende wandelingen dan expedities met nieuwe ontdekkingen. Kusters’ aanpak werkt beter als het terrein duidelijker wordt afgegrensd, zoals in zijn artikel over ´kinderen, gedichten en abortus bij M. Nijhoff´. Daarin mengt hij biografische gegevens in zijn interpretatie van ´Het steenen kindje´ en ´Het kind en ik´ en hij besluit met de voor ergocentristen opmerkelijke conclusie dat ‘het kind’ bij Nijhoff ook verwijst naar ‘een ambivalente binding met het kind in Nijhoffs praktische (of onpraktische) bestaan’. Daarover zou hij graag meer willen lezen in een biografie. Iets dergelijks doet hij bij de interpretatie van twee gedichten van Jan Hanlo, waar hij het thema ‘ anders’ zijn aanwijst, op te vatten als ‘een combinatie van kind en volwassene tegelijk’. Kusters verwijst vervolgens naar Hanlo’s ‘liefde voor kinderen’ – zijn pedofilie, – zonder dat helemaal duidelijk wordt wat de literatuurliefhebber daar mee moet.

    Rouw en cabaret
    Verrassend is Kusters in zijn stuk over ‘ Funeral Blues’ van W.H. Auden. U weet wel, dat aan gort geciteerde gedicht uit Four weddings and a funeral. Vooral op basis van de regel ‘I thought love would last for ever, it’s not true‘ veronderstelt Kusters dat dit niet gaat over een gestorven geliefde, maar om overspel. Hij trekt een parallel met een gedicht van Heine, en signaleert dat het eigenlijk een liedtekst betrof voor een varieté-artiste. Kortom: geen hooggestemd rouwbeklag, maar theatraal liefdesgejammer. Daarover valt te twisten. Maar Kusters tekst maakt in zijn betwistbaarheid duidelijk wat je in de andere stukken soms miste: een standpunt dat roept om instemming of tegenspraak. Of een bevinding die beklijft – zoals in de Hermans-stukken. Iets van de passie die Kusters er ooit toe bracht om mijngangen van duiding te hakken in de duisternis van Kouwenaars poëzie, had ook urgentie en smaak kunnen verlenen aan zijn beschouwingen. Te vaak blijft het bij ‘Dit nog, ook dit’.