• Flamboyant schrijver

    Flamboyant schrijver

    Misschien omdat mijn ouders uit Groningen komen dat elke schrijver, die op een of andere manier aan die stad gelinkt kan worden, een bepaalde aantrekkingskracht op me uitoefent. W.F. Hermans woonde er van 1953 tot 1967 aan de ​​Spilsluizen 17. De oudste dochter van mijn vaders broer heeft nog met Hermans zoontje Ruprecht, gespeeld. Vanuit de Oude Kijk in ‘t Jatstraat waar mijn nichtje woonde, en waar ik later wel eens logeerde, hoefde ze alleen het Lopende Diep over te steken, dan rechtsaf langs het Diep op lopen, dan 2e straat rechtsaf waar de familie Hermans op de hoek woonde. Dat nichtje  kwam weleens bij hem thuis, herinnert zich de vader in een kamertje met boeken, pijprokend, ze wist nog van niets.Dat nichtje kwam weleens bij hem thuis, herinnert zich de vader in een kamertje met boeken, pijprokend, ze wist nog van niets. Wat er dan in een flits gebeurt, hoogstaande literatuur getransformeerd naar gewone levens.

    En dan, ik heb een biografie van een Groningse schrijver in handen. Ab Visser (1913-1982) werd in Groningen op Kanaleneiland geboren. ‘De buurt was een volkswijk, bestaande uit een paar straten met een negental kleine huizen. Met een paar slagen van de pedalen was je buiten de stad, (…) met hetzelfde paar pedaalslagen stond je via de Sluiskade in het centrum van Groningen.’ Hermans en Visser woonden op zo’n 20 minuten loopafstand van elkaar, niet dat ze elkaar opzochten. Wel wisten ze van elkaars schrijversbestaan. Hermans sprak lovend over zijn boek Rudolf de Mepse (1945). ‘Hij noteerde enkele zinnen die hem deden hopen dat Visser nog eens een meesterwerk zou schrijven.’ Maar niet iedereen zag dat gebeuren.

    Visser schreef op zijn vijftiende al gedichten. Toen hij op zijn 32ste trouwde, verliet hij pas het ouderlijk huis. Met zijn vrouw Edith Bongers verhuisde hij kort daarna naar Amsterdam, waar het allemaal gebeurde. Als schrijver leidde hij het leven van een bohemien, werd geplaagd door deurwaarders vanwege belastingschulden en rond zijn twintigste openbaarde zich de ziekte van Bechterew waardoor hij langzaam krom groeide. Een gesprek tijdens een wandeling met hem was niet mogelijk, om zijn naar de grond gebogen houding. Maar Visser liet zijn handicap nooit het onderwerp van gesprek zijn. Bij het maken van nieuwe vrienden sloeg hij alle wind uit de zeilen door als eerste  te vragen: ‘Welke ziektes komen er in jullie familie voor?’ Een man die zich voor me inneemt door zijn eigenzinnige gedrag, en zijn liefde voor de zwerfkatten in Rome, gelijk als Paul Léautaud zich over de zwerfkatten van Parijs ontfermde.

    Om gezondheidsredenen verblijft hij jaarlijks een periode in het warmere zuiden van Europa met zijn vrouw. Later als hij al op leeftijd is, (wat heet, hij werd maar 69 jaar), krijgt hij een relatie met de veel jongere schrijfster Margreet Hirs.

    Hoewel hij in 1936 debuteerde als dichter, schrijft hij vanaf 1948 enkel nog proza, waaronder romans, novellen, feuilletons, spookverhalen, kinderboeken en detectives. Waarvan de literaire kwaliteit niet altijd even sterk was. Het leven van een schrijver kan interessanter zijn dan de boeken die hij schreef. Ab Visser beleefde als schrijver geen doorbraak, als flamboyant mens was hij onvergetelijk voor de kringen waarin hij verkeerde. Hoewel zijn gezondheid te wensen overliet, hij altijd een vitale uitstraling had, stierf  hij vrij plotseling na een hartstilstand op een zondag in mei 1982. Hij werd herinnerd als ‘onwankelbaar trouw aan zichzelf’.

    Terwijl ik lees over het leven van Ab Visser, de schrijver die noch bij leven, noch na zijn dood doorbrak en die me toch een geweldig interessant schrijver leek, schemert de boekenkast van mijn vader door mijn hoofd. Dat daar ergens op de onderste plank een boekje met harde kaft stond van Ab Visser. Dat moet welhaast De buurt zijn geweest. Mijn vader las alles wat hem weer terugbracht naar Groningen stad. Dat ik er dichtbij was wanneer mijn blik  op Steinbeck’s Muizen en mensen of Vestdijks Koperen tuin viel. Deze uitvoerige biografie over de flamboyante man en schrijver die Visser was, drukt me er nog eens met de neus bovenop. Voor ik het weet zoek ik online De buurt van Ab Visser, en vind een in 2015 opnieuw uitgegeven druk door Lebowski. Verwacht dat ik ook naar de rest van zijn proza blijf uitkijken.

     

    Ab Visser, Biografie / Michiel van Diggelen / Uitgeverij Passage (2013)


    Inge Meijer schrijft op het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

     

     

     

  • Geboren boekenwurm

    Geboren boekenwurm

    Vreselijke term: boekenwurm. Alsof het om iemand gaat die niet helemaal serieus genomen hoeft te worden. Om van de connotatie van een kruipende diersoort nog maar te zwijgen. Toch wordt het woord vaak gebruikt om het lezen aan te prijzen. Zelfs als het om volwassenen gaat. Dat is dus ook nog eens heel kinderachtig.
    Wilma van Meteren (Trouw, 31 augustus) wil ze zelfs kweken in een zoveelste pleidooi om de jeugd aan het lezen te krijgen. Want slechts een kwart van de Nederlandse basisscholieren vindt lezen ‘erg leuk’, schrijft ze bezorgd. ‘Bij middelbare scholieren neemt het dramatische vormen aan.’

    Het is een bekend verschijnsel, want decennia oud. W.F. Hermans zegt in een interview uit 1969 (Scheppend nihilisme, Amsterdam, 1979) dat van de driehonderd leerlingen op zijn gymnasium er maar twee interesse hadden in literatuur, waarvan hij er een was. De rest las nooit. Hij zegt er trouwens bij dat er ‘tegenwoordig’ wel door meer jongeren wordt gelezen.
    Toch blijft dit een minderheid. Ik weet dit van mijn eigen middelbareschooltijd (begin jaren ’80), waar ik ook tot een kleine minderheid literatuurliefhebbers behoorde. En in de twintig jaar dat ik docent Nederlands aan middelbare scholen was, zag ik hetzelfde beeld. Per klas had je hooguit vijf geïnteresseerde leerlingen. Gelooft u mij dat ik al die jaren mijn stinkende best heb gedaan om de schone letteren te propageren. De vraag is of deze beperkte belangstelling erg is. Zelf had ik bijvoorbeeld de pest aan wiskunde en niemand had me zover kunnen krijgen dit vak ‘erg leuk’ te vinden.

    Ik voelde dus dezelfde ‘emotionele weerstand’ als de leerlingen waar Van Meteren over schrijft. Er moet volgens haar meer gelezen worden omdat ‘lezen en taalvaardigheid onontbeerlijk zijn om verder te komen in de samenleving’. Literatuur dient dus voornamelijk een educatief en ‘nuttig’ doel.
    Zelf las ik om een heel andere reden: ik had fantasie, hield van verhalen. Het boek was een vlucht uit de werkelijkheid. Later herkende ik me in hoofdpersonages die met dezelfde problemen worstelden als ik. Lezers hebben verbeeldingskracht en een bepaalde intellectuele belangstelling. En ze hebben een natuurlijk concentratievermogen. De lezer is, met andere woorden, een bepaald type, net als ‘de wiskundenerd’. Dit soort kinderen zit niet te wachten op  ‘voorleesmaatjesprojecten’ of dergelijke flauwekul. De literaire auteur moet niet gedegradeerd worden tot leesbevorderaar. Literatuuronderwijs is vanwege de culturele waarde van het grootste belang. Al was het maar voor die vijf belangstellende leerlingen.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar laat zich evengoed inspireren door schrijvers uit het verleden.

     

  • W.F. Hermans debuteert als personage

    W.F. Hermans debuteert als personage

    Een ontgifting, de debuutroman van Willem Otterspeer (1950) gaat over een schrijver en zijn biograaf. Toevalligerwijs is Otterspeer zelf ook biograaf, namelijk die van Willem Frederik Hermans. Twee kloeke delen van ruim 800 pagina’s schrijven over zo’n nukkig mens, daar moet je vast even van bijkomen. Door het van je af te schrijven bijvoorbeeld. Een ontgifting dus.

    Maar het ligt ingewikkelder. Otterspeer, hoogleraar geschiedenis in Leiden, heeft ervoor gekozen om van Hermans, die hij Lodewijk Schrijver noemt, de hoofdpersoon te maken. Deze Lodewijk Schrijver besluit een roman te schrijven over een biograaf die zijn leven optekent om zo ‘totaal gekend te worden’, terwijl hij daar niet in gelooft. De werkelijkheid is namelijk onkenbaar en de enige waarheid is woede.

    Maar dit paradoxale uitgangspunt heeft een uitweg: de papieren Lodewijk Schrijver kan gekend worden: uit zijn boeken en zijn archief kan een beeld van de schrijver worden geconstrueerd dat misschien niet veel met de werkelijkheid te maken heeft, maar dat gekend kan worden. In de eerste plaats door de biograaf -precies datgene wat Otterspeer heeft gedaan- en indirect door schrijver die de biograaf heeft gecreëerd. Volgt u het nog?

    Vanwaar dit ingewikkelde gedoe, zult u zich afvragen. Is het omdat Hermans de drijvende kracht moet zijn (zonder Hermans, geen biografie van Hermans en geen Otterspeer als biograaf), of vond Otterspeer zichzelf niet belangrijk of interessant genoeg om als hoofdpersoon te fungeren? In deze roman is hij in het eerste deel in ieder geval niet veel meer dan het product van Schrijver en in het tweede deel niet meer dan zijn biograaf.

    Toch zien we het meeste van Otterspeer in het eerste deel. Schrijver bedenkt namelijk dat de schrijver en zijn biograaf aanvankelijk verschillend zijn, maar uiteindelijk met elkaar samenvallen. Dus lezen we een hoofdstuk over de jeugd van Schrijver en vervolgens een hoofdstuk over de jeugd van de biograaf, waarin verschillen maar ook parallellen worden beschreven. Op die manier krijgen we als lezer een samenvatting van de biografie van Hermans: alle feiten kloppen en ook zijn belangrijkste boeken komen voorbij, onder andere titels weliswaar. Zo heet Nooit meer slapen nu De schredenteller, datgene wat hoofdpersoon Alfred doet om zijn weg naar huis te vinden nadat is hij verdwaald in het onherbergzame Noord-Noorwegen.

    De leuke anekdotes, hoe Hermans in zijn Groningse tijd van pure ellende af en toe een ochtend op de roltrappen van de V&D doorbracht, ontbreken evenmin. Maar waar dit in de biografie van buitenaf beschreven wordt, beleven we dit nu vanuit Hermans/Schrijver die terugblikt. Hermans heeft zelf eens een aanzet geschreven tot een autobiografie (Richard Simmilion), maar die is minder geslaagd dan het boek van Otterspeer. In die zin krijgt Hermans, pardon, Schrijver gelijk wanneer hij stelt dat hij een biograaf nodig heeft om gekend te worden.

    Denk echter niet dat dit geestige en luchtige literatuur oplevert. Wie Hermans van een afstandje beziet, kan moeilijk anders dan geamuseerd toekijken naar het gerel, de karaktermoorden en de tegendraadsheid. Wanneer je het vanuit Hermans beziet, zoals in dit boek, wordt het beklemmend en treurig. De lezer wordt voortdurend geconfronteerd met Hermans’ verongelijktheid en gevoelens van miskenning en mislukking (Freudiaans herleid tot frustraties over tekortschietende ouders als voedingsbodem voor het idee van onverdiend slachtofferschap dat voortdurend verdient gecompenseerd te worden met alle teleurstellingen van dien. De zelfmoord van Hermans’ zus is de lont in het kruitvat en ontbrandt het schrijverschap van Hermans).

    Een ontgifting is een beklemmend en ontluisterend boek, goed geschreven ook, maar helemaal geslaagd is het niet, want de biograaf komt onvoldoende uit de verf: ‘we [zijn] onderdeel van dezelfde vergelijking, allebei aan de verkeerde kant van de streep. Hij probeert onder iets uit komen waar ik nooit aan had moeten beginnen.’ Maar waarom de biograaf hier niet aan had moeten beginnen, blijft onduidelijk, laat staan invoelbaar. Kennelijk is Otterspeer toch te veel wetenschapper om zichzelf op de voorgrond te plaatsen.
    En hoewel deze mislukking netjes voorspeld en verklaard wordt, is het niet wat de titel belooft. Wie hoopt op een beschrijving van de ontgifting van de biograaf komt bedrogen uit. Jammer.

     

  • O, kom er eens kijken!

    O, kom er eens kijken!

    Ik droomde dat ik nog in Sinterklaas geloofde en m’n schoen mocht zetten. Oh to be young again… Ik wist meteen wat er op m’n verlanglijstje moest: al die boeken die te lang op zich hebben laten wachten.

    1. Martinus Nijhoff, geboorten van literatuur. De langverbeide biografie. Vanzelfsprekend bovenaan mijn lijst, want ik word oud dus de tijd dringt. De auteurs, Dorleijn en Van den Akker, hebben eerder al een nieuwe editie van de Verzamelde Gedichten verzorgd en enkele studies gepubliceerd. Nu dan de kroon op hun werk.

    2. Het nieuwe boek van Carl Friedman. Eindelijk! Wordt het een roman? Verhalen? De uitgever houdt ons nog in spanning. Na de successen van Tralievader, Twee koffers vol en De grauwe minnaar – de eerste twee werden verfilmd – is het te lang stil gebleven. Autobiografische verwikkelingen zouden daar debet aan zijn. De liefhebbers van haar werk hadden haar wel willen toeroepen wat Toergenjev ooit schreef aan Tolstoi: ‘Mijn vriend, keer terug tot Uw literaire arbeid! Die gave hebt u immers van waar ook al het andere komt. Ach, wat zou ik gelukkig zijn als ik kon denken dat mijn verzoek die uitwerking op U zou hebben!’ Dezelfde brief besloot hij overigens met ‘Ik kan niet meer, ik ben moe’ en vijf weken later stierf hij.

    3. De verzamelde correspondentie van W.F. Hermans en Gust Gils. Opnieuw een brievenboek van Hermans, en dit keer niet zo’n dunnetje als de briefwisseling met Bordewijk. Uit dat enorme Hermans-archief moet natuurlijk veel meer te halen zijn. Zal ik het nog beleven?

    4. De ‘Amerikaanse’ romans van de in 2012 overleden Gore Vidal. Zijn historische romans over de ontwikkelingsgang van de Verenigde Staten zijn onovertroffen. Ook zijn talloze vijanden erkenden de kwaliteit van Burr, 1876, Lincoln, Empire, The Golden Age en Washington D.C. Wie deze meeslepende boeken leest, krijgt een uitstekende geschiedenisles en kijkt voortaan met andere ogen naar wat zich in de VS afspeelt. Eindelijk is de reeks nu compleet in het Nederlands verkrijgbaar, en in welk een mooie uitgave! Compleet met noten, kaarten en inleidingen van prominente amerikanisten. Zes delen in cassette, heerlijk. Mijn kennis van het Engels taant en mijn ogen gaan steeds verder achteruit; nu kunnen die armoedige pocketjes bij het oud papier.

    5. Simon Carmiggelt: Verzameld Werk. Commentaar overbodig, behalve misschien: hèhè, waarom hebben we hier zo lang op moeten wachten?

    6. Wat is hiervan de bedoeling? Deze pil bevat een selectie uit het epistolaire vuurwerk van Nicolien Mizee en Ger Beukenkamp, de schrijver wiens roem kort geleden nog werd bezongen door Mark Rutte. In ‘Zomergasten’ vertelde onze premier hoe hij in zijn lessen maatschappijleer gebruik maakt van scènes uit Den Uyl en de Lockheed-affaire (een van Beukenkamps prijswinnende televisie-series): ‘Wat een meesterlijke scenarioschrijver!’ Beukenkamp is de onverstoorbare goeroe, Mizee is de gedreven leerling die en passant de kroniek van haar leven schrijft.

    7. De Grote Jos Ruting Omnibus. Rutings werk werd een halve eeuw geleden al verramsjt en de boekjes die ik toen als tiener kocht, vallen uit elkaar. Maar nu is er deze kloeke verzameling proza, inclusief In de mierenrijken, plus een selectie uit de tekeningen en het grafische werk. Veel vogels, bloemen en vissen. Ruting, die nog heeft samengewerkt met Vroman en met Van Geel, was niet voor niets bioloog.

    Ik werd wakker en noteerde de droom. Wat zou mijn psychiater ervan vinden? Ik wreef me de slaap uit de ogen en dacht: anders maar een boekenbon.

     

     

  • Retorische strijdmakkers

    Retorische strijdmakkers

    Vandaag kreeg ik weer de vraag van iemand die naar de vierduizend boeken keek die ik in mijn boekhandel aan huis heb staan: ‘En, heb je alle boeken gelezen?’ Ik geef nog netjes antwoord ook elke keer. Typisch een vraag van een niet-lezer. Waarschijnlijk stel ik net zulke domme vragen aan iemand die bijvoorbeeld fiscalist is of in aandelen doet.

    Ik lees gemiddeld twee boeken per maand en, nou ja, eigenlijk, om eerlijk te zijn, lees ik er geen een uit. Wel lees ik een paar boeken tegelijk. Ik laat me leiden door de verleidingen van de intertekstualiteit van boeken. Als ik in bijvoorbeeld een boek van Friedrich Nietzsche begin, lees ik ook een stuk uit de biografie van Safranski en door Safranski lees ik ook weer iets van Sloterdijk en door Sloterdijk weer iets van Heidegger of Paul Celan en door Paul Celan pak ik een boek van de kunstenaar Anselm Kiefer en die brengt me weer bij een essaybundel van een kunstcriticus die … en zo houdt het gelukkig nooit op.

    Ik kwam tijdens mijn studietijd iemand – beter gezegd: een fenomeen – tegen waarvan je het intimiderende idee had dat hij ook echt alles las wat in zijn huis stond. En daar stond heul veul, heb ik eens mogen aanschouwen tijdens een studieborrel bij hem thuis. Hij stond erom bekend weinig te slapen, om zoveel mogelijk te lezen, te schrijven ook. Ik kreeg van hem het werkcollege Betogend schrijven aan de UvA, ergens halverwege de jaren negentig. Das Phänomen heette Michaël Zeeman, een ook weer veels te vroeg gestorven man der letteren. Dichter, romancier, journalist, tv-presentator (Zeeman met boeken) en docent, al was hij dat bij een studie die hij eigenlijk niet bliefde las ik in een necrologie van Carel Peeters over Zeeman: Culturele Studies (of die Carel Peeters niet bliefde).

    Ik, jongen uit de nieuwbouwwijken van het Noord-Hollandse Huizen, zonder enige noemenswaardige culturele achtergrond, durfde bijna geen zin uit te brengen tijdens de colleges van Zeeman. Wat kon ik voor zinnings zeggen? Bij zijn eruditie, zijn kamervullende gestalte, zijn bassende stem, ik verbleekte erbij. Volgens mij las ik Ave verum corpus van Désanne van Brederode en moest daar een recensie over schrijven. Ik denk dat hij over zijn hart heeft gestreken, een onvoldoende werd toch een voldoende.

    In die tijd lag hij verbaal nogal in de clinch met enfant terrible Theo van Gogh. Sla ik mijn vrouw wel hard genoeg, was de titel van een van Van Goghs boeken, refererend aan de roddel dat Zeeman zijn vrouw fysiek onheus had behandeld. Ik was niet tegen Zeeman, maar vooral een fan van Van Gogh en dan vooral van zijn polemiserende pen. Naast films maken, kon hij polemieken schrijven die hem een regelrechte nazaat maakte van de hoestende en veroordelende literator uit Parijs, Willem Frederik Hermans. Enfin, de jaren negentig, de fitties waren toen niet van de lucht. Maar ze zijn dood, Zeeman, Van Gogh, Hermans. Opgestegen naar de Parnassus voor een eeuwigdurende retorische strijd.

     

     

  • Voor wie de morgen nooit meer aanloeit

    Voor wie de morgen nooit meer aanloeit

    Ook als schrijvers zich niet meer onder de levenden bevinden, willen ze op onverwachte momenten nog wel eens opduiken. Hermans, die meer typemachines bezat dan hij boeken heeft geschreven, leeft voort in zijn typemachines die in de stad Gent in België een onderkomen vonden. Om de typemachines te kunnen onderhouden worden ze ter adoptie aangeboden, als waren het verweesde, in de steek gelaten kinderen die gevoed en onderwezen dienen te worden. Door er een te adopteren zou het zomaar kunnen dat je er beter door gaat schrijven, een beetje nihilistischer misschien, maar toch.

    In het weekend van 4 juli werd er een stille tocht gehouden ter nagedachtenis aan omgekomen Arubaan, door politie geweld. In het verslag van de tocht werd uit de mond van ene Mark Marugg opgetekend dat het een waardige optocht zou gaan worden, dat hij geen relschoppers tussen de aanwezigen zag. Toen schreef de verslaggever: ‘Marugg, achterneef van schrijver Tip, zou later gelijk krijgen.’

    Tip Marugg (1923-2006) is een schrijver van tenminste drie boeken. Hij leefde op de Caribische eilanden waar ook Mitch Henriquez vandaan kwam. De schrijver is al jaren dood. Mitch Henriquez pas enkele weken. Tip had geen weet van Mitch, toch kreeg hij een rol toebedeeld in de stille tocht ter nagedachtenis aan hem. Tip Marugg, die bij leven nog nooit in Nederland was geweest, was daar opeens aanwezig. Marugg was een kluizenaar die niets van roem wilde weten. Maar hij drong zich overduidelijk opeens aan de verslaggever op en hij moest hem er wel als oudoom en schrijver bijhalen tijdens die stille tocht. Het leek alsof het hele gebeuren, die stille tocht, door het noemen van zijn naam een bovenwindse waarde kreeg. Het lostrok van het alledaagse. Ook de woorden Justice For Mitch die in witte letters op zwarte T-shirts gedrukt stonden, kregen meer inhoud. Wat natuurlijk onzin is, maar toch: literatuur verbinden aan een dramatisch gegeven maakt het tot, tja toch wel tot literatuur. Mitch zou zo in één van de het leven tartende romans van Tip Marugg kunnen plaats nemen.

    Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was en Tip Marugg een alom bekend literair figuur was. Dat het de schrijver was die in 1988 met zijn boek De morgen loeit weer aan, genomineerd werd voor de AKO literatuurprijs. Een schrijver die, toen hij beroemd dreigde te worden, overwoog een bord in zijn tuin te zetten met: ‘Ik ben niet thuis’. Een schrijver die de drank het liefst had en zijn hondje Fonda noemde, naar Jane Fonda.

    Tip Marugg werd als oudoom van Mark Marugg,die meeliep in de stille tocht, meegenomen van station Moerdijk naar het Zuiderpark. Naar de plek waar het allemaal gebeurd was. Maar wie zou hem nu eigenlijk nog kennen, buiten het handjevol insiders van de Caribische literatuur. Wel stoer eigenlijk van die verslaggever. Laat de mensen zich maar afvragen wie Tip is. En wie Mitch is. Beiden met elkaar verbonden door een achterneef van Marugg. Tip en Mitch voor wie de morgen nooit meer aanloeit.

     

     

  • Ontdekkingen uit een literair verleden (De Parelduiker over het jaar 2012)

    De Parelduiker speurt onophoudelijk naar gekende, maar vaker ongekende feiten uit het leven van belangrijke schrijvers en brengt dit met inhoudelijk goed geschreven stukken onder de aandacht. Hieronder een terugblik over het jaar 2012 waarbij elke editie van De Parelduiker je het gevoel geeft iets ontdekt te hebben waarvan je niet het idee had er naar op zoek te zijn maar na lezing ervan overtuigd bent geraakt dat je dit niet had willen missen.

    In de laatste editie van 2012 brengt Lucas Ligtenberg in Een leven doormidden gesneden  schrijfster Dola de Jong (1911-2003) onder de aandacht. De Jong liet haar eigen familie in 1940 in Europa achter en week uit naar Amerika, waarmee haar gespleten leven begon. Ze zag haar familie nooit meer terug. In 1945 schreef ze En de akker is de wereld, dat zijn laatste herdruk in 1964 beleefde maar volgens Ligtenberg een plaats in de literaire canon verdient. Een roman waarin kinderen voor het oorlogsgeweld op de vlucht slaan en ontheemd raken. ‘De laatste oorlog heeft mijn leven doormidden gesneden’, schreef Dola in 1954 aan toenmalig toneelcritica Jeanne van Schaik-Willing.

    Kunsthistoricus Jaap Versteegh schreef een uitgebreid artikel over kunstenaar Richard Roland Holst (1868-1938), (echtgenoot van de bekende dichteres Henriette Roland Holst-van der Schalk) en zijn (geheime) vriendin, de grafica Debora G. Duyvis (1886-1974). Debora Duyvis was zelfstandige kunstenares die veel op reis ging. Aan de hand van de correspondentie tussen Roland Holst en Duyvis is deze geheime liefdesrelatie enigszins te volgen. Er zijn weinig brieven bewaard gebleven maar allen zijn van een hartverwarmende kwaliteit waaruit een stille liefde spreekt. Alles mooi geïllustreerd met werk van beide kunstenaars.

    In de rubriek Laagwater doet Sylvia Willink-Quiel, weduwe van Carel Willink, verslag van de vriendschap met W.F. Hermans en zijn vrouw en de wordingsgeschiedenis van de in brons uitgevoerde kop die Sylvia maakte van Hermans in 1981. Een afgietsel van deze kop staat in de portretten galerij van het Letterkundig Museum te Den Haag. Ook de voorstudie in foto’s en aantekeningen over afmetingen van het gelaat zijn in bezit van het museum. Een insidersverslag over de ontmoeting tussen twee grootheden in de kunsten.

    De zomereditie (nr. 4) stond in het teken van de op- en ondergang van literair tijdschrift Bijster. Een onderneming op persoonlijke titel van uitgever bij De Bezige Bij, Geert Lubberhuizen, die samen met Remco Campert de redactie vormde. Het stuk gaat vooral ook over het ego van Geert Lubberhuizen. Zes nummers zijn er van het tijdschrift verschenen en toen hield het op. Volgens de schrijver van het stuk Marsha Keja, rouleren steeds dezelfde nummers op internet voor prijzen tussen de 25 en 35 euro.
    Leo Frijda leverde een stuk over Hans Fallada en zijn vertaler Nico Rost. En Mieke Koenen, die aan een biografie werkt over Ida Gerhard schreef over ‘Zelfdoding in bekende en onbekende teksten van Ida Gerhard’. Met niet eerder gepubliceerde foto’s van Ida Gerhard en haar vriendinnetje Marietje van der Zeyde, die in Gerhards latere leven haar levenspartner werd.

    In de derde editie schrijft Nico Keuning, publicist van schrijversbiografieën in Het Stockholm van Tomas Transströmer over de dichter en diens werk. Tomas Transströmer wordt op 59 jarige leeftijd getroffen door een hersenbloeding waardoor hij rechtszijdig verlamd raakt en zijn spraakvermogen verliest. Vanaf die tijd treedt zijn vrouw Monica op als communicator met de buitenwereld. Daarbij vier gedichten uit het vroege werk van Transströmer, in vertaling van Bernlef.

    Sterk tot de verbeelding spreekt de zoektocht in de tweede editie, naar het door raadselen omgeven leven van schrijver B. Traven door Martin Smit in Utopie in de jungle. Pas na zijn dood in 1969 kon met zekerheid gezegd worden dat B. Traven de voormalig anarchist Ret Marut was die in 1922 op de vlucht sloeg net voordat hij wegens hoogverraad standrechtelijk geëxecuteerd zou worden. Via Nederland, België en Engeland bereikte Marut in 1924 Mexico waar hij tot zijn dood verbleef. Tijdens zijn leven is het niemand gelukt de ware identiteit van B. Traven te onthullen. Traven was auteur van indringende literatuur over de onderdrukte bevolking van Mexico. Slavenhandel, uitbuiting en de oorspronkelijke bevolking van Mexico hadden zijn interesse. Met Utopie in de jungle beschreef Martin Smit een uiterst gecompliceerde levensloop van een schrijver op de vlucht, die leest als een detective. Waarbij de grote vraag komt bovendrijven: ‘Wie was Ret Marut?’ Het levert interessante feiten op en maakt het herlezen van Travens werk opeens weer urgent. Saillant detail is dat in De Parelduiker nr 3, Louis Houet in de rubriek Laagwater schrijft over een ontmoeting met de weduwe van Traven in 1977. Waarbij hij haar vraagt naar de identiteit van haar man en zij, tot zijn verbazing zegt die niet te kennen. Waarmee het raadsel Ret Marut de oplossing bij lange niet nabij is.

    De eerste editie is voor een groot deel gewijd aan Slauerhoff. Wim Hazeu schreef ‘Alleen aan jou voel ik me verwant onder de levenden’ Slauerhoffs laatste brief aan A. Roland Holst en ‘Dat avontuur zit heus niet alleen op een schip’ Herinneringen van Jacoba, Jetty en Johannes Tielrooy. Hein Aalders schreef over Slauerhoffs bedevaartstocht naar het graf van de Bretonse dichter Tristan Corbière in 1923.

    In De Parelduiker duiken met enige regelmaat rubrieken op als De laatste pagina, Laagwater en Seinpost, maar komen niet consequent in elke editie voor. In de twee eerste nummers wordt in De laatste pagina een in memoriam gewijd aan polemisch schrijver Christopher Hitchens (1949-2011) door Marco Daane en aan kunsthistoricus (met een voorliefde voor de politieke spotprent) Hans IJsselstein Mulder (1945-2012) door Ariane de Ranitz.

    In de rubriek Seinpost (tweede editie) ging Ronald Bos naar Algerije om gevolg te geven aan het door Camus ingegeven verlangen naar ‘het licht en de zon (…), als contrapunt bij de tegenslagen en depressies’. In Op zoek naar het verloren licht trekt hij verschillende literaire sporen na en komt onder meer tot de ontdekking dat Camus, vijftig jaar na zijn dood, nog steeds ‘leeft’ in zijn eigen land. Het literaire klimaat in Algerije is niet welwillend. Bos ontmoet een uitgeefster die het liefst anoniem blijft. Zij vertelt dat Boualem Sansal de belangrijkste auteur van dit moment is. Hij leeft in Algerije maar geeft zijn werk uit in Frankrijk; het lot van de meeste auteurs die in het Frans schrijven. Bos schreef eerder over Hans Lodeizen en Paul Celan in De Parelduiker en toont zich een ware Camus-kenner.

    In deze jaargang ook twee bijdragen van Mario Molegraaf, de vroegere partner van dagboekschrijver Hans Warren. In de 3e editie over de vriendschap tussen Warren en natuurtekenaar Jac. P. Thijsse. In de 2e editie een diepgaand artikel van Molegraaf over de dichtende zus van Vincent van Gogh, Lies van Gogh (1859-1936). Molegraaf schrijft vaker over vergeten dichters.

    Dit is slechts een kleine greep uit het rijke aanbod van een jaargang De Parelduiker. Elke editie is meer dan de moeite waard om zelf aan te schaffen. De nummers van deze jaargang zijn nog te verkrijgen via de site van De Parelduiker.

     

    De Parelduiker ontvangt geen subsidie meer en heeft om die reden de Stichting Vrienden van De Parelduiker in het leven geroepen. Klik hier voor meer informatie over hoe u vriend kunt worden.

     

     

  • Recensie ‘Gerardje, notities van een Reve-liefhebber’ – Theodor Holman

    Het lijkt de laatste tijd iets stiller geworden rond Gerard Reve, de in 2006 overleden volksschrijver, zoals hij zichzelf graag noemde. Deze stilte zal echter in het najaar worden doorbroken door een vuistdikke biografie van Nop Maas. In de tussentijd mogen we genoegen nemen met dit boek van Theodor Holman, die zich al jaren fan noemt van Reve. Holman ontmoette Reve eenmaal en zag hem nog een aantal malen optreden. Dat is jammer, want de ontmoeting waar het boek mee begint is op z’n zachtst curieus. Er wordt veel gezopen zoals bijna altijd in het gezelschap van Reve maar er worden ook stevige noten gekraakt. Over politiek wordt gesproken, literatuur, pornografie en Schopenhauer. De volgende ochtend vertelt ome Gerard aan Theodoortje een heus sprookje, terwijl ze samen in de slaapkamer op bed liggen. Joop Schafthuizen, de laatste levensgezel van Reve houdt een oogje in het zeil.

    Vlak voor het afscheid dreigt het dan toch nog mis te gaan, wanneer Holman zegt: “Tegen mij heeft Karel gezegd dat hij nog van je houdt.” Gedoeld wordt op Karel van de Reve, de broer van Gerard, waarmee de markies al jarenlang in onvrede leeft. Reve antwoordt: “Nou zeg dan maar tegen hem dat ik hem haat. En dat ik bid voor zijn dood. Misschien knapt hij daarvan op! En als hij niet voortmaakt, dan kom ik met een ijzeren knuppel en dan sla ik zijn kop in, al moet ik er levenslang voor naar de gevangenis…Hij is erger dan mijn vader was. Mijn vader was een bruut.” Of Holman de boodschap daadwerkelijk heeft overgebracht wordt niet vermeld. Ik betwijfel het. Het is meteen het meest interessante gedeelte van het boek.

    Holman werpt in dit boek een aantal werkvragen op: Waarom werd Reve katholiek, terwijl hij toch op dat geloof zat te schelden? Was hij eigenlijk al homo toen hij getrouwd was? Hoe heeft hij zijn stijl ontwikkeld? Heeft de oorlog invloed op Gerardje gehad? Was Gerard eigenlijk niet te burgerlijk om romantisch-decadent te zijn? Had hij ook vriendinnetjes? Wat was de invloed van zijn vader, die ook schrijver was? En van zijn moeder? Is het niet ironisch, dat Mulisch hem zijn ironie verweet?

    Om bij de laatste vraag te beginnen: Reve had een onwaarschijnlijke hekel aan Mulisch. In een van zijn (gefingeerde-) gesprekken met de Majesteit (Juliana?) stelt Reve: “Het werk van Mullis is vullis, majesteit, maar dat van Reve is het echte leven.” Minder leuk is de passage: “Zelf is hij een bastaard, door een alpineus goro goro tiepe, dat jaren lang in de gevangenis heeft gezeten, bij een Jeminitische water & vuur vrouw verwekt. Bij vermenigvuldiging komen de slechtste eigenschappen van de paarders op de voorgrond, dat is bekend. Het muildier is onvruchtbaar.” De ‘bastaard’ (een term direct geleend van nazi-propagandaleider Julius Streicher) is Harry Mulisch.

    Mulisch komt met een weloverwogen antwoord ? door Holman niet begrepen ? waarin hij stelt dat de ironie van Reve verhult wat hij eigenlijk wil zeggen, en dat uiteindelijk na het wegnemen van het masker van diezelfde ironie, de naakte waarheid overblijft. Reve gebruikt zijn ironie dus gewoon als dekmantel. Het grootste gevaar van ironie! Dat is overigens ook een stelling van de door Reve zo bewonderde Schopenhauer (Of had hij hem nooit gelezen?). Achter de dekmantel loert in Reve’s geval: racisme. Reve heeft zich in die tijd op niet mis te verstane manier denigrerend uitgelaten over ‘zwarten’ maar neemt dat later terug. “Alle koffiebonen in de Jumbojet en opblazen de boel!”

    Wat verder opvalt, is dat hij eigenlijk met de grote schrijvers uit zijn tijd in een voortdurende staat van oorlog en nijd leeft. Met Hermans raakt hij na een bloedeloze correspondentie gebrouilleerd. (…) “Achter de naam Age Bijkaart (nomen est omen) verschuilt zich om een of andere laffe reden de Nederlandse schrijver W.F.Hermans, broer van de minder dan middelmatige verrekijkkomiek Toon Hermans. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.”

    Jan Wolkers scheldt hij uit en Mulisch haat hij. Over Simon Vinkenoog meldt hij: “Ik had hem moeten doodslaan, want hij heeft tienduizenden drugsdoden op zijn geweten.” (Dat citaat is uit het boek weggelaten). En ook ex-vriend en tijdelijk uitgever Johan Polak is in ongenade gevallen. “Waarde Johan. Ik zou het liefst willen, dat je niet op de avond in de Allerheiligste Hart kerk kwam, maar met een van je beroepsurningen elders in de stad de avond doorbracht. Mijn waarschuwing terzake Reptiel Rogier is gemeend. Ik zal op hem inranselen, en hem zo mogelijk doden. Jij hebt nooit iets begrepen, en zult ook nooit iets begrijpen. Dat hindert ook niets, als jij me maar, voorgoed, tot mijn Dood, met vrede laat.” Ironie? Ook Josine Meijer, waarmee hij zijn diepe zielenroerselen deelde kan later geen goed meer doen, daarover schrijft hij later: “Zo’n Josine Meijer bijvoorbeeld, dat vond ik altijd een klein etterwijfie, daar hoeft geen correspondentie van te worden bewaard.”

    Geert van Oorschot, die ook een optrekje heeft in de buurt van Poet Laval in Frankrijk waar Reve resideert, ontwijkt hij. Hij weet dat Van Oorschot hem groot heeft gemaakt en dat hij hem nu in de steek laat voor een andere uitgever. En over Joop den Uyl zou Reve gezegd hebben, volgens Paul van ’t Veer in Het Parool: “Een vieze kale uilebal!” “Dat vieze verzint hij,”schrijft Reve later, “ik heb de door God over ons gestelde minister-president nimmer vies genoemd.” De lijst van vijanden groeit, vrienden blijven er weinig meer over.

    En zo heeft hij uiteindelijk alleen nog Carmiggelt over, een alcoholist in ruste ? Reve probeerde dat te worden ? een burgerman, maar vooral erg ongevaarlijk in z’n meningen over politiek en maatschappij. Bovendien een middelmatig schrijver. We komen ze tegen in een nummer van het blad Hollands Diep waarin de heren in de tuin van Carmiggelt gezeten een ‘bammetje’ eten. Niets aan de handa dus, zoals Reve wel eens uitriep. Gezapigheid van het ergste soort. De vraag van Holman of Gerard eigenlijk niet te burgerlijk was om decadent-romantisch te kunnen zijn, wordt hiermee positief beantwoord. Gerard was een versluierde burgerturf.

    Het moge inmiddels duidelijk zijn dat deze recensent niet erg gecharmeerd is geraakt van het ‘ karakter Reve.’ Dat is waarschijnlijk nooit de bedoeling van Theodor Holman geweest. Maar hij schildert Reve als een rabiate verslaafde aan drank en pillen, een onvermoeibare op seks beluste frustraat (Tijgertje, Jakhalsje, Woelrat, Reptiel Rogier, Matroos Vos, Schafthuizen, ze passeren de revue) en een wankelbeen op het gebied van politiek, godsdienst en homovrijmaking.
    Interessant is overigens dat de psychiater C.J.Schuurman door Reve wordt bewonderd. Deze Schuurman zou hem weer op de been hebben geholpen na een van zijn zoveelste instortingen. Holman drijft de spot met Schuurman omdat deze zijn penis heeft laten opereren en aan dezelfde ‘kwaal’ zou hebben geleden als Gerardje destijds in zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Voor Hanny Michaelis blijft de deur van huize Reve overigens ook geopend.

    Of Reve al tijdens zijn huwelijk met Michaelis homo was, staat als een paal (sorry!) boven water. De schrijver Hans Plomp bezocht het echtpaar. Tijdens dat bezoek rukt Reve zich onder de tafel af omdat hij Hans zo’n ‘Adonis’ vindt. (niet opgenomen!). Het was in die tijd niets bijzonders wanneer homo’s getrouwd waren met een vrouw. Holman komt aan met vriendinnetjes van Reve, maar echt overtuigend klinkt dat niet.

    Een en ander wil echter niet zeggen dat Holman geen interessant en leesbaar boek heeft geschreven. Het leest als een trein en staat vol grappen en grollen, want gevoel voor humor had Gerardje zeker. Zijn onvermoeibare drang om te choqueren (de Ezel-affaire o.a.) komt voort uit een hang naar publiciteit. Reve was naast gefrustreerd ook nog ijdel. Dat hij zijn tijdsgewricht kon bespelen wordt ook duidelijk, maar een en ander doet nu af en toe hopeloos gedateerd en puberiel aan.

    Interessant is het hoofdstuk waarin Holman probeert te achterhalen waarom Reve zo’n persoonlijke stijl had ontwikkeld. Een stukje tekstanalyse waar we van smullen. Dat Carmiggelt een soort literaire leermeester is geweest van Reve durf ik echter te betwijfelen. Reve schreef wel eens een Kronkel als Simon Carmiggelt geen zin had. Kees van Kooten overigens ook. Zou Carmiggelt in de stijl van Reve hebben kunnen schrijven? Wel waren in de jaren ’60 en ’70 de epigonen van Reve talrijk. Zijn stijl werd met graagte nagedaan. Was uniek. Zo schrijft auteur Bob den Uyl later: “Het heeft me jaren gekost om van de Reve-stijl los te komen!” En Heere Heeresma schrijft met zijn Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp een antwoord op De avonden.

    De gedachte dringt zich op dat de schrijfstijl en droge humor van Reve meer sporen hebben achtergelaten dan zijn daden. Denk aan de programma’s van Wim T. Schippers of Jiskefet. Is zijn leven daarentegen wel zo interessant geweest? Gelukkig wordt ook het toneelwerk van Reve door Holman kort belicht en dat is nodig omdat het in de vergetelheid was geraakt. Verder zien we Reve in de oorlog aan de gang gaan (met trieste gevolgen!) en komen erachter dat het meesterwerk De avonden maar zeer gedeeltelijk autobiografisch was. Zijn Engelse avontuur wordt een deceptie.
    Het maakt het boek van Holman tot een prachtige opwarmer voor het echte werk en hij heeft ook nooit de pretentie gehad een volwaardige biografie te schrijven. Mooi voor scholieren om kennis te maken met de volksschrijver. Deze recensent heeft inmiddels een hekel aan hem gekregen.

     

  • W.F. Hermans


    Stukje uit de documentaire van Max Pam over W.F. Hermans.