Toen Wessel te Gussinklo vijf jaar geleden na het winnen van de Book Spotprijs voor De hoogstapelaar, voor Literair Nederland werd geïnterviewd, vertelde hij bezig te zijn aan zijn laatste boek. Het werd wel heel lang, te veel bladzijden voor één boek. Daarom dacht hij eraan om het op te splitsen in twee delen. In 2021 verscheen dan ook het lijvige Op weg naar de Hartz en ging men ervan uit dat het zijn laatste was, zeker nadat de auteur op 18 oktober 2023 overleden was.
Maar onlangs, precies een jaar na zijn overlijden bracht uitgeverij Koppernik De uitverkorene uit, het vijfde en onvoltooide deel van de Ewout Meyster-cyclus. Een boek waaraan hij tot de avond voor zijn dood gewerkt heeft. En misschien is het onvoltooide ook in deze zin logisch, Wessel te Gussinklo bleef vervlochten met zijn alter ego en kon er onmogelijk een punt achter zetten. De zoekende Ewout was het symbool geworden voor de met de wereld worstelende Wessel Gussinklo. Bijna veertig jaar lang ging hij op stap met Ewout, als kind en puber die zijn plaats zoekt in De verboden tuin (1986) en De opdracht (1995), en dan na jarenlange stilte de sublieme come-back van Ewout Meyster in De hoogstapelaar (2019) en Op weg naar De Hartz (2021).
Eigenzinnige stijl
Gussinklo bleef altijd op de achtergrond in de literaire wereld en brak nooit echt door bij het grote publiek. Erkenning kwam er pas nadat hij in 2019 de Book Spot literatuurprijs won en twee jaar later de Boekenbon literatuurprijs. Toch kwamen zijn boeken niet op de bestsellerlijsten. Dat is te wijten aan te Gussinklo’s eigenzinnige manier van schrijven. Hij had een zeer eigen en aparte stijl, niet om te plezieren, wel om zijn overtuiging mee te geven. Hij wilde dat wat ongrijpbaar en onpeilbaar was toch naar boven brengen. Hij gebruikte een taal waar anderen al lang afstand van genomen hadden. Zijn diepgaande en haarfijne analyses raken tot in het diepste van de ziel en zijn soms moeilijk te doorgronden. Hij vond zichzelf ook een schrijver pur sang en weigerde mee te gaan in de compromissen waaraan populaire schrijvers zich vaak aan overgeven. Ook in De uitverkorene viert die eigenzinnige stijl weer hoogtij.
In De Uitverkorene bevindt Ewout zich nog steeds in De Hartz, de bijzondere hogeschool met zijn bizarre docenten en studenten die ook onderwerp waren in Op Weg naar De Hartz. Ewout blijft worstelen met zichzelf, maar zijn vriend Meindert probeert zorg te dragen voor hem. Tijdens een lezing van een Duitse professor overstijgt Ewout zichzelf en geeft hij openlijk commentaar. Dat levert hem veel respect op bij de toplieden van het instituut. Tot zijn verwondering wordt hij uitgenodigd tot de hoogste kringen en mag meedenken in de discussies. Tegelijkertijd wordt hij verslonden door een bijna dierlijke lust voor de sensuele Thérèse die steeds zijn pad kruist. Dat De uitverkorene onafgewerkt bleef, is duidelijk.
Onophoudelijke woordenstroom
Het geheel is wat chaotisch en wat meer structuur was zeker gewenst. Maar eens te meer toont het werk de stilistische hoogstandjes die eigen zijn aan Wessel te Gussinklo. Hij schrijft in een onophoudelijke woordenstroom, een stream-of-consciousness, die in een zenuwachtig en opzwepend ritme doorgaat, waardoor je als lezer steeds sneller mee moet lezen en soms naar adem moet happen. De stijl, de woordenschat en het ritme zijn van een onnavolgbare uitmuntendheid. Ewout zet de lezer een spiegel voor van de mens die worstelt met zichzelf en de wereld, die zoekt naar waarheid, maar waarvoor de verlossing steeds uitblijft, hoe hard je het ook probeert.
Wessel te Gussinklo wordt gemist. Ewout Meyster lijkt veroordeeld om voor eeuwig in De Hartz te blijven, of toch niet. In een pakkend nawoord schrijft zijn weduwe Odilia over de laatste dagen. Hoe Wessel tot op het einde doorging, met correcties, aanpassingen, juiste zinswendingen en hoe zij die allemaal opnam. Even voor zijn dood liet hij toch iets los over waar het naartoe ging met Ewout. In een mooi slotakkoord schrijft Odilia hoe zij het vervolg ziet van het personage dat al zo lang de lezer meeneemt op zijn tocht, een visie ingefluisterd door een stervende Wessel te Gussinklo.
Met Wessel te Gussinklo verliest de Nederlandse literatuur een volstrekt unieke stem. Het duurde lang voor de in Utrecht geboren auteur erkenning kreeg. Het stigma ‘miskend genie’ kon zeker op hem gekleefd worden. Toen hij in 2019 de BookSpot Literatuurprijs ontving voor De Hoogstapelaar, leerde ik de schrijver en zijn werk beter kennen. In de eerste week van het nieuwe jaar maakte ik een afspraak met hem voor een interview voor Literair Nederland. Hij nodigde me uit naar zijn woonplaats Kamperland in Noord-Beveland, Zeeland te komen. Het was bar koud, zijn vrouw Odilia zou erwtensoep maken waaraan we ons konden warmen, zo zei hij.
De avond voor ons interview belde Te Gussinklo of we het interview niet per telefoon konden doen. De heisa van de voorbije maanden rond de BookSpot had zijn tol geëist. Hij was moe en had zijn rust nodig. Het werd een telefonisch interview dat enkele uren duurde. Zowel de schrijver als ikzelf genoten enorm van dit onderhoudende gesprek.
Van miskend naar laureaat
Het werk van Te Gussinklo was tot dan toe onder de radar gebleven, de BookSpot had daar verandering in gebracht. Nochtans was te Gussinklo geen onbekende in het literaire wereldje. Na zijn studies psychologie in Utrecht en Zürich besloot hij zich al gauw te wijden aan de literatuur. Hij schreef essays die gekenmerkt werden door hun maatschappijkritiek en zijn eigenzinnige filosofische denkbeelden. Zelf hield hij meer van zijn romans. Het was een lange weg om daar gehoor voor te vinden. Pas na tien jaar vond hij een uitgever voor De verboden tuin (1986), waarvoor hij prompt de Anton Wachterprijs kreeg. In dat boek voert hij voor het eerst Ewout Meyster op, een tienjarige eigenzinnige jongen die leeft in zijn eigen paradijselijke wereld.
Ewout Meyster kan gerust het alter ego van Wessel te Gussinklo genoemd worden en zal daarna nog in nog drie andere boeken verschijnen. De tetralogie rond dit hoofdpersonage wordt ook wel het magnum opus van Te Gussinklo genoemd. In De opdracht (1995) gaat de veertienjarige Ewout naar een zomerkamp voor kinderen van oorlogsslachtoffers. Ewout Meyster probeert door de jaren (en de boeken heen) te ontsnappen aan zijn dominante moeder en afwezige vader. Ook hier zien we de parallellen met de schrijver. Te Gussinklo’s vader werd in 1944 door de Duitsers geëxecuteerd. De opdracht kende meerdere herdrukken, werd genomineerd voor De Gouden Uil en de Libris literatuurprijs en kreeg drie andere literaire prijzen.
Periode van stilte
Daarna wordt het wat stil rond de schrijver. Er worden nog een aantal essays gepubliceerd en als in 2008 zijn toenmalige vrouw sterft door een ongeval, is het gedaan met schrijven. Hij is zijn inspiratie en zijn pen kwijt. Tot hij zijn tweede vrouw Odilia ontmoet. Zij wordt zijn muze en moedigt hem aan opnieuw te gaan schrijven. Wessel te Gussinklo probeert verder te werken aan zijn Ewout Meyster-cyclus, maar het lijkt hem niet te lukken.
Dan verschijnt in 2014 Zeer helder licht. Hijzelf vond dit ongetwijfeld zijn beste roman, maar voelde zich gepasseerd. Hij had, naar eigen zeggen, zonder enig voorbehoud de AKO-literatuurprijs hiervoor moeten krijgen, maar die ging naar Oorlog en terpentijn van Hertmans. Ik kende Zeer helder licht niet, maar na het interview stuurde Wessel te Gussinklo me het boek met een mooie opdracht. Het blijft een van de mooiste herinneringen aan een empathische, en in eerste instantie miskend schrijver.
Het boek is inderdaad een parel, een eigenzinnige, maar luchthartige liefdeshistorie. In 2015 verscheen zijncontroversiële, maar zeer gewaardeerde essay We zullen aan God gelijk zijn. Ondertussen werkte de schrijver ijverig verder aan zijn Ewout Meyster-boeken. In 2019 publiceerde hij, bijna vijfentwintig jaar na het eerste deel, De hoogstapelaar, een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur. Ewout is ondertussen zeventien en een snoever. Een buitenstaander die zijn weg probeert te vinden, die iets wil bereiken en zich vergelijkt met Churchill, Roosevelt en zelfs Hitler.
Dichter bij zijn alter ego komt Wessel te Gussinklo niet. Net als Ewout dweept hij met Sartre: ‘Sartre was voor mij een verlossing. Alle zaken die hij beschrijft, zag en voelde ik ook. Maar die herkende ik niet bij anderen. Die waren allemaal argeloos en naiëf zichzelf, vrolijke jongetjes en kindertjes, ik niet! Ik zat voortdurend te tobben, allemaal vreemde dingen te denken, dat ik gek was of ernstig gestoord. Sartre was helemaal nieuw, modieus, schokkend, verrassend. Ewout is gewoon iedereen voor, hij is een van de weinigen aan de spits van het nieuwe. Ewout herkent zichzelf in de ideeën van Sartre. Hij is niet alleen beïnvloed door hem, hij herkent zichzelf in Sartre. Hij heeft een soort van schok van herkenning in Sartre, wat ikzelf ook heb gehad. Zo zit het dus in elkaar!’
Tetralogie voltooid
En nog was het niet gedaan met Ewout. In Op weg naar De Hartz (2021) maakt hij de laatste keer zijn opwachting. De nu 23-jarige Ewout leert de liefde en de filosofie kennen, maar wordt geteisterd door verraad en bedrog. Te Gussinklo kon de Boekenbonliteratuurprijs zelf niet meer ophalen. Hij was toen al te ziek: een leveroperatie en hartproblemen teisterden zijn toen al tanende gezondheid. Hij bleef echter verder schrijven tot het eind.
Het werk van Wessel te Gussinklo neemt in de Nederlandse literatuur een unieke plaats in. Dat het grote publiek niet volgde, deerde hem niet. Hij vond zichzelf wel de betere literator in ons taalgebied en liet zich wel eens laatdunkend uit over de stijl van Pfeiffer, Uphoff of andere populaire schrijvers. Hij zocht het mediacircus niet op en bleef altijd zijn eigengereide zelve. Hij was evenwel de ideale gesprekspartner, hij nam zijn tijd, bleef geïnteresseerd en schuwde de discussie niet. Zijn dwepen met Sartre en Mulisch en zijn eigendunk maakten hem misschien minder geliefd bij zijn collega’s.
En wat te zeggen over zijn boeken? Zijn moeilijk toegankelijke en ietwat archaïsche stijl hebben een inlooptijd nodig. Eens gewend aan de stijl, word je als lezer omvergeblazen door zijn virtuositeit. Hij ontdoet zijn onderwerp van alle franjes en graaft naar het ongrijpbare en onnoembare. Hij gebruikt daarvoor een taal die volstrekt uniek is, alleen al het woord ‘hoogstapelaar’ getuigt daarvan.
Toen ik hem aan het eind van ons interview vroeg hoe hij wilde dat zijn schrijverschap herinnerd zou worden, antwoordde hij, ‘Ik hoop dat er over mijn schrijverschap gezegd zal worden: hij was de meest kwaliteitsrijke Nederlandstalige schrijver van de afgelopen decennia. Het is wel een steen in een vijver gooien, maar wat Van het Reve al zei: de dingen altijd voor je houden is ook niet goed, dus, nou ja.’
Wessel te Gussinklo overleed woensdag thuis in Kamperland, waar hij sinds 2007 woonde. Hij werd 82 jaar.
Het eigen leven tot onderwerp van haar boeken maken. Dat deed de Franse schrijfster Annie Ernaux al vanaf het eerste boek dat ze in 1974 schreef, over haar kindertijd. Daarna volgden romans over haar adolescentie, haar huwelijk. Ook haar ouders waren met hun individuele wedervaren onderwerp van Ernaux’ literaire aspiraties, zoals de maatschappelijke ontwikkeling van haar vader en de ziekte van alzheimer bij haar moeder. In haar eigen leven waren afzonderlijke gebeurtenissen aanleiding voor een boek. Zo was daar L’Événement (2000), dat in 2004 onder de titel Het voorval werd uitgegeven door Singeluitgeverijen.
Na het succes van De jaren (2020), een vermenging van autobiografische fictie en sociologie, is er nu een derde druk van Het voorval, eveneens in de vertaling van Irene Beckers. Tijdens een heel korte zomerrelatie raakt Annie zwanger. Al snel is ze ervan overtuigd dat ‘dat’ weg moet en ze besluit tot abortus. Een riskante onderneming, want abortussen geschieden dan nog clandestien. De zwangerschap dwingt haar ook na te denken over de relatie met haar moeder en over het feit dat zijzelf leven door kan geven. Neutraal, eerlijk en authentiek beschrijft Ernaux de feiten, zoals ze in al haar negentien boeken doet. Van Het voorval is een film gemaakt die in 2021 in première ging.
Auteur: Annie Ernaux
Uitgeverij: Arbeiderspers 2021
Een winter in Parijs
Het driejarige racepaard Peres duwt per ongeluk tegen de deur van haar stal op het Franse platteland en als de deur opengaat stapt ze naar buiten, ziet iets liggen wat ze kent. ‘Ze bracht haar neus ernaartoe, snuffelde er wat aan en ontdekte het hengsel. Ze pakte de tas op en draafde van het stallenterrein af, de renbaan op. Serieus, dacht ze, voor een paard dat net een lange race met veertien hindernissen achter de rug had, barstte ze eigenlijk nog van de energie. Ze maakte een uitgelaten bokkensprong en brieste.’ Dan gaat het paard op weg, wat het begin is van een avontuur over vriendschap. Jane Smiley schreef met Een winter in Parijs een boek vol vriendelijkheid, troost en hoop, in de trant van Charlie Mackesy’s bestseller De jongen, de mol, de vos en het paard.
In Parijs komt Peres hond Frida tegen, later komen er twee eenden bij en een raaf. Samen scharrelen ze in de winterse kou hun kostje bij elkaar. Als Peres de achtjarige Étienne ontmoet, ontstaat er vriendschap tussen de jongen en het dierengroepje. Étienne smokkelt de dieren die dat willen naar binnen en ook een rat sluit zich aan. De dieren praten samen, zorgen voor elkaar, hebben ieder een eigen taak en ergeren zich soms aan elkaar. Ze hebben alle eigenschappen en gedragingen die mensen ook hebben. Smiley vertelt het verhaal vanuit de verschillende perspectieven van de dieren en de jongen met ieder hun eigen, unieke persoonlijkheid. Het is een lief boek geworden.
Auteur: Jane Smiley
Uitgeverij: Nieuw Amsterdam 2021
De expeditie
Het boek De expeditie schreef Wessel te Gussinklo op verbeten toon al in 1963, in drie maanden tijd. Hij was toen tweeëntwintig jaar. Uitgeverij Koppernik laat het nu voor het eerst in druk verschijnen. Hoofdfiguur Ronald spiegelt zichzelf een helder beeld voor van de volmaakte vrouw. Hij legt het zijn geliefde, Mirjam, dwingend op en verwacht dat zij eraan voldoet. Hij verlangt naar een symbiose, naar een compleet samenvallen met de ander. Maar Mirjam weigert aan dat beeld te voldoen en volgt haar eigen belangen.
In De Groene Amsterdammer zegt Te Gussinklo in januari 2021 over De expeditie: ‘Helemaal per ongeluk, toen ik net tweeëntwintig was, begin ik een verhaaltje te schrijven. Plotseling, zomaar, schoot het uit mij voort. Mijn schrijverschap ontwaakte toen. Ik wist opeens: verdomd, dit is het, dit wil ik met mijn leven.’
Eveneens is in deze uitgave van Koppernik Het meesterwerk opgenomen, een autobiografisch en soms hilarisch verslag over de moeilijkheden en mislukkingen die Te Gussinklo ondervond bij het schrijven, vanaf het voltooien van De expeditie tot aan de publicatie van De verboden tuin. Voor deze tweede roman kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden.
Te Gussinklo, bewonderaar van Dostojewski en Sartre, vindt zichzelf meer een schrijver van inzichten dan van verhalen. Zijn thema’s zijn veelal de strijd met het dagelijks bestaan, macht, ideologieën, tirannen, beelden en visioenen. In 2021 won hij de Boekenbon Literatuurprijs voor Op weg naar De Hartz, het vierde deel van de romancyclus over zijn alter ego Ewout Meyster.
De jonge uitgeverij Koppernik, opgericht in 2014 door Bart Kraamer en Chris de Jong, afficheert zich als onafhankelijk en is gericht op eigenzinnige boeken die gedurfd en uitdagend zijn. Waar zit die uitdaging precies in en wie zijn de mensen achter deze eigenzinnigheid? Adri Altink sprak voor Literair Nederland met Chris de Jong, een van de uitgevers van Koppernik.
We ontmoeten elkaar in Haarlem. De door Chris de Jong voorgestelde wandeling zit er door de weersomstandigheden niet in. Aanhoudende regens houdt de mensen binnen, het plein voor de Sint-Bavo ligt er net zo verlaten bij als de Piazza del Duomo in Milaan door het coronavirus. We gaan naar Grand Café Brinkmann aan de Grote Markt, waar al snel een geanimeerd gesprek ontstaat.
Hoe is de uitgeverij ontstaan?
‘Ik had zelf een roman geschreven die ik naar Meulenhoff had gestuurd; Bart Kraamer werd daar mijn redacteur. Een reorganisatie bij Meulenhoff zorgde er echter voor dat hij boventallig werd en mijn debuut niet doorging. We hielden er wel een vriendschap met elkaar aan over. Boeken en literatuur bepaalden onze gesprekken en we zaten vol ideeën over literatuur die bij uitgevers geen kans krijgt. Tot iemand ons het laatste zetje gaf met de vraag: waarom beginnen jullie zelf geen uitgeverij?’
En dat werd Koppernik. Hoe kwamen jullie aan die naam?
‘Die was een idee van Bart. Hij had Doctor Copernicus van John Banville gelezen en was daarvan onder de indruk. Koppernik of ook wel Kopernik was de oorspronkelijke naam van de Poolse astronoom die een wetenschappelijke revolutie veroorzaakte door het geocentrische denken te verlaten tegen de druk van zijn tijd en zijn geloof in. Een radicaal andere manier van kijken, zoals ook wij anders naar de boekenmarkt kijken’.
Waar zit dat in, die revolutionaire blik van jullie?
‘Wij geloven dat de commercie veel te bepalend is in de huidige boekenwereld. Zonder bestsellers kan een uitgeverij niet gedijen en als een uitgever dan al eens overweegt om een vernieuwende en minder bekende, misschien ook wel minder toegankelijke, auteur aan te durven, dan hijgt onmiddellijk de verkoopafdeling in zijn nek. Dat gaat ten koste van veel kwalitatief goede literatuur waarvan wij vinden dat die de lezer wat nieuws te zeggen heeft. Wij willen juist die boeken aantrekkelijk presenteren en verleidelijk maken. We kiezen daarbij vooral voor de stijl. Die moet uitdagend zijn, gedurfd en oorspronkelijk. Dat zegt nog niets over de thematiek. Ze kunnen gaan over zaken die we in de mainstream literatuur ook tegenkomen, zoals onderdrukking, misbruik, klimaat, politiek en dergelijke. Maar voor ons moet de stijl waarin die thema’s worden benaderd een heel persoonlijke zijn’.
Waarin verschilt jullie aanpak van gevestigde grote uitgeverijen?
‘Wij vormen met zijn tweeën de hele uitgeverij. We doen alles zelf: de selectie, de redactie, de opmaak, de administratie enzovoort. We hebben ook alleen vertegenwoordigers in dienst die ons fonds aan de man brengen. We hebben zelfs geen pand. Vergaderen hoeven we nauwelijks omdat we met zijn tweeën een heel korte lijn hebben en gesprekken met schrijvers of met interviewers, zoals nu met jou, houden we in een café of ergens anders. Onze werkkamer is het huis van Bart. Daar is het een opeenstapeling van paperassen, dummy’s en administratieve verwerking. En boeken natuurlijk’.
Wat opvalt is de herkenbare vormgeving van jullie uitgaven. Er zit een duidelijke verstilling in gebaseerd op gedempte kleuren met af en toe penachtige tekeningen. Ze zijn een heel eigen signatuur. Komt die ook uit jullie handen?
‘Het idee voor de omslagen is meestal wel van ons zelf. Dat kan een beeld zijn dat we in ons hoofd hebben, maar soms baseren we ons, bij vertalingen bijvoorbeeld, op de oorspronkelijke uitgaven. Soms maken we daarna het omslag zelf, maar vaak doen we daarvoor ook een beroep op een bevriende kunstenares, Anouk Martijn. Ik vind het leuk dat je onze uitgaven al aan de omslagen herkent. Dat willen we ook, een kenmerkende illustratieve stijl, maar ook een strakke belettering die we steeds gebruiken. We hebben daar overigens wel een ontwikkeling in doorgemaakt. In het tweede jaar van ons bestaan zijn we wat dat betreft de fout ingegaan. Terugkijkend vind ik dat we toen kozen voor te felle kleuren; we waren iets te schreeuwerig. Ik ben blij dat we daar van afgestapt zijn’.
Er spreekt ook uit dat jullie het papieren boek als kunstvoorwerp belangrijk vinden. Bijna niets van jullie is als e-book verkrijgbaar.
‘Dat klopt, en dat heeft inderdaad een ideële reden. Het produceren van een e-book kost nauwelijks geld, dus daarvoor hoeven we het niet te laten. Maar het gaat wel ten koste van zaken zoals een bladspiegel, het wit in een tekst, de regelval en andere zaken die het boek tot een kunstwerk maken. En er is nog iets: onze boeken hebben een zachte cover. Een enkele keer levert dat problemen op, zoals bij nominaties voor een prijs of bij een bekroning. Toen Wessel Te Gussinklo vorig jaar de Bookspotprijs won, moesten we de omslagen van zijn bekroonde De Hoogstapelaar aanpassen omdat er stickers op moesten kunnen. Uit respect voor het boek zul je onze uitgaven ook niet in de ramsj vinden’.
Dat zijn mooie idealen, maar er moet natuurlijk wel brood op de plank.
‘Natuurlijk nemen we risico’s. Maar door onze grote zelfwerkzaamheid springen we er met een verkoop van tweeduizend exemplaren al goed uit. Alles wat meer is, geeft weer ruimte voor nieuwe plannen. Van De Hoogstapelaar verkochten we er bijvoorbeeld na het winnen van de Bookspotprijs veel meer en nu het op de shortlist van de Librisprijs staat loopt het misschien nog beter. Het aantal uitgaven is beperkt. We doen er twaalf per jaar met een enkele uitschieter tot vijftien à achttien. Onze eerste uitgave in 2014 was Zeer helder licht van Wessel Te Gussinklo. Bart kende hem goed en toen zijn plan om essays uit te geven bij zijn eerdere uitgever niet aansloeg koos hij voor ons. De roman werd meteen genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Dat was natuurlijk een geweldige binnenkomer voor ons als nieuwe uitgever. We hebben daarna eigenlijk nooit te klagen gehad over aandacht. Uitgaven van ons werden goed gerecenseerd en enkele romans haalden VPRO Boeken en het panel van DWDD. Ons concept slaat dus duidelijk aan. Sinds vorig jaar hebben we zelfs een investeerder, al hebben Bart en ik nog altijd een meerderheidsbelang wat aandelen betreft. Mocht het eens wat slechter gaan’ (hij grinnikt), ‘dan zijn we niet te beroerd om de handen op een andere manier uit de mouwen te steken. Bart vertaalt bijvoorbeeld uit het Zweeds en ik ben handig in kluswerk in de bouw. Maar dat heb ik al een tijd niet meer hoeven doen’.
Hoe komen jullie aan je titels?
‘We lezen veel, niet alleen romans, poëzie en essayistisch werk, maar we volgen ook literaire bladen en bezoeken beurzen. Bij die gelegenheden steken we veel tijd in persoonlijke contacten. We wijzen elkaar voortdurend op belangwekkende boeken die niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Het komt ook nogal eens voor dat vertalers ons tippen en een boek bij ons onder willen brengen. We laten ons niet afleiden door bekroningen, maar zoeken eerder naar werk dat volgens ons ten onrechte onder de radar blijft.’
En de manuscripten?
‘Die krijgen we behoorlijk veel, maar ze zijn in onze ogen zelden gedurfd genoeg. Ik schat dat we er in een jaar een paar honderd binnen krijgen, maar in slechts één geval hebben we dat debuut ook daadwerkelijk uitgegeven’.
Tijdens het gesprek pakt De Jong een paar keer zijn telefoon om te laten zien op welke uitgaven hij het meest trots is: het pas verschenen De Tanners van Robert Walser uit 1907, De wetten van water van Cynan Jones, Onder het water van Daisy Johnson, en werk van Rilke en Huub Beurskens.
En die roman waarmee het allemaal is begonnen, mogen we die nog verwachten?
(Weer een glimlach) ‘Ik weet het niet. Maar als hij er komt breng ik hem ergens anders onder. De uitgeverij is er niet om mezelf op het podium te zetten.’
Klik hier voor een blik op alle uitgaven van Uitgeverij Koppernik.
Wessel te Gussinklo won onlangs de BookSpot Literatuurprijs en werd overstelpt met interviews, tv-optredens en fotografen. De drukte van de voorbije maanden heeft zijn sporen nagelaten. Daarom vindt dit interview via de telefoon plaats. De schrijver heeft behoefte aan rust, om ongestoord te werken aan het vervolg van zijn tetralogie rond Ewout Meyster, het hoofdpersonage van zijn debuut De verboden tuin (1986), gevolgd door De opdracht (1995) en De hoogstapelaar (2019). Voor zijn eersteling, De verboden tuin, kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden. Nadat het verscheen, kreeg het onmiddellijk de Anton Wachterprijs. Na het succes van De opdracht bleef het lange tijd stil rond de schrijver, maar dat had zo zijn redenen. Na zijn hele leven in de buurt van Utrecht te hebben gewoond, verhuisde hij in 2007 naar Kamperland in Zeeland en bouwde, ver van alle drukte, een nieuw leven op.
Voor het grote publiek bleef deze schrijver lange tijd onder de radar. Het winnen van de BookSpot Literatuurprijs bracht daar verandering in. Een gesprek met een literator pur sang, over het winnen van literaire prijzen, De hoogstapelaar en zijn schrijverschap.
De hoogstapelaar was een onverwachte winnaar. Heeft u dat verrast?
‘Dat ik gewonnen heb pleit voor de kwaliteit van de jury. Naar relevantie was het boek van Manon Uphoff door de hele MeToo beweging die iedereen bezighoudt, misschien wel de favoriet. En met het hele mediacircus rondom en de populariteit van Buwalda, gaf ik mezelf weinig kans. Zo ging het tenminste in 2014. Ik deed toen mee voor de AKO-literatuurprijs met Zeer helder licht. Er was toen het boek Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans, precies 100 jaar na de Eerste Wereldoorlog, en dat won.’
Hoe komt het dat uw boeken nooit het grote publiek hebben bereikt.
‘Ja, ik heb een ingewikkelde naam en ben Noord-Nederlands, en ik kom nooit op tv. Heb dat ook een aantal keren geweigerd na de dood van mijn eerste vrouw en dan vragen ze je niet meer. Daarna schreef ik enkel essays wat niet zo populair is. Bovendien woon ik niet in de buurt van Amsterdam, heel bewust. Dat betekent dat er weinig gerefereerd wordt aan mij. Ik behoor tot de zogenaamde ‘stervende’ schrijvers, zij die niet op tv komen. Gelukkig heb ik genoeg kwaliteit om te blijven drijven. Belangrijk voor mij is mijn boeken te kunnen schrijven, ze zo goed mogelijk te schrijven. Succes is natuurlijk leuk en aardig, maar tevreden zijn met jezelf, met wat je doet, is het hoogste. Je bent natuurlijk nooit echt tevreden. Maar wel zo tevreden als het kan, ik heb het gevoel dat ik de laatste jaren er wel uithaal wat er in zit.’
In De hoogstapelaar is Ewout Meyster weer hoofdpersonage. Er zit vierentwintig jaar tussen De opdracht en deze laatste roman. Waarom duurde het zo lang ?
‘Kijk, in 1998 overleed mijn eerste vrouw. Toen was de poëzie uit mijn leven verdwenen. Ik kon alleen nog essays schrijven. Het emotionele bestaan, de blik op het bestaan in de ruimste zin, heeft in veel opzichten toch ook met liefde te maken. Als de binding met het leven, de liefde, de menselijke samenhang weg is, dan ben je een soort van buitenstaander, die essayistisch toekijkt. Ik had geen romans meer in mij. Toen kwam ik Odilia tegen, en zo kwam alles langzaam weer op gang. Een andere vrouw, met een andere blik en een ander temperament, maakte mij toch weer scheppend.”
Is Odilia uw muze?
“Absoluut. In 2013 kwam het schrijven weer wat op gang. Het was niet eenvoudig, het was ook weer een emotioneel heroriënteren. Ik had daarvoor al een paar keer geprobeerd het vierde deel te schrijven, het vervolg op De hoogstapelaar. Twee keer probeerde ik het, maar kwam niet verder dan één bladzijde. En toen, in 2013, lukte het weer met Zeer helder licht. Mijn vrouw kan mijn boeken beoordelen. Als schrijver zie je de onderkant van het tapijt, zie je de losse knoopjes, de verkeerd gespannen draden, maar de bovenkant, dat wat gezien moet worden, dat zie je als schrijver niet. Mijn vrouw is de eerste lezer of beter, luisteraar. Elke dag als ik wat geschreven heb, lees ik het haar voor om te weten wat ze ervan vindt, maar ook om het zelf te horen.’
Waarom deze bijzondere titel ‘De hoogstapelaar’. Een woord dat velen niet kennen. In het woordenboek staat ‘blaaskaak, snoever’, maar het refereert uiteraard aan ‘Bekentnisse des Hochstaplers Felix Krull’ van Thomas Mann.
‘Het past wel bij Ewout Meyster, het is een snoevertje, een opscheppertje. Hij zit nog in een soort van vacuüm voor de volwassenheid. Daarbij kom je in hiërarchieën, dictatoriale en meedogenloze structuren die alles kapot maken. Hoe groot je kwaliteiten ook zijn, je wordt gemeten en beoordeeld. Je moet op alle mogelijke manieren jezelf stroomlijnen om je plaats te kunnen veroveren. Dat gebeurt evenwel nog niet in de puberteit. Dan kijk je nog naar die volwassenheid. Dan denk je hoogstens zoals jihadisten, lieden van de ETA, of IRA, “de wereld moet heel anders en die volwassenen hebben alles verkeerd gedaan. We moeten alles opnieuw doen.” Zo kijk je als puber tegen het leven aan. Daarna kom je in het echte leven terecht en moet je je aanpassen. Binnen de bestaande structuren je plaats zien te vinden. Maar een puber is een buitenstaander.’
Ewout Meyster zit op die grens, hij is zeventien, bijna achttien. Hij worstelt met het volwassen worden, maar tegelijkertijd geeft hij ook advies aan zijn ‘vrienden’ over hoe ze het moeten aanpakken. Het is heel dubbel voor Ewout.
‘Kijk, hij is zichzelf aan het scheppen als een echt baasje. Hij geniet niet voor niks van die foto’s van bekende en beroemde mensen. “Als volwassene wil ik worden als Churchill, als die of die dirigent. Een machtig persoon wil ik worden als volwassene, ik begin nu alvast te oefenen.” Dat is eigenlijk wat hij aan het doen is. “Ik ga een kereltje van belang worden.” En die zogenaamde vrienden, zijn natuurlijk geen vrienden. Dat zijn pionnen waarmee hij schaakt in het leven. Hij heeft die nodig. Neem nu die Meindert. Die heeft hij nodig om zichzelf te bewijzen dat hij superieur is aan hem. Zo probeert hij alles een beetje uit, en dat laat hij dan weer op anderen. Het zijn geen vrienden, maar allemaal oefenmodellen om het kereltje te worden dat hij graag zou willen zijn.
Je hebt het over oefenmodellen. Ewout groeit op zonder vader. Is het niet zo dat hij de hele tijd op zoek is naar een rolmodel, een voorbeeld om zich aan te spiegelen?
‘Hij heeft de ellende dat hij geen vader heeft en dus ook geen begrenzingen. In zekere zin moet hij zijn eigen vader zijn, een soort Baron van Münchhausen die zichzelf uit het moeras omhoog moet trekken. Een vader is een voorbeeld waaraan je je optrekt, maar hij heeft niks. Hoogstens een aantal verre vaders als Churchill, Roosevelt en een beetje Hitler en foto’s van dirigenten en andere belangrijke mannen. Dat zijn abstracte vaders. Dat zijn de modellen waarmee hij speelt. Die kant moet het uit. En dat is natuurlijk idioot. Dan denkt hij, “Hoe houden ze het vol, elke dag hetzelfde.” Terwijl hijzelf ook een kunstenaar is, maar dat weet hij nog niet. Zijn eigen kunstwerk is hijzelf. Dan is hij na alle creatieve vondsten aan het eind van de avond hartstikke moe, uitgeput, moet hij snel naar bed. Zoals elke kunstenaar als hij iets gemaakt heeft. Neem die jazzkelder bijvoorbeeld. Hij heeft daar strapatsen gemaakt en volgens hemzelf heel bijzondere dingen gedaan, maar dan is het ineens op. Hij kan zichzelf, net als een kunstenaar, niet herhalen. Dan glijdt hij weg in een halve schemertoestand, een apathische bewustzijnsverlaging.’
Ewout dweept ook met Sartre. Hoewel hij enkel flarden van zijn werk heeft gelezen, pakt hij daarmee uit tegenover anderen.
‘Hij kan ze overbluffen met Sartre. Dit is ook een vorm van kunst. Hij haalt Sartre aan en iedereen zit sprakeloos naar hem te kijken. Goh, dat-ie dat allemaal weet. Dat is de enige kennis die hij heeft, want verder weet hij helemaal niks.’
Daarmee is het boek een mooi voorbeeld van het existentialistische principe ‘L’enfer, c’est les autres’ ofwel, Eerst besta je, daarna word je pas iemand.
‘Ik ben Sartre pas grondig gaan lezen rond mijn dertigste. In mijn essaybundel Aangeraakt door Goden (2003) heet het eerste deel “Sartre als verlosser”. Sartre was voor mij een verlossing. Alle zaken die hij beschrijft, zag en voelde ik ook. Maar die herkende ik niet bij anderen. Die waren allemaal argeloos en naiëf zichzelf, vrolijke jongetjes en kindertjes, ik niet! Ik zat voortdurend te tobben, allemaal vreemde dingen te denken, dat ik gek was of ernstig gestoord. Hij sprak dat tegen. Sartre was een verlossing voor mij: ik ben niet gek, ik ben geen melaatse, ik ben niet iemand die niet van andere mensen houdt, die allemaal rare en warrige gevoelens heeft. Ik ben zoals Sartre beschrijft hoe mensen zijn, wat een opluchting was. Daarna kwamen Nietzsche en Freud, Jung, Adler. De hele psychologie. Sartre was nieuw, modieus en schokkend. Ewout is in zijn tijd gewoon iedereen voor. Hij is een van de weinigen aan de spits van het nieuwe. Ewout is niet alleen beïnvloed door hem, hij herkent zichzelf ook in Sartre.’
Is ‘De hoogstapelaar’ autobiografisch?
‘De hoogstapelaar is het meest autobiografisch. Het blijft natuurlijk een roman. Er staan heel veel zaken in die helemaal niet autobiografisch zijn, maar die de dwang van het verhaal zijn. Het type is wel autobiografisch: zo’n verwende zwelbast was ik ook op die leeftijd. Later leert het leven je wel andere dingen, maar op een bepaalde leeftijd leek ik er toch wel sterk op.’
Hoe gaat het verder met Ewout Meyster. Komt er nog een vierde deel?
‘Ik ben zeer druk in de weer met het vierde boek. Daar was ik eigenlijk al eerder mee bezig. Van dit derde boek heb ik heel lang gedacht, dat schrijf ik niet, dat sla ik gewoon over. Maar uiteindelijk heb ik het dan toch geschreven tot voldoening van mezelf. Maar het was eerst niet mijn plan. Dat vierde deel was ik al begonnen ergens rond 2010, maar zoals gezegd, dat lukte toen niet. Tot tweemaal toe. Maar dezelfde insteek die ik toen had, heb ik nu wel opnieuw hernomen.’
Heeft u een bepaald schrijfpatroon of -ritueel?
‘Ik schrijf in de ochtend. Vroeger niet. Toen schreef ik aan het eind van de dag. Was ik me een hele dag aan het voorbereiden en schreef aan het eind van de dag, als een soort ontlading mijn bladzijden. Sinds ik in 2013 weer begon met romanschrijven, begin ik meteen als ik opsta. Dan ben ik het meest vitaal. Dan zit ik eerst een uurtje te staren, in de materie te kruipen en daarna schrijf ik één à twee, soms drie bladzijden. Daar doe ik gemiddeld vier uur over, het varieert een beetje. Op die manier, door in de ochtend te schrijven, is mijn dag gered en heb ik daarna vrije tijd.’
Staat een boek al op voorhand vast of werkt u met een plan?
‘Van het verhaal zelf staan alleen de grote lijnen vast, verder niets. Het ontwikkelt zich geleidelijk aan. Na een episode van De hoogstapelaar bijvoorbeeld, moest ik mezelf gaan corrigeren omdat ik niet meer wist hoe het verder moest. Al corrigerend schoten mij weer dingen te binnen en had ik me weer verdiept in de materie en wist ik weer hoe ik verder moest. Mijn meeste romans zijn een verhaal dat doorloopt, met een begin en een eind. De hoogstapelaar is natuurlijk een episodeboek, wat Peter Buwalda vergeleek met De avonden van Reve. Stukje na stukje, zonder een echt verhaal. De enige constante is de aanwezigheid van Ewout Meyser.’
Het hele boek is een monologue interieur in het hoofd van Ewout Meyster. Was dat een bewuste keuze?
‘Nee, of ja, misschien toch wel. Ik kan er op deze manier ironie en het bizarre in kwijt, maar dat is zo gegroeid. De verwerking van het materiaal, dat wat ik voor ogen heb, is deze stijl, een beetje hyperbolisch met aanstellerij, met versieringen die zowel ironisch zijn als evocatief. En wat natuurlijk nodig is: aanwezigheid scheppen. Wat Mulisch bijvoorbeeld zei: “Naast de ster kijken, dan zie je de ster het scherpst.” Wat ik doe is het raadselachtige, het onzichtbare een beetje omcirkelen, dan ernaast kijken om iets zichtbaar te maken.’
In het begin is Ewout aanstellerig en absoluut geen leuk personage. Naarmate het verhaal vordert, word je hem, krijg je medelijden met hem. Dat is een verdienste van de stijl.
‘Dat is ook de bedoeling. Dat je in zijn werkelijkheid kruipt, zijn kijk op de dingen, op het bestaan. Zo leef je, zo moet je leven. Met alle hindernissen, alle problemen, maar ook alle mogelijkheden. Hoe leef je met jezelf en met de wereld. Je gaat mee met zijn blik op het wezenlijke, ook al is het een zeer subjectieve blik van dat ventje.’
Is Ewout een zielig figuur of gewoon een puber die opgroeit?
‘Hij is een normale puber die amoreel, meedogenloos kijkt naar de dingen, uitprobeert, en zonder vooroordelen is. Hij heeft een kille blik op de dingen, maar wel met af en toe een verzachtend moment als hij muziek draait. Het paradijs zal komen, maar eerst moet hij ontzettend zijn best doen.’
Hoe zou u willen dat er op uw schrijverschap wordt teruggekeken?
‘Ik ben in zekere zin een schrijver die niet in de grote lijn past. Ik schrijf iets dat afwijkt en in veel opzichten dieper gaat dan wat normaliter geschreven wordt. Mijn werk is intens, het roept veel op. Ik probeer de diepte naar de oppervlakte te brengen. Vandaar dat mijn stijl ook breed uitwaaiert: bizar, spottend, beschrijvend, nadenkend, vrij diepe lagen onmiddellijk beleefbaar makend. Ik hoop dat er over mijn schrijverschap gezegd zal worden: hij was de meest kwaliteitsrijke Nederlandstalige schrijver van de afgelopen decennia. Het is wel een steen in een vijver gooien, maar wat Van het Reve al zei: de dingen altijd voor je houden is ook niet goed, dus nou ja.’
Auteursfoto verkregen via uitgeverij Koppernik.
De hoogstapelaar werd uitgegeven bij uitgeverij Koppernik, net als zijn andere titels.
Twee gelukkige schrijvers sleepten vanavond de Bookspot Literatuurprijs in de wacht. Sjeng Scheijen met de De avant-gardisten (Prometheus) in de categorie non-fictie, die dit jaar voor het eerst werd uitgereikt, en Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar (Koppernik) in de categorie fictie. Eerder deze week won Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar al de Zeeuwse Boekenprijs 2019. De Bookspot Literatuurprijs is een van de belangrijkste literaire prijzen in het Nederlandstalig gebied. Beide schrijvers winnen elk een geldbedrag van 50.000 euro.
De prijzen werden door Winnie Sorgdrager, voorzitter van de Stichting Jaarlijkse Literatuurprijs, uitgereikt tijdens een literaire avond in de Centrale Bibliotheek in Den Haag.
Webwinkel Bookspot kent ook een Bookspot Lezersprijs, die vorige week gewonnen werd door Peter Buwalda met Otmars zonen en gisteren won Manon Uphoff met haar roman Vallen is als vliegen de BookSpot Scholierenprijs 2019.
De overige genomineerden voor fictie waren Nicolien Mizzee met Moord op de moestuin (Nijgh en van Ditmar) en Marente de Moor met Foon (Querido).
De overige genomineerden voor non-fictie waren Mirjam van Hengel met Een knipperend ogenblik (Bezige Bij), Lieve Joris met Terug naar Neerpelt (Atlas Contact), Maaike Meijer met Hemelse mevrouw Frederike (Bezige Bij) en Thomas Rueb met Laura H. (Das Mag). Zij ontvangen ieder een geldbedrag van 2.500 euro.
De jury van de BookSpot Literatuurprijs bestond dit jaar uit: Jan Dertaelen, boekverkoper bij De Groene Waterman in Antwerpen en recensent; Maite Karssenberg, auteur en historica; Sebastiaan Kort, recensent voor NRC; Maartje Kroonen, boekverkoper bij Boekhandel Bijleveld te Utrecht; Daan Stoffelsen, boekverkoper, recensent en hoofdredacteur van literair tijdschrift De Revisor; Jelle Van Riet, literair journaliste voor De Standaard; Jeroen Vullings, literatuurcriticus Vrij Nederland en Nieuwsweekend.
Onlangs verscheen De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo, de derde roman over de Utrechtse jongen Ewout Meyster. Hij is daarin 17 jaar oud. Zijn intrede in de literatuur deed deze Ewout in 1986 in De verboden tuin, waarin hij ongeveer 10 jaar is. Het vervolg was De opdracht uit 1995. Daarin volgen we het personage als 14-jarige in een zomerkamp op De Veluwe. Die roman vielen diverse prijzen ten deel (onder andere de ECI), en De verboden tuin werd gelauwerd met de Anton Wachterprijs voor debutanten. De hoogstapelaar is opnieuw bejubeld, in de kranten althans.
De opdracht is nog steeds te koop, maar dat gold niet voor Te Gussinklo’s debuutroman. Daarin is nu voorzien door de derde druk van De verboden tuin. Daarmee is de hele cyclus weer binnen bereik voor de literaire doorzetter. Want dat moet gezegd: gemakzuchtige lezers zullen licht stranden in de drie romans.
Zwartleren portemonnee De verboden tuin is geen gewone vertelling. Eigenlijk gebeurt er zelfs bijzonder weinig. Te Gussinklo trekt ons al vanaf de eerste zin in de binnenwereld van Ewout waaruit we niet meer weg kunnen vluchten. Eigenlijk is de roman één monologue intérieur vanuit de gemoedsbewegingen van de tienjarige hoofdfiguur. Dat we over hem lezen in de derde persoon werkt bovendien nog eens vervreemdend en toch lijkt dat een goede keuze. Als de roman de ik-vorm had gehad zou dat te zelfbewust zijn overgekomen. Het ontbreekt Ewout namelijk aan helder inzicht in zichzelf. Hij wordt voortdurend belaagd door gebrek aan zelfvertrouwen, twijfels en fantasieën die hem grip op de werkelijkheid moeten geven waar hij zich niet in thuis lijkt te voelen.
De eerste zin is kenmerkend voor de roman: ‘Toen hij de trap afkwam zag hij de zwartleren portemonne van zijn moeder op de kapstok liggen en meteen bonkte er iets in hem en hij bleef roerloos staan zonder dat hij precies wist waarom. Op slag was het van hem afgevallen; het gevoel van onbehagen, de verveling, het gevoel niets meer te herkennen.’ Alles dat de komende hoofdstukken zal gaan beheersen zit er in: de verveling en doelloosheid, de plotselinge omslagen in de gemoedstoestand, de detaillering (niet gewoon een portemonnee, nee heel precies een zwartleren), de verleiding om een verboden daad te stellen. Gaat hij geld stelen? En waarom?
Verrukte glimlach
Die eerste zin heeft iets geheimzinnigs. In de roman, die uit twee delen bestaat, komt het woord ‘geheim’ of ermee verwante begrippen tientallen keren voor. Ewout doet dingen waarvan het spannende voor hem is dat hij zelf de enige is die ervan weet: een kettinkje zo verstoppen in een bosje struiken ‘dat niemand het weet te vinden’; een waterstroompje bedekken met takjes en graspolletjes ‘zodat het een onderaards riviertje was geworden dat niemand kon zien’. Hij fantaseert over tuintjes die hij aanlegt, over het houden van paarden, over het bezit van een boerderij. Over het bereiken van iets groots.
Ewout heeft op school een kringetje van vrienden waar hij zich niet echt aan kan hechten. Hij wil invloed op ze hebben, bepalen wat er gebeurt, maar voelt zich vaak door hen uitgelachen (in die scènes heeft Ewout veel weg van een autist). Wat hij in de werkelijkheid niet kan bereiken probeert hij in de greep te krijgen in fantasieën die vaak destructief zijn. Zijn beste vriendje is Hennie, maar ook in contacten met hem blijft Ewout de eenzelvige jongen die zich voortdurend afvraagt wat de betekenis is van het leven en de gebeurtenissen en dingen om hen heen. Meisjes zijn al helemaal onbenaderbaar; ‘Het leek of ze intens maar heel gelukkig met iets bezig waren dat zo geheim was, zo verborgen dat niemand het wist, een geheim dat ze voor zichzelf hielden, waar ze blij om waren, en voortdurend aan dachten. Er hing iets stralends, iets onkwetsbaars om ze heen, iets als een ononderbroken zachte verrukte glimlach, alsof ze een wonder verwachtten, uitkeken naar een schitterend geluk dat alles zou vervullen, een geluk waarvoor ze gereed waren om het te ontvangen, en dat voor hem verborgen bleef’.
Spiegeling
Ewout leeft alleen thuis met zijn moeder. Zijn vader is in de oorlog door de Duitsers doodgeschoten, iets waarop enkele keren wordt gezinspeeld maar dat pas tegen het einde van de roman feitelijk duidelijk wordt. De twee delen van de roman zijn een spiegeling van elkaar, niet alleen omdat ze beide negen hoofdstukken tellen, maar ook door twee verhalen die een verwantschap hebben. In het eerste deel is de centrale gebeurtenis dat Ewout, die inderdaad geld steelt uit de portemonnee van zijn moeder, enkele Dick Bosboekjes koopt; lectuur waarmee zijn moeder hem niet wil zien. Ze vormen één van zijn geheime werelden die hij in een mengeling van schuldbesef en trots op zijn durf moet verdedigen als zijn vriendje Hennie ze ontdekt. Maar nog erger als zijn moeder er achter komt. In een scène die doet denken aan Ciske de Rat wiens moeder een boek kapot maakt dat Ciske van een vriendje heeft gekregen, verscheurt Ewouts moeder ook de boekjes van Dick Bos. Het leidt tot driftbuien en fantasieën waarin hij zijn moeder de gemeenste dingen laat overkomen.
In het tweede deel staat de verliefdheid van Ewout op klasgenootje Hanneke centraal. Ook nu weer zijn de gevoelens die hij voor haar koestert een strikt persoonlijk geheim waaraan hij geen gevolg kan geven. Anders dan bij de boekjes van Dick Bos zal hij nu echter wel degelijk contact moeten maken om zijn hunkering naar haar in daden om te zetten. Terwijl hij zich overdag ergert aan de vieze praatjes van zijn vrienden over seks met Hanneke, fantaseert hij ’s nachts over hoe hij haar in zijn macht kan krijgen door haar naakt aan een boom te binden. Zijn ontluikende amoureuze gevoelens zijn de verboden tuin waarop de titel van de roman doelt.
Proustiaans Op die manier samengevat kan de indruk ontstaan dat De verboden tuin een toegankelijk verhaal is. Dat is niet zo. We zitten de hele roman in het hoofd van Ewout en varen dus mee op zijn grillige gemoedsstromen. Gedachten worden vaak midden in een zin alweer onderbroken door bedenkingen, tegenreacties die Ewout vreest en vragen naar de betekenis van zijn leven. Dat levert hoekige zinnen op en lange Proustiaanse overpeinzingen. Daarin duiken toespelingen op op gebeurtenissen waarvan de lezer op dat moment nog geen weet heeft. Het is dan ook een bijzonder knappe Bildungsroman over een onzekere maar ambitieuze jongen (in Ewouts achternaam Meyster echoot natuurlijk Wilhelm Meisters leerjaren van Goethe door), die volledige overgave van de lezer vergt aan een weerbarstige stijl.
Alleen maar ervaren en gewaardeerde Nederlandse schrijvers, deze week in de Oogst.
In Vallen is als vliegen valt de zestien jaar oudere zus van de hoofdpersoon, uitgehongerd en uitgedroogd, van de trap en sterft. Dat doet de woede van de schrijfster ontbranden. De dood van Henne Vuur, ooit haar ‘schaduwmoeder’, dwingt haar een gruwelijk en angstwekkend verleden onder ogen te zien.
De nieuwe roman van Uphof begint direct met die val:
‘Henne Vuur
Op 13 november van het jaar 2015 viel Henne Vuur van de trap en stierf, enkele uren vóór een groep uitgaande jongeren in de Bataclan te Parijs voorgoed weerhouden werd van verdere onschuldige uitstapjes.
Henne Vuur was mijn zus. Mijn moeders eerstgeborene.
Ze lag onderaan de trap en weigerde de ambulance. Ondanks aandringen van arts en ambulancemedewerkers om zich te laten opnemen in het ziekenhuis, aangezien ze ernstig ondervoed was en uitgedroogd.
Ik had haar in geen jaren bezocht en wist niet eens wat haar adres was. In mijn leven was ze weinig meer dan een terugkerend moment van bespotting op onze jaarlijkse Familiedag van de Doden. Moest je ze nou eens zien: die moeder, altijd en eeuwig met haar volwassen zoon in zijn hakke-hakke-puf-puf-invalidenwagentje. Deed het niet denken aan Psycho? Wat een bizar en ongelooflijk paar!’ […]
Auteur: Manon Uphoff
Uitgeverij: Querido
De onverwachte rijkdom van Altena
Jan van Mersbergen viert op vier april a.s. vanaf 17.00 uur de presentatie van zijn nieuwe roman bij boekhandel Athenaeum op het Spui in Amsterdam.
In een dorp verschijnt een persoon met de mededeling dat de man is overleden die dertig jaar eerder een geliefd meer door een hek liet omheinen en afsluiten. Waarom deed hij dat? De dorpelingen denken dat hij voor zichzelf deed. Maar is dat zo? Diens dochter komt vervolgens met de sleutel van het hek.
Het boek begint als volgt:
‘1 horizontaal: Beloning voor de portier
Er staat een Chinees voor de cafetaria.
Dat is niet een van de opgaven van de puzzel die hier voor me ligt, al zou het ervoor door kunnen gaan. Ik denk aan iets heel anders en dat begon met die Chinees, bij de cafetaria. Daarvoor gebeurde er veel en daarna gebeurde er nog veel meer, geloof me, maar het werd in gang gezet door die oude Chinees op het stoepje.
Het zou iets met bami kunnen zijn, als die Chinees een crypto was, of met mayo. De eerste opgave van deze puzzel, één horizontaal, is: Een beloning voor de portier.’ […]
De uitgeverij: ‘De onverwachte rijkdom van Altena laat zien dat delen pas zin heeft als iedereen ervan profiteert. Een intrigerend verhaal over afgunst en solidariteit onder de uitgestrekte hemel van de Nederlandse polder.’
Auteur: Jan van Mersbergen
Uitgeverij: Uitgeverij Cossee
Voorwaarts
Eva Meijer (1980) debuteerde in 2011 met Het schuwste dier (2011). Later volgden Dagpauwoog (2013) en Het vogelhuis (2016), beiden op Literair Nederland besproken.
Meijer (filosoof, kunstenaar, singer-songwriter en schrijver) is zowel voor haar literaire als essayistische werk genomineerd voor verschillende prijzen, haar werk wordt in veel landen vertaald en zij won in 2017 de Halewijnprijs voor haar gehele oeuvre.
Op haar blog van 16 maart jl. schrijft ze over haar nieuwe roman Voorwaarts!:
‘Uit betrouwbare bron vernam ik dat mijn nieuwe roman Voorwaarts al in de winkel ligt. Nog voor ik het boek zelf gezien heb. Dus ren naar je favo boekhandel en koop het voor jezelf, je geliefde, en/of je buurvrouw. Over het boek:
In 1923 verlaat een groep anarchisten Parijs om nabij Luynes een commune op te richten. Veganisme, nudisme en gelijkheid tussen man en vrouw bieden volgens hen de mogelijkheid om in harmonie met de aarde te leven. Bijna honderd jaar later leest student politieke filosofie Sam een oude uitgave van het dagboek van één van hen, Sophie. Sam raakt betoverd door de verhalen over het leven op de boerderij, haar liefde voor Clémence, en de vele discussies die ze hebben over de juiste manier van leven. Ze overtuigt haar eigen vrienden om de stad te verlaten en zelfvoorzienend te gaan leven. In het noorden van het land krijgen ze te maken met spirituele gelukszoekers, geldminnende makelaars, de grenzen van de open liefde en de beklemming van afzondering. Hun dromen lijken niet bestand tegen het experiment en één voor één verlaten ze het huis. Of kan het toch anders? Voorwaarts is een roman over liefde en vrijheid, en de strijd voor wat de moeite waard is.’
Auteur: Eva Meijer
Uitgeverij: Uitgeverij Cossee
De verboden tuin
Dan de heruitgave van de debuutroman De verboden tuin uit 1986 van Wessel te Gussinklo die hem meteen de Anton Wachterprijs opleverde en een debutantenbeurs van het Fonds voor de Letteren
De verboden tuin beschrijft het leven van een kind met een blik op de wereld zoals alleen kinderen die hebben. De roman beschrijft ook de wijze waarop je – zowel kind als volwassene – probeert je de wereld toe te eigenen. Het heimwee naar de ongeschondenheid, naar het samenvallen van de eigen werkelijkheid met dé werkelijkheid: een droom die in iedereen leeft, maar die bij het kind nog ongerept is.
De verboden tuin is de eerste roman met als hoofdpersoon Ewout Meyster, die later terug zal keren in de romans De opdracht en De hoogstapelaar.
Auteur: Wessel te Gussinklo
Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik
Een van ons zal omkijken
Tot slot de meester Toon Tellegen die een bloemlezing samenstelde uit al zijn gedichten. In al zijn bundels dicht hij over ons, de mens, over het leven, de liefde, de twijfel en de dood. De uitgeverij schrijft daarover: ‘Soms zijn die gedichten ingetogen en melancholisch, dan weer spreken ze met uitroeptekens van hoop, verlangen en geluk. En steeds gaan ze over herkenbare gedachten en gevoelens, van het verdrietigste treurgedicht tot de gloedvolste liefdespoëzie.’
Het valt niet mee om schrijver te zijn. Vraag het maar aan Hajé Gerritsen, hoofdpersonage in De Weergekeerde Bloem van Wessel te Gussinklo. Hajé is een gevestigde schrijver die met een verlammend writer’s block kampt. Na zijn ontmoeting met de zonderlinge Marcel, een vrij passief personage dat vooral als klankbord dient voor lange bespiegelingen over de schone letteren en de dingen des levens, ontwikkelt zich een innige, symbiotische vriendschap. De twee slijten uren in cafés, schaken, wandelen, kortom, ze doen wat dergelijke personages geacht worden te doen en houden daarbij lange conversaties. Die klinken nu eens hoogdravend, dan weer vrij banaal (‘Wat doe je als geen vriendin hebt, met seks en zo?’ had ik gevraagd. / ‘Ik ga soms naar de hoeren.’ / ‘Ja,’ zei ik, ‘ja, dat doe ik ook’). Opvallend is de neiging van de auteur om alles zéér gedetailleerd te beschrijven, van de manier van lopen tot de houding, de kapsels en de kleren van zijn personages. Wordy prose noemen Angelsaksische critici dat. Bij momenten lijkt het wel een highbrow versie van Herman Brusselmans, al zijn er ook parallellen met onder meer Harry Mulisch, bij wie Te Gussinklo het motief van de weergekeerde bloem haalde. Nu het jammer genoeg bon ton is geworden om te schamperen over Mulisch, is dat haast een daad van verzet geworden.
Hoewel Marcel ook literaire ambitie heeft, lijkt hij aanvankelijk onmogelijk een serieuze concurrent te kunnen worden voor Hajé. Toch wordt hij een ernstige bedreiging als hij zelf een roman publiceert, nota bene met ideeën die hij grotendeels van Hajé heeft gepikt. Het boek wordt een groot succes, en naarmate Marcels ster rijst, zinkt Hajé steeds verder weg in het moeras, alsof hij wordt leeggezogen door een parasiet. Het pijnlijke dieptepunt is de boekvoorstelling van Marcel, waar Hajé nauwelijks wordt geduld en zich ‘tussen het voetvolk van de uitgeverij’ moet mengen.
Wessel te Gussinklo is uiteraard niet de eerste die als insider een roman over het literaire wereldje schreef. Nog altijd lezenswaardig is bijvoorbeeld De grachtengordel van Geerten Meijsing, een boek waarin het milieu van scribenten en handelaren in bedrukt papier genadeloos door de mangel wordt gehaald. Ook bij Wessel te Gussinklo wordt het schrijfbedrijf niet gespaard: het blijkt een krabbenmand te zijn van zich in zelfmedelijden wentelende pennenridders die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en in het gevlij proberen te komen bij arrogante uitgevers. Daarvoor kon de auteur overigens rijkelijk uit zijn eigen ervaring putten: jarenlang moest hij met zijn eigen manuscript leuren voordat hij een uitgever vond. Soms levert het amusant proza op, zoals wanneer Marcels uitgever de platste commerciële trucs uit de kast haalt (‘Marcel, kun jij niet net als Jan Wolkers met ontbloot torso op de achterflap? Dan kopen duizenden geperverteerden extra die roman’). Er vallen ook wel wat mooie inside jokes te rapen; zo is er een literair tijdschrift dat De prosector heet. Maar jammer genoeg roepen de navelstaarders die het boek bevolken op den duur niet veel empathie meer op.
Op zich is het geen probleem dat er weinig opzienbarends ‘gebeurt’ in een boek, zie bijvoorbeeld het oeuvre van Voskuil of uiteraard De avonden van Gerard Reve, dat trouwens ter sprake komt in De Weergekeerde Bloem: ‘Verder dan de eerste hoofdstukken was ik niet gekomen. Die vieze mensen met die verkeerde onderbroeken en dat bewasemde huis ruikend naar bewaarkool; de zweetlucht, de ranzige viezigheid die uit de bladzijden opsteeg.’ Het is fraai verwoord, en op stilistisch gebied stelt het boek geenszins teleur, maar de onderhuidse spanning die in De avonden het verhaal voortdrijft en het inlevingsvermogen van de lezer bevordert, is te weinig voelbaar in De Weergekeerde Bloem. De haast Couperiaans klinkende schrijfopdracht die Hajé zichzelf oplegt, lijkt Te Gussinklo zelf niet helemaal waar te kunnen maken: ‘Daarover wilde ik schrijven. De onzichtbare, de heimelijke krachten achter die handelingen, die gebaren, die woorden die zelf een creatie waren, een schepping en tegelijk een pantser om anderen af te weren, weg te kaatsen, steeds opnieuw mikkend, berekenend om meer kracht te krijgen, meer macht te verwerven, meer succes te hebben. Daar ging het om, dat gebeurde achter al die simpele praatjes en gedragingen.’
De essaybundel Vijf sterren voor de gaarkeuken van Wessel te Gussinklo biedt een curieuze verzameling van clichés, feitelijke onjuistheden, denkfouten en uitingen die getuigen van gebrekkige realiteitszin en gebrekkige empathie.
Om met de clichés te beginnen: Te Gussinklo betoont zich een rechtse ideoloog en komt met de uitgekauwde mening dat er weliswaar aardige moslims bestaan, echter: ‘de ideologische moordenaars en bedreigers zijn tegenwoordig vrijwel allemaal islamieten’. (101) Voorwaar geen sprankelend inzicht in tijden dat (extreem)rechtse politici betogen dat niet alle moslims extremist zijn, maar de meeste extremisten wel moslim (waarbij ze zichzelf als extremist blijkbaar buiten beschouwing laten). Te Gussinklo komt ook met de volgende gemeenplaats: ‘Maar ik zeg u, linkse doden, rechtse doden, doden uit het midden, het is mij om het even, het is allemaal even erg.’ (26) Dat is een visie die niet ver uitstijgt boven de inzichten van een zich politiek oriënterende puber, die ‘als eerste’ ontdekt dat het uiteindelijk weinig uitmaakt waarom mensen vermoord worden, om welke ideologie. Dood is dood. En dan wordt ook Voltaire er nog bij gehaald: ‘Ik vind uw meningen afschuwelijk, maar zal met mijn leven uw recht verdedigen uw meningen te hebben’. (29) Dit is nu niet precies de eerste keer dat deze weergave van Voltaires visie gebruikt wordt in een betoog. Bij essays zou het eigenlijk moeten gaan om verrassende, frisse invalshoeken, om een speels aftasten van wat door de essayist als waar of treffend wordt gezien.
Onjuistheden
Feitelijke onjuistheden in deze essays ondergraven Te Gussinklo’s autoriteit (wat Aristoteles in zijn Retorica ‘ethos’ noemt). Zo plaatst hij de Europese heksenprocessen in de Middeleeuwen (49) terwijl die vooral plaats vonden in de periode die erop volgde, de nieuwe tijd. Ook beweert hij dat Nederland kansloos verloor van Rusland op het WK voetbal van 2006 (63). Te Gussinklo bedoelt echter het EK voetbal van 2008. Een futiliteit misschien, maar toch slordig. Zoals het ook slordig is dat hij de voormalige Israëlische premier Perez noemt en niet, zoals meer gebruikelijk: Peres. (90) Ergerlijker is het dat hij beweert dat in Nederland moslims tien procent van de bevolking uitmaken (106), terwijl het in werkelijkheid om ongeveer vijf procent gaat. Als de feiten niet passen bij een clichématig verhaal over ‘islamisering’, moeten de feiten maar worden aangepast, zo lijkt het.
Ontkenning
En dan zijn er nog de denkfouten. Zo beschrijft Te Gussinklo een door haar dracht als moslima herkenbare vrouw in zijn apotheek door wie hij liever niet geholpen zou worden (105-116). Door in dergelijke dracht naar buiten te treden staat zij voor Te Gussinklo voor de militante vorm van de islam. Zij distantieert zich niet van allerlei extremisme en vrouwenonderdrukking. Dat is dus een denkfout, het is hetzelfde als beweren dat geestelijken die zich in onze tijd nog als priester of non uitdossen, zich niet distantiëren van het misbruik in de katholieke kerk. Je hebt als mens het recht je te kleden zoals jezelf goedacht, het is een vrije keuze, wanneer men dat ontkent heeft men geen enkel respect voor het zelfstandig denkvermogen van dergelijke mensen, zij zouden tot hun keuze worden gemanipuleerd. Te Gussinklo noemt één element van de islam (het extremisme van sommige representanten ervan) verwerpelijk (terecht) en stelt vervolgens dat alles wat naar de islam verwijst (zoals kleding) daarom niet deugt. Ter vergelijking: als er onder Nederlanders hufters zijn, betekent dat nog niet dat alles wat naar Nederland verwijst daarom fout is.
Historische factoren
Te Gussinklo gaat in op het Israëlisch-Palestijnse conflict. Met zijn mening daarover is op zich niet veel mis, maar hij stelt ter verdediging van Israël dat er sprake is van een ‘enorme dunbevolkte Arabisch ruimte’ en dat het daarom niet uitmaakt dat ‘dat kleine smalle streepje aan de zee’ daar niet bij hoort (93). Nu zijn er goede argumenten voor het bestaan van de staat Israel, maar daar hoort deze argumentatie niet bij. Want voor veel volkeren is precies het gebied waar men vandaan komt van belang, door geschiedenis en cultuur. Dit geldt ook voor de Palestijnen. En in ‘dat kleine smalle streepje aan de zee’ ligt bovendien een ook voor moslims belangrijke plaats: Jeruzalem. Je kunt niet zeggen: laat die Palestijnen maar ergens anders gaan wonen. Dat is een wel heel eenvoudig wegredeneren van historische, religieuze en culturele factoren, vergelijkbaar met Wilders’ standpunt dat de Palestijnse staat voortaan Jordanië zou moeten zijn. Weer ter vergelijking: voor Nederlanders zou het bijzonder moeilijk zijn als we met zijn allen ergens in Siberië zouden worden geplant en dat een ander volk dan voortaan het monument op de Dam zou beheren, de Grachtengordel, de Domtoren, de Veluwe, de Friese meren, de Brabantse vennen. Volkeren ontlenen hun identiteit nu eenmaal voor een deel aan de locatie waar ze vandaan komen. Of dergelijk op de Heimat georiënteerd nationalisme nu nobel is of niet: het is een fact of life dat velen aan hun plaats van herkomst hechten. Dit ontkennen getuigt van een gebrek aan realiteitszin.
Acceptatie
Zoals het ook van gebrek aan realiteitszin getuigt om niet geholpen te willen worden door een moslima in de apotheek. Het is nu eenmaal zo dat er moslims in Nederland wonen. Elke maatschappij is permanent in ontwikkeling. Je kunt Nederland niet onder een stolp plaatsen, de Nederlandse cultuur bevriezen. Juist in de door Te Gussinklo opgehemelde Gouden Eeuw (103) was er sprake van dynamiek en veranderingszin door de instroom van vele Joodse, Vlaamse, Duitse en Franse migranten. Misschien de meest Nederlandse van onze schilders, Frans Hals, had bijvoorbeeld Vlaamse roots. Onze grootste filosoof, Spinoza, had een Joodse achtergrond.
Geen keuze
Voor een literator is (meer dan een gebrek aan realiteitszin) een gebrek aan empathie pijnlijk. Te Gussinklo is van dit gebrek niet geheel vrij. Hij schrijft over zijn kritiek op het uiterlijk van moslimmigranten: ‘Ja maar zult u zeggen, die kleding, die hoofddoeken, die gewaden horen bij hun cultuur. Antwoord: ze zijn vrijwillig uit hun cultuur naar de onze gekomen om hier mee te doen. Ik vind het hoogst onbeleefd, ja onbeschoft om de cultuur die ze achter zich gelaten hebben alsnog aan ons op te dringen. Eigenlijk vind ik het idioot.’ (111) Te Gussinklo stelt dat ze vrijwillig uit hun cultuur naar de onze zijn gekomen. Dit nu is niet waar voor tweede en derde generatie migranten, het was de keuze van hun (groot)ouders. Kan Te Gussinklo zich echt zo slecht verplaatsen in de migrantenervaring? Weet hij niet dat het lastig kan zijn om met je identiteit te worstelen: dat het moeilijk kan zijn om tot verschillende culturen te behoren? Heeft hij echt zo weinig begrip voor mensen die proberen houvast te vinden door te hechten aan kleding en andere cultureel-religieuze uitingsvormen? Deze essayist lijkt niet geïnteresseerd in een ontmoeting met de Ander, zoals de filosoof Levinas zou opmerken.
Mooie passages
Is er dan helemaal niets positiefs over deze verzameling essays te zeggen? Toch wel: het tweede, minder politiek getinte deel van de bundel bevat minder ergerlijke essays over andere literatoren zoals Mulisch, Reve en Vestdijk. Maar waar de politiek getinte bijdragen irriteren, roepen deze stukken uiteindelijk niet zoveel op, de gedachtegangen van Te Gussinklo beklijven in dit tweede deel niet. Het blijft in deze essays soms onduidelijk met welke reden de auteur ze heeft geschreven. Mooi is wel de volgende passage over opgroeien: ‘Bij een kind ontstaat door ouder worden en ervaring een soort “vereilanding” van de dingen, een stolling, een steeds verder uitdijende wereld met eigen samenhangen en een eigen ordening, los van hemzelf. Niet een wereld van alleen bevrediging en angsten, verlangens en eigen onmiddellijke belangen. Het is eerder een bevreemdend en vervreemd conglomeraat, dat er is, dat bestaat en waarin hij moet leven, met de wetten waarmee hij rekening moet houden (hinderlijk en storend) en dat in de diepste wezen niets te maken heeft zijn belangen en bevredigingen.’ (151) Bevatte deze bundel maar meer van dergelijke passages, die getuigen van een eigenzinnige visie.
Wij zullen aan God gelijk zijn en voor eeuwig bestaan is een essay van 357 bladzijden. De titel verwijst naar een citaat uit Genesis dat als eerste motto (van drie) fungeert : ‘Wij zullen een toren bouwen die tot in de hemel reikt en aan God gelijk zijn, en voor eeuwig bestaan. Maar God sloeg ze met vele talen en ze dwaalden weg over de aarde en keken naar de Toren van Babel niet meer om.’
Te Gussinklo voert de lezer in zijn essay mee naar achtergronden die het lot van volken, culturen en mensen bepalen. Ieder mens maakt deel uit van een volk en een cultuur, ‘die grote machtige gestalte die ver boven de enkeling uitgaat’. Die ‘gestalte’, die ‘delirante reus’ houdt bij de landsgrens op. Daar tegenover ‘staan andere volken en de tegenkrachten die van hen uitgaan, of, […] ‘de krachten die uitgaan van andere geloven, andere culturen, die machtige tektonische platen die over de aarde schuiven.’
In de proloog vertelt hij wat zijn bedoeling is met dit essay: ‘Naar die landen, die culturen en geloven, die composities van krachten en talenten en inzichten, die grootse gestalten met ieder hun eigen aard, hun eigen karakter wil ik u meevoeren. Hun opkomst en hun ondergang, hun grandeur en tragiek, hun verstening, hun verdorring en vergruizeling. En naar de krachten en ook de vondsten en ideeën die hen voortdreven.’
Te Gussinklo beschrijft de opkomst en neergang van Duitsland, Frankrijk, Spanje, Portugal, Nederland en Rusland. Hij begint met het Spanje van de vijftiende en zestiende eeuw, met de ontdekkingsreizen en de veroveringen van overzeese gebieden. Bij opkomst hoort optimisme, vitaliteit, ondernemingslust en expansie. Voor Spanje is de eenheid van het strenge katholieke geloof de bepalende factor. De harde inquisitie rekent genadeloos af met tegenstanders. Het is de basis van de macht van Karel V. Als hij er niet in slaagt deze eenheid te bewaren, is het gedaan met de Spaanse dominantie in Europa.
Te Gussinklo: ‘Ik beschrijf uitvoerig dit Spaanse drama omdat het kenmerkend is voor een zich steeds herhalend model van opkomst en neergang van grote naties en culturen, door verlies aan doeleinden, versombering en immobiliteit.’
Bij neergang ziet hij beklemming, ontmoediging, apathie en gebrek aan initiatief. Zo groeit de Sovjet-Unie niet meer, ‘versteend door zijn snel verouderende ideologie.’ Hij introduceert hierbij de term vossengedrag: de bevolking groeit niet meer en neemt zelfs af – ‘zoals ook vossen als hun territoir te klein is en het niet mogelijk is uit te breiden weinig tot zelfs geen jongen krijgen.’
In het tweede deel beschrijft Te Gussinklo de wereldziel: ‘de niet-aflatende drang, het overweldigende verlangen van de mensheid naar het nieuwe, het andere, het verlossende en bevrijdende dat alomvattend en beslissend zal zijn en dat ik bij gebrek aan betere bewoordingen Wereldziel heb genoemd.’ Het leven, de blinde kracht achter de mensheid ‘die dringt en stuwt […] trekt naar dat ene, dat nieuwe, die ongedachte sprong.’ Dit gegeven werkt hij verder uit in het derde deel, Wij zijn gods weerschijn op aarde. De drie abrahamitische geloven – jodendom, christendom en islam – zijn, elk op hun eigen wijze, de grondslag geweest van dominante culturen. Geloven zijn ‘machtige, logge gestalten’ die ver uitgaan boven landen en volken, ‘als tektonische platen tegen elkaar opkruiend.’
Het beeld van de ‘tektonische platen’ komt in deel vier, De nieuwe mens, terug. De Europese christelijke cultuur, of beter gezegd, de ‘westerse mensenrechtencultuur’, de cultuur van ‘Gods weerschijn op aarde’, is in verwarring geraakt. Wat komt er na de tijd van geloven en de groei? Want er moet een reden en een doel voor ons bestaan zijn: ‘het prachtige, het gelukbrengende visioen dat wenkt en roept, daar zoekt de ziel naar.’ Altijd zoeken, naar meer, het andere, het nieuwe. De nieuwe mens, de Homo Instrumenticus, is de superieur geïnstrumenteerde die met computers en internet alle kanten op kan. Hij zal vrijwel aan God gelijk zijn ‘met zijn vermogen tot zelfschepping en het vormgeven van eigen werelden.’ Het is de vraag welke van de kruiende ‘culturele aardschollen’ de dragende en beherende structuurgever zal zijn van die nieuwe wereld en zijn bewoners. De ’tektonische platen’ uit het eerste hoofdstuk komen hier terug als ‘aardschollen’.
Te Gussinklo’s vergelijkingen zijn niet altijd meteen duidelijk. Bijvoorbeeld over de opkomst en neergang van Spanje: ‘Het is de vos en de egel uit de fabel van Aesopus: één rigide maatschappelijk model door kerk en overheid opgelegd tegenover de oneindige wendbaarheid en vindingrijkheid in de min of meer open veelvormige maatschappij van de velen.’ Hij besluit met ‘de egel die onmogelijk een vos kon worden.’ Later blijkt dat het niet gaat om de fabel van de vos en de egel, maar waar zij ieder apart voor staan. De vos is vindingrijk en sluw. Hij kan zich aanpassen aan nieuwe uitdagingen. De egel vertrouwt op zijn stekels als verdediging, de egelstelling. Het is de survival of the fittest: alleen dieren die het vermogen hebben zich aan te passen zullen overleven.
Het is een essay over verstening tegenover vitaliteit en de onverwachte mutatiesprong naar het nieuwe. De zoektocht naar de nieuwe wereld, daar waar energie en vitaliteit naar toe gaan. Uiteindelijk gaat het om het vinden van een nieuwe staat van zijn, het vinden van de plaats waar alle beperkingen opgeheven zijn, ‘wandelend in het eeuwige licht.’
Met dit werk past Te Gussinklo in de traditie van het literaire essay. Michel de Montaigne (1533-1592) wordt beschouwd als de grondlegger van de essayistische literatuur. Zijn Essais – letterlijk ‘probeersels’, vertaling van het Franse woord essayer – vormen een autobiografie, niet van feiten maar van gedachten. Wezenlijk daarbij is de beweging van die gedachten, de wijze waarop zijn geest zich roert. ‘Ik doe niets anders dan komen en gaan; mijn oordeel gaat niet steeds vooruit, maar schommelt, en zwerft her en der.’ (citaat gevonden bij Anton Haakman, ‘Michel de Montaigne’ In: De Revisor. Jaargang 19).
Zo is het boek van Te Gussinklo ook een zoektocht in persoonlijke stijl. Voorzichtig formulerend, aarzelend zoekend en herformulerend –illustratief de vele tussenzinnetjes met liggende streepjes – bespreekt hij met groot enthousiasme (‘want kijk, want kijk’) zijn onderwerpen. Hij behandelt zware thema’s, maar gelukkig relativeert hij ook. Een paar voorbeelden van het tastend formuleren: ‘ach ik som maar wat op.’ En: ‘Ik vat het algemene gevoel hier maar wat samen.’ En: ‘Of nee, het is nog anders.’ En: ‘Of laat ik het anders formuleren.’
De mix van geschiedenis, filosofie, mythologie en godsdienst is geen gemakkelijke kost, maar de (deze) volhoudende lezer – soms de draad kwijt, en dan weer terugvindend, o ja, dit is wat hij bedoelt! – wordt beloond met een boek boordevol ideeën.
Wessel te Gussinklo (1941) studeerde psychologie in Utrecht. Hij werkte als psychotherapeut voordat hij zich toelegde op schrijven. Voor zijn debuut De verboden tuin (1986) kreeg hij de Anton Wachterprijs. Zijn tweede roman De opdracht (1995) ontving de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, de ECI-prijs (in 1997: ‘een onderscheiding voor talent dat nog niet is doorgebroken’) en de F. Bordewijk-prijs. Het boek werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en De Gouden Uil. Vorig jaar werd Zeer helder licht (zie ook de recensie op Literair Nederland) genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 2014.
Wij zullen aan God gelijk zijn en voor eeuwig bestaan
Auteur: Wessel te Gussinklo
Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik
Aantal pagina’s: 357
Prijs: € 22,50
Een nieuwe Umberto Eco is altijd een avontuur. Niet allemaal goed, zijn ze wel steeds verrassend, zijn romans. De vertaling is in handen van Yond Boek en Patty Krone. Eco verplaatst zijn historische fascinatie naar een recenter tijdstip dan we van hem gewend zijn: 1992, Milaan. De opkomst van een van de meest megalomane politieke figuren van zijn tijd: Silvio Berlusconi. Meer lezen.
Hero Hokwerda vertaalde voor de Wereldbibliotheek die grote Griekse klassieker Leven en wandel van Zorbás de Griek van Nikos Kazantzakis. ‘Ik heb hem leren kennen in Piraeus. Ik was naar de haven afgedaald om de boot naar Kreta te nemen. Het liep tegen het aanbreken van de dag en het regende. Er stond een krachtige zuidwester en het zeewater spatte helemaal tegen het cafeetje op.’ Zo begint dit fantastische verhaal. Onverkort en opnieuw vertaald. Meer lezen, alhier.
Wessel te Gussinklo mag zich verheugen in een tweede literair leven nu uitgeverij Koppernik zich over zijn werk ontfermd heeft. In een kloek boek met essays Wij zullen aan God gelijk zijn en voor eeuwig bestaan zet hij zijn rentree voort. Het boek gaat over ‘De wereldziel, die de levenskracht van de mensheid is’. ‘Hij schrijft over het grote onvervulbare verlangen naar grenzeloosheid, naar verlossing van de aardse beperkingen en de bevrijding van de hindernissen en onmogelijkheden van het bestaan.’ Nogal een claim. Op de flap. U leest binnenkort op Literair Nederland hoe dat uitpakt.