• Oogst week 48 – 2020

    De reparatie van de wereld

    De Kroatische auteur Slobodan Šnajder (1948) won in zijn vaderland verschillende literaire prijzen, maar is in het Nederlandse taalgebied nog onbekend. Daar komt nu verandering in, want zijn grote historische roman De reparatie van de wereld is door Roel Schuyt naar het Nederlands vertaald.

    Deze roman draait om Vera en Kempf, die elkaar na de Tweede Wereldoorlog ontmoeten, een zoon krijgen en voor elkaar bestemd lijken te zijn. Tijdens de oorlog vocht Kempf echter bij de SS, terwijl Vera als partizaan ten strijde trok tegen de nazi’s. Hoewel ze zielsveel van elkaar houden, dreigt het verleden hen in te halen.

    De reparatie van de wereld
    Auteur: Slobodan Šnajder
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Jaguarman

    Raoul de Jong (1984) was columnist voor onder meer NRC Handelsblad en Het Parool. Voor zijn boeken won hij meerdere prijzen, zo werd De grootsheid van het al het Beste Rotterdamse Boek.

    Recent kwam Jaguarman uit, waarin De Jong zijn reis naar Suriname beschrijft. Nadat hij op volwassen leeftijd zijn vader ontmoet, die hem vertelt over een voorouder die zichzelf kon veranderen in een jaguar, raakt De Jong gefascineerd door het land. Tijdens zijn reis ontmoet hij Surinaamse auteurs en helden. Hoewel Jaguarman gebaseerd is op verhalen uit De Jongs familie en wat de mensen in Suriname hem vertelden, is het boek geschreven als een avonturenroman.

    Jaguarman
    Auteur: Raoul de Jong
    Uitgeverij: Bezige Bij b.v., Uitgeverij De

    De Vriendt keert terug

    Jeruzalem, 1929, er wordt een aanslag gepleegd op Jitschak Jozef de Vriendt, een Thora-geleerde en schrijver. Hij overleeft dit niet. De Joodse internationale media geven de Arabieren vrijwel meteen de schuld, maar de baas van de geheime dienst, Irmin, gelooft dat niet. Hij start een onderzoek dat wordt belemmerd door religie, politiek en tradities van duizenden jaren oud.

    Hoewel deze roman in 1933 voor het eerst werd gepubliceerd, zijn de conflicten nog steeds actueel. Dat is het verhaal van De Vriendt keert terug, geschreven door Duitse auteur Arnold Zweig (1887-1968). Zweig woonde onder meer in Zwitserland, Frankrijk en Palestina. Jantsje Post en Lilian Caris zijn verantwoordelijk voor deze nieuwe vertaling van De Vriendt keert terug.

    De Vriendt keert terug
    Auteur: Arnold Zweig
    Uitgeverij: Cossee
  • Oogst week 23 – 2020

    Terug naar Tarvod

    Boris Dittrich werd vooral bekend als Tweede Kamerlid en fractievoorzitter van D66. Hij was advocaat en rechter en is wereldwijd actief op het gebied van mensenrechten voor LHBT’ers bij Human Rights Watch. Daarnaast is hij schrijver. Inmiddels kennen velen zijn thrillers. Nu is daar Terug naar Tarvod, een roman over het leven in een Israëlische kibboets in de jaren zeventig. Hoofdpersoon Sophie werkt voor een Rijksvastgoedbedrijf en spoort eventuele erfgenamen van eenzaam gestorven personen met een nalatenschap op. Oud-rechter Roman Ronnes is zo iemand, bovendien overleden onder raadselachtige omstandigheden. Sophie vindt zijn memoires waaruit blijkt dat Ronnes in de tijd dat hij in de kibboets woonde verwikkeld was in een onstuimige liefdesgeschiedenis. Hiermee maakt Dittrich van de roman een raamvertelling. Omdat Sophie zelf nog treurt om een verloren liefde raken Ronnes belevenissen haar zo dat ze zich vastbijt in de vraag of hij nog nabestaanden heeft en hoe hij is overleden. In hedendaags Israël doet ze daarover een onverwachte ontdekking.

    Terug naar Tarvod
    Auteur: Boris Dittrich
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    De zwarte klok

    Een onderwijzeres, een politiecommissaris, een kinderpsychiater en een meisje van dertien. In een vredig Oostenrijks dorp aan het begin van de zomer worden deze vier mensen ongerust over een aantal vreemde gebeurtenissen. Er wordt een kind mishandeld. Iemand probeert zelfmoord te plegen. Een man maakt een dodelijke val van een bouwsteiger. Een speeltuin wordt verwoest en de etalage van een speelgoedwinkel wordt vernield. Er is iets gaande, er schijnen problemen te zijn, maar iedereen heeft het te druk met zijn eigen leven om ze te zien. Onafhankelijk van elkaar proberen de vier die het wel zien te begrijpen wat er gebeurt. Er zijn aanwijzingen, maar een duidelijk beeld van een misdaad ontbreekt. Wel blijkt dat mensen blind kunnen zijn voor het idee dat er iets mis is en dat agressie en redeloosheid kunnen opspelen zonder dat iemand de gevolgen ervan doorziet.
    Paulus Hochgatterer (Oostenrijk, 1961) is schrijver en kinderpsychiater in Wenen. Hij schreef tientallen boeken en won vele literatuurprijzen waaronder de EU Prijs voor Literatuur voor Die Süsse des Lebens.

    De zwarte klok
    Auteur: Paulus Hochgatterer
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Knecht, alleen

    In 2016 verscheen in de serie Privédomein Jasper en zijn knecht van Gerbrand Bakker, dagboekaantekeningen over zijn dagelijks leven in de Duitse Eiffel. Jasper is de ‘enigszins gedragsgestoorde, nauwelijks te disciplineren hond’. Maar in het wederom autobiografische Knecht, alleen, het vervolg op dit boek, is Jasper dood en Bakker weer alleen waardoor hij zijn leven als leeg ervaart. Want er is behalve geen hond ook geen mens als levensgezel te bekennen. Via onaantrekkelijke landen als Albanië en Bosnië-Herzegovina maakt hij een roadtrip naar Griekenland en belandt in een depressie. Somber vraagt hij zich af hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Ondertussen werkt hij in de tuin, praat hij met vrienden en zijn ouders en probeert hij zijn leven weer in beter vaarwater te krijgen.
    Op zijn website dingetjes enzo schrijft Bakker over Knecht, alleen: ‘Ik heb gevraagd om een omslag in een paarstint. De vorige was oranje, maar dit voelde niet als een oranje boek. Dit is een paars boek.’ En: ‘Ik heb mijn moeder min of meer verboden het te lezen.’ Bakker daagt uit tot lezen.

    Knecht, alleen
    Auteur: Gerbrand Bakker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 9 – 2020

    Verdwijnpunt

    Een narratief over verdriet of pijn wordt vaak in de vorm van een queeste of sprookje gegoten, een reis die positief eindigt. Natuurlijk is dit niet representatief: het kan voorkomen dat de pijn niet verdwijnt of dat het verdriet niet minder wordt. In Verdwijnpunt onderzoekt Wytske Versteeg (1983) ‘de verschillende facetten van pijn en de gevolgen van geweld en machteloosheid’. Geen sprookjes, maar een zoektocht naar ‘wat het betekent om te leven en kwetsbaar te zijn’.

    Versteeg schrijft essays, romans, scenario’s en recensies. Haar roman Boy stond op de longlist van de Libris Literatuurprijs en voor haar gehele oeuvre werd de Frans Kellendonkprijs in 2019 aan haar toegekend. Op dit moment geeft ze les in fictie aan de Hogeschool Artez.

    Verdwijnpunt
    Auteur: Wytske Versteeg
    Uitgeverij: Querido

    Orkaanseizoen

    Fernanda Melchor (1982) is een Mexicaanse auteur en journalist. Orkaanseizoen is haar tweede boek en haar eerste werk met een Nederlandse vertaling. In 2019 won ze met Orkaanseizoen zowel de Internationale Literatuurprijs als de Anna Seghers-prijs. In dit boek is de Heks, een persoon in transitie, vermoord. Door wie is niet belangrijk, het draait om de vraag waarom.

    De Heks bleek onderdeel uit te maken van een gruwelijk, arm dorp waarin huiselijk geweld, ongewenste zwangerschappen en drugsmisbruik orde van de dag zijn. Eén van de grootste problemen van Zuid-Amerika is geweld tegen en moord op vrouwen. Juist daarover gaat Orkaanseizoen en Melchor gebruikt woest proza met diepgaande personages om dit verhaal te vertellen.

    Orkaanseizoen
    Auteur: Fernanda Melchor
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Als je de stilte ziet

    In Als je de stilte ziet lukt het de hoofdpersoon niet om een goede band op te bouwen met zijn pleegbroer. Hij weet niet hoe het komt, maar het geheim dat tussen hen in staat blijft hem de rest van zijn leven achtervolgen. Dit levert een filmisch geschreven en ontroerend verhaal op ‘over verlangen, vluchtigheid en betekenis geven aan het leven’.

    De voor Thomas Verbogt (1952) kenmerkende lichte, melancholieke verteltoon komt prachtig tot zijn recht in Als je de stilte ziet. Naast romans schrijft Verbogt ook humoristische korte verhalen, columns voor De Gelderlander, toneelstukken en cabaretteksten. Elsbeth Etty noemde hem ‘een meester van de dialoog’.

    Als je de stilte ziet
    Auteur: Thomas Verbogt
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam
  • Eenzaamheid in de liefde en verlangen naar een ander leven

    Eenzaamheid in de liefde en verlangen naar een ander leven

    Kreek Daey Ouwens publiceerde zeven bundels waarvan Blauwe hemel haar vijfde is. Als dichter publiceert ze met enige regelmaat en hoewel ze in 1991 debuteerde met een bundel gedichten èn verhalen, (Stokkevingers) verschenen er daarna enkel dichtbundels met de aansprekende titels als: Tegen de kippen en de haan (1995), Kinderbed (2004), De achterkant (2009) Ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen (2016) en Oefening in het alleen lopen (2017).

    In Blauwe hemel staat meneer Danie centraal. Naamloze gedichten vertolken zijn gedachten en gevoelens in vijftien korte afdelingen, waarin heen en weer gesprongen wordt in de tijd. Hoewel de gedichten net als gedachten allemaal door elkaar lopen en geen vastgestelde volgorde laten zien, staan ze geen van alle op zichzelf. Ze vormen één verhaal dat gaandeweg steeds meer aan betekenis wint. De bundel lijkt in die zin op een legpuzzel, waarbij de afbeelding duidelijker wordt naarmate er meer schijnbaar willekeurige stukjes op hun plaats vallen.

    Eenzaamheid

    De eenzaamheid van meneer Danie is het leidmotief in de gedichten: hij voelt zich versteend in een huwelijk waaruit de liefde en de emoties allang verdwenen lijken te zijn. De beklemmende sfeer doet denken aan Elsschots beroemde gedicht Het huwelijk, maar anders dan de hoofdpersoon uit dat gedicht berust meneer Danie in zijn stilstand. Om zich staande te houden in het leven klampt hij zich obsessief vast aan kleine zekerheden: zijn spiegelbeeld in een zilveren lepel, zijn kam die hij altijd bij zich draagt, de gedachte aan citroenen en anemonen. Hij gebruikt deze voorwerpen als onderdeel van een schild waarmee hij de wereld op afstand probeert te houden.

    Geheime liefde

    Ook de kat speelt een heel belangrijke rol: hij lijkt de enige verbindende factor tussen de echtelieden, net als in het boek van Simenon, Le chat, of in de mooie film die daarvan in 1971 gemaakt werd met Jean Gabin en Simone Signoret in de hoofdrollen. Meer nog dan deze steeds terugkerende elementen, houdt het idee van een geheime geliefde hem op de been, zijn Larissa. Een cassiere aan wie hij acht brieven schrijft terwijl niet duidelijk wordt of deze vrouw echt bestaat of een droomfiguur is. Aan haar legt hij zijn verlangens voor en vertelt hij zijn diepste gedachten en dromen. Maar in het echte leven zal meneer Danie haar nooit zijn liefde verklaren:

    ‘Ik denk dat er een leven is buiten,
    Larissa. En in dat leven gebeurt niets.’

    Maar ook de vrouw van meneer Danie is ongelukkig:

    ‘Terwijl ze de aardappels op de borden
    schept zegt mevrouw Danie: ‘Vertel nou
    ook eens wat.’

    Mevrouw Danie

    Anders dan meneer Danie probeert zijn vrouw nog iets van het leven te maken: ze legt een tuin aan, zet bloemen in een vaas en spoort haar man aan iets leuks te gaan doen.
    Langzaam wordt de tragedie van hun leven onthuld: ze moesten trouwen omdat mevrouw Danie drie maanden zwanger. Het kind, een meisje, is gestorven toen het drie jaar was. Mondjesmaat geeft de dichter telkens kleine brokjes informatie prijs, die een tipje oplichten van de sluier die dit trieste huwelijk bedekt. De angstdromen van meneer Danie zijn wat dit betreft veelzeggend: ‘Dan zijn er dromen dat mijn kind doodgaat.’

    Aan het einde van de bundel gloort er hoop, al lijkt daar een lange tijd overheen te zijn gegaan: meneer en mevrouw Danie hebben de kat moeten laten inslapen, ze zijn verhuisd naar een nieuw appartement aan zee en Larissa heeft twee kinderen. De dichter laat echter in het midden of het voor meneer Danie veel verschil uitmaakt:

    ‘Overjarige citroenen zijn bitter.
    Je moet ze dezelfde dag nog eten.
    Bij de eerste hap trekt je mond
    Zich samen. Alsof je in ijs bijt.
    Maar je tong went eraan.’

    Storm en emoties

    De titel Blauwe Hemel is bedrieglijk: strak en statisch volgt zo’n hemel pas na een zware storm, maar ook kan hiermee de leegte worden aangegeven: ‘Langs vogelwegen komt de waan.’
    De omslag van de bundel is blauw, zoals past bij de titel, al zal het geen verwondering wekken dat het een grauw blauw is zonder uitbundigheid of doordringbaarheid. De wervelende veren die door de wind worden verwaaid vormen een contrast met de statische leegte die meneer Danie in zijn huwelijk ervaart.

    Kreek Daey Ouwens gaat emoties niet uit de weg, maar houdt ze ingetogen, intens en compact. Haar poëzie is helder en sober, maar vervat vele lagen, voor de lezer om te ontdekken en te herkennen. Alledaagse metaforen geven haar scherpe observaties weer en verlenen een subtiliteit aan haar gedichten: ze beschrijft geen grootse drama’s, maar eerder verstilde tafereeltjes waarbij ze ondanks haar mededogen op afstand weet te blijven.
    Opvallend is de toon van haar poëzie die heel dicht tegen het proza aanschuurt door de vertelstructuur, maar dat doet geen afbreuk aan het goed gecomponeerde geheel van deze verfijnde bundel.

     

  • Oogst week 46

    Bakvis

    In de oogst van deze week twee verhalen van Yolanda Entius, een leesautobiografie in essays van Daniel Rovers, Zeeuwse verhalen van Carolijn Visser en een historisch boek over 300 jaar Nederlandse walvisvaarders.

    Wat je leest ben je zelf, of: wat je leest wordt je zelf. Bakvis is een verzameling essays van Daniël Rovers over boeken die hem vanaf zijn jongste jeugd hebben gevormd en tot schrijver hebben gemaakt. Te beginnen met Pluk van de Petteflet van Annie M.G. Schmidts, de jeugdromans van Thea Beckman, De vijf van Enyd Blyton, Dagboek van Anne Frank en verder opgroeiend met Franz Kafka, Penelope Fitzgerald, Nanne Tepper en David Foster Wallace. Door deze auteurs te lezen leerde hij spreken en schrijven over verlangens en gevoelens.
    Bakvis gaat daarnaast over de meest eenvoudige en tegelijk fundamentele vragen in de literatuur. Waarom geldt het als diepzinnig om cynische boeken te schrijven? Zijn tv-series werkelijk de romans van nu? Wat is eigenlijk het verschil tussen een gedicht en een geheim dagboek? De conclusie die je uit Rovers essays zou kunnen afleiden is dat als je iets van je leven wilt maken, je aan het lezen moet slaan.

    Bakvis
    Auteur: Daniël Rovers
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny

    De titel Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny vult het voorplat met tekst, daar tussendoor kruipen verschillende soorten slakken over de letters heen. Twee verhalen, met de lengte van een novelle over eenzame en zonderlinge figuren. Het verhaal van Benito Benin gaat over de vriendschap tussen het eenzame meisje Lieke en de slak Benito. Beiden zijn niet tevreden met hun leven, eerlijk gezegd zijn ze nogal ongelukkig. Vooruit dan, de eerste zin uit Het verhaal van Benito Benin luidt: ‘Dat hij verre van gelukkig was, met zichzelf en met zijn huis, ontdekte Benito toen hij op een ochtend in april voor het eerst van zijn leven in de spiegel keek.’

    In het tweede verhaal En dat van Fanny, volgen we de ontwikkeling van iemand die het leven ternauwernood aan kan, naar iemand die de grip op haar leven volledig verliest. Ze ontwikkelt in haar eenzaamheid een obsessie voor de beroemde Alma Hendriks, van wie zij alles volgt. Ze wordt geregeld opgenomen en haar zus is de enige die haar bijstaat.
    Ook hiervan de eerste zin: ‘Ze had met alles rekening gehouden: een gorsje, fluitend in een riethaag; een puttertje, happend in de pluizen van een paardenbloem; een vleermuis, hangend in een hoek van haar kamer; een gewone muis of mol – die nagels!’ Beide openingszinnen nodigen zeker uit om er meer van te willen weten.
    Yolanda Entius vond voor dit tweeluik inspiratie bij actuele thematiek, die ze met toegankelijke toon tot persoonlijke en ontroerende verhalen wist te smeden.

    Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny
    Auteur: Yolanda Entius
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Zeeuws geluk

    Wereldreizigster en schrijfster Carolijn Visser heeft inmiddels twintig titels op haar naam staan. Voor Zeeuws geluk hoefde ze niet ver te reizen. Op uitnodiging van een Zeeuwse zorgorganisatie logeerde ze op Walcheren en Noord-Beveland in woonoorden waar ouderen met dementie leven. Zij sprak met de bewoners en hun familie, met zorgmedewerkers en vrijwilligers over de watersnoodramp, klederdracht, de Duitse badgasten en de strenge kerk. Maar ook over de weidse landschappen, het silhouet van Veere en de levendige dorpscafés. De verhalen voerden haar terug naar haar eigen verleden, waarin ze op de fiets over Walcheren zwierf, waar ze vrienden maakte, en ruzie met een leraar kreeg en uiteindelijk vertrok.
    Ze sprak, at en wandelde met de bejaarden en tekende hun verhalen op. Met actuele landschapsgezichten en historische foto’s van de eerste helft van de 20ste eeuw.

    Carolijn Visser (1956) won vorig jaar de Libris Geschiedenis Prijs en de Zeeuwse Boekenprijs met ‘Selma’, over het dramatische leven van een Nederlandse vrouw in het China van Mao. In 2013 werd haar boek ‘Argentijnse avonden’ bekroond met de VPRO Bob den Uylprijs.

    Zeeuws geluk
    Auteur: Carolijn Visser
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Walvissen groot en vet

    Sinds 1986 is de jacht op walvissen verboden, maar daarvoor was het eeuwenlang een avontuurlijke maar ook risicovolle onderneming. Meer dan driehonderd jaar voeren Nederlanders ter walvisvaart naar het Hoge Noorden. Walvissen groot en vet is een bloemlezing waarin aan de hand van authentieke bronnen beschreven is hoe de jacht op de walvissen in het tijdperk van de arctische walvisvaart in z’n werk ging. In ijzige zeewateren speelden zich avonturen en rampzalige gebeurtenissen af. De teksten zijn veelal van opvarenden die het harde leven aan boord hebben meegemaakt en zijn hertaald door Hans Beelen en Ingrid Biesheuvel.
    Met afbeeldingen die het beeld bij de verhalen compleet maakt. Uit Walvissen groot en vet blijkt de historische betekenis van de walvis en de walvisvaart voor de Nederlandse economie, wetenschap en cultuur.
    Volgens de uitgever: ‘Een boek vol spannende en relevante verhalen!’

    Walvissen groot en vet
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Het zoeken naar de juiste context

    Het zoeken naar de juiste context

    De verzuimcoördinator van Nicole Montagne is een bundeling korte verhalen en essays waarin bedrog een grote rol speelt maar de hoofdrol is weggelegd voor de leegte; het ontbreken van iets of iemand. Het boek is onderverdeeld in drie delen: ‘De blinde kaart’, ‘Wijkende plaatsen, verdwenen tijden’ en ‘Een ander perspectief’. Drie afdelingen die respectievelijk gezien kunnen worden als: Bekomen van het bedrog; Herschikken van herinneringen; Nieuwe inzichten verwerven.

    De insteek voor deze bundeling is het bedrog van haar levensgezel die door schulden gedreven met onbekende bestemming haard, huis en kinderen verlaat. Na de ontsteltenis en woede laat Montagne haar leven opnieuw de revue passeren, op zoek naar sporen van bedrog en verdoezeling van feiten. Wanneer begon het en hoe zag het eruit? Dat zijn de vragen die haar bezighouden, alsook het fenomeen liegen, ze wil erachter komen wat iemand drijft om niet de waarheid te vertellen. ‘Liegen is in wezen doodeenvoudig. Maar stop! Hier stuit ik op een grens. Liegen is eenvoudig voor degene die dit kan.’

    Onderzoekende beschrijvingen

    Een boek over een verbroken relatie kan, als je niet oppast, al gauw een afrekening worden. Denk aan het boek Privédomein (2014) van Ingrid Hoogervorst, dat zij schreef nadat haar man Atte Jongstra haar nogal cru de liefde had opgezegd. Nicole Montagne echter is helder en onderzoekend in haar beschrijvingen en verzinkt niet in zelfmedelijden. Elk verhaal of essay begint met een persoonlijke beleving of waarneming.

    ‘Het koffiehuis’ begint met herinneringen aan de dagelijkse bezoeken aan verschillende koffiehuizen in Praag toen ze daar in de jaren tachtig voor een stage verbleef. Ze beschrijft hoe ze in het ene koffiehuis zat te schrijven of Tsjechische woorden leerde. In een ander koffiehuis, Slavia, hadden de schrijvers Jaroslav Seifert, Kafka en Havel nog gezeten. In dat koffiehuis ziet ze ook het schilderij De absintdrinker van de kunstenaar Viktor Oliva. Ze beschrijft het schilderij:

    ‘Een man steunt met beide ellebogen op het ronde tafelblad. De man lijkt op Rilke. Hij houdt zijn gezicht tussen zijn handen geklemd. Naast hem liggen zijn hoed en een opengeslagen krant. De overheersende kleuren in dit schilderij zijn bruin, grijs, wit en groen. Groen is ook de naakte vrouw met het opgestoken haar die haar billen, we zien haar ruggelings, op de tafel van de cafébezoeker heeft gevlijd.’ Het schilderij hangt er overigens nog steeds en een deel van het schilderij siert de cover van het boek.

    Vertrek als aanwezigheid

    Via haar dwalende gedachtegangen acht ze het zeer plausibel dat de man op het schilderij wel eens echt Rilke zou kunnen zijn: ‘hij heeft Slavia met enige regelmaat bezocht en was een tijdgenoot van Viktor Oliva.’ Om dan een ogenblik  te wijden aan de hoogleraar Slavistiek Angelo Maria Ripellino (1923-1978), die in zijn boek Magisch Praag het over Rilke en zijn relatie met de stad Praag heeft. Waarna ze weer terugkeert naar zichzelf en de leegte van de koffiehuizen in de avonduren.

    Vier van de eenendertig in De verzuimcoördinator opgenomen stukken zijn eerder verschenen in literaire tijdschriften. ‘De verborgen plek in huis’, verscheen eind 2017 in de Revisor en is hier in het eerste deel opgenomen. Daarin vertelt ze hoe het bedrog, na het vertrek van haar man, als een aanwezigheid in haar huis is achtergebleven. ‘Waar in huis bevond zich deze plek? (…) je kunt achteraf niet zoeken naar wat nu is verdwenen.’

    Ergens aankomen

    Montagne beschrijft met een zekere nuchterheid – soms is een onderdrukte woede voelbaar – hoe het bedrog haar leven veranderde. In retrospectief werd haar leven totaal anders dan ze gedacht had. Ze maakt de vergelijking met de ontdekkingsreiziger Columbus, die dacht dat hij Indië had bereikt maar Amerika ontdekte. ‘Hij was wel degelijk ergens aangekomen. Alleen niet op de plek waar hij dacht.’

    Ook Montagne is ergens anders uitgekomen dan waar ze aanvankelijk dacht te zullen uitkomen. Het pad dat ze heeft afgelegd kan ze niet teruggaan. Wel is het haar gelukt, zo schrijft ze in een van haar essays, om haar leven in een andere context te plaatsen. Met haar onderzoekende geest, en door feiten en herinneringen te hergroeperen, schreef zij zichzelf weer ‘“binnen” (…) in mijn eigen levensgeschiedenis’. Mooier kon ze het niet zeggen.
    De verzuimcoördinator is een sterke bundeling essayistische miniatuurtjes die bij herlezing – net als bij het meerdere keren aanschouwen van een geschilderd tafereel – steeds een ander aspect onthult en daarmee de werkelijkheid van een andere context voorziet.

     

     

  • Wrange getuigenis

    Wrange getuigenis

    Het aantal schrijvers, dat de Tweede Wereldoorlog tot onderwerp voor een roman heeft gekozen is aanzienlijk. Boeken over de situatie in het Duitsland van de Weimarrepubliek in de jaren dertig zijn er ook legio. Maar Lion Feuchtwanger (1884 – 1958) maakte die tijd van zeer nabij mee en daarmee is zijn roman De erven Oppermann een getuigenis. Eigenlijk is het het tweede deel van een trilogie, waarvan Succes het eerste en Exil het laatste deel is. Feuchtwanger zag al spoedig wat de nazi’s van plan waren en hij vluchtte via Frankrijk naar de Verenigde Staten. Het boek verscheen aanvankelijk in 1933 onder de titel Die Geschwister Oppenheim omdat een nationaal socialist met de naam Oppermann, niet met joden geassocieerd wenste te worden in het nazistische Duitsland. Ook de Nederlandse eerste druk van Querido heette De erven Oppenheim Na de oorlog heette het boek weer gewoon Die Geschwister Oppermann (De erven Oppermann) en het werd een groot succes.

    Fictieve werkelijkheid
    De personen uit het boek zijn door Feuchtwanger verzonnen. Dat had destijds al minstens één belangrijke reden: Feuchtwanger wilde bestaande personen niet in moeilijkheden brengen. Achterin het boek staat een ‘Naschrift’ van de auteur bij de eerste druk:

    Niet één van de personen uit dit boek heeft ‘bestaan’ in die zin dat zijn naam voorkomt in de archieven van de burgerlijke stand binnen de grenzen van het Duitse Rijk in de jaren 1932/1933. Tezamen vormen zij echter werkelijkheid.’

    En die laatste zin is essentieel, want ook al zijn de personages min of meer verzonnen, omdat Feuchtwanger de situatie in Duitsland meemaakte in 1933 kon hij alles in een huiveringwekkend echt decor plaatsen. Een decor overigens dat steeds benauwder en angstaanjagender wordt naarmate de tijd verstrijkt.

    De familie Oppermann wordt gevormd door de broers Gustav, Martin en Edgar en hun zuster Klara met aanhang en kinderen. Gustav en Martin zijn leidinggevende mannen in een meubelfabriek, destijds gesticht door hun grootvader. Gustav, Martin en Edgar zijn tegengestelde persoonlijkheden en dat jaagt de spanning in het boek op. Hoe gaan zij reageren op de dreigingen van het nieuwe bewind? Martin is een tobber, maakt zich voortdurend zorgen over het reilen en zeilen van het bedrijf. Gustav is luchtiger van aard, jaagt achter de vrouwen aan en hij zou graag een mooi boek schrijven, maar het ontbreekt hem aan discipline. Edgar staat buiten het bedrijf, is vooraanstaand medicus en heeft een nieuwe operatietechniek voor strottenhoofdkanker ontwikkeld.

    Woekerende schimmel
    Als een sluipend vergif druppelen de pesterijen en maatregelen van het naziregime de wereld van de broers binnen. Ze zijn joods en denken aanvankelijk nog de dans te kunnen ontspringen. Maar al spoedig krijgen ze te maken met een omgeving die in eerste instantie nog redelijk onschuldig lijkt, maar hen uiteindelijk buitensluit en brutaliseert. De joodse verkoper van het meubelhuis is een slachtoffer. Hij wil zich van zijn spaarcentjes nieuwe tanden laten aanmeten net zo glanzend als de ivoren wachters van zijn SA buurman. Aanvankelijk lijken ze nog aan elkaar gewaagd, want ze hebben nu allebei een stralend mooi gebit. Maar het bruinhemd is toch spoedig in het voordeel. Hij is geen jood, schreeuwt en bralt wanneer hij maar wil. Zo erg zelfs, dat het gebrul door de muur van het appartement van de verkoper heen klinkt. Het appartement van de SA-er wordt gratis door de bange huiseigenaar opgeknapt. De vochtplek op de muur van de joodse verkoper kan zich uitbreiden omdat diezelfde huiseigenaar er niets aan doet. Angstig als hij is om voor jodenvriend te worden uitgemaakt. De vochtplek, schimmel, staat ook voor het aantal aanhangers van het foute regime, dat zich steeds verder uitbreidt.

    Het land van Schiller en Goethe
    Gustav gelooft lange tijd dat het met het antisemitisme zo’n vaart niet zal lopen. Hij gelooft aanvankelijk nog in de redelijkheid van de mensheid en denkt dat die in Duitsland, het land van Schiller en Goethe, zal overwinnen. Aan een vriend leest hij stukken voor uit Mein Kampf en De protocollen van Sion. Het laatste boek De Protocollen van de wijzen van Sion is een van de meest anti-joodse en antisemitische geschriften ooit, graag geciteerd door antisemieten.

    De waarschuwingen voor het naziregime slaat Gustav in de wind. Dat komt omdat de fabriek aan het Duitse leger leverde tijdens de Eerste Wereldoorlog. De arme Gustav denkt dat dit in zijn voordeel zal werken, vooral omdat hij een portret van een veldmaarschalk in zijn kantoor aan de muur heeft hangen. En omdat zijn broer is gesneuveld in deze oorlog. Maar de nazi’s hebben daar geen boodschap aan. Ze pakken zijn geld af en sluiten zijn winkels.

    Er druppelen steeds meer berichten binnen van joden en communisten, die worden geïnterneerd en gemarteld. Na afloop van de behandeling moeten ze bedanken voor de goede behandeling en betalen voor het eten, dat zo smerig was, dat een varken het zou laten staan. Ook Edgar, beroemd arts en professor, wordt gedwongen zijn werk neer te leggen.

    Alles wordt aangegrepen om de familie te belasteren, zelfs een spreekbeurt op school  van Martins zoon wordt opeens gezien als ‘gevaarlijke antipropaganda.’ Het net sluit zich.

    Kapot gemaakt
    Wat in lange tijd is opgebouwd door de familie, wordt in korte tijd door de nazi’s kapot gemaakt. Er blijft hen niets anders over dan te vluchten. Weg te komen uit hun vaderland. Ze nemen de benen naar Parijs, Palestina, Bern, naar alle windstreken. De berichten die hen bereiken uit hun Heimat zijn een zwarte slagschaduw op hun bestaan. Ze zijn nooit helemaal verlost van angsten en frustraties. In Zwitserland probeert Gustav een soort verzetsbeweging te stichten, maar dat vindt maar weinig weerklank. En in Duitsland zelf al helemaal niet. De Duitsers moeten zorgen voor hun dagelijkse brood en voelen niet veel voor verzet tegen een alom aanwezig repressief regime.

    Een uiterst precies geschreven en huiveringwekkende getuigenis van een regime dat zoveel onheil bracht over de mensheid en waarvan de kiemen nog steeds in onze tijd aanwezig zijn, helaas.

     

  • ‘Je stelt de verkeerde vragen’

    ‘Je stelt de verkeerde vragen’

    Recensie door Laura Schans

    Het is absurd om in het weekend waarin Griekenland op de rand van de afgrond bungelde voordat de Eurogroep en premier Tsipras een akkoord bereikten over steun en afbetaling, Het voorjaar van de barbaren van Jonas Lüscher te lezen. De voorpagina’s stonden vol met berichten over lege pinautomaten, het inhouden van medicijnen om tekorten te voorkomen, de dreiging van humanitaire rampsituaties en protesten die uitmondden in rellen. Het voorjaar van de barbaren, uit het Duits vertaald door Gerrit Bussink, blijkt een boeiende parabel te zijn over staatsbankroet, het ontduiken van verantwoordelijkheid en de barbarij waar mensen in vervallen zodra het luchtkasteel van maatschappelijke zekerheden uiteenspat.

    In deze parabel gaat het over de elitekant van de financiële crisis. De Duitse zakenman Preising bezoekt een relatie in Tunesië, een bezoek dat hem is opgedragen door Prodanovic, zijn partner die zakelijk gezien alle touwtjes in handen heeft maar vanwege zijn achternaam bij chique aangelegenheden liever Preising naar voren schuift. Preising ondergaat de reis met een mengeling van gelatenheid en geamuseerdheid: hij geniet van de exotische locaties en lekkernijen en vertelt smakelijk over de gebeurtenissen die zich tijdens zijn reis aaneenrijgen, de een nog gekker en schokkender dan de ander. Maar uit de manier waarop hij observeert, blijkt dat hij zichzelf niet ziet als deelnemer.

    De eigenlijke verteller van het verhaal blijft anoniem. Hij of zij is opgenomen in hetzelfde instituut als Preising, ná de gebeurtenissen in Tunesië waar het in de roman om gaat. Tijdens gezamenlijke wandelingen langs een gele muur die het terrein van het instituut omringt, vindt Preising in hem of haar een gelaten luisterend oor. Op een van de sporadische momenten dat de verteller het woord neemt, zegt deze: ‘In ons onvermogen om onszelf als handelende personen te zien leken we op elkaar, Preising en ik. Hij slaagde erin dat klaarblijkelijke gebrek te zien als een deugd.’

    Onderweg naar het resort in een Tunesische oase, waar Preising van de gastvrijheid van zijn zakenrelatie zal genieten, raakt hij verzeild bij een bruiloft. Een groep schaamteloos rijke, jonge, gebruinde Engelsen viert het huwelijk van Mark en Kelly, werkzaam bij dezelfde bank in de Londense City. Ondertussen druppelen alarmerende berichten over een dreigend Engels staatsfaillissement binnen, die door alle aanwezigen argeloos worden genegeerd, ook door de ouders van de bruidegom. Vanaf een verhoging boven het zwembad kijken zij met lichte afkeuring neer op de entourage van hun zoon en aanstaande schoondochter, een scene die ze stilletjes verantwoordelijk houden voor het ineenstorten van de Engelse economie. Een oordeel spreken ze daarover echter niet uit: moeder Pippa verstopt zich in een boek van een beroemde Tunesische schrijver, vader Sanford verschuilt zich achter zijn sociologische theorieën.

    Preising wordt door Pippa en Sanford uitgenodigd voor het grote feest, een aanbod waar hij gretig gebruik van maakt. Levendig vertelt hij over dit feest ‘waar geld geen enkele rol speelt, of juist de allergrootste’. Als Engeland in de nacht na de huwelijksvoltrekking dan daadwerkelijk failliet wordt verklaard, mogen de Engelse gasten in het resort geen ontbijt meer nuttigen omdat de rekening niet meer zal kunnen worden betaald, zijn hun creditcards geblokkeerd en alle vluchten met Engelse luchtvaartmaatschappijen geannuleerd. Vol scherpe humor en in precieze zinnen wordt de daaropvolgende barbarij uit de doeken gedaan waarin een en ander op passend absurde wijze sneuvelt.

    Preising vertelt met smaak hoe de dramatische gebeurtenissen zich voltrekken. Hij gedraagt zich als grote bemoeial, die zichzelf tegelijk voortdurend neerzet als een toevallige getuige die nergens iets mee te maken heeft. Ondertussen schotelt hij zijn wandelmaatje in het instituut filosofische uiteenzettingen voor, over de relatie tussen geld en waarheid en de moraal die in verhalen te vinden moet zijn. Deze slimme gedachten kunnen niet verbloemen dat juist Preising een belichaming is van het probleem dat vol symboliek wordt uitgewerkt in deze korte roman, een probleem dat ook vertegenwoordigd wordt door de rijke Engelsen die feestvierden ‘alsof het een bijzaak betrof’. Iederéén in deze roman deelt in het onvermogen zichzelf als handelend persoon te zien.

    Het ontduiken van verantwoordelijkheid dat in elk personage te herkennen is, maakt dat deze korte roman leest als een parabel: in de openingsscènes verkondigt Preising zelf dat het in elk goed verhaal gaat om de moraal. Maar om welke dan, in dit geval? Als Preising is aangekomen bij zijn ontsnapping uit de chaos van Tunesië, wil zijn wandelmaatje eindelijk zelf iets weten. ‘Je stelt de verkeerde vraag’, is het enige dat Preising antwoordt op een vraag die de lezer niet te weten komt. Niemand maakt zijn handen vuil, en wij blijven met lege handen achter. Ondertussen staan er nog steeds lange rijen voor de Griekse pinautomaten.

     

    Het voorjaar van de barbaren

    Auteur:  Jonas Lüscher
    Vertaald door Gerrit Bussink
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 160 pagina’s
    Prijs: € 17,95

     

  • Oogst week 18

    door Carolien Lohmeijer

    Het vertellen van een verhaal is de beste manier om iets duidelijk te maken moet filosoof Jonas Lüscher gedacht hebben toen hij zich aan het schrijven van zijn debuut Het voorjaar van de barbaren zette. In deze novelle wordt een gezelschap van overwegend jonge, rijke Britten die in Tunesië een exorbitant huwelijksfeest vieren, in één klap geconfronteerd met de gevolgen van het Engelse staatsbankroet: middenin de woestijn, geblokkeerde creditcards, geen geld en geen baan meer, wel torenhoge schulden. Het is het begin van de barbarij. Deze parabel werd na verschijnen in Duitsland humorvol, bitterzoet en tegelijkertijd messcherp genoemd. Binnenkort een eigen recensie op Literair Nederland.
    Het voorjaar van de barbaren, Jonas Lüscher, vertaald door Gerrit Bussink, Wereldbibliotheek, 160 pagina’s, € 17,95

    De Arabier van de toekomstIn de autobiografische beeldroman De Arabier van de toekomst schrijft en tekent Riad Sattouf over zijn vroegste jeugdjaren (1978 tot 1984) die hij voornamelijk doorbracht in het Libië van Khadaffi en het Syrië van Assad. Hij is de zoon van een Franse moeder en een Syrische vader en valt door zijn blonde haren altijd op tussen de donkere Arabische kinderen.
    Zijn vader, geen overtuigd islamiet, maar wel gehecht bepaalde islamitische gebruiken, is hoogopgeleid aan de Sorbonne, maar kan in Frankrijk geen baan vinden en daarom vertrekt het gezin eerst naar Libië, later naar Syrië.

    De actualiteit van vandaag is waarschijnlijk mede bepalend voor het succes van De Arabier van de toekomst, al speelt dat dus zo’n 30 tot 40 jaar geleden. Volgens de uitgeverij geeft het de lezer wel ‘een kritisch en komisch inkijkje in de culturele achtergrond van de conflicten van vandaag.’
    Arabier van de toekomst, De Geus, Riad Sattouf, vertaald door Toon Dohmen en Mariella M. Manfré, 160 pagina’s, € 21,95

     

    Dit is geen theater meerDan is bij ons binnengekomen Dit is geen theater meer, de nieuwe dichtbundel van Annemarie Estor. Zij ontving in 2013 de Herman de Coninckprijs voor de beste bundel De oksels van de bok. Hoewel, bundel kan je het niet noemen: het boek bevat één lang gedicht.
    Estor is veelzijdig, samen met Lies van Gasse schreef en tekende ze ook het beeldverhaal Het boek Hauser. Aan het project Paradijselijke reizen van Paul van Gulick leverde ze een belangrijke bijdrage in de vorm van 8 gedichten.
    In Dit is geen theater meer ‘worden decors afgebroken en komt een uitgeteerde wereld tevoorschijn. Estor beschrijft de dromen, verlangens en dwaalwegen van de mens.’
    Estor is zowel in Nederland als in België actief. Op 13 mei a.s. vindt in Antwerpen in de Arenbergschouwburg een muzikale boekpresentatie plaats rondom Dit is geen theater meer.
    Annemarie Estor, Wereldbibliotheek, 64 pagina’s, € 19,95

     

     

  •  ‘Ga er maar aan staan’

     ‘Ga er maar aan staan’

    Wie literaire teksten vertaalt, moet van alle markten thuis zijn, een Jack of all trades … pardon: Manusje van alles. Het gaat om meer dan het zorgvuldig, woord voor woord, omzetten van de ‘brontaal’ in de ‘doeltaal’, om het in jargon te zeggen, je moet ook het idioom van speciale groepen beheersen. Wat betekent het als er in een Engelse tekst over de loo gesproken wordt? Is dat iets anders dan bathroom? Toilet? Water closet? Zulke dingen luisteren nauw. Bij sommige gelegenheden zeg je bepaalde woorden niet, bij andere juist wel en dat heeft alles te maken met klassenverhoudingen, religieuze achtergrond, leeftijd, status, regio, periode. Tussen de verschillende talen bestaan bovendien aanzienlijke idiomatische verschillen. Villa betekent in de ene taal een duur huis, in de andere taal een buitenwijk, afhankelijk van de context. In het Italiaans slaat een casino op een feestzaal, in het Nederlands op een gokpaleis.

    Als je afgaat op de wijze lessen van Maarten Steenmeijer in zijn zojuist verschenen Schrijven als een ander. Over het vertalen van literatuur, kijk je wel uit om er aan te beginnen. Ondanks het feit dat Nederland, anders dan Engelstalige landen, een typisch ‘vertaalland’ is. In een speciaal hoofdstuk vind je een bloemlezing van fragmenten uit recente Nederlandse vertalingen van Duitse, Amerikaanse en Spaanse romans. Een dodelijke opsomming. Steenmeijer, die zelf uit het Spaans vertaalt, legt de lat hoog. De vertaler moet volgens hem de ‘talige persoonlijkheid’ van de schrijver zien te ontdekken en ‘in al haar eigenheid en eigenaardigheden leren kennen en doorgronden’. De bedoeling is immers de schrijver ‘een stem in het Nederlands’ te geven. ‘Die stem is méér dan de toon, tempo, klankkleur, en bereik; zij is ook een manier van denken en voelen, een visie op de wereld, een levensgevoel, een gemoedstoestand’. Wie durft nog? Ook praktisch sta je hier als vertaler voor een bijna onmenselijke opgave. Een voorbeeld: Steenmeijers favoriete schrijver is de Spanjaard Javier Marías, maar deze auteur heeft – zoals de vertaler zelf opmerkt – pas na vijf boeken zijn eigen ‘talige persoonlijkheid’ gevonden.

    Desondanks brengt Steenmeijer het vertalersambacht dichterbij door allerlei aspecten en dimensies op een luchtige manier tegen het licht te houden. Zijn boek is een verzameling van zo’n vijfentwintig hoofdstukjes, vaak niet langer dan een pagina of vijf, zes. Hij is wars van moeizaam jargon en schrijft overzichtelijke, nuchtere betoogjes, columns eigenlijk, waarbij hij algemene vertaalproblemen verduidelijkt aan de hand van concrete gevallen. Als je begrijpt hoe vertaalfouten tot stand komen, is vertalen misschien niet meer zo afschrikwekkend, het is uiteindelijk toch mensenwerk. Hij behandelt eerste zinnen, zowel voor schrijvers als vertalers van cruciaal belang, het vertalen van popsongs, de plaats van de lezer en de kwestie van ‘vrij’ of ‘precies’ vertalen, maar als een rode draad door het hele boek loopt een heikele kwestie, waarvoor ook andere vertaaldeskundigen uitdrukkelijk aandacht hebben gevraagd: hoe doe je recht aan het origineel?

    In 1937 wees de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset er in een beroemd essay op, dat vertalers ‘de angel uit de oorspronkelijke tekst halen’. Schrijvers zijn volgens Ortega ‘opstandelingen tegen de taal’, ze overtreden normen en regels, literaire taal wijkt af van de doorsneetaal, misschien wel juist ter verhoging van de verstaanbaarheid. Vertalers kunnen daar niet tegenop, ze sluiten de schrijver op in de ‘gevangenis van de gewone taal’, vertalingen geven vaak de indruk dat de schrijver eigenlijk een beetje dom is. Om het in andere woorden te zeggen: ‘vreemd’ taalgebruik wordt in de vertaling weggezuiverd, het hart, de originaliteit, wordt uit de tekst gehaald. Dit is het centrale dilemma van de vertaler en Steenmeijer komt hierop dan ook op verschillende plaatsen terug, ook aan de hand van schrijver en vertaler Tim Parks die zich de laatste jaren uitdrukkelijk in de discussie heeft geworpen. De ‘persoonlijke stijl’ van de schrijver wordt door vertalers omgezet in een ‘algemene stijl’, die weliswaar voldoet aan de standaarden van ‘mooi Engels’ of ‘mooi Frans’, maar die de oorspronkelijk tekst uitdrukkingsloos maakt.

    Een klemmend probleem. Steenmeijer pleit ervoor dat vertalers beter betaald worden en meer in de schijnwerpers komen te staan – hun naam op de kaft, duidelijker aanwezig in praatprogramma’s op radio en tv. Wie zou het hem misgunnen een Bekende Nederlander te worden? Maar dat alles is geen oplossing voor de bijna schizofrene positie waarin vertalers zich per definitie bevinden. Steenmeijer zegt het zelf: de ene vertaler is de andere niet. ‘Vraag aan tien literair vertalers om dezelfde tekst te vertalen en je krijgt tien verschillende resultaten. (…) Het is naïef om de vertaler te zien als een onzichtbare go-between’. Vertalers zullen altijd moeten zien te laveren tussen de eisen van de oorspronkelijke tekst en de vrijheid om die tekst naar eigen inzicht om te zetten. Het is volgens Steenmeijer een soort ‘spookgebied’ waarin de vertaler als een ander moet schrijven, maar ook als zichzelf. ‘Ga er maar aan staan’, verzucht hij.


    Schrijven als een ander
    Over het vertalen van literatuur

    Maarten Steenmeijer
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek (2015)
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 15,95

  • De lezer een voyeur

    De lezer een voyeur

    Het motto waarmee de novelle Elders opent ‘Pleased to meet you. Hope you guess my name.’ – overgenomen uit het controversiële rocknummer Sympathy for the Devil van The Rolling Stones – is meteen al goed voor een koude rilling. Alsof de schrijver op voorhand een waarschuwing wil afgeven, een ‘bezint eer ge begint’.’ IJzersterke actie van Martijn Knol (1973): het verhaal nog niet begonnen, de toon al gezet.

    Een gezinnetje – vader, moeder, twee zoons – viert een weekje vakantie in de Italiaanse Alpen. Nazomers familiegeluk. Alhoewel? Ze blijken niet alleen te zijn. Op het terras is ongezien een mysterieuze figuur neergestreken, de verteller van het verhaal. Van een afstandje volgt hij nauwlettend de gezinsleden. Verdacht hoeveel hij van hen weet. Zelfs in hun gedachten, gevoelens en toekomst kan hij kijken. Wie is deze sinistere – met haviksogen, waakhondoren en oververhit brein uitgeruste – gedaante die zich in toenemende mate aan hen opdringt? Is hij een bekende of wellicht een zinnebeeld? Welke boodschap komt hij brengen?

    Knol – die al drie romans op zijn naam heeft staan en van wiens pen we ook op Tirade.nu volop kunnen genieten – speelt in Elders een gedurfd literair spel met lezer en personages. Het verhaal wordt verteld in de tweede persoon enkelvoud. Een tricky perspectief dat in de regel gekunsteld aandoet en nogal steriele teksten oplevert. Zo níet bij Knol, die er een spannende draai aan weet te geven door de verteller rechtstreeks – en zeer nadrukkelijk – tot één van zijn personages te laten spreken, de jongste van de twee zoons. Het is deze pakweg tienjarige jongen die de ‘je-/jij’ vertolkt. Doordat de verteller ook nog eens alwetend is (zoveel meer weet dan de personages), krijgt het geheel een ongewoon intiem en manipulatief karakter. De lezer wordt gedwongen dichtbij te komen, beschamend dichtbij: ‘Ik ben hier niet uit vrije wil. Ik ben hier omdat jouw moeder wil dat ik hier ben. […] Je moeder verlangt naar een ander leven. Maar de waarheid is dat ze ook in dat andere leven naar een ander leven zou verlangen. […] Je moeder houdt ervan om af en toe tegen de grond getrapt te worden. Jij wilt vernederd worden om te voelen dat je leeft, is de strekking van wat je vader soms naar haar schreeuwt. En helemaal onwaar lijkt me dat niet.’

    Ook Knols compositie is onalledaags en getuigt van lef. Geen hoofdstukken, geen titels. Wél 130 opzichzelfstaande blokken tekst die in grootte sterk variëren – er zijn zelfs blokjes van één enkele zin: ‘Als je moeder met haar vriendinnen over je vader praat, heeft ze het over Meneer Bouwhuis.’ Waar Knol de jongens aanhoudend met een frisbee laat werpen, laat hij de lezer springen van blok naar blok. Je vliegt heen en weer tussen gisteren, vandaag, morgen. Én tussen fantasie en werkelijkheid. Maakt een uitdagende hink-stap-sprong door tijd en ruimte. Meermaals land je ook in een tijdloze dimensie – Knols ‘filosofische brein’ – om je daar al dolend  af te vragen of de sprongen die je eerder maakte op waarheid berustten of enkel werden gedacht, wie weet zelfs geprojecteerd. Knol laat het ‘bouwen’ volledig aan jou. Daagt je uit de mogelijkheden te onderzoeken.

    Is de toon in aanvang nog ingehouden en hartelijk, wordt deze allengs destructiever, obsessiever. Met het oplopen van de spanning weet de verteller zich steeds minder binnen te houden. De jongen wordt niet langer keurig aangesproken maar bestookt met – nee meer nog belaagd door – wraakzuchtige demonen. Er is geen houden meer aan. Onthulling volgt op onthulling: ‘Ik vervuil jullie gezin, puur door mijn bestaan. Ik ben de rot in jullie fundamenten. De roofvogelschaduw die over het open veld naar een kluitje dwergkonijnen scheert.’ Heldere taal. Hier spreekt duidelijk een getormenteerde ziel die een belangrijke boodschap heeft. Maar is het wel wraak, een gefrustreerd verlangen? Of handelt hij uit medelijden? Is het een persoonlijk offer dat hij komt brengen?

    Eerst blik je rustig mee. Gaandeweg wordt het blikken een loeren. Voel je je steeds ongemakkelijker worden. Er bekruipt je een gevoel van medeplichtigheid. Meermaals vraag je je af waar je het lef vandaan haalt zo mee te gluren – het familiegeluk te verstoren – om in the end geschokt te moeten constateren dat je níet hebt ingegrepen. Dat je met ingehouden adem en wijdopen ogen bent blijven kijken. Dat de nieuwsgierigheid het won. Ik lezer, een laffe voyeur.

    Hope you don’t guess my name.


    Elders

    Auteur: Martijn Knol
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 79
    Prijs: € 9,95

  • Treurnis, weemoed en melancholie in adembenemend proza

    Treurnis, weemoed en melancholie in adembenemend proza

    Gajto Gazdanov was een van de bekendste Russische emigrantenschrijvers in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Een avond bij Claire verscheen in 1929 in Parijs, gevolgd door nog enkele romans en verhalen, waaronder de roman Het fantoom van Alexander Wolf. In 1992 verscheen Een avond bij Claire in een vertaling van Helen Saelman. Zij heeft die vertaling voor deze heruitgave volledig herzien.

    De schrijver Gazdanov en het hoofdpersonage Kolja lijken in bepaalde opzichten op elkaar. Beiden kiezen op jonge leeftijd (Kolja was 16 jaar) in de Russische Revolutie de kant van de Witten. Van Kolja weten we dat hij dat niet uit overtuiging deed, want als zijn oom Vitali, een oud-officier, hem probeert tegen te houden door te zeggen dat de vrijwilligers (de Witten) de oorlog gaan verliezen, denkt hij: ‘De vraag of de vrijwilligers de oorlog zouden winnen of verliezen interesseerde mij niet zo. Ik wilde weten wat oorlog was, (…). Ik trad toe tot het Witte leger omdat ik me op het grondgebied daarvan bevond, omdat iedereen dat deed’.
    Zoals de schrijver zelf belandt ook Kolja, gedwongen te vluchten omdat de communisten de oorlog gewonnen hebben, na lange omzwervingen in Parijs. Daar ziet hij Claire terug, op wie hij in het Rusland van voor de Revolutie hopeloos verliefd was en die hij uit het oog verloren was ten gevolge van een nogal onhandige toenaderingspoging en die hij ‘nergens en nooit had kunnen vergeten’.

    Claire is inmiddels getrouwd met een rijke zakenman die vaak en langdurig op reis is, zoals ook het geval is op het moment dat het verhaal een aanvang neemt. Kolja bezoekt de zieke Claire iedere avond tot hij van haar ontvangt waarnaar hij tien jaar verlangd heeft, maar ’toen ze ingeslapen was, draaide ik me met mijn gezicht naar de muur en werd bevangen door mijn oude droefheid.’ Treurnis, weemoed, melancholie voeren de boventoon in de roman. In die bewuste nacht, bij Claire, realiseert Kolja zich dat aan het weemoedig verlangen naar Claire nu een einde is gekomen en dat besef leidt tevens tot een keerpunt in het verhaal. Vanaf dat moment namelijk begint Kolja zich geleidelijk alles voor de geest te halen wat voorafging aan de avonden bij Claire. Hij voert ons mee naar zijn bepaald niet ongelukkige jeugd die echter wreed verstoord werd door de dood van zijn bijzondere vader, de man die hem leerde hoe hij in zijn dromen wereldreizen kon maken als commandant van een toverschip. Ook zijn leven als gymnasiumleerling passeert de revue. Het valt hem op dat hij meer dan anderen van zijn innerlijk leven houdt, dat zijn aandacht getrokken wordt door ‘kleinigheden waaraan ik eigenlijk geen belang had moeten hechten’, en dat belangrijke gebeurtenissen (lees veldslagen, doden en gewonden) ‘nauwelijks effect’ op hem hadden en voor hem pas veel later, in zijn herinnering, de betekenis krijgen die ze hadden moeten hebben toen ze plaatsvonden.

    Deze roman laat een onuitwisbare indruk na, niet alleen door wat Kolja beschrijft, maar ook en misschien wel vooral door hóe hij het beschrijft. Adembenemend en in bijna poëtische bewoordingen weergegeven is de reis van de pantsertrein. Deze trein, waarmee  Kolja, zijn kameraden en de officieren naar het front vervoerd worden, brengt hem in contact met lieden van allerlei slag. (Later bij de aftocht van de Witten ’trok de pantsertrein over de rails van de Taurus en de Krim, als een door honden opgejaagd en door jagers omsingeld wild dier.’) In geuren en kleuren schildert Kolja laffe officieren – van wie een zich tijdens een zwaar gevecht onder een hoop lijken verschool en pas op stond toen het gevecht was afgelopen – en heldhaftige soldaten. Zelfs dat hij als soldaat van het artilleriecommando naar een observatiepost wordt gestuurd die zich in een boomtop in een bos bevindt, en dat hij daar alleen gelaten wordt, wordt voorgesteld als iets moois, iets waar je bijna jaloers op zou kunnen zijn: ‘De bladeren ruisten in de wind, een sprinkhaan, die god mag weten waarvandaan gekomen was, tsjirpte beneden op de grond en verstomde toen plotseling, alsof iemand een hand voor zijn mond hield. Alles was zo mooi en transparant (…) dat ik vergat dat ik de mondingsvlammen en de bewegingen van de vijandelijke cavalerie in de gaten moest houden, (…) en vergat dat er in Rusland een burgeroorlog aan de gang was en dat ik aan die oorlog deelnam.’ Met dit soort opvallende vergelijkingen en beschrijvingen weet de schrijver de lezer steeds weer te verrassen!

    Bijna een eeuw later is Gazdanov nog steeds in staat de lezer de werkelijkheid te doen vergeten met zijn fantastische (in de ware zin van het woord!) vertelling, fraai gekozen beelden en prachtige stijl.

    Een avond bij Claire

    Auteur: Gajto Gazdanov
    Vertaald door: Helen Saelman
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 18,90