• Oogst week 37 – 2025

    Scènes uit een giftige relatie

    Vanaf de zijlijn is het makkelijk praten: giftige relatie? Stap eruit! Maar wat als je er middenin zit en dat niet lukt? In Scènes uit een giftige relatie van Diana Tjin, valt Hermine, zeventien jaar oud, als een blok voor Berend, student en vijf jaar ouder dan zij. Ze denkt dat ze in haar relatie met hem de akelige dingen uit haar jeugd zal kunnen vergeten, maar van haar droombeeld van hun leven samen — samen studeren, carrière maken, kinderen krijgen — blijft weinig over zodra ze samenwonen. Berend kleineert haar en Hermine wordt in een traditionele vrouwenrol gedrukt. Wat volgt is een gevecht met zichzelf.

    Diana Tjin (1961) is schrijver en werkt als Erfgoed catalografe bij de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Ze werd geboren in Amsterdam, is van Chinees-Surinaams-Joodse afkomst en studeerde Klassieke Talen aan de UvA. Eerder verschenen er meerdere romans van haar hand, waaronder Het geheim van mevrouw Grünwald en Noem me Calimero; of Carmen zo je wilt. Voor haar nieuwste roman, Scènes uit een giftige relatie, gebruikte ze haar eigen relatie uit de jaren ’80 als voorbeeld.

    Scènes uit een giftige relatie
    Auteur: Diana Tjin
    Uitgeverij: In de Knipscheer


    Geld verdienen

    Handelen met voorkennis. Ellie en Freya, die elkaar nog van de middelbare school kennen, hebben geld nodig en de beurs biedt uitkomst. Dat is het begin van Hanna Bervoets’ Geld verdienen. Een aandeel waarvan Ellie weet dat het waarschijnlijk snel meer waard wordt is te verleidelijk om aan je voorbij te laten gaan. Alleen, waarom wordt iedereen die het bezit getroffen door geheimzinnige en akelige kwalen? De vriendschap tussen Ellie en Freya komt onder druk te staan en Ellie moet een keuze maken, een onmogelijke keuze. 

    Hanna Bervoets (1984) is schrijver, essayist en scenarist. Ze studeerde Media & Cultuur, gevolgd door een master Journalistiek & Research en debuteerde in 2009 met de roman Of hoe waarom. Sindsdien publiceerde Bervoets romans, scenario’s, toneelstukken, korte verhalen en essays. Bervoets’ werk is meermaals genomineerd, voor de Gouden Boekenuil, de AKO Literatuurprijs en de Libris Literatuurprijs. Ook won ze in 2017 de BNG Bank Literatuurprijs voor haar roman Ivanov, en ontving ze de Frans Kellendonk-prijs voor haar gehele oeuvre.

    Geld verdienen
    Auteur: Hanna Bervoets
    Uitgeverij: De Pluim

    De brievenbezorgster van Puglia

    Het is 1934 als Anna met haar gezin naar Lizzanello verhuist, het geboortedorp in Zuid-Italië van haar man Carlo. Zelf is ze Noord-Italiaanse en een opvallende verschijning in het traditionele dorp, met de broeken die ze draagt, daar voorbehouden aan mannen, haar interesse in lezen en haar nieuwsgierigheid. Hoewel Carlo het afkeurt gaat ze aan het werk als de eerste vrouwelijke postbode van het dorp, gesteund door haar zwager, Antonio, die haar niet alleen begrijpt maar ook liefheeft. Niet zonder strijd bezorgt ze twintig jaar lang de post. Dat houdt meer in dan brieven bezorgen: ze kent alle geheimen van het dorp. 

    Francesca Giannone (1982) is geboren in Lecce, Italië. De brievenbezorgster van Puglia is haar debuutroman, waarin ze historische gebeurtenissen, de Tweede Wereldoorlog, het opkomende feminisme en het vrouwenkiesrecht, verweeft met een persoonlijk verhaal. Giannone won er de Italiaanse boekhandelsprijs mee. Het boek was twee jaar lang de bestverkochte roman van Italië en werd aan 24 landen verkocht, waaronder Nederland.

    De brievenbezorgster van Puglia
    Auteur: Francesca Giannone
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Oogst week 25 – 2025

    Waar ik me voor schaam — Over zwijgen en het doorgeven van schuld

    Sinds januari 2025 mogen burgers zelf onderzoek doen in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Dit betekent dat veel informatie over mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben gecollaboreerd met de Duitsers voor het eerst naar buiten komt. In Waar ik me voor schaam onderzoekt Sheila Sitalsing de werking van schaamte die van generatie op generatie wordt doorgegeven en de aantrekkingskracht van totalitair gedachtengoed. Haar moeder bleef tot haar dood zwijgen over een deel van hun familiegeschiedenis. Ook onderzoekt Sitalsing, nu het fascisme in Nederland dichterbij lijkt (of is?) dan het sinds de jaren veertig is geweest, de gelijkenissen met de situatie toen.

    Sheila Sitalsing (1968) is journalist, schrijver en econoom. Ze werkte als verslaggever, redacteur en chef redactie voor verschillende bladen en kranten en schreef gedurende elf jaar een column voor de Volkskrant. In 2013 won ze voor die columns de Heldringprijs voor beste columnist van Nederland. In 2024 ontving ze een eredoctoraat van de Universiteit voor Humanistiek voor haar bijdrage aan het maatschappelijk debat. Ze schreef een politieke biografie over Mark Rutte en haar columns over coronajaar 2020 verschenen gebundeld in Dagboek van een krankzinnig jaar.

    Waar ik me voor schaam — Over zwijgen en het doorgeven van schuld
    Auteur: Sheila Sitalsing
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Een familiekwestie


    In Een familiekwestie beschrijft Claire Lynch de strijd van lesbische moeders in het Verenigd Koninkrijk die in de jaren tachtig en negentig massaal de voogdij over hun kinderen werd ontnomen. Lynch stelt het discriminerende rechtssysteem dat daaraan ten grondslag lag aan de orde en geeft de menselijke gevolgen van gerechtelijke uitspraken en de maatschappelijke gevolgen een gezicht. Toch gaat het boek niet over slachtoffers, het gaat vooral over zij die streden voor gelijkheid in een samenleving die hen die onthield.

    Claire Lynch (1981) is hoogleraar Engels en Creatief Schrijven aan de Brunel Universiteit in Londen. Ze verscheen in verschillende podcasts en in 2021 kwam haar memoire Small: On Motherhoods uit, die gaat over de gecompliceerde weg die zij en haar vrouwelijke partner moesten afleggen om drie kinderen te krijgen. Een familiekwestie is haar romandebuut.

    Een familiekwestie

    Auteur: Claire Lynch
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Het goede kwaad

    In Het goede kwaad vertelt Samanta Schweblin verhalen over de breekbaarheid van dat waar wij het meest om geven. Over een vader die zijn verdriet niet met zijn zoon kan delen na een ongeluk dat hij door onoplettendheid niet heeft weten te voorkomen. Over een moeder die wacht op een dochter die zal terugkeren. Over een vrouw die levensmoe is, maar zich vanuit haar rol genoodzaakt ziet door te gaan. Deze vertaling volgt op de vertaling van nog twee verhalenbundels van Schweblin: Mond vol vogels (2023) en Zeven lege huizen (2022). 

    Samanta Schweblin (1978) is een Argentijnse schrijver die momenteel in Berlijn woont. Ze heeft drie verhalenbundel gepubliceerd, een novelle en een roman en haar verhalen zijn verschenen in tijdschriften zoals The New Yorker en The Paris Review. Ze werd genomineerd voor verschillende prijzen, stond op longlists en shortlists, en won er ook een aantal, waaronder in 2022 de National Book Award for Translated Literature voor Zeven lege huizen. 

    Het goede kwaad
    Auteur: Samanta Schweblin

    Uitgeverij: Meridiaan Uitgevers

  • Poëzie als levenselixer

    Poëzie als levenselixer

    Vertaler, dichter en filosoof Jabik Veenbaas publiceerde een achttal bundels. De thematiek van zijn nieuwe bundel Kamermuziek (2024) sluit aan bij die van zijn eerdere bundel Mijn vader bad (2015). De voornaamste onderwerpen zijn de wereld van zijn jeugd, de zee, de natuur, het gezin waarin hij opgroeide en een vader die in zwijgzaamheid zijn oorlogservaringen verwerkt. Het eerste gedicht, ‘Een droom’ gaat over een ingesneeuwd ouderlijk huis. In de huiskamer schuiven de gezinsleden de stoelen dicht bij elkaar. Er spreekt een gelatenheid en overgave uit die aan vroeger doet denken en tegelijk doet verlangen naar een opnieuw mogen beleven. 

    Het ik herinnert zich zijn liefde voor orgelmuziek en vraagt zich af waarom hij geen organist is geworden. Blijkbaar viel met de preek over Beëlzebub de denkbeeldige ‘schaduw’ Gods over hem heen en deed hem dat zijn geloof verliezen. Gelukkig waren er daarnaast de ‘mythologische’ voorbeelden van mensen uit zijn directe omgeving die hem tot voorbeeld waren hoe mens te zijn: ‘onsterfelijk waren ze niet / en ze hadden hun tekorten / toch als ik een mens zou worden als zij / dan was mijn leven geslaagd’. 

    Standvastigheid en geluk

    Tijdens het spelen met buurjongens en het vangen van stekelbaarsjes toont het ik zijn standvastigheid: ‘ze kunnen smeken wat ze willen / mijn stekelbaarsjes krijgen ze nooit’. Geregeld treedt tussen de rietpluimen de dominante vader ‘met zijn onmachtige woede’ op de voorgrond. Veenbaas is openhartig over zijn voorgeschiedenis. Hij bekent dat hij iets ongemakkelijks ervoer bij het noemen van zijn naam, maar zijn grootvader die met een ‘demon’ vocht en deze niet aankon, was de eerste naamgever. Een voorbeeld van een man die ook net als het ik ‘taaie hoop / op moeizaam bereikbaar geluk’ ervoer. Naast deze donkere beelden is er ook de lichte herinnering aan Baukje die hem de beker vol goedhartigheid wist aan te reiken. In een ‘broederlijk gesprek’ komt de gezelligheid van het samen spelletjes doen weer boven, maar ook de ‘armoede en onmacht’ in het gezin. 

    Het titelgedicht ‘Kamermuziek’ geeft een prachtige inkijk in de atmosferische zwaarte die het ik ondergaat. Mogelijk speelt daarin het aanstaande moment van afscheid, omgeven door melancholieke cellomuziek. De accordeon brengt enige ontspanning terug. Zie de oude angsten onder ogen is de opgave, en zie de liefde die er was maar nu pijn doet. Als de liefde verdwijnt, blijft eenzaamheid over. Met gebalde vuisten wordt er geluisterd naar beide muzikale werelden. Die van hoop en die van innerlijke pijn die echter langzaam lijkt weg te ebben.

    ‘Kamermuziek
    terwijl wij in de kamer staan
    klaagt zachtjes aan het raam
    de cello hoe de hoge bomen
    schaduwen worden een kleine
    zwarte vogel valt

     en de accordeon antwoordt altijd
    keer je terug naar je oude angsten
    de liefde die een pijn wordt als
    ze verdwijnt een eenzaam zijn
    aan het eind

     ik zoek je gezicht we drijven nu
    steeds verder uit elkaar
    ik luister de vuisten gebald
    maar roerloos als de bomen buiten
    die zoals de cello kalm buiten
    de matte ogen sluiten’

    Zoeken naar het levenselixer

    Herinneringen vormen het wezen van deze bundel. In ‘Romance’ herinnert hij zich de eerste kennismaking met zijn vrouw. ‘Het lijkt alsof zij sneeuwvelden in haar ijsblauwe ogen heeft waar poolvossen in rondslopen’. Ze vonden elkaar in het lezen van Rilke. Dit duiken in het verleden geeft deze bundel het karakter van een zelfonderzoek. Hier verschijnt voor even de filosoof in de dichter. Maar naast deze ernstig stemmende observaties komt er in ‘Bestemming’ opeens een serveerster op een zonnig terras langs die ‘in wijze rijmen’ orakelt. 

    Het ‘Requiem voor Ilse’ memoreert aan een gezamenlijk poëzie optreden met Ilse Starkenburg (1963 – 2019) in de stad waar gewelddadigheden rondom een voetbalmatch plaatsvonden. Het ik herinnert zich de hinder die ze had van het hooligangeweld. 

    ‘ik zag je schrijven
    en ving een glimp op van je poëzie
    formules waarmee je zocht
    naar een levenselixer een
    oeroud alfabet angstvallig
    geëtst in eenvoud en
    eenzaamheid

    In deze poëzie opvatting van Starkenburg herkent Veenbaas zich. Het zoeken naar een levenselixer om tegen het leven bestand te zijn. Dichten is blijkbaar ook voor hem een manier om te overleven.

    Liefde voor het leven

    In menig gedicht werkt Veenbaas naar een pointe toe, zoals in het gedicht ‘De oude’ waarin een oude vrouw langzaam maar zeker ‘zou verdwijnen in een aardster of een madelief’. Deze wederopstanding in de vorm van een denkbeeldige bloem of en ster herinnert aan de vroegchristelijke discussie over de tegenstelling tussen een nieuw, geestelijk, opstandingslichaam en een weer tot leven gewekt oud-stoffelijk lichaam. De zee is de favoriete plek van deze dichter. Hij voelt zich verwant met de zeezeiler die een walvis waarneemt. Door alles heen proef je dat Veenbaas het leven liefheeft. Als hij over Emily Dickinson mediteert en zich voorstelt op haar kamer te zijn, dan ziet hij voor zich hoe zij haar ‘witste’ jurk aantrekt ‘om licht en leven te vieren’. 

    Dat alles neemt niet weg dat ook de harde realiteit getoond wordt. Zoals het vluchtelingenkamp Yarmouk waar een Palestijns-Syrische pianist speelt te midden van de puinhopen. Hoe de zangers in de Laurenskerk te Alkmaar lijden onder het verstrijken van de tijd. Hun stemmen weggedragen als ‘de engelen onder het orgel’. En ondanks het coronavirus dat voor ons de muren tot metgezellen maakt, blijft de ziel zoeken naar houvast. We blijven echter denken aan het onverwachte, ‘zelfs aan dingen die voorgoed onmogelijk waren geworden / zoals de zuiverheid van onze ziel’. 

    De gedachte aan reïncarnatie, het leven na de dood, het verlangen naar de wereld van vroeger met zijn momenten van stilstand en overgave laten een dichter zien die blijft zoeken naar het levenselixer van de non-dualiteit. Hij weet die wereld in zijn gelukkige en ongelukkige momenten aansprekend uit te beelden. Zijn taal blijft aldoor helder en verstaanbaar.



  • Droom, dood en mooie benen

    Droom, dood en mooie benen

    De geschiedenis van Het blauwe uur van Alexander Lernet-Holenia is even intrigerend als het boek zelf. In 1940 als feuilleton verschenen, daarna gedrukt in een oplage van 15.000 exemplaren (bij het beroemde uitgeefhuis S. Fischer Verlag), vervolgens verboden door het Ministerie van Propaganda en door de Wehrmacht, waarop de gehele oplage op een geheime plek ergens in Leipzig werd ondergebracht. Maar als de stad in de winter van 1943-1944 door geallieerden wordt gebombardeerd, ontstaat er brand en gaat de gehele oplage in vlammen op. Op één exemplaar na, dat in handen was van de auteur. Met dat exemplaar als basis verscheen Mars im Widder in 1947 uiteindelijk toch.

    Verre van heldhaftig

    Van de Oostenrijkse auteur Alexander Lernet-Holenia (1897 – 1976) verschenen in korte tijd twee vertalingen in het Nederlands, een bij Van Oorschot (de bundeling van de novelles Baron Bagge en Mona Lisa) en Het blauwe uur bij de Wereldbibliotheek. Lernet-Holenia heeft een groot oeuvre op zijn naam staan, geniet tot nu toe in Nederland weinig bekendheid, maar wordt nu in de markt gezet als de nieuwe Sándor Márai die jaren geleden met zijn boek Gloed een postume bestsellerauteur werd. Of Het blauwe uur die potentie heeft moet blijken. Een winstpunt is de keuze van de vertaler voor een volstrekt andere titel. Mars im Widder (Mars in Ram) betekent weinig voor Nederlandse lezers, terwijl het blauwe uur, die korte tijdspanne vlak voor zonsopkomst of zonsondergang waarin alles om je heen in een blauwe nevel is gehuld, de magie van het boek raakt. Het is in die schemering, in dat gebied tussen leven en dood, droom en werkelijkheid, dat de gebeurtenissen plaatsvinden. Het blauwe uuroogt als een oorlogsboek, en er wordt inderdaad flink gevochten. Die scènes zijn verre van heldhaftig, waardoor het boek niet paste in hoe de Nationaal-Socialisten de oorlog zagen. Lernet-Holenia haalde ook nog de mythe onderuit dat Polen Duitsland had aangevallen, in plaats van andersom, door subtiel aan te geven dat het de Polen aan materiaal en menskracht ontbrak om de strijd vol te houden.

    Tussenrijk

    Maar eigenlijk wil Lernet-Holenia een ander verhaal vertellen. Dat laat hij in het allereerste hoofdstuk verwoorden door Graaf Walmoden, de hoofdpersoon van het boek. Het is dus augustus 1939. Walmoden heeft zich zojuist gemeld bij zijn regiment. Hij denkt uitsluitend enkele verplichte oefeningen te hoeven doen om daarna weer naar huis te mogen. Op de eerste avond raakt hij in gesprek met andere officieren over spookachtige gebeurtenissen die in het leven kunnen plaatsvinden. Walmoden zegt, als er enkele wonderlijke verhalen zijn verteld: ‘“Misschien zijn de beste verhalen toch de verhalen die niet helemaal spookachtig en ook niet helemaal natuurlijk zijn (…). Omdat ook ons hele leven zich eigenlijk nergens anders afspeelt dan in zo’n tussenrijk.”’ Het blauwe uur is het beeld van zo’n tussenrijk, zoals het leven tussen geboorte en dood dat ook is.

    Droomverslag

    Het is nog veilig griezelen (dragen geesten kleren of zijn ze naakt als een geest ‘het wezenlijke’ uitdrukt van wie hij of zij is geweest?), en ook in de volgende hoofdstukken lijkt de oorlog ver weg. Er is een liefdesgeschiedenis met barones Cuba Pistohlkors, die Walmoden tijdens zijn verlof in Wenen voor het eerst ontmoet. Hij belooft haar snel weer op te zoeken, maar de aanval op Polen op 1 september gooit roet in het eten. Zo plotsklaps komt de oorlog, Walmoden is er niet op voorbereid, zijn mede-officieren evenmin. Terwijl Walmoden zich uitput in mogelijkheden om zijn Cuba weer te zien, trekken de troepen de grens over, vinden de eerste gevechten plaats. Het is een nachtmerrie midden in een droom. Want soms leest Het blauwe uur ook als een droomverslag. De hoofdpersoon rijdt naar huis en moet een – onduidelijke – omweg maken. Daden worden uitgesteld, personen worden gezocht en niet gevonden, doden en levenden spelen naast elkaar een rol, je bent op een plek en je hebt geen idee waar je bent, er is een optocht van kreeften, beesten die ook opeens verdwenen zijn, al deze ingrediënten zorgen ervoor dat je met Het blauwe uur geen realistisch, rauw oorlogsdrama voorgeschoteld krijgt maar dat je als lezer op een andere manier wordt geraakt: in het herkenbare levensgevoel van Walmoden, in het voortjakkerende bestaan, in het surrealisme dat elk feit tussen aanhalingstekens zet.

    Feuilleton

    Het past in Lernet-Holenia’s levensvisie: of je wakker bent of droomt, het een loopt altijd in het ander over. ‘Maar er is geen twijfel mogelijk dat wij ons – en hoe vaak! – momenten, dagen, soms zelfs langdurig in een heel ander rijk bevinden terwijl we hier denken te zijn, en dat we daar een leven leiden en dingen doen waarvan we geen weet hebben.’

    Soms merk je dat het boek als feuilleton is opgebouwd. De hoofdstukken hebben nagenoeg dezelfde lengte en worden gekenmerkt door veel dialogen. Dialogen die soms iets weg hebben van een vraag- en antwoordspel, waarbij Lernet-Holenia een voorkeur – en talent – heeft voor aforistische antwoorden. ‘Besluiten van enige importantie worden altijd genomen op basis van een misverstand. Of zomaar, uit verstrooidheid.’  Of: ‘Er bestaat niets treffenders en toch bescheideners dan het menselijk voorgevoel, en niets is veeleisender en gebrekkiger dan het verstand.’

    Mooie benen

    Het blauwe uur staat vol esoterische verwijzingen, zonder dat het storend wordt, het is vooral ook een lichtvoetig boek en bij vlagen heerlijk ironisch en grappig. Als Walmoden in een lange dialoog wordt bevraagd over zijn Cuba, wie is zij?,  wordt zijn ondervrager voor de lezer geïntroduceerd met de woorden: ‘Van Baumgarten werd gezien als een originele figuur, hoewel hij dat eigenlijk helemaal niet was. Misschien maakte hij minder fouten dan anderen.’

    Streng bevraagt hij Walmoden over de barones, om vervolgens tot de volgende conclusie te komen:
    ‘“Goed,’ zei Baumgarten, ‘Dan hebben we tenminste een soort signalement. Pistohlkors heeft mooie benen.”’
    Walmoden reageert even droog.
    ‘“Inderdaad, buitengewoon mooie.”’

     

  • De aarde roept

    De aarde roept

    Aarde eten – geofagie. Het gebeurt. Onder andere in Afrika en Zuid-Amerika, door zwangere vrouwen en hun baby’s. Om gezondheidsredenen. Het zou de stofwisseling bevorderen en infecties tegengaan. De ik-figuur in de korte debuutroman Aarde eten van de Argentijnse schrijfster, lerares en activiste Dolores Reyes eet ook aarde. Eerst om mensen die het vies vinden dwars te zitten, later ‘voor anderen die wilden praten. Anderen die er niet meer waren’. Ze internaliseert ze, zoals in de Bijbel profeten als Jeremia en Ezechiël het Woord van God aten. De opdracht van het boek laat niets aan duidelijkheid te wensen over: ter nagedachtenis aan Melina Romero, die in 2014 op zeventienjarige leeftijd verdween en een maand later dood werd teruggevonden, en aan Araceli Ramos, die door wurging om het leven werd gebracht. 

    Internaliseren

    De ik-figuur in Aarde eten kan weinig meer doen dan aarde eten, nu haar moeder is overleden en onder die aarde was gestopt, ‘de onbekende aarde van dit kerkhof waar we nooit hebben gelopen, mama of ik.’ Internaliseren, ‘om in het donker mijn dromen te zien. (…) Het voelt goed, ze onthult dingen, laat me zien.’ Zoals profeten zieners waren én onrecht aan de kaak stelden.
    Ze woont na de dood van haar moeder enige tijd bij een tante die niets van haar begrijpt en verhuist daarna samen met haar broer Walter, op wie ze gek is, naar een achterbuurt in een niet nader aangeduide stad. Ze leven van het salaris dat Walter in een garage verdient. Naar school gaat ze niet meer, zoals veel kinderen uit de buurt. Veel contact met de buitenwereld hebben ze niet en een telefoon hebben ze ook niet meer. Alleen enkele vrienden van Walter komen over de vloer om met zijn PlayStation te spelen.  

    Op een dag duikt een vrouw op die aan de ik-figuur vraagt of ze soms helderziend is. De vrouw zegt hulp nodig te hebben van iemand zoals zij, die aarde eet waarop een lichaam had gelegen. Ze zoekt Ian, haar zoon, zoals zoveel vrouwen in Argentinië doen. Ook Ian wilde nog steeds praten vanuit de buik van de ik-figuur, waarin de aarde als een foetus lag. Een man met een soortgelijke vraag volgt. Zijn nichtje María was nooit aangekomen op de verpleegkundeopleiding waar ze studeerde. De naam van de man is Ezequiel. Hij is politieagent en valt daarom volgens de ik-figuur niet helemaal te vertrouwen.

    Flesjes met aarde

    Mensen lieten in de tuin van de verder naamloze ik-figuur flesjes met aarde achter en een kaartje waarop de naam van een familielid stond. Mensen gaven geld, veel geld voor ‘het consult, ongeduldig vragend wat ze ziet’. Wat ze zag was vooral ‘heel veel licht’, antwoordde ze dan. Of een glinstering die veranderde in twee zwarte ogen. Een keer zag ze letters op een muur, maar ‘lezen in dromen was praktisch onmogelijk.’

    Zou María nog leven? Om haar te vinden, springt de ik in een rivier. Tevergeefs, want María blijkt verdronken. Ontvoerd en verdronken. Ezequiel, die dus wel degelijk een goed hart heeft, redt de ik-figuur uit het water van de immense rivier.
    De ik droomt veel. Gaandeweg het boek ook – zowat om het meestal korte, soms zelfs heel korte hoofdstuk – over haar oud-lerares juf Ana die haar steeds nader komt. Zij was op een dag ook verdwenen en werd vermoord teruggevonden in een fabrieksloods. Zo lopen werkelijkheid en droom telkens in elkaar over. 

    Latijns-Amerikaanse literatuur

    De sfeer van deze debuutroman doet dan ook denken aan die van andere Latijns-Amerikaanse schrijvers, waarin aarde en water vaak ook een grote rol spelen, evenals licht en donker. In die zin komt het boek aan de ene kant vertrouwd over, maar aan de andere kant is er ook een duidelijk verschil: Reyes schrijft niet in de barokke stijl die we kennen van veel Latijns-Amerikaanse schrijvers, maar in een uitgebeende, kale stijl. Zij paart het magisch-realisme uit de Latijns-Amerikaanse literatuur aan een politieke realiteit die ze slechts aanduidt. En al duidt ze deze alleen maar aan, het gaat je al lezend onder de huid zitten. Haar symbolische taal en de soms religieus geladen beelden zijn uiteindelijk één roep om de levenden en de doden bij name te (blijven) noemen, mannen en vrouwen. Een boodschap die zowel klein als groots is. Net als deze debuutroman zelf. 

     

     

  • Oogst week 16 – 2022

    Een Hollandse jongen aan de Ebro

    In de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) vochten vrijwilligers uit vele landen mee tegen generaal Franco. Een van hen was de 22-jarige Nederlandse metselaar Evert Ruivenkamp, die samen met ongeveer 650 andere Nederlanders naar Spanje vertrok om Franco’s fascisme te bestrijden. Wellicht als enige hield Ruivenkamp een dagboek bij. Uitgeverij Jurgen Maas heeft dit nu uitgegeven met als titel Een Hollandse jongen aan de Ebro.

    Evert, nooit eerder in het buiteland geweest, laaft zich aan het onbekende en heeft oog voor de leuke Spaanse meisjes. Hij voelt zich als op avontuur, zoals in zijn verslagen te lezen is. Die zijn aanvankelijk vrolijk, maar zijn toon verandert als hij de oorlog aan den lijve gaat ondervinden. Hij wordt ingezet aan het front, maakt kennis met de heersende ellende en ziet zijn kameraden sneuvelen. Voor zijn moed en plichtsbesef wordt hij in 1938 toegelaten als lid van de Spaanse Communistische Partij. Uiteindelijk keert hij terug naar Nederland waar hij bij het verzet gaat als Duitsland Nederland binnenvalt. In 1943 wordt hij opgepakt en gefusilleerd.
    Zijn dagboek doorstond de oorlogen op een of andere manier. Een paar jaar geleden werd het teruggevonden in het nachtkastje van zijn dan net overleden oudste zus.

    Yvonne Scholten, eindredacteur van de website Spanjestrijders.nl, schreef een inleiding en nawoord bij Een Hollandse jongen aan de Ebro. De website bevat namen en biografieën van de spanjestrijders en over twee van hen publiceerde Scholten een boek.

    Een Hollandse jongen aan de Ebro
    Auteur: Evert Ruivenkamp
    Uitgeverij: Jurgen Maas 2022

    Aarde eten

    De Argentijnse schrijfster Dolores Reyes (1978) studeerde literatuurwetenschappen en is leraar en feministisch activist, of activistisch feminist. Ze heeft zeven kinderen.

    Aarde eten uit 2019 is haar eerste roman, iets wat recensenten en lezers nauwelijks kunnen geloven omdat het als zo’n volmaakt en beheerst boek wordt gezien. ‘Voor de slachtoffers van femicide, voor hun nabestaanden’ staat er voor in het boek. In Argentinië vinden jaarlijks zo’n driehonderd moorden op vrouwen plaats, om het simpele feit dat ze vrouw zijn.

    De jonge dochter van de vrouw die op de eerste pagina’s van het boek begraven wordt, ontdekt dat ze door het eten van aarde visioenen krijgt van vermoorde en vermiste mensen.
    ‘Ze laten je hier achter, mama, ook al wil ik het niet. Ook al laten mijn handen niet los, jij blijft hier. Ik geloof dat ik weinig kan doen, behalve aarde eten van deze plek, zodat ze niet meer vijandig is, de onbekende aarde van dit kerkhof waar we nooit hebben gelopen, mama of ik. […] Ik doe mijn ogen dicht om met mijn handen op de aarde te steunen die jou nu toedekt, mama, en het wordt nacht in mijn hoofd. Ik knijp mijn vuisten dicht, schep haar op en breng haar naar mijn mond. De kracht van de aarde die jou verzwelgt is duister en smaakt naar boomstronk. Het voelt goed, ze onthult dingen, laat me zien.’

    Door het aarde eten krijgt ze visioenen. Dat wil ze niet bekend laten worden, maar mensen krijgen er toch lucht van en komen haar hulp vragen over verdwenen dierbaren, meestal vrouwen. Ze willen weten wat er met hen is gebeurd. In de sloppenwijk waarin de dochter woont is geweld aan de orde van de dag. Als zij ouder is voelt ze de verantwoordelijkheid tegenover de wanhopige zoekers toenemen. ‘Ik begon te zien dat degenen die naar iemand op zoek zijn iets hebben, een teken bij de ogen, de mond, het vleesgeworden mengsel van pijn, woede, kracht, wachten. Iets gebrokens, waarin degene die niet terugkeert leeft.’ laat Reyes haar aarde-eter vertellen. Als ze in een visioen de moord op haar broer voorziet, wil ze deze proberen te voorkomen, al weet ze niet hoe.
    El Paìs noemt Aarde eten ‘Een van de beste, krachtigste en meest complexe romans van de afgelopen tijd.’

    Aarde eten
    Auteur: Dolores Reyes
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek 2022

    Boekenmendel, De onzichtbare verzameling

    Uitgeverij AFdH geeft in één band twee verhalen van Stefan Zweig uit: Boekenmendel en De onzichtbare verzameling, vertaald door Ton Naaijkens. Met foto’s van Maria Austria.

    De Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig (1881-1942) werd geboren in Wenen in een welgesteld joods zakenmilieu en was in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw een van de meest populaire Duitstalige auteurs, zowel in eigen land als daarbuiten. Hij studeerde filosofie en literatuur en schreef biografieën, poëzie, drama, verhalen en essays met het perspectief veelal op het verleden gericht. Zweig was Europees georiënteerd, bracht mensen en idealen samen. In de Eerste Wereldoorlog meldde hij zich vrijwillig als verslaggever, waarna hij grote weerzin tegen oorlog ontwikkelde. Na de opkomst van het nationaalsocialisme zwierf hij jarenlang door Europa. Daarna week hij uit naar Brazilië, waar hij in 1942 zelfmoord pleegde, samen met zijn vrouw. ‘Ik pas niet meer in deze tijd. Deze tijd bevalt mij niet meer,’ schrijft hij in zijn afscheidsbrief. Zijn grote psychologische inzicht – mede opgedaan in zijn vriendschap met Freud – komt terug in zijn verhalen.

    In Boekenmendel drijft de illegaal in Wenen verblijvende Oekraïense Jood Jacob Mendel, een geniale antiquaar, zijn boekhandel in het koffiehuis Gluck. De ik-verteller noemt hem een ‘voorwereldse boekensauriër van een uitstervend ras’. Mendel kent alle titels en alle prijzen van alle boeken en via de verteller wordt zijn tragische geschiedenis tegen het decor van de Eerste Wereldoorlog duidelijk.

    Ook het tweede verhaal, De onzichtbare verzameling, handelt over een gepassioneerde bibliofiel en verzamelaar, die te maken krijgt met de inflatie van na de Eerste Wereldoorlog. Zijn vrouw verkoopt goedbedoeld zijn kostbare grafiekcollectie tegen dumpprijzen.
    In beide verhalen zijn Zweigs grote thema’s te herkennen: Europa, dat Zweig zag als een samenhangend cultuurgebied, fanatisme en humanisme, plus zijn melancholie over de wereld van gisteren.

     

    Boekenmendel, De onzichtbare verzameling
    Auteur: Stefan Zweig
    Uitgeverij: AFdH 2022 (2e druk)
  • Raadselen op het Spaanse platteland

    Raadselen op het Spaanse platteland

    Een jonge vrouw die haar leven in de stad de rug toekeert en een vervallen huisje betrekt in een piepklein dorpje op het Spaanse platteland. Het zou zomaar het begin kunnen zijn van een verhaal vol romantiek, maar de realiteit die Sara Mesa (1976) schetst in Een liefde staat daar ver vanaf. 

    Wat is er gebeurd waardoor de jonge Natalia, Nat genoemd, haar toevlucht heeft gezocht tot het dorp La Escapa waar ze zonder morren genoegen neemt met een weliswaar goedkoop maar ook nogal haveloos onderkomen? Waarom zegt ze er niets van wanneer de onaangename huisbaas steeds opnieuw onaangekondigd en ongevraagd haar huis betreedt en weigert om de vele gebreken van het huisje te verhelpen? Hoe is het mogelijk dat ze ermee akkoord gaat om te zorgen voor een onopgevoede en verwaarloosde hond, waarvoor ze vanwege zijn karakter geen andere naam dan Nurks kan bedenken? En waarom heet het boek in vredesnaam Een liefde terwijl de liefde in dit boek met een lampje gezocht moet worden? De raadselen stapelen zich op in deze roman, die verkozen werd tot beste roman van Spanje van 2020.

    Het vieze huisje zonder airco biedt Nat in ieder geval een tafel waaraan ze haar vertaalwerk kan doen, als ze zich daar tenminste op kan concentreren. Langer dan een of twee uur achter elkaar kan ze niet werken en de redenen daarvoor blijven lang onduidelijk. Ze besluit om een moestuin te gaan aanleggen en stort zich op het schoonmaken en schilderen van de veranda en de pergola.

    Nurks

    In het eerste deel van het boek maakt Nat kennis met de weinige bewoners uit het dorp. Ze sluit vriendschap met hippie Píter die haar waarschuwt dat haar huisbaas haar oplicht. Hond Nurks die ze via de huisbaas heeft gekregen blijkt ongevaccineerd en ondervoed en heeft oormijten en wormen. Nat besteedt een groot deel van haar budget om het dier te helpen. Píter weet steeds meer haar vertrouwen te winnen en op een dag vertrouwt ze hem toe dat ze haar baan heeft opgezegd omdat ze in een opwelling iets gestolen heeft van een van de partners van het bedrijf waar ze werkte. Ze kwam ervanaf met een waarschuwing, maar wilde niemand iets verschuldigd zijn en nam daarom ontslag. Het is een van de weinige keren dat er iets onthuld wordt uit het leven van Nat voor ze in La Escapa terechtkwam. 

    Lekkage

    Auteur Sara Mesa heeft gekozen voor het zij-perspectief en laat Nat verder vrijwel steeds opereren in het hier en nu van haar nieuwe leven. Het effect daarvan is dat je moeilijk hoogte krijgt van haar karakter en dat je je verbaast over keuzes die ze maakt, bijvoorbeeld wanneer ze te maken krijgt met flinke lekkage in het huis als het in het najaar gaat regenen. De huisbaas vindt het uiteraard zijn probleem niet. Een dorpsgenoot, die De Duitser genoemd wordt, biedt aan om het lekkende dak voor haar te repareren, maar wil daarvoor wel een heel bijzondere wederdienst: hij vraagt of Nat hem in ruil voor zijn arbeid ‘eventjes bij haar binnenlaat’. De Duitser (die eigenlijk Andreas heet) is namelijk ‘al heel lang niet meer met een vrouw geweest’. Nat laat zonder te laten merken dat ze geïrriteerd is door het voorstel weten dat ze niet van zijn werkzaamheden gebruik wenst te maken, maar wanneer het een paar dagen later toch weer pijpenstelen regent en ze niet kan slapen omdat ze steeds volgestroomde emmers moet legen, legt ze zich neer bij het bizarre ruilsysteem en laat ze Andreas zijn gang gaan.

    Wellust

    Aanvankelijk voelt ze zich na de hele transactie vies en gebruikt en schaamt ze zich, maar vervolgens ontdekt ze in het tweede deel van het boek dat ze gaat hunkeren naar het lichaam van Andreas, en ontmoeten ze elkaar vervolgens vrijwel iedere dag. De relatie tussen Nat en Andreas is hoofdzakelijk fysiek van aard, gepraat wordt er nauwelijks. In het kleine dorp weet al snel iedereen dat de twee iets hebben. De vriendschap met Píter komt even op een laag pitje te staan. Nat richt haar aandacht nu op haar bejaarde buurman Joaquín en helpt hem met de zorg voor zijn dementerende echtgenote Roberta. Ook met haar directe buren en hun kinderen krijgt ze steeds meer contact, alhoewel die tot haar verbazing te kennen geven dat ze Andreas liever niet over de vloer krijgen wanneer ze Nat wel uitnodigen voor een feestje.

    Het zorgt ervoor dat Nat ook met andere ogen naar haar minnaar gaat kijken en dat de eerste barsten in hun relatie ontstaan, maar erover praten doen ze nog steeds niet: ‘De eerstvolgende keer dat ze elkaar zien, doen ze allebei alsof ze zijn teruggekeerd tot de normaliteit, of de schijnbare normaliteit waarin ze zich tegenwoordig bewegen. Hij vraagt niet waarom ze de telefoon niet opnam. Zij vraagt niet waarom zijn busje de hele dag voor de deur stond geparkeerd. Aangezien er geen vragen zijn, zijn er ook geen antwoorden. Nats wantrouwen groeit, subtiel en slinks, behoedzaam als een kat. En dat van hem? Ze weet niet of ze het wantrouwen moet noemen, of gewoon desinteresse.’
    Aan het eind van het boek doet zich nog een akelig incident voor, waarbij ook hond Nurks betrokken is en waardoor Nat de welwillendheid verliest die ze moeizaam bij haar dorpsgenoten had opgebouwd. Na een gesprek met de enige die zich nog om haar bekommert moet ze een lastige beslissing over haar toekomst nemen.

    Een liefde is een intrigerend verhaal over een jonge vrouw die door foute keuze op verkeerde beslissing voor allerlei moeilijkheden komt te staan. Het is lastig om haar sympathiek te vinden, maar boeiend is ze zeer zeker wel. Mesa beschrijft beeldend de eenzaamheid van het landschap, waarin het silhouet van de berg El Glauco alomtegenwoordig is. De berg is de enige zekerheid in een verhaal waarin de antwoorden op de raadselen rondom het personage Nat niet pasklaar aangeboden worden, maar waar de lezer tussen de regels door zelf naar op zoek mag gaan. Mesa biedt daarvoor een mooie en intiem geschreven roman, waarin voor de oplettende lezer een fijne gelaagdheid valt te bewonderen.

     

  • Er is niet een waarheid in dit verhaal

    Er is niet een waarheid in dit verhaal

    Veertien jaar geleden verscheen van de Duitse schrijfster Julia Franck de bestseller Der Mittagsfrau (De middagvrouw). Het boek werd vertaald in zevenendertig landen en won de Deutscher Buchpreis. In 2011 verscheen Rücken an Rücken (Rug aan rug), over een familie in Oost-Duitsland in de jaren vijftig en zestig, vanuit het perspectief van een broer en zus, kinderen nog. Toen bleef het tien jaar stil, tot onlangs Werelden uit elkaar in vertaling van Els Snick verscheen. De schrijfster die de gedachte over zichzelf te schrijven walgelijk vond, schreef een autobiografische roman over opgroeien in een disfunctionerend gezin in het Duitsland van de jaren zeventig en tachtig.

    Julia Franck (1970) wordt geboren in Oost-Berlijn, op achtjarige leeftijd verhuist ze met haar moeder en drie zussen (waarvan een haar tweelingzus) naar West-Berlijn, waar ze eerst negen maanden in een vluchtelingenkamp worden opgevangen. Haar moeder schrijft vanuit het kamp alle vrijescholen in Duitsland aan voor een plek voor haar drie oudste dochters. Ze worden aangenomen op een Steinerschool in Sleeswijk-Holstein en de moeder krijgt in die omgeving een leegstaande boerderij toegewezen. Ze leven van een uitkering. Moeder, een getroebleerde actrice, ligt veel in bed of verzorgt met ongewone genegenheid de geiten, kippen en varkens die ze bij het huis houden. ‘s Morgens staan de oudste kinderen alleen op, zorgen voor het kleine zusje en lopen vijf kilometer naar school. ’s Avonds koken ze hun eigen avondeten met wat er voorhanden is. Er is veel ruzie in huis, niemand wordt terecht gewezen, huilen is uit den boze.

    In haar twee voorgaande romans De middagvrouw en Rug aan rug onderzoekt Julia Franck respectievelijk de familieverbanden van haar vader en van haar moeder. Het zijn fictieve verhalen gebaseerd op biografische gegevens van haar ouders. In Werelden uit elkaar onderzoekt ze de wereld waarin zij zelf opgroeide. Een autobiografische roman waarin veel sporen uit de twee genoemde romans bij elkaar komen. Er lijken dingen in elkaar te schuiven, een geheel te vormen. Naast een boek over de schrijfster zelf, is het ook een verhaal over de manier waarop we iets opbouwen uit onze herinneringen en hoe we die herinneringen bevragen.

    Julia Franck was in oktober in Nederland voor haar boekpresentatie van Werelden uit elkaar. We ontmoetten elkaar in een bovenzaal op de eerste verdieping van het Goethe Instituut in Amsterdam. 


    Wat heeft u in de tien jaar tussen u laatste boek en Werelden uit elkaar gedaan?

    ‘Het is niet dat ik heb stilgezeten. Toen ik tweeënhalf jaar geleden aan Werelden uit elkaar begon had ik drie romans onder handen die ik vervolgens niet afmaakte. Het waren fictieve romans met compleet verschillende onderwerpen. In een van die romans probeerde ik te schrijven over de natuur zonder er een individu, een mens in voor te laten komen. Dat was moeilijk en ik realiseerde me dat ik geen boeken kan schrijven zonder personen erin. Op dit moment in ieder geval niet. Maar ik weet niet precies wat er gebeurde toen ik begon te schrijven over dit zeer persoonlijke onderwerp, over ‘Auseinander’ (uit elkaar). Ongeveer tweeëneenhalf jaar geleden realiseerde ik me voor het eerst dat ik misschien in staat was te schrijven over de meest intieme, meest persoonlijke ervaringen uit mijn leven. Naar mijn idee was het nodig dat ik ouder werd, om met meer ervaring en meer afstand er tegen bestand te zijn deze ervaringen tot onderdeel van een boek te maken. Ook om deze ervaringen uit het verleden, een ander leven van ‘Behind the Wall’  aan te kunnen. Elk schrijven is een beslissing te schrijven vanuit een bepaald perspectief.’


    Vanuit welk perspectief heeft u dit boek geschreven?

    ‘Het is een boek geworden over hoe we onze herinneringen bevragen. Hoe respecteren we onze herinneringen maar ook dat wat je vergeten bent. Te schrijven over mijn jeugd is tevens een poging aan een mozaïek te bouwen waarin de herinneringen aan de verhalen die ons verteld zijn door familie of vrienden ook worden opgenomen. Te reflecteren op die verhalen, maar ook brieven van vrienden uit die tijd, mijn eigen dagboeken en die van mijn vader waren belangrijk om mijn herinneringen weer te geven. Mijn interesse lag in het schrijven met al die verschillende materialen.’

    Werelden uit elkaar is een mooi gecomponeerd boek geworden over opgroeien in een vrouwenfamilie, vaders en grootvaders ontbreken. Kinderen worden aan hun lot overgelaten. Het zijn de jaren zeventig en tachtig, de jaren van de seksuele revolutie, leve de vrijheid. Franck schrijft, ‘In mijn herinnering is er geen enkele gebeurtenis waarbij Anna (de moeder, Iv/dG) pedagogisch, streng of boos optrad. Het woord grens had voor haar alleen te maken met de scheiding van de twee Duitse staten.’ Dat haar grootmoeder Inge, een vrouw met een sterk karakter, niet meer leefde, maakte het voor Franck eenvoudiger over haar eigen leven te schrijven, maar ook, benadrukt ze, ‘Ik moest ouder worden, ook om met mijn eigen dagboeken te kunnen omgaan. Ik schreef die dagboeken toen en kan het nu pas lezen.’


    U begon op u twaalfde met dagboekschrijven en werd een nogal obsessief dagboekschrijfster.

    ‘Het was voor mij de enige betrouwbare relatie die ik in mijn jeugd ontwikkelde, mijn dagboek was alles voor me. Als ik schreef, kwam er altijd een volgende zin, en nog een. Dat gaf me zekerheid. Ik dacht er niet aan te schrijven over dingen die zo duidelijk voor me waren. Ook niet dat ik wat ik schreef later zou gebruiken. Ik schreef omdat het een uitweg was uit het leven waarin ik zat. Achteraf is het altijd een streven te schrijven over dingen die diffuus zijn, die niet zo gemakkelijk te begrijpen of te verklaren zijn. Ik wilde ook die beelden die toegedekt waren laten zien, zonder verdere uitleg. Herinneren heeft de intentie iets te verklaren, iets uit te leggen, te interpreteren. Te doen alsof er een regel, een structuur voor is om te vertellen hoe ons leven was. Het is veel interessanter die kleine tussenruimtes te vinden, het onbeschrevene te vinden.’ 


    In hoeverre was het anders om dit boek te schrijven vergeleken met uw vorige boeken?

    ‘Ik was gewend aan de opbouw van een roman, waarin ook biografische details zaten, maar waarin de karakters onder mijn regieaanwijzingen werden gecomponeerd. Met dit boek wist ik vanaf het begin dat ik op vele manieren  over mijn eigen verhaal zou kunnen schrijven. Er is niet één manier om het verhaal van mijn leven te vertellen, er is niet één waarheid in dit verhaal.’


    U bent in Oost-Duitsland geboren, op achtjarige leeftijd verhuisde u tegen u zin naar West-Berlijn.

    ‘Ik was daar opgegroeid, al onze familie en vrienden waren daar. Een typisch verlangen van een kind is te blijven waar ze is, als het niet al te slecht is. Omdat er geen visionair ideaal is van een ander leven, van een andere wereld aan de andere kant van de muur. Later, in mijn tienerjaren, toen ik wel een visionair beeld begon te ontwikkelen, kreeg ik langzaamaan een idee over een leven buiten mijn moeders huis. Er ontstond in mij het sterke gevoel dat ik niet hoorde in het leven waarin ik zat. Ik was ervan overtuigd dat ik daar weg moest.’


    Als dertienjarige ging u bij vrienden van uw moeder in Berlijn wonen. Hoe was het om uw tweelingzusje te moeten achterlaten?

    ‘Ik voelde me schuldig dat ik alleen aan mezelf dacht. Maar ik wilde me niet verantwoordelijk voor haar voelen. Ze was altijd achter me, liet me nooit met rust. We waren niet gelijkwaardig, ik moest haar beschermen. Daarvoor voelde ik me niet sterk genoeg, het was een rol die ik niet aan kon. Ik voelde me ook verantwoordelijk voor mijn moeder en mijn jongste zusje. Maar ik kon dat niet meer. Ik ontwikkelde dwanghandelingen, kreeg wratten aan mijn handen en angst voor alles. Ik vroeg me af waar het met mij naartoe moest, ik wilde verdwijnen.’


    Hoe was uw relatie met u moeder?

    ‘Mijn moeder en mijn grootmoeder, waren geen zorgende vrouwen. Om daarop te reflecteren, zoals ik in mijn boek doe, moest ik ook ouder worden. Niet per se vijftig, maar toch… Toen ik drieëntwintig was, ontwikkelde er zich wel een bijzondere relatie met mijn grootmoeder. Ik begon haar vragen te stellen, hoe het was toen ze jong was en de oorlog uitbrak. Hoe het was om uit Duitsland weg te moeten, door haar Joodse moeder naar Italië gestuurd te worden. Daar ontmoette ze een jonge kunstschilder met wie ze niet mocht trouwen vanwege de raciale wetten van de nazi’s. Mijn grootmoeder had nooit nagedacht over haar Joods zijn, ze was een bourgeois, een geassimileerde Joodse vrouw. Pas door de nazipolitiek kwam het besef bij haar dat ze er niet bij hoorde. Om diezelfde reden werd ze niet toegelaten tot de kunstacademie. 

    Enerzijds kon mijn grootmoeder er heel open over spreken, maar er was ook een diep verborgen pijn in haar over het verlies van haar verloofde, over de vraag waarom hij in maart 1945 op die trein is gegaan. Het was bijna het einde van de oorlog en hij kwam door een ongelukkig ongeval om het leven. Dat maakte haar tot een ongehuwde weduwe, maar ze had geen rechten, er bleef haar niets over van hun relatie.’

    Het lijkt of de geschiedenis zich in de vrouwelijke lijn herhaalt. Francks grootmoeder verloor op jonge leeftijd haar geliefde door een ongeluk, haar moeder verloor haar geliefde broer op jonge leeftijd door zelfmoord, en Franck zelf verloor op jonge leeftijd haar geliefde, Stephan. Ze woonden samen toen hij door een vrachtwagen werd overreden. In het boek beschrijft ze het overweldigende gevoel niets meer te hebben, niets waardoor gezegd kan worden, ‘hij was van mij’. 


    Was de ontmoeting met Stephan het begin van geluk dat een tragedie werd?

    ‘Toen ik Stephan ontmoette, was er een geweldig gevoel van geluk. Hij was heel zeker over zijn liefde voor mij, dat was zo nieuw voor mij. In die tijd had ik ook een relatie met een ouder iemand, een filmmaker. Ik voelde geen noodzaak te moeten kiezen. Maar ik voelde ook een grote onzekerheid. Ik vond het moeilijk me over te geven aan zijn liefde, ik had nooit ervaren hoe er van je gehouden kon worden. Ja, het was tragisch dat hij verongelukte. Maar ik moet nu denken aan de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie. Aan haar essay Trauer ist das Glück, geliebt zu haben, dat onlangs verschenen is. Over de dood van haar vader tijdens de pandemie, en dat rouwen ook betekent dat er is liefgehad. En dat blijft.’


    U beschrijft een voorval dat speelde tijdens uw tienerjaren, u werd bestolen door twee klasgenoten.

    ‘Het voorval zelf was ik vergeten. Tot ik het in mijn dagboek las. Op die manier zijn mijn dagboeken mij ook van dienst geweest. Ik was ontsteld te lezen hoe ik reageerde. Ik paste op een huis van iemand, er was geld aanwezig om eten voor de kat te kopen. Er kwamen twee klasgenoten op bezoek en na hun vertrek was het geld verdwenen. Ik voelde me gekwetst, maar ook schaamde ik me voor hen, dat ze dit gedaan hadden. Ik voelde geen woede dat ze me bedrogen hadden. Ik kon niet boos worden. Toen ik het teruglas was het interessant voor me te zien hoe verlegen, hoe onzeker ik was. Ik verzon zelfs verhalen hoe het geld weggeraakt zou kunnen zijn om hen te ontlasten. Het bewerkstelligde een integriteit tussen het meisje dat ik was en de vrouw die ik nu ben.’

     

    In de proloog van Werelden uit elkaar schrijft Julia Franck: ‘Hoe nieuwsgierig we ook naar elkaar zijn en hoe graag we elkaar ook willen ontmoeten, het is juist het andere en de zienswijze van de ander die ons fascineren, de ander van wie we willen houden of die we ook willen minachten. Het is precies datgene waarin onze individualiteit tot uiting komt. De vreemdelinge ben ik zelf.’ Een fascinerende passage die door het hele boek blijft meeklinken.

     

     

     

    Foto: ©Matthias Bothor


     

     

     

     

     

     

     

    Werelden uit elkaar / Julia Franck / vertaling Els Snick / 320 blz. / Uitgeverij Wereldbibliotheek

     

  • Vreemdelingen

    Vreemdelingen

    Hoe we worden als je niet behoort ‘tot de beschermden en gelukkigen van hun eigen geschiedenis’. Ik lees het nieuwe boek van Julia Franck, waarin ze over zichzelf schrijft. Iets wat ze verafschuwde. ‘Dat iemand gedichten en dagboeken niet alleen voor zichzelf schrijft, maar ze ook wil publiceren, vindt het meisje walgelijk.’ In 1978, Franck is acht jaar, verhuist haar moeder, een actrice, met haar vier dochters van Oost- naar West-Berlijn. Het is het geboortejaar van mijn eerste kind. Een tijd waarin we niet bijzonder mobiel waren, geen online leven kenden, deuren gesloten bleven. Ik herinner me het als een verstikkende tijd, als vrouw, moeder. In het Westen zoekt de moeder vrijheid, ze schrijft  alle vrijescholen in Duitsland aan. In Sleeswijk-Holstein worden de kinderen aangenomen. Ze betrekken een verlaten boerderij, vijf kilometer lopen van school. Vanaf dat punt is de moeder incapabel voor haar dochters te zorgen. Ze leven in een verslonsd huishouden, alles is kapot, niets wordt hersteld. 

    Als kind wordt ze een geobsedeerd dagboekschrijver, wil ze weg. ‘Het enige wat ik wil is weggaan, al op mijn twaalfde, het eerste wat ik moet doen is daar weg zien te komen. Waar moet het met mij naartoe?’ Op haar dertiende woont ze bij vrienden in Berlijn. Ze correspondeert met haar zussen, niet met haar moeder, ‘Na een paar pogingen schreef ik haar dat ze mij te vreemd was om haar te schrijven.’ Het eerste boek dat ik van Franck las was de Middagvrouw, indrukwekkend verhaal over haar familie van vaders kant. Haar vader werd als zesjarig jongetje door zijn moeder Helene Würsich, in de chaos na de Tweede Wereldoorlog moedwillig achtergelaten op een station. Franck onderzoekt de beweegredenen van deze vrouw door de geschiedenis van Duitsland in beeld te brengen. In Rug aan rug schreef ze over haar moeders familie. Haar joodse grootmoeder Inge, beeldhouwster en communiste, werkte voor de Stasi. Toen bleef het lange tijd stil. De schrijfster moest iets overwinnen, ‘de gebeurtenissen en omstandigheden in mijn familie waren nauwelijks in literatuur om te zetten, zo onwaarschijnlijk en heftig waren ze. Hoe zou het mij ooit toegestaan zijn mijn stem te verheffen voor het eigene en mijn eigen verhaal, een vorm te vinden, taboes te omzeilen of ze onder ogen te zien.’ 

    Met dit boek vernauwt zich alles, de geschiedenis van Duitsland, haar beide families, tot het bestaan van de schrijfster. Al lezend nader ik steeds dichter de levens uit haar voorgaande boeken, hoe die zich om de schrijfster heen plooien. Ze opent het boek met een verklaring, ‘Ook in het echte leven heb ik een moeder, vier zussen en vrienden van wie ik hou. Ook in dat echte leven heb ik geliefden veel te vroeg verloren aan de dood, terwijl ik tot in lengte van dagen met hen verder leef. Ik kende ze, ken ze en zal ze voortaan een beetje anders kennen. Noch zij noch ik blijven dezelfden. Onze ervaringen veranderen ons en onze kijk op de dingen.’ Vele verhalen moeten er nog gehoord worden om werelden bij elkaar te brengen. Ik blijf de vreemdeling als ik niets van de ander weet. 

     

    Citaten uit: Werelden uit elkaar / Julia Franck / vertaling Els Snick / 320 pag. / Wereldbibliotheek (2021)

     

    Lees hier het interview met Julia Franck n.a.v. haar boek Werelden uit elkaar.


    Inge Meijer is een pseudoniem, luistert graag aan de keukentafel naar een goed verhaal.

     

     

     

  • Oogst week 40 – 2021

    A.D.

    Gustaaf Peek (1975) schrijft onder meer proza, poëzie en filmscenario’s. Hij debuteerde in 2006 met de roman Amin. In 2015 won hij een Gouden Kalf voor zijn scenario voor de film Gluckauf. Zijn nieuwste roman A.D. speelt zich af aan het einde van de zestiende eeuw, als de Republiek der Nederlanden nog voor de oprichting van de VOC schepen naar het oosten stuurt om specerijen te halen. Het is een meedogenloze concurrentiestrijd: degenen die als eerste de kruiden vinden, verdienen het grote geld. Verschillende personages zijn aanwezig op een schip naar Indië, allemaal met andere verhalen en visies. De een sterft aan scheurbuik, terwijl de reis voor de ander hoop betekent. De aankomst in Indië vormt het begin van de geschiedenis tussen de twee volken.

    A.D.
    Auteur: Gustaaf Peek
    Uitgeverij: Querido

    Na de moord in Amsterdam

    Zeventien jaar geleden werd Theo van Gogh vermoord. Journalist en publicist Ian Buruma bezoekt de plaats delict en reflecteert op het Nederland voor en na 2 november 2004. Destijds schreef Buruma over de vrijheid van meningsuiting, maar kreeg felle kritiek. In een nieuw essay bij dit werk kijkt Buruma terug op deze kritiek, die vooral tegen de islam werd geuit, en stipt hij onderwerpen aan als rechts-populisme en de vermeende islamisering. Ian Buruma (1951) is sinoloog, japanoloog, journalist en publicist. Hij won verschillende belangrijke prijzen, zoals de Erasmusprijs in 2008 en de Gouden Ganzenveer in 2019.

    Na de moord in Amsterdam
    Auteur: Ian Buruma
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Vlieg weg, vlieg weg

    Het werk van de Oostenrijkse auteur Paulus Hochgatterer (1961) kenmerkt zich door vele verhaallijnen die uiteindelijk samenkomen. Ook in zijn roman Vlieg weg, vlieg weg (uit het Duits vertaald door Gerrit Bussink) is dit het geval. Het verhaal speelt zich af in Furth am See, een stadje in Oostenrijk. Een gewonde man, die eruitziet alsof hij in elkaar is geslagen, beweert dat hij uit een appelboom is gevallen. Op de intensive care wordt een kloosterzuster verzorgd, die geen idee heeft hoe er kattenvoer in haar longen is gekomen. Ook wordt er een kind ontvoerd, maar zonder losgeldeis. Psychiater Raffael Horn en politie-inspecteur Ludwig Kovacs proberen de gebeurtenissen los van elkaar te duiden. Dit levert een kennismaking op met een reeks kleurrijke personages, waaronder een priester die tijdens de mis oortjes in heeft en naar muziek van Leonard Cohen luistert.

    Vlieg weg, vlieg weg
    Auteur: Paulus Hochgatterer
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Oogst week 39 – 2021

    In de voetsporen van mijn grootvader

    In autobiografische vertellingen dringt zich altijd deze vraag op: welke gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden en welke passages zijn meer aan de verbeelding ontsproten dan aan de realiteit? Bovendien staat het onderscheid tussen verzinsel en werkelijkheid voortdurend onder druk, omdat elke herinnering een subtiele vervorming of romantisering van de waarheid in zich draagt. Met In de voetsporen van mijn grootvader slaagt Margot Dijkgraaf, winnares van de Gouden Ganzenveer, er echter in minutieus verslag te doen van het leven van haar Zeeuwse opa: leraar Duits, poëzieliefhebber en kritische analist van het werk van schrijver Heinrich von Kleist.  

    Dat bepaalde passies een generatie overslaan, is een gevleugelde uitdrukking die andermaal haar geldigheid bewijst; Margot hervindt haar voorliefde voor literatuur via haar grootvaders artikelen. Ze ziet in hem een geestverwant, vooral als ze ontdekt dat hij Penthesilea, heldin uit het werk van Von Kleist, de heraldiek toedicht die normaal gesproken alleen aan mannelijke personages verleend wordt. 

    Honderd jaar eerder dan zijn kleindochter plaveide hij reeds de weg voor een modernere kijk op heldendom in de literatuur. Dijkgraaf schreef voor het verschijnen van deze roman reeds over rebelse, sterke vrouwen in de Franse verteltraditie. Al die tijd keek haar grootvader met haar mee. En voor wie dit een te rooskleurige afspiegeling vindt van Dijkgraafs onderneming, heeft zij een vrije interpretatie van Albert Einsteins wijsheid in petto: ‘Via de verbeelding kun je daar komen waar feiten tekortschieten.’

     

    In de voetsporen van mijn grootvader
    Auteur: Margot Dijkgraaf
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Poezie als alternatief

    Ontlezing is een groot probleem in Nederland, als we alle onderwijsrapporten moeten geloven. Literatuur, en vooral poëzie, geldt al decennialang als een bastion van de elite: zij is onbereikbaar voor het grote publiek en klaagt tegelijkertijd dat niemand haar consumeert. En áls een jonge stem zich aandient een nieuw geluid te vertolken, staan de poortwachters van de literaire elite klaar om deze te weren uit de canon. Zo blijft letterkunde een stoffiger dan stoffig studieobject, waaraan menig scholier zijn vingers niet durft te branden. 

    Jeroen Dera, universitair docent letterkunde in Nijmegen, toont met zijn boek Poëzie als alternatief aan dat de dichtkunst niet slechts voorbehouden is aan grijze heren die in een literair café Baudelaire reciteren. Nee, ook millennials (van wie de oudere generaties beweren dat ze geen ruggengraat hebben) kunnen poëzie leren waarderen. Met de juiste begeleiding, leestips en – het belangrijkste – een geduldige zoektocht ontdekken zij de schoonheid en de kracht van verzen. 

    Om het imago van poëzie onder jongeren af te stoffen gebruikt Jeroen Dera een beproefde tactiek: hij zet vol in op engagement, opdat de aanstormende generatie bij de dichtkunst betrokken raakt. Geen snobistisch gewauwel over het grote Niets, gefilosofeer in de leegte of mooischrijverij in deze bundel. Hij haalt gedichten aan over diversiteit, maatschappijkritiek, klimaatproblemen, neokapitalisme en hij geeft onderdrukte stemmen het woord. Dit boek is een absolute must have voor docenten Nederlands, mits zij hun passie voor gedichten ook maar enigszins willen doorgeven aan hun leerlingen. Dera zei het zelf al zo treffend in de Volkskrant van 4 juli jl.: ‘Gun ook VMBO-leerlingen de verbazing van een poëzieles.’ Dera keert met dit boek het tij tegen de ontlezing. Daarvoor verdient hij alle lof.

     

    Poezie als alternatief
    Auteur: Jeroen Dera
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Aardwrijvingen

    Charlotte van den Broeck, schrijfster van het alom geprezen Waagstukken, merkt tijdens een interview in De Morgen op: ‘We behandelen de natuur alsof ze een decor voor de mens is.’ Dit zegt zij in het kader van haar nieuwste poëziebundel Aarduitwrijvingen, tot stand gekomen in Death Valley. De grillen der natuur zijn op weinig plekken ter wereld zo voelbaar als daar, en door die grillen heeft Van de Broeck zich laten meevoeren. Op haar gevoel heeft zij inmiddels meer durven vertrouwen; haar begaafdheid bewees zij reeds met de bundels Kameleon (2015, Herman de Coninckprijs) en Nachtroer (2017, Paul Snoekprijs).

    De titel verraadt al een hoop over haar stilistische werkwijze. Aarduitwrijvingen zijn namelijk kunstwerken van Herman de Vries, waarin aardhoopjes uit alle windstreken van de wereld worden platgedrukt en uitgestreken over papier. Het resultaat? Zuivere aarde, waaraan niets is toegevoegd. De kracht van haar poëzie schuilt dan ook met name in taalzuiverheid en precisie. Op zoek naar de volle zeggingskracht van ieder afzonderlijk woord behandelt de dichteres de taal zoals de natuur eigenlijk behandeld zou moeten worden: zuinig, liefdevol, aandachtig en eerbiedig. 

    Aarduitwrijvingen doet qua spontaniteit en vitaliteit bij vlagen denken aan Hendrik Marsman. Vergis u echter niet in de inhoudelijke relevantie van Van den Broecks poëzie, het engagement van Dera zogezegd. Zij laat impliciet haar licht schijnen over vrouwelijkheid, feminisme en natuurbehoud zónder haar speelsheid en zintuiglijke verwondering te verliezen. Met deze prachtige bundel laat zij zien dat ook de mens slechts een aarduitwrijving is.

    Aardwrijvingen
    Auteur: Charlotte Van den Broeck
    Uitgeverij: Arbeiderspers
  • Oogst week 29 – 2021

    Harlekijn

    Dit is de laatste oogst voor de vakantie, hierna gaan we freewheelend de zomervakantie door. Met een boekenpakket op de bagagedrager of in de rugzak, gelezen en gereisd zal er worden. In de zomerperiode zullen er nog enkele recensies geplaatst worden, en er is de zomerrubriek waarin medewerkers van Literair Nederland laten zien welke boeken ze deze zomer gaan lezen. Voor nu een fijne zomertijd en tot eind augustus!


    Harlekijn is het debuut van Robert Jan Heyning (1957). Heyning was verbonden aan het Noord Hollands Toneel en schreef verschillende toneelteksten. Het boek gaat over de zoektocht van een man naar zijn broer en de wereld waarin deze leefde.

    Na de zelfverkozen dood van zijn broer verkeert de ik-figuur in een staat van verdoving. Als de ik-figuur enkele maande na de dood van zijn broer aan het sterfbed van een oude vriend zit, vraagt hij zich af: Heb ik mijn broer gehoord en gezien? Heb ik hem liefgehad en heb ik hem mijn liefde laten voelen? Wat zat er achter zijn agressieve zelfdestructie?

    Het gevoel gefaald te hebben als broer, als mens, blijft op onvoorspelbare momenten vanuit het donker commentaar geven; snerend, sussend, geestig, liefdevol en cynisch. Gaandeweg begint het vermoeden te ontstaan dat de broer zijn hele leven zelf heeft bedacht, zich de werkelijkheid bedacht die hij zich wenste. En wat is de werkelijkheid?

     

     

    Harlekijn
    Auteur: Robert Jan Heyning
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    Een liefde

    Een liefde is de tweede roman van de Spaanse schrijfster Sara Mesa (1976) die in het Nederlands vertaald is door Nadia Ramer. Een liefde gaat over de jonge vertaalster Natalia die de stad ontvlucht en een huisje huurt op het platteland. Ze is niet bekend met de onderlinge omgang van het plattelandsleven. De huisbaas is een onbetrouwbare man die haar een zwerfhond brengt als gezelschap. ‘Vliegen strijken neer op zijn licht opgezette buik, die bedekt is met rauwe plekken.’

    Er is een zigeuner die haar van alles verkoopt, een hippie die haar zegt wat ze wel en niet moet doen, een gekke, oude buurvrouw, een Duitser, het meisje bij de supermarkt en dan die hond, die ondanks haar goede zorgen weigert om binnen te komen. In contact met deze individuen en de hond ontstaan er misverstanden, zijn er vooroordelen die niet altijd ontkracht kunnen worden. In Spanje werd Een liefde tot beste roman van 2020 uitgeroepen. En zeker een roman voor de zomer, bij de tent of in de tuin te lezen.

     

    Een liefde
    Auteur: Sara Mesa
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Centaur

    De in Suriname geboren Chris Polanen (1963), is naast schrijver, dierenarts in de Bijlmer. Hij kwam op twintig jarige leeftijd naar Nederland, begon te schrijven uit heimwee naar Suriname. Nu is hij een schrijvende dierenarts van verhalen en columns. Centaur, zijn tweede roman speelt in de jaren negentig in Suriname, tien jaar na de staatsgreep, na de december moorden. In een interview in Parool, als hem gevraagd wordt of het een ode aan Suriname is, laat hij weten dat het dan wel een harde ode is. Polanen studeerde in die jaren aan universiteit in Suriname toen deze dicht ging besloot hij naar Nederland te gaan.

    Centaur is een roman over identiteit, verlangen en volwassen worden in Paramaribo en opent aldus: ‘De hoeven van Norbert doen het zand hoog opstuiven. Het verspreidt zich in de lucht die boven de weg trilt. Ik laat de teugels vieren en veeg het zweet van mijn voorhoofd.
    Het heeft al weken niet geregend. Gras verdort en kreken vallen droog. het zand stuift over Paramaribo en neemt de stad over. Ik wrijf in mijn ogen en spuug zandkorrels uit. In mijn haar, oren en neus laat ik ze zitten. Als een dier probeer ik me aan te passen aan een omgeving die steeds vijandiger wordt.’

     

    Centaur
    Auteur: Chris Polanen
    Uitgeverij: Lebowski