• Roman van hoop

    Roman van hoop

    Marieke van der Pol (1953) stu­deerde in 1979 af aan de Amsterdamse Toneel­school en was vijftien jaar werkzaam als actrice. Sinds 1992 schrijft ze scenario’s, onder andere voor De TweelingBride Flight en Zee van tijd. Ze schreef drie romans: Bruidsvlucht, Voetlicht en nu dan Waterland.

    Een ongelukkige, gemankeerde of anderszins niet fijne jeugd is een bron van inspiratie in de literatuur. Denk maar aan ’t Hart, Wolkers, Siebelink en nog vele anderen. Wat moet je dan met een gelukkige jeugd, al die fijne herinneringen aan je (leuke) ouders, vriendjes, omgeving, gebeurtenissen, het weer. Zo’n roman is misschien niet erg spannend, er worden geen diepe zielenroerselen gedeeld, geen verklaringen gegeven waarom de schrijver degene geworden is die zij is. Of zijn wij als lezers zo gehersenspoeld dat we ons graag onderdompelen in de ellende van een ander en dat we daar juist van genieten. Willen we graag negatieve ervaringen lezen om onze eigen gelukkige of ongelukkige jeugd aan te spiegelen. Mag niemand meer een gelukkige jeugd hebben.

    Opgroeien in de jaren vijftig en zestig

    In deze hectische tijden van dystopische beelden uit verre en nabije oorlogslanden en zogenaamde democratieën komt allerlei ellende onze kant op. Somberheid, hopeloosheid, wanhoop: wij als verwende Nederlanders worden ermee overspoeld. Dan is het toch wel mooi als een schrijver als Van der Pol gewoon voor de lol jeugdherinneringen ging opschrijven. ‘Ik ben geïnspireerd door mijn kleinzoon van twaalf. Zodat hij later kon lezen wat zijn oma als kind heeft meegemaakt. Ik had helemaal niet het idee om een boek uit te geven. Heb ook geen research gedaan. Ik ben puur vanuit mijn herinneringen gaan schrijven, uit mijn hoofd. Losse verhalen, maar wel chronologisch.’
    En als je dan zo’n zonovergoten jeugd hebt gehad en van die mooie verhalen kunt vertellen, dan krijg je Waterland. We zouden het een een roman van hoop kunnen noemen. Genieten van een leven zonder sociale media, smartphones, internet en zonder van alles te moeten. Inderdaad, vroeger was het beter klinkt wel eens door in het boek, maar wat overheerst is de positieve herinnering. Van der Pol trapt niet in de valkuil van de streekroman waarin het, behalve over sociale verhoudingen in een bepaalde streek, vaak vooral gaat om leuk en aardig, normen en waarden en nostalgie. Ze voegt wat scherpe randjes toe, zoals grensoverschrijdend gedrag, een depressie, een strenge moeder, een puberale dochter. Gelukkig maar.

    Van der Pol is opgegroeid in de jaren vijftig en zestig. Eerst nog in Amsterdam, later, als haar moeder zwanger is van het vierde kind, verhuist het gezin naar een nieuwbouwwijk in een niet met naam genoemd Noord-Hollands dorp. In korte hoofdstukken beschrijft de auteur dat leven van een jong gezin in de opbouwjaren.  De rode draad in deze korte scènes, je mag ze ook verhalen noemen, is vrijheid. De scènes worden verteld vanuit het kindperspectief. Dat geeft Van der Pol de gelegenheid het frisse, onbezorgde, onschuldige en wat naïeve van haar jeugd weer te geven.

    Liefhebbende moeder

    Moeder is thuis voor de kinderen, bakt en naait en houdt de boel draaiend. Vader bemoeit zich veel minder met de gezinszaken, hij werkt en studeert economie. Vader is een tobber, krijgt wat we nu een burn-out zouden noemen, raakt op een gegeven moment in een depressie, komt zijn bed niet meer uit en wordt opgenomen in een inrichting. Het gezin ontziet hem. Moeder vangt alle klappen op en zorgt ervoor dat de kinderen niet al te zeer onder de situatie lijden. Van der Pol beschrijft deze tijd met een zekere afstand; ze lijkt er inderdaad niet al te zeer onder te hebben geleden en herinnert zich vooral dat ze er niet veel van begreep. Het gezin is katholiek: er wordt communie gedaan, slapen doe je met je handen boven de dekens, er wordt gebiecht. De kinderen moeten een eind fietsen om naar katholieke scholen te gaan. In het nieuwbouwdorp is er gelegenheid genoeg om in de in aanbouw zijnde huizen te spelen, in sloten te vallen, van bergen zand te springen en te glijden en hele dagen buiten te zijn. Moeder maakt zich geen zorgen als de kinderen uren wegblijven, heel wat anders dan de curlingouders vandaag de dag.

    De wereld van de kinderen wordt gaandeweg de roman groter. Van het kleine huis in Amsterdam naar de ruimte van het Noord-Hollandse landschap en een groter huis met licht en ruimte. Van de dorpsschool naar de katholieke school in de stad, van het gezin naar de familie. En zeker als vader opgenomen is komt daar de buitenwereld nog eens bij. Er verschijnen familieleden, waar gelogeerd wordt. Vader en moeder krijgen niet alleen verleden, maar ook een kader. Want wat is er nu precies aan de hand met vader? Waarom studeert hij en lijdt hij daar zo onder?

    Tijdsbeeld waarin mensen gelukkig zijn

    Ook de ik-persoon maakt kennis met andere aspecten van de buitenwereld. Ze wordt aangerand door een jongen uit de buurt die enkele weken later zo’n standje van de moeder krijgt dat hij zich nooit meer zal laten zien.
    De roman kun je ook lezen als een portret van een strenge, katholieke, rechtvaardige moeder die de touwtjes strak in handen heeft en niet veel ruimte lijkt te geven. Ze is echter vooral heel erg liefhebbend: naar haar man voor wie ze onvoorwaardelijk kiest en zorgt en ook (en misschien wel vooral) naar haar kinderen. Het lijkt alsof Van der Pol hier een boodschap meegeeft aan de ouders van nu: leef je in in je kinderen, geef ze aandacht, help ze grenzen aan te geven, zorg ervoor dat je er voor ze bent. Dan hoef je ze niet altijd hun zin te geven, te verwennen. Onaangename zaken horen ook bij het leven. Kijk naar de keren dat de ik-persoon naar een tuinder moet om groente halen. Hij stinkt, is traag, heeft rare dochters, lijkt op een heks. Ze weet dat ze er niet onderuit komt en ze weet dat moeder weet dat ze het verschrikkelijk vindt.

    Vader komt weer thuis, gaat zijn scriptie afschrijven en lijkt weer genezen. De kinderen en moeder hebben geld voor hem gespaard om rijlessen te nemen. Als de ik-figuur naar de middelbare school gaat, begint ze zich los te maken van haar ouderlijk huis, letterlijk. De puberteit slaat toe, ze gaat naar een andere school, gaat roken, wordt zelfstandiger en krijgt een eigen mening.

    Van der Pol is er heel goed in geslaagd een tijdsbeeld neer te zetten waarin mensen gelukkig zijn, de wereld nog niet op hol geslagen is, er wel regels en verboden zijn, maar ook veel vrijheid, aandacht, buitenlucht. Vooral is Waterland een portret van de moeder: liefdevol, streng, aanwezig. Je zou willen dat iedereen zo’n moeder had.

     

     

  • Droomachtige scènes en surrealistische zijpaden

    Droomachtige scènes en surrealistische zijpaden

    De manier waarop we waarnemen verschilt per persoon. Maak met zijn tweeën een wandeling door een willekeurige stad en de kans dat je andere dingen ziet dan de ander is bijzonder groot. De debuutroman, Waterland van Pieter Kranenborg gaat voor een groot deel over het verschil tussen kijken en zien. Dat leidt regelmatig tot surrealistische taferelen, waarbij de vraag opkomt wat is waar en wat niet. Waterland begint nochtans als een roman waarin gebeurtenissen plaatsvinden die nogal alledaags aandoen. Aangezien de verteller Ingmar na zijn studie Chinees stuurloos ronddobbert, besluit hij in een  opwelling buschauffeur te worden.

    Hoewel hij elke dag een vast rondje tussen Waterland en Amsterdam rijdt is hij tevreden met zijn nieuwe leven, want het geeft hem grip en structuur in zijn leven waar hij tot op dat moment naar op zoek was. Zijn broer, een succesvol sterrenkundige, heeft een baan in de Verenigde Staten aangeboden gekregen en vreest dat zijn verlaten en in onbruik geraakte observatorium vreemd volk zal aantrekken als niemand er een oogje in het zeil houdt. Hij vraagt Ingmar om zijn intrek te nemen in een klein huisje vlakbij de sterrenwacht dat toevalligerwijs aan zijn busroute ligt. 

    Droomachtige scènes

    De zaken nemen een vreemde en onvoorspelbare wending wanneer Ingmar een telefoontje van zijn vriend Egon krijgt. Hierdoor denkt hij terug aan het verleden. Tijdens één van de concerten die ze samen bezochten, ontmoette Ingmar de mysterieuze leadzangeres K. met wie hij een onenightstand beleefde. Egon vertelt dat K. hem een cassettebandje met haar muziek heeft gegeven en wil per se dat Ingmar en hij er samen naar luisteren. Er blijkt iets vreemds met de muziek aan de hand te zijn, want zodra ze die opzetten, lijkt alles ineens fluïde te worden en zijn ruimte en tijd zeer relatieve begrippen. Het aquarium in Egon’s appartement loopt door een plots ontstane scheur leeg en vult de hele woonruimte met water waardoor Ingmar en Egon door het hele appartement rondzweven. Het is slechts één van de vele droomachtige scènes die vanaf dat moment volgen. Geïntrigeerd als hij is door K., besluit Ingmar naar haar op zoek te gaan. 

    Raar wordt normaal

    Kranenborg neemt voor een debuutroman nogal veel hooi op zijn vork door allerlei filosofieën los te laten op de persoonlijke zoektocht van Ingmar. Hij wordt onder andere beïnvloed door de Chinese wijsgeer Zhuang Zi. ‘Ik dacht aan de vlinder van Zhuang Zhi. Aan hoe de scheidslijn tussen het bekende en het onbekende vloeibaar was en de wereld zoals je die kende zomaar vreemd kon worden en de raarste dingen doodnormaal.’ In Waterland wordt door Kranenborg constant gespeeld met deze scheidslijn. Als Ingmar na zijn bezoek aan Egon naar buiten gaat en de jongen van de fietsstalling hem vraagt of hij hen nu echt zag zweven in dat appartement, dan is dat door de manier waarop de scène wordt beschreven zowel surrealistisch als geloofwaardig. Dat is best knap en zegt iets over het verteltalent van de schrijver. 

    Iets teveel van het goede

    Toch overtuigt de roman niet helemaal door de vele surrealistische zijpaden die worden bewandeld en de diverse personages die nogal doelloos in en uit de plot wandelen. Zo is er de intellectuele Astronoom die verder niet bij naam wordt aangeduid en die Ingmar kritisch naar de sterren leert kijken en Kelvin, een barman, die treurt om het verlies van een geliefde. Het zijn stuk voor stuk karakters die heel interessant zouden kunnen zijn, maar uiteindelijk toch een beetje aan de oppervlakte blijven drijven. Ook Ingmar dobbert met de diverse verhaallijnen mee zonder dat zijn keuzes enige invloed op de gang van zaken in het verhaal lijken te hebben. Waterland gaat meer over stijl dan over inhoud en dat is bij een labyrintische vertelling van ruim driehonderd pagina’s misschien iets te veel van het goede.