• Goed kijken

    Goed kijken

    Er zijn boeken waar je niets naast kunt doen als je ze leest, zoals de pas vertaalde roman Nacht en dag van Virginia Woolf, ze kluisteren je aan de bank. Er zijn boeken die je overal kunt lezen, de zogenaamde rugzakboeken, van Biesheuvel, Snijders, Amy Bloom, Maarten Asscher. Dan zijn er boeken die verspreid door het huis liggen. In sanitaire ruimtes, op nachtkastje, de makkelijk-te-lezen-boeken. De een leest graag Arthur Rimbaud voor het slapengaan, ik lees een roman in bed. Op de grens van waken en slapen neem ik de werkelijkheid met een korreltje zout. Ik volg de uitgezette ontwikkelingslijnen als was ik een naïeveling die enkel in het woord gelooft. Ik lees Adam, van Wanda Reisel, een bladzijde of vier/vijf per keer.

    Adam, eind veertiger, in het bezit van een George Clooney lookalike lachje, is op het punt beland dat het roer om moet. Tijd om zijn leven in eigen hand te nemen. Zonder geld geen veranderingen, hij ontneemt grote bedragen van de goede doelen stichting waarvoor hij werkt. Een charmante man, een slimme boef, niemand merkt iets. Dan is er een reeks ‘snoeiharde’ aanslagen op fallus-achtige monumenten in Europa, te beginnen met het monument op de Dam. Waarna Londen, Milaan, Oslo, Berlijn volgen. De tweede protagonist is Lili, een jonge fotografe. Zij volgt het spoor van een vluchtelingencircus dat jazeker, uit vluchtelingen bestaat en door Europa trekt. Adam ontmoet Lili, als hij op de vlucht slaat, in de City Night Line, nachttrein naar Duitsland. Lili is een uitzonderlijk personage, ze heeft iets jaloersmakends, bandeloos is een mooi begrip. Door de afbeelding op de omslag moet ik opeens denken aan de mythologische figuur Lilith, de eerste vrouw van Adam. Reisel zal niet voor niets een Lili in haar verhaal geplaatst hebben. En de gekozen afbeelding heeft wel degelijk met het verhaal te maken.

    In dit geval maakt het van Lili, Lilith, een oproerstoker, een verraadster. Lilith was de slang die Eva influisterde van de verboden vrucht te nemen. Zo nam de wereld een keer en zo blijkt Adam een meer vertellend-dan-je-leest-boek. En dat is mooi. Van het nachtkastje gaat het mee naar mijn werk, weer thuis naar de keukentafel. Ik speur naar de stem van de auteur, die het verhaal begeleidt, als een soort ondertiteling, over veranderende tijden, verschuivende morele grenzen. Hoe ze dat samenbrengt. En kijk, ik had eroverheen gelezen, in de openingsalinea van het boek staat klakkeloos: ‘Een naam is alles, dacht Adam.’  En ja, de eerste mens ooit was een man die bedrogen werd, slachtoffer van de vrouw. Zoals de Adam in het boek bedrogen wordt. Verleid en bedrogen door zichzelf en door Lili(th). Hoe dat bedrog plaatsvindt, en waarom er overal in Europa fallus-achtige monumenten worden opgeblazen moet je zelf maar lezen. Denk daarbij aan het citaat van K. Schippers, ‘Als je goed om je heen kijkt dan zie je dat alles gekleurd is’. Dan zie je wat een goed boek dit is.

     

    Adam / Wanda Reisel / Atlas Contact


    Inge Meijer (een pseudoniem) leest alle dagen en schrijft daarover en over haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Oogst week 22 – 2019

    Schemerland

    Drie titels van Nederlandse auteurs, Adam van Wanda Reisel, Ik ga het donker maken in de bossen van Tsead Bruinja en het debuut Schemerland van Berthe Spoelstra.

    Berthe Spoelstra (1969) is huisdramaturg van het Frascati Theater en schreef verschillende essays over het theater. Schemerland is haar romandebuut over een oude vrouw die niet meer praat en een passief leven leidt in haar Parijse appartement. Zittend in haar stoel kijkt Jeanne enkel naar het kleed aan haar voeten en de schilfers op het plafond. Haar kinderen vinden dat het zo niet langer kan en willen haar verhuizen naar een verzorgingshuis. Jeanne heeft ondertussen te maken met spoken uit het verleden en het onvermijdelijke einde. Zittend in haar stoel, aanschouwt ze via de televisie hoe de wereld, net als zij, ten onder gaat. De uitgever noemt het boek ‘een taalbouwwerk over menselijk onvermogen’.

    Schemerland
    Auteur: Berthe Spoelstra
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Ik ga het donker maken in de bossen van

    Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja (1974) debuteerde in 2000 met de Friestalige dichtbundel De wizers yn it read, in 2003 verscheen zijn eerste Nederlandstalige bundel Dat het zo hoorde. Hij is altijd in het Nederlands en het Fries blijven schrijven. Zijn recentste bundel is Hingje net alke klean op deselde kapstôk / Hang niet alle kleren op dezelfde kapstok (Afûk, 2018). Daar volgt nu de nieuwe bundel Ik ga het donker maken in de bossen op.

    In deze bundel figureren bomen, brommers, vliegtuigen, bossen, cirkelzagen, Nederland en politiek. En volgens zijn uitgever spat het talent ‘in al zijn facetten van deze nieuwe bundel af’ en is Bruinja een dichter die het gevoel en het experiment in zijn werk toelaat. ‘als deze wereld onderdeel is van iets wat één is / dan is dat één een één waaraan iets mist’.

    Volgens de benoemingscomissie ‘Dichter des Vaderlands’ is Bruinja ‘een bevlogen ambassadeur voor de poëzie in de breedste zin: als bloemlezer, performer op podia en in de media, organisator van evenementen en aanjager van kruisbestuivingen met andere kunstvormen. Hij beweegt in zijn vaak geëngageerde poëzie moeiteloos tussen binnenwereld en buitenwijk – en waar het wel moeite kost, levert dat spannende poëzie op.’

    Ik ga het donker maken in de bossen van
    Auteur: Tsead Bruinja
    Uitgeverij: Querido

    Adam

    Wanda Reisel schrijft sinds 1985 romans, filmscenario’s en theaterstukken. Adam is haar twaalfde roman en kwam begin dit jaar uit. Het gaat over een man die onder en boven de wet leeft en daarmee weg denkt te komen. Het boek opent met een spectaculaire beschrijving van een aanslag op het Monument op de Dam, dat met een klap uit elkaar knalt. Er zijn vele gewonden en doden. Adam Landau is ter plekke en neemt het besluit het geluk naar zijn hand te zetten. Dat doet hij door in het geheim miljoenen naar banken in het buitenland over te sluizen. Hij reist over de wereld, van Amsterdam, via Zürich en Shanghai, om zich later terug te trekken in een doodstil fjord in Noorwegen. Ondertussen worstelt hij met de consequenties van zijn daad en met zijn vrijheid.

    Adam
    Auteur: Wanda Reisel
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Samen een geheugen

    Samen een geheugen

    Een jongen scheurt, staand aan de reling van een veerpont, bladzijden uit een boek. Hij laat die wegwaaien in de wind, scheurt daarna het boek doormidden en gooit het in het water. Een meisje, twee jaar jonger, ziet het gebeuren. Ze is er van onder de indruk.
    Zo’n veertig jaar later schrijft ze hem een brief en herinnert hem aan dit beeld. Hij antwoordt en vertelt dat hij net The Sense of Ending van Julian Barnes heeft gelezen. Het boek gaat erover hoe we ons gebeurtenissen van veertig jaar geleden herinneren.

    Of heb ik het verzonnen? is een briefwisseling tussen Wanda Reisel (1955) en Herman Koch (1953). Reisel is roman- en toneelschrijfster, winnaar van de Anna Bijns Prijs en genomineerd voor de AKO- en Libris Literatuurprijs. Koch schreef onder meer Het Diner, dat drie keer verfilmd is en in meer dan vijftig talen vertaald.
    Het zijn brieven uit 3 periodes: 2011-2013 (het overgrote deel van het boek), 1986-1988 en als afronding het jaar 2017. Veel van de brieven hebben de herinnering als onderwerp, over de (on)betrouwbaarheid van ons geheugen, over idealisering achteraf en hoe feiten door foto’s zijn verdrongen.

    ‘Ik vertrek zo dadelijk naar Berlijn,’ schrijft Koch, ’en ga me daarna weer verder herinneren.’ Reisel beschouwde het geheugen lange tijd als ‘een trouwe kat die je kirrend tegemoet komt, maar nu is het een nukkige oude kater […] die vermagerd bij de verwarming ligt.’
    Ze wisselen lijstjes uit van nummers uit de popmuziek als ‘soundtrack voor de fase van de middelbareschooltijd’ en Reisel meent  dat de ‘boeiendste kant van het leven zich voor mij afspeelt in films en boeken.’ Ze vertellen elkaar dat het opruimen van je boekenkast je helpt bij het achteraf ordenen van je leven en Koch meent ironisch dat ‘het woord “verdrongen” toch minstens één keer per brief moet voorkomen.’
    Zo ontstaat het beeld van Reisel als een verlegen jonge vrouw en Koch die in zijn jeugd goed was in het uitdelen van harde oneliners. Ze zoeken al schrijvend naar typeringen voor het hechte groepje jongeren uit hun middelbareschooltijd. Ze mijmeren in hun brieven over groepsdwang, identiteit, de verhouding met je ouders, volwassen worden en hoever je wilt gaan om ergens bij te horen. Koch schrijft ‘we hebben er lang over doorherinnerd’ en aan het eind van de eerste brievencyclus concludeert Reisel ‘dat het toch heerlijk is om samen een geheugen te hebben.’
    Generatiegenoten van Reisel en Koch zullen bij het lezen glimlachen van herkenning: ‘Iedereen liep rond in Afghaanse jassen met patchoelilucht’ en On the road van Jack Kerouac moest je ophemelen terwijl je er niks aan vond.
    Tegelijkertijd blijf je als lezer min of meer een buitenstaander. Vooral omdat de brieven van de eerste cyclus nauwelijks diepte kennen, terwijl je dat nu, in de tijd van twitter, juist van het medium ‘brief’ verwacht.

    De briefwisseling in de periode 1986-1988 gaat vooral over het schrijven zelf. Koch schrijft ‘ dat ik voor het eerst van mijn leven het gevoel heb aan een boek bezig te zijn dat geschreven moet worden.’ (het betreft de roman Red ons, Maria Montanelli (1989)-HM). Hij schrijft/woont in Barcelona en meent ‘dat in den vreemde bedachte ideeën […] anders zijn en alleen al daarom de moeite van het verkennen waard.’

    Koch stuurt Reisel de eerste vijf hoofdstukken en ze reageert met ‘… het leest als een trein. De beelden staan, zoals dat heet, het is mooi en precies in observatie.’ Ze is ook voorzichtig kritisch: ‘… je moet wel erg aan de toon wennen en aan de constructie van de zinnen.’ Het is opnieuw duidelijk dat ze goede vrienden zijn. Terwijl Koch en Reisel steeds meer uitkijken naar elkaars brieven, hoop je als lezer dat ze elkaar eens flink ervan langs geven, fundamenteel van mening gaan verschillen of erger nog: in een opwelling een brief verscheuren. Maar, nee.
    Dat neemt niet weg dat de lezer die van ‘weetjes’ houdt over het schrijverschap wel aan zijn trekken komt. Reisel en Koch vragen zich af of je in een roman bestaande straten en plaatsnamen moet noemen en wat daarvan de effecten op de lezer zijn. Koch wijst op de schrijver Patrick Modiano: ‘Zo’n beetje de VVV van Parijs. Alles wordt bij hem heel precies uitgeduid, samen met het bepaalde sentiment dat bij zo’n straat hoort.’
    Reisel vertelt dat schrijven doodgewoon werken is. ‘Ondertussen gaat het gewone leven door. Ik zit flink te schrappen[…]. Vreemd toch hoe, als je een tijdje afstand hebt genomen, de woorden en zinnen plotseling “op zich” komen te staan.’

    En juist aan die benodigde afstand, zo lijkt het, heeft het bij de totstandkoming van Of heb ik het verzonnen? ontbroken. Pas in de laatste en kortste cyclus (2017) krijgt de briefwisseling meer diepte. Ze gaan op zoek naar hun overeenkomsten, schrijven nogmaals over The Sense of Ending van Julian Barnes en over het verschil tussen boek en film. Maar ze schrijven vooral over hun eigen verlegenheid. ‘Bij veel mensen krijg ik het benauwd, bij bijna niemand leef ik op. Dat is in het dagelijks leven eigenlijk ook zo,’ schrijft Koch. Reisel reageert daarop met te vertellen dat ze zich ‘vroeger vaak gedwongen voelde bij andere mensen of situaties een rol te spelen.’
    Maar ondanks deze laatste, sterkere, briefwisseling blijf je je als lezer afvragen waarom deze brieven (op deze manier) gebundeld zijn.

     

     

  • Oogst week 47

    Of heb ik het verzonnen?

    Het hart van Of heb ik het verzonnen?, de briefwisseling tussen (jeugd)vrienden Herman Koch en Wanda Reisel, wordt gevormd door de teruggevonden ‘Barcelonabrieven’, geschreven in de periode 1986-1988. Koch en Reisel waren toen nog beginnende schrijvers, die genoeg vertrouwen in elkaar hadden om werk in onvoltooide staat aan elkaar te laten lezen. Aan deze directe en relatief ongestileerde brieven gaat correspondentie uit de periode 2011-2013 vooraf, waarin Koch en Reisel proberen hun gezamenlijke verleden te reconstrueren. Herinneren, incl. de feilbaarheid van het geheugen, is het centrale thema in deze brieven, waarvan een deel in een andere vorm tijdens de Boekenweek van 2012 in de Volkskrant verscheen. Of heb ik het verzonnen? besluit met brieven geschreven in het voorjaar van 2017, waarin veel gelezen en wordt en geschreven aan nieuw werk.

    Of heb ik het verzonnen? is een zorgvuldig gecomponeerde brievenbundel – waarbij The Sense of an Ending van Julian Barnes, het boek en de film, als structurerend element dient – waarin elke brief bijdraagt aan een  verhaal over een op gedeelde (jeugd)ervaringen, verenigbare karakters en geambieerd schrijverschap  gestoelde vriendschap.

    Of heb ik het verzonnen?
    Auteur: Herman Koch en Wanda Reisel
    Uitgeverij: Das Mag

    De dagen van Leopold Mangelmann

    Al voor wat nu beschouwd wordt als zijn officiële Blauwe maandagen (1994) was Arnon Grunberg productief en schrijver. Uit het vorig jaar verschenen Aan nederlagen geen gebrek: brieven en documenten 1988 – 1994 blijkt dat veel van wat Grunberg dacht en schreef al in het teken te staan van het schrijverschap dat hem voor ogen stond toen eenmaal duidelijk was dat carrière maken als acteur niet tot zijn mogelijkheden behoorde. De dagen van Leopold Mangelmann: een keuze uit de archieven van Arnon Grunberg is de fictieve pendant van Aan nederlagen geen gebrek. Het bevat een deel van het materiaal, inclusief een complete roman, dat zijn uitgever Vic van de Reijt – met zo’n uitgever heb je geen biograaf meer nodig – bij het samenstellen van het ‘brievenboek’ in de ouderlijke woning van Grunberg aantrof.

    Uit zijn selectie blijkt dat Grunbergs thematiek en aanpak al in zijn vroege werk aanwezig is. Niet alles in De dagen van Leopold Mangelmann verschijnt voor het eerst, maar deze ruime keuze geeft inzicht in de wordingsgeschiedenis van een auteur en het ontstaan van een oeuvre.

    De dagen van Leopold Mangelmann
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Een botsing op het spoor

    In Een botsing op het spoor reconstrueert Joris van Casteren wat voorafging aan en volgt op een aanrijding met twee personen en vier honden op 28 november 2016 bij de spoorwegovergang Slonsweg-Scheidingsweg, op het traject Nijmegen-Roermond.  Op de inmiddels van hem bekende manier doet hij onderzoek, spreekt met betrokkenen en monteert hij de verkregen informatie tot een niets ontziend journalistiek stuk met de kenmerken van literaire non-fictie. Joris van Casteren verzacht de omstandigheden niet, maar voorziet de slachtoffers, de getuigen en de  gruwelijkheden van hun context.

    Dat Joris van Casteren zich na Het been in de IJssel (2014) toch weer waagde aan losse ledematen had niet alleen met die ene hond die ontkwam te maken, maar ook met de verhalen die hij tijdens het onderzoek voor Het station (2015) van machinisten hoorde over spoorsuïcide.

    Een botsing op het spoor
    Auteur: Joris van Casteren
    Uitgeverij: Querido Fosfor
  • Een boek als een huis gebouwd op herinneringen

    Een boek als een huis gebouwd op herinneringen

    Vroeger was je een wonderlijke kerel als je de Sarphatistraat de mooiste straat van de wereld vond. Minder wonderlijk ben je als je hetzelfde over de Amsterdamse Van Eeghenstraat zou zeggen. Die straat ligt fraai en statig tegen het Vondelpark aan. De huizen zijn er mooi, groot en gebouwd zo rond 1900. Sommige hebben nog mooie Jugendstil versieringen. Er zijn fraaie natuurstenen ronde portieken en zware houten deuren.

    De Van Eeghenstraat kom je ook tegen in de Nederlandse literatuur. Tirza, de hoofdpersoon uit Arnon Grunberg’s roman woonde er (‘in het beste deel’), net als de schrijver zelf overigens. Ook hield Grunberg er zijn openingsfeestje ter gelegenheid van het verschijnen van deze roman.

    Net voor de boekenweek is er nu Wanda Reisels (1955) Plattegrond van een jeugd. Zij groeide op in de Van Eeghenstraat. Het huis op nummer 100 vormt de fundering en het skelet van haar nieuwe boek. Het is een enorm huis met vijf verdiepingen, zestien kamers en zesentwintig vaste kasten. Het heeft een tuin, zoals een tuin moet zijn, grenzend aan het Vondelpark. De plattegrond van het huis staat op de binnenkant van de kaft en de hoofdstukken hebben de indeling van het huis overgenomen: Souterrain, Bel etage, Eerste etage, Tweede etage etc. De hoofdstukken zelf dragen namen als Stoep, Keuken, Gang. De woorden zijn op heel licht grijs papier gedrukt waardoor je soms denkt dat er een schaduw over de bladzijden valt. Dat grijs vormt het cement waar beschrijvingen en herinneringen aan het huis doorheen zijn gemengd. Deze grijze hoofdstukken worden opgevolgd door hoofdstukken met witte pagina’s die korte verhalen bevatten die vaak geen duidelijk aanwijsbare relatie hebben met het huis. Zo wordt een huis gebouwd waarin de verbeelding, in de vorm van korte verhalen, een plaats krijgt tussen muren van herinnering.

    Herinneringen zijn bij Reisel niet sentimenteel en ook geen aanleiding tot diepzinnige reflecties of concluderende volzinnen. De beschrijvingen van het huis zijn liefdevol maar ook feitelijk en zeker niet weemoedig. Ze schrijft zoals ze zichzelf als kind beschrijft: een jongensachtig meisje dat eigenlijk niets van meisjesdingen moet hebben. ‘…Want een meisje maakt nooit iets mee, meisjes zijn stom en achterbaks (…). Bij jongens is het spannender.’ Het boek leest jongensachtig en als een zoektocht naar denkbeeldige grenzen om daar vervolgens overheen te stappen. De boekenweek met als thema TITAANTJES – opgroeien in de letteren, kan bijna niet beter geïllustreerd worden dan door juist dit boek.

    De herinneringen zijn niet alleen beschrijvingen van het huis en de tijd maar geven ook inzicht in Reisel’s fantasie en interesses. Af en toe verwijst ze naar haar eerder werk alsof ze een tip van een sluier oplicht. Tussen die grijze hoofdstukken zweeft de soms op hol slaande verbeelding van de korte verhalen die variëren van (bijna) autobiografische schetsen tot absurdistische fantasieën waarin elke logica ontbreekt.
    Om een voorbeeld te geven, in het verhaal Aan mijn Kant nemen woorden letterlijk de plaats van dingen in. Zo loopt de hoofdpersoon op het woord SCHOEN en vliegen de woorden MEEUW en WUEEM als duikelende vliegers boven de zee. Aan pumps groeit verticaal het woord HAK en iemand heeft TANDEN op haar gebit staan. Ons wordt verzekerd dat het niet om een droom gaat.
    Andere verhalen hebben een kop en een staart, sommige bevatten vreemde elementen en enkele verschillen nauwelijks van de op grijze bladzijden geschreven herinneringen. Het is een heel scala aan stijlen en verhalen.

    De oorlog speelt een rol in Reisel’s herinneringen. Haar Joodse ouders doken onder, andere familieleden waren minder gelukkig. Het leed en de verhalen zijn aanwezig, maar in Plattegrond van een jeugd blijven ze op de achtergrond. Haar vader heeft gedachten die hem angst aanjagen, ook de gedachte dat hij zijn verstand verloor. Dat fascineert de jonge Wanda. Zo droomt ze van een vloer vol kakkerlakken, voor haar angstaanjagend maar tegelijkertijd ook fascinerend. Haar vader is werkelijk geschokt.
    Ook in een verhaal komt de oorlog en het ouder worden een keer terug als een oude vader zich met weemoed herinnert hoe hij zijn minnares ontmoette en daarna plotseling uit het oog verloor. Oud en nog net niet geheel versleten ontmoet hij een vrouw die haar zus blijkt te zijn en hem vertelt dat ze in de oorlog in een kamp gestorven is. Zo weet Reisel ook nog te ontroeren.

    Maar het zijn niet zozeer de losse verhalen die Plattegrond van een jeugd een zeer geslaagd boek maken. Achterin heeft Reisel een korte aantekening opgenomen waarin ze bijna verontschuldigend verklaart dat ze haar korte verhalen altijd als stijloefeningen en schetsen heeft beschouwd. Zo bij elkaar gezet maakt het geheel toch een heel sterke indruk. Het boek vormt echt een huis, gebouwd op herinneringen met vensters van verbeelding waarin je soms vaste grond onder je voeten voelt en dan weer een stukje zweeft zonder dat je begrijpt waarom. Die merkwaardige afwisseling maakt het bezoek aan de Van Eeghenstraat nummer 100 een mooie belevenis. Wie in de buurt van het Vondelpark is moet maar eens gaan kijken in de Van Eeghenstraat. Ik zou bijna zeggen: het is de mooiste straat van de wereld.

     

  • Wanda Reisel

    Wanda Reisel wordt in 1955 op Curaçao  in een anarcho-liberaal doktersgezin geboren. Na het gymnasium begint zij in 1974 aan de studie Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam maar na het lezen van een aankondiging ‘Inpoldering en bedijking van de Alblasserwaard in de 17e eeuw’ besluit zij de studie vaarwel te zeggen en meldt zich bij de Regieopleiding van de Theaterschool in Amsterdam (1976-1981). Na de opleiding neemt het schrijven voor toneel de overhand. Toneelgroep Baal speelt in 1984 haar eerste stuk Ansichten, gevolgd door Echec in een eigen regie. In 1986 debuteert ze als prozaschrijver met Jacobi’s Tocht (2 novellen) bij uitgeverij Querido waar al haar prozawerk is uitgegeven.

    In 1988 verschijnt haar eerste roman Het Blauwe Uur. Ook wordt in 1988 Op de Hellingen van de Vesuvius gespeeld, toneelstuk gebaseerd op het leven van de dichter Giacomo Leopardi, door de toneelgroep Maatschappij Discordia. In 1990 volgt het toneelstuk De Vliegenier uitgevoerd door theatergroep Carrousel  en in 1999 speelt de Belgische groep De Onderneming in samenwerking met Het Toneelhuis haar stuk Sangria! Incidenteel schrijft zij ook scenario’s voor film en televisie.
    In 1993 verschijnt haar roman Het beloofde leven en 1996 de roman Baby Storm die genomineerd wordt voor de Libris Literatuurprijs 1997. Haar vierde roman Een man een man (2000) werd eveneens genomineerd, voor de Libris Literatuurprijs 2001.

    In september 2002 kwam haar toneelstuk De Zindering uit. Op het Nederlands Filmfestival Utrecht 2003 kreeg de film Dwaalgast (scenario WR) een gouden kalf voor beste korte tv-drama. In november 2004 verscheen haar nieuwste roman Witte Liefde, een verhaal over een onmogelijk liefde dat speelt in de late jaren vijftig. Sinds een paar jaar woont Ro Weller, een moderne jonge vrouw, beeldhouwster, met haar man Rudi, een veelbelovende architect, en hun dochtertje op het paradijselijke eiland Curaçao. De tijd is zorgeloos, de kleuren uitbundig en de palmen wuiven. Maar dan slaat een liefde toe: als uit het niets daalt er een vonk neer op Ro en de journalist Bob Krone, die net als zij getrouwd is. Hun liefde blijkt verslavend en hun verlangen geeft hun een grenzeloze zelfverzekerdheid. Maar onschuldig blijven zij niet en zet het noodlot genadeloos in. Deze liefde speelt zich af tegen het decor van koloniale huizen, steegjes van de gekleurde bevolking, en uitbundige recepties en feestjes van de blanke elite. Pas aan het eind van haar leven, als Ro allang terug is in het kille en kleinburgerlijke Nederland, durft ze aan haar grote liefde terug te denken.

    Bibliografie:

    Romans:
    Witte Liefde 2004
    Een Man Een Man 2000
    Baby Storm 1996
    Het Beloofde Leven 1993
    Het Blauwe Uur 1988
    Jacobi’s Tocht 1986

    Toneelwerk:
    Ansichten en Echec
    Op de hellingen van_Vesuvius
    De Vliegenier
    Sangria !
    De Zindering

    Film- en televisiescenario’s:
    Blindgangers
    Vier maal mijn hart
    Verhalen die ik mijzelf vertel
    Ted
    Eine Klein Nachtmerrie

    DdH

    Bron: http:/Wanda.Reisel.ne
    Fotot: Anna Helmond