• Beter een goede broer dan een verre vriend

    Beter een goede broer dan een verre vriend

    ‘Hij had daar nooit mogen weggaan.’ Met deze spijtbetuiging eindigt het boek De lastige liefde van Walter van den Broeck. ‘Daar’ is het Vlaamse Olen, vlakbij Turnhout. ‘Hij’ is Jules, Walters dertien jaar oudere broer. Als naoorlogse gelukszoeker vertrekt Jules in 1950 naar de Verenigde Staten. Opa Peter Jules, die daar al woont, onthaalt hem. Eenmaal verhuisd naar Mexico trouwt Jules met Olga Siqueiros, nichtje van de muralist David Alfaro Siqueiros. Dochters Lilli en Yvette zien het levenslicht. Bovendien wordt Jules een succesvol zakenman. Terwijl de oudere generaties bekvechten over zijn spilzucht en veelwijverij, laat Walter zijn broer lekker aanmodderen. Regelmatig schrijven en mailen ze heen en weer en bezoekt de verloren zoon zijn Vlaamse familie. In december 2021 voor het laatst, per grafkist, 93 jaar oud geworden. De woorden ‘Ik mis je’ vallen niet één keer.

    In De lastige liefde staat de ontworteling centraal van Walters geliefde broer Jules. De schrijver kiest voor Lilli, Jules’ dochter, als verteller. Vanwege haar poëtische aanleg wemelt het van de smaakvolle metaforen. Dat neemt helaas niet weg dat sporadisch een andere, verdacht mannelijke stem de hare verdringt, zelfs als zij aan het woord is. Vooral op haar vaders buitenechtelijke seks reageert Lilli opvallend lacherig, zoals met de typering ‘libidonosaurus’. Jules’ wispelturigheid maakt van De lastige liefde een wispelturig boek. Dat een gedicht van Guido Gezelle het hoogtepunt vormt, zegt eigenlijk alles.

    Nergens thuiskomen

     Zoals zo veel migranten zit Jules van den Broeck in een spagaat. Hij voelt zich Mexicaan noch Vlaming. Tijdens vakanties in België merkt hij dat zijn vaderland onherkenbaar veranderd is sinds zijn vertrek, zowel cultureel als optisch. In Mexico verschanst hij zich met zijn gezin steeds vaker in zijn villa te Cuernavaca, buiten Mexico-Stad. Lilli ziet haar vader lijden: ‘Dad vroeg zich weleens af of hij er eertijds niet beter aan had gedaan niet op Great Grand Dads voorstel in te gaan. Hij speelde met de gedachte terug te keren naar België, maar die hield hij maar heel even vast. Hij zou nooit nog kunnen wennen aan ‘reglementen’. Bovendien: wie kende hij daar nog?’ Hoe meer Jules zich terugtrekt, hoe meer hij gaat ‘achtentachtigen’, zoals Lilli het gesmoorde, Vlaamse gescheld van haar vader noemt.

    Van de landgenoten in Mexico moet Jules al helemaal niks hebben: ‘Ach, de Vlamingen in Mexico. Je hoeft hun pakken maar te bekijken en je merkt dat ze die in 1950 samen met hun onderdanigheid uit hun vaderland hebben meegebracht.’ Nee, hij kiest voor brutaliteit, jovialiteit en een royale levensstijl. Vandaar het grote landhuis in Cuernavaca. De vraag of hij hier ooit echt gelukkig wordt, beantwoordt Lilli via een interessante parallel. Zowel ‘Cuernavaca’ als ‘Turnhout’ betekent ‘toren in het bos’, respectievelijk in het Nahuatl (Cuauhnahuac) en in het Oudnederlands. ‘Zou Uncle Walter dan toch gelijk hebben met zijn ‘het is overal Turnhout’, de boutade waarmee hij zijn honkvastheid rechtvaardigt?’ Van deze honkvaste oom is het des te verrassender dat hij zichzelf tot personage in het boek maakt en in plaats van zichzelf zijn nichtje als verteller opvoert. Dit gebeurt overigens met wisselend succes.

    Het nichtje spreekt. Toch?

    Dochter Lilli reconstrueert het leven van haar vader. Dit doet ze onder meer met het intensieve schrijf- en mailcontact tussen familieleden. Ondertussen werkt zij zich op tot gerenommeerde dichteres, recensente en essayschrijfster. Met prachtige metaforen komt haar talent in het boek tot uiting. Zo noemt zij de door smog verpeste lucht boven Mexico-Stad ‘erwtensoep’. Wanneer American Airlines verliezen lijdt, wordt de maatschappij ‘vleugellam’. Het contact in de jaren ’50 tussen Jules, zijn vader en opa verslechtert: ‘De trans-Atlantische correspondentie tussen de VS, Mexico en België verwaterde zienderogen.’ Als Lilli, vlak na haar moeder, een knobbeltje in de borst voelt, begint Jules ‘te achtentachtigen, deze keer met genoeg tranen om het huis te dweilen.’ Ook het feit dat ze zich los weet te maken van haar waardeloze echtgenoot Michel Mawad, onderstreept haar kracht. Desondanks houdt de geloofwaardigheid van haar vertelperspectief geen stand. Jules gaat vreemd, en niet zo zuinig ook. Weliswaar behandelt zijn dochter dit hoofdschuddend, écht kritisch wordt ze nooit.

    Zelfs als Olga amper een jaar onder de zoden ligt en Jules al twee dames het bed in kletste, zegt Lilli: ‘Nee, hij was nog lang niet uitgedoofd, onze libidonosaurus. Het zou mij niet verwonderen mocht Carmen niet de laatste schoonheid zijn die hij aan de haak sloeg.’ Bij vlagen klinkt het machogebral ronduit jaloers: ‘Toen ik later doorkreeg dat Dad zijn gerief buitenshuis zocht, gebruikmakend van zijn niet-afnemende charme, hield mijn woede daarover ongeveer drie minuten aan. Daarna probeerde ik afstandelijk te zijn tegenover hem, maar dat duurde drie dagen. De schurk! Hoe deed hij dat toch?’ Tijdens een Belgisch tv-interview flirt Jules met de presentatrice: ‘de bloedmooie vrouw met magische, blauwe ogen bleek zeer door hem gecharmeerd. He did it again, the rascal.’ Bij leven vertrouwt Olga Lilli toe niet te vrezen voor een breuk, want: ‘Lief kind, wat ik in bed kan, dat kan geen enkele hoer ter wereld.’ Zijn hier vrouw en dochter aan het woord? Of is dit die typische, klassieke mannentaal die – zoals men in Vlaanderen zegt – ‘op café’ gebezigd wordt? De oneliners klinken als stijlbreuken van een man die vergeet de taal van een vrouwelijk familielid te spreken.

    Guido Gezelligheid

     Al dat fallische machtsvertoon doet snakken naar een scheutje bescheidenheid. Gelukkig zorgt Van den Broeck met Vlaamse couleur locale voor mislukking, vergeefsheid en humor. Drankmisbruik, Vlaamse grauwheid en passief-agressieve opmerkingen in familiekring roepen het beeld op van Reetveerdegem, dat depressieve hol in De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst. Ordinaire geldruzies zijn de grootste splijtzwam. Peter Jules voelt zijn levenseinde naderen. Vanuit de VS stuurt hij duizend dollar aan zoon Robert (vader van Jules en Walter). Bij de cheque zit een begeleidend briefje: ‘Robert, ik hoop dat ge met dat innen zult wachten tot ik dood ben.’ Robert reageert gallisch. Dat accepteert Peter Jules dan weer niet. Lilli blikt terug: ‘Ziedend schreef hij toen het venijnigste briefje dat hij hem ooit had geschreven. Het begon met: ‘Als ge niet eens meer tegen een grapje kunt…’ Het eindigde met: ‘… daarom schrap ik u uit mijn testament.’’ Was sich liebt, das neckt sich.

    Heel even doorbreekt de auteur het cynisme op een poëzieavond bij Olga Siqueiros thuis, een ‘vrouwenhobby’ volgens Jules. Nu Lilli’s jeugdvriendje Edwin op bezoek is in Mexico, maakt hij een uitzondering. Hij declameert het Vlaamse vers Moederken van Guido Gezelle. Voor de Spaanstalige toehoorders totaal onverstaanbaar, doch – naar later blijkt – onweerstaanbaar: ‘Toen klapte hij het boekje dicht en ging het met een betraand gezicht gauw weer opbergen.’ Ook de lezer houdt het nauwelijks droog bij Gezelles eerbetoon aan de moeder, waarbij het Ave Maria verbleekt. Dit opvallend gevoelige fragment komt uit de lucht vallen. Het had de voorbode kunnen zijn van oprechte, mannelijke kwetsbaarheid. Zoals alle amoureuze veroveringen van Jules, blijkt deze bevlieging echter niet meer dan een sentimentele oprisping. In De lastige liefde is de liefde inderdaad lastig. Maar niet onmogelijk. Vooral niet tussen twee broers die een oceaan van elkaar verwijderd zijn.

     

  • Raadselachtige fascinatie voor een oom

    Raadselachtige fascinatie voor een oom

    De Vlaamse schrijver Walter van den Broeck schreef een indrukwekkend oeuvre bij elkaar. Denk aan zijn grote romans uit de jaren tachtig en negentig, Brief aan Boudewijn of Groenten uit Balen. Enkele jaren geleden schreef hij de pracht roman De vreemdelingeIn een aantal van zijn romans put hij uit of wordt geïnspireerd door de geschiedenis van zijn familie. Zo ook in de roman Niets voor de familie, waarover je zou kunnen discussiëren of dit wel een roman is; het is meer een geromantiseerde beschrijving van het leven van zijn tante Leen en zijn aangetrouwde oom, architect en antiquair Jaak Jacobs.

    Van den Broeck krijgt bezoek van drie architecten die een monografie over de architect Jaak Jacobs willen samenstellen. Zijn interesse is gewekt, te meer omdat hij zich deze oom – die eigenlijk een stiefoom is – uit zijn verleden nog kan herinneren: hij vond het altijd een buitengewoon intrigerende persoon. Jaak blijkt een nogal ondergewaardeerde architect te zijn geweest. Hij heeft een aantal huizen en gebouwen ontworpen en gerealiseerd. Pas veel later bleken ze een zekere kwaliteit te hebben.

    Herinneringen aan een architect

    Samen met zijn herinneringen, een verslag van zijn tante Leen en het materiaal dat de architecten hebben gevonden, schetst hij het leven van zijn tante en dat van zijn oom Jaak. Zijn tante heette eigenlijk Grace en was eerder getrouwd  met ene Charles Wouters met wie ze een zoon heeft, de later als dichter bekend geworden Hugues C. PernathHaar eerste huwelijk ontaardde in scheldpartijen en tante Leen zocht steeds vaker haar rust in het antiquariaat van Jaak, met wie ze uiteindelijk trouwt. Jaak is op dat moment een mislukt kunstschilder, verdient redelijk als architect en heeft een antiquariaat dat meer dient als toevluchtsoord, dan als bron van inkomsten. Hij wordt daar regelmatig opgelicht, o.a. door de eerste man van tante Leen.
    Als Jaak, en later tante Leen overlijdt, staat in haar testament dat niemand van de familie iets zal krijgen.

    Van den Broeck maakt dankbaar gebruik van alle gegevens die voorhanden zijn en schetst een nogal ontluisterend beeld van vooral zijn tante, die een laag opgeleid, volks mens was, ruw in de mond, de schijn ophoudend naar anderen doordat ze met een heuse architect is getrouwd, maar zo vals blijkt als het maar kan. Jaak wordt als een soort slachtoffer geportretteerd; niet zozeer van tante Leen, maar vooral van de omstandigheden in  oorlogstijd, waarin zijn broer heulde met de bezetter, en Jaak lang geen zaken heeft kunnen doen. De twee zorgden op hun manier wel goed voor elkaar; ze leefden samen als zus en broer en consumeerden hun huwelijk niet.

    Vaardig beschreven

    Van den Broeck is een vaardig schrijver, het boek leest gemakkelijk, beelden zijn helder. De lezer kan snel en goed invoelen wat er gebeurt en meeleven met de twee hoofdpersonen. Toch is dit geen roman die lang zal beklijven. De schrijver maakt zich er in een aantal gevallen erg makkelijk vanaf. De karakters van een aantal familieleden blijven nogal ongenuanceerd en zwart-witEr worden  veel zijpaden bewandeld van neven en nichten, verhoudingen in de familie, die geen verdere uitwerking krijgen en niet ter ondersteuning van het verhaal dienen. De relaties tussen vaders, moeders, opa’s en oma’s: het lijkt soms wel een telefoonboek.

    Dan nu, wat is de portee van dit verhaal? Wat is er boeiend aan een tante van een schrijver niets voor de familie overheeft, wat is vermeldingswaardig aan het mislukte leven van een architect. Dit wordt niet duidelijk in deze familieroman. Hij refereert wel aan zijn fascinatie voor zijn stiefoom Jaak, maar ook hier wordt niet duidelijk waar die vandaan komt. En de monografie van de drie architecten, naar aanleiding waarvan deze roman is ontstaan? Die komt er uiteindelijk niet.