• Ritselen en misleiden om te ontkomen

    Ritselen en misleiden om te ontkomen

    Als de Duitse verzetsstrijder Lisa Fittko samen met haar man Hans tijdens de Duitse invasie van Frankrijk in mei 1940, opeens in bezet gebied terechtkomt voelt ze zich geroepen om na haar eigen vlucht hulp te bieden aan andere vluchtelingen. Ze helpt ze de Pyreneeën over met visums naar Spanje. Onder de overwegend Duitse emigranten zitten meerdere internationaal bekende personen. Een van de meest bekende is wel de filosoof Walter Benjamin, die met een leren aktentas vol papieren met hulp van Lisa de oversteek waagt. Dit verhaal lezen we in de in meerdere opzichten uitzonderlijke memoires van Lisa Fittko getiteld Vlucht over de Pyreneeën – Mijn tocht met Walter Benjamin.

    Lisa Fittko groeide op in een vrijgevochten Joods gezin, in wat destijds het Oostenrijks-Hongaarse rijk was. Haar vader had een literair tijdschrift en ging veel om met linkse schrijvers. Al snel na de machtsovername van Hitler vluchtten veel intellectuelen die in de ogen van dat regime verdacht waren. Lisa ging in die tijd naar politieke bijeenkomsten en protesten en verspreidde vlugschriften tegen het fascisme. Ook zij en haar man vluchtten naar Noord-Frankrijk maar werden door de Fransen na de Duitse inval als verdachten geïnterneerd in kampen. Fittko beschrijft hoe onwerkelijk het was om als vijand behandeld te worden door de Fransen die hen zagen als vijanden of spionnen. Ze vertelt hoe zij en haar man bedreven werden in het overleven en ontkomen. Het was de kunst om te ritselen en de autoriteiten moesten zo veel mogelijk worden misleid.

    Ook als ze in het vrouwenkamp bij Gurs in de Pyreneeën terechtkomt probeert Lisa zoveel mogelijk medestanders te helpen. Haar toewijding voor de zaak is indrukwekkend want voor de Joodse bevolking en de verzetsstrijders was het een zaak van leven en dood. De Franse autoriteiten leverden niet alleen actief Joden uit, ze spoorden ze ook op. Als Lisa ontsnapt aan het kamp vindt ze in Marseille haar man terug. Na verschillende omzwervingen komen zij terecht in het dorpje Banyuls-sur-Mer waar ze als contactpersoon fungeren voor de stichting Emerescue die internationale vluchtelingen bijstaat. De burgemeester van Banyuls, Azema, is een socialist en staat in het geheim aan hun kant. Hij vraagt de Fittko’s om emigranten te helpen bij de grenspassage.

    Zwarte aktentas

    Via de Listerroute begint het echtpaar met het smokkelen van mensen. Deze route was veiliger dan die langs de kust waar zwaar gepatrouilleerd werd. Op 25 september 1940 klopt de ‘oude’ Walter Benjamin aan bij het echtpaar. Lisa heeft de indruk van een ietwat vormelijke geleerde. Er wordt besloten dat Benjamin meegaat op de ‘lichte wandeling’ de Pyreneeën over. Eenmaal in de koude bergen gaat de tocht langzaam en met regelmatige onderbrekingen verder. Gewapend met een zwarte leren aktentas steekt Benjamin met een ijzeren discipline de bergen over. In het hoofdstuk over de tocht vermeldt Lisa dat Benjamin een nieuw manuscript noemt, vermoedelijk van zijn laatste werk, het enigmatische Passagen-Werk. ‘Het viel me op dat Benjamin een aktetas bij zich had. De tas leek zwaar, en ik vroeg of ik hem kon helpen. “Daar zit mijn nieuwe manuscript in” legde hij me uit. “Maar waarom neemt u het mee op deze verkenningstocht?” “Weet u, deze aktetas is het allerbelangrijkste voor mij,” zei hij. “Die mag ik niet kwijtraken. Het manuscript moet gered worden. Het is belangrijker dan mijn eigen persoon.”‘

    Eenmaal in het Spaanse Port-Bou aangekomen, moeten de emigranten zich melden bij de grenspost om vanaf daar door te reizen naar Portugal. In de nacht van zijn aankomst berooft Benjamin zich echter van het leven als bekend wordt dat de Spaanse grenspolitie van plan is de groep terug te sturen. Om zijn manuscript uit handen van de Gestapo te houden had hij zijn leven over. In het sterfregister wordt wel een zwarte leren tas vermeld, maar het manuscript is onvindbaar. Als Benjamins beste vriend Fittko veertig jaar later belt, vertelt hij haar dat het manuscript volgens hem überhaupt niet bestaat. Daar eindigt voor Lisa het spoor, niemand wist er iets van en zij moest zich immers op de tocht richten. ‘De filosofie moest wachten tot we de andere kant hadden bereikt.’ Het echtpaar blijft doorgaan met mensen overzetten, de oversteek zelf is niet heel gevaarlijk omdat ze het pad goed kennen en bij de lokale mensen bekend zijn. Alle vluchtelingen die ze begeleiden komen goed over en worden niet meer teruggestuurd. Op het smokkelen van mensen stond de doodstraf, dus de rebelse Lisa en haar pragmatische man riskeerden veel voor de vrijheid van anderen.

    Uit de val

    In het begin van het boek herinnert Lisa zich dat haar vader ooit gezegd heeft dat je ‘moet weten wanneer het tijd is om te wagen’. Iets van diezelfde opstelling heeft zij later, al neemt ze vooral ingecalculeerde risico’s. Zelf zegt ze daarover: ‘Je moet zeker dingen wagen en risico’s nemen, maar gewoon niet lichtzinnig. Elke nieuwe route moet goed doordacht en verkend zijn, elke stap ingecalculeerd.’ Toch krijgen zij af en toe ook hulp van goede Fransen, die wel menselijk bleven in het donkerste uur van het land. Lisa had niet kunnen overleven zonder wat geluk hier en daar. Mensen die bewust de andere kant op keken, haar wat toestopten of op een andere manier de hand uitstaken. Als overtuigde antifascisten zagen Lisa en haar man het als een plicht de slachtoffers van het nazigeweld en de bureaucratie te helpen vanuit hun overtuigingen. Als het systeem faalt is het aan de individuele mens om verantwoordelijkheid te nemen.

    Over de tijd van de inval zegt Fittko: ‘Je komt in een val te zitten; je ziet hoe die zich langzaam sluit. De een staat als aan de grond genageld tegenover het onvoorstelbare noodlot, anderen rennen in paniek rond. Degenen die een doel hebben zoeken een uitweg. Het besluit om uit die val te komen neemt je helemaal in beslag.’ Juist het alles overstijgende doel van verzet bieden aan het fascisme leidt tot een soort verbeten besluitvaardigheid bij de Fittko’s. Als schietpartijen, executies, en deportaties aan de orde van de dag zijn vergt het een uitzonderlijk karakter om niet tot wanhoop te vervallen.

    Met een zekere wrok beschrijft Fittko de Duitse burgers die ‘na zeven jaar naziterreur helemaal niets hadden geleerd, omdat ze de samenhang tussen hun persoonlijk lot en wat zich in de wereld afspeelde niet wilden of konden begrijpen.’ Dit onderscheidend vermogen is wat deze memoires van een verzetsvrouw zo bijzonder maakt. Dat de verzetsstrijders met ritselen en misleiden de wet moesten breken om mensen te redden toont wel hoe verdraaid de zaken waren. Het was vreselijk voor hen om de autoriteiten aan de verkeerde kant te zien staan. De Franse politie was immers evenzeer medeplichtig als de Gestapo.

    Glashelder verhaal

    Er valt wel enige kritiek te leveren op de ondertitel van het boek: Mijn tocht met Walter Benjamin. De tocht met Benjamin duurt één hoofdstuk. Het is uiteindelijk meer een voetnoot bij het grotere verhaal, al heeft Fittko wel interessante observaties over Benjamin. Zo schrijft ze over zijn karakter: ‘Wat een vreemde man, dacht ik. Glashelder denken, een onbreekbare innerlijke kracht, maar tegelijkertijd een hopeloze kluns.’ Benjamin slaat een apart figuur, de man van Lisa vertelt ook hoe hulpeloos hij was in het kamp. Voor de rest beschrijft Fittko op een vrij directe journalistieke manier de feiten. Er is geen veroordeling, er is alleen een glashelder verhaal over hoe het was om onder een bezetter te leven. Ze blijft bij de feiten, die zijn op zichzelf al erg genoeg.

    Na hun ontsnapping in 1943 leven de Fittko’s een tijdlang in ballingschap op Cuba, tot de gezondheid van Hans hen noodzaakt om naar Amerika te gaan. Op het eind van het boek vraagt het nichtje van Fittko haar naar haar redenen om te helpen. ‘Onmenselijkheid is typisch voor het fascisme,’ zegt ze daarover. Zij is van mening dat het niet zozeer het ras van de Duitsers was, maar dat we altijd overal moeten blijven waken voor het fascisme in al zijn vormen. Het leven van Lisa en Hans is een verhaal van jaren strijd en vlucht en nauwelijks erkenning, maar is constant doortrokken van een sterk politiek bewustzijn. Het wordt met een zekere vaart verteld, maar het meest ongelofelijke is wel dat ze beiden aan al die gevaren zonder kleerscheuren zijn ontsnapt. Sommige dingen mogen we nooit vergeten: ‘We mogen niet vergeten wie wij zijn, wat we hier doen en waarom.’

     

     

  • De magie van de moderniteit – Walter Benjamin en de verbeelding van de stad

    De magie van de moderniteit – Walter Benjamin en de verbeelding van de stad

    Wie Walter Benjamins Kinderjaren in Berlijn rond 1900 (vertaald door Hans Driessen in 2015 ) openslaat, zal in eerste instantie denken te maken te hebben met een nostalgische tekst: in het (door de uitgever voor de gelegenheid met foto’s geïllustreerd)  boekje biedt Benjamin tal van indrukken uit zijn grootsteedse jeugd, waarmee hij iets toont van het effect van een betoverende moderniteit op de kindergeest. In een woord vooraf spreekt Benjamin van ‘heimwee’ en ‘een gevoel van hunkering’.  Maar is er werkelijk sprake van nostalgie? 

    De Duitse cultuurfilosoof en literatuurcriticus Walter Benjamin (1892-1940), is tegenwoordig veel beroemder dan tijdens zijn leven, een leven waarin hij niet de academische erkenning kreeg die hij verdiende. Benjamin schreef over een veranderende wereld en een veranderende omgang met cultuur in het moderne bestaan. Hij had belangstelling voor zowel hoge cultuur (hij vertaalde Proust en Baudelaire en schreef over Goethe) als voor populaire cultuur. Zijn essay over de teloorgang van de uniciteit van het kunstwerk in tijden van mechanische reproduceerbaarheid geldt als klassiek. Het is een ambivalente tekst waarin Benjamin niet louter positief of negatief is over het verloren gaan van de ‘aura’ van het origineel.

    Benjamins meest ambitieuze onderneming was het onvoltooid gebleven ‘Arcades project’ (Das Passagen-Werk), waarin hij de veranderingen in het Parijs van de negentiende eeuw documenteerde, als een archeoloog van de moderniteit. Hij heeft daarin aandacht voor ontwikkelingen die de basis vormden voor de moderne twintigste-eeuwse maatschappij, waarin hijzelf leefde. Lezen in de door Benjamin genoteerde impressies en  verzamelde teksten is als schatgraven in de mentaliteit van de door hem opgeroepen negentiende eeuw.

    Benjamin was geboeid door herinnering en door de relatie tussen herinnering en moderne geschiedenis. In dit montage-essay komen veranderingen in de negentiende eeuw en jeugdherinneringen op de drempel van de twintigste eeuw aan bod. Benjamins Kinderjaren in Berlijn is geprezen om de literaire stijl, die echter wel wat van de lezer vergt.  Het zijn geen memoires in de strikte zin van het woord, het gaat eerder om een verzameling thematische hoofdstukjes waarin hij  indrukken geeft van zijn jeugd rond 1900. 

    Kinderjaren in Berlijn, dat oorspronkelijk stamt uit de jaren dertig, bevat vignetten over deze jeugd in wat toen de meest moderne stad van Europa was en sinds enige decennia de hoofdstad van het Duitse keizerrijk. Benjamin was een kind van rijke ouders en groeide op in een geassimileerd Joods gezin. Later in zijn leven was hij  bevriend met de Joodse denker en Kabbalawetenschapper Gershom Scholem (1897-1982), wat voor hem een voedingsbodem was voor de religieuze kant van zijn marxistisch getinte materialisme. Zo ontstond een wonderlijke mengeling van mentaliteiten.

    Montage

    Benjamin was bevriend met Bertolt Brecht (1898-1956). Deze sociaal bewogen schrijver experimenteerde met de fragmentarische montagetechniek in zijn literaire werk en Benjamin onderging er de invloed van, zoals onder meer literatuurwetenschapper Nicolas Whybrow laat zien in zijn boek Street scenes.

    In de moderne techniek van de montage werd de geconstrueerdheid van kunstzinnige uitingen niet verdoezeld, maar op de voorgrond geplaatst. Dit leverde bij Brecht onder meer theater van vervreemding op, waarbij de toeschouwers werden gedwongen na te denken over wat fictie is, in plaats van er gevoelsmatig door overdonderd te worden.
    In enkele werken van Benjamin speelt de montage een rol, zeker ook in Kinderjaren in Berlijn.  Het is geen als coherent gepresenteerde chronologische autobiografie. Het gaat Benjamin er in deze thematische fragmenten om steeds een ander stukje van de verbeelding van een opgroeiend kind in de grote stad te tonen. Belangrijker lijkt het voor Benjamin iets over de recente moderniteit te zeggen dan over zijn eigen psyche in ontwikkeling. 

    Creatief (on)begrip

    In wat volgt gebruik ik de methode van creatief (on)begrip die Benjamin zelf ook hanteerde in zijn interpretatie van Karl Marx, die hij volgens sommigen niet helemaal doorgrond heeft, maar volgens anderen overtroffen heeft in inzicht. Hoe het ook zij: Benjamin blijkt een veel interessantere denker dan Marx. Door zijn stijl, door zijn omgang met de moderniteit met kinderlijke verbeelding en door zijn ambivalentie.

    Ik put uit het ideeënreservoir dat het oeuvre van Benjamin is, een aantal termen die ik plaats onder de noemer creatief (on)begrip. Deze herinterpretatie wil ik voltrekken met de uit zijn Passagen-Werk geputte begrippen fantasmagorie, oergeschiedenis, helletijd, droomstad en magische encyclopedie. Vervolgens ga ik in op de raakvlakken in Kinderjaren in Berlijn met het verschijnsel nostalgie. Tot slot behandel ik de ambivalentie die spreekt uit de meeste teksten van Benjamin.

    Fantasmagorie

    Benjamin zag de fantasmagorie als een bedrieglijk wensbeeld of  een fetisj-achtig object dat de moderne consument verblindt. Men kan dan denken aan de inrichting van warenhuizen als musea van consumptie of aan elektrisch ‘feeëriek’ verlichte huizen. Maar ook aan de gedecoreerde etalages van winkels van middenstanders vol uitgestalde muziekdozen met miniballerina’s en automaten met de suggestie van een perpetuum mobile. Benjamin beschrijft hoe hij tijdens bezoeken aan een tante een ‘grote glazen kubus’ kreeg voorgezet, ’die een hele levende mijn bevatte waarin zich kleine mijnwerkers, houwers, opzichters met karren, hamers en lantaarns stipt in de maat van een uurwerk bewogen.’ Hij was betoverd, zoals alleen een kind betoverd kan zijn, een ervaring die zo mooi is, dat sommige volwassenen heel hun leven op zoek blijven naar deze staat van naïeve ontvankelijkheid.

    Bij een bezoek aan het Berlijnse ‘keizerpanorama’, een vorm van stereoscopisch amusement met 3Delementen, populair aan het begin van de twintigste eeuw, ging de jonge Benjamin op in andere streken en landen die getoond werden. ‘Zo wilde ik op een middag voor het transparant van het stadje Aix met mezelf overleggen of ik ooit gespeeld had op het plaveisel dat door de oude platanen van de Cours Mirabeau wordt bewaard.’
    Hier zien we een mengeling tussen moderniteit en het irrationele. De methode om andere realiteiten  te tonen was gebaseerd op wetenschappelijke principes, de werking ervan op de kindergeest duidelijk niet.

    Oergeschiedenis en helletijd

    Benjamin verbleef na een door politieke omstandigheden ingegeven vertrek uit Berlijn, onder meer in Parijs. Volgens twintigste-eeuwer Benjamin was Parijs in de negentiende eeuw de hoofdstad van de wereld. 

    Wie in teksten uit het recente verleden op zoek gaat naar het kleine leven van gewone mensen en wie rommelt op de vuilnisbelt van hun materiële en immateriële herinnering, vindt er overblijfselen van de oertijd van de moderniteit, meende Benjamin. Hij zag de moderne tijd van de negentiende eeuw deels als een helletijd, een nachtmerrie waaruit de volgende generaties moesten ontwaken, juist door het verleden in het heden te incorporeren.

    In zijn essay Dialectics at a standstill schrijft Rolf Tiedemann over het ‘stratum of material, the alluvium of the recent past’ dat de kern vormde van hetgeen Benjamin ‘opgroef’ in de Parijse bibliotheek tijdens zijn arbeid aan Das Passagen-Werk. Benjamin wilde – door zich niet te richten op de grote mannen, maar op het leven van gewone mensen – in de negentiende eeuw iets blootleggen van de helletijd die de negentiende eeuw volgens hem was, de nachtmerrie die aan het heden waarin Benjamin leefde, de jaren dertig voorafging. Toen Parijs niet meer de plek was waar alles gebeurde, maar Berlijn. 

    Het verschil tussen Das Passagen-werk en Kinderjaren in Berlijn is niet alleen dat er een andere tijd en stad in behandeld worden, maar ook dat Benjamin in dat laatste werk een koppeling maakt met zijn persoonlijke herinnering. In beide projecten gaat Benjamin op zoek naar de wortels van de moderniteit.

    Een oergeschiedenis van Berlijn in de moderniteit is Benjamins Kinderjaren in Berlijn misschien, een beschrijving van een ‘helletijd’ echter allerminst. We zien in Benjamins beschrijving zowel de blik van het zich verwonderende kind als die van de volwassen Benjamin, dertig jaar later. Het gaat om een mengeling van vertedering over het magisch wereldbeeld dat hij vroeger aanhing en van ontzag voor een leven dat onherroepelijk verloren is gegaan.

    Droomstad

    Benjamin schrijft dat hij zijn best heeft gedaan ‘de beelden te pakken te krijgen waarin de ervaring van de metropool haar neerslag vindt in een kind uit de burgerlijke klasse.’ Deze beelden ‘missen nog de vaste vormen zoals die al eeuwenlang in het natuurgevoel tot beschikking liggen van herinneringen die op het platteland zijn doorgebracht. Maar de beelden van míjn kinderjaren in de grote stad zijn misschien in staat in hun binnenste latere historische ervaring al bij voorbaat vorm te geven.’ Het stadse leven lijkt fundamenteel af te wijken van het bestaan op het platteland. Maar had het ook een andere impact op een opgroeiend kind?

    Het is deze mogelijk andere impact die Benjamin in kaart brengt. Over het dwalen door Berlijn als kind schrijft hij: ‘In een stad de weg niet kunnen vinden zegt niet veel. Maar in een stad verdwalen, zoals je in een bos verdwaalt- daar heb je scholing voor nodig. Dan moeten straatnamen tegen de verdwaalde spreken als het kraken van dorre twijgen, en moeten kleine straten in het binnenste van de stad het uur van de dag voor hem even duidelijk weerspiegelen als een dal in de bergen.’ 

    De stad was en is het landschap van de mens, een landschap dat betoverd zou kunnen worden door de visie die er door de receptieve  waarnemer aan werd en wordt gekoppeld. 

    Magische encyclopedie

    Benjamin omschreef zijn Passagen-Werk als een magische encyclopedie van de moderniteit. Ook in Kinderjaren in Berlijn verbond Benjamin de objecten van het moderne leven met het magische wereldbeeld van het begaafde kind. Zo schreef hij over de telefoon: ‘Het kan aan de constructie van de apparaten of de herinnering liggen- maar zeker is dat de geluiden van de eerste telefoongesprekken me anders in de oren klinken dan de huidige. Het waren nachtgeluiden. Geen enkele muze vermeldt ze. De nacht van waaruit ze kwamen, was dezelfde als die voorafgaat aan elke echte geboorte. En de stem die in de apparaten sluimerde was een pasgeborene’  Benjamin verleende objecten een bezielde status, zo blijkt uit passages als: ‘Hier heersten meubels die, op grond van de eigenzinnigheid waarmee ze de ornamenten van tal van eeuwen in zich verenigden, overtuigd waren van zichzelf en van hun duurzaamheid.’ 

    In de geest van de opgroeiende Benjamin was betovering een vervuldheid van de magie van de moderniteit. In de Berlijnse dierentuin was er een nijlpaard ‘dat zijn pagode bewoonde, als een toverpriester die op weg is met lijf en leden te versmelten met de demon die hij dient’. In deze Zoologischer Garten was ook ‘een profetische uithoek. Want zoals er planten zijn waarover verteld wordt dat ze het vermogen bezitten om ons in de toekomst te laten kijken, zijn er plaatsen die deze gave bezitten. Het zijn meestal verlaten oorden, of ook boomtoppen die tegen muren staan, doodlopende straten waar geen mens zich ooit ophoudt.’ 

    Zo toont Benjamin vele omgevingen en interieurs die volgens hem representatief waren voor de ervaring van een opgroeiend burgerkind in het vroeg-twintigste eeuwse Berlijn.

    Nostalgie

    Sommige passages in Kinderjaren in Berlijn zijn ronduit nostalgisch. Ze bieden een idealiserende kleuring van het verleden. Zo lezen we: ‘In onze tuin stond een verlaten tuinhuisje. Ik hield ervan vanwege zijn veelkleurige ramen. Als ik binnen van ruit tot ruit liep, veranderde ik: ik kleurde als het landschap dat nu eens vlammend, dan weer verstoft, nu eens smeulend, dan weer weelderig in het raam lag.’ Benjamin vervolgt iets verder: ‘Op een dag braken de kleuren uit dit fonkelend vlechtwerk los en stortten zich op mij – ik voel nog steeds de zoetheid waarmee mijn oog zich volzoog. Het was de zoetheid van de chocolade waarmee ze meer in mijn hart dan op mijn tong wilden smelten’ 

    Dergelijke zintuiglijke passages zijn sterk persoonlijk, al is het misschien niet de nostalgie van een hele generatie gegoede burgers uit de voortijd van het interbellum, zoals Benjamin beoogde te beschrijven. Het is stadsnostalgie die lijkt af te wijken van andere vormen van nostalgie, bijvoorbeeld het arcadische verlangen naar ongereptheid.  

    Deze stadsnostalgie viert juist de ‘gereptheid’, die toont dat de materiële voortbrengselen van de mens, gebouwen, werktuigen, speelgoed, prachtig kunnen zijn en gekoppeld kunnen worden aan het geestelijke. Benjamin maakt in zijn tekst iets duidelijk over de kinderlijke geest dat (misschien) universeel is: de relatie tussen objecten en het magische. Zo is een hedendaagse kleuter nog altijd bang voor de kleren op een stoel die in het duister van zijn slaapkamer tot monsters kunnen worden. Het afscheid nemen van dit magische wereldbeeld, dat dus ook bleef bestaan in de moderniteit, is volwassen worden. De koppeling van de moderniteit aan het irrationele komt misschien voort uit een basisbehoefte van de mens om voor even weer in het nostalgische domein van de jeugd, of van de jeugd van de mensheid, te verkeren, de tijd voor de onttovering. Misschien beantwoordt die neiging  tot betovering van de moderniteit aan een nostalgische oerbehoefte.

    Ambivalentie

    Aan de ene kant betreurde Benjamin wat er verloren was gegaan aan de moderniteit, zoals de aura van uniciteit van het kunstwerk, aan de andere kant is zijn fascinatie voor de fantasmagorie van de moderniteit zo groot en ook haast religieus getint, dat je vermoedt dat hij vatbaar was voor de schoonheid van het moderne, als dit tenminste bezwangerd was door de kinderlijke blik.

     Voor sommige mensen is het bladeren door een kunstboek met reproducties, die de aura van oorspronkelijkheid hebben verloren, bevredigender dan een gang door een museum langs de originele werken. Juist het moderne wonder van de reproductie heeft  iets magisch: maak je als kijklezer van een kunstboek niet ook kennis met iets als de kern of visie van de kunstenaar? Is dit bladeren minderwaardig, alleen omdat het om reproducties gaat? En zo rijzen er bij bestudering van Benjamin meer vragen op: is het natuurlijk om techniek en wetenschap aan het irrationele te koppelen?  En: is het stadse leven in de moderniteit fundamenteel afwijkend van het landelijke boerenleven of reageert de stadse mens feitelijk niet anders op veranderingen en op het niet-bevattelijke dan de agrariër of dorpeling uit het premoderne verleden?

    Dergelijke vragen roept het hele oeuvre van Benjamin op.  Een oeuvre dat in een literaire, maar niet altijd toegankelijke stijl geschreven is, een verslag van een eeuwig opgroeiende mensheid in de wereld van de moderniteit.

     


    Olivier Rieter is historicus. Hij promoveerde in 2018 op onderzoek naar nostalgie. Hij publiceerde onder meer in Neerlandia, Pictures Science , Volkskunde en de reeks AO-boekjes en werkt aan een roman over het schemergebied tussen nostalgie en trauma.

     

     

     

    Literatuur

    1. Benjamin, Kinderjaren in Berlijn rond 1900 (vertaling H. Driessen, 2015)
    2. Benjamin, The Arcades Project (1999)
    3. Boscagli en E. Duffy, Joyce, Benjamin and magical urbanity (2011)
    4. During, Modern Enchantments: The Cultural Power of Secular Magic(2002)
    5. McBride, The chatter of the visible: montage and narrative in Weimar Germany (2016)
    6. Eiland, W. Jennings. Walter Benjamin a critical life (2014)
    7. Hamilton, Walter Benjamin’s Berliner Kindheit um 1900: Longing, Enchantment and the Material Subject’ in Journal Life writing 15 (2018), 369-383
    8. Martens, The promise of memory: childhood memory and its objects in literary modernism (2011)
    9. Tiedemann, ‘Dialectics at a standstill’ uitleiding in W. Benjamin, The Arcades Project (1999)
    10. Whybrow, Street scenes, Brecht, Benjamin and Berlin (2004)

    https://plato.stanford.edu/entries/benjamin/

     

  • Een huiveringwekkend, aangrijpend sprookje

    Een huiveringwekkend, aangrijpend sprookje

    Bijtijds leerde ik me te vermommen in woorden, die eigenlijk wolken waren’.

    Naar Parijs gevlucht voor de Nazi’s had Walter Benjamin er tussen 1932 en 1938 behoefte aan zijn kinderjaren in Berlijn te boekstaven, niet zozeer, zoals hijzelf zegt, om autobiografische redenen als wel om filosofische. Hij begreep dat het afscheid van zijn geboortestad Berlijn wel eens definitief zou kunnen zijn en besloot in ruim dertig korte schetsen literair vorm te geven aan deze herinneringen. Hij probeert ‘de beelden te pakken te krijgen waarin de ervaring van de metropool haar neerslag vindt in een kind uit de burgerlijke klasse’, beelden vervat in titels als ‘Loggia’s’, ‘De Telefoon’, ‘Tiergarten’ en ‘Verstopplaatsen’. Hij wil laten zien ‘hoezeer degene van wie hier sprake is (hijzelf), later de geborgenheid miste die zijn kinderjaren eigen was geweest’.

    Hoewel hij een te sterke biografische invalshoek tracht te vermijden door nergens beschrijvingen te geven van de fysionomieën van zijn gezinsleden en vrienden, ontkomt hij toch niet aan duidelijk autobiografische notities van een somtijds schrijnend karakter zoals in het verhaal ‘Overlijdensbericht’. Daarin vertelt hij hoe zijn vader hem op een keer – hij was een jaar of vijf – welterusten kwam wensen en hem, vrij gedetailleerd, vertelde van het overlijden van een neef, met wie hij weinig ophad. De kleine Walter luisterde nauwelijks, maar prentte zich wel zijn kamer in. Hij besluit: ‘Mijn vader was binnengekomen om niet alleen te zijn. Maar hij zocht mijn kamer op en niet mij. De twee konden geen derde gebruiken.’  Hierin zie je ook een van de stilistische instrumenten die Walter Benjamin hanteert om in zijn verhalen aansluiting te zoeken bij het magische wereldbeeld van het kind, nl. het als individu opvoeren van voorwerpen en verschijnselen uit de omgeving van het kind, in dit geval dus de kamer. Dit levert een soms huiveringwekkend indringend beeld op, bijvoorbeeld in het verhaal ‘Ongelukken en misdaden’. Daarin schrijft hij: ‘Ook het kanaal, waarin het water zo donker en langzaam stroomde, als stond het op vertrouwelijke voet met alle treurnis, hield me telkens aan het lijntje. Tevergeefs was elk van zijn vele bruggen door middel van een reddingsboei verloofd met de dood.’  Dit zegt veel over de stemming van Walter Benjamin in Parijs.

    Zelf zegt hij zijn herinneringen te zien als een sprookje en daarin heeft hij eigenlijk wel gelijk, maar dan wel een sprookje van Grimm of, beter nog, van Winsor McCay in zijn psychoanalytische strip Little Nemo in Slumberland. Het psychoanalytische karakter van De kinderjaren sluit natuurlijk nauw aan bij de tijdgeest, waarin de denkbeelden van Freud en Jung, maar voor wat betreft Walter Benjamin, vooral Lacan een grote populariteit genoten.

    In het eerste verhaal, de ‘Loggia’s’, geeft hij eigenlijk zijn credo af: ‘Zoals een moeder die het pasgeboren kind aan haar borst legt zonder het te wekken, gaat het leven lange tijd om met de nog tere herinneringen aan de kinderjaren. Niets sterkte die van mij inniger dan de blik op binnenplaatsen met hun donkere loggia’s. Een daarvan [..] was voor mij de wieg waarin de stad de nieuwe burger legde. Het kwam voor dat de kariatiden die de loggia van de volgende verdieping droegen, hun plaats voor een moment verlaten hadden om aan deze wieg een lied te zingen dat weinig bevatte van wat mij later te wachten stond, …’, om even later droefgeestig te vervolgen: ‘Dat komt ook door de troost die van hun onbewoonbaarheid uitgaat voor iemand die zelf niet echt tot wonen komt.’ Het is ook een filosofisch sprookje: ‘De tijd verouderde in deze schaduwrijke ruimtes die op de binnenplaats uitkeken. En juist daarom was de morgen, als ik er in onze loggia op stuitte, al zo lang morgen dat hij meer op zichzelf leek dan waar dan ook. Nooit kon ik hier op hem wachten; altijd wachtte hij al op mij. Hij was er allang, alsof hij al over zijn hoogtepunt was, toen ik hem daar eindelijk opsnorde.’  En een melancholisch sprookje als de kleine Walter in de winter met een boek in zijn hand bij het raam staat te kijken naar de sneeuwjachten buiten: ‘De verre landen die me in die verhalen bezochten (Uit: Jongensboeken), speelden vertrouwelijk als vlokken om elkaar heen. En aangezien de verte als het sneeuwt niet meer naar de wijde wereld leidt, maar naar het binnenste, lagen Babylon en Bagdad, Akko en Alaska, Tromsö en Transvaal in mijn binnenste. De aangename lucht van de dikke pil, waarvan ze doordrongen waren, bracht ze door middel van bloedvergieten en gevaren zo onweerstaanbaar in de gunst van mijn hart, dat het de beduimelde boeken voor eeuwig trouw bleef.’ Maar ook een nachtmerrie vol horrorbeelden zoals in ‘De maan’: ‘Dan viel ik in slaap. Het maanlicht trok zich langzaam terug uit mijn kamer. En vaak lag die al in het donker als ik een tweede of derde keer wakker werd. De hand moest als eerste moed vatten om over de grafrand van de slaap te duiken, waar hij beschutting had gevonden voor de droom. Als dan het nachtlichtje hem en mij al flakkerend had gerustgesteld, bleek dat van de wereld niets meer restte dan een enkele verstokte vraag. Die luidde: waarom is er iets op de wereld, waarom is de wereld er? Tot mijn verbazing moest ik constateren dat de wereld niets bevatte wat me noodzaakte haar te denken. Haar niet-zijn zou me volstrekt niet problematischer hebben geleken dan haar zijn, dat het niet-zijn een knipoogje leek te geven.’

    Vertaler Hans Driessen heeft met deze geheel nieuwe uitgave van De kinderjaren, op basis van het in 1981 in Parijs teruggevonden typoscript van de ‘Ausgabe aus letzter Hand’ (= een soort laatste wilsverklaring), een prestatie van formaat geleverd. De kinderjaren van Walter Benjamin behoren juist door de ‘sprookjesachtige’ benadering tot de meest huiveringwekkende, aangrijpende en altijd trefzekere ‘Kinderjaren’ in zijn soort. De goed gekozen foto’s uit het Berlijn van weleer, vormen een passende aanvulling op de tekst.

    Kinderjaren in Berlijn rond 1900

    Auteur: Walter Benjamin
    Vertaald door: Hans Driessen
    Verschenen bij: Uitgeverij Vantilt
    Aantal pagina’s: 112
    Prijs: € 17,50