• Kunsterzieher

    Kunsterzieher

    ‘Plaats 40, met de voorkant van uw camper in de richting van het pad,’ zegt de man achter de receptie. Alhoewel ik hier te gast ben, klinkt het als een opdracht. Even later sta ik in een rij enorme campers met namen van vliegtuigen zoals Concorde en AeroCar. Het is druk in deze zachte decemberweek. Achterop de helwitte camper tegenover mij lees ik ‘Wohnmobil United, Friedrichsdorf.’ United, ik krijg gelijk een hekel aan dat woord.
    Als gevolg van ‘alle neuzen in de richting van het pad’, zitten de deuropeningen van de campers allemaal aan dezelfde kant met daarvoor een stukje grond met uitklaptafel en twee stoelen met verstelbare rugleuning. Ik voel me figurant voor een reclamefoto van de Kampeerkampioen.

    Op de weg achter de dijk naar deze camping in Norddeich bewijst het uithangbord met ‘Kartoffeln Hollandaise’ dat ik nog steeds in Ostfriesland ben. De Nederlanders hielpen hier met het bouwen van de dijken.
    Vanaf de haven kan je met de veerboot naar het eiland Norderey, maar de drukte daar kan ik ook op Scheveningen of in Zandvoort vinden. Daarom kies ik in dezelfde haven voor het eiland Just. Just komt van ‘gust’, dat onvruchtbaar betekent. Ooit liep dat eiland bij vloed onder water.
    Ik hou van veerboothavens. Grote lege oppervlakten en veel restruimten. Overal hekken die op de meeste tijden van de dag geen functie hebben. Even verderop een bus zonder chauffeur bij een verloren halte. Naar Just vertrekken maar twee boten per dag, niet langer dan een uur na hoogwater. Die beperkte bereikbaarheid geeft me een aangenaam gevoel.

     

     

    Op de boot is het rustig. Voordat we aanmeren bij de haven van het eiland klinkt er accordeonmuziek door de speakers. Bij uitstek reismuziek, de weemoed van afscheid nemen en vertrekken. Er staan paard-en-wagens klaar, dat is hier het openbaar vervoer. Ook voor het ophalen van vuilnis en andere publieke functies rijdt er de paard-en-wagen. De loodgieter passeert me op zijn fiets met een karretje erachter. Het is heerlijk om hier op straat te lopen, je hoeft nauwelijks op het verkeer te letten. Het tempo is uit het einde van de 19eeeuw, lijkt het. Het stadhuis was toen een badhuis, ‘Warme Seebäder’ staat er op de gevel.
    Geen nieuwe rijken, geen protserige huizen. Alles is hier rustig en gewoon. Op het stille brede strand zijn er – met mijzelf meegeteld – twee wandelaars. Alleen het Kurhaus imponeert. Bij een school spelen kinderen in de duinen.

    Op het Friedhof, in een duinpan aan de oostkant van het eiland, sta ik bij het graf van Fritz Hafner. Fritz was Kunsterzieher lees ik op een bordje. De gemeente onderhoudt zijn graf. Wellicht als compensatie voor een besluit uit 1934, vanaf dat jaar werd om politieke redenen zijn Kunsterziehung verboden. Ik ga zitten op een bankje en zoek via mijn telefoon Fritz Hafner op. Hij was beeldend kunstenaar en richtte op dit eiland ‘die Schule am Meer’ op. Ik ben net langs het enige schoolgebouw gefietst. Hij was daar Kunsterzieher en leraar Kennis der Natuur. Het Ostfriesche landschap was zijn inspiratiebron. Hij leerde kinderen kijken, gaf lessen in de duinen en liet hen zien dat ook in de allerkleinste plant de mooiste vormen zichtbaar zijn. Totdat Duitsland veranderde. De school moest sluiten.
    Later ging hij weer schilderen en streefde daarbij, net als hij de kinderen dat leerde, ‘der winzig kleine Wahrheit’ vorm te geven.
    Ik raak met mijn hand, bij wijze van groet, zijn graf aan en kijk naar het bankje achter mij. Het is net geschilderd. Op de rugleuning een koperkleurig bordje. ‘Mors certa – hora incerta’ lees ik. De dood is zeker, het uur onzeker. Mijn boot vertrekt over een kwartier.

     


    Hans Muiderman bezoekt graag de eilanden en de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

    foto strand: Anneke van Kroonenburg

  • Pseudo-stad

    Pseudo-stad

    Ezumazijl-Ostmahorn

    In het woonhuis achter de dijk bij Ezumazijl is iemand jarig. Ik fiets er langs en kijk naar binnen. Mensen zitten in een kring rechtop zoals ooit mijn ooms en tantes bij de verjaardag van mijn moeder. Ik zette graag de stoelen in een kring.
    Naast het huis, aan de andere kant van de sluis, een gebouw van het gemaal. Voorname hoge ramen, de sfeer van Berlage, het zou een school kunnen zijn. Aan de voorkant kijk ik door een raam naar binnen en zie een houten trap.
    Een kerkje dat kan ook. Die sfeer heeft het, de trap zou naar een kansel kunnen leiden. Misschien is in het huis hiernaast geen feestje. Het is zondag, kwart over twaalf, de dominee is op bezoek. Het was een mooie preek, zegt iemand, terwijl hij in zijn koffie roert.
    Bij een hoog raam van het gemaal ga ik op mijn tenen staan. Enorme koperen bollen, armaturen, buizen, schoepen. Indrukwekkend. Krachtig en toch stil. Dongerdielen heet het gemaal, het pad waaraan het ligt is Esonbuorren.
    Eson, dat woord heb ik meer gehoord. Ik google op mijn telefoon. ‘Esonstad’*) lees ik. En daaronder: ‘Een Oudfriese woning of een terpwoning aan het water? De keuze is aan u.’
    Hiervandaan een kwartiertje fietsen over de dijk. Niets is er leuker dan reizen zonder plan.

     

    Ik weet niet wat ik zie. Ja, ik bedoel het letterlijk: ik weet niet wat ik zie. Het is net Madurodam. Alles lijkt namaak, ook de jonge bomen op het plein. In de verte beweegt er iets, een man, het lijkt een poppetje van Playmobil. Het (‘Hij’ vind ik hier niet passen) legt zijn jack neer op de kade en gaat zitten in de zon. Vanaf de hoge dijk kijk ik naar Esonstad.
    Buiten de dijk, aan het Lauwersmeer, ligt een klein restaurant ‘Het mootje vis.’ Een zwarthouten huisje, rode dakpannen, de sfeer van vroeger. Het kleine restaurant is echt.
    Maar als ik weer het land inkijk zie ik een bouwplaat waarmee je als kind kastelen bouwde met huizen erom heen. Lege straten, trapgevels en zadeldaken, achter de gevels is er niks. Nou ja, een uitvergroot poppenhuis van Ikea.
    De paar mensen die hier bewegen over straat, lijken dansers uit een choreografie van Pina Bausch. Tijdens de repetities zei ze: communiceer niet met elkaar, niet in gebaar, klank of houding. Laat zien hoe het voelt alleen te zijn.

    Esonstad is een Landalpark. Er gaan hier mensen op vakantie. Ze komen door de stadspoort aan, met onder aan de muur oude namaakstenen en namaak-kapot voegwerk. In 2005 legde hier gedeputeerde Andriessen de eerste steen.  Ik vraag me af of die Andriessen zelf ook namaak was.
    Op het terras, ook weer zo’n vreemd leeg plein, vraagt een man aan de serveerster: Is dit ook bedoeld voor mensen of alleen voor de verhuur?

    Ik snel de dijk op. Tweehonderd meter verderop loopt bij caféterras  ‘De Gouden Stek’ een groep wielrenners naar binnen. Zwart shirt en broek, ‘Concordia Bouwsteigers’ lees ik op hun achterwerk. Op deze zachte novemberdag is het hier druk. De serveerster rent af en aan, ‘een ogenblikje ik kom zo bij u, ze zetten nooit de tafels terug’. Een vader troost een huilend kind.

     

    *) In de onlangs verschenen Bosatlas van de Wadden wordt op de kaart ‘Verdronken dorpen’ Ezonstad vermeld. Volgens de verhalen zou de stad in de 4eeeuw zijn gebouwd.


    Hans Muiderman bezoekt graag de eilanden en de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg

  • Taal – Het Bildt

    Taal – Het Bildt

    Geke Postma-Postma heeft het Bildts dictee gewonnen, herinner ik me terwijl ik vanaf de Oude Bildtsedijk het land in kijk. Rechts een enorm gebouw met sierlijke letters op de gevel: ‘Openbaar Lager Onderwijs Anno 1898’. Wellicht leerden daar de kinderen het Bildts. Of juist niet, dat kan ook, wat je spreekt hoef je niet meer te leren. Geke had één fout. Haar naam is gegraveerd in de wisselbeker. Het eerste Bildts dictee was in 2017.
    De aandacht voor de Bildtse taal – de mensen die hier wonen heten Bilkerts – is plotseling toegenomen. Oude en Nieuwe Bildtzijl zijn verdwenen. Niet van de kaart natuurlijk en het blauwe naambord met witte letters, aan het begin van de dijk, blijft ook bestaan. Maar ze zijn gefuseerd met andere gemeenten. Gemeente Waadhoeke heet het nu. Hoek bij het wad, een mooie naam voor deze plek.

    De samenleving wordt groter en globaler en bijna als vanzelf vraag je je dan af hoe het kleine blijft bestaan.
    Waar een Bildts dictee is, wordt ook een Bildts woordenboek gebruikt. Jonge mensen app-en in het Bildts en er is een Bildtse krant met een hoofdredacteur die aanvankelijk een loopbaan bij de NRC of Volkskrant voor zich zag. Maar toen zijn grootvader stierf (de hoofdredacteur tot dat moment), nam hij uit volle overtuiging het stokje over.

    ‘Die taal maakt wie ik ben,’ zegt een oudere man. We staan op de brug over de sluis uit 1505. Hij neemt me mee naar een woonhuis – ooit een kerkje vermoed ik – en wijst naar een tekst op de gevel. ‘Zijt daders des woords en niet alleen hoorders’. ‘Dat nemen we hier letterlijk, meneer,’ zegt hij met een knipoog. Een vader en zoon rijden met een steekkarretje een wasmachine de dijk af, de zoon betrekt een huisje onderaan de dijk. Een ribcord fauteuil blijft verweesd achter op de aanhangwagen.
    De oudere man is me gevolgd. ‘Het is niet zomaar uit te leggen, meneer, u komt uit de grote stad, dat zie ik zo. Maar de taal is mijn landschap, mijn gebied. Daar hou je van, net als van je vrouw en kind. Da’s niet uit te leggen, da’s gevoel.’ Hij kijkt even weg.
    ‘Je woont niet in Het Bildt meneer, maar op Het Bildt. Dat hebben we te danken aan de slikwerkers.’

    Het woord Bildt is ontstaan uit opgetild, opgebild worden door slik uit zee. Die werkers kwamen uit alle streken en wat ze samen maakten was niet alleen nieuw land, maar ook een nieuwe taal. Een mengtaal. Als je die niet spreekt ben je geen echte Bilkert.
    ‘En weet u meneer,’ zegt hij terwijl ik in mijn camper stap,’ zonder de slikwerkers hadden wij hier niet bestaan en hadden er nu geen zesduizend Bilkerts gewoond. Dat moet u onthouden, meneer, dat moet u opschrijven in dat boekje.’
    Er hangt een lage mist. Voor mijn camper langs lopen twee jonge stellen met rolkoffers.
    ‘Niet tegen te houden, Airbnb,’ mompelt de man.
    Ik sluit het portier, doe het raam open en steek mijn hand op om hem te bedanken. ‘Vergeet dat monument niet, meneer, ter herinnering aan die slikwerkers. Hier gewoon rechtdoor en aan het einde links, en dan als maar, als maar rechtdoor.’

    In 1505 begonnen achthonderd slikwerkers hier te bouwen, ze groeven vaarten en legden wegen aan in een patroon dat gebaseerd was op de idealen van de Renaissance. Elk menselijk werkstuk of het nu een schilderij betrof of de inrichting van een stuk land moest voldoen ‘aan normen van gelijkmatigheid, symmetrie en harmonie, die gelijk richtsnoer waren voor het menselijk handelen.’ Het Bildt was het eerste grote polderwerk in Nederland waarbij dit nieuwe denken zichtbaar werd.
    Mooie woorden. De mist trekt op.

    Ik heb wel een uur op de dijk gestaan en gelopen, ik overdrijf niet. Uitkijkend over de Waddenzee en het terugtrekkende water. Het landschap laat je als vanzelf mediteren. In een langzame slingerbeweging gaat een geul de zee in. Dé geul, moet ik zeggen, want vanaf de 16eeeuw tot aan 1948 vertrok hier de boot naar Ameland.
    Een slikwerker in brons van kunstenaar Frans Ram staat onderaan de dijk. Eeuwen hebben ze hier gewerkt. Ik lees de tekst op de sokkel. ‘I hemne wel ’n standbeeld ferdiend.’

     

     

    Deze maand verscheen: Ofskaid en útsicht door Hein Jaap Hilarides bij uitgeverij Louise.
    Prijs: € 15,00


    Hans Muiderman bezoekt graag de eilanden en de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

    foto: Anneke van Kroonenburg

     

     

  • Voor anker

    Voor anker

    Het moet een drukke internationale plek zijn geweest in Denemarken, een echte haven met daaromheen kroegen en op straat zeelui en de vrouwen van lichte zeden. Als het een plek van de zonde was, zou er ook wel een plek voor vergeving zijn. Er moet nog een kerk staan. Hviding, lees ik op een oude landkaart. Het was in de middeleeuwen een van de belangrijkste havenplaatsen van Ribe, de oudste stad in Denemarken. Daar staat mijn camper, het is dan nog geen vijftien kilometer fietsen, schat ik.

    Maar de plaatsnaam Hviding is misleidend, na een fietstocht met flinke tegenwind kom ik terecht in de gemeente Egebaek-Hviding. Lange straten met goedkope vakantiewoningen kruisen elkaar. Het is opvallend stil. Niets doet denken aan een plek van levendige handel. Ik ben teveel landinwaarts gereden, moet meer in de richting van de zee.
    Ik vraag de weg. Behulpzaam maar onzeker legt een vrouw mij uit dat ik eerst helemaal rechtdoor moet en dan helemaal rechtsaf en dan weer helemaal rechtdoor. Na drie kwartier, vaak staand op de trappers om een kerktoren in het landschap te kunnen zien, spreek ik een hardloper aan. Buiten adem zegt hij dat het nog wel even fietsen is, tussen Råhede en Enderup moet u linksaf. Råhede, Enderup, repeteer ik. Ze zullen toch niet de grote kerk van Vester Vedsted bedoelen? Dat is ‘m zeker niet. Ik weet niet hoe het eruit ziet wat ik zoek. Misschien een kapel, denk ik.

    En ineens, toch nog onverwacht, alsof het verstoppertje met me speelde, zie ik een kerkdak. Het is moeilijk de afstand in te schatten, om te beoordelen of de kerk dichtbij is of ver weg. (Misschien heeft juist daardoor dit beeld zoveel indruk op me gemaakt, omdat ik niet wist of die kerk groot of klein was). Een kwartier later fiets ik door een straat die Gammle (=oude) Hviding heet. Ik sla links af. En daar staat de kerk, sterk en eenzaam. Ooit had ze twee torens die je vanaf zee kon zien.
    Op het kerkhof rond de kerk zuigt een tuinman met een apparaat met brede buizen de blaadjes aan de randen van de graven op. Hij doet het met overgave, kijkt niet op of om. Met oordopjes vanaf zijn smartphone luistert hij naar muziek. Je zou op deze plek ‘Erbarme dich’ van Bach verwachten maar als ik naar het ritme van zijn hoofdbewegingen kijk, is het meer in de trant van ‘I love you in the morning, I love you in the evening’ met bijbehorende beat.
    Maar helaas, de kerk is gesloten. Op een stenen bank schrijf ik in mijn notitieboekje ‘het gaat niet om het doel, maar om de weg er naar toe.’ Wat een cliché, ik zit hier een beetje voor boeddhist te spelen alleen maar om mezelf te troosten dat ik niet naar binnen kan.

    Een auto stopt. Drie Deense vrouwen stappen uit en lopen rechtstreeks naar een graf. Ze lijken op elkaar, misschien zijn het drie zussen. De tuinman heeft zijn machine uitgezet. Het valt me op dat ik alleen het ruisen van de bomen hoor. Ik kan naar binnen, de tuinman heeft de deur geopend voor de Deense vrouwen.
    Eeuwen stap ik terug in de tijd. Prachtig grijsgroen geschilderde kerkbanken met deurtjes en houten klossen om ze te sluiten. Ik ga zitten. Direct naast mij op de muur een ontroerend naïeve fresco van een kogge. In de 13eeeuw werd die hier getekend. Vanaf deze plek kon je de Noordzee op, het Kanaal door in de richting van het Romeinse Rijk. Maar deze boot hier naast mij is niet vertrokken. Hij is juist veilig aangekomen, zie ik. Het zeil is opgehaald, het roer staat recht. Het anker uitgeworpen in Gods haven.
    De Deense vrouwen schuifelen weer naar buiten. De tuinman kucht en steekt alvast de sleutel in het slot.

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt eilanden en kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • De allerhoogste

    De allerhoogste

    Prachtig, prachtig Nederland. Kan ik zo een blog beginnen? Het is vroeg in de ochtend en er waait een koude wind. Ik sta op de hoek van het Underom in Hegebeintum. Vanuit een laag perspectief kijk ik naar een kerk. Zo’n steile terp heb ik nog nooit gezien. Friesland is er trots op: de hoogste terp van Nederland, negen meter boven NAP. Het lijkt alsof de kerk uit de terp is gevormd. Zo steil is de zuidwand die bijna tot aan de kerkmuur is weggegraven.
    Mijn enthousiasme wordt ook veroorzaakt door het contrast van het silhouet van de kerk met een enorme caravan die vlak daarnaast (ook bovenop de terp) onder een afdak staat. De schoonheidspolitie van het landschap, als die bestonden, zou de caravan al lang verwijderd hebben. Maar juist de tegenstelling tussen lekker-op-vakantie-gaan en het dienen van de allerhoogste ontroert in dit verstilde landschap.

    Een paar uur later loop ik onder leiding van een gids het steile pad op. Hij vat de organisatie van het geloof van toentertijd eenvoudig samen: hoe meer men met de kerk te maken had, hoe meer geld je daaraan besteedde, des te groter de kans op een plaats in de hemel. De koude wind is gaan liggen.
    Bij slordige afgravingen, vertelt de gids, zijn hier doodskisten gevonden. Lichamen van mannen, zegt hij, gingen hun kist in met speerpunten en dobbelstenen en vrouwen met hun breipennen. Hij laat even een stilte vallen. Rolpatronen zijn van alle tijden. Ook zijn uitleg over de geschiedenis van het geloof is helder. Als we binnen in de kerk staan vat hij de Reformatie samen: wat nu de IS doet, deden toen de protestanten.

    Hij wijst naar de pilaren die het balkon met daarop het orgel steunen. Ze komen uit de Laurenskerk waarvan, in het platgebombardeerde Rotterdam, alleen de toren was blijven staan. Mijn grootvader, een Rotterdammer, trok me op zijn schoot en liet de foto zien in het midden van het boek Rotterdam brandt. Gods huis overleeft alles, zoiets zal hij gemompeld hebben. Elke keer als ik in Rotterdam logeerde, liet hij me die foto zien. De pilaar die ik nu aanraak, lag toen tussen het puin.

     

    De gids wijst op de schitterende rouwborden, laat het tafeltje zien waarop het opgehaalde muntgeld geteld werd. Hij wijst naar boven waar een stukje van een eeuwenoude fresco zichtbaar wordt.
    Ik moet denken aan de Fanefjordkirke op het eiland Møn in Denemarken. Een kerkje dat in dezelfde tijd (12e /13eeeuw) gebouwd werd als deze Nicolai-kerk in Hegebeintum. Ik schreef, toen ik daar die fresco’s zag: ‘In mijn gedachten hoor ik een stem van lang geleden, uit de tijd van voor de boekdrukkunst. De kerk zit vol mensen en de man vooraan vertelt. Priemend wijst hij met zijn vinger naar de afbeeldingen […]. Hij vertelt over hel, verdoemenis en de wonderbaarlijke visvangst. Iedereen kijkt omhoog en de hoofden draaien mee met het verhaal van de man.’*)
    Ooit waren de fresco’s dé manier van vertellen: de bijbel als een stripverhaal.

    In het groepje dat rondgeleid wordt, is een organist. Via een steil trappetje gaan we naar het orgel. Hij zet in: A toi la gloire van Händel. Een christelijk lied.
    En als ik terugloop, het steile pad af naar beneden, besef ik dat ik in dit eerste jaar van mijn waddenreis al voor de derde keer schrijf over het geloof. Met droge ogen beweer ik graag dat we de vrijheid van godsdienst moeten afschaffen omdat dit in onze grondwet via de vrijheid van meningsuiting is geregeld. Ik heb nooit geloofd zoals gelovigen dat doen, dus het afscheid van God ging bij mij als vanzelf. Maar nu, weer staand op de hoek bij het Underom, dringt zich een vraag op. Het zal toch niet zo zijn dat we met het ‘afschaffen’ van God ook alle rituelen en verhalen hebben weggegooid?

     

     

    *)
    Uit: Hanze! daar waar de reis naartoe gaat.

    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg
  • Ottoturm

    Ottoturm

    Zowel binnen- als buitendijks kan je fietsen naar Greetsiel. Waar je in deze streek ook naar binnenstapt, een café, een ijssalon of bibliotheek, altijd hangt er een kalender met een foto van de roodgele vuurtoren op de dijk bij Pilsum. En niet alleen op kalenders. Op stropdassen, wijzerplaten van polshorloges en op het briefpapier van de plaatselijke overheid. Nu ik vlakbij die toren sta, geen kunst maar kitsch, verbaas ik me over de drukte hier. Dat ding is ronduit lelijk. Ik fietste net buitendijks, genoot van de kleuren van de kwelders, dan weer groen grijs dan weer tinten geel, stopte bij een informatiebord, las dat dit een beschermd natuurgebied is en dat hier de ‘Strandaster mit ihre Untermieter’ goed gedijd. Het woord ‘Untermieter’ leidde me even af. Ik dacht aan ‘onderverhuur’, maar bedoeld wordt de kevers die zich tegoed doen aan de wortels van de aster.

    En ineens zie ik hem in de verte staan: de Ottoturm, genoemd naar de Duitse komiek Otto Waalkes die in deze streek zijn film Der Ausserfriesische maakte. In zijn aanwezigheid werd hier het eerste burgerlijk huwelijk gesloten.
    Jonge stelletjes maken selfies. Een moeder dirigeert, in een mengvorm van Duits en Turks, haar zoon en zijn vriendin in de richting van de toren. Zij gebaart en roept dat ze hun hoofden dichtbij elkaar moeten houden, voor de jongeman lijkt dit niet vanzelfsprekend. De Ottoturm precies achter hen. Ja, stilstaan nu, commandeert ze. Aan haar gebaren zie ik wie er straks in dat huwelijk de baas wordt.
    Direct daarna telefoneert het meisje, naar een vriendin vermoed ik, en vertelt opgewonden wat er zonet gebeurd is. Ooit ging je, ook in Duitsland denk ik,  naar het stadhuis voor ondertrouw, dat was al een klein feestje. Nu lijkt een foto bij de Ottoturm het wettige bewijs. Overigens is het hier niet altijd vreugde en geluk. In een aflevering van de krimi Tatort beroofde boven op de toren de hoofdverdachte zich van het leven.

    Het haventje van Greetsiel – wat is het druk hier, ‘Seniorenportion € 6,50’ lees ik op een bord bij een overvol restaurant – ligt prachtig aan een inham van een grote baai. In de verte de golvende bochten van de dijken. Tot aan de haven loopt een steile dijk waarop twee mannen vol overgave aan het werk zijn met een elektrische grasmaaier. De magere man die de grasmaaier duwt en trekt, beweegt zich springerig en nerveus, vergeet geen enkel stukje gras. Hij schreeuwt paniekerig tegen een forse man die met een dik touw voorkomt dat de grasmaaier uit zichzelf de dijk afrijdt. Een scene uit een film van Buster Keaton.

    Op de terugweg zie ik de kerk van Groothuusen liggen. Vanaf de provincie Groningen tot aan het noorden van de Baltische zee lijken de kerken op elkaar. Het interieur van deze kerk doet me denken aan die op het eiland Farö, waarachter de cineast Ingmar Bergman en zijn vrouw Ingrid begraven liggen.
    Een vrouw speelt op het orgel. Als ze stopt applaudisseer ik, ze draait zich om en vraagt waar ik vandaan kom. ‘Die Niederlände,’ roep ik. Ze steekt haar duim omhoog. ‘Mein mann ist auch ein Niederländer.’ Ze zegt dat ze nog niet perfect speelt en dat ze nu gaat oefenen op ‘Jesus bleibt meine Freude’ van Bach, dat wordt vaak gespeeld aan het begin van de dienst. Ze zet in. Ik herken het gelijk en neurie mee. Al voor de tweede keer op deze reis voel ik me thuis in een kerk.


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

    foto’s: Anneke van Kroonenburg

     

  • Op de dijk

    Op de dijk

    Wat doet een mens als hij mijmerend op de dijk zit. Hij telt de schepen, zoekt in de verte naar de plek waar het land ophoudt en het water begint. En of dat eiland een eiland is of een landtong. Of de schepen, zo ver weg zijn ze, naar het noorden of het zuiden varen, naar je toe of van je af. Of dat ze stil voor anker liggen. Het anker, ‘een eerlijk ruw stuk ijzer dat meer onderdelen telt dan het menselijk lichaam ledematen heeft,’ schreef Joseph Conrad.

    Je kijkt even weg van zee of sluit je ogen als spelletje met jezelf. Een minuut doe je dat, beslist niet langer. Je kijkt opnieuw naar de horizon en zoekt naar veranderingen in het beeld dat je je van zonet herinnert. Het schip met de twee zeilen is nu dichterbij. “‘Schip’ is vrouwelijk, een kapitein kan er smoorverliefd op zijn,’ zegt Conrad, ‘en het schip herkent de zwakte van haar man.’”

    En ineens hoor ik, ver weg in mijn gedachten: ‘Scheveningen drieënzestig, Scheveningen drieënzestig. Hoort u mij? Over.’ Het is midden in de nacht, ik ben een jaar of twaalf en heb die avond mijn eerste transistorradio afgebouwd. ‘Scheveningen drieënzestig, drieënzestig! We hebben niets van u vernomen. Over.’ Een echo uit een andere tijd. Er werden mij, op mijn kamertje vlakbij zee, geheimen van vermissing meegedeeld.

    Ik loop naar beneden waar mijn camper staat, op deze prachtige plek achter de dijk bij Upleward. Er wordt gewerkt. Vrachtwagens van de firma Berg rijden af en aan met zand. ‘Kann Berge versetzen’ staat erop de zijkant.

     

    Een groot gedeelte van mijn leven (ik heb bijna altijd op loopafstand van het strand gewoond) heb ik een dijk ervaren als een noodzakelijk kwaad dat mijn uitzicht in de weg stond. Nu besef ik, onverwacht, dat de dijk niet alleen een hindernis maar ook een symbool van verwachting is.

    Die avond zit ik er weer. Het silhouet van een wadloper steekt af tegen de spiegelende vlakte van het net niet droge wad. Een echtpaar komt naast mij zitten, zij maakt een selfie met achter haar de ondergaande zon, kijkt op haar telefoon, scrolt en swipet. Ze wijst naar mijn notitieboekje.

    ‘Mag ik u wat vragen?’ zegt ze. ‘Wat schrijft u op? Er gebeurt hier toch niks?’

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg

     

  • Einde van de dienst

    Einde van de dienst

    De dijk loopt af in de richting van de sluis bij Knock en onverwacht is die daar: de overkant. Ik zie de plek waar ik vandaan kom. Helemaal rechts het Eemshotel, voor mij de industrieterreinen van Delfzijl en links het gebouw van een gemaal. ‘Termunterzijl,’ roep ik. Er is hier niemand.
    De overkant is een vreemd ding. Horizonnen afturen en verlangen naar het onbekende. Maar nu sta ik aan die overkant. En ik kijk terug. Het brede water van de Eems lijkt nu veel smaller en ik herinner me – alsof het gisteren gebeurde – het gesprek met de kunstenaar bij Termunterzijl die me vertelde over prielen en inversiewegen, woorden die ik nog niet kende. Ik zie weer zijn alpinopet.*)
    Bij het terugkijken naar de kant waar je vandaan komt, speelt het geheugen met de werkelijkheid: het verkleint de afstand in ruimte en in tijd. Terwijl als je vooruit kijkt, naar het onbekende, lijkt alles traag en eindeloos.

    Ik pak mijn fiets en kies de eerste weg naar rechts, het land in. Jannes Ohlingstrasse heet het hier, de naam komt me bekend voor. Ik blader in mijn notitieboekje. Jannes ( 1904-1974) was een herenboer, veehouder, opperdijkgraaf en opperzijlrechter. Een baas over zichzelf, zeg maar. Hij wordt gezien als de kenner van de Ostfriese cultuur. Met het boekwerk Schutze des Deiches werd hij bekend.
    Aan de kant van de weg staan veel auto’s geparkeerd. Op een gemaaide strook land, meer dan een kilometer lang schat ik, wordt een balspel gespeeld. Ik ken het niet. Scheidsrechters met witte hesjes aan lopen met een meetlint rond. Er wordt onderhands gegooid, iemand met een hoed op houdt de puntentelling bij. In mijn beste Duits vraag ik hoe dit spel heet. ‘Hollandkugel’! roept een man en laat mij een papier met de puntentelling zien. ‘Hollandkugel’ staat er boven. Ik kijk verrast, de mensen lachen. Waar je op reis iets van jezelf herkent, voel je je thuis, schreef ik al eerder.
    Ik fiets verder richting Rysum, fietsers groeten me met ‘moin’.

    De kerken hebben open dag in Rysum. Bij de Evangelisch-Reformierte kerk, boven op de terp, speelt het orgel.

    Het is zondagochtend, ik loop naast mijn vader. Hoe oud was ik, een jaar of vijftien. Mijn zussen lopen achter mij. Waarom ga jij naar de kerk? vroeg hij. Ik moet verbijsterd zijn geweest en wat gestameld hebben. Omdat u gaat. Zoiets. Je hoeft alleen nog maar te gaan als je dat zelf wilt, zei hij. Zijn stem klonk streng. Na zijn vraag ging ik niet meer naar de kerk. Alles wat met calvinisme en godsdienst te maken had, bande ik uit mijn leven.
    Nu zit ik op een kerkbank tussen mensen met gereformeerde gezichten, ik herken daarin de familie van mijn vader en merk dat die gezichten me tegenstaan, maar ook – ik schrik ervan – dat ik me thuis voel.
    Dan gaat de organist voluit, alle registers open. Iedereen gaat staan. Ik ook, voor mij als kind was dit het verlossende signaal: het einde van de dienst.
    Ik stap weer op de fiets en mijmer, met rechts van mij de Waddenzee, dat je overal naar toe kan reizen maar niet ontsnapt aan wat je heeft gevormd.


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

    foto’s: Anneke van Kroonenburg

     

    *) zie blog Zoet en zout

     

     

  • Krimi

    Krimi

    Pogum – Bingum

    Is dat de eigenaar van deze camping? Grijs haar in een paardenstaart, zijn armen vol tatoeages. Ik hoor een groep motoren starten. Misschien vergis ik me.

    Daarnet, toen ik kwam aanrijden van Ditzum langs de dijk, voelde ik me thuis. Een uithangbord met ‘Holländische Möbel’ en op winkelruiten de namen Verbeek, Venema en Huizinga. Als fan van Kuifje kan je hier je hart ophalen: de bakker waar ik brood kocht heette Janssen en even verderop een café onder diezelfde naam. Bij de kerk van Gritzum een wit bordje met ‘Achter d‘ Kark.’ Nederlandse dijkenbouwers gingen hier ter kerke.
    Dit land lijkt één groot waterschap en wat bij ons een dijkgraaf is, heet hier een Oberdeichrichter. Elk ge- en verbodsbord langs de dijk, en dat zijn er vele, is door hem persoonlijk ondertekend met voornamen en achternaam.
    De streek hier heet Rheiderland. Een uur geleden keek ik bij Pogum op de dijk naar de Dollart, het enorme stuk wad lag droog en de Eems bij Emden aan de overkant was door de zeeklei weggedrukt tot een smalle vaargeul. Daarna was ik in Ditzum, het was daar druk en stil tegelijkertijd. Een havenstadje overvol met rustige oudere mensen die een visje aten en daarna kalm vertrokken op hun elektrische fiets.
    Je zou niet verwachten dat in deze streek de misdaad welig tiert. Als fictie weliswaar, maar toch. Je vraagt je af hoe je in deze polders een lijk moet verstoppen of moet vluchten, op die enorme vlaktes word je zo neergeknald.
    Mord in Ditzum, lees ik in een etalage, ‘ein Ostfrieslandkrimi, schlägt bei den Lesern ein wie ein Bombe.’ Toe maar. ‘Tod im Strandkorb, nu ook op dvd.’ Op een winkelruit een affiche: ‘Deichblut, ein Ostfrieslandkrimi von Sina Jorritsma.’ Het beeld van de affiche laat me niet los: een foto van een camping met links en rechts een keurig rijtje caravans en middenin het beeld, alsof die mijn kant uit schiet, een dikke bloedspetter. Deichblut, in vette rode letters.

     

    Ik kijk bij de camping opnieuw naar de man met de grijze paardenstaart, onopvallend natuurlijk. Vriendelijk knikken lijkt me het beste. Hij zwaait terloops met zijn arm, ‘nach hinten’ roept hij.
    Ik rij met mijn camper door een leeg park, Ems Marina heet het hier. Links was ooit een haven. Nu staan er verroeste meerpalen en een oude loopbrug hangt zonder doel boven de klei. Rechts een morsig chalet met stapels oude dakpannen daarvoor. Achter het sanitairgebouw zie ik een stukje groen.
    Ik zet mijn camper neer, even verderop stroomt de Eems. Voor mij staan wat zomerhuisjes, aan het zicht onttrokken door een variatie van schuttingen waaraan men ooit begonnen is te bouwen. Om het uur komt een jongeman aanrijden in een rood autootje. Hij gaat op een keukentrap staan bij de schutting van een huisje, hij tilt het dekzeil van een motorbootje op, kijkt om zich heen en slaat het zeil snel terug. Na een uur is hij er weer, hij herhaalt de handelingen, dat is nu al de vierde keer.
    In mijn halfslaap van die nacht wenkt de jongen mij, of ik mee wil kijken in zijn bootje. Wat ik zie is vreselijk luguber. Ik ben nu medeplichtig, daar helpt geen Oberdeichrichter meer aan. Morgenvroeg ga ik hier weg.


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

    foto’s: Anneke van Kroonenburg

     

  • Nabuurschap

    Nabuurschap

    Behalve het geluid van vogels en het roetsjen van mijn fietsbanden over de wildroosters is het stil. Ik ben nog niemand tegengekomen. De sluis van Nieuw Statenzijl torent uit boven de dijk, een slaand geluid van ijzer op ijzer waait mijn kant op. Ik zoek de grens met Duitsland. Op de kaart van de Nederlandse Fietsersbond heeft de cartograaf het water van de Dollard geheel tot Nederlands gebied verklaard: de getekende grenslijn loopt vlak langs de Duitse kust. In het boek Wadden, verhalend landschap met teksten van wetenschappers en journalisten staan andere kaarten. Ze stralen meer gezag uit. Daar is de stippellijn vanaf de mond van de rivier de Aa, de plek waar ik nu op uitkijk, recht omhoog naar Emden getekend. De Duitse Dollart heeft de vorm van een grote taartpunt.
    Het land aan de Duitse kant heet Rheiderland en is, tot zover ik kan kijken, strak gemaaid. Een glooiend voetbalveld waarop alleen de krijtlijnen ontbreken. Aan de Nederlandse kant is de natuur zijn gang gegaan, het hoge riet buigt voor de wind. Onderaan de dijk repareren twee mannen de haak van een aanhangwagen, knetterende lasvonken verwaaien. Het is voor het eerst vandaag dat ik stemmen hoor.

    Een uur later ben ik in Nieuweschans. In het centrum, voor zover dit stadje dat nog heeft, hangt bij café Reiderland (in het Nederlands schrijven we dat zonder ‘h’) het bordje Zimmer frei er wat verloren bij. Ik voel aan de deurkruk. Het café is nog gesloten. Even later drink ik koffie bij Bastion Plaza van de COOP. De architect van dit gebouw met nauwelijks ramen wil laten zien dat het hier ooit een vesting was.
    Onlangs is het woordje ‘Bad’ aan Nieuweschans toegevoegd. Zo hoopt kuuroord Fontana – er werd hier in de grond bronwater ontdekt – ook Duisters in het bad te krijgen. Welness moet ik dit alles noemen, maar ik heb een hekel aan dat woord.
    Via de Europaweg fiets ik het stadje uit op zoek naar een bordje Wilkommen in Deutschland of de resten van een smokkelpad. Als een weg Europaweg genoemd wordt moet een grens toch in de buurt zijn. Na een paar kilometer zie ik een ophaalbrug over een sloot.

     

    Noaberbrug, lees ik op een bordje. Het woord noaber is Twents, het is een tijdje uit geweest. Neighbour, noaber, nabuur het woord is nu weer in. Nabuurschap: je buren zijn als goede vrienden, daar zorg je voor.
    Ik fiets een stukje Duitsland in.
    Een man komt naast mij fietsen. Nieuwe fietshelm, gloednieuwe elektrische fiets en een scherpe vouw in zijn kaki-broek. Hij kijkt me met trots aan, zo fietst hij ook. Het nieuwe rijwiel heeft zijn actieradius enorm vergroot. Hij kan heel Europa aan, dat zie je zo.
    Bent Sie Niederlands?’ vraagt hij. Ik knik, wijs naar zijn fiets en steek mijn duim omhoog. ‘Noem mich Duits,’ zegt hij. Ik complimenteer hem met zijn Nederlands, hij schakelt een versnelling hoger en voordat ik het besef verdwijnt hij in de bocht.

    Aan het eind van de middag wil ik met mijn camper de grote weg oprijden richting Groningen, maar vanwege werkzaamheden is de oprit afgesloten. Gele borden leiden me richting Duitsland. Daar kan ik straks de eerste afslag nemen en weer terug.
    Onverwacht wordt de snelweg eenbaansweg, werkzaamheden zie ik niet. In file moet ik naar een parkeerplaats achter een benzinestation. In felgekleurde gele jacks staan daar de politie en de Polizei. Grenscontrole. Zelfs het open Duitsland kom je niet zomaar in. De wagen voor mij wordt eruit gepikt en met een dwingend armgebaar naar links gedirigeerd. Nog even en ook ons nabuurschap wordt bewaakt met een kalasjnikov.


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

    Het boek Wadden, verhalend landschap is uitgegeven bij Tirion Natuur.

    foto’s: Anneke van Kroonenburg

     

  • Zoet en zout

     


    Inversiewegen. Prielen. Die woorden hoor ik voor het eerst. De campingeigenaar is kunstenaar, inclusief alpinopet. Hij is in het westen geboren maar al zijn hele leven, zo zegt hij dat, Noord-Groninger. Hij vertelt me in hoog tempo over kleideeltjes, slikken, krekenstelsels en beddingen. ‘Zo ontstonden hier die prachtige kronkelweggetjes…’
    Ik ben geen geoloog, weet niet of ik hem goed begrijp en vergelijk zijn uitleg – dat geeft me wat houvast – met het ontstaan van mijn geboortestad Den Haag. Lange wegen die de stad van noord naar zuid doorsnijden ontstonden op duinranden. Daar bouwde je een hut, zo hield je droge voeten. De natuur bepaalde de structuur van de stad.

    Een uur later sta ik aan de Dollard op de Punt van Reide, als ik het land inkijk zie ik dijk na dijk na dijk. Eeuwenlang was het hier de mens tegen het water. De scheiding tussen land en water verschoof steeds meer naar het noorden, het mensenwerk was letterlijk grensverleggend. Als je er doorheen fietst lees je de jaarringen van Noord-Nederland, hoe dichter bij de kust hoe jonger. Met als sluitstuk de zeedijk, sinds 1991 op Deltahoogte.
    Maar toch, ik kijk nu vanaf de zeedijk uit op de Breebaartpolder. En wat ik zie is: water. Je zou toch maar de boer zijn of zijn kind die het hier in 1979 heeft drooggelegd met hulp van slecht betaalde slikwerkers. Je bent nog maar net klaar of iemand graaft achter je rug een gat in de dijk. Ineens sta je tot de knieën in het water. Terwijl ‘ze’ beloofd hadden dat juist buitendijks weer land gewonnen zou worden. Op de Punt van Reide zag je nog lange tijd de gaten in het landschap waar sluizen zouden komen. Maar dat plan voor landaanwinning werd afgeblazen.
    Voor de boer voelt water in de Breebaartpolder als verraad. Voor de bioloog een kans en met steun van Rijkswaterstaat stak die een gat in de dijk. In werkelijkheid een vlotter die er voor zorgt dat ook binnendijks de getijden terugkeerden.
    Ik kijk vanuit de hoge zeedijk nogmaals naar de polder. Water langs kronkelende beddingen met riet, vogels op eilandjes.

    In het informatiecentrum vertelt een man me over de gevaren van ‘die absolute grens tussen land en water.’ Hij wijst naar de dijk. ‘Een te sterke scheiding tussen zoet en zout betekende hier bijna het einde van de paling.’ De man komt dichtbij mij staan, als ik praat kijkt hij naar mijn mond. Zijn stem is luid, ik vermoed dat hij wat dovig is.
    ‘Die paling is eerst een aaltje dat vanuit de Sargossazee in de Golf van Mexico, met een duwtje in de rug van de Warme Golfstroom, hier naar toe komt.’ Hij wijst weer in de richting van de dijk. ‘Daar bij de Dallingweersterdijk is nu een vispassage. Het zijn twee buizen en een pomp, het zoete water stroomt naar buiten en lokt de aal naar binnen. Die wordt hier een volwassen vis. Zonder dat gat in de dijk, was er hier geen broodje paling meer te koop.’
    Hij praat zachter, alsof hij me in vertrouwen wil nemen. ‘Ik ben voor openheid meneer, openheid in de natuur. Ze komen van zesduizend kilometer ver, stelt u zich dat eens voor, dat komt hier aangezwommen. Je kan toch ons hele land niet dichtgooien met dijken alleen maar omdat je denkt dat het land wat je ooit zelf hebt gemaakt voor altijd van jou kan blijven?’


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

    foto’s: Anneke van Kroonenburg

     

  • Het graan, de republiek en het geld

    Het graan, de republiek en het geld

    ‘Weet u wat het is met dat boek?’ Hij heeft dik grijs haar en daaronder een knoestig gezicht. ‘Dat boek is te goed. Iedereen herinnert het zich als een mooi boek. Dat zei u toch ook daarnet? Maar weet u wat het is met De graanrepubliek? Een boek kan ook te mooi zijn, waardoor je vergeet hoe erg het was. De mensen hier waren arm, straat- en straatarm. En weet u hoe dat voelt?’

    Hij verwacht geen antwoord en gaat zitten op een bankje bij de Reiderhoeve, een informatiecentrum over dit gebied. Over de Dollard, de Wadden en de polders die een hoofdrol spelen in het boek van Frank Westerman. Hij draagt een schort, niet dat van een kok maar meer van iemand die vuil werk doet. Hij vertelt dat elke strook land die aanslibde voor de eigenaar was. ‘Rijkdom verkreeg je per opstrekkende meter, meneer, en dat waren heel wat meters.’ Hij glimlacht en overdenkt wat hij net gezegd heeft.

    ‘Het is niet zo mooi als het lijkt, meneer. De herenboeren, vaak hoogopgeleid, bij een aantal van hen heeft de klei nooit onder hun nagels gezeten, die dronken thee met hun pink in de hoogte en lieten huizen bouwen waar nu nog iedereen zich aan vergaapt.

    Schoonheid, noemen we dat. Maar wat mooi is, is misleidend. Dat zei ik al, geloof ik. En dan gingen een aantal herenboeren in het geniep op cursus en vervreemdden zich van waar ze vandaan kwamen. En weet u wat de stad was waar ze naartoe gingen om bij te leren? Moskou meneer, op vijfjaren-plannen-les, ja zo heette dat, bij Stalin gingen ze op les. Dat vinden we nu toch lichtelijk krankzinnig.’ De man veegt met de buitenkant van zijn hand zijn snor af.

    Ik moet denken aan een scène uit De graanrepubliek waarin Frank Westerman op bezoek gaat bij een zekere Koert. In 1970 werd die de eerste CPN-gedeputeerde in de provincie Groningen. Westerman staat voor zijn boekenkast. ‘Zoek je Das Kapital?’ vraag Koert. ‘Dat heb ik in het Duits. Het is mijn bijbel.’
    De man lijkt na te denken. Ik vertel hem dat ik onder de indruk ben van de lage horizonnen, de hoge luchten en de boomgroepen rond de hoeven. ‘U zei bomen, meneer? Elke boom moest weg. Ja echt, elke boom. Alleen die een praktisch nut hadden bleven staan. Wel handig bij dikke mist, je wist dat bij de derde boom jouw land begon.’

    We praten over de visserij. Dat wat hier nog aan visstand was door de aanleg van de Afsluitdijk in de war gegooid werd. ‘Niets dan armoede. Elke dag maar duwen tegen de slikslee om de vangst uit de netten te halen.’ De opkomst van Delfzijl werd de redding, veel mensen kregen een vaste baan. ‘Maar toen kwam de crisis, meneer. Fabrieken moesten sluiten, de werkloosheid spoot omhoog.’

    Onverwacht staat hij op. Met een armgebaar relativeert hij alles wat hij zonet gezegd heeft, lijkt het. Hij recht zijn rug. ‘Ja het is een mooi boek, meneer, een mooi boek.’ Hij wijst naar boven, daar is een uitkijkpost op het dak van het informatiecentrum. ‘Daarbinnen is een trap,’ zegt hij terwijl hij zijn handen aan zijn schort afveegt. ‘Daar kunt u rondkijken over het landschap, over die enorme ruimte. Het waait nu lekker, dan wuift het graan. Iets mooiers vind je niet.’

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

    foto’s: Anneke van Kroonenburg