• De sleutel

    De sleutel

    Ik lees graag over schrijvers, hoe ze het doen, of ze van wandelen houden bijvoorbeeld. Willem Brakman vertelde in de jaren tachtig in een interview dat hij gaat wandelen als hij vastzit met schrijven. Brakman schreef ondoorgrondelijke boeken. Dat wandelen maakte hem zo menselijk dat ik mij er nog eens aan waagde. De menselijke kant van een schrijver bepaalt hoe ik zijn werk lees. Elk menselijk gedrag brengt mij iets dichter bij de schrijver die ik wil zijn.

    Maar eerst dit. Ik zat in de trein naar Amsterdam. Er was een boekpresentatie aan het Haarlemmerplein. Het was er druk, gezellig. Het boek werd ten doop gehouden met muziek, wijn, hapjes, speeches, meer muziek.  Wacht, ik zit nog in de trein. Het was druk in de coupé, er kwam een vrouw naast me zitten met nog bredere heupen dan ikzelf. Ik was blij dat ik De Parelduiker bij me had. Het begon gelijk al goed. Met een artikel over W.G. Sebald. Als ik aan Sebald denk, denk ik aan hoe hij is omgekomen bij een auto ongeluk. Dramatische dingen vergeet ik niet. Hoe jong hij was.

    Reinjan Mulder heeft Sebald eens ontmoet, daar schrijft hij over in De Parelduiker. Een stuk waar je al lezend door het leven van Sebald, en dat van Mulder wandelt. De vader van Mulder had ooit een maisonnette in het zuidoosten van Engeland gekocht, bij Harwich, ze brachten er hun vakanties door. Ook Sebald verhuist vanuit Duitsland daarheen. Aanvankelijk kon Mulder niet zo goed uit de voeten met de boeken van Sebald, pas door De ringen van Saturnus, een beschrijving van het Britse kustlandschap, werd hij enthousiast. Als Mulder in 1995 ‘die ik traditiegetrouw weer in Engeland doorbreng’ is, gaat hij Sebald thuis opzoeken voor een interview, maar ook om ‘langs wat geliefde locaties uit het boek te gaan.’ De schrijver kennen, betekent zijn werk begrijpen.

    Terwijl ik ingeklemd zit tussen de dame naast mij en de harde wand van de trein, lees ik dat Mulder genoot van, ‘zijn prachtige, zangerige Duits’. Maar ook dat Sebald na anderhalf uur plots het interview stopt. En terwijl Sebald door de weilanden met zijn labrador ging wandelen, werd Mulder door zijn vrouw, die hem over de stemmingswisselingen van haar man sprak, naar het station van Norwich gebracht. Mulder schrijft: ‘Na dat voortijdig beëindigde bezoek heb ik nooit meer heel lang niet aan die wonderlijke man in Engeland met zijn wonderlijke boeken gedacht.’ En hoe hij schrok toen op 14 december 2001 Sebald op zevenenvijftigjarige leeftijd in zijn auto overleed aan een aneurysma. Geen verkeersongeluk dus, hoe hardnekkig de flapteksten dit ook blijven vermelden.

    Dat Mulder zijn liefde voor Sebald nooit verloren heeft getuige het feit dat hij na zijn dood nog een paar keer is teruggegaan naar ‘East Anglia, ook toen onze maisonnette al was verkocht’. Hij begon Sebalds boeken in de oorspronkelijke Duitse versies te verzamelen. ‘Kocht te hooi en te gras secundaire literatuur.’ En dan. Tien jaar na Sebalds overlijden hoort hij Patty Smith op een literatuurfestival ter ere van Sebald in Aldeburgh, het gedicht Nach der Natur van Sebald zingen. ‘de zangeres [vertelde] ons aan het ontbijt hoe ze door haar vriendin Susan Sontag op Sebalds werk was gewezen.’ Ik las het allemaal gretig weg daar in de trein.

    Na Utrecht begon ik aan ‘Stukjes van mezelf’, over de usb-sticks van Anton Valens (1964-2021) – nog zo’n schrijver die veel te jong is overleden – door Johannes van der Sluis. Over de stukken tekst, onaffe verhalen, aanzetten tot een verhaal die hij op de usb-sticks vindt, geïllustreerd met prachtig werk van Valens zelf.

    Na de boekpresentatie liep ik door de Buiten Oranjestraat naar de Haarlemmerhouttuinen, tot het punt waar mijn broer verongelukte. Als je schrijft over wie gestorven is, dan komen ze voor even weer terug. Thuis begon ik te bladeren in De wereld in 48 stukken het boek dat die middag ten doop was gehouden.

    Ik zocht op schrijversnamen in het register, stuitte op Paul Léautaud (p. 143). Waar ik lees, ‘Het was met deze kennis dat ik de werkkamer van Hillenius (ook al decennia dood) betrad, en het was met deze kennis dat ik de rij Léautaud-titels, de opgezette kiwi en de piano en vele andere zaken kon bekijken. (..) in zekere zin is de manier waarop Hillenius naar een omgeving kijkt de sleutel geworden waarmee ik reis.’ Waarmee ik meten iets te pakken heb over de schrijver, dit boek, al weet ik niet helemaal wat het is. Daarvoor zal ik eerst het voorwoord dat Tijs Goldschmidt schreef bij de verzamelbundel Ademgaten. Denken over dieren, van Hillenius lezen. En verder dwalen door dit boek, ontdekken waar die sleutel allemaal op past.

     

     

    De Parelduiker hier te besellen. De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep vind je hier


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Fotosynthese 15 – Op zoek naar een verborgen verleden

    Fotosynthese 15 – Op zoek naar een verborgen verleden

    Eén van de beelden uit mijn jeugd dat me is bijgebleven is het verschraalde hout van de knielbanken in onze kerk toen ik na een afwezigheid van enkele maanden in mijn geboortedorp terugkeerde. Ik verliet het dorp  voor het eerst op mijn twaalfde, een klein, in zichzelf gekeerd plaatsje in een katholiek landschap. De terugkeer in de herfstvakantie van mijn kostschool voelde vervreemdend. Alles was kleiner dan ik me herinnerde, de boerenerven, de school, de straten, de afstanden. In de kerk zag ik ineens dat het hout van de knielbanken verschraald was. Wat ik mij als glanzend gelakt herinnerde, was verdroogd en verweerd. Dat beeld van die kerkbanken komt terug als ik leegstaande oude huizen zie, het rottende hout, de scheef hangende deuren, een verweerde geschiedenis. Het overkomt me ook bij foto’s. 

    Toen er eind 2019 vier heruitgaven verschenen van het werk van W.G. Sebald met nieuwe omslagillustraties, pakte ik mijn exemplaar van Austerlitz uit de kast waarop de op mij dierbare stofomslag de kleine ‘Jacquot’ te zien is, gekleed voor een gemaskerd bal. Het boek viel open op pagina 215 en de daarop volgende pagina’s, waarop foto’s staan van dichtgetimmerde gevels en verrotte deuren. Als verwijzingen naar wat Jacques Austerlitz aantrof in zijn geboortedorp toen hij er na tientallen jaren terugkeerde, op zoek naar sporen van zijn kindertijd en zijn moeder.
    Eén van die foto’s deed me denken aan hoe Georges Perec zijn vroegste jeugd en zijn moeder zocht in de rue Vilin in Parijs. En plotseling drongen zich allerlei parallellen aan mij op tussen de verhalen van Perec en Austerlitz. 

    Joodse wortels

    Austerlitz kwam op zijn vierde jaar met een kindertransport vanuit Praag naar Engeland en werd opgevoed in een (streng) domineesgezin in Wales. Pas veel later in zijn leven, als hij zich afvraagt waar zijn achternaam vandaan komt, ontdekt hij dat zijn Joodse wortels in Praag liggen. In die stad op zoek naar het verleden van zijn vader en moeder en komt onder andere in het vestingstadje Terezín (Theresiënstadt). Hij beschrijft op indrukwekkende wijze de sfeer van het stadje: ‘het afwijzende karakter van de zwijgende gevels, waar achter de blinde ramen nergens een gordijn bewoog (…) Maar het luguberst vond ik de deuren en poorten van Terezín, die naar mijn gevoel allemaal de toegang versperden tot een duisternis waarin nog nooit iemand was doorgedrongen en waarin (…) niets anders meer bewoog dan de van de muren afbladderende kalk en en de spinnen die hun draden weefden’ (vertaling Ria van Hengel). Dat is een taal die de onbeschrijfelijke diepte van gemis onder woorden weet te brengen. Sebald doet dat niet alleen in woorden. Hij illustreert zijn boeken vaak met zelfgemaakte foto’s om zo dicht mogelijk bij de echtheid van wat hij beschrijft te komen. Daarmee benadrukkend dat we het verhaal achter de zwijgende gevels nooit ten diepste zullen kennen. 

    Jacques Austerlitz is een fictief personage, maar zijn verhaal is dat tot op zekere hoogte niet. Geïnspireerd door een documentaire uit 1991 over de Joodse Susi Bechhöfer, schreef Sebald Austerlitz. Susi en haar tweelingzus Lotte kwamen, drie jaar oud, in 1939 met een kindertransport vanuit München naar Cardiff, Engeland en werden opgenomen in een streng domineesgezin. Treffend detail is dat de zusjes en Sebald op dezelfde dag, 18 mei, jarig waren. Lotte overleed op haar tiende. Susi had een gruwelijke jeugd en mede daardoor ging ze pas laat op zoek naar haar afkomst. In 1996 verscheen van haar Rosa’s Child: The True Story of One Woman’s Quest for a Lost Mother and a Vanished Past. (Dat Sebald haar verhaal gebruikte zette overigens kwaad bloed bij Susi Bechhöfer).

    Huis aan de rue Vilin

    Georges Perec had geen fictie nodig om een dergelijke zoektocht te beschrijven, bij hem ging het om vaag bekende gegevens. Hij wist waar hij geboren was, en wie zijn (Pools-Joodse) ouders waren en toch was hij zijn afkomst kwijt. De in 1936 geboren Georges werd al vroeg wees. Zijn vader kwam om door een granaat in 1940. Toen de razzia’s tegen vooral buitenlandse  Joden in Parijs begonnen, werd Georges eind 1942 ondergebracht bij een oom en tante in Villard-de-Lans en kort daarna in een kindertehuis aldaar. Zijn moeder, een kapster, bleef achter in Parijs. Hij zou haar nooit meer zien. Op 2 februari 1943 werd ze op transport gezet naar waarschijnlijk Auschwitz. Georges was toen zeseneenhalf jaar. Die eerste zes jaar van zijn leven bracht hij grotendeels door in een huis aan de rue Vilin. In 1969 zou hij schrijven dat hij daaraan geen enkele herinnering heeft, ‘noch aan de plek, noch aan de gezichten’. 

    Het bracht hem ertoe in datzelfde jaar die straat op te zoeken om deze heel precies te beschrijven. Die exercitie herhaalde hij tot 1975 nog enkele keren. Het verslag daarvan (opgenomen in Ik ben geboren) laat in al zijn kaalheid zien hoe het verleden, dat hij niet kende, zich steeds verder verwijderde, de notities worden steeds korter.

    Weergave van de tragiek

    In 1969 schrijft hij (vertaling Rokus Hofstede), ‘Op nr 24 (het huis waar ik eens woonde), Eerst een gebouw met één verdieping en op de begane grond een deur (niet meer in gebruik), helemaal rondom nog verfsporen en erboven, nog niet helemaal uitgewist, is het opschrift ‘DAMESKAPSALON’ nog te lezen. 

    In 1970: ‘Op nr. 24 zit er op het binnenplaatsje een kat op een kolenbunker. Het opschrift DAMESKAPSALON is nog leesbaar.
    In 1971 : ‘Op nr. 24: dameskapsalon (niet de winkel, alleen het spoor van de op de muur geschilderde winkelnaam)’.
    In 1972: ’24 nog steeds intact’.
    In 1974: ‘Nrs 18 en 22 zijn hotel-cafés die nog overeind staan, net als nrs. 20 en 24’.
    In 1975 noteert Perec na zijn bezoek opnieuw maar één regel. Over nr 24 niets. Een weergave van de tragiek dat ook Perec in een poging dichterbij zijn kindertijd te komen, in de woorden van Sebald, ‘het afwijzende karakter van de zwijgende gevels’ ervaart.

    Ik heb mijn ouders – anders dan Jacques Austerlitz, Susi Bechhöfer en Georges Perec, tot aan hun dood gezien. Ik ken mijn afkomst. Ik mag mijn jeugd totaal niet vergelijken met de hunne. Toch is de verschraalde kerkbank een sleutel om de schrijnende verschijning van hun deuren en gevels beter te begrijpen als ‘versperde toegangen tot een duisternis’. 

     

    Afbeelding: Perec voor Rue Vilin 24 (Filmstill uit ‘Rencontres avec Georges Perec’| Archive INA)


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • Fotosynthese 14 – Campo santo

    Fotosynthese 14 – Campo santo

    klik op de foto om de achtergrond te zien

    Ik fotografeer graag deuren. Deze maakte ik niet omdat de Romaanse voorname sfeer me aansprak, maar vanwege de bordjes ‘verboden te parkeren’ en met name die op de smalle deur. Alsof de bewoner van dit pand twijfelde of hij met één verbodsbord wel duidelijk genoeg was. Beneden in het dal passeerde ik het bruggetje over een beek, daarna een wandeling op een vriendelijke kronkelweg en dan steil omhoog naar Vezelay. In de berm af en toe een aanduiding van een pelgrimsroute.

    Dit huis staat in het hoogste gedeelte van Vezelay, en op het bord links lezen we dat hier Adolphe Guillon gewoond heeft, ‘Le peintre de Vezelay’. Het chique bord met goudkleurige letters laat zien dat Guillon (1829-1895) geen gewone jongen was met alleen alpinopetje en een tekenblok. Hij is in dit huis gestorven, hij vond zijn dood bovenop de berg waarvan hij dagelijks het uitzicht schilderde. Hij had ook een atelier in Parijs, maakte vooral landschappen en zijn werk is voor een bescheiden prijs nu nog te koop op veilingen.

    Op zo’n veiling vind ik een klein schilderij met Napoleon. Guillon heeft hem geschilderd op een schip terwijl hij zijn steek afneemt, want hij staat pal in de wind. De lijnen zijn onzeker, wellicht een kopie van een bestaand werk. Misschien had de schilder wat met vechtersbazen, ooit begonnen de kruistochten hier in Vezelay met Richard I de Engelse koning voorop. Hij was bepaald geen doetje, vandaar zijn bijnaam Leeuwenhart. Maar ook de meer ingetogen pelgrimsgasten kwamen en komen hier, de abdijkerk vlakbij dit huis is de laatste verzamelplaats richting Santiago de Compostella. De eigenaar, of bouwer, van dit huis gaf ook deze plek iets heiligs mee. Il Campo Santo lezen we rechts op de pilaar.

    Campo Santo, de titel van een boek van de te vroeg gestorven W.G. Sebald. Hij stierf in december 2001 bij een verkeersongeluk, in het jaar dat zijn meesterwerk Austerlitz verschenen was. Campo Santo (2003) is een bundeling van prozastukken en essays, gedeeltelijk onaf en na zijn dood uitgegeven.
    De geschiedenis van Europa, de oorlog is altijd aanwezig in zijn werk. Je móet je herinneren lijkt hij te zeggen, als schrijver ben je tot herinneren verplicht. Om dit te benadrukken voegde hij vaak foto’s toe aan zijn werk. In Austerlitz zien we er tientallen, zwart-wit, soms onscherp. Oude foto’s die verwijzen naar plekken, gebouwen en personen uit het verleden. De geschiedenis van de werkelijkheid in een fictief verhaal.

    Kafka hield niet zo van foto’s, schrijft Sebald. Het leven in foto’s afbeelden vond hij ‘een beetje eng’. De fotograaf Thieberger herinnerde zich dat hij, met een logge kist voor fotografische vergrotingen onder zijn arm, Kafka op straat tegenkwam. ‘Fotografeert u?’ had Kafka hem verbaasd gevraagd en hij had eraan toegevoegd: ‘Dat is toch eigenlijk iets griezeligs.’ En na een korte pauze zei hij: ‘En u vergroot het nog ook!’

    Op de omslag van Campo Santo een uitzicht op een haventje in Corsica waar Sebald veel wandelde. Ik herinner me dat ik terug wandel vanaf het huis in Vezelay weer naar beneden langs het pelgrimspad, passeer het bruggetje over de beek, draai me om en bekijk de heuvel op zoek naar de plek waar ik daarnet stond. In het titelverhaal heeft Sebald het moeilijker bij het afdalen van de heuvel bij het dorp Piana.
    ‘…over dicht met groen kreupelhout begroeide, langs bijna loodrecht afgebroken rotsen daal ik af naar de bodem van een honderden meters diepe kloof.’ Toe maar, dan was mijn heuvel een makkie. En Sebalds wandeling eindigt bij een beek waarin het water ‘met spreekwoordelijk gemurmel dat mij uit een of ander grijs verleden vertrouwd is, omlaagstroomde…’

    Ook hij bezocht begraafplaatsen.
    Waarom bezoekt een mens onderweg, in een oord dat hij nauwelijks kent, een begraafplaats? Achter mij, in de kast van mijn werkkamer, staan zo’n veertig notitieboekjes die ik vol schreef tijdens mijn reizen. Ik weet zeker dat ik tientallen namen van doden heb genoteerd. Ik sla een boekje open en de hele familie Lont komt langs: Jan, Maartje, Corneel en Sietske, de oudste Lont geboren in 1814. Een paar pagina’s verder: Dr. Herman Scheier (1840-1917), in een ouder boekje vind ik Michaela Ott (1995-2003), ik herinner me een foto van haar die op het graf stond in Denemarken. Ze had een speldje in het haar dat een springende krul veroorzaakt.  Gek dat je dat onthoudt.

    Vreemd dat ik vaak ronddwaal op een kerkhof, tussen graven die op kleine bunkers lijken afgewisseld met bescheiden stenen in een standaardmaat en daarop een sepia-kleurige foto waarvan je niet weet of het portret altijd al deze tint had of dat het verkleurd is door de tijd.
    Ik noteer namen die alleen maar naam zijn, iets absoluuts hebben. Volmaakt zijn, in letterlijke zin, die een vage herinnering opwekken aan een tijd van ver voor de mijne. Dat gevoel van eeuwigheid is tegenovergesteld aan de tijdelijkheid van de naambordjes op het appartementengebouw waar ik woon.

    Namen die zelden verdwijnen omdat iemand gestorven is, maar gewoon vanwege een verhuizing, meestal weet je niet waar naartoe. En de lege plek wordt vervangen door een nieuwe naam. Het enige dat de sfeer van het verleden oproept zijn de twee groen uitgeslagen schroefjes die al een leven lang in en uit de naambordjes gedraaid worden.

     

     


    Foto: Hans Muiderman

    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • Oogst week 48 – 2019

    Duizelingen

    Voor de mensen die nog nooit kennis gemaakt hebben met het werk van de Duitse W.G. Sebald, is de recente heruitgave in een reeks van vier titels nu misschien aanleiding om dat te gaan doen. De reeks is verschenen in een opvallend en herkenbaar ontwerp door Moker Ontwerp.
    U kent misschien Austerlitz, het meest bekende boek van deze auteur, omdat u het gelezen of er toch op zijn minst van gehoord heeft. Deze nieuwe reeks moedigt aan om ook in de andere boeken van Sebald te duiken.
    De boeken van Sebald werden door Ria Hengel vertaald en verschijnen bij De Bezige Bij.

    De Duitse W.G. Sebald (1944-2001) was hoogleraar Duitse letterkunde aan de Universiteit van East Anglia. Belangrijk thema’s in zijn werk zijn de Tweede Wereldoorlog, emigranten en buitenstaanders, herinneringen en geheugen. Zijn boeken worden gekenmerkt door melancholie en weemoed en zijn vaak half fictief, voorzien van foto’s die de indruk wekken dat ze overeenkomen met de vertelde werkelijkheid, maar dat lang niet altijd doen.
    Bij uitzondering besteden we in deze Oogst aandacht aan vier boeken van één uitgeverij.

    Duizelingen was het debuut van Sebald. Het werd in het begin van de jaren 90 voor het eerst in Nederlandse vertaling bij Van Gennep uitgegeven onder de mooie titel Melancholische dwaalwegen.

    In Duizelingen (oorspronkelijk verschenen in 1990) maakt een naamloze verteller een reis door Europa, van Wenen naar Venetië, van Verona naar Riva en via de Alpen uiteindelijk naar zijn geboorteplaats, een klein dorpje in Beieren. De melancholische verteller reist niet alleen in het heden, maar ook in het verleden. Zijn hallucinaties, misselijkheid en angsten zijn symptomen die hem verbinden met vroegere reizigers als Stendhal en Kafka. De verteller spint een duizelingwekkend web van geschiedschrijving, biografie, autobiografie, legendes, literatuur en – het onbetrouwbaarst van allemaal – herinneringen.

     

    Duizelingen
    Auteur: W.G. Sebald
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij

    De emigrés

    De emigrés (1992) is een verhalenbundel waarin W.G. Sebald schrijft over een aantal migranten, de meesten van Duits-joodse afkomst en uit hun land verdreven, die heimwee hebben naar hun vaderland. Sebald zelf was ook een migrant, hij koos echter vrijwillig voor een leven buiten Duitsland.

    De hoofdpersonen in De emigrés vertrekken naar Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten, bouwen een geslaagd leven op maar worden op het eind van hun leven gekweld door heimwee naar hun jeugd. Tegelijkertijd realiseren zij zich dat het Duitsland uit hun jeugd niet meer bestaat en dat de nazi’s er een heel ander land van gemaakt hebben.

    Volgens de uitgeverij ‘schildert Sebald – in een oorspronkelijke literaire vorm, die misschien nog het best te omschrijven valt als documentaire fictie – een onvergetelijk portret van vergeten en verdwenen mensen.’

     

     

    De emigrés
    Auteur: W.G. Sebald
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij

    De ringen van Saturnus

    De ringen van Saturnus (1995) wordt het meest Engelse boek van Sebald genoemd. Daarin maakt een man een (denkbeeldige) wandeltocht door het graafschap Suffolk, een dunbevolkt gebied aan de Engelse oostkust dat getuigt van Engelands vergane glorie en vergankelijkheid. De omgeving leidt tot filosofische bespiegelingen over de mensen en culturen die hem voorgingen.
    De ringen van Saturnus houdt het midden tussen rapportage en fictie, autobiografie en geschiedschrijving.

    PatienceAfter Sebald (2012) van de Engelse regisseur Grant Gee is een filmische weergave van de melancholische sfeer van De ringen van Saturnus.

    De ringen van Saturnus
    Auteur: W.G. Sebald
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij

    Austerlitz

    Tot slot Austerlitz uit 2001, het jaar waarin de auteur als gevolg van een auto-ongeluk om het leven kwam. Austerlitz betekende Sebalds internationale doorbraak.
    Het vertelt het verhaal van een Duitse joodse jongen die in 1939 met een kindertransport, zonder zijn ouders, in Engeland aankomt en daar opgroeit bij een ongezellig en weinig warm domineesechtpaar.
    Hij voelt zich ontheemd. Als hij jaren later op zoek gaat naar zijn wortels, zijn naam, zijn familie en zijn vaderland, vindt hij wel iets maar helaas maar weinig.

     

    Austerlitz
    Auteur: W.G. Sebald
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij
  • Zoektocht naar zijn verleden levert charmant boek op

    Zoektocht naar zijn verleden levert charmant boek op

    Recensie door Rein Swart

    De intrigerende roman ‘Austerlitz’ van W.G. Sebald uit 2003 begint met een bezoek van de ik-figuur, een alter ego van de schrijver, aan de Zoo in Antwerpen in de tweede helft van de jaren zestig. De uilen die hij daar ziet doen hem denken aan de vorsende blikken ‘zoals je die wel aantreft bij bepaalde schilders en filosofen, die door middel van de zuivere waarneming en het zuivere denken trachten door te dringen in de duisternis die ons omringt.’ Daarna ontmoet hij, heel en passant, de mysterieuze Austerlitz in de wachtkamer van het station, die zeer geïnteresseerd blijkt te zijn in de architecturale waarde van het gebouw.

    Het verhaal loopt vanaf daar soepel aan één stuk door naar het ontrafelen van de geschiedenis van de schrandere Austerlitz, die als kleine jongen staat afgebeeld op de omslag als page van de rozenkoningin en die volgens de ik-figuur erg doet denken aan Wittgenstein.

    Austerlitz is geboren voor de oorlog rond 1935 en ontheemd geraakt. Hij werkt en woont lange tijd in Londen, maar ook in Parijs en voelt zich, net als de ik-figuur, nergens thuis. Er hangt een geheimzinnige waas over het boek, die luguber wordt als van het station in Antwerpen overgestapt wordt naar het fort Breendonk in België, waar gevangenen tijdens de tweede wereldoorlog op een gruwelijke manier aan hun einde kwamen.

    De ontmoetingen tussen de twee mannen komen met veel tussenkomst van tijd en vaak heel toevallig tot stand. Austerlitz begint altijd meteen te vertellen. De auteur voegt daarbij voor de duidelijkheid het tussenstukje, ‘zei Austerlitz’ aan de tekst toe, hetgeen soms een beetje veel wordt, bijvoorbeeld als Austerlitz na lange tijd en na lang zoeken Vera weer ontmoet, zijn vroegere buurvrouw en kindermeisje. ‘En zei Vera, zei Austerlitz, als we dan bij de bladzijde kwamen waarop stond dat de sneeuw tussen de takken van de bomen door dwarrelde en weldra de hele bosgrond bedekte, keek ik altijd naar haar op en dan vroeg ik: Maar als alles wit wordt, hoe weten de eekhoorntjes dan waar ze hun voorraad hebben verstopt?’ Het blijkt wel mogelijk om op die manier heel consequent een verhaal te vertellen.

    Behalve de zoektocht van Austerlitz naar zijn verleden en zijn naam kent het boek ook een filosofisch element, namelijk over de tijd, die Austerlitz als leugenachtig kwalificeert en niet minder willekeurig vindt dan bijvoorbeeld een berekening zou zijn die gebaseerd was op de groei van de bomen of de duur van het uiteenvallen van een stuk kalksteen.

    ‘Ik heb een klok altijd iets belachelijks gevonden, iets fundamenteel leugenachtigs, misschien wel omdat ik mij, vanuit een innerlijke drang die ik zelf nooit heb begrepen, altijd heb verzet tegen de macht van de tijd en mij buiten het zogenaamde ‘tijdgebeuren’ heb geplaatst, in de hoop, zoals ik nu denk, zei Austerlitz, dat de tijd niet voorbij gaat, niet voorbij is, dat ik erachter terug kan gaan, dat alles daar net zo is als eerst of, beter gezegd, dat alle momenten van de tijd tegelijk naast elkaar bestaan, beter gezegd, dat niets van wat de geschiedenis vertelt waar is, dat het gebeurde nog helemaal niet is gebeurd maar nu pas gebeurt, op het moment dat wij eraan denken, wat natuurlijk anderzijds het troosteloze vooruitzicht opent van een voortdurende ellende en een nooit eindigende pijn.’

    Ook in zijn eigen verleden kan hij wisselen van de ene tijdsperiode naar de andere, bijvoorbeeld als hij teruggaat naar het moment waarop hij door een Engelse dominee en diens vrouw werd aangenomen als hun zoon. ‘Hij zat heel alleen terzijde op een bank. Zijn benen, die in witte kniekousen waren gestoken, kwamen nog niet tot op de grond, en als het rugzakje dat hij op zijn schoot omklemd hield er niet was geweest, had ik hem waarschijnlijk niet herkend, zei Austerlitz. Maar nu herkende ik hem wel, door dat rugzakje, en voor het eerst van mijn leven zo ver ik kon terugdenken herinnerde ik mij mezelf als klein kind, op het moment dat ik begreep dat het in deze wachtruimte moest zijn geweest dat ik meer dan een halve eeuw geleden in Engeland was aangekomen.’

    Door middel van melodieuze zinnen met een mooie cadans en een bedwelmende en meeslepende vertelstijl, die me herinnerde aan Nabokov, krijgen we een boeiende kost opgediend, die ook nog eens met foto’s aanschouwelijk gemaakt, zoals meteen in het begin foto’s van de eerder genoemde ogen van uilen en wetenschappers.

    Er valt veel te genieten in dit boek, bijvoorbeeld over de schrijfcrisis waarin Austerlitz terecht komt. Hij vergelijkt zichzelf met een koorddanser die niet meer weet hoe hij de ene voet voor de ander moet zetten en het wankele platform onder zich ziet en over de manier waarop de dominee zijn zondagse preek voorbereidt: ‘Geen van die preken schreef hij ooit op, hij vervaardigde ze uitsluitend in zijn hoofd door zichzelf ermee te pijnigen, minstens vier dagen lang. ’s Avonds kwam hij altijd diep te neergeslagen uit zijn kamer tevoorschijn, alleen maar om er de volgende ochtend weer in te verdwijnen.’
    Misschien is juist de tegenstelling tussen de kalmerende stijl en de voortijlende verhaallijn de onweerstaanbare charme van dit boek.