• Feestelijke afsluiting Poetry International met vier laureaten

    Feestelijke afsluiting Poetry International met vier laureaten

    De uitreiking van de eerste Grote Poëzieprijs (voorheen VSB Poëzieprijs) vond zondagavond plaats tijdens het slotprogramma ‘Prijs de poëzie!’ van Poetry International. Tijdens dit slotprogramma werden de winnaars van verschillende poëzieprijzen bekend gemaakt. Naast de Grote Poëzieprijs werd de C. Buddingh’-prijs, de School der Poëzie-Communityprijs en de Jongerenprijs van diezelfde school uitgereikt.

    Dichteres Radna Fabias (1983), die met haar debuutbundel Habitus al drie prijzen heeft gewonnen – waaronder vorig jaar de C. Buddingh’-prijs – won de Grote Poëzieprijs 2019. Waarmee haar bundel de meest bekroonde dichtbundel in de Nederlandse poëziegeschiedenis geworden is. De Grote Poëzieprijs is in Nederland de grootste onderscheiding voor de beste dichtbundel van het jaar.

    Volgens de jury dicht Radna Fabias ‘vitaal, ritmisch en klankrijk’ over de afkomst en status van een Antilliaanse zwarte migrant in Nederland. En is er sprake van ‘sterk aardse en lichamelijke poëzie’ ook maakt Fabias ‘het persoonlijke politiek en het politieke persoonlijk’. Fabias is de derde dichter op rij die met een debuutbundel de prijs wint. In 2017 won Hannah van Binsbergen met Kwaad gesternte en vorig jaar was het Joost Baars met zijn debuut Binnenplaats die de eer te beurt viel.

    De jury van De Grote Poëzieprijs 2019 bestond uit Joost Baars, Yra van Dijk, Adriaan van Dis, Cindy Kerseborn en Maud Vanhauwaert. Andere genomineerden voor de Grote Poëzieprijs waren Maria Barnas  met Nachtboot, Joost Decorte met Stalker, Roelof ten Napel  met Het woedeboek, Willem Jan Otten  met Genadeklap en Xavier Roelens  met Onze kinderjaren.
    Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro verbonden.

    C. Buddingh’-prijs

    De prijs voor het beste debuur van het jaar, de C. Buddingh’-prijs, werd gewonnen door Roberta Petzoldt met haar bundel Vruchtwatervuurlinie. De jury sprak over ‘weergaloze gedichten en tijdloze regels’. En ook: ‘We kijken mee met een turende, glurende, loerende dichter, die naar eigen zeggen door het staren ontstaat, en die niet alleen haar eigen blik maar ook onze blik op scherp zet. (…) Als een omgekeerde beeldenstormer verbindt Roberta Petzoldt in Vruchtwatervuurlinie scheermesscherpe observaties, gebeurtenissen, personen, tijden, gedachten en thema’s op ingenieuze wijze met elkaar in een wereld vol absurde beelden die toch kloppen (…)’

    De jury van de C. Buddingh’-prijs bestond uit Els Moors, Tsead Bruinja en Kila van der Starre. Overige genomineerden waren Obelisque van Obe Alkema, Dwaallichten van Gerda Blees en Het woedeboek van Roelof ten Napel. Aan de prijs is een bedrag van 12.000 euro verbonden.

    School der Poëzie-Communityprijs en Jongerenprijs

    De ‘School der Poëzie-Communityprijs ‘ ging naar Ted van Lieshout voor Ze gaan er met je neus vandoor. Roelof ten Napel kreeg de Jongerenprijs voor Het woedeboek dat ook genomineerd was voor De Grote Poëzieprijs én de C. Buddingh’-prijs.  De jury bestond uit drie commissies van jongeren tussen de 14 en 25 jaar van de School der Poëzie.

     

  • Poëzie vol spontane wendingen en lekkerbekkende woorden

    Poëzie vol spontane wendingen en lekkerbekkende woorden

    De disciplines die dichteres, actrice en beeldend kunstenares Roberta Petzoldt beoefent, leiden haar kunst langs vele wegen. Uiteenlopende invloeden die samenkomen in de stroom van gedichten in de bundel Vruchtwatervuurlinie. Woorden die verrassende beelden vormen, zinnen die een uitgesproken rol lijken te spelen en strofes die als een wonderlijk vuurwerk boven je hoofd blijven hangen. Petzoldt doet de taal sprankelen en brengt met haar veelvormige invalshoeken de lezer het hoofd op hol, zonder dat deze de gelegenheid krijgt af te haken. Niet voor niets dat de debuutbundel van deze avontuurlijke dichteres beloond is met een nominatie voor de C.Buddingh’-prijs 2019. Op 16 juni wordt bekendgemaakt wie van de vier debutanten (Obe Alkema, Gerda Blees, Roelof ten Napel, Roberta Petzoldt) met deze belangrijke trofee naar huis gaat.

    Wees welkom

    In Vruchtwatervuurlinie zijn de eerste regels van het eerste gedicht ‘Aspect ratio’ meteen al een uitnodiging om de wereld van Petzoldt te betreden: ‘Toen ik leerde dat het leven niet gratis was/ ben ik moed gaan verzamelen.’ Na een uiteenzetting van verschillende situaties waarin de dichter zich weerbaar weet te maken (‘Toen verzamelde ik moed om me te verdedigen/ ik trapte het meisje dat mij treiterde onderuit.’) eindigt deze opsomming met de vaststelling ‘ik heb nog niet genoeg moed verzameld om vrij te zijn.’

    Experiment

    Juist de vrijheid, en de moed om daarmee om te gaan, is kenmerkend voor de verzen in Vruchtwatervuurlinie. Met grote gebaren iets aanraken dat tegelijkertijd wordt teruggebracht tot een kleine en persoonlijke observatie. Dat is de krachtige vorm waarmee volop geëxperimenteerd wordt, geheel surrealistisch of op meer klassieke wijze. Zoals in:

    ‘Ik zou willen dichten over de leeuwerik’:

    die ik hoorde voor ik hem zag
    en langs
    zijn toonladder klimt naar het hemeldak.
    Biddend stipje zo hoog in het zwerk
    hoger dan de scherpe kerk
    die als een speld uit de horizon stak.

    Vertellen over hoe ik stopte en de lach|
    die door mij heen brak.|
    Daarna de tranen die stroomden en
    voelden als pijn en geluk tegelijk.

    Geluk dat de natuur nooit haar geloof
    in de schoonheid verloren had.
    Pijn dat ik het deze winter
    toch weer vergeten was.

    Maar hoe dicht ik over een vogel
    die zo vaak is bezongen.
    Wiens lied altijd hoger vliegt
    en me woordeloos heeft doordrongen.

    Knappe prestatie

    De eenvoud van de beleving wordt versterkt door het onverwachte rijm dat hier en daar opduikt als een opgestoken vingertje om de lezer bij de les te houden. Geen structureel rijm, dat zou het losse verband van dit vers in het harnas van de vaste vorm dwingen. Het is de haast Vasaliaanse toon die door Petzoldt wordt gebruikt, die deze gedichten zowel van een zweverige ruimte als een kernachtige nadruk voorzien. Dat is een knappe prestatie, waarbij de dichter zich zonder grenzen moet kunnen laten gaan omdat het anders een geforceerde exercitie dreigt te worden.

    Klankervaring

    De taal van Petzoldt vormt een breed universum aan goed geconstrueerde zinnen, vol spontane wendingen en lekkerbekkende woorden. Verzen die uitnodigen om hardop gelezen te worden om het ritme van bepalende woordgroepen ten volle te ervaren. In ‘Mesdag’ worden de eerste drie strofes in de steigers gezet door een opeenvolging van: ‘badderende rotganzen roddelend over de lente’ en ‘troggelde’ en ‘roffelde’ en ‘binnensmonds getokkel van de lekkere dikke fladderkippen’. Zo wordt poëzie een spel tussen muzikaliteit en mondbeweging, bijna zoals een singer-songwriter kan genieten van het ‘vette loopje’ in zijn tekst dat keer op keer herhaalt dient te worden.

    Na deze klankervaring die nog natrilt in het hoofd volgen een aantal regels die de surreële wereld extra gewicht geven, om uiteindelijk uit te komen bij een eindstrofe waarin de wonderlijke gevoeligheid van Petzoldts gedichten aan de oppervlakte komt:

    (…)
    De scherpe ochtend die door de gordijnen snijdt, mijn
    broze dromen opensplijt.
    Was de nacht uit mijn ogen en leg me terug
    op het witte lakenstrand
    laat het licht over mijn huid glijden
    neem de zon in mijn mond.

    Avontuurlijk dichtspel

    Zo ontroerend schrijven over zoiets eenvoudigs als ontwaken, dat tekent de reikwijdte van de poëzie van Petzold. Een aantal pagina’s verder stuiten we op de meer abstracte vorm, waarmee ze de beeldende kunst in haar verzen laat infiltreren. Het gedicht ‘Failure notice – Herrijzenis’ is verticaal op de pagina’s geplaatst en bestaat uit een doorlopend geheel dat is opgebouwd uit losse flarden tekst. Samen met een veelheid aan typografische interpunctie en andere symbolen vormt dit een beeld dat nog het meest op een uitvoerig en eenzijdig WhatsApp-gesprek lijkt. In kleine stukjes te consumeren, zoals onze hedendaagse mobiele communicatie, vormt dit avontuurlijke dichtspel een goede onderbreking in de bundel.

    Vele registers

    Ten slotte is het zaak nog eens te benadrukken hoezeer deze dichter verschillende registers weet te bedienen. Klein en intiem, groots en overheersend, van springerige abstractie tot de nauwkeurige weergave van een authentieke emotie. Het is vooral deze afwisseling die laat zien hoe het Buddingh’ waardige talent van Roberta Petzoldt naar alle kanten uitwaaiert en toch op het juiste moment weer samenkomt. Zoals in het magistrale gedicht:

    ‘Voor je het weet’

    Ik wist voor het eerst dat een jaar een getal bezat
    en schreef 1990 onder elke tekening die ik gemaakt had.

    Mijn broer verbood mijn moeder de manke strijkplank
    op straat te zetten
    ik bewaarde scherven van de eerste koffiepot die ik zag sneuvelen.
    Twee melancholische kinderen die als cipiers over
    het huisraad waakten.

    We huilden met het smelten van Sylvain de sneeuwman
    de vriend die dankzij de gratie van het vriespunt leefde
    en we begrepen dat je nooit iets twee maal maken kunt.

    Onder de douche dacht ik:
    Dit is misschien het hoogtepunt van mijn leven
    staarde naar steeds veranderende waterregen
    verbond de druppels op de badrand met elkaar.

    Ik zag hoe mijn kindertijd eindig was
    had heimwee naar de zelf die dit dacht.

    Gehypnotiseerd door cohesie en zwaartekracht
    liet ik de druppels tijd
    langs mijn lichaam
    door de afvoer glijden.