• Typisch

    Typisch

    Als een boek mijn aandacht trekt, bestel ik dat het liefst gelijk. Alsof er niet genoeg te lezen is in dit huis. En nee, ik zal niet vertellen hoe het is om bij een plaatselijke boekhandel een online bestelling te plaatsen. Hoe boeken uit winkelwagentjes verdwijnen, er geen zoekfunctie is, of winkelwagentjes waarin maar een boek past. Zo anders als bij die grote virtuele boekwinkel. Waar je je karretje vollaadt, het op een ander adres kan laten bezorgen, een boodschap bij kan schrijven, betalen eenvoudig is. Het maakt me tot onbetrouwbare klant van de echte boekhandel. Deze week gaf ik het twee keer op, verliet geagiteerd de online bestelpagina van een boekhandel. Maar daar zou ik het niet over hebben. Ik vroeg me af waarom er na het kijken van Mondo nooit een gedachte aan een boek dat ik zou willen lezen blijft hangen.

    Sinds ik iets mis inzake literatuur op tv, ging ik het boekenprogramma met Wim Brands terugkijken. Meteen begreep ik waarom het nieuwe programma waarvoor Boeken plaats moest maken, niet aanzet tot gretige boekaankopen. Mondo leidt tot ongemakkelijk schuiven op de bank. Kijkend naar een presentatrice die, omgeven door bewegende beelden, een oog dichtknijpt zogauw het gesprek interessant wordt, een soort knipoog (maar het is géén knipoog). Ik zie de prachtige haren die voor of achterlangs een oor gewerkt worden, het rechteroortje dat bevoeld wordt, het veelvuldig bewegende, knikkende, luisterhoofd. Als die buurvrouw, die met een soort gulzigheid de woorden uit mijn mond wil halen, die het al begrijpt nog voor ik uitgesproken ben. Knikkend beamend, door te vroeg gestelde vragen onderbroken, worden woorden van betekenis ontdaan. Door schaamte bevangen glijd ik van de bank. Vanaf de grond, frutsend aan mijn haar, zit ik het programma met geloken ogen uit. Mijn lief vindt dat iedereen een kans moet krijgen.

    Terwijl ik me verbeeld dat in de ogen van de genodigde schrijvers naast ontreddering een verlangen schemert. Verlangen naar een eenvoudige tafel met boeken, een glas water en twee stoelen, tegenover elkaar. Waar de enige afleiding bestaat uit een voorbijrammelende tram, of zicht op water, een haven. Zicht op iets dat geen bedoeling heeft.

    In een aflevering uit 2012 is Wim Brands in gesprek met de regisseur van de film En un Momento Dado, Ramon Gieling. Over zijn boek De hoofdletter pijn, onverfilmbare verhalen. Brands stelt vragen die verhalen ontlokken aan de schrijver, tijd speelt geen rol. Hij lokt de schrijver met een,’Toe, vertel nu nog even hoe dat citaat van Luis Buñuel gaat dat voor in het boek staat. Kun je dat? Uit je hoofd?’ Want uit het hoofd, dan staat een tekst pas echt, wordt het een boegbeeld. En de schrijver kon dat, hij sprak: ‘Als ik morgen op straat een overleden vriend zou tegenkomen, zou ik niet denken aan een wonder. Ik zou gewoon denken: Luis, daar heb je nou weer typisch iets wat je niet begrijpt.’
    Dit was dus zo’n boek dat ik moest hebben. Om de titel, het citaat van Buñuel, en dan die verhalen, schrijnend mooie verhalen, niet te filmen zo mooi.

     

    De hoofdletter pijn, onverfilmbare verhalen / Ramon Gieling / Uitgeverij Augustus (2011)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, bestelt boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

     

  • Zelfmedelijden

    Zelfmedelijden

    Op zaterdag reisde ik met de trein via Deventer richting Vlissingen en weer terug om een broer te bezoeken. Eerder die week was ik een dag in Almere (God behoede me), daarna paste ik twee dagen op de tweeling kleindochters, mijn telefoon liet ik onderweg ergens liggen. Toen werd het moederdag. Er was geen spoor van moederviering (wat een onzin, daar doe je toch niet aan, moederdag) te bespeuren. Buiten guurde een koude wind en ik, de gekwelde moeder bleef in bed, verlangend naar een boeket blauwe Delphiniums en rode Pioenrozen.

    Goddank is er VPRO Boeken. De enthousiaste stem van schrijver Willem Otterspeer klinkt vanuit de op het bed liggende laptop. Otterspeer vertelt dat hij Herfsttij der middeleeuwen (een titel gelijk een boeket bloemen) voor het eerst zag in de bibliotheek op de middelbare school. Hij nam het uit de kast. De meester die het zag, zei: ‘Je mag het meenemen maar je gaat het toch niet begrijpen’. De meester had gelijk. ‘Ik begreep er niets van.’ Toen hij het later nog eens ging lezen, dacht hij het wel te begrijpen. ‘Maar’, zei Otterspeer bij VPRO Boeken: ‘Als je denkt dat je het begrepen hebt, heb je het nog niet begrepen.’ Kijk, daar veerde ik van op. Dat is nog eens een zegswijze die mij de oren doen spitsen en mijn brein prikkelt. Op slag vergat ik dat hele moederdag gedoe. Wie alles begrijpt, heeft niets meer te leren en kan zijn resterende dagen in bed doorbrengen. Zoals de grootouders in Sjakie en de Chocoladefabriek van Roald Dahl.

    Otterspeer spreekt zo gedreven over de historicus Johan Huizinga en het boek Herfsttij, dat ik het als een gemis ervaar dat ik het niet heb gelezen. Een boek dat als een vermenging van de geur van bloed en rozen omschreven wordt. Bloed voor de brute, ruwe kant van het leven, rozen voor de schoonheid van de kunsten en de geestelijke wereld. Huizinga en de tegenstellingen van het leven zelf. Volkeren worden uitgeroeid, kinderen leven onder erbarmelijke toestanden terwijl op hetzelfde moment de reparateur voor de afwasmachine gebeld wordt, er een feest te vieren is en we een reis voor de zomer plannen. Hoe dat kan, dat het leven doorgaat ondanks alles. Huizinga lezen lijkt opeens noodzaak.

    Otterspeer kan na de vijfde keer dat hij Herfsttij las nog niet zeggen dat hij het helemaal begreep. ‘Ik denk dat je iets pas echt begrijpt als je erover schrijft.’ En hij schreef het boekje De kleine Huizinga, een samenvatting van Herfsttij. Hij zei ook: ‘Als ik Huizinga lees raak ik zo enthousiast dat ik moet gaan lopen.’ Dat is zo waar, om iets te begrijpen is beweging nodig, het bed uit, de straat op, de wereld in, een boek kopen.
    Ik laat me eerst gidsen door De kleine Huizinga, dan door naar de grote.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Literatuur op tv: van cultuurbemiddeling via Van Dis naar boeken pluggen

    Literatuur op tv: van cultuurbemiddeling via Van Dis naar boeken pluggen

    Er is in de loop van de ongeveer zestig jaar dat er op televisie aandacht besteed wordt aan schrijvers en aan literatuur veel veranderd. Maarten Asscher vatte het tijdens het gesprek waarmee het symposium Literatuur op tv eindigde heel mooi samen: het initiatief ligt niet meer bij de schrijvers. De schrijver is een middel geworden. Als het al over literatuur gaat, gaat het niet over de inhoud, laat staan over de stijl of de structuur van een boek. Als een schrijver te gast is in een televisieprogramma dan wordt bijna altijd aan de hand van zijn of haar boek over iets anders of eventueel over hoe het is om herkend te worden in de supermarkt gepraat.

    Dat lag in de beginperiode van de televisie anders, bleek uit de inleiding van Jeroen Dera, die promoveerde op ‘literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie’. Toen – in de tijd van Muze in spijkerbroek en Literaire ontmoetingen, dus in de jaren zestig – was er nog sprake van informatieve programma’s die cultuurbemiddeling en literaire positionering voorstonden.
    Dat ging niet zonder slag of stoot, want een relatie tussen literatuur en televisie lag niet voor de hand. Denkers – Dera noemde Postman, Finkelkraut en Bourdieu – en schrijvers – Greshoff, Salomons, Wadman, Kelk, Sierksma – achtten de kloof tussen de hoge cultuur waartoe de literatuur behoorde en het massacommunicatiemiddel dat de televisie was onoverbrugbaar.

    K. Schippers: vrijheid voor de maker
    Volgens K. Schippers – zelf gast en onderwerp in een van de drie afleveringen van Muze in spijkerbroek, maar als maker van Beeldspraak uitgenodigd op het symposium – moet je geluk hebben bij het maken van televisie. Dat geluk had hij in de jaren zeventig, toen hij samenwerkte met onder andere Jan Venema en Kees Hin. Journalistieke helderheid en fantasie in de vorm stond voor hem en zijn collega’s voorop. Dat leverde indringende portretten van en vaak verrassende gesprekken tussen collega-schrijvers op. Als je regisseurs maar de ruimte geeft, en niet van bovenaf of als redactie bepaalt dat het ergens over moet gaan.
    De schrijver K. Schippers deed vervolgens zijn voordeel met zijn ervaring als televisiemaker. Hij leerde er onder andere hoe lang iets moet zijn, en hoe je delen van een verhaal achter elkaar kunt plaatsen.

    Hier is… Adriaan van Dis vervulde volgens Maarten Asscher een scharnierfunctie tussen de programma’s waarin literatuur zichzelf toont en zichzelf is en de tegenwoordige aandacht voor literatuur die een verlengstuk is van door een uitgever in gang gezette promotie en marketing. Het is volgens hem het laatste boekenprogramma waarin nog heel inhoudelijk over literatuur gesproken werd zonder winstoogmerk – al wil hij op verzoek van gespreksleider Jeroen van Kan wel een uitzondering maken voor VPRO Boeken.

    Van Dis en het effect
    Adriaan van Dis is er zelf tijdens het symposium bij om het Van Dis-effect te relativeren. Hij maakte televisie in de tijd dat er maar twee zenders waren en nog geen afstandsbediening: ‘Je moest opstaan om mij uit te zetten.’ Die acht keer per jaar dat Hier is… Adriaan van Dis op televisie was, keken er tussen de 350.000 en 500.000 mensen. Daar zou een zendermanager vandaag de dag bedenkelijk bij kijken. Ook werd niet elk in het programma besproken boek een verkoopsucces, zoals wel gesuggereerd wordt.
    Volgens Van Dis had het geen zin om hele oeuvres te bespreken, maar moest het gesprek gaan over één boek, een boek waarvan de vertaling al verschenen was. En er moest een vonk overslaan tussen de kijker en de gast. Daarom verkocht Frans Pointl, die de perfecte schlemiel speelde, oneindig veel beter dan Michel Tournier die in dezelfde uitzending zat.

    Wat Van Dis en zijn redactie voor ogen stond was verheffen zonder te hurken. Adriaan van Dis zegt bij het maken van het programma ook nu nog – Van Dis maakt één keer per jaar aan de vooravond van de Boekenweek in de zendtijd van De wereld draait door een Hier is… – de Mulo-jongen die hij zelf was voor ogen te hebben gehad: een Mulo-jongen die hogerop wilde. Van Dis was een stapelaar in opleidingen, en studeerde uiteindelijk cum laude af aan de universiteit. Dat het programma elitair gevonden werd, is volgens Van Dis onterecht. ‘De elite kijkt geen televisie. De elite kijkt er op neer.’ De elite wil niet delen: als veel mensen een boek bijzonder vinden, kan het volgens die elite niet veel zijn.

    Van zuilen naar bastions
    Televisie mag dan voor uitgevers vanuit marketingperspectief een interessant medium zijn, in een post-verzuilde samenleving moeten auteurs volgens Adriaan van Dis heel hard werken om een nieuw boek via dat medium onder de aandacht van potentiële lezers te brengen: ‘De zuilen zijn afgebroken, maar er zijn nieuwe kleine bastions ontstaan van mensen die eigenlijk slecht met elkaar communiceren. Dus voor schrijvers is het niet zo makkelijk geworden. Ze moeten het verhaal wel twintig keer vertellen.’ Dat geldt ook voor de schrijver die Van Dis inmiddels is. Ten tijde van Hier is… Adriaan van Dis stond zijn schrijverschap nog in de kinderschoenen. Van Dis was toen nog vooral journalist, met een voorliefde voor reportages.

    Bibliobesitas
    Boudewijn Büch was ook een boekenbemiddelaar, maar wel van een andere orde dan Adriaan van Dis. Büch maakte zijn televisiedebuut in de documentaire Het verschijnsel B (1982) van Eline Flipse, waarin bibliofilie breed uitgemeten werd. Daarna rees zijn ster snel. Zijn biografie Eva Rovers schetst tijdens haar bijdrage zijn televisiecarrière: na vijf en daarna vijftien minuten zendtijd in De verbeelding kreeg hij zijn eigen boekenprogramma: Büch’s boeken. Büch richtte zich, en bleef zich richten, op mensen die nog geen goed gevulde boekenkast hadden, maar besprak niet alleen populaire boeken.

    Het programma dat hem wereldberoemd in heel Nederland maakte De wereld van Boudewijn Büch ging niet alleen, maar wel vaak over schrijvers die hij bewonderde. Toen dat programma in 2001 stopte, raakte Büch zijn inkomen, zijn reizen, zijn materiaal voor lezingen en andere schnabbels en zijn podium kwijt. Dat hij elke week bij Barend & Van Dorp mocht aanschuiven, verzachtte het leed enigszins.
    Boudewijn Büch leed aan bibliobesitas, en het was met name de mate waarin hij in staat was om zijn boekenliefde op anderen over te dragen waardoor Eva Rovers per se zijn biograaf wilde zijn. Ze wilde niet dat hij alleen te boek zou staan als de man die zijn leven verzon.

    Televisie versus zaaltjes
    In de loop van de omroepgeschiedenis vonden literatuur en televisie elkaar, ondanks de aanvankelijk voor onverenigbaar gehouden karakters. Niet altijd bewijst de televisie de literatuur een even goede dienst. Literatuur op televisie heeft beperkingen. Niet alles mag, maar ook niet alles kan. ‘Je kunt mensen in zeven minuten heel nieuwsgierig maken naar een roman’, zegt Connie Palmen in het slotgesprek. Maar op televisie haar visie op literatuur en/of de vorm van een roman toelichten gaat niet. Zo’n gesprek zou de kijker al gauw boven de pet gaan. Op televisie krijg je niet de tijd om het verhaal op te bouwen. Tijd die er tijdens een gesprek in een zaal wel is.

    Op de vraag wat het gevolg zou zijn als er helemaal geen boekenprogramma’s meer op televisie zouden zijn, antwoordt Maarten Asscher stellig: ‘het gesprek over literatuur wordt dan veel elitairder. Dat speelt zich dan af in de zaaltjes waar lezers, schrijvers, redacteuren, uitgevers, critici en ingevoerde mensen met elkaar over literatuur spreken.’ Hij hekelt het geringe bedrag dat, zeker in vergelijking met wat er betaald wordt voor de uitzendrechten voor voetbal, bij de publieke omroep beschikbaar is voor literatuur op televisie. ‘Er is zo’n verheffingsideaal verbonden aan de televisie, de hele missie van de publieke omroep: waarom komt daar niets van terecht?’

    De dode hoek van ‘Hilversum’
    Want dat er niets van terecht komt, is voor Asscher duidelijk. Hij gebruikt bijna dezelfde bewoordingen als K. Schippers, en zou graag zien dat de mensen die de programma’s maken weer wat meer de vrije hand krijgen.
    Asscher signaleert nog een ander manco: ‘Er is geen connectie tussen de literaire wereld in Amsterdam en de Hilversumse wereld van programmabonzen en zendercoördinatoren.’ Asscher had heel graag gezien dat ‘Hilversum’ Jeanette Winterson en/of Orhan Pamuk – beide auteurs waren recent in Nederland en traden voor uitverkochte zalen op in het kader van het tienjarig bestaan van SPUI25 – had gescout en die optredens (of een compilatie) dan wel een exclusief gesprek had uitgezonden.
    Jeroen van Kan ziet dat niet veranderen. Hij verwacht dat het twee parallelle werelden zullen blijven. Zelf grijpt hij voor VPRO Boeken zijn kansen. Dat programma is zo klein dat het zich onttrekt aan de kijkcijfernormen van de omroep. En dus zat Alan Hollinghurst daar toen hij recent in Nederland was en niemand anders op het idee kwam hem op televisie te interviewen.

    Op de valreep van het symposium gaat het toch nog over het programma bij uitstek dat de verkoop van boeken kan beïnvloeden. Is het terecht dat er met het nodige dedain over het DWDD-effect gesproken wordt? Helemaal niet, vinden Connie Palmen en Maarten Asscher. De acht bergen van Paolo Cognetti, een van de beste romans van dit jaar volgens Maarten Asscher, had het opkontje van het boekenpanel nodig om een bestseller te worden. Dat literatuur op tv van cultuurbemiddeling via Van Dis het pluggen van boeken is geworden, heeft dus voor de individuele spelers in het boekenvak ook voordelen.