• Er moet altijd een tweede lijn bij komen

    Er moet altijd een tweede lijn bij komen

     



    Onlangs verscheen van Vonne van der Meer (1951) de verhalenbundel
    Aan haar lippen, haar vijfde verhalenbundel. Kenmerkend in haar verhalen zijn de alledaagse personages. Ze zouden bij je in de straat kunnen wonen, je komt ze tegen in de supermarkt. Het zijn verhalen die beginnen met een observatie, of iets wat de schrijfster gehoord heeft. Het zit in kleine details, een aanname die het verhaal een verkeerde kant opstuurt, gevolgd door een inzicht, dat alles zich altijd anders ontwikkelt dan gedacht.
    ‘Dat vind ik eigenlijk het interessants. Als ik dat op het spoor kom, schaamte om hoe je je gedragen hebt, oordelen over de ander vanuit een aanname.’, zegt ze daarover.

    Haar  eerste verhaal verscheen in 1985 in Hollands Maandblad. Twee jaar later debuteerde ze met de verhalenbundel Het limonadegevoel en andere verhalen, waarvoor ze de Geertjan Lubberhuizenprijs kreeg. Sinds die tijd publiceerde ze met grote regelmaat meer dan twintig boeken, waaronder romans, verhalen, novellen en essays.  

    Haar verhalen, de wijze waarop ze verteld worden zijn onvergelijkbaar, hoewel ze ergens doen denken aan die van Alice Munro. Qua menselijkheid, het beschrijven van dagelijkse routines, dingen in het gareel houden en die dan onvermijdelijk ontsporen. Al is er bij Van der Meer, meer ruimte voor zachtheid en een zekere vergevingsgezindheid.

    Voor het interview spraken we af bij café De Groote Swaen aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam. Een klein en sfeervol café waar Van der Meer regelmatig na de zondagsmis in de St. Nicolaaskathedraal koffie drinkt met medekerkgangers. Een gesprek over de verhalen uit haar laatste bundel. Hoe ze ontstaan, of wanneer er iets begint te ‘ritselen’ zoals de schrijfster het noemt.

     

    In een van de verhalen, ‘Het weekendmeisje’ ontdekt een vrouw dat haar inmiddels overleden man haar twee jaar bedrogen heeft met een andere vrouw. Maar niet op de manier waarop bedrog in een relatie meestal speelt. Waar kwam het idee voor dit verhaal vandaan?

    ‘Midden jaren negentig voerde ik veel gesprekken over het geloof. Mensen vroegen zich met verbazing af hoe ik daartoe kwam (Van der Meer bekeerde zich in 1994 tot het Christendom Iv/dG). Een vriend zei toen tegen me, ‘Ik zou dat ook wel willen onderzoeken. Ik zou ook wel een kerk willen binnengaan en een mis bijwonen, maar daar hoef ik thuis niet mee aan te komen.’ Dat trof me: dat iemand iets belangrijks waar hij oprecht naar nieuwsgierig is niet doet, omdat hij weet dat zijn vrouw het zal afkeuren. Later dacht ik, dat is een mooi personage. Iemand die zijn verlangen naar geloof voor zijn vrouw denkt te moeten verbergen en een andere vrouw tegenkomt met wie hij dan naar de kerk gaat. Met wie hij wél over zijn ervaring kan praten en boeken uitwisselt. Ik stelde me een platonische verhouding voor die heel intens is. Die vrouw, het weekendmeisje, bemiddelt tussen hem en zijn niet uitgekristaliseerde geloof. Dat doet niet onder voor een verliefdheid.’


    De weduwe verbaast zich over de christelijke boeken die haar man ging lezen en waarvan ze beseft dat hij die van een vrouw kreeg. Ze gebruikt die boeken om met haar in contact te komen. 

    ‘Ik moest die twee vrouwen in een ruimte bij elkaar krijgen. En toen kwamen die christelijke boeken erbij. Daar heeft de weduwe niets mee, ze wil er vanaf dus hangt ze in een boekwinkel een briefje op dat de boeken bij haar opgehaald kunnen worden. In de hoop dat die andere vrouw erop ingaat. Nadat het een paar keer misgaat lukt het: de vis bijt. Als schrijver moet je een beetje listig zijn om iets te laten gebeuren.’


    In het verhaal ‘Metamorfose’, komt een jongeman verkleed als vrouw bij een 93-jarige vrouw, die niet door een manlijke thuiszorger geholpen wil worden. Waar begon dit verhaal mee?

    ‘Door iets wat  een oudere vriendin, die er nu niet meer is, me vertelde. Op een dag kwam ik bij haar en zei ze, ‘Nu heb ik een verhaal voor je.’ En dat ging over een nieuwe, als vrouw verklede mannelijke hulp. De vrouw in het verhaal geef ik dan een heel andere achtergrond mee, anders voel ik niet de vrijheid erover te schrijven. Zij kan het nu niet meer lezen dus kan ik met haar verhaal doen wat ik wil. Het was geen groot geheim ofzo, maar het is voor mezelf dat ik er toch een personage van maak. Als ik teveel aan de werkelijkheid blijf plakken gebeurt er niets op papier.’


    Ontstaat een roman ook op deze manier?

    ‘Bij Ik verbind u door, dat gaat over agressie, weet ik het nog goed. Dat ontstond op het moment dat ik in Naarden-Vesting, waar we tweeëndertig jaar gewoond hebben, wilde oversteken toen er een brede en dure auto aankwam. Die auto was al te dicht genaderd om te kunnen oversteken, maar ik deed het toch. Als reactie gaf die man nog wat gas bij. Niet echt gevaarlijk, maar om mij op stang te jagen. Ik was verontwaardigd. Mijn eerste reactie was: ‘die klootzak’ en ‘wat denkt-ie-wel’. Maar toen ik naging waar het begon, lag de agressie toch echt bij mij. Ik accepteerde niet dat die man daar reed. Dat vind ik interessant en daar maak ik dan een aantekening van. Het ging me om dat ene moment: wat gebeurt er nou eigenlijk, hoe kan die agressie zich ontwikkelen. Die kettingreactie hield me zo bezig dat ik drie jaar later een boek begon met een irritatie tussen een man en een vrouw ‘s ochtends in bed. Hij wil vrijen maar zij heeft daar geen zin in en wijst hem af. Hij reageert dat weer af in zijn auto, in het verkeer, en later op een collega en die vernedert op zijn beurt een sollicitant. En het eindigt met een moord.’


    U heeft eens gezegd dat er in elk verhaal iets van uzelf zit.

    ‘Het eerste en laatste verhaal zijn onomwonden autobiografisch, dat zal ik niet ontkennen. Maar ik zit in al die verhalen met dingen die ik ook gedacht heb of had kunnen denken of had willen doen. Ik zie schrijven als toneelspelen, het gaat om je inleven in een scène. Ik moet het me kunnen voorstellen. Als ik dat niet kan, wordt het niet geloofwaardig.’


    Wilt u de lezer ook iets laten zien of ontwikkelt het verhaal zich buiten een plan om. Met de ‘Thuishulp’ gaat het bijvoorbeeld een kant op die je niet verwacht. De oude dame en de thuishulp komen niet tot elkaar.

    ‘Ik had makkelijk kunnen schrijven dat deze vrouw het wel accepteert. Zo van, “Ik laat me wel wassen en aankleden door jou en ik wen er wel aan.” Gelukkig hoeven als vrouw verklede mannen zich niet meer te verbergen. Maar ik denk ook dat je je personages moet laten zien zoals ze zijn. Dat een vrouw die uit zo’n andere tijd komt, alleen maar met vrouwen is opgevoed, op meisjesscholen heeft gezeten, in de oorlog met vrouwen in een kamp zat, dat zij zijn zorg mag afwijzen. Ook als dat misschien naar onze huidige maatstaven kleinzielig is. Een mens kan niet altijd voor iedereen begrip opbrengen. Dat is onwaarachtig.’


    Heeft ieder mens recht heeft op zijn eigen afwijzing?

    ‘Ik begin niet met een statement in mijn achterhoofd te schrijven. Het is, wat ze bij toneel noemen, improviseren. Je zet twee acteurs tegenover elkaar en je bedenkt een spanningsveld. De een wil dit, de ander dat. De een wil graag als vrouw verkleed zijn werk doen. De ander vindt alles best, zolang ze maar niet door een man gewassen wordt. Zo heb je twee krachten tegenover elkaar en waar het uitkomt, dat weet ik nog niet. Het is niet zo, zoals je net aan me vroeg,of ik per se iets wil laten zien. Nee, het gebeurt.’


    En zo’n opmerking van een vriend over het geloof, wordt het verhaal dan meteen opgeschreven?

    ‘Nee, eigenlijk niet. Als er straks op de terugweg naar huis iets zou gebeuren, of jij zegt iets en het begint te ritselen in mijn hoofd, dan zou ik nooit dezelfde week met schrijven beginnen. Het is eigenlijk altijd zo dat er nog een tweede lijn bij moet komen. Arvo Pärt zegt, “Er moeten altijd twee melodielijnen zijn voor een compositie, want met één vleugel kun je niet vliegen.”’


    Er moet een bepaald evenwicht zijn?

    ‘Ja, maar ook een tegenstelling. Als ik die niet heb dan vertel ik na wat er gebeurd is en dat is niet interessant. Het wordt pas interessant als er een tegenstrijdigheid is of sprake is van tegengestelde belangen.


    Het autobiografische verhaal ‘Naar Parijs’, gaat over ouders die een goed huwelijk
    lijken te hebben. Als ze oud en ziek ieder op een andere plek verblijven, dromen ze over de invulling van hun leven als de ander is overleden. De vader wil wel met een academica hertrouwen. De moeder zou een hele sportieve man willen. Of iemand die aan een boek werkt, dat zij hem daarvoor de ruimte geeft omdat ze het zich financieel kan veroorloven. Een dochter reageert daar wat schamper op, meent dat er geen contact gestoorder mens bestaat  dan iemand die aan een boek werkt en dat je ervoor moet waken dat je huisgenoten niet van je vervreemden.

    Heeft u dat zelf zo beleefd als schrijver?

    ‘De dochter in het verhaal overdrijft, maar het is wel zo dat ook ik me afsluit als ik aan een boek werk. Dat je wel reageert op je huisgenoten maar niet echt, omdat je in je hoofd ergens anders zit, ook op momenten dat je niet aan het schrijven bent.’


    In de verantwoording van het boek staat dat u aan bijna alle verhalen die eerder gepubliceerd werden verder gewerkt heeft omdat u nieuwe kanten aan de personages ontdekte.

    ‘Aan een paar verhalen heb ik zeker doorgewerkt. Soms maar twee zinnen. Ik ga niet precies zeggen waar en in welk verhaal (want dan gaan mensen er naar zoeken en zeggen, “Oh, daar heeft ze wat aan veranderd”, maar het is bijna altijd een verdieping of een aanscherping.’ 


    Komen de verhalen na veertig jaar schrijversschap nog steeds even makkelijk?

    ‘Tot nu toe wel. Maar het is niet iets waar je op kunt rekenen. De periode dat ik aan een boek werk, vind ik wel de allerfijnste. De concentratie tijdens het schrijven, hoe de werkelijkheid zich vormt naar het verhaal. Dat je een woord opvangt of leest en het is precies het woord waar je al dagen naar op zoek was. Dat vind ik nog steeds iets magisch.’

     

     

    (Foto auteur: Annaleen Louwes)


     

     

     

     

     

     

     

     

    Aan haar lippen / Vonne van der Meer / AtlasContact

     

     

  • Spannend is het niet, wel goed verteld

    Spannend is het niet, wel goed verteld

    In Vonne van der Meer’s vijftiende boek, Naar Lillehammer waagt de schrijfster zich op het pad van de thriller, al blijft het bij een paar kleine stappen. Hoofdpersoon Cecile is een 49-.jarige vrouw die – zojuist gescheiden – haar baan heeft opgezegd en is gaan wonen in een appartement aan de Sloterplas in Amsterdam. Als ze aan die plas bij een kinderspeelplaats op een bankje in de zon zit, vraagt een jonge zwarte moeder of ze even op haar dochtertje wil passen. Cecile, de goedheid zelve, vindt dat best, maar als de moeder niet terugkeert zit ze met een probleem: wat te doen? Zelf heeft ze nooit kinderen gehad omdat haar ex zich als jonge man had laten steriliseren. Ze besluit Faith, de kleuter die haar nu is toevertrouwd, mee te nemen naar haar flat en intussen overal het bericht te verspreiden waar het kind te vinden is.

    Verdwenen moeder

    Enkele dagen gaan voorbij, waarin Cecile merkt dat ze moederlijke gevoelens begint te ontwikkelen  en dankzij het kind ook contact krijgt met een andere flatbewoner, de weduwnaar Rogier, die haar gaat helpen en bij wie ze merkt dat hij gevoelens voor haar begint te krijgen. 

    Dan komt na enkele dagen Gladys, de jonge moeder, opdagen. Het blijkt dat zij eerder vanuit een andere flat Cecile heeft geobserveerd en geconcludeerd dat zij Faith zonder zorgen enkele dagen aan haar zou kunnen overlaten. Gladys is een Nigeriaans meisje dat naar Europa is gelokt met de belofte dat ze er een goede baan in de Horeca zou krijgen. Eenmaal aangekomen kwam ze in een prostitutie-netwerk terecht. Na jaren van gedwongen dienstbaarheid wil ze nu proberen zich los te maken van de macht van haar pooier. Maar ook met de hulp van Cecile lukt het haar niet het contact met hem te verbreken. Erger nog, de criminele godmother in Nigeria die haar het geld geleend heeft voor de overtocht naar Europa heeft een voodoo-vloek over haar afgesproken die pas opgeheven kan worden als de – inmiddels stevig opgelopen – schuld volledig afbetaald is. 

    De juiste keuze

    De zorg voor kleuter confronteert Cecile met het moederschap dat haar onthouden was door de voor-huwelijkse sterilisatie van haar man. Ze is nu te oud om zelf nog kinderen te krijgen. Maar wat als Gladys vermoord wordt door haar pooier of door de vloek van de madam in Nigeria? Die mogelijkheid komt dichterbij als een zwarte jonge vrouw dood gevonden wordt, met het hetzelfde brandmerk op haar been als Gladys heeft. De prostitutieketen is genadeloos voor wie zich wil los maken, is de boodschap. Cecile betrapt zich op de gedachte dat zij graag het kind zou opvoeden als moeder Gladys wegvalt.

    Grote emoties passen niet bij de nette, alles beredenerende en vooral goedwillende Cecile en haar gelijkmoedige nieuwe vriend Rogier. En deze egoïstische gedachte wordt dan ook snel weggewerkt: ze zal nooit meer dan een tante of oma voor het kind mogen en kunnen zijn. Ze besluit er alles aan te doen om Gladys en haar dochtertje vrij te maken van de vloek, zodat Gladys kan vertrekken naar het Noorse Lillehammer, waar haar Nigeriaanse broer woont.

    Naar Lillehammer is een onderhoudend verhaal en zonder literaire pretenties. Hooglopende emoties mag de lezer niet verwachten, daarvoor zijn de hoofdpersonen te braaf en te bedachtzaam. Ook de spanning van een echte thriller ontbreekt in dit wat traag lopende verhaal. Maar Vonne van der Meer kan vertellen, en dat maakt deze roman goed voor een paar uur leesgenoegen. 

     

     

  • Grote schrijvers en hun onuitputtelijke bron van verhalen en ideeën

    Ianthe Mosselman is initiatiefnemer van ‘Het grote Schrijversinterview’, een serie gesprekken met vrouwelijke Nederlandstalige auteurs die een imposant oeuvre hebben opgebouwd. Schrijvers die haar door hun boeken hebben geïnspireerd. Door de coronacrisis werd het eerste interview, met Astrid H. Roemer, uitgesteld. Nu de regels versoepeld zijn, zal dit volgende week plaatsvinden. 

    Als programmamaker bij De Balie maakte Mosselman verschillende cultuurprogramma’s waaronder het jaarlijkse ‘Gesprek Voor de Dam’, en interviewde ze verschillende internationale schrijvers. Voor de Volkskrant schrijft ze zo nu en dan opiniestukken. Zo schreef ze vorig jaar een stuk naar aanleiding van het boekenweekthema ‘De moeder de vrouw’ waarin ze haar kritiek uitte op de CPNB die ondanks het thema het niet relevant vond een vrouwelijke schrijver het boekenweekgeschenk te laten schrijven. Ze concludeerde dat ook in de letteren gelijkwaardigheid blijkbaar nog ver te zoeken is.

    Dat de aandacht voor literatuur zich steeds meer in de marge van de samenleving bevindt, was voor haar aanleiding een serie interviews te organiseren onder de titel ‘Het Grote Schrijversinterview’. Waarmee ze grote vrouwelijke schrijvers zoals Vonne van der Meer, Saskia de Coster, Astrid H. Roemer, Connie Palmen en Charlotte Mutsaers, de aandacht wil geven die ze verdienen. In interviews van elk anderhalf uur, zal Mosselman ingaan op fragmenten uit het werk van de schrijvers. Over het ontstaan van hun verhalen, hoe hun personages mensen worden en welke schrijvers hen hebben geïnspireerd. 

    Voor Literair Nederland mailde ik met Ianthe Mosselman over het belang van lezen, wat we kunnen leren van literatuur, grote schrijvers en hun waardering en met een mooie leeslijst voor de zomer.


    Waarom een serie interviews met enkel vrouwelijke schrijvers?

    ‘Het is belangrijk dat er over literatuur gepraat wordt, dat daar de tijd voor genomen wordt. In de afgelopen jaren heb ik vaker in De Balie schrijvers geïnterviewd, en dat zijn echt mooie gesprekken, er ontstaan altijd nieuwe inzichten. Ik wilde dus meer interviews doen en met de ophef vorig jaar over het thema van de Boekenweek dacht ik meer na over de mate van aandacht voor vrouwelijke schrijvers in Nederland. Ik vind dat we echt veel goede vrouwelijke schrijvers hebben, en hun werk verdient een groter podium dan ze nu krijgen. En als programmamaker heb ik de mogelijkheid hen dat te geven.’ 


    Wat wil je laten zien met deze interviews? 

    ‘In een bericht las ik dat de laaggeletterdheid toeneemt, dat jongeren lezen tijdsverspilling vinden, terwijl ik denk dat je van literatuur veel kunt leren. Niet dat literatuur je per se een beter mens maakt, maar wel dat het je een soort levenservaring geeft. Literatuur beschrijft de mooie en lelijke kanten van het bestaan en laat zien hoe andere mensen leven en met de moeilijke kanten omgaan. Daarover doorpraten met elkaar leert je iets over jezelf en anderen en de wereld waarin je leeft. Bovendien is het toch ontzettend wonderlijk hoe schrijvers van niets een verhaal maken, een verhaal dat je ontroert of boos maakt of verwart. Ik denk dat het noodzakelijk is om te laten zien hoe bijzonder dat is, zeker in een tijd waarin sommigen met dedain naar kunst en cultuur kijken.’


    Hoe kwam jezelf tot lezen in je jeugdjaren en welke boeken las je? 

    Ik las heel veel kinderboeken, Tonke Dragt, Astrid Lindgren, Abbing en Van Cleeff, Roald Dahl. De bibliotheek was bij ons om de hoek, daar kwam ik vaak en mijn moeder gaf mij ook vaak boeken. Op de middelbare school heb ik veel Engelse boeken gelezen. We volgden daar een methode, die was opgezet door mijn Engelse docent. Geen grammaticales, maar tien boeken per jaar lezen en brieven schrijven. In de eerste klas was dat de serie over Sophie van Dick-King Smith, en later Harry Potter, A Series of Unfortunate Events, the Princess Diaries. 


    Wat zijn voor jou grote schrijvers?

    ‘Schrijvers die invloed op me hebben gehad zijn vindingrijk in hun taalgebruik en lijken over een onuitputtelijke bron van verhalen en ideeën te beschikken. Zulke schrijvers krijgen het voor elkaar om telkens weer iets te schrijven dat je raakt. Judith Herzberg schreef in een gedicht in de bundel Liever brieven: ‘Hoe heerlijk moet het zijn/ je in gedichten te begeven/ zonder dat schrijnende:/ had ik dat maar geschreven.’ Dat is ook iets wat grote schrijvers doen, ze maken je jaloers met hun vondsten.’ 


    Vrouwelijke schrijvers als Joan Didion, Simone de Beauvoir, Margaret Atwood hebben een hooggewaardeerde status bereikt in eigen land en daarbuiten. Kennen we ook in Nederland zo’n vrouwelijke schrijver?

    ‘Ik vind het moeilijk te vergelijken. De schrijvers die ik voor De Balie ga interviewen vind ik erg goed. Of ze even goed zijn als anderen, of beter, vind ik niet zo interessant. Ik vraag me ook niet af of Tommy Wieringa en Ilja Leonard Pfeijffer de nieuwe Hemingway en Salinger zijn. Didion, De Beauvoir en Atwood kent min of meer iedereen met een interesse voor literatuur. Er zijn inderdaad hele goede Nederlandse schrijvers die in diezelfde periode als deze drie geboren werden, zoals Andreas Burnier, Judith Herzberg en Vasalis.  Maar qua waardering lopen ze ook internationaal achter op mannelijke schrijvers.’ 

    ‘Ik ben geen expert op het gebied van receptie, maar hun werk heeft een kwaliteit die wat mij betreft meer gewaardeerd mag worden. Literatuurwetenschapper Corina Koolen promoveerde op ongelijkheid in de literatuur en een van haar bevindingen was dat er ondanks dat ongeveer 40 procent van de literaire romans wordt geschreven door vrouwen; grofweg driekwart van de grote prijzen naar mannelijke auteurs gaat.’ 


    Is er na de ophef over het boekenweekgeschenk van vorig jaar, verandering te bespeuren in de waardering voor vrouwelijke schrijvers?

    ‘Op de long- en shortlist voor de Libris Literatuurprijs stonden dit jaar evenveel mannen als vrouwen, dat lijkt me wel een verandering. Nu vind ik niet dat er altijd een precieze verdeling gemaakt moet worden, maar ik denk wel dat het belangrijk is dat mensen beseffen dat ze werk van een vrouwelijke schrijver wellicht minder waarderen dan dat van een man en dat dat dus niet alleen te maken heeft met wat er op papier staat. Aan de mensen die in de literaire wereld werken de taak om te laten zien dat ook het literaire werk van vrouwen zeer de moeite waard is.’ 


    De eerste schrijver in deze serie gesprekken is Astrid H. Roemer. Wat is de betekenis van haar werk?

     ‘Literatuurwetenschapper Maaike Meijer zei over Astrid H. Roemer dat ze de eerste schrijver is die op een zelfbewuste en volkomen oorspronkelijke literaire manier stem gaf aan het postkolonialisme van Nederland. Maar dat is niet de belangrijkste reden waarom ik haar gevraagd heb om deel te nemen aan deze serie. Ik vind haar een ontzettend goede schrijver. Er is een fragment uit Olga en haar driekwartsmaten dat nu al dagen door mijn hoofd spookt en waar ik telkens aan moet denken. Roemer beschrijft daarin hoe iemand sterft en dat doet ze zo treffend en ontroerend. Heel bijzonder hoe ze dat doet. Het voelt alsof ik het zelf heb gezien, en daar wil ik met haar over praten.’ 


    Als je één boek zou moeten aanraden van elke schrijver die je gaat interviewen, welk boek zou dat zijn?

    Gebroken wit van Astrid H. Roemer, Nachtouders van Saskia de Coster, Eilandgasten van Vonne van der Meer, Jij zegt het van Connie Palmen en Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers. Dat lijkt me best een mooie zomerleeslijst zo. 

     

     


    Kijk hier voor meer informatie over de serie Het Grote Schrijversinterview.

     

  • Fijne boekenweek

    Fijne boekenweek

    De avond van het boekenbal zat ik op de bank met De verhalen van Andrej Platonov. De ochtend na het Boekenbal douchte ik de resten van een kleurspoeling uit mijn haar. Dacht aan de rode loper die ik op foto’s voorbij had zien komen, de toespraken, het dansen. Welke schrijvers er waren, en of Jeroen Brouwers daar eigenlijk wel eens komt, en A.L. Snijders, Vonne van der Meer, H.C. ten Berghe. Of raakt het boekenbal eens passé onder  schrijvers? Toen stelde ik me voor dat ik erbij was geweest. Het had gekund, elk jaar ontvangt Literair Nederland van de CPNB een persuitnodiging. Waarop steevast een week voor het bal begint een afwijzing volgt, vanwege teveel aanmeldingen. Gek genoeg nodigt de CPNB zijn persrelaties uit en geeft vervolgens een ‘non-accreditatie’. Maar dit jaar was anders. De uitnodiging was persoonlijker, (we zouden het fijn vinden), dat streelde de veren, deed denken aan nieuwe schoenen, een goede pen. Toch kwam daarna de mail: ‘Helaas moet ik je een teleurstellende mail sturen’, met een vonkje hoop, ‘Omdat we je er eigenlijk wel bij willen hebben sta je nog wel op de reservelijst…’

    Op de dag van het Boekenbal mailde ik nog of er misschien iemand van de perslijst was afgevallen. Maar ‘helaas’, geen afmeldingen, afgesloten met: ‘Heb een mooie boekenweek!’ Daar lichtte ik van op. Nooit wenste iemand mij een fijne boekenweek, alsof kerstmis aanstaande was. Ik mailde per omgaande, ‘Dank! Jullie ook!’
    Enigszins verlicht keerde ik terug tot de realiteit van de dag, ging verder met het lezen van Andrej Platonov. In een van de langere verhalen, ‘De verborgen mens’ heeft Foma Jegorytsj Poechov net zijn vrouw Glasja begraven. Poechov is een man zonder conventies, geen dweper. Alles geschiedt volgens hem volgens de wetten van de natuur, het is zo fijn beschreven: ‘Hij sneed op de grafkist van zijn vrouw een gekookte worst in stukjes, daar hij wegens afwezigheid van de vrouw des huizes uitgehongerd was.’ Als hij de volgende dag ontwaakt roept hij: ‘Glasja!’ Maar niemand reageert, zegt, ‘Wat is er, Fomoesjka?’

    ‘Daar had je ze dan, de wetten van de natuur’, dacht Poechov berouwvol: ‘Ik had groot onderhoud aan mijn oudje moeten plegen, dan had ze nog geleefd, maar er zijn geen middelen en de kost is niet best!’ Poechov werkt op een sneeuwschuiver die de rails op de Steppe van Rusland moet vrijhouden van sneeuw. Het is de tijd van de Russische revolutie en het is onmenselijk werk, er is honger, wodka, ongelukken. Aan de stationsmuren hangt de propagandatekst: ‘Wij arbeiders nemen boeken ter hand, / Leer, proletariër, vergroot je verstand!’. Nogal onbeholpen geschreven volgens Poechov, die er een vrolijke eigen mening op na houdt. ‘Je moet zo schrijven dat alle sukkels van de weeromstuit verstandig worden!’ Ja, dat was me nog eens een tijd.

    Oja, nog onder de douche kreeg ik na de ‘stel je voor’ gedachte een schok van realiteitszin. Hoe had ik het in mijn hoofd gehaald, ik, naar het Boekenbal! Met die uitgroei in mijn haar, geen geschikt tasje of jasje, en hoe had ik in godsnaam weer thuis moeten komen?

     

     

    Verhalen / Andrej Platonov / vertaling en nawoord door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot, 2019


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en ging niet naar het Boekenbal. 

  • Zoeken en vinden als vorm van genade

    Zoeken en vinden als vorm van genade

    Jutka Horvath, het hoofdpersonage in Vonne van der Meers roman Vindeling, lijkt het zusje van Ramses Shaffy’s Sammy. ‘Waarom loop je zo gebogen Sammy’, zingt Shaffy en geeft allerlei suggesties op het waarom. Ook Jutka loopt gebogen en kijkt constant naar beneden. Zij doet dit, omdat ze hoopt op straat iets te vinden. Urenlang loopt ze ‘door de stad in de hoop iets te zien liggen wat een ander was kwijtgeraakt’. Zoals een damestas, die ze als zesjarige vindt en die haar leven verandert, doordat ze van de eigenaresse ervan een boek, Winterboek, cadeau krijgt. Daarin staat onder meer een verhaal over een kind dat een speelgoedvis kwijt raakt.

    Vis als bijbels symbool

    Jutka weet als kind nog niet wat wij, als volwassen lezers erin vermoeden: de vis als symbool voor het christendom;  zoeken en vinden als Bijbelse notie. Met al dat zoeken, vinden en teruggeven kan het thema van de dertiende roman van Van der Meer dan ook niet mis verstaan worden. In het grote en in het kleine. Groot, omdat Jutka haar vaderland Hongarije, of, ‘waar wij vandaan komen’ als vluchteling in 1956 kwijt was geraakt. Klein omdat haar vader dood is, of beter: doodgezwegen wordt omdat hij vreemd ging. ‘Ze probeerde te vergeten dat hij haar vergeten was’. Tenminste, dat dacht ze.

    Subtiliteit wordt pathetiek

    Vinder zijn is, zegt de moeder van Jutka, een vorm van genade. Het terugbezorgen van een vondst aan de eigenaar, is het brengen van geluk. Vinden lijkt op vissen, waarmee het eerder genoemde thema ‘vis’ en de christelijke connotatie daarvan op een subtiele manier wordt hernomen. Dit geldt ook voor het beeld van Jutka, die door al dat gestaar naar de grond krom groeide en op school werd nageroepen als ‘kolensjouwer’ of ‘dromedaris’. Het is een beeld dat in de literatuur oude papieren heeft: een Messiasachtige figuur zoals Lev Nikolayevitch Myshkin in Dostojevskis’ De idioot. Een personage dat in Zwitserland vervreemdt van zijn vaderland, zoals Jutka in Nederland van Hongarije, en wordt bespot. Met dit verschil, dat Jutka in tegenstelling tot de Russische prins wél wat te bieden heeft, als vindeling.

    De filosoof Peter Sloterdijk noemt Myshkin een engel zonder boodschap, zoals een priester van een kerk waarin je de Sint Nicolaaskerk in Amsterdam zou kunnen herkennen, in Jutka’s gekromde rug engelenvleugels meende te kunnen zien, ‘als handen die zich smekend samenballen’. De subtiliteit van het beeld van de vis, maakt hier plaats voor pathetiek, die misschien alleen te pruimen is binnen de geschetste intertekstualiteit en de lichtere passages over Jutka’s moeder, die ’s avonds als de pianiste Miss Chris optreedt in Hotel Rembrandt.

    Tijdens een van die avonden vindt Jutka, die alleen thuis is, in de kledingkast van haar moeder een schoenendoos waarin zo’n honderd ansichtkaarten zitten die haar dood gezwegen vader gedurende zeven jaar (het getal van de volheid) aan zijn dochter schreef en die haar moeder altijd voor Jutka verborgen hield. Het lijkt of Jutka hiermee zichzelf vindt en ze besluit, omdat ze er inmiddels de leeftijd voor heeft, uit huis te gaan.

    Dilemma’s 

    Er ontstaat een nieuwe verhaallijn, wanneer Jutka in Parijs, waar ze als au pair werkt, de Algerijn Hamid ontmoet die haar een dilemma voorlegt: moet je het belang van een groep mensen voor laten gaan boven dat van bijvoorbeeld je eigen kind? Hier schemert de filosofie van iemand als Thomas Hobbes en het communitarisme doorheen, wat verder niet wordt uitgewerkt. Met een beetje fantasie kun je deze verhaallijn opvatten als het vinden van een man. Door dergelijke verhaallijnen, waarbinnen het thema zoeken en vinden wordt verschoven naar hervonden herinneringen met haar vader, die ze na veertien jaar (twee maal zeven) in Parijs ontmoet, verbrokkelt het thema steeds meer, zodat je je als lezer soms afvraagt of Van der Meer er niet beter aan had gedaan het op zich fraaie gegeven van de Vindeling uit te werken tot een verhaal, een novelle of – zoals in Eilandgasten (1999), waarin ook een soort engel een verbindende schakel is, – een roman in verhalen.

    Het lezen van de schrijfster

    Soms is er een moment waarop je denkt te begrijpen wat de schrijfster aan het doen is. Namelijk in het laatste hoofdstuk, wanneer Jonas – een jongeman in een honkbaljack – Jutka een map terugbrengt die ze was verloren, met ‘losse fragmenten van verhalen’ die ze al vijftien jaar met zich meezeult. Bijvoorbeeld over een kind dat in een container werd gevonden. Op deze manier vallen vorm, inhoud en boodschap van de roman even samen, want vijftien is het symbool van genade.
    Jammer is alleen dat dit soms wat pathetisch wordt verwoord ten koste van een subtiliteit die wel degelijk in de roman aanwezig is. Niet alle (niet-christelijke) lezers zullen dit helemaal kunnen waarderen. Maar dat is waarschijnlijk niet Vonne van der Meers primaire doelgroep.

     

  • Geen alledaags beroep

    Geen alledaags beroep

    Als een vrouw berooid achterblijft nadat haar man is overleden, plaatst ze een advertentie waarin ze zichzelf aanbiedt als voorlezer: ‘prettige stem, komt u voor het slapen instoppen en voorlezen’. Voorlezen, daar is ze goed in. Het wordt een succes; de behoefte aan een verhaaltje voor het slapen is namelijk groot. Ze vertelt niets aan haar uit huis wonende kinderen (voor wie ze alleen maar een moeder en echtgenote is), dat ze elke avond met een huissleutel de woningen van vreemden binnengaat terwijl die in bed op haar liggen te wachten. ‘Dit werk is mijn geheime tuin, pas als hij in bloei staat, beslis ik of ik het hek openzet, en voor wie.’
    De vrouw komt voor in De vrouw met de sleutel door Vonne van der Meer. De roman werd bij verschijning in 2011 veelal als een niemendalletje, een tussendoortje neergezet, maar blijkt bij nadere lezing een zeer knap geheel waarin verschillende verhalen op ingenieuze wijze met elkaar verweven zijn. Het bestaat niet alleen uit verhalen maar gaat ook over het schrijven van verhalen. Beginnend schrijvers  zouden er beslist hun voordeel mee kunnen doen.

    Hoewel ik niet berooid ben maar wel sinds een maand werkloos, overwoog ik of ik iets soortgelijks had in te zetten waarmee ik de kost zou kunnen verdienen. Mijn ambachtelijke professie is zuurdesembroden bakken. De geur van ovenvers brood werkt opwekkend. Die geur zou ik kunnen verkopen zodat mensen met een vernietigend ochtendhumeur goed de dag inkomen. ‘Broodbakster, brengt geur van gebakken brood bij u thuis waardoor u opgewekt de dag begint. Voor het hele gezin.’ 

    Maar het liefst zou ik ‘brievenschrijver’ worden al betwijfel ik of dit een openbare behoefte zal dienen. Wie zou aan Tsjechov willen schrijven? Hem vragen of hij werkelijk zijn verhalen schreef aan een keukentafeltje in zijn ouderlijk onderkomen in Moskou? Hoe hij kon schrijven te midden van het huiselijke rumoer of inspireerde hem dat juist? Een brief aan Natalia Ginzburg, waarin ik haar schrijven zal dat haar verhalen nog steeds mijn maatstaf zijn. Of aan Frida Vogels, om te vragen wat zij van het huwelijk in het algemeen vindt. Dat haar boeken me met ernst en stilte vervulden. Alles ondertekend met ’Hoogachtend’, zoals Erik Menkveld dat deed in zijn prachtige en ook ontroerende brievenboek Met de meeste hoogachting. Brieven aan onder meer Boeddha, John Coltrane en zijn kinderen. Ik vrees dat ik daar geen droog brood mee verdienen zal.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • De eenheid van verhaal

    De avond had een feestelijk karakter, want er werd een prijs – de J.M.A. Biesheuvelprijs – toegekend en uitgereikt. Dé prijs voor de beste verhalenbundel van het jaar. Een prijs die indirect bijdraagt aan de acceptatie van het korte verhaal als volwaardig literair genre.
    Er werd die avond ook een vrij fundamentele vraag gesteld. Een vraag waar je een hele avond aan zou kunnen wijden. En toch kreeg die vraag niet de aandacht die hij verdiende. Moderator Daan Windhorst stelde hem. Lodewijk Wiener, Ad van den Kieboom en Sander Blom – die aantraden als pleitbezorgers voor de genomineerde bundels van Joubert Pignon, Annelies Verbeke en Vonne van der Meer – probeerden hem te beantwoorden.

    ‘Is een bundel een relevante eenheid?’ Dat was de vraag. Een vraag die een ontsnappingsmogelijkheid biedt. Wie hem beantwoordt, kan nadruk leggen op de relevantie van een zekere thematische verwantschap tussen verhalen die samen een bundel vormen. Die kant ging het die avond vooral op. ‘Het begint bij wat een schrijver wil. Bij Annelies is het uitgangspunt een thema. Op basis van dat thema – in Halleluja is het thema “begin en einde” – kiest of schrijft zij de verhalen die gebundeld worden.’ Dat was de kern van het antwoord van Ad van den Kieboom, als redacteur verantwoordelijk voor het werk van Annelies Verbeke.
    In het verlengde van dat antwoord kwam ter sprake dat het voor het onder de aandacht brengen van een bundel heel handig is dat verhalen iets met elkaar te maken hebben. Een opmerking die nogal wat impliceert en daarom verontwaardiging had moeten oproepen, maar die avond geen enkele ophef veroorzaakte. Blijkbaar waren de aanwezigen reëel genoeg om zich niet tegen deze door de commercie ingegeven realiteit te verzetten.

    Beide antwoorden suggereren dat de kleinste eenheid van verhaal niet het korte verhaal maar de verhalenbundel is. Als dat echt zo is en als een bundel geen verzameling losse verhalen mag zijn (ook dat werd gezegd), dan – merkte Sander Blom, als redacteur betrokken bij de totstandkoming van het werk van Vonne van der Meer, op: ‘ontneem je de schrijver de mogelijkheid om af en toe een kort verhaal te schrijven.’
    Dat is natuurlijk niet waar. Het staat iedere schrijver vrij om af en toe een kort verhaal te schrijven. De vraag is alleen waarom hij dat zou doen als dat ene verhaal niet de aandacht krijgt die het verdient.

    In het kader van de emancipatie van het genre is het mooi dat er een prijs bestaat voor de beste verhalenbundel, maar iemand die incidenteel een (heel) goed verhaal schrijft, schiet daar (helemaal) niets mee op. Zo kun je de vraag van Daan Windhorst ook interpreteren. Als een kleine kanttekening bij een gewaardeerd initiatief.
    Wat het genre naast de J.M.A. Biesheuvelprijs nu alleen nog nodig heeft, is een aanmoedigingsprijs. Een prijs die ook iemand die nog nooit een kort verhaal geschreven heeft weet te verleiden (zoals de Turing Gedichtenwedstrijd mensen aanzet tot het schrijven van een/één gedicht). Een prijs die recht doet aan de eenheid van verhaal: het verhaal.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • J.M.A. Biesheuvelprijs 2018 voor Annelies Verbeke

    J.M.A. Biesheuvelprijs 2018 voor Annelies Verbeke

    Voor de vierde maal werd woensdagavond 21 februari in het Amsterdamse Lloyd Hotel & Culturele Ambassade de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt. Annelies Verbeke werd met haar verhalenbundel Halleluja (De Geus, 2017) de gelukkige winnaar.  Volgens de jury is: ‘Halleluja is een doorwrochte bundel vol prachtige zinnen, sterke vondsten, geloofwaardige eigenaardigheden en personages om in je hart te sluiten – en soms ver van je vandaan te houden.’

    De Biesheuvelprijs is de eerste literaire prijs voor de beste Nederlandstalige korteverhalenbundel. Aan de prijs was dit jaar een bedrag van € 7.336 verbonden. Dit bedrag is geheel door middel van crowdfunding bijeengebracht – wat uniek voor een literaire prijs is.

    De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2018 bestaat uit Babs Gons (schrijver, performer, theatermaker, docent), Marieke de Groot (boekverkoper), Theo Hakkert (journalist, recensent) en Sanneke van Hassel (schrijver).

    Overige genomineerden waren: Vonne van der Meer met Brood, zout, wijn (Atlas Contact 2017) en Joubert Pignon met Mooie lieve schat (Atlas Contact 2017)

     

     

  • De lezer aan de ketting

    De lezer aan de ketting

    Momenteel lees ik Winter in Gloster House van Vonne van der Meer. Het lag op me te wachten in de bieb bij de teruggebrachte boeken, een fijne manier om boeken te ontdekken die ik anders zou zijn misgelopen. Het plezier van toevallige ontmoetingen!

    Ja, je kunt lezen alsof je bezig bent aan Eliza’s vlucht uit De hut van Oom Tom: springend van schots naar schots, zonder te weten waar je je volgende stap zult zetten. Door Van der Meers boek – dat in bijna sprookjesachtige vorm stelling neemt tegen het euthanasiasme, bijzonder boeiend – zou ik bijvoorbeeld weer eens iets van haar echtgenoot Willem Jan Otten kunnen gaan lezen, want ze gebruikt beeldspraak die ik herken uit diens Gerichte Gedichten: de pluizenbol van de paardenbloem, ketsende steentjes over het water. De titel stuurt me naar Shakespeare’s King Lear. Achterin noemt Van der Meer verschillende boeken van zichzelf, zoals je vroeger in een Suske en Wiske wel eens een voetnoot tegenkwam waarin werd verwezen naar een eerder avontuur.

    Zo hoeft een mens nooit lang na te denken over zijn volgende boek. Grappig, deze keten van toevalstreffers geeft me paradoxaal genoeg een gevoel van vrijheid, doordat hij me bevrijdt van mode en conformisme in de keuze van mijn lectuur.

    Zo heb ik het afgelopen half jaar mijn tanden stuk gebeten op Mijn heldere afgrond van Christian Wiman. Ik had erover gelezen bij Otten, die het vertaald heeft, en bij Stevo Akkerman. Het gaat over God en poëzie, lijden en dood. In taal, stijl – zoekend, hardop denkend – en sowieso qua onderwerp is het op en top een boek van Otten.

    Zijn vertaalwerk is niet alleen opvallend doordat je Ottens eigen stem lijkt te horen maar ook doordat hij neologismen verzint. ‘Pointless’ vertaalt hij met ‘puntloos’ en ergens staat ‘uitpieteren’ waar in het origineel naar ik aanneem ‘peter out’ staat. Op internet las ik trouwens dat hij de tekst enigszins gekuist heeft. Geen schuttingtaal zoals in het origineel.

    Doordat het boek zo op en top ‘een echte Otten’ is, twijfelde ik aanvankelijk aan de herkomst. Had hij misschien een nieuw boek gepubliceerd onder het mom van een vertaling? Die naam, Christian Wiman, had die niet veel weg van een pseudoniem? De ‘Christelijke Waarom-mens’? Maar nee, het internet leerde me dat Wiman bestaat. Boekbesprekingen, interviews, filmpjes op YouTube.

    Ik klikte een filmpje aan waarop hij een lezing houdt en toen gebeurde het: ik ontdekte een schrijver. Maar niet Wiman.

    Die begint zijn voordracht met een gedicht, en dat doet hij bijzonder goed: met grote ernst, indringend, langzaam en duidelijk articulerend. Hij richt zich tot zijn toehoorders als iemand die iets van groot belang wil overbrengen. Ik was meteen verkocht.

    Wiman voltooide zijn voordracht en ik bleek te hebben geluisterd naar het gedicht ‘The City Limits’ van A.R. Ammons. Nooit van gehoord.

    When you consider the radiance, that it does not withhold
    itself but pours its abundance without selection into every
    nook and cranny not overhung or hidden; when you consider
    that birds’ bones make no awful noise against the light but
    lie low in the light as in a high testimony; when you consider
    the radiance, that it will look into the guiltiest
    swervings of the weaving heart and bear itself upon them, (…)

    Zo begint het. De hele voordracht vindt u hier.

    Een indrukwekkend gedicht van een onbekende dichter: de gedachte dat er misschien een heel boek, wat zeg ik: een compleet oeuvre op me ligt te wachten, maakt me niet alleen nieuwsgierig maar ook hebzuchtig. Dat pakt soms faliekant verkeerd uit. Ooit heb ik het Verzameld Werk van P. N. van Eyck gekocht, onder de indruk als ik was van zijn gedicht ‘Gij zijt mij overal nabij’. Het gedicht ken ik nog altijd uit mijn hoofd; de zeven dundrukdeeltjes fungeren sinds jaren als boekensteun.

    En nu bezit ik dan Selected Poems van Ammons. Ik moet me de gedichten eigen gaan maken, een heel werk en altijd een ambivalente onderneming, want voor een verborgen schat moet je moeite doen. Je moet je niet door duisterheden uit het veld laten slaan of door alle woorden die je moet opzoeken. Je moet wennen aan stem en idioom. Proeven en keuren. Dat vraagt tijd en herhaalde aandacht. Ik moet, net als de straling uit het gedicht, m’n licht laten schijnen over alles wat zich aandient.

    Wie weet vind ik goud. Dankzij YouTube. Dankzij Wiman. Dankzij Akkerman. Dankzij Otten. Want een schrijver mag volgens Adriaan van Dis uit vele lezers bestaan, een lezer bestaat uit vele schrijvers. Zoals er een keten bestaat van boeken die op je pad komen, zo is er ook een keten van estafettelopers die je die boeken bezorgen.

     

  • Wonderen hand in hand met de dood

    Wonderen hand in hand met de dood

    Je bent op vakantie en slaat nét de verkeerde steeg in. Of je treft jezelf aan in precies de verkeerde bar. Dan wil je weleens ontglippen: ‘Daar wil ik dood nog niet gevonden worden!’ Simpel en ondoordacht. Maar in het Gloster Huis uit de roman van Vonne van der Meer is de grens tussen leven en dood niet zo eenvoudig. Je denkt er te gaan sterven, maar er gebeurt iets anders…

    Het is 2024. Twee zoons erven een fortuin van hun oude vader. Tijdens de installatie van de traplift was vader op een fonkelende nalatenschap van de vorige bewoonster van het huis gestuit: een enorme diamant. Zo wrang als het is om net het gouden ticket naar de chocoladefabriek te winnen terwijl je lichaam je in de steek laat, zo heeft vader er een goede bestemming voor: hij laat zijn zoons de diamant na en geeft hen de opdracht mee er iets goeds mee te doen.

    Klaar met leven-wet
    Dat laten Richard en Arthur Hofstede zich geen twee keer zeggen. Om te eindigen als hun vader, met niemand naast zich en niets meer omhanden; daar moeten ze niet aan denken. De Klaar met leven-wet is net aangenomen in hetzelfde jaar waarin prinses Amalia aan een Grieks strand door de paparazzi wordt betrapt tijdens een amoureuze escapade met een onbekende jongeman. Richard is er al snel uit: hij bouwt een hotel voor mensen die daar uit vrije wil en efficiënt kunnen sterven: het Vaarwelhotel. Arthur gaat mee in Richards enthousiasme, maar hij bedenkt iets anders: het Gloster Huis. Bij de poort staat: ‘Wie hier binnentreedt, kan alles verwachten.’

    Vaarwelhotel
    ‘Ze laten je zelfmoord dus mislukken.’ Tot die conclusie komt Noor, als ze zich na enige dagen realiseert dat ze niet dood is, maar uit een roes ontwaakt in het Gloster Huis. Het Vaarwelhotel bevindt zich aan de ene kant van een meer, het Gloster Huis aan de andere kant. Arthur fungeert als Charon, de veerman van de Styx die de doden overzet naar het schimmenrijk. Hij beslist samen met Richard over leven en dood van de gasten in het Vaarwelhotel. Als er twijfel is aan de oprechtheid van de doodswens en er nog een sprankje hoop is op een gelukkig leven, grijpen Arthur en Richard in. Dan gaat een bezoeker van het Vaarwelhotel zonder het te weten naar de andere kant van het meer, naar het Gloster Huis. De naam Gloster Huis heeft Arthur bedacht, omdat hij in dit huis hetzelfde doet als Edgar, de zoon van de graaf van Gloucester uit de tragedie King Lear van Shakespeare: Edgar behoedt zijn vader voor een zelfmoordpoging, door net te doen of hij hem erbij helpt.

    Wat doet ertoe?
    Door de mensen in het Gloster Huis die zich om haar bekommeren en voor wie zij iets kan betekenen, heeft Noor het gevoel alsof er iedere dag meer luchtkussentjes van bubbeltjesplastic in haar hoofd worden leeg geknepen. Is dat wat het leven de moeite waard maakt: dat we ertoe doen voor anderen? Deze vraag en talloze andere vragen doemen tijdens het lezen op. In hoeverre is het geoorloofd dat een buitenstaander zo drastisch ingrijpt in andermans leven? Past een Vaarwelhotel in de toekomst in onze maatschappij? Hebben veel mensen gebrek aan oprechte aandacht? Geen lichtzinnige vragen. Toch weet Vonne van der Meer er op een verrassend luchtige manier over te schrijven. Wonderen gaan hand in hand met de dood in dit boek en toeval bestaat wél. Een prachtig en origineel boek.

     

  • Een levenservaring die leidt naar een religieus ontwaken

    Een levenservaring die leidt naar een religieus ontwaken

    Het smalle pad van de liefde van Vonne van der Meer is een roman over vriendschap, verlies, overspel en religie. Twee stellen en hun kinderen brengen elk jaar de zomervakantie samen door in Frankrijk. Het huis dat aan het ene stel, Floris en Françoise toebehoort, is er ruim genoeg voor. Het andere stel, Pieter en May, leerde hen kennen na de dood van het jongste kind van Floris en Françoise, Björn, die door een noodlottig ongeluk om het leven kwam. Ze spreken normaal niet over het ongeluk en zo komt May pas later te weten dat Françoise deels schuldig is aan de dood van haar zoontje, iets wat de lezer echter al van het begin af weet.

    De wisselwerking en aantrekkingskracht tussen de beide stellen is goed beschreven. Het overspel tussen Floris en May wordt subtiel neergezet, zonder te veel details. De personages zijn in de eerste helft van het boek geloofwaardig. Maar het personage May, dat het meest gevolgd wordt, ontdekt in de tweede helft van de roman haar religieuze gevoelens en die psychologische ontwikkeling overtuigt niet geheel. De verandering van de moderne, seculiere stadsvrouw May in iemand die ontvankelijk is voor het katholieke geloof, is vrij abrupt.

    Het beschrijven van de plotse ontvankelijkheid voor het katholicisme is waarschijnlijk één van de hoofddoelstellingen van de schrijfster geweest, die zelf na haar jeugd katholiek werd. Voor diegenen die niet bevattelijk zijn voor religie is het moeilijk mee te leven met de ontwikkeling van May. Misschien is voor hen geloven iets dat te geheimzinnig is. Als het uitdrukking geven aan het mysterie dat geloven is, de opzet was, is dit wel gelukt. Vanuit die optie is de verandering die May doormaakt interessant omdat deze in lijkt te gaan tegen de tijdgeest in.

    De roman heeft een alwetende verteller. Van der Meer schrijft passages als: ‘Hier zou dit verhaal opnieuw een andere wending kunnen nemen, een misdaadroman worden over twee geliefden die nog nooit een vlieg kwaad hebben gedaan.’  Daar voegt ze even later aan toe: ‘Maar zo’n verhaal wil dit niet worden, moordenaars worden onze geliefden niet.’

    Dergelijke beschouwingen op wat voor soort vertelling het is, zijn interessant en beklemtonen de fictionaliteit van de roman.
    Het begin van het boek is goed geschreven. Je wordt direct het verhaal in getrokken. Het is een beschrijving van de gebeurtenissen die leidden tot de dood van Björn. Dit emotionele moment raakt je echter minder dan wanneer het later in de tekst (als terugblik) zou zijn beschreven, als je al meer met Floris en Françoise meeleeft. Nu is deze gebeurtenis echter wel een wrang fundament onder het verhaal. De beschrijving van baby Björn is summier, maar mooi: ‘Zijn lach als een van zijn zusjes haar gezicht vlak bij het zijne bracht, [was] een geschater dat diep uit zijn buik kwam, als je Boeddha kon horen lachen, klonk het zo.’

    Van der Meer komt met een heel eigen geluid dat afsteekt tegen überhip geschrijf van veel andere hedendaagse schrijvers. Het verhaal gaat ergens over, maar niet iedere lezer zal iets kunnen met de thematiek van een religieus ontwaken.

     

     

  • ‘Ik wist nog van niks’

    ‘Ik wist nog van niks’

    Iedereen weet wat het is om een geheim bij je te dragen. Omdat je iemand beloofd hebt het niet te verklappen, of dat je iets hebt gedaan wat niet mocht, of omdat je je ergens voor schaamt. Kinderschrik gaat over het geheim dat het personage Justus met zich meedraagt sinds zijn kinderjaren. Het geheim an sich staat in dit verhaal niet centraal, maar de invloed van dit geheim op de volwassen Justus en op zijn naaste geliefden die er niet van afweten.

    Dat de spanning in het verhaal niet wordt opgebouwd rondom de onthulling van het geheim, blijkt al uit de flaptekst die uitgeverij Contact heeft geschreven; de anticlimax is groot als je voorafgaand aan het lezen al te weten bent gekomen dat het hoofdpersonage Justus op zijn verjaardag wordt herinnerd aan iets vreselijks dat hij als kind heeft ondergaan toen hij op een middag moest nablijven bij ‘frater S’. Ook de kaft is veelzeggend: de zwarte contouren van een jongetje die de onderdanige houding heeft aangenomen van een kind dat opkijkt naar een volwassene.

    Afgaand op de uitgave en vormgeving van het boekje wordt dit verhaal, al voor het gelezen te hebben, geframed binnen de huidige commotie rondom kindermisbruik. Op deze manier kan het boekje gelezen worden als een onderdeel van de geschiedenissen die de afgelopen twee jaar zijn ontdekt rondom kindermisbruik dat zich heeft afgespeeld binnen de katholieke kerk. Het is een autobiografisch, fictief verhaal dat een stem geeft aan de vele kinderen die misbruikt zijn op katholieke internaten gedurende de jaren zestig.

    Kinderschrik is het zevende deel in de serie ‘kleine boekjes’. Deze serie stelt tot doel om in weinig tekst grote ideeën te bespreken. Er is zelfs een website ingericht (http://www.kleineboekjes.nl) om nog meer te weten te komen over de context waarin het boekje geplaatst kan worden. Op deze website zijn onder andere korte stukjes te lezen over het onthullen van geheimen en is een documentaire te bekijken over de ‘Jongens van Don Rua’. Auteur Josef Willems is één van deze jongens en hij spreekt in de documentaire openhartig over zijn herinneringen aan het internaat. Willems en de andere mannen die aan het woord komen spreken niet alleen over het verleden, maar ook over de associaties in het heden die worden opgeroepen door dit verleden.

    Tot dusver de context. Betekent dit dat Kinderschrik gelezen moet worden als pure autobiografie? Dat is een gevaarlijke en irrelevante vraag. Het gaat erom dat je het boekje begint te lezen met deze context in je achterhoofd. Juist doordat je weet wat er komen gaat, leef je sterker mee met het hoofdpersonage Justus in diens opgeschreven biecht waarin hij zijn geheim onthult aan zijn naaste vrienden en familie.

    Kinderschrik is opmerkelijk opgezet. Een dun boekje dat ondanks het geringe aantal pagina’s – in slechts 45 minuten heb je het verhaal van A tot Z gelezen – is opgedeeld in een tweeluik. Het eerste deel is geschreven door schrijfster Vonne van der Meer. Haar ik-figuur is een goede vriend van Justus en zit in het complot om hem te verrassen op zijn verjaardag. Ze beschrijft nauwkeurig haar twijfels over de organisatie van het feest en haar gedachten worden je als lezer aangeboden als een stream-of-consciousness. Het gaat om een beschrijving achteraf, zoals blijkt uit zinnen als ‘maar zover was het nog niet, ik wist nog van niks’. Als het feest eenmaal op gang is en de tijd is aangebroken voor de verrassing, reageert Justus in de ogen van de ik-figuur nogal merkwaardig, onverwachts en vooral onverklaarbaar.

    Het eerste deel van de tweeluik probeert te eindigen in een cliffhanger; de lezer zou achter moeten blijven met dezelfde vragen als de ik-figuur wanneer het tweede deel begint. Er is echter niet echt sprake van een spanningsboog, doordat je als lezer door de context en de flaptekst al precies weet wat er zich heeft afgespeeld in de jeugd van Justus. Hierdoor kan je als lezer alle vragen al beantwoorden voordat je het verhaal van Justus zelf hebt gelezen. Een jammer gevolg van de keuze van de uitgever om het boek op deze manier te presenteren. Desalniettemin leest ook dit tweede deel waarin Justus vanuit zijn perspectief de gebeurtenissen op zijn verjaardagsfeest beschrijft, weg als een trein. Justus’ gedachten en associaties in het heden met vroeger zijn met een vlotte pen opgeschreven.

    Toch doet de schrijfstijl van het boekje helaas een beetje clichématig aan. Het gevoel dat het verjaardagsfeest bij Justus opgewekt wordt, wordt beschreven in termen als ‘vijand’, ‘afstandelijk’, en ‘prooi die wordt aangevallen’. Toegegeven, deze woorden beschrijven het beklemmende gevoel van Justus het best, maar als lezer wordt je weinig geprikkeld door het ontbreken van een ‘eigen’ schrijfstijl. Misschien is dit het probleem van dunne boekjes: een schrijver krijgt de opdracht met weinig woorden veel te schrijven, waardoor het lastig is echt de diepte in te gaan. Al met al is Kinderschrik een aardig boekje, met name door de opzet en vanwege de actualiteit van het onderwerp.