• Ervaringen van een gewezen grenswachter

    Ervaringen van een gewezen grenswachter

    Een groot probleem, dat de gemoederen wereldwijd bezighoudt, is het internationale vluchtelingenprobleem. Miljoenen ontheemden trekken grenzen over of varen in brakke bootjes over zeeën en moeten dat vaak met uithongering, uitdroging of zelfs de dood bekopen. Machteloze regeringsleiders en ministers vaardigen zinloze maatregelen uit en pompen gigantische bedragen in hulpprogramma’s, die niets meer dan druppels op de gloeiende plaat blijken te zijn.

    Humanitaire ramp
    In Europa dreigt dit probleem op een heuse humanitaire ramp uit te draaien. De emoties laaien aan alle kanten op. In Mexico op de grens met Amerika is er een soortgelijk probleem maar misschien van iets minder grote omvang. Hier ontvluchten mannen, vrouwen en kinderen Mexico en proberen naar het land van melk en honing, de Verenigde Staten van Amerika, te komen. Het zijn bijna zonder uitzondering economische vluchtelingen. Ze zoeken een baan, smokkelen drugs of treden op als prostituee. Daartoe moeten ze dan eerst wel de snelstromende, levensgevaarlijke Rio Grande oversteken. Een snelstromende rivier vol krokodillen en piranha’s. Bovendien bewaakt de US Border Control, de Amerikaanse grenswacht, deze grens zeer streng.

    Getuige
    Francisco Cantú, schrijver en vertaler, gebruikte zijn studie Immigration and Border Policy om vastere greep op het vluchtelingenprobleem te krijgen. Hij doet meer. Hij meldt zich aan bij de Amerikaanse grenswacht. Dat gaat in zijn geval makkelijk, omdat hij in Mexico is geboren en vloeiend Spaans spreekt, wat handig is, wanneer je bijna uitsluitend met Spaans sprekende illegale vluchtelingen te maken krijgt. En dat maakt dit boek tot een aangrijpend document. Cantu mengt zijn ervaringen met feiten, die hij bij zijn studie heeft leren kennen. Het wordt geen activistisch geschrift. Daarvoor houdt Cantu zijn mening te vaak weg, maar de feiten zijn schokkend genoeg. 

    Gruwelijk
    De veelal Mexicaanse vluchtelingen zijn uitgedroogd, hongerig en vooral wanhopig. En Francisco Cantú moet deze medemensen arresteren of terug de grens over zetten. Aangrijpende scenes wisselen elkaar af en bezorgen de lezer de rillingen. Een meisje met zware bloedvergiftiging wordt door de meedogenloze grensbewakers, de collega’s van Cantú, eenvoudigweg in de rivier gegooid. Het lijkt of het hele vluchtelingenprobleem in een nutshell aan ons wordt voorgetoverd door de dilemma’s die Cantú belicht.

    Dilemma’s
    De twijfels, die rijzen bij Cantú zijn de twijfels die velen van ons zullen hebben bij het hele vluchtelingenvraagstuk. En dat is een knap staaltje schokkend proza. We kunnen van een afstand naar het probleem kijken, maar er ook midden in gaan zitten. En Cantú probeert het zo lang mogelijk. Hij onderschept met zijn team drugspartijen, want tussen VS en Mexico is vooral van de kant van de Mexicanen een levendige handel. Ook dit probleem is niet zo eenvoudig als hij aanvankelijk nog had gedacht. Een drugskoerier smeekt hem, de zakken met coke niet in beslag te nemen, want zijn hele familie zal dan ten onder gaan aan schulden. Cantú aarzelt even of hij de koerier zal laten lopen, maar dat moment is voorbij wanneer de andere grenswachters weer opduiken en eigenlijk zelf ook wat aan de drugsvangst willen gaan verdienen, blijkt later.

    Een gruwelijk probleem doemt op, de corruptie van grenswachters, douaniers en niet in de laatste plaats de rivierpolitie. Alles is langs de rivier is te koop. Vrijheid, smokkelwaar, valse paspoorten enz.enz. De oevers van de Rio Grande, zo heet de grensrivier, zijn eigenlijk een staat in een staat, waar wetteloosheid de overhand heeft. Als Nederlander wrijf je je ogen uit, want hier is het niet zo erg gesteld.

    Teleurstelling
    In het hoofd van Cantú is het na vier jaar aan de grens, inmiddels, een wirwar geworden van door elkaar spelende gedachtes. Hij vraagt zich af of onze perceptie van het begrip grens nog wel opportuun genoeg is. Of dienen de grenzen alleen om nationalisme te bewaken en anderen uit te sluiten? De politici krijgen er ook van langs. Ze zijn ‘gemakzuchtige, geldverslindende nietsnutten,’ volgens de auteur. Maar innerlijk knaagt de situatie aan hem. Hij krijgt nachtmerries en neemt ontslag. Aan dit ontslag danken we dit boek. Een gewetensvol verslag van een bijna onmogelijke situatie. Tegen zijn zin wordt Cantú van insider tot sideliner, maar helpt nog wel de Mexicaanse José aan een verblijfsvergunning.
    Daarna vestigt hij zich als barista, koffiekunstenaar, die koffie volgens een oud beproefd recept zet, schenkt en opdient. En hij bezoekt Nederland om te zien of men daar het vluchtelingenprobleem oplost. Over dat laatste krijgen we niet veel te horen.

    Nadeel van het boek is dat Cantú af en toe te veel resultaten van wetenschappelijk onderzoek door het verhaal weeft. Dat haalt soms de vaart uit het schrijnende, spannende verhaal.

  • Een gereedschapsset om te overleven

    Een gereedschapsset om te overleven

    Onlangs was de documentaire Dance or Die (2016) te zien op televisie. Hierin werd het verhaal verteld van de Syrische danser Ahmad Joudeh (1990) die opgegroeide in het Palestijnse vluchtelingenkamp Yarmouk in Damascus. In 2015 was dit kamp het strijdtoneel van de oorlog in Syrië. Tussen de puinhopen en het oorlogsgeweld gaf Ahmad dansles aan de kinderen van Damascus. Meerdere mensen trokken zich het lot van Ahmad aan en richtten het fonds Dance for Peace voor hem op zodat hij zijn droom professioneel danser te worden kon waarmaken. Ahmad zegt in de documentaire: ‘Je hebt een goed leven als je je geen zorgen hoeft te maken. Als er geen slechte dingen gebeuren, als je veilig bent en er geen bommen vallen. Als er buiten geen mensen sterven.’

    Ahmad kon aan de oorlogsellende ontkomen door zijn uitzonderlijke danstalent. Maar zijn verhaal is een uitzondering. Veel vluchtelingen zijn afhankelijk van mensensmokkelaars. Er zijn meerdere routes naar het veilig geachte Europa; Ahmad kwam per vliegtuig, anderen zijn aangewezen op routes over zee, in gammele bootjes, of over land. Een veelgebruikte route in 2015 was de Balkanroute. Vluchtelingen reisden via Griekenland, Macedonië en Servië naar Hongarije. De treinstations in Boedapest stonden dat jaar vol vluchtelingen. In hetzelfde jaar speelde zich een menselijk drama af. Eenenzeventig vluchtelingen, waaronder vijftien Syriërs, stikten in een koelwagen die via Oostenrijk op weg was naar Hongarije.

    Materiaalmoeheid
    De gebeurtenissen uit 2015 verwerkte de Tsjechische schrijver Marek Šindelka deels in zijn roman Materiaalmoeheid. De oorspronkelijke titel luidt Únava materiálu (2016), de Nederlandse vertaling kwam uit in 2018. Šindelka beschrijft in zijn verhaal de lotgevallen van twee broers – Amir en zijn naamloze broertje, aangeduid als ‘de jongen’ – die in Europa een veilige plek willen vinden. Het boek begint met de ontsnapping van ‘de jongen’ uit een detentiecentrum. ‘Hij stelde vast dat een detentiecentrum in niets verschilde van een gevangenis. Behalve misschien dat de meeste mensen in een gevangenis weten waarom ze daar zitten.’ Het is een vlucht in de nacht, over bevroren sneeuw en rivieren en in de barre vrieskou. ‘Ergens in het noorden zit zijn broer. Daar ergens wacht hij op hem.’ Het besef van tijd en plaats is verdwenen – drie maanden in een detentiecentrum, meerdere dagen in een winters bos.  ‘Hij wist niet meer hoelang hij onderweg was. Hoeveel dagen, maanden of misschien wel jaren er waren verstreken sinds ze op weg waren gegaan.’  Plaatsen zijn slechts aanduidingen – een bos, een rivier, een fabrieksterrein, een spoorwegemplacement. Wel duidelijk is dat hij in Europa is terechtgekomen. Europa is een kil en vijandig continent, omheind met een dubbel hek met scheermesdraad. ‘Europa: dat zijn corridors, snelwegviaducten, logistiek centra –  en vooral hekken.’

    Terugblikken
    Via terugblikken en herinneringen ontvouwt zich de geschiedenis van de jongen en van Amir. Na de bombardementen op hun geboortestad beseffen ze dat ze daar geen toekomst meer hebben: ‘ze zouden de ruïnes achter zich laten. Het leven hier was over.’  Amir sluit een deal met mensensmokkelaars om hen verborgen in een auto naar Europa te brengen.

    Amir moet zich in een krappe holte onder de motorkap wurmen, in een uitsparing in het bovenste deel van de motor. ‘De uitsparing bood ongeveer net zoveel ruimte als een middelgrote koffer.’ De smokkelaar meet de ruimte op met zijn rolmaat om te zien of Amir erin past. Mensen als materiaal: ‘Het lichaam is een gereedschapsset om te overleven.’ Uiteindelijk ligt hij opgerold als een foetus in een motorblok. Ondertussen weet Amir niet waar zijn broertje is. ‘Hij moet toch in de buurt zijn, opgesloten in een ander deel van de wagen, in een ander deel van de machine die hen naar een nieuwe wereld moet brengen.’ Met de auto moeten ze met een veerboot de oversteek naar Europa maken. ‘Wat gebeurde er buiten? Hij had geen flauw idee hoeveel tijd er was verstreken. De tijd was tot stilstand gebracht. Of verliep tweemaal zo snel. Het speelde geen enkele rol. Alles wat hij nu nog had was adem, hartslag en duisternis.’
    Hij komt bewusteloos met koolmonoxidevergiftiging uit het motorblok. ‘In een onbekende Europese stad werd Amir uit de motor geboren.’

    Dood en verderf
    Tijdens de vlucht door de sneeuw denkt de jongen terug aan zijn tijd in het detentiecentrum, hoe hij werd opgepakt, verhoord en vastgezet. Hij vertelt de rechercheurs dat hij met zijn broer Amir heeft afgesproken dat ze elkaar ‘ergens in het noorden’ zullen ontmoeten. De herinneringen zijn niet chronologisch: hij denkt terug aan de dag dat er op de stad waarin hij geboren was twee vatbommen vielen. De naam van het land wordt niet genoemd, net zo min als de naam van de stad. Ze komen uit een oorlogsgebied met steden in puin, een plaats van ‘dood en verderf’. De rechercheurs vertellen hoe ze hem vonden. Een tolk zorgt voor de vertaling: ‘Aan het eind van de zomer kregen we een melding over een vrachtwagen die aan de kant stond op de snelweg richting… (vrouwelijke tolk). Die stond daar kennelijk al een tijdje. Oorspronkelijk ging het om een koelwagen, dat was ook de reden… /…/ Het duurde een tijdje voor we je gevonden hadden.’

    In de hoofdstukken over Amir lezen we de oorlogsverhalen van medevluchtelingen. Een naamloze man vertelt over de honger, over hoe mensen bladeren van de bomen trokken en ze kookten. ‘Amir had het allemaal al zo vaak gehoord, hij had het misschien wel zelf meegemaakt.’  Het is de hel van Dante. Uitgebreid en indringend is het verhaal van de 17-jarige Palestijn uit het Syrische Yarmuk die vertelt hoe hij een orgaan verkocht om zijn vlucht te kunnen betalen. Na de operatie is hij lichamelijk een wrak, met een gat in zijn rug en verslaafd aan pillen.

    Šindelka gebruikt meerdere perspectieven in het boek. De verhalen van Amir en de jongen in de hij-vorm; het verhaal van de Palestijn in de ik-vorm. Bij alle personages is het beeld op de werkelijkheid vertroebeld – Amir door koolmonoxidevergiftiging; de jongen is afhankelijk van een tolk en de Palestijn is niet helder door de medicijnen.

    Het lichaam als materiaal
    Het boek maakt veel indruk door de indringende beschrijvingen van de ellende van oorlog en de zware lichamelijke omstandigheden waarmee twee broers in de winter tijdens hun vlucht naar Europa te maken krijgen. De plot is daaraan ondergeschikt. In deze roman gaat het vooral om de precieze beschrijvingen van fysieke reacties van het menselijk lichaam op onmenselijke omstandigheden: de gevoelens van claustrofobie onder een motorkap van een auto, de processen in het menselijk lichaam bij verstikking in een koelwagen.

    Het menselijk lichaam is voor smokkelaars slechts materiaal – opmeten of een vluchteling in een holte onder de motorkap past; hoeveel vluchtelingen er in een koelwagen kunnen, of, in het geval van de 17-jarige jongen, organen als handelswaar. Wanneer bezwijkt het lichaam onder materiaalmoeheid? Mens, materiaal, machine – Šindelka heeft de vergelijking ver doorgevoerd: De jongen komt op zijn vlucht in een autofabriek terecht. Mens en machine worden bijna een door de beschrijving van de fabrieksarbeider die steeds dezelfde handeling moet verrichten. De volgende beschrijving doet denken aan Kafka’s Gedaanteverwisseling: ‘De montagelijn leek op een reusachtig insect dat op zijn rug was komen te liggen en zich vergeefs trachtte om te draaien. De machinepoten strekten zich uit, herhaalden steeds dezelfde beweging, opereerden feilloos en precies.’

    In een interview met het Belgische MO Mondiaal Nieuws heeft Šindelka zijn bedoelingen toegelicht: ‘Ik wil dat mijn lezers de pijn van vluchtelingen voelen, de fysieke pijn. /…/ Op het niveau van het lichaam zijn we allemaal gelijk. Het stemt tot nadenken en kan, wie weet, wat gevoelens van solidariteit opwekken.’ In hetzelfde interview vertelt Šindelka dat hij zo min mogelijk informatie over zijn personages wilde geven zodat de lezer zijn ‘vooroordelen niet activeert.’ Het verhaal moet gaan over ‘een mens in Europa’, aldus Šindelka (interview met Pieter Stockmans, 16 juni 2018).

    In een roman identificeert een lezer zich over het algemeen sterker met de personages als zij een naam hebben. De lezer is meer betrokken. Denk aan Ahmad Joudeh, de danser uit Syrië. Mensen werden geraakt door zijn persoonlijke verhaal en richtten een fonds voor hem op.
    Šindelka’s boek staat vol knappe beschrijvingen. Bij een gebombardeerd gebouw: ‘Als een tand uit ontbloot tandvlees stak op de tweede verdieping de gootsteen van het scheikundelab de ruimte in.’  Bij zoeklichten die door de kieren in een houten vloer schijnen: ‘Zijn ogen puilden uit naar de lichtlemmeten die uit de spleten omhoog kwamen.’ Zijn beschrijvingen over mishandelingen bij een vluchteling zijn zo gruwelijk dat je als lezer het boek wilt wegleggen. Solidariteit met de vluchteling  opwekken is Šindelka’s doel, maar of hij dat met deze roman op deze manier bereikt is de vraag. Voortdurend sta je als lezer in tweestrijd: afhaken of doorlezen. Afhaken vanwege de beschrijvingen van geweld en verschrikkingen van de verstikkingsdood, doorlezen omdat je hoopt dat het goed komt met Amir en de jongen, dat zij zullen vinden wat Ahmad zo treffend verwoordde over een goed leven: ‘Als er geen slechte dingen gebeuren, als je veilig bent en er geen bommen vallen.’

    Materiaalmoeheid is een intrigerend boek.

     

    Marek Šindelka (1984) ontving in 2017 de Magnesia Litera Award, de belangrijkste Tsjechische prijs voor proza (Magnesia Litera 2017 za prózu).

  • Failliet van het Nederlandse asielbeleid

    Failliet van het Nederlandse asielbeleid

    In dit somber stemmende boek, getiteld Wat we weten, doet Umbgrove een verwoede poging om het Nederlands asielbeleid te doorgronden en te begrijpen; hij gaat op zoek naar de grondslagen van het asielbeleid.
    Het gaat vooral over het functioneren van onze samenleving in het licht van de stroom vluchtelingen uit het Midden Oosten die moet worden opgevangen. Umbgrove trekt uit zijn onderzoek de conclusie dat ‘we te veel niet weten’ om een oordeel te vellen over het asielbeleid. Niettemin draagt hij voldoende materiaal aan om vast te stellen, dat het huidige asielbeleid tenminste voor verbetering vatbaar is.
    Waarom hij die conclusie niet expliciet zelf trekt, komt doordat hij op twee gedachten hinkt: hij wil een roman schrijven, doet daarvoor onderzoek, maar maakt van zijn boek meer een onderzoeksverslag dan een roman. Zoals hij zelf aan het eind van zijn boek schrijft: ‘Ik ben niet dichter bij een standpunt gekomen; ik heb genoeg materiaal voor een roman’. Of heeft hij misschien gedurende het verloop van zijn onderzoek de dringende behoefte gevoeld meer te doen dan een verslag te schrijven?

    Sharif en Omar

    Tijdens zijn onderzoek raakt Umbgrove bevriend met de gevluchte Syrische broers Sharif en Omar. Door hen komt hij in aanraking met de praktische gevolgen van het asielbeleid. In dit boek beschrijft hij hun leefsituatie in Nederland en lardeert dit met gebeurtenissen uit het werk en het persoonlijke leven van vreemdelingenrechter Claire. Daarbij wordt steeds duidelijker dat het asielbeleid, ondanks alle goede bedoelingen, faalt.
    Zo bekritiseert Umbgrove het feit dat een asielzoeker voortdurend in beroep kan gaan op grond van veranderende omstandigheden. Dat laat hij zien aan de hand van het verhaal van Mustafa uit Afghanistan, wiens aanvraag tot een verblijfsvergunning al twee keer is geweigerd door de IND. Omdat hij zich tot het Christendom heeft bekeerd, gaat Mustafa bij Claire voor de derde keer in beroep. Christenen zijn hun leven niet zeker in Afghanistan, dus kan hij niet terug.
    De bekering wekt argwaan, is het een manier om toch in Nederland te mogen blijven? Zijn christelijke vriendin en de dominee getuigen voor Mustafa, maar er blijven twijfels over zijn oprechtheid. Jammer genoeg krijgt de lezer niet te horen wat de uitspraak van Claire is.

    De vreemdelingenrechter

    Claire is in haar vak evenwichtig, genuanceerd en ontspannen, ook als de gemoederen in de rechtszaal hoog oplopen. Maar als vrouw, moeder en echtgenote is zij dat niet; ze is niet gelukkig. Ze stoort zich aan allerlei kleine dingen van haar man en kinderen, is eigenlijk van haar man vervreemd (‘hij leefde zoals hij sliep: niet gehinderd door onnodige belemmeringen of onderbrekingen’) en heeft moeizaam contact met haar puberkinderen. Claire heeft geen idee waarmee haar kinderen bezig zijn. Zij probeert niet alleen in haar vak de situatie te doorgronden, ook in haar persoonlijk leven tracht zij – tevergeefs evenwel – te weten te komen hoe haar man, dochter en zoon in het leven staan. Haar kinderen zijn geobsedeerd door hun mobiele telefoon en tablet en Claire vraagt zich af wat ze nu eigenlijk weet over haar eigen kinderen. Tenslotte geeft ze haar belangstelling  op en stort zich op de verbouwing van hun vakantiehuis in Drenthe.

    Claire doet erg denken aan Fiona Maye, de kinderrechter uit de roman van Ian McEwan (De Kinderwet): professioneel zeer geslaagd, een vakvrouw, maar wel met persoonlijke sores en huwelijksperikelen. Het karakter van Claire komt goed tot uiting, wat niet gezegd kan worden van Sharif en Omar.

    We weten het niet

    De titel van boek slaat op het feit dat je nooit zeker bent over dat wat je weet, ook al denk je dat wel. Dat geldt ook voor asielzoekers: wat weten we echt over de vluchtelingen die we hier toelaten? Dat geldt ook voor Claire: zij weet weinig over wat haar man en kinderen beweegt en hoe zij in het leven staan, wat hen emotioneert. En zij moet achter de waarheid zien te komen op basis van de  verhalen die de asielzoekers die voor haar hekje verschijnen vertellen.

    Een voorbeeld van het asielbeleid. Wanneer Umbgrove weer eens op bezoek gaat bij ‘zijn’ Syrische vluchtelingen en zijn vrouw meeneemt, krijgt zij grote twijfels over hun identiteit. De foto’s die zij laten zien over Aleppo zijn volgens haar van internet geplukt; zij laten niets zien van hun persoonlijke leven daar. Umbgrove had die identiteit nooit in twijfel getrokken, maar raakt onzeker over zijn kennis. Hij besluit een brief te schrijven aan de IND met de vraag hoe zij daar de identiteit van asielzoekers controleren; wat komt de IND te weten?
    Hij krijgt – informeel, want niet toegestaan – uitgebreid antwoord. Daaruit blijkt zonneklaar dat de IND het ook niet weet: ‘we weten vrijwel niets van de mensen die we hier toelaten. Elke verblijfsvergunning die we verstrekken is een ‘educated guess’.’ Hij noemt het toelatingsbeleid een pervers systeem.

    Structuur

    Het verhaal zit redelijk goed in elkaar. Er zijn hoofdstukken over de relatie van de schrijver met Safir en zijn broer, er zijn hoofdstukken over Claire en haar leven en werk, en er zijn hoofdstukken die gericht zijn aan ‘L.M.’, het alter ego van de schrijver (?). Daarin reageert hij tijdens het schrijven op zijn/haar commentaar. Dat werkt voor de lezer goed omdat L.M.’s commentaar precies op het juiste moment komt: als lezer heb je dezelfde vragen. Op die manier ontstaat een mooie gelaagdheid waarin de schrijver de gelegenheid heeft zijn eigen twijfels te delen met de lezer.
    Zo vraagt L.M. zich af wat de functie in het verhaal is van buschauffeur Henk, zijn dochter en kleindochter Amber die bij hem komen inwonen in afwachting van een eigen huis. Henk en zijn dochter staan dicht bij de ideeën van de PVV; op de basisschool van zijn kleindochter ontstaat een relletje als een jongetje Amber geen hand wil geven in de kring. De juf maakt hier geen probleem van maar moeder wordt woedend en roept uit: ‘We zitten hier toch niet in Turkistan?’
    Dit incident moge dan wellicht tekenend zijn voor de omgang van sommige Nederlanders met vluchtelingen, in het kader van het boek krijgt het weinig tot geen betekenis. Het is niet meer dan een sfeertekening van het populisme in Nederland en wordt niet verder verbonden met de zoektocht van Umbgrove naar de grondslagen van het asielbeleid.
    Zijn reactie op het commentaar van L.M. overtuigt in dit geval niet erg; hij wil een ‘caleidoscopisch beeld schetsen van het probleem, door verschillende mensen met ieder hun eigen invalshoek aan het woord te laten.’

    Waardering

    Het verhaal is vlot geschreven, meer journalistiek dan literair, met een duidelijke boodschap: het asielbeleid staat in zijn praktische uitwerking ver af van de doelstellingen. De lange duur van de procedure voor een verblijfsvergunning, in combinatie met het verbod op werk gedurende die procedure, en het steeds weer opnieuw in beroep kunnen gaan tegen een afwijzende beslissing, zorgen voor veel onzekerheid.
    Umbgrove laat zien hoe moeilijk het is om een humaan asielbeleid te voeren.

     

     

  • Het licht gaat uit

    Het licht gaat uit

    Dit is een adembenemende, mooi geschreven, melancholieke roman over John Mitchell. Hij is directeur van het immigratiecentrum op Ellis Island, New York.
    Wanneer de politici besluiten het immigratiecentrum in 1954 te sluiten, besluit hij tot het laatst te blijven. In de week voor de sluiting leest hij in zijn dagboek en kijkt terug op zijn leven, op zijn langdurig verblijf op het eiland en haalt hij herinneringen op aan enkele immigranten. Zo kan hij Nella Casarini, een immigrante uit Sardinië maar niet vergeten.

    De feiten
    Toen de Franse schrijfster Gaëlle Josse in 2012 een bezoek bracht aan New York, ging zij ook naar Ellis Island. Dat was, met name in de eerste helft van de 20e eeuw, de plek waar immigranten per boot arriveerden, in de hoop op een verblijfsvergunning. In die periode meldden zich 12 miljoen mensen, 2% ervan werd de toegang geweigerd.
    Het immigratiecentrum werd op 29 november 1954 gesloten. Het is nu een museum, gewijd aan de nagedachtenis van al die immigranten.
    Josse werd, mede door de associatie met de huidige vluchtelingencrisis door emoties overmand. Zij besloot over dit onderwerp een roman te schrijven.

    John Mitchell
    De belangrijkste personages in het boek zijn fictief, ook John Mitchell. Maar door hem als hoofdpersoon te nemen, weet Josse van het leven op Ellis Island een treffend beeld te schetsen. Iedere immigrant heeft hoop te mogen blijven en de dilemma’s in de besluitvorming weet ze overtuigend te benoemen. Ook in de beschrijving van de emoties die bij dergelijke besluiten passen en waaraan Mitchell uiting geeft, weet ze de lezer mee te slepen. Het gevoelsleven van Mitchell, de strijd die hij moet voeren tussen het handhaven van de regels en de compassie die hij voelt met de vele immigranten, de keuzes die hij maakt en de worsteling met de gevolgen ervan, maken hem menselijk. Josse weet dit zo mooi te verwoorden dat je als lezer steeds meer sympathie gaat voelen voor Mitchell. Hij is zo begaan met het lot van de immigranten en hij raakt zo verknocht aan het eiland dat hij alle promoties afwijst die hij van de federale autoriteiten krijgt aangeboden: hij wil tot het einde op het eiland blijven. Waarom? Het eiland heeft zijn leven opgeslokt. Hij heeft er zoveel meegemaakt, dat hij zich geen ander leven kan voorstellen. Ook is zijn vrouw, die als verpleegster in het immigratiecentrum werkte – op jonge leeftijd op Ellis Island gestorven aan tyfus en daar begraven. Mitchell bezoekt nog iedere dag haar graf.

    Nella
    Zijn verliefdheid op de eerder genoemde Nella leidt tot gedragingen waar hij zich later enorm schuldig over voelt. Ook voelt hij zich verantwoordelijk voor wat er met haar broer gebeurt. Die is geestelijk gehandicapt en wordt daarom van zijn zus gescheiden. Mitchells hulp komt te laat. Hij zoekt maar vindt geen gelegenheid om zich tegenover Nella te verontschuldigen; zijn misdragingen blijven hem zijn hele leven kwellen. Hij probeert haar later in de VS terug te vinden, maar slaagt daar niet in.
    Mitchell beschrijft nog enkele voorvallen met immigranten waarin hij uit compassie de regels heeft overtreden. Wroeging daarover in het ene geval, een gevoel van rechtvaardigheid in het andere geval maken van Mitchell geen kampbewaarder, maar een authentiek mens.

    Hij vreest de dag dat hij moet vertrekken, ziet er tegenop terug te moeten keren naar Manhattan.
    Alles wat ik dacht te hebben bereikt is in rook opgegaan. Over een paar dagen zal ik hebben afgedaan met dit eiland dat mijn leven heeft opgeslokt. Afgedaan met dit eiland waarvan ik de laatste bewaarder en de laatste gevangene ben. Afgedaan met dit eiland, hoewel ik van de rest van de wereld vrijwel niets weet. Ik neem alleen maar twee valiezen en wat schamele meubelen mee. En koffers vol herinneringen. Mijn leven.’

    Zijn laatste daad op het eiland is dat hij letterlijk het licht uit doet; hij draait het peertje uit de fitting.

    Waardering
    Josse heeft een prachtige roman geschreven, werkelijk een pareltje.
    Hoewel het fictie is, is deze roman op feiten gebaseerd en met die feiten heeft de auteur de omgang van de Amerikaanse samenleving met immigranten uit Europa tot leven weten te wekken. Een onderwerp dat nog niets aan actualiteit heeft ingeboet. Door te kiezen voor het vertelperspectief van de directeur is het een persoonlijk verhaal geworden, heel invoelbaar.