Sommige boeken maken een onuitwisbare indruk wanneer je ze leest als tiener of jongvolwassene. Klassiek werk van schrijvers als Dostojevski, Tolstoj, Kafka en Camus. Later wordt het lezen van een boek dat een blijvend stempel drukt op je literaire ervaring zeldzamer. Het is dan ook extra bijzonder om nog eens zo’n boek te ontdekken dat een onuitwisbare induk op me maakte, zoals De jaren van Virginia Woolf, recent opnieuw in het Nederlands vertaald. De lezer volgt de Engelse familie Pargiter vanaf het einde van de negentiende eeuw tot in het interbellum, maar een traditionele familiehistorie is dit niet. Elk hoofdstuk speelt zich af in een ander jaar en beslaat slechts één of enkele dagen terwijl ondertussen de geschiedenis op de achtergrond verstrijkt en de meeste mijlpalen uit het leven van de personage resoluut overgeslagen worden. In het verglijdende perspectief en de weergave van de inwendige belevingswereld van de karakters toont de auteur haar absolute meesterschap. Ze maakt zo de zoektocht van de telgen Pargiter in het doolhof van hun eigen bewustzijn op ongeëvenaarde wijze inzichtelijk. Sommige scènes zijn hartverscheurend mooi, bijvoorbeeld in het slotdeel. Woolf slaagt er in het gerijpte De jaren optimaal in om het menselijke en het experimentele van haar proza tot een eenheid te smeden, waarmee ze zich bewijst als een van de grootste romanschrijvers van alle tijden.
Auteur: Virginia Woolf
Uitgeverij: Athenaeum – Polak & van Gennep
Wij houden van Tsjernobyl
Door de populaire HBO-serie Chernobyl die op dit moment speelt, neemt het toerisme in de streek die door het rampzaligste kernongeluk uit de geschiedenis werd getroffen sterk toe, maar Aleksijevitsj drijft er al de spot mee in haar schitterende boek Wij houden van Tsjernobyl, dat in een eerste versie verscheen in 1997. Later volgde uitbreiding van het materiaal. Balancerend op het snijvlak tussen geschiedschrijving, journalistiek en literatuur, laat Svetlana Aleksijevitsj een stoet van ooggetuigen aan het woord komen. Dit levert een veelstemmig document op dat de huiveringwekkende reikwijdte laat zien van de Tsjernobyl-ramp. Het boek geeft niet alleen inzicht maar eert tegelijkertijd de rampenbestrijders en hun nabestaanden: elk levensverhaal is een novelle bij deze Nobelprijswinnaar. Je weet niet wat je leest.
Auteur: Svetlana Alexijevitsj
Uitgeverij: De Bezige Bij
Pereira verklaart
Na het zware literaire geschut tot slot een fijnzinnige roman gesitueerd in het Portugal onder dictator Salazar, opvallend genoeg geschreven door een Italiaan. Protagonist Pereira, apolitiek redacteur van de literatuurbijlage in de krant, leidt een onopvallend bestaat totdat hij in contact komt met een mysterieuze student die rebelleert tegen het regime. Om hem van enig werk te voorzien laat Pereira de jongeman necrologieën schrijven van nog levende schrijvers, die stuk voor stuk onbruikbaar blijken door hun sterk politieke toon (maar daarin wel heel grappig zijn). Geleidelijk dringt de vraag zich op hoelang hij zich nog afzijdig kan houden van het leven zoals dat zich onder zijn neus afspeelt. Tabucchi brengt een fraaie samenhang aan in deze compacte roman door een handvol motieven en stijlelementen, waaronder die van de opzet als ‘verklaring’. Una testimonianza, is de ondertitel dan ook. Een parel van een boek, veel beter kom je ze in een leesjaar doorgaans niet tegen.
Ruim een jaar na het verschijnen van de vertaling van De jaren van Virginia Woolf, verschijnt nu voor het eerst in het Nederlands de vertaling van The Voyage Out met als titel De uitreis. De uitreis was het eerste boek van Virginia Woolf, het verscheen in 1915. Het gaat over Rachel Vinrace die op reis gaat naar Zuid-Amerika, ‘een reis vol ontdekkingen (over zichzelf, anderen en het leven) die tragisch ten einde komt.’
Opvallend duidelijk is op het omslag vermeld dat het boek is vertaald door Barbara de Lange. Waarom gebeurt dat niet vaker? De naam van de vertaler op de voorkant van een boek?
Literair Nederland sprak eerder met Barbara de Lange over haar vertaling van De jaren: ‘bij Woolf moet je altijd weer goed kijken naar de originele woordschikking binnen de zinnen, omdat ze daar een bedoeling mee heeft, het is een aspect van haar stijl, net als de vele herhalingen en alliteraties in haar werk, daar wil ik dan wel aan vasthouden.’
Het gezin, een huwelijk, eenzame ouders en kinderen; het zijn allemaal elementen en hoofdrolspelers in de korte verhalen van Edina Szvoren. Szvoren speelt graag met het aburde, haar hoofdpersonen en antihelden zitten vast in hun dagelijks bestaan, maar toch zijn haar verhalen humorvol.
Edina Szvoren (Boedapest, 1974) is muzikant, zij studeerde af aan het Béla Bartók-conservatorium en geeft daar nu zelf les. Drie dagen geeft ze les, de overige vier dagen schrijft ze. Met De hondenschool won ze in 2015 de EU-Literatuurprijs. Deze prijs betekende haar internationale doorbraak. Aan ten minste 10 Europese uitgeverijen zijn de vertaalrechten verkocht. Frans van Nes tekende voor de Nederlandse vertaling.
Auteur: Edina Szvoren
Uitgeverij: De Geus
Hier
Joke van Leeuwen (Den Haag, 1952) presenteert zich op haar eigen website als auteur, illustrator en performer. Met zowel haar kinderboeken als die voor volwassenen is zij veelvuldig in de prijzen gevallen, ook als illustrator.
Haar nieuwste roman Hier gaat over Stamvader.
[…] ‘Tegen de veertig is Stamvader, en hij staat nog op zijn benen als hij wordt tewerkgesteld als beëdigd controleur der grensovergangen van de staat en naar een omgeving moet verhuizen waarmee hij geen enkele band heeft, want te veel bekenden in de buurt zal er volgens zijn meerderen toe kunnen leiden dat hij weleens een oogje dichtknijpt, al heeft hij zelf niet de minste behoefte om dat te doen, integendeel, maar het zijn nu eenmaal de regels.’ […]
Wanneer hij hulpbehoevend wordt, volgt zijn zoon Bardo hem op en zorgt diens vrouw Mara voor haar eigenwijze schoonvader, terwijl ze op betere tijden blijft hopen. Licht en warmte komen van Kleine, hun dochtertje, dat de barrières leert kennen, maar speels en onbevooroordeeld tussen iedereen door vlindert.
Zij wel. Denk ik als ik in De uitreis van Virginia Woolf (vertaling: Barbara de Lange) lees dat Clarissa Dalloway in Lissabon het graf van Henry Fielding bezocht (en er een heldendaad verricht):
‘Ze had onder meer een foto van het graf van Fielding genomen en een vogeltje bevrijd dat door een of andere schurk was gevangen, “want er kan geen denken aan zijn dat er iets in een kooi zit waar Engelsen zijn begraven”, stond er in het dagboek.’
Zelf kwam ik niet verder dan het hek dat uitzicht bood op het bordje dat naar het graf van Fielding wijst.
Tegen de tijd dat ik het om de hoek gelegen Casa Fernando Pessoa verliet, was de Cemitério Inglês gesloten.
Ik wilde het aanvankelijk laten bij die foto van dat bordje, maar vroeg me ondertussen toch af of die zin in haar debuutroman ergens op gebaseerd is. Een kleine biografische exercitie in mijn boekenkast leverde het nodige op.
Het was Virginia Woolf zelf – al heette ze toen nog Virginia Stephen – die het vogeltje bevrijdde. Ze maakte er op 7 april 1905 melding van in haar dagboek:
‘In the afternoon we went to the English Cemetry, on a hill – by the gardens. This is a most lovely place, sweet with flowers, & so hot & shady & green that we stayed there a long time. We let loose a caged bird that was singing by Fieldings tomb – pious act!’
In een brief aan Violet Dickinson, gedateerd 10 april 1905, noemt Virginia Woolf het bezoek dat ze samen met haar broer Adrian bracht aan de tombe van Fielding ook. Van een bevrijd vogeltje is in die brief geen sprake:
‘We went up to the English Cemetry and saw [Henry] Fieldings tomb!’
Biograaf James King vindt in Virginia Woolf vooral het vogeltje het vermelden waard:
‘At Lisbon they let loose a caged bird that was singing by Fielding’s tomb.’
Dat Mrs. Dalloway ook in het door Louise DeSalvo gereconstrueerde Melymbrosia – een ‘oerversie’ van The Voyage Out – op de Engelse begraafplaats in Lissabon belandt:
‘She photographed Fielding’s grave, and let loose a small bird, which some ruffian had trapped, “because one hated to think of any thing in a cage, where English people lie buried.”’
heeft in het kader van mijn biografische exercitie geen toegevoegde waarde.
Goed, die zin in De uitreis is dus letterlijk uit het leven van Virginia Woolf gegrepen. Dat is leuk om te weten en nog leuker om aan te tonen, maar van grote literaire waarde is deze constatering natuurlijk niet. In het grote geheel is het een minor detail. Zoals ook het feit dat Virginia in 1905 een (boot)reis met haar broer Adrian maakte van ondergeschikt belang is, hoewel dat haar ongetwijfeld geholpen heeft bij het schrijven.
Dat The Voyage Out tot op het bot autobiografisch is – maar op een andere, en voor Virginia Woolf minder beschadigende, manier dan Melymbrosia – blijkt niet uit dit sprokkelwerk. Om die conclusie te kunnen trekken, is diepgravend onderzoek nodig. Onderzoek dat jammer genoeg al door een ander gedaan is.
Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.
Met Moussa of de dood van een Arabier maakte Kamel Daoud in 2015 een daverend debuut in de literatuur. De roman borduurt voort op De vreemdeling van Albert Camus door zijn broer Haroen te laten reflecteren op de in zijn ogen zinloze dood van de naamloos gebleven Arabier.
Daoud, van origine journalist, voelde zich gedwongen voor de literatuur te kiezen nadat hij vanwege opiniërende stukken over de aard van de islam voor islamofoob werd uitgemaakt en van koloniaal paternalisme beschuldigd.
In zijn tweede roman Zabor bekent Kamel Daoud zich thematisch opnieuw tot de literatuur. Dit keer laat hij zijn personage Zabor, een jonge Algerijnse halfwees, boeken lezen en via die boeken toegang krijgen tot het leven. Hij laat hem ook schrijven, en al schrijvende is Zabor in staat de dood een loer te draaien. Een gave die van pas komt als hij aan het sterfbed van zijn vader zit. Zijn vader die hem verstoten heeft.
Volgens de islam is de Zabor een van de heilige boeken die vóór de Koran zijn geopenbaard. Het wordt vaak gelijkgesteld met de Psalmen
Auteur: Kamel Daoud
Uitgeverij: Ambo|Anthos
Aardbei en chocola
Het verhaal El lobo, el bosque y el hombre nuevo (De wolf, het bos en de nieuwe mens) van Senel Paz geniet grote bekendheid dankzij de verfilming als Fresia y chocolate (Aardbei en chocola) door Tomás Gutiérrez Alea en Juan Carlos Tabío. Het is het verhaal van twee mannen die een vorm van vriendschap onderhouden, die bepaald wordt door wat er kan en mag in het Cuba van Fidel Castro. Paz schreef het verhaal over twee mannen die in niets op elkaar lijken – Diego is een van het leven en de van kunst en literatuur genietende homoseksueel, David een jongen die het communistische regime aanhangt – in 1991.
Diego ziet zich uiteindelijk genoodzaakt het land te verlaten. Aardbei en chocola, vertaald door Pieter Lamberts, is Davids kant van een verhaal waarin argwaan omslaat in dankbaarheid.
In 1994 verscheen het verhaal in de vertaling van Peter Venmans onder de titel De wolf, het bos en de nieuwe mens in het tijdschrift Yang.
Auteur: Senel Paz
Uitgeverij: Zirimiri Press
Na Mattias
In Na Mattias van Peter Zantingh komen tien personen aan het woord die direct of indirect iets met Mattias te maken hadden. Dat Mattias dood is, is vanaf de eerste bladzijde duidelijk. Wat hem is overkomen niet. Dat gaat de lezer na verloop van tijd vermoeden. Zoals ook gaandeweg duidelijk wordt hoe de onderlinge verhoudingen liggen. En die zijn vaak veel minder hecht dan de constructie van de roman doet vermoeden.
Na Mattias draait minder om Mattias dan de titel suggereert. Peter Zantingh portretteert tien personages die een eigen leven hebben. Zantingh kiest hun bezigheden zo dat ze bijdragen aan de hedendaagsheid van Na Mattias. Dat strookt niet altijd met het onderwerp rouw, dat overigens niet het overheersende thema van de roman is.
Auteur: Peter Zantingh
Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.
Een kamer voor jezelf : essay
Uitgeverij Chaos debuteert met A Room of One’s Own (1929) van Virginia Woolf dat in 1958 voor het laatst in het Nederlands werd vertaald. In haar essay over vrouwen en fictie onderzoekt Virginia Woolf de oorzaak van het ondervertegenwoordigd zijn van vrouwelijke auteurs.
Een kamer voor jezelf – vertaald door Monique ter Berg – wordt voorafgegaan door een briefwisseling tussen Simon(e) van Saarloos en Gloria Wekker die de voorwaarden die het volgens Viriginia Woolf voor vrouwen mogelijk maakten om fictie te schrijven – ‘een kamer voor jezelf’ en een jaarinkomen van vijfhonderd pond – in hun (culturele) context plaatsen. Dan blijkt Woolf als het om klasse en kolonialisme gaat met oogkleppen op te hebben gekeken. Ook de noodzaak om in afzondering te kunnen werken, wordt niet (meer) gedeeld.
A Room of One’s Own / Een kamer voor jezelf herlezen in de huidige tijd mag dan manco’s aan het licht brengen. Het boek blijft een klassieker vanwege de welsprekende wijze waarop Virginia Woolf een kwestie aankaartte.
Dat de tijd verstrijkt, is in The Years (1937) van Virginia Woolf essentieel en wordt door de hoofdstuktitels – 1880, 1891, 1907, 1908, 1910, 1911, 1913, 1914, 1917, Present Day – onderstreept. Dat met het verstrijken van de tijd zeden en gewoonten veranderen, ligt voor de hand. Dat niet iedereen in dezelfde mate kon profiteren van de verworvenheden van die voortschrijdende tijd was Virginia Woolf een doorn in het oog, maar in The Years laat ze dat alleen tussen de regels door blijken. Hoe uitgesproken Virginia Woolf ook was, in The Years kaart zij kwesties – ‘sex, education, life &c’- heel subtiel aan. De seizoenen komen en gaan; het regent in verschillende gradaties (of niet) en ondertussen nemen de levens van de leden van de familie Pargiter hun loop. Sommigen kunnen kiezen, anderen ondergaan hun lot.
Tachtig jaar heeft The Years op een Nederlandse vertaling moeten wachten. Professionele lezers verklaarden vervolgens dat De jaren nog niets aan actualiteit heeft ingeboet. Liefhebbers van Virginia Woolf laafden zich aan de vertaling van Barbara de Lange. Wie niet stond te popelen, werd door Schwob verleid tot het lezen van een ‘herontdekking’. Degenen die een stok achter de deur nodig hebben, konden er voor kiezen het boek in groepsverband te lezen en te ontleden.
Ik las De jaren op eigen kracht, en vond het vervolgens nogal wat om er na zoveel jaar publiekelijk iets van te vinden. Er is inmiddels zoveel gezegd en geschreven over The Years en het verwante essay Three Guineas (1938), dat al in 1980 in vertaling verscheen – samen hadden ze een novel-essay moeten worden: The Pargiters, maar Virginia Woolf slaagde niet in haar opzet – dat doen alsof dit een net verschenen boek betreft en er vervolgens ‘gewoon’ een recensie over schrijven eigenlijk geen optie is.
In mijn omzwervingen op zoek naar een antwoord op de vraag ‘in welke vorm dan wel?’ bezocht ik vorige week een bijeenkomst van De leesclub van alles. Daar werd nog maar weer eens benadrukt dat het leven en het werk van een schrijver twee verschillende dingen zijn. Dat je een roman dus eigenlijk volkomen los moet zien van dat leven en je ook niets van de schrijversintentie aan moet trekken (ondanks alles wat Tim Parks in De roman als overlevingsstrategie: een nieuwe kijk op de relatie tussen schrijver, tekst en lezer beweert).
Terwijl er die avond ook met grote stelligheid beweerd werd dat kennis de waardering voor een roman beïnvloedt. Wat volgens de moderator van dienst absoluut geweten moet worden om ten volle van De jaren te kunnen genieten: de structuur van de roman; de manier van denken en schrijven van Virginia Woolf en de wordingsgeschiedenis van De jaren.
Stel dat je dat allemaal niet weet. Dat je nog nooit van Virginia Woolf gehoord hebt – ik geef toe, dat lijkt me stug – en De jaren cadeau hebt gekregen omdat je van dikke boeken houdt. Wat voor roman lees je dan? En wat vind je daar dan van?
Zo blanco zou je De jaren moeten kunnen lezen.
Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.
Haar naam was voor velen bekend door de vermelding daarvan in het toneelstuk Who’s Afraid of Virginga Woolf? – dat noch over haar gaat noch door haar geschreven is. Als schrijver werd Virginia Woolf (1882-1941) bij een wat breder publiek pas bekend na de verfilming van haar roman Orlando (1992) en later The Hours (2002), naar het boek van Michael Cunningham. Een film die zich in verschillende tijden afspeelt en waarin naast andere levens ook het schrijversleven van Virginia Woolf – vertolkt door Nicole Kidman – verfilmd werd. The Hours was gebaseerd op Woolfs roman Mrs. Dalloway.
Virginia Woolfs boeken werden doorgaans als te experimenteel weggezet en enkel door een select groepje liefhebbers gelezen. Dat De jaren in 1937 groots ontvangen werd in Amerika en de bestsellerslijst van ‘The New York Times’ haalde, was een grote verrassing. Opmerkelijk hierbij is dat De jaren in verschillende landen vertaald werd maar in Nederland, tot vorig jaar, niet.
Iets groots
Virginia Woolf had al langer de ambitie een groot werk te willen schrijven zoals Tolstois Ana Karenina. Toen ze De verloren tijd van Proust had gelezen versterkte dat haar verlangen, maar nam ook de twijfel toe of ze ooit zoiets groots zou kunnen schrijven. Nadat ze Mrs Dalloway voltooid had zich daarbij afvragend of ze daarmee wellicht al iets groots had verricht, schreef ze op 8 april 1925 in haar dagboek dat het nog niets vergeleken was bij wat Proust – die haar toen geheel in zijn ban had – geschreven had:
‘Waar het bij Proust om gaat is het samengaan van uiterste gevoeligheid met uiterste hardnekkigheid. (…) Ik neem aan dat hij me zo sterk zal beïnvloeden dat geen enkele zin die ik schrijf in mijn ogen nog genade zal kunnen vinden.‘
De wind schraapte
Gedurende zes jaar heeft ze met ongekend plezier – zoals ze schreef in haar dagboek – aan De jaren gewerkt, toch sloeg vlak voor de voltooiing van de roman de verslagenheid toe. Ze was er opeens van overtuigd dat het niks kon zijn. Ze gaf het manuscript aan haar man, Leonard Woolf te lezen waarna hij het – wat haar betrof – mocht vernietigen. Gelukkig had Leonard Woolf een neus voor goede literatuur en vond het haar beste werk ooit.
De jaren is een roman in fragmenten, opgedeeld in tien korte of langere hoofdstukken met elk een jaartal als titel; van ‘1880’ tot het ‘Heden’. Elk hoofdstuk begint met het beschrijven van het weer: ‘Het was maart en het waaide. Maar de wind ‘waaide’ niet. De wind schraapte, schuurde, hij was zo wreed. Zo onflatteus.’
Verwevenheid van gebeurtenissen De roman is opgebouwd rondom de familie Pargiter – vader en zeven kinderen – uit de middenklasse van Londen en opent met het sterfbed van de moeder. De kolonel en zijn kinderen verwachten al lange tijd dat ze zal inslapen: ‘(…) maar ze stierf niet. Vandaag ging het iets beter; morgen zou het weer slechter gaan; er kwam een nieuwe verpleegster; en zo ging het maar door.’
Het heeft wel het meest weg van een schets van hoe de mens in het dagelijkse leven zich gedraagt met daar doorheen de historische gebeurtenissen zoals de Eerste Wereldoorlog, de suffragettebeweging (vrouwenrechten), Engels kolonialisme, de eerste auto’s, omnibussen, de benzinemotor en het elektrisch licht. Ontwikkelingen die niet op de voorgrond staan, ze worden er in mee genomen in een stroom van gedachten, handelingen en waarnemingen. Zo heeft de familie Pargiter niet de hoofdrol in de roman; ze worden opgenomen in het geheel; het geheel dat ‘leven’ (in welke tijd dan ook) heet.
Herhalingen
Personen, huizen, straten en weersomstandigheden worden kort beschreven in fijnzinnige schetsen die soms gerust drie keer herhaald worden binnen twee pagina’s. Waardoor sommige stukken zich als een refrein voordoen en zo de betekenis van die passages benadrukken. ‘Ze liepen door Fleetstreet. Het was onmogelijk een gesprek te voeren. Het trottoir was zo smal dat hij er telkens af moest stappen om naast haar te kunnen blijven.’
Zo wordt tijdens een wandeling door Londen van neef Martin met nicht Sara, drie keer benadrukt dat het ‘onmogelijk was een gesprek te voeren’ omdat; ze niet naast elkaar konden lopen door de smalle stoep; door de drukte van winkelend publiek; door het verkeerslawaai. Drie keer wordt de onmogelijkheid een gesprek te voeren benadrukt waardoor de behoefte aan een gesprek zich des te meer laat gelden.
Gedachtenstromen
Het lezen van De jaren is als een laven aan de tijd waarin levenslijnen in overzichtelijke stukken zichtbaar worden maar evengoed weer plaatsmaken voor andere lijnen in de geschiedenis. De dingen en personen zijn met compassie beschreven. Het kan oprecht een liefdevol geschreven boek worden genoemd, dat het gevoel teweeg brengt dat geschiedenis niet enkel dient om te weten hoe het was, maar ook een vorm van beschutting geeft. Zoals Woolf het Engeland van 188o tot 1937 beschrijft, zo moet geschiedenis zijn; als een serieuze voorbereiding op de tijd waarin we nu leven. Een bijzondere gewaarwording is ook dat de personages uit De jaren, zeer dichtbij komen; alsof je, door de ‘stream of conciousness’ van waaruit Virginia Woolf schrijft en waarin gedachten over elkaar buitelen, associaties en afgebroken gedachtestromen door elkaar spelen, er in opgenomen wordt.
Steeds iets nieuws
In De jaren zijn de dingen zo beeldend beschreven als was het een schilderij waarop met penseelstreken de omgeving, personages, hun handelingen en zelfs hun gemoedsstemmingen zijn aangebracht. Een schilderij waar je lange tijd naar kunt kijken en steeds iets nieuws op ontdekt. Of het nu een straat in de mist is, een schrijftafel in de hoek van een kamer, het onbehagen van een woedebui of een gebeeldhouwde trapleuning; de schetsen zijn liefdevol gemaakt en nemen de lezer geheel voor zich in, 500 bladzijden lang. Met grote dank aan de vertaler, Barbara de Lange die ontdekte dat The Years een in Nederland vergeten roman was die hoognodig een vertaling verdiende, die zij werkelijk prachtig bezorgd heeft.
Van Heutszlaan 78/I
Hertenlaan 16
Am Lochtenberg 48
Burgemeester van Tuyll van Serooskerkenweg 21
Voor mijn gevoel ben ik in mijn jeugd vaak verhuisd, maar nu ik de adressen waar ik met mijn ouders woonde op een rij zet, blijkt het eigenlijk wel mee te vallen.
Op de dag dat ik elf werd, gingen wij wonen in het huis in de straat met een voor dagelijks gebruik te lange naam. Zo er sprake is van een ouderlijk huis, dan is dat dit huis. Mijn ouders waren rond de vijftig toen zij het kochten. Het was hun eerste eigen huis. Het was bijna 44 jaar van ‘ons’.
Was, want het is inmiddels verkocht en het moest dus leeg. Toen ik aan de klus begon, wist ik me getroost door Nicolaas Matsier, maar hij maakte met zijn Gesloten huis van mij ook een gewaarschuwde dochter. Hij bereidde mij voor op tegenstribbelende voorwerpen. ‘We wilden de dingen kwijt, terwijl de dingen nog van alles zeiden. Ze bleven maar doorpraten, al die relicten van weinig of geen waarde. Opeens werd er over hun lot beschikt.’
Omwille van de dingen, maar ik zal niet ontkennen dat het mij ook goed uitkomt, heb ik meer bewaard dan ik kan herbergen. Ergens in een loods gaan de voorwerpen voorlopig een gesprek met elkaar aan. Binnenkort hoop ik ze te verwelkomen en te horen wat ze mij te vertellen hebben.
Toen het onttakelen van het huis al in een vergevorderd stadium was, verscheen Harnas van Hansaplast van Charlotte Mutsaers. Haar ouderlijk huis was van een andere orde dan dat van mij. Bij ons hingen geen grote geschilderde portretten van een vader en een moeder aan de muur en niemand zal de hutkoffer uit Indië aangezien hebben voor de kist waarin Hugo de Groot uit Slot Loevestein ontsnapte.
Een van de weinige dingen die Charlotte Mutsaers en ik gemeen hebben is een emaillen broodtrommel. Over dat ding heb ik me inmiddels ontfermd. Haar broer Barend bracht mij op een idee.
Pendelend tussen mijn huis en het huis dat binnenkort het onze niet meer is, lees ik het ene boek na het andere. Deze week is De jaren van Virginia Woolf aan de beurt. De woorden waarmee Woolf duidelijk maakt hoe leeg het huis van de familie Pargiter is, komen hard aan. ‘Ook daar vertoonde de muur verkleuringen, waar de boekenkast had gestaan, waar de schrijftafel had gestaan. Ze dacht terug aan zichzelf, zoals ze daar had gezeten (…)’. Waarschijnlijk omdat ik zelf net geprobeerd heb verkleurd en gescheurd behang en de moeten in het tapijt zo mooi mogelijk te fotograferen.
Meer dan een jaar was ik bezig met het verzamelen en genereren van ‘huishoudelijke’ herinneringen. Ik heb er nu genoeg om het verleden te reconstrueren en wezenlijke momenten op te roepen.
Inmiddels begint de tijd te dringen: ik moet mezelf nu echt ontkoppelen van het huis. Ik moet wie ik daar was loslaten en de teugels van het leven dat ik er geleid heb laten vieren.
Virginia Woolf werd vertaald door Barbara de Lange.
Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.
Boektitels van jaren her kunnen als een mantra door mijn hoofd resoneren. Wanneer mijn ruimte beperkt wordt door allerlei beslommeringen trekt er een repeterend A Room of One’s Own, A Room of One’s Own...door mijn hoofd. Het essay, geschreven door Virginia Woolf in 1929 is nog steeds een waardevolle tekst voor wie van schrijven zijn werk wil maken. De behoefte aan een ruimte voor mezelf manifesteert zich in deze tijd van het jaar extremer dan anders. Ik heb een eigen kamer maar het is een betwistte plek. Als er logees zijn, en die zijn er altijd met de feestdagen en langer nog, wordt deze als eerste geofferd. Als iedereen vertrokken is, ligt mijn kamer nog dagen overhoop en is mijn werktafel bedolven onder achtergebleven kledingstukken. Woolf pleit in haar essay dan ook voor een kamer met een slot op de deur.
Word ik overspoeld door de hectiek van de dag dan zoemt Tijd van leven… Tijd van leven… in mijn oren. Bang dat ik mijn tijd akelig zit te verknoeien maar evengoed verander ik er niets aan. Daarom bewonder ik Delia Ginstead, een personage in de roman Tijd van leven van de in Baltimore wonende schrijfster Anne Tyler. Tyler heeft een uitgesproken voorkeur, (evenals verhalenschrijver Alice Munro) voor het inzoomen op alledaagse familierelaties.
Delia heeft een gezin met drie opgroeiende kinderen en assisteert haar man in zijn dokterspraktijk. Het soort huwelijk waarvan er dertien in een dozijn gaan. Ze is haar leven als zodanig moe en wil niet langer de akelige kleine, mug zijn die zich ‘zoemend rondom de buitenkant van haar gezin’ beweegt.
Op een dag in mei is ze met de hele familie aan het strand. Er ontstaat een woordenwisseling met haar man, het irriteert haar dat hij wegloopt voordat er echt ruzie van kan komen. Woedend ‘griste ze haar tas van de deken, draaide zich om op een blote hiel in het zand en stampte weg’. Pas na drie dagen wordt ze als vermist opgegeven.
Ik weet dat ze in een badjas mee liftte met de onderhoudsmonteur van hun vakantiehuisje en uitstapte bij het eerste plaatsje dat ze tegenkomt. Ik stap met haar uit en kijk rond op het lege plein. Zie hoe ze een jurk koopt en ondergoed. Ze komt langs een raam met het bordje ‘kamer vrij’ erachter en belt aan. Later die dag zit ze op de witte deken op het bed en heeft de deur op slot gedraaid. Ik denk aan Frida Vogels. Die huurde jaarlijks een bovenkamertje in Amsterdam om er te schrijven aan haar levenswerk De harde kern 1, 2 en 3. In gedachten loop ik de trap op, groet de hospita die om de hoek van haar deur kijkt om te controleren wie er binnenkomt. Ik zie een bed, een stoel, een muurkast, een tafel. En een raam waarlangs een zucht wind de gordijnen streelt, als ik het openzet.
Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.
Van Virginia Woolf mag ik niet zeggen dat ik Londen ken. Dat mag pas als ik ten minste een echte Cockney ken en als er in een achterafstraatje opengedaan wordt als ik op een deur bons of aanbel. Ik weet niet waar de drie mensen wonen bij wie ik, misschien, in geval van nood, terecht zou kunnen – working class heroes zijn het zeker niet – dus ondanks al het wandelen door wijken die toeristen mijden, ken ik Londen niet. Zeker het Londen van Virginia Woolf niet. Er is tijd verstreken, haar Londen bestaat niet meer. Wijken, straten en parken veranderden zo definitief van karakter dat haar associaties niet meer opgaan. De koepel van St. Paul’s Cathedral is niet langer een silhouetbepalend baken in de skyline van de stad en de achterbuurten van toen zijn nu hippe en trendy wijken.
Wandelen in haar voetsporen kan nog en ik beken dat ik dat meer dan eens gedaan heb. Ik moest moed verzamelen voordat ik me in het doodlopende Hyde Park Gate waagde om er van een afstand naar het op één na laatste huis aan de linkerkant te kijken. Op het veel minder beladen Mecklenburgh Square – de laatste Londense straat waar Virginia Woolf woonde – vroeg ik me af of haar zenuwen wel bestand waren tegen de tussen de gevels kaatsende kindergeluiden van de toen buitenspelende wezen aan de overkant van de straat. Ik vond ze – al spelen er op Coram’s Fields strikt genomen geen wezen meer – behoorlijk luidruchtig.
In haar voetsporen treden, of in die van een van haar personages, is leuk. Maar street haunting à la Woolf is leuker. Onder het mom van – in haar geval kon de aanschaf van een potlood niet langer wachten – door de stad zwalken. Bijna doelloos banjeren en ondertussen van alles opmerken dat vast nog wel eens van pas komt, maar hoe dan ook het waarnemen waard is. Eventueel op de een of andere plek uitkomen, maar noodzakelijk is dat niet. Want: ‘how beautiful a London street is then, with its islands of light, and its long groves of darkness, and on one side of it perhaps some tree-sprinkled, grass-grown space where night is folding herself to sleep naturally and, as one passes the iron railing, one hears those little cracklings and stirrings of leaf and twig which seem to suppose the silence of fields all round them, an owl hooting, and far away the rattle of a train in the valley.’ Dat kunnen is Londen kennen.
Ik heb nog een lange weg te gaan. Al het struinen ten spijt blijk ik vaak onbewust toch weer een route uitgestippeld te hebben. Er is zo veel te zien en het blijft moeilijk verleidingen te weerstaan. Maar ik houd hoop: ik heb al steeds minder pleisterplaatsen nodig. Het lukt steeds beter om schoonheid te negeren en het obscure te koesteren.
Voor de gelegenheid las en herlas ik: The London Scene – Virginia Woolf / Street Haunting: A London Adventure – Virginia Woolf / Geheim Londen – Virginia Woolf (vertaling: Catalien en Willem van Paassen) / Virginia Woolf. Life and London: A Biography of Place – Jean Moorcroft Wilson
Barbara de Lange is fulltime vertaler en geeft les aan de Vertalersvakschool in Amsterdam. Sinds 1985 vertaalde ze onder meer werk van Margaret Atwood, George Steiner, John Irving, Simon Schama, Colin Thubron, Donna Tartt, D.H. Lawrence en Michael Ondaatje. Vorig jaar werkte ze tien maanden aan de vertaling van De jaren. We ontmoetten elkaar voor dit interview Barbara bij Grand café Restaurant 1e klas op Amsterdam Centraal. We praten over het vertalen van het werk van Virginia Woolf, over vertalen in het algemeen. En waarom iedereen – die iets van de wereldliteratuur wil meekrijgen – de kans moet grijpen om Virginia Woolfs De jaren te gaan lezen.
Deze niet eerder vertaalde roman van Virginia Woolf (1882-1941) verscheen begin januari bij uitgeverij Athenaeum. De jaren is – naast dat het haar omvangrijkste werk is – met Mrs. Dalloway ook haar toegankelijkste werk. Over De jaren schreef Virginia Woolf in haar dagboek (Schrijversdagboek 2 Privé-domein): ‘Aan niet één boek heb ik ooit zo hard gewerkt.’ Op 30 september 1934 schreef ze het slot van een roman waarvoor ze nog geen juiste titel had gevonden. Twee jaar werkte ze eraan onder de titel The Pargiters. Toen het boek zijn voltooiing naderde, overwoog ze het Here and Now te noemen of Sons and Daughters. Tijdens het herschrijven kwam de titel Ordinary People voorbij tot het boek ineens op 11 januari 1935 The Caravan heette. Door het uittypen van het manuscript en het (herhaaldelijk) herschrijven van hele stukken, constateert ze dat het boek een ‘samengaan is van het uiterlijke en het innerlijke’. Ruim een jaar voor de drukproeven op 31 december 1936 de deur uitgaan, dient zich op 5 september 1935 de titel The Years aan, en de The Years blijft het.
Waarom liet de vertaling van The Years zo lang op zich wachten?
‘Het is vreemd dat dit boek zo lang is blijven liggen. Ik denk dat het door de oorlog kwam. Het boek is in 1938 uitgekomen. Daarna werd het meteen in het Frans vertaald, in het Hongaars en Zweeds. Het werd haar best verkochte boek. In Nederland verscheen in 1948 Mrs. Dalloway bij Van Oorschot en toen tien jaar niets meer van haar.
Ik ontdekte dat The Years nog niet was vertaald en wilde het heel graag doen. Ik ben ermee naar uitgeverij Athenaeum gegaan omdat zij onlangs ook Mrs. Dalloway hadden uitgegeven in een nieuwe vertaling. Ze waren direct bereid het uit te geven. De jaren is een van de toegankelijkste boeken van haar. Wie bang is voor het werk van Virginia Woolf kan heel goed met De jaren beginnen. In Het Parool stond dit weekend een lovende recensie van Arie Storm die onder andere ook zei dat het zo’n toegankelijk boek is. Ik vond het heel leuk om te doen, het was een vertaling om me in vast te bijten. Virginia Woolf is een modernist en schrijvers uit die overgangsperiode hebben mijn voorkeur.’
Was het ooit een keuze te gaan vertalen?
‘Het was meer iets wat ik gewoon ging doen. Ik was klaar met mijn studie filosofie en samen met een vriendin zeiden we, we gaan vertalen. Ik heb geen Engels gestudeerd. Na enkele jaren non fictie te hebben vertaald, kwam pas de literaire kant. Omdat ik de opleiding niet had, vond ik het spannend. Heel lang heb ik gezegd als mensen vroegen wat ik doe: ik vertaal. Pas later werd dit: ik ben vertaler.’
Alsof – als je iets uit passie doet, het leuk vindt – het een dingetje is wat geen naam mag hebben. Haar eerste literaire vertaling was een roman van Margaret Atwood en werd haar aangeboden. Ze deed het met veel plezier en, nadat ze de eerste tijd nog parttime bij een bibliotheek werkte, kon ze al gauw als fulltime vertaler aan het werk.
Kun je, als vertaler, ervan meegenieten als een boek een succes wordt?
‘Ik kreeg het aanbod het eerste boek van Donna Tartt De verborgen geschiedenis te vertalen. Er was in die tijd (jaren negentig) waarschijnlijk meer geld bij de uitgevers want de schrijfster werd voor een week naar Nederland gehaald. Na de etentjes en de presentaties zat de schrijfster maar in haar hotel in Amsterdam. Ze was heel jong nog. Toen ben ik ook een avond met haar op stap geweest. Dat zijn hele leuke dingen om te doen. Soms denken mensen nog dat het boek er zo maar ‘is’, alsof de auteur op een of andere magische wijze het boek in het Nederlands geschreven heeft. Zelfs sommige recensenten negeren het feit dat het om een vertaling gaat.’
Toch is er tegenwoordig meer aandacht voor vertalers, al blijven de betalingen achter op de prestatie die geleverd wordt en is vertalen zonder een bijdrage van het Nederlands Letterenfonds niet mogelijk. De erkenning is er steeds meer en vertalen wint aan status want; zonder vertalers geen toegang tot de wereldliteratuur.
Hoe los je problemen tijdens het vertalen op. Neem je contact op met de auteur en is elke auteur ook bereid mee te denken.
‘Ik spaar de lastige, de problematische dingen altijd op en als ik er op geen enkele manier achter kan komen wat het is, neem ik contact op met de auteur. Bijvoorbeeld over een bepaald woord en hoe het gebruikt wordt. In het laatste boek van Anne Tyler dat ik vertaalde, lag er iets onder de struiken in de tuin, iets dat op ‘a diploma’ leek, een diploma dus. Het stuk ging over een waterpomp die in een kelder stond en uitkwam op de tuin en dan opeens ligt daar een diploma onder een struik. Ik begreep er niets van. Vreemd was dat, en ik vroeg me af of dat erbij hoorde want binnen de context van het verhaal paste het niet echt. Maar haar reactie was, ‘Ja, hoor, daar leek het op, een diploma met een lintje erom, gewoon. Vaak kunnen auteurs zich niet helemaal voorstellen waar het probleem zit. Vroeger maakte ik bij woordgrappen wel eens een provisorische oplossing maar dan is het lastig om daar los van te komen en een betere oplossing te vinden. Tegenwoordig laat ik het open en houd het in mijn achterhoofd om er later nog eens rustig naar te kijken.’
Hoe werkt dat bij een overleden auteur, zoals van De jaren.
‘Ik leg wel eens een fragment voor aan een collega om te zien hoe deze het interpreteert. En verder is het ook een kwestie van zoeken. Virginia Woolf gebruikte vaak woorden in een oude betekenis, die niet meer zo bekend is, ook niet in haar eigen tijd. Als een woord in meerdere betekenissen voorkomt of in het Engels andere associaties heeft, moet je kiezen en kun je het alleen maar benaderen. Wat ik ook doe is veel lezen over de auteur, haar achtergrond. Ze las Frans maar heeft jarenlang Proust niet durven lezen hoewel haar hele omgeving er weg van was. Ze was er een beetje bang voor, en toen ze hem uiteindelijk las vroeg ze zich ook af wat er voor haar nog te doen viel: hij had voor haar gevoel precies gedaan wat zij ook wilde. In De jaren zie je ook de invloed van Proust, of misschien beter: dezelfde affiniteit met herinnering en tijd als Proust had. Een andere invloed of affiniteit zie je bij Tolstoj. Woolf had Russisch geleerd en meegewerkt aan vertalingen van Tolstoj en Dostojevski. Het oorspronkelijke idee voor dit boek – met essays tussen de hoofdstukken door – komt van Tolstoj’s Oorlog en vrede. Dat vind ik dan erg interessant maar ik heb er verder niet zo veel aan. Ik kan er niets van gebruiken, wel draagt het bij aan een algemeen inzicht, het werkt als een soort bedding voor het vertalen. Ik heb ook altijd iemand die meeleest. Die dingen ziet die ik over het hoofd zie. En ik begin elke dag met de tekst terug te lezen van de vorig dag.’
Is vertalen het opnieuw vertellen van het verhaal en hoe vrij ben je in het vertalen.
‘Opnieuw vertellen wordt algauw parafraseren. Maar dat verschilt per taal waaruit vertaald wordt. Als je een taal hebt waarbij de zinsbouw totaal anders is dan wordt het meer een hervertellen. De Engelse taal staat veel dichter bij het Nederlands dan bijvoorbeeld Chinees. Het zou heel interessant zijn te weten wat de fundamentele verschillen zijn tussen het vertalen uit verschillende talen. Ook bij het Italiaans, (wat ze in het begin ook heeft gedaan Iv/dG), is het noodzakelijk de zinsopbouw los te laten. Bij het Engels ook wel, maar minder. En bij Woolf moet je altijd weer goed kijken naar de originele woordschikking binnen de zinnen, omdat ze daar een bedoeling mee heeft, het is een aspect van haar stijl, net als de vele herhalingen en alliteraties in haar werk, daar wil ik dan wel aan vasthouden. In een drukproef zie ik meestal pas waar het teveel of te geforceerd is en waar het er uit kan.’ Hoewel een vertaler niet het verhaal opnieuw hoeft te vertellen, blijven er dingen in het hoofd van de vertaler spelen gelijk als bij een auteur. Het zoeken naar de vertaling van een uitdrukking kan blijven doorspelen tot er zich de best vorm aandient, dat kan zijn als bij ingeving, zoals ook een auteur zijn tekst wikt en weegt.
Het schijnbaar hoogste wat je kunt bereiken als vertaler (schreef een recensent over de vertaling door Erwin Mortier van Between the Acts van Virginia Woolf) is als de Nederlandse lezer vrijwel hetzelfde leest als de Engelse lezer.
‘Eigenlijk is dit onmogelijk, zegt De Lange. De beleving van een woord is in iedere taal verschillend. Het effect op een lezer in de jaren dertig is sowieso anders dan op die van nu, ook bij Engelse lezers. Ik begrijp dat die recensent de vertaler een compliment wilde maken maar het klopt niet. Natuurlijk streef je er wel naar om een boek in vertaling dezelfde waarde mee te geven, en de zinnen moeten natuurlijk lezen alsof ze in het Nederlands zijn geschreven. Maar als het boek exact hetzelfde effect op de Nederlandse lezer moet hebben als op de Engelse dan zou je wat ze noemen een Hema-vertaling moeten maken en alles vernederlandsen. De plaats- en straatnamen krijgen dan Nederlandse namen en een muffin wordt een bitterkoekje.
Een voorbeeld: onlangs was er tijdens de Swchob-Leesclub van De jaren onder leiding van Elsbeth Etty een jongeman die bepaalde dingen miste in het boek. Hij had in het laatste hoofdstuk (dat in de jaren dertig speelt) wel meer willen weten over de oorlogsdreiging. Maar ik denk dat die er voor de lezers destijds, die er middenin zaten, duidelijk in aanwezig was, terwijl die dreiging voor de jonge lezer van nu (ook de Engelse) minder duidelijk is.’
Als het boek vertaald is hoe dicht ben je dan het verhaal en de schrijver genaderd?
‘Als een vertaling klaar is voelt het als een huis waarvan ik alle kamers ken. Dan is het consistent. Het voelt heel eigen en bij een boek als dit, waarin de auteur echt het hele boek lang met één stem spreekt, in een heel bewust gekozen stijl, zou ik ook niet met iemand kunnen samenwerken.’
Na het afronden van een vertaling volgt het afstand nemen en komt er weer ruimte voor nieuwe projecten. Barbara de Lange kan zich erop verheugen in de toekomst nog meer modernisten te vertalen, en noemt Henry Green. Ook het her(ver)talen van Jacob’s Room en To the Lighthouse van Virginia Woolf staan op haar lijstje.
Literair criticus Carel Peeters (1944) schrijft tweewekelijks een literaire kroniek voor Vrij Nederland online. Op papier doet hij, na jaren de Republiek der Letteren te hebben gediend, niet meer mee sinds het blad de oplage zag teruglopen. Gelukkig schrijft hij nog vijf keer per jaar de Kroniek van de roman voor Tirade. Een tijdschrift waarmee je iets in handen hebt en dat bij het openslaan de geur van vers papier en drukinkt verspreidt. Geen pagina’s weg klikken maar er doorheen bladerend, naar de bedoelde Kroniek. In deze nieuwe editie doorgrondt Peeters de roman Wil van Jeroen Olyslaegers. Waarbij als eerste de Vlaamse taal van Louis Paul Boon en Hugo Claus wordt geduid als ‘bedacht authentiek’. En dat Olyslaegers een milde variant van Boon beoefent in zijn romanpersonage die uit verschillende personages bestaat. Een personage dat een ’tweezak’ wordt genoemd omdat hij in oorlogstijd evengoed heult met de vijand als met het verzet. Peeters noemt Olyslaegers roman een snijdende roman om de ‘hoge mate van onverstoorbare neutraliteit die Olyslaegers de oude Wilfried laat betrachten.’ In zijn kronieken kom je van die belangwekkende inzichten tegen waar geen andere criticus het over heeft.
Verder naar achteren, naar het podium van De tirade van…. Deze keer betreden door romanschrijver en redactielid van Tirade, Anja Sicking. Een tirade over een neiging tot een tirade die maar geen tirade wil worden. De ontvangst op een camping in Italië door een Nederlands echtpaar, Toon en Eefje. Man in een knaloranje korte broek die haar met haar vriendin en kinderen, met ‘zijn vakantievierende handen’ in zijn zij staat op te wachten. Waarna hij en zijn vrouw zich zo voorkomend en behulpzaam opstelden dat het haar woede wekt. Waarvoor ze zich dan weer schaamt. Want ze was toch niet zo iemand ‘die een ander zomaar op z’n gezicht wil timmeren alleen omdat het me niet aanstaat?’ Schaamtevolle situaties rijgen zich aaneen en bieden genoeg momenten om de tenenkrommende vragen en voorstellen van het echtpaar, met een tirade te beantwoorden. Herkenbaar, juist daar waar gezwegen wordt.
Sipko Melissen, schrijver van de romans Een kamer in Rome en Oud Loosdrecht, werkt aan een essaybundel over Franz Kafka. In zijn essay Kafka in Merano gebruikt hij o.a. artikelen en essays van W.F. Hermans die geschreven zijn naar aanleiding van een bezoek aan Merano waar hij op zoek was naar verhalen over schrijvers die daar gekuurd hebben of aan tbc waren overleden. Dat Hermans geen sporen van Kafka tegenkwam, die ooit in Merano drie maanden als tuberculose patiënt verbleef, heeft volgens Melissen te maken met het feit dat Hermans daar was op het moment dat er nog geen gedenktekens e.d. geplaatst waren. Mooi samen komt de veronderstelling dat Kafka een zoon heeft gehad (die op kinderleeftijd zou zij overleden) en dat Hermans een meisje in Merano zag dat voor hem een reïncarnatie van Kafka is. Waarbij Melissen zich afvraagt of er niet enig nageslacht van Kafka zou kunnen rondlopen.
Joost Baars vertaalde de Verschrikkelijke sonnetten van de experimentele en religieuze Britse dichter Gerard Manley Hopkins (1844-1889). In een mooie inleiding tot de sonnetten schrijft Baars over de geloofscrisis waarin Hopkins verkeerde toen hij deze sonnetten schreef. Zes sonnetten die zich niet gemakkelijk laten verklaren maar wel een sterk innerlijke worsteling tonen.
Sander Kollaard, schrijver van verhalen en de roman Stadium IV vertaalde het verhaal The Death of the Moth, van Virginia Woolf. Verheugend dat er van Woolf een niet eerder vertaald verhaal gepubliceerd wordt. In een inleiding schrijft Kollaard hoe Woolf tot dit verhaal kwam naar aanleiding van een brief van haar zus Vanessa. De inleiding van Kollaard en het verhaal van Woolf, eindigen met vrijwel dezelfde zin: Het ligt stilletjes op de vensterbank, heel netjes, heel bescheiden. ‘O yes, he seemed to say, death is stronger than I am.’ Oh ja, leek het te zeggen, de dood is steker dan ik.
Misschien gaat hij vanzelf van Anneke van Wolfswinkel vertelt in eenvoudig maar sterk beeldend taalgebruik het verhaal van een oude man en zijn stervende hond. ‘De oude man graaft een kuil. Op het erf, aan de rand van het weitje waar hij elke ochtend even staat (…).’ Die hond wil hij uit zijn lijden verlossen maar telkens wanneer hij zijn vinger om de trekker legt beweegt de hond en wordt het vonnis uitgesteld. ‘Sterven in je slaap is een vorm van genade, maar een hond afmaken in zijn slaap is een laffe, liefdeloze daad.’ Een knap en verstild verhaal.
Verder werk van onder meer Idwer de la Parra (poëzie), Roos van Rijswijk (redactioneel), Walter Tevis (proza vertaald door Anna Visser), Lia Tilon (proza). De illustraties, waaronder de cover afbeelding, zijn van JurgenWinkler.
Tirade kun je kopen bij de betere boekhandel of neem een abonnement.
Jaarlijks vijf nummers; € 50,00 (studenten € 35,00)
Kijk ook op Tirade.nu.