• Een stad als een verhaal

    Een stad als een verhaal

    ‘Woorden zijn de enige overwinnaars,’ luiden de laatste woorden van Pampa Kampana, de 247-jarige protagoniste van Victoriestad, de nieuwste roman van Salman Rushdie. Eindelijk is Pampa Kampana oud geworden en mag ze sterven.
    Victoriestad is een mythe van een mythe, of een mythe bovenop een mythe, zoals gecreëerd door Rushdie, opgeschreven door Pampa Kampana en selectief herverteld door de naamloze alwetende verteller. Dit is niet de eerste roman waarin Rushdie vrijelijk jongleert met geschiedenis en bestaande verhalen en personen, wel misschien een van de boeken in zijn rijke oeuvre met de meest opengewerkte constructie. Wat we lezen, waarschuwt zijn verteller keer op keer, is niet te vertrouwen, alleen te geloven.

    Mythe én geschiedenis

    Het verhaal van Pampa Kampana is gelijk aan de opkomst en ondergang van Vijyanagara, de hoofdstad van een Zuid-Indiaans rijk dat werkelijk heeft bestaan. Vijyanagara stond van halverwege de veertiende tot halverwege de zestiende eeuw op de grens tussen de huidige deelstaten Karnataka en Andhra Pradesh. De ruïnes van de stad zijn door Unesco erkend werelderfgoed en dragen nu de naam Hampi. De ‘victoriestad’, een letterlijke vertaling van Vijyanagara, ontstaat in Rushdie’s versie door de magische kracht van Pampa Kampana. Als haar grote liefde, de Portugese paardenhandelaar Domingo Nunes, over de naam struikelt en er Bisnaga van maakt, aarzelt zij niet de stad zo te hernoemen. Zo krijgt de mythische stad krijgt een naam, die berust op een verspreking: een even ludieke als veelzeggende ingreep van Rushdie.

    Alles wat eenmaal ontstaat, verdwijnt weer: zoals Bisnaga, kent ook het lange leven van Pampa Kampana meerdere cycli. Na de dood van Domingo Nunes volgt haar tweede roodharige Portugees, en als ook hij overleden is, nog een Venetiaan. Zij hebben een voor hun tijd gebruikelijk kort leven. Alleen Pampa Kampana leeft voort als de jonge vrouw die ze eens was, want de goden zijn aan haar kant en beschermen haar tegen ouder worden. Althans, tot het onvermijdelijke gebeurt en ook zij een grijsaard wordt, nadat ze haar zicht en daarmee haar magische krachten kwijt is geraakt.

    Liefde, samen met het verzet van Pampa Kampana tegen de naargeestige, door mannen en hun onvermogen overheerste samenleving, mag naast het onwrikbare vertrouwen in de kracht van het vertellen, gerust het hoofdmotief van het boek genoemd worden. Rushdie rekt het verhaal wijd en breed op, maar vaart en spanning zitten er eigenlijk alleen in het eerste deel. Die slordige honderd pagina’s zijn een weergaloze vertelling die alle natuurwetten teistert, overeenkomstig het ontembare karakter van Pampa Kampana. Daarna neemt het tempo af en volgen er passages die, hoewel nog steeds aardig, het niveau van het begin bij verre niet halen. Of dat daadwerkelijk de bedoeling van Rushdie is geweest, valt te betwijfelen, al is het idee dat hij met Victoriestad de kracht van de jeugd bezingt, misschien niet heel ver gezocht.

    Ingehaald door werkelijkheid

    Met de kennis van nu doet de blindheid van Pampa Kampana onheilspellend aan. In augustus vorig jaar, een paar weken nadat hij de drukproeven van Victoriestad had gecontroleerd, werd Rushdie net voor het begin van een openbare lezing aangevallen door een jonge moslim. Binnen een halve minuut stak hij de schrijver twintig keer met een mes. Ook in zijn rechteroog. Dat Rushdie de aanval overleefde, lag aan een gelukkig toeval. Zoals hij aan David Remnick van The New Yorker vertelt in het eerste interview dat hij vier maanden na de aanslag gaf, werd hij gered door een duim. Na dertig seconden kwamen omstanders in beweging en lukte het iemand zijn vinger op de bloedende slagader van Rushdie te leggen, terwijl ze wachtten op de helikopter die hem naar het ziekenhuis zou brengen.

    ‘Ik heb altijd gedacht is dat mijn boeken interessanter zijn dan mijn leven. Helaas lijkt de wereld anders te denken,’ zegt Rushdie tegen Remnick. De hetze tegen zijn persoon, met als culminatie de fatwa die op hem werd uitgeroepen na de publicatie van de roman Satansverzen, heeft zijn gevoel voor ironie niet kunnen aantasten. Hoewel hij zijn oog voorgoed kwijt is, blijvend moe is en niet weet of hij ooit nog een boek zal schrijven, is hij net zo strijdbaar als altijd.

    Dat wordt ook duidelijk in Victoriestad. De roman leest even goed als een bespiegeling op de huidige tijd: er zitten talrijke verwijzingen in naar de groeiende intolerantie in het India van premier Modi, een hindoenationalist, die de Indiase geschiedenis graag presenteert als één grote strijd tussen hindoes en anderen. De werkelijkheid is veel ingewikkelder en rommeliger, zoals overal. Ook in het hindoeïstische deel van India zijn er talloze voorbeelden van culturele invloeden en overnames van gebruiken, net zo goed van moslims en sikhs als van christenen, in werkelijkheid en in de roman.

    Als een van Bisnaga’s koningen, de eigengereide Krishnadevaraya, zich toont in een kostuum van noordelijke moslim-heersers, steken zijn toekomstige vrouw en schoonmoeder hun afschuw niet onder stoelen of banken. Een Zuid-Indiase koning hoort een bloot bovenlijf te hebben, laten ze hem weten. Op de achtergrond wrijft Pampa Kampana in haar handen van plezier: zij is de belichaming van tolerantie en culturele versmelting. En van vrouwenrechten. Trouwen doet ze alleen uit strategische overwegingen. Ze trouwt drie keer met drie koningen, waarvan de eerste twee, de broers Hukka en Bukka, geënt zijn op historische figuren: de eerste twee koningen van het Vijyanagara-rijk.

    Tijdelijkheid

    Rond haar tweehonderdste, tijdens de afwezigheid van Krishnadevaraya, haar derde en laatste echtgenoot, lukt het Pampa Kampana eindelijk haar ideale Bisnaga te creëren, met scholen voor meisjes, rijkdom, goederen uit alle windrichtingen en, vooral, ‘talen, die tot extatische hoogte werden verheven door de grote dichters die huizen om in te wonen en podia om op te spreken hadden gekregen.’ Die wensdroom van iedere literatuurbeminnende geest is helaas net zo kortstondig als al het andere in het leven – in het leven van gewone stervelingen althans – en als al het moois met een onverklaarbare droogte verdwijnt, is ook het leven van Pampa Kampana over.

    Victoriestad, misschien wel de laatste roman van Salman Rushdie, zit bol van plezier, het soort plezier waarvan Rushdie in het interview met David Remnick zegt dat het wat hem betreft best het uiteindelijke doel van alle kunst zou kunnen zijn. Hij laat zijn Pampa Kampana gelijk in het begin van het boek constateren dat als het leven te veel wordt, het tijd is dat de verbeelding het overneemt van de herinnering. Ondanks de oneffen kwaliteit van de hoofdstukken is Victoriestad een lust om te lezen, was het alleen al om de vele grappen en verwijzingen naar andere verhalen en personages uit alle tijden, tot en met – een spoiler – The Pirates of the Caribbean.

     

     

  • Oogst week 6 – 2023

    Victoriestad

    Salman Rushdie heeft juist deze week voor het eerst weer van zich laten horen sinds de aanslag op zijn leven augustus vorig jaar in een interview in de New Yorker. Veel over de aanslag en de aanslagpleger, een beetje over zijn nieuwste boek Victoriestad, dat voor de aanslag al geschreven was. Eigenlijk stond er een grote boektour gepland voor deze winter. Maar daar zal niks van komen. Zijn lichamelijke conditie is niet zo best. Hij is blind aan zijn rechteroog, zijn vingertoppen zijn gevoelloos. De grote vraag in het interview is of hij nog weer zal kunnen schrijven. Maar eerst is daar Victoriestad, een episch verhaal over een vrouw die een mythisch rijk tot leven ademt om er vervolgens in de loop der eeuwen door vernietigd te worden.

    In de nasleep van een veldslag tussen twee vergeten koninkrijken in het veertiende-eeuwse Zuid-India heeft een negenjarig meisje een goddelijke ontmoeting. Nadat haar moeder gedood is, wordt het negenjarige meisje Pampa Kampana een medium voor de godin die door de mond van het meisje begint te spreken. De godin verleent Pampa Kampana krachten die het begrip van het meisje te boven gaan en vertelt haar dat ze een rol zal spelen in de opkomst van een grote stad genaamd Bisnaga – letterlijk ‘victoriestad’ – het wereldwonder.

     

    Victoriestad
    Auteur: Salman Rushdie
    Uitgeverij: Pluim

    Een mens valt uit Duitsland

    De in 1908 in Berlijn geboren Kurt Lehmann vluchtte in 1934 naar Nederland. Daar verscheen bij Querido, in die tijd uitgever van emigrantenliteratuur, zijn boek Ein Mensch fällt aus Deutschland. Dat het boek hier werd uitgegeven had hij te danken aan Menno ter Braak, die bleef aandringen toen Querido het manuscript in eerste instantie had afgewezen. Lehmann schreef het boek  onder het pseudoniem Konrad Merz, waardoor de Duitsers ook lang niet wisten dat hij de auteur was. Merz verklaarde de titel als volgt: ‘Mijn vader is voor Duitsland gevallen [hij kwam om in de Eerste Wereldoorlog], zijn zoon is uit Duitsland gevallen.’

    Menno Ter Braak recenseerde het boek in 1936 in Het Vaderland en vergeleek Merz daarin met Heinrich Heine om hun beider vermogen om culturen met elkaar te verbinden. Het met Berlijnse humor geschreven Ein Mensch fällt aus Deutschland was volgens hem geschreven op de grens van twee landen: ‘Dat is ook de reden waarom men deze lotgevallen van een Duitser, die naar Nederland moet vluchten, beschouwen kan als een werk van Europese betekenis’.
    Er kwamen al snel Nederlandse vertalingen, maar de bekendste daarvan is de latere Een mens valt uit Duitsland van Lore Coutinho uit 1979. Van deze is nu een herdruk verschenen.

    Een mens valt uit Duitsland
    Auteur: Konrad Merz
    Uitgeverij: Cossee

    Ik zal alles verdragen, ook mezelf

    ‘Gisteren avond kreeg ik de mededeling dat mijn dochtertje, Raphaëla, overleden is. Het was haar geboortedag, want ze is op 3 januari 1947 ter wereld gekomen. Ik heb haar de naam gegeven van de schilder der idealen, van de zon en het licht, van de zoetste harmonie. Ze mocht niet lang bij haar moeder blijven, die geestesziek naar een gesticht voor zenuwlijders ging. Ik heb Raphaëla, dochter van mijn dromen, in een kinderkribbe moeten doen. Ze had haar eigen kleedjes niet meer. Ze werd een nummer en ze trok zo op mij, met haar grote, bange oogjes. En nu is ze gegaan, zonder een glimlach, zonder een glimpje liefde, gestorven in een vreemde wereld, verwelkt voor haar ontluiken. “Het is maar een wicht van drie maanden”, zegt men, “troost u dus”. Ik kan geen troost vinden, want met haar ging iets schoons en goeds van mezelf. De nacht heeft dit glimpje licht opgeslorpt, mij nu nog meer alleen latend.’

    Dit schreef Leopold Flam op 4 april 1947 in zijn dagboek. Flam (1912-1995) was een Belgische filosoof met een indrukwekkende bibliografie. Hij was kind van analfabetische joodse ouders en leerde zichzelf vanaf zijn achtste jaar in barre armoede in Antwerpen lezen. Hij overleefde Buchenwald en een werkkamp. Van 1925 tot 1957 schreef hij bijna obsessief brieven en dagboeken die zeer intiem zijn. Een selectie daaruit is door Kristien Hemmerechts en Guido van Wambeke uitgegeven in het lijvige Ik zal alles verdragen, ook mezelf. Ze leveren ook toelichtingen op de tekst.

     

    Ik zal alles verdragen, ook mezelf
    Auteur: Leopold Flam
    Uitgeverij: De Geus