• Geweldig boekwerk, informatief, ter verpozing en meer willen lezen

    Geweldig boekwerk, informatief, ter verpozing en meer willen lezen

    De laatste editie van literair tijdschrift Terras #21 met als thema ‘Jungle’, nodigt uit tot het toetreden van de jungle die in stad, land, eigen huis, alsook door een wildgroei aan beelden die het dagelijkse leven overwoekeren kan ontstaan. Er is onvertaald werk van (veelal) onbekende schrijvers (niet vertaald, niet gezien), alsook nieuw werk van Nederlandstalige auteurs. De vertalers, die een groot deel van het speurwerk verrichtten, trakteren op teksten die gretig gelezen worden, ongekend wordt soms liefde op het eerste gezicht. Zoals de teksten van de Portugese Mário-Henrique Leiria (1923-1980), schrijver van surrealistische (micro)verhalen. Portugees vertaalster Anne Lopes Michielsen schreef een introductie op deze schrijver, waarbij ze ook de ingrediënten en bereidingswijze voor een gin-tonic meegaf, hoewel Leiria liefhebber was van gin-tonic zonder tonic. Zoals er ook Bacalhau com natas sem Bacalhau (kabeljauw in roomsaus zonder kabeljauw) bestaat voor vegetariërs.

    Alles kan, bij Leiria in ieder geval wel. Zijn teksten, waarin absurde dingen gebeuren, worden rechtgetrokken met zinnetjes als, ‘Dus ik deed wat ik moest doen.’ Of, ‘Zo ging het.’ Begin jaren zeventig verschenen van hem twee bundels, Contos do Gin-Tonic, en later, Novos Contos do Gin-Tonic. Lopes Michielsen vertaalde daaruit het korte verhaal, ‘Tropicalia’ over verschijningen en verdwijningen in de tropen, zo is er een olifant op het balkon van een hotel, en zo is deze verdwenen. ‘Zo gaat dat.’ eindigt het verhaal. En nog drie microverhalen, waaronder deze:
    ‘Huwelijk

    “In rijkdom en armoede, in goede en slechte tijden, tot de dood ons scheidt.”
    Uitstekend.
    Ik kom mijn beloftes altijd na.
    Daarom heb ik haar gewurgd en ben vertrokken.’

    Verhalen uit Rwanda

    Vicky Franken vertaalde een fragment van de Rwandese schrijfster Scholastique Mukasonga (1956). Op vierjarige leeftijd werd ze met haar familie gedwongen te vertrekken naar een oostelijke provincie van Rwanda, waar de grond vrijwel onvruchtbaar was en weinig water. Later vluchtte ze naar Burundi en op zesendertigjarige leeftijd vestigde zij zich in Frankrijk. Twaalf jaar later debuteerde ze met Inyenzi ou les Cafards (Inyenzi of de Kakkerlakken), bij Gallimard, een ‘papieren graftombe’ voor de Tutsi-slachtoffers, zelf verloor ze vele familieleden. 

    Het vertaalde fragment gaat over een nieuw leven opbouwen in dat deel van Rwanda waar ze als kind met haar familie terecht kwam. Mukasonga schrijft, ‘De families die als een meute Robinsons aanspoelden midden in de savanne, moesten de muren van de huizen optrekken, het dichte doornbos ontginnen om een lapje grond in te zaaien en zien te overleven in afwachting van de eerste oogst.’ In afwachting van die oogst gingen de vrouwen met de kleinste kinderen werken bij gezinnen voor een tros bananen of wat zoete aardappelen. Een verhaal van nooit weten wat de dag van morgen brengt. Toen ze de grond hadden bewerkt, de oogst wat opbracht en er enige zekerheid ontstond, eisten landbouwkundigen dat haar familie koffie ging verbouwen. ‘We moesten alles wat we tot dan toe hadden verbouwd uit de grond trekken en, erger nog, ook een groot deel van onze bananenplantage die net vruchten begon af te werpen.’  Uit oude koloniale overwegingen kwamen ze onder toezicht van landbouwkundigen, ‘Wij, op onze blote voeten, waren vooral gefascineerd door het glanzende van hun laarzen.’  Mukasonga schreef drie non-fictie boeken en verscheiden romans en een verhalenbundel. Stille verwondering bij het lezen van haar geschiedenis, die niet zichtbaar genoeg kan worden gemaakt. Tijd dat haar werk vertaald wordt.

    Jonge Franse arbeiders, schrijvers

    Van Tommy van Avermaete een stuk over de Franse dichter Thierry Metz (1956–1997). Waarover hij voor het eerst hoorde toen hij de vertaalde roman van Joseph Ponthus (1978-2021) las, waarin deze over Het dagboek van de bouwvakker van Thierry Metz schrijft:
    ‘is een dagboek dat je gelezen moet hebben
    Het is een meesterwerk
    […]
    Die taal
    Zo puur zo subtiel
    Ideaal dat ik nastreef
    Die woorden
    Die stilte na het werk’

    Beide schrijvers stierven jong, Ponthus door kanker, Metz door zelfdoding nadat hij door de dood van zijn achtjarige kind aan depressies leed. Ook hadden ze gemeen dat ze hun arbeidersbestaan combineerden met schrijven. Van Avermaete, geïnspireerd door deze regels, ging op zoek naar Thierry Metz, ontdekt dat de inzet van het werk van hem, ‘inderdaad niet [is] om op realistische wijze een verhaal te vertellen “over” arbeid, het is hen er eerder om te doen de ervaring van de bouwvakker in taal te vatten – en eigenlijk moet ik niet van “de” bouwvakker spreken, maar over deze ene bouwvakker (Metz) (…) Het gaat hem erom, en misschien gaat het daar in literatuur wel altijd om, een ruimte te scheppen waarin de individuele ervaring in al zijn complexiteit en uniciteit getoond kan worden.’ Ruimte maken voor stilte bijvoorbeeld, zo doet Metz dat. ‘Het is zaterdag. Mijn handen doen niets. je hoort kinderen die in het zand spelen en auto’s die passeren…’. En dan over ‘Binnenshuis leuteren de stoelen. Je weet niet waarover. (…) Het zijn enkel woorden die opklinken, gemurmel van oude besjes… Tussen twee maaltijden, twee afwassen.’ Veelbetekenend met weinig tekst.

    Verdrietplaatjes en Cambrische thee

    Vier nieuwe gedichten  van Marieke Lucas Rijneveld, waarvan enkele regels uit, ‘I love you like I love myself’.
    Lang geleden dat de zondag spinnend naast mij lag,
    dat ik geen verdrietplaatjes draaide, het levenslied een keer
    niet uit mijn borstkas knalde, gewoon een trage wals met

    de stilte. Ik heb de schaar in mijn haar gezet en waterpas een
    jongetje uit me geknipt, (…)’

    Dat de zondag spinnen kan, er een zondag is die naast je ligt, er ‘verdrietplaatjes’ bestaan en er ‘waterpas een jongetje uit iemand geknipt’ kan worden. Het kan bij Rijneveld, daarmee zet hij een wereld van droom en daad open voor wie toegang zoekt.

    Indringende poëzie van de Canadese dichter Gary Geddes, over het verlies van zijn moeder op jonge leeftijd. ‘Jij was haar dood, deelt / oma mee, terwijl ze heet water / in een beker melk giet. / Cambrische thee noemt ze het.’ Regels uit de cyclus Doodtij,  in vertaling van H.C. Ten Berge en onderdeel van de bundel The Resumption of Play (‘De hervatting van het spel’).
    De bundel bevat vijf afdeling, waaronder ‘Doodtij’. De langste afdeling, de titelreeks, gaat over over het onlangs naar buiten gekomen misbruik op kostscholen van Inuit en Indiaanse kinderen in Canada. Onder de titel ‘Empathie en verbeelding’, licht Ten Berge het indrukwekkende werk en de dichter zelf toe.
    ‘Zoals dikwijls in zijn poëzie gebeurt, verplaatst de dichter zich in de wederwaardigheden en het lot van zijn personages, in dit geval een kostschoolkind dat – net als als vele van zijn medescholieren – ontvoerd is door overheidsbeambten en onder dwang in een religieus (her)opvoedingsinstituut is geplaatst.’ Wie het overleefde was ‘getekend voor het leven’. Dat is wat Geddes doet, met empathie en verbeelding gruwelijke misstanden voor het voetlicht brengen. 

    Een schrijver en zijn land

    Verhalen komen overal vandaan, verhalen die tonen hoe het geweest moet zijn, verhalen die treffen, gelezen moeten worden. Dan is er nog niets gezegd over de bijdrage van Mariolein Sabarte Belacortu, vertaalster Spaans-Nederlands, winnaar van de vertalersprijs van het Letterenfonds (2010). Zij opent met haar stuk ‘De erfenis van José María Arguedas’, een weg naar het werk van deze Peruaanse schrijver die zichzelf van het leven beroofde. Zijn zesde boek verscheen postuum in 1971. ’Het is niet gewaagd te zeggen dat hij zich het lot van zijn land en met name dat van de oorspronkelijke bewoners, zo sterk heeft aangetrokken, dat hij eronder is bezweken.’ Aan deze editie werkten vijfenveertig schrijvers/ vertalers/dichters mee, het is een geweldig boekwerk, informatief, ter verpozing, voor op de plank en ter hand nemend als informatiebron voor schrijvers die (nog) niet gekend worden in Nederland, (waar in de toekomst meer van gehoord zal worden). Er is veel in de wereldliteratuur dat nog naar boven gehaald moet worden, de redactie van Terras doet dat met verve.

     

    Lees meer op Terras.nl.
    En klik hier voor de webshop.

     

  • Prachtige verhalen over vertalen en vertaalde literatuur

    Prachtige verhalen over vertalen en vertaalde literatuur

    Filter, tijdschrift over vertalen, onderzoekt in deze derde editie van dit jaar de andere kant van de vertaling, die van de ontvanger, de lezer. Een twintigtal vooraanstaande lezers werd uitgenodigd hun boekenkast te onderzoeken op wat hun favoriete vertaling is, of zelfs ‘hun favorietste aller tijden’. De vraag is even interessant als persoonlijk (welke vertaling bleef je bij, veranderde je leven). Vertalen is een ambachtelijk werk waarbij vakkundig aan een tekst gesleuteld wordt, maar een vertaler moet ook creatief en origineel. Een vertaler is voor alles een literatuurvorser, niemand leest een boek zo grondig als de vertaler, vertalers zijn analyserende lezers. Maar wat merkt de lezer van een vertaling?

    Een buiging

    Joyce Roodnat opent deze Filter met een eerbetoon aan de vertaler, getiteld ‘Saluut’. Voor haar zijn vertalers poortwachters en bruggenbouwers. Ze studeerde Italiaans, maar had Umberto Eco ‘nooit kunnen volgen zonder vertaling.’ En zonder vertalers had ze de romans van Margaret Mazzantini niet gekend. Ze vertelt hoe enthousiast ze wordt als ze een schrijver ontdekt, die ze dankzij de vertaler, kan lezen. Zoals Nicola Pugliese, van wie dit jaar uit zijn roman Malacqua een hoofdstuk in tijdschrift Terras stond, vertaald door Annemart Pilon. Roodnat was enthousiast over de schrijver, en over de vertaler, die op voorhand uit gedrevenheid een stuk vertaald had, in de hoop dat een uitgever het zou oppakken. Daarvoor maakt zij een buiging, voor dat enthousiasme, het vertaalwerk, het publiceren. Een buiging, ‘Met mijn neus tot de grond.’

    Dichteres Vicky Francken zocht in haar boekenkast niet naar de beste vertaling, maar naar de vertalingen die haar eigen zijn geworden. Ze schrijft, ‘De vertalingen die me dierbaar zijn, werpen vaak een licht op iets dat onbegrijpelijk is maar instinctief wáár, iets waar ik zelf nog geen taal voor had.’ Het mooiste boek dat ze ooit las is van Amos Oz, Het verhaal van liefde en duisternis, vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach. 

    Kousbroek als vertaler

    Een vermakelijke stuk, getiteld, ‘Lijn spestien op het zituur’ is van literair vertaler Spaans Lisa Thunnissen. In haar pubertijd ontdekte ze Stijloefeningen van Raymond Queneau, in vertaling van Rudy Kousbroek. Al voorlezend aan haar moeder en zusje werkte het haar op de lachspieren, ‘In lijn spestien op het zitsuur ontmande ik een jongewaard met een nange mek en een hare roed.’ Over het vertalen van zulke taalgrapjes, daar is iets over te zeggen, maar becommentariëren doet ze de vertaling niet, ‘want Kousbroek is niet de minste’.

    Publicist en redacteur van tijdschrift Terras Tommy Van Avermaete vraagt zich af hoe je een vertaling beoordeelt en volgens welke maatstaven. In ‘De boel naar je hand zetten’, onderzoekt hij aan de hand van, Het meisje dat te veel van lucifers hield, van de Canadese schrijver Gaétan Soucy (1958-2013), vertaald door Han Meijer. Hoe een boek, geschreven in een ‘nogal onalledaagse taal’ (waarbij de associatie: onvertaalbaar opkomt) verklaard kan worden. Overigens een titel, die je na lezing van deze bijdrage, onmiddellijk wilt lezen. 

    Zorg en ongemak

    Literair vertaler en vertaalwetenschapper Désirée Schyns, benadrukt in ‘Vertalen is ongemak’ de complexiteit van vertalen. Dat het bij vertalen niet alleen gaat om het behoedzaam omgaan met het werk van een ander. Ze haalt daarbij de vertaalrelletjes aan die zich het afgelopen jaar hebben afgespeeld rond de vertaling van Amanda Gormans gedichten, en het weglaten van een stuk uit Dantes Inferno bij een vertaling voor jonge lezers. Zij benadrukt ook  dat vertalen steeds meer gewaardeerd wordt met begrippen als ‘zorg’ en ‘zorgzaamheid’. Schyns ontdoet het vertalen van de wat muf makende opvatting dat vertalen ‘vreugde schenkt’. Terwijl het niets meer of minder is dan hard werken dat gepaard gaat met ‘ongemak, onzekerheid, mankementen en mislukking’. Daarbij haalt ze onder meer de Britse schrijver Max Porter aan. Porter associeert vertalen ‘met tussendoor glippen, met reizen zonder grenzen, met verplaatsing, soepelheid, behoedzaamheid en liefde, maar ook met gevaar, kwetsbaarheid, misbruik, luiheid, toondoofheid, censuur.’ Een interessant en genuanceerd stuk dat de kijk op vertalen doet bijsturen.

    Dit tijdschrift is niet alleen voor vertalers en literatuurwetenschappers interessant, maar voor iedereen die graag vertaalde literatuur leest. Literaire vertalingen maken het verschil, zoveel is na lezing wel duidelijk. Vertalers als ‘poortwachters en bruggenbouwers’, volgens Joyce Roodnat, een mooie gedachte. Mooie bijvangst is dat veel van de auteursnamen die in deze Filter zijn gevallen, nieuwsgierig maken naar hun werk.

     

    Overige bijdragen zijn van: Cees Koster  met Ton Naaijkens, Riet Schenkeveld-van der Dussen, Peter Nijssen, Janneke van der Meulen, Maarten Asscher, Lia van Gemert, Ger Groot, Maurits Lesmeister, Barber van de Pol, Dirk Schoenaers, Miek Zwamborn  Derek Crook, Jos Vos, Rob Zweedijk, Erik Bindervoet, Lieke van Deinsen en Beatrijs Vanacker.

    Kijk ook op: Filter, tijdschrift over vertalen.

     

  • Snippers vol belofte

    Snippers vol belofte

    In een kort filmpje uit de VPRO-serie ‘DichterBij’ – waarin dichters worden gepresenteerd in hun dagelijkse omgeving – zien we Vicky Francken aan het werk. Ze is uiterst geconcentreerd bezig met het knippen van tekstfragmenten uit kranten en tijdschriften. In een speciaal plakboek plakt ze zorgvuldig alle snippers tekst op lege pagina’s, zodanig dat bijzondere samenstellingen ontstaan en verrassende woordcombinaties tot nieuwe inspiratie leiden. Leve de Prittstift. Het is een ontroerend inkijkje in de werkwijze van de ’talige’ dichter die Francken is. Onder die filmbeelden draagt Francken het volgende gedicht voor:

    En toen begon het te regenen, eerst zacht maar al snel harder
    de miezerfase was kort, het kwam nu al met bakken uit de hemel
    een gigantische hoeveelheid van enorme proporties werd over ons
    uitgestort zodat de planten die in de periode van droogte
    hun bloemen hadden laten vallen nu ineens weer baadden
    even dan, want al snel werd baden waden en niet lang daarna
    hun kopjes tegen de grond gewerkt, geen redden meer aan (…)

    Een gedicht over een regenbui, een gedicht áls een regenbui. Francken knoopt de regels aan elkaar als een doorlopende waterval. Telkens lijkt een uiteindelijke punt de regel af te sluiten, maar dan gaat het toch weer verder. De kracht van deze registratie krijgt een grote impact door het ellenlange verloop zonder pauzemoment. Zo wordt taal ingezet om een dynamiek vorm te geven, om de motor van een gedachtestroom in woorden te vatten.

    Röntgenfotomodel, de debuutbundel van Francken, staat vol met gedichten die een eenvoudige ervaring beschrijven waarbij de zintuigen van de lezer tot het uiterste opgerekt worden. Zo moet het zijn in de poëzie: de opschudding van het vooringenomen brein van de lezer door een verzameling tekstregels die ontregelen, die nieuwe vergezichten tonen. Het is Vicky Francken op het lijf geschreven. Niet uit effectbejag, maar door te blijven zoeken naar combinaties van woorden die weer nieuw licht werpen op een haast vanzelfsprekende situatie. Vandaar die plakboeken.

    We hebben allemaal recht op een rug
    een graat waarrond we bestaan

    een marionettendraad die we oppakken
    als we onszelf bijeenrapen

    geen mens kan tippen aan vissen
    die zwemmen in de golven van hun wervelkolom

    maar stel dat een vin verlangt naar aaien
    wie troost de vis wie pakt hem vast

    wie streelt de schouder
    uit de kom

    Hoe deze vis ‘zwemt in de golven van zijn wervelkolom’, overeind gehouden door het water dat hem omgeeft, vormt een mooi contrast met onze menselijke kwetsbaarheid. Wij moeten maar zien hoe we ‘onszelf bijeenrapen’ in momenten van zwakte, proberen rechtop te blijven staan in de lucht die ons omringt. Daarentegen is er niemand die de vis kan troosten door hem vast te pakken, dat hebben wij dan weer voor op de vis. Vindingrijk en kernachtig in dichtvorm gevat, toont Francken haar doel in de poëzie: een simpele observatie leidt van een grondige overdenking tot een sterke uitdrukking

    Toch laat Vicky Franken zich hier en daar iets te veel leiden door haar knipsels en tekstfragmenten. De onverwachte wendingen en gelaagde betekenissen gaan dan een soort gevatheid uitstralen waardoor de gedichten te geforceerd worden. Maar opeens, halverwege de bundel is er dan het vers ‘Blijven bewegen, blijven verplaatsen’: een aangrijpende verslaglegging van hoe een liefde tot een einde komt:

    Aan mijn schavot genageld sta ik en sla kraters,
    heb alle wegen overwogen, over mogelijke routes
    uitgeweid en tegen je vermoedens

    in een jurk over omwegen gesproken. Ik draai
    schroeven als mijn voeten in het grindpad en loop
    op niet meer boven te komen bewijs: steeds minder

    dan een minnaar zijn. Nooit genoeg om in vroeger
    voor te mogen komen. Je hoort me als een vonnis aan
    en werpt een mes naar mijn gezicht, gebukt is misschien

    een wijze manier maar vooral
    een wijze van gaan.

    Pijnlijk en confronterend: ‘steeds minder dan een minnaar zijn. Nooit genoeg om in vroeger voor te mogen komen’. Dat is een schokkende vaststelling; zonder twijfel een definitief einde van een relatie. Toch blijft de dichter het drama op een beeldende manier belichten, ze onderzoekt de mogelijkheden om het niet zover te hoeven laten komen. Zonder resultaat. Op gebukte wijze de aftocht blazen is dan de enige uitweg. De fijnzinnige toon maakt dit gedicht bijna sympathiek, ondanks de tragiek die eruit spreekt. Er zijn geen verwijten en andere ergernissen, de ik-persoon is zich bewust van een gedeelde schuld.

    Tegen het einde van deze avontuurlijke bundel laat Francken nóg eens zien hoe het werkt in haar dichters-laboratorium. Het gedicht ‘Naast’ sluit af met een strofe die lijkt op een handleiding, maar vooral toont hoe een beloftevol dichterschap tot uitdrukking komt:

    (…) Om te kunnen schrijven moet je niet nadenken over de geboorte van je gedachten
    anders worden ze dood geboren.
    Je moet handschoenen aantrekken, de instrumenten zien blinken.
    Je moet geloven dat je kinderen niet zullen slissen, weten dat jij het bent
    die ze wakker maakt.

     

     

  • Innemende dichters en meeslepende entr’acts

    De Nacht van de Poëzie, een evenement dat altijd op zichzelf stond, maakt dit jaar voor het eerst onderdeel uit van het International Literature Festival Utrecht (ILFU) en was een feestelijke afsluiter van het veertiendaagse festival. Gepresenteerd door het dichterlijke duo Ester Naomi Perquin en Piet Piryns, waarvan de laatste zijn 30ste Nacht presenteerde wat en passant gevierd werd.

    Waar blijft de tijd

    De Nacht wordt traditiegetrouw geopend door een ‘jonge’ dichter die het voorgaande jaar de Nacht heeft afgesloten. Deze 36e Nacht beet Vicky Francken het spits af met: ‘Liefde is een zwaar beroep, [naar Rogi Wieg] maar ook het dichterschap, want ze sterven te vroeg.’ Waarop ze de dit jaar overleden Menno Wigman – die haar dichterschap voor een deel bepaalde – toedicht: ‘Ik lees je / en ik hoor je / en ik weet dat / je nog leeft.’

    Tussen de optredens door worden op drie schermen opnames vertoond van Nachten van weleer. In zwart/wit beelden komen voorbij: Een jonge Campert met een even jonge Van Kooten, Hugo Claus met Hans van Mierlo, een piepjonge Ingmar Heytze, Vaandrager, Johnny van Doorn, Fritzi Harmsen van Beek, Gerrit Kouwenaar, H.C. ten Berge, Ischa Meijer, Adriaan Morriën, Annie M.G. Schmidt, en je denkt, waar blijft de tijd?

    Er zijn dichters die het niet alleen van lezers maar ook van luisteraars moeten hebben, zoals Delphine Lecompte. In de wandelgangen klinkt dat haar gedichten bij voordracht ‘waanzinnig beter’ overkomen. Zichtbaar gespannen brengt ze haar voordracht tot een daverend einde. Deze Belgische dichteres die strofen leest als: ‘bevangen door smog en weemoed’; ‘Een man verleidt mij met een woordspeling’; en bij wie iemand ‘klinkt als een gewonde reiger’, heeft een grote charme.

    Presentatie

    Arno Van Vlierberghe komt op in zwart hemd waaruit schouders en armen wit afsteken. Met sterke zinnen als – ‘de kunst van het risicoloos denken’; ‘doel dit gedicht is om alle anderen te onttronen’; ‘mooie holle woorden waar iedereen van houdt’ – schudt hij het moreel besef van het publiek flink op. Voor even lijkt hij verbonden met Rogi Wieg, waarvan deze Nacht een beeld voorbij kwam waarin Rogi met ontbloot bovenlijf achter de vleugel zit en zegt: ‘Je moet toch wat doen om op te vallen’.

    Gerenommeerde dichters

    Anton Korteweg refereert aan ‘de moeder de vrouw’ kwestie in de literatuur. Hij leest een gedicht waarin moeder de vrouw het onderwerp is en sluit geserreerd af met: ‘En dat had dan bijna niet gemogen’.

     

    Een van de hoogtepunten is het optreden van Judith Herzberg die ook tijdens een van de eerste Nachten acte de présence gaf. Toen was er veel gelachen, vertelt Piet Piryns, om haar grappige gedichten. Ook nu speelt haar onbevangen voordracht vrolijkheid in de hand. Al is niet alles om te lachen benadrukt ze bij het gedicht waarvoor ze zich heeft ingeleefd in een vrouw die meerdere baby’s ombracht en op zolder verborg. ‘Je moet je in alles kunnen inleven’, vond de dichteres. Herzbergs poëzie is eenvoudig, en steeds met een draai die bevrijdend werkt en de lach oproept. Hilarisch is het gedicht dat ze een ‘gestolen tekst’ noemt, van iemand die al zoekende door haar spullen in een koffer ging en mompelde: ‘ik zal toch niet…, heb ik nu,… waar zou dan,… nee hè…, deze niet,… heb ik nou, nee…, nou ja, zal ik dan… (…).

    Laat je gaan

    Deze 36e Nacht drijft op de woorden ‘Ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht’ van de dit jaar overleden en zeer gemiste dichter F. Starik. Thomas Möhlmann herdenkt Starik met een variatie op het gedicht ‘Gras’ dat Starik tijdens De Nacht van 2016 in grasgroen kostuum voordroeg.

     

    En dan wervelt daar opeens Willeke Alberti, (een van de entr’acts) gekleed in een wijdvallende rode jurk over het toneel. De 74-jarige vedette van het Nederlandstalige lied neemt met haar enthousiasme en nuchterheid (Spiegelbeeld: ‘Ha’, lacht ze, ‘je denkt toch niet…?’) het publiek voor zich in. Armen worden gespreid en het grote meedrijven is begonnen. Later zal de geweldige singer/songwriter, Tallest Man On Earth zijn bewondering uitspreken over deze Nacht en over ‘The Lady in the Red Dress: ‘We don’t have that in Sweden’.

    Aandachtig publiek

    Willem Jan Otten was 20 jaar geleden voor het laatst op De Nacht en zegt: ‘Poëzie kan afwachten’. Met zijn – ‘in u luisteren uitgebroed’ en ‘de rand van vloeiend glas’ – en zijn ‘Gerichte gedichten’ roept Otten een stilte op die magisch is. Zo maakte ook eerder op de avond dichteres Kreek Daey Ouwens met haar zachte stem en heldere taal de zaal opmerkzaam en luisterend.

     

    De Friese dichter Tsead Bruinja maakte indruk met zijn cyclus voor de priester Titus Brandsma (1881). In het Fries draagt hij  zeven minuten voor. Het publiek wordt geraakt door de klank van het Fries en de passie waarmee Bruinja spreekt. De dichter uit Rinsumageest, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als: ‘Zo’n dichter, dat je ook wel uit Rinsumageest had willen komen’.

    De laatste zal de eerste zijn

    Een Nacht als een diner waarvan de gerechten hemels zijn, de wijn niet te versmaden en met een nagerecht dat het geheel in perfectie afmaakt. Na het swingende optreden van de ‘Amsterdam Klezmer Band’ wordt de laatste dichter aangekondigd.
    Debutante Gerda Blees geeft het publiek op de valreep het gedicht ‘Aanwijzingen’ mee: ‘ga niet zomaar / met je hoofd op tafel liggen, mors geen rode wijn / blijf zitten hou je vast en laat de dwaallichten/ de dwaallichten en maak je zinnen af.’
    Een ding is zeker, deze dichteres zal bij de volgende ‘Nacht van de Poëzie’ de spits afbijten.

     

    Er is ook een Nachtpoëziebundel verschenen met gedichten van alle optredende dichters. Bezoekers ontvangen de Nachtbundel gratis, voor de liefhebber is deze nog te bestellen voor € 7,50 via Het Literatuurhuis.

     

     

    Foto’s: Patrick Post