• Een dorpsleven zonder muziek

    Een dorpsleven zonder muziek

    Op de foto op het omslag van deze debuutroman van Thomas Willmann kijken twee ogen, onder borstelige wenkbrauwen de lezer doordringend en indringend aan. Dat belooft weinig goeds en die belofte komt uit. De lezer wordt overweldigd, niet alleen door de subtiel opgebouwde spanning, de ontrafeling van het plot en de apotheose, maar ook door het poëtische en evocatieve taalgebruik.

    Het verhaal speelt zich af in een hooggelegen, praktisch van de buitenwereld afgesloten dorp in een dal. Er is geen precieze bepaling van de tijd waarin de gebeurtenissen zich voltrekken, maar het moet enige tijd geleden zijn: de dorpelingen verplaatsen zich te voet of te paard, het transportmiddel is het muildier, aan het enige dorpsplein ligt de enige herberg met een gelagkamer, landbouw is de enige activiteit en er wordt betaald met gouden munten. Een samenleving teruggebracht tot de essentie. Over het leven in het dorp schrijft Willmann: ‘Het was tot in de diepste kern een leven zonder muziek’.

    Een vreemdeling komt, vlak voordat de winter invalt, in het dorp en zoekt onderdak, hij wil de omgeving schilderen. De dorpsbewoners vertrouwen hem niet, vooral boer Brenner niet die met zijn 6 zonen feitelijk over het dorp heerst. Met de nodige tegenzin wordt hem desondanks onderdak verleend, de vreemdeling kan een kamer huren bij een weduwe met haar dochter. Dan begint het verhaal heel geleidelijk op gang te komen, wordt de spanning voelbaar en langzaam verder opgevoerd; het wordt duidelijk welke duisternis er in dit dal heerst. Het verhaal gaat over grote thema’s: liefde en dood, geloof, schuld, vijandschap, wraak en vergeving, verlossing, vrijheid. Wanneer je eenmaal in het verhaal zit, laat het je niet meer los. Het is bijzonder knap dat het tegelijkertijd een verhaal over de liefde is en over gruwelijk geweld, waarbij Willmann in de beschrijving van dat laatste de details niet schuwt.

    Willmann schrijft goed. Zowel de opbouw van zijn verhaal als zijn taalgebruik houden de lezer in de greep. Hij is een meester in het beschrijven van de natuur en de gemoedstoestand van de mens.

    Een paar voorbeelden; de eerste is een beschrijving van de boerderij waar de boer met de zes zonen woont die zich God waant: ‘De hoeve hurkte als een kwaadaardig dier onder de zwaar drukkende sneeuw. Het matte zwart van de houten betimmering maakte een compacte indruk, en de namiddagzon fonkelde in het glas van de vensters. Zo loerend als het grote huis er aan het einde van het hooggelegen dal bij lag, zou je het te midden van het allesbedekkende wit voor de ingang van een hol kunnen houden waaruit een wezen een norse blik naar buiten werpt, wellicht in de hoop op een prooi die in de lange eenzame wintermaanden als voedsel zou kunnen dienen. Er was in het dal geen grotere hoeve dan die van boer Brenner.’

    Het tweede voorbeeld betreft de kerkelijke inzegening van het huwelijk van twee geliefden. Luzi en Lukas, waarover, zoals de lezer dan inmiddels weet, de schaduw van het noodlot hangt.

    ‘En alles wat er aan vijandigs was verzameld in dit godshuis, in dit koude, duistere, eenzame dal, voelde op dit moment dat het vergeleken met dit geluk klein werd. Dat het – wat de tijd en de menselijke natuur, om het even met welk succes, ook naar voren zouden brengen en ondernemen tegen dit geluk – zich wel moest beperken tot louter verwoesten en vernietigen, tot het eveneens klein maken van de grootheid ervan, omdat het er anders nooit tegen opgewassen zou zijn.

    En daarom was het stil in de kerk toen de lippen van Luzi en Lukas elkaar ten slotte beroerden en liefkoosden – in een kus die zich van alle toeschouwers bewust was en daarom genoegen nam met een kortheid en ingetogenheid die beslist niet overeenstemde met de ware wens van de kussenden. Maar het was ook een kus die wist hoeveel andere nog zouden volgen en waarvan de opgelegde terughoudendheid ook iets uitdagends had omdat de aanwezigen zo zagen hoeveel tederheid en hartstocht al in dit beperkte kader pasten en dat deze kus de belofte van alle latere kussen zonder getuigen als het ware tentoonstelde.’

    Willmanns taalgebruik mag dan poëtisch en evocatief zijn, het heeft soms ook een ietwat ronkend karakter door het veelvuldig gebruik van bijvoeglijke naamwoorden (bijv. natuurlijke vanzelfsprekendheid, vriendelijke gezindheid, onschuldige welwillendheid). Iets meer terughoudendheid in het gebruik ervan was de leesbaarheid ten goede gekomen. Maar er staat heel veel moois tegenover.

    Thomas Willmann heeft een sublieme roman geschreven over menselijke drijfveren.

     

    Het duistere dal

    Auteur: Thomas  Willmann
    Uit het Duits vertaald door: Goverdien Hauth-Grubben
    Uitgegeven door: Meridiaan Uitgevers
    Aantal pagina’s: 304
    Prijs: €19,99

  • Geen verband gevonden

    Geen verband gevonden

    De verhalenbundel Viva L’Italia waarmee Van der Sluis debuteert is een merkwaardig boekje. Het bevat 20 korte verhalen die zich ieder afspelen in één van de 20 regio’s van Italië en die bijna allemaal eindigen met een misdaad.

    Van der Sluis is verbonden aan het literaire weblog TZUM waar hij de inleiding op zijn boek heeft gepubliceerd (en niet in de bundel zelf). Daar lezen we wat zijn bedoeling met deze bundel is. Hij schetst onder meer de verschillen tussen het romantische beeld dat vooral buitenlanders van Italië hebben –zon, cultuur, lekker eten, goede wijn, hartelijkheid, e.d. kortom la dolce vita- en het andere beeld van Italië: corruptie, de maffia, de bureaucratie, de schaamteloze lelijkheid van de stedelijke periferie, e.d. Dat gezegd hebbende, wil Van der Sluis in elk verhaal ‘het eigene van de verschillende regio’s tot uiting laten komen, ‘het onbekende, het perifere en soms duistere.’ En omdat de passie en warmbloedigheid toeneemt naarmate je zuidelijker komt, zijn misdaad en de dood dichtbij.’ Om die reden eindigt elk verhaal met een misdaad.
    Dat nu is merkwaardig wanneer je het eigene van een regio wilt benadrukken, alsof iedere regio zijn eigen misdaad kent. Bijna alle moorden spelen zich af in de relationele sfeer en staan min of meer los van de plaats delict.

    Na lezing van de bundel moet je concluderen dat Van der Sluis zijn ambitie niet waarmaakt. Noch het eigene van de diverse regio’s komt uit de verf, noch lezen de verhalen als misdaadverhalen. Sterker: de misdaad, meestal een moord, blijkt vaak als een verrassing aan het slot van het verhaal gepleegd en is niet altijd in verband te brengen met wat er aan vooraf ging. Er zitten ook verhalen bij waarvan de afloop niet direct duidelijk is, zoals ‘Ongehoorzaamheid in Veneto’. Dat verhaal speelt zich af in een klooster in Venetië waar de zusters krampachtig proberen de boze buitenwereld buiten de kloostermuren te houden. Maar dan moeten ze een groepje doofstomme jongeren, uit een instituut bij Verona, dat zich aan losbandigheid heeft overgegeven, op het rechte pad brengen. Uiteindelijk wordt dit kwaad, op verzoek van de pater van het instituut, opgelost in de lagune van Venetië…
    Het verhaal over ‘Le Marche’ gaat over twee IKEA medewerkers waarvan er een wordt ontslagen. Uit frustratie stelen ze een auto waarbij de eigenaar door de een wordt vermoord en zijn vrouw, ‘nadat ze genoeg van haar hadden’, door de ander wordt vermoord. Dit verhaal is niet specifiek voor Le Marche behalve dan misschien dat het Joegoslaven (bestaan die dan nog?) zijn en er een veerbootverbinding vanuit Ancona naar Kroatië bestaat. Van der Sluis legt evenmin een verband tussen deze autodieven en het eigene van de streek. Eigenlijk geldt dat voor alle verhalen in deze bundel.

    Hoewel Van der Sluis een goede pen heeft en een vlotte stijl, doet deze bundel nogal gekunsteld aan.

     

     

  • Het leven is zware bagage

    Het leven is zware bagage

    ‘Niemand kan op water lopen en daarom hebben de vissen ook geen voeten’.

    Wanneer Sigga de zee inloopt om zichzelf te verdrinken, redt de stiefmoeder van Ari haar. ‘Niemand gaat zichzelf verdrinken terwijl ik toekijk’.

    In deze poëtisch geschreven familiesaga staat het leven van Ari centraal. Hij groeit op in Keflavik, ‘de zwartste stad van IJsland’, trouwt en blijft daar wonen. Wanneer hij twee dichtbundels en romans heeft gepubliceerd, houdt hij op met schrijven –anderen zijn in zijn ogen veel beter- en wordt uitgever. Dan verlaat hij zijn vrouw en drie dochters en verhuist naar Denemarken. Hij sms’t aan zijn vriend: ‘het is niet altijd goed in een kleine gemeenschap adem te halen, het gebrek aan lucht kan benauwend werken en ik ga voordat ik stik’.
    Twee jaar na zijn vertrek is hij weer terug, zijn vader ligt op sterven. Daar begint het verhaal van zijn jeugd, van zijn familie, van de liefdesgeschiedenis van zijn grootouders, zijn vriendschap met de ik-verteller (wiens identiteit in nevelen blijft gehuld), zijn verhouding tot zijn vader en stiefmoeder, het gemis van zijn op jonge leeftijd verongelukte moeder, zijn spijt zijn gezin in de steek te hebben gelaten, zijn verliefdheid op Sigga die hij haar nooit heeft laten blijken.

    Deze familiekroniek die drie generaties omvat, is rijk aan mooie verhalen, verweeft de belevenissen van de familieleden met wat er in de wereld gebeurt (de dood van Ari’s vader en de dood van Tito), en dat alles tegen de achtergrond van het onherbergzame, zwarte, depressief aandoende IJsland. Het is ook een zoektocht naar de zin van het leven in het kille, koude land, een leven dat alleen maar bestaat uit vissen op zee en uit werken in de visindustrie. Dan is er ook nog de Amerikaanse legerbasis die de inwoners het gevoel geeft mee te kunnen profiteren van de rijkdom van de Amerikanen en in de jonge jaren van Ari voor de nodige levendigheid zorgt in Keflavik.

    Het boek heeft een sombere (onder)toon, het leven valt niet mee. ‘Vergeet net zoals ik niet dat de mens twee dingen moet bezitten om de last het hoofd te bieden, redelijk rechtop te kunnen staan, de glans van zijn ogen te kunnen behouden, de energie van zijn hart, de muziek van zijn bloed: een krachtige rug en tranen.’

    Stefánssons familiekroniek is heel mooi geschreven, op elke bladzijde staat wel een mooie zin, zoals: ‘Maar de sterren glinsteren aan de zwarte hemel, licht in de eindeloze verte dat boven ons fonkelt als licht van een leven dat wij nooit krijgen te leven’. Of: ‘Dicht bij de zee wordt al het verdriet verzacht’.
    Stefánsson weet de sfeer van het leven op IJsland heel goed te treffen en de onderlinge verhouding tussen de familieleden en vrienden trefzeker te karakteriseren.

    De roman is echter niet zo gemakkelijk toegankelijk door de structuur die de schrijver heeft gekozen. Hij wisselt nogal vaak van plaats en tijd waardoor je als lezer even de draad kwijt raakt, ook omdat deze familiegeschiedenis een hele eeuw omvat. Zo wordt de liefde tussen de grootouders van Ari breed uitgemeten en door het hele boek verspreid beschreven.

    Maar wanneer je de zinnen op je in laat werken en je laat meeslepen door wat er in deze familie gebeurt, ben je een hele mooie leeservaring rijker.

     

    Vissen hebben geen voeten

    Auteur: Jon Kalman Stefansson
    Vertaald door: Marcel Otten
    Uitgegeven door Ambo|Anthos
    Aantal pagina’s: 344
    Prijs: € 21,99

     

     

     

     

  • Een wonderlijk boek

    Een wonderlijk boek

    Peter Leigh heeft in het begin van zijn leven een zwervend bestaan geleid, is dakloos en verslaafd geweest aan de alcohol en drugs. Als gevolg van een ongeluk komt hij in het ziekenhuis terecht. Daar wordt hij verpleegd door Beatrice. Door haar komt hij in contact met het geloof, laat hij zijn verslaving achter zich en wordt hij dominee. Ze trouwen. Dat huwelijk is erg goed, ze zijn dol op elkaar.

    Dan geeft Peter zich op bij de USIC om uitgezonden te worden naar een andere planeet en daar het geloof te brengen aan de plaatselijke bevolking. De USIC – onduidelijk is waarvoor deze afkorting staat, het roept associaties op met de UN – is een tamelijk mysterieuze organisatie waarover, ook verder in het verhaal, niet veel duidelijk wordt. Pas halverwege het boek blijkt dat deze club een nieuwe ‘Utopische’ samenleving wil stichten zonder de mankementen van de Westerse maatschappij. De opdracht is ‘om een duurzame omgeving tot stand te brengen. Schoon water. Duurzame energie. Een team dat goed samenwerkt. Een plaatselijke bevolking die geen pesthekel aan ons heeft.’
    Daarvoor selecteert de USIC streng: Peter wordt geselecteerd maar zijn vrouw niet. Even aarzelt hij of hij zal gaan, maar samen besluiten ze dat hij die opdracht niet kan laten lopen; bovendien is het maar voor drie maanden. Vlak voordat Peter vertrekt en de ruimte in gaat, hebben ze nog een keer seks en raakt Beatrice, overigens tegen Peters bedoeling zwanger.

    Aangekomen op de planeet, door Peter Oasië genoemd, gaat hij naar het basiskamp waar hij een kamer krijgt. De mensen aan wie hij het geloof moet brengen wonen niet daar maar in wat door de aardbewoners ‘freaktown’ wordt genoemd. Wanneer Peter deze buitenaardse wezens voor het eerst ziet schrikt hij van hun uiterlijk. ‘Dit was een gezicht dat in niets op een gezicht leek. Wat hij zag was de inhoud van een walnotendop, maar dan groot en witroze. Of nee, het leek nog meer op een placenta met twee foetussen (…) die met de hoofdjes en knietjes tegen elkaar lagen. Hun gezwollen hoofdjes vormden als het ware het gekloofde voorhoofd van een Oasiër, hun geribde ruggetjes vormden zijn wangen, hun stakerige armpjes en gewebde voetjes versmolten in een wirwar van doorschijnend vlees dat wellicht – in een voor hem niet herkenbare vorm – een mond, neus en ogen herbergde.’ Peter kan ze nauwelijks van elkaar onderscheiden, dat lukt hem alleen aan de kleur van hun gewaad. Hij geeft ze namen als ‘Vriend van Jezus Een’. De communicatie verloopt ook zeer moeizaam, omdat zij geen ‘s’ kunnen zeggen: ‘waar je een ‘s’ zou moeten horen, klonk het geluid van een rijpe vrucht die met de duimen in twee helften uiteen werd getrokken.’ Aan deze wezens moet hij het geloof brengen. Hij heeft een voorganger gehad die bij de wezens al wel het geloof heeft gezaaid. Zo vragen zij aan Peter of hij het boek bij zich heeft. Op zijn vraag welk boek, antwoordt de Vriend van Jezus Een, Het Boek van de Wonderlijke Nieuwe Dingen. Dat heeft hij niet, maar Peter begrijpt dat het om de Bijbel gaat. We zijn dan halverwege het boek; wat dan nog volgt is verre van boeiend en vooral wonderlijk.

    De vertelling over het verblijf van Peter op de planeet en zijn missieactiviteiten is langdradig. Dat hij samen met die wezens een kerk bouwt en daar gaat slapen zodat hij niet terug naar de basis hoeft en steeds bij hen kan zijn, wijst erop dat Peter steeds meer sympathie voor hen krijgt. Maar waarom hij steeds meer sympathie opvat voor die vreemde wezens blijft raadselachtig. Tegelijk verliest hij alle interesse voor wat er op aarde gebeurt.
    In de tweede plaats lezen we weliswaar veel over de relatie tussen Peter en zijn medeaardbewoners op de planeet, maar die wordt niet verder uitgediept. Alleen over Peters relatie met de vrouw die hem voortdurend heen en weer rijdt van de basis naar de nederzetting komen we meer te weten.
    Interessant is wel hoe de liefdesverhouding tussen Peter en Beatrice zich ontwikkelt. Ze kunnen elkaar via ‘De Flits’ – een soort internet, maar wel gecensureerd door de USIC – brieven schrijven. In het begin missen ze elkaar enorm, vooral ook wanneer Peter hoort dat Beatrice zwanger is, maar gaandeweg begint hij zijn interesse in haar en in wat er op aarde gebeurt te verliezen. Hij wordt volledig in beslag genomen door zijn missie en de kloof met Beatrice wordt steeds groter. En wanneer op aarde op grote schaal crises uitbreken als gevolg van natuurrampen en de aarde aan het vergaan lijkt, kan dat Peter niet echt verontrusten. Door al die rampen verliest Beatrice het geloof in God en eigenlijk ook in Peter. Ze denkt dat de aarde zal vergaan en daarom smeekt ze Peter om niet terug te komen: de aarde is niet veilig meer. Uiteindelijk gaat hij toch, indachtig de laatste woorden van Mattheus: ‘Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. Amen.’

    Hoewel Michel Faber een gerenommeerd schrijver is, is deze halve sf-roman maar matig boeiend. Daarvoor staan er te veel wonderlijke dingen in die niet in een context worden geplaatst en evenmin in de loop van het verhaal betekenis krijgen. Bovendien worden zij ook nog eens lang uitgesponnen wat tot verveling leidt.
    En dan is er nog de thematiek: een religieuze missie op een buitenaardse planeet die door een mysterieuze organisatie wordt geëxploiteerd om er een soort Utopia te stichten. Het beeld dat Michel Faber evenwel van Oasië schetst, komt niet over als een wenselijke alternatieve samenleving, ook al omdat die nauwelijks wordt ingevuld. Centraal staan de missieactiviteiten van Peter en die missie lijkt nu niet een erg dominant kenmerk van een utopische maatschappij.

    Er worden in het boek te veel zaken aan de orde gesteld die impliciet blijven. Dat is soms goed voor een verhaal, maar in dit geval niet. Zo blijft die organisatie, de USIC, in nevelen gehuld, evenals haar selectiebeleid en haar doelstellingen en passeren de mensen die op de basis wonen en werken de revue, maar vooral als ze in de kantine gaan eten. Nergens wordt duidelijk wat ze precies doen, ja, iets technisch, of wat ze van hun missie vinden. Zo is de sympathie die Peter ontwikkelt voor de Oasiërs niet te begrijpen en waarom dat ten koste moet gaan van de relatie met zijn vrouw evenmin. Zo zijn er vele voorbeelden te geven, die het lezen van het boek ongemakkelijk maken.

     

     

  • Door vuur vergaan

    Door vuur vergaan

    Deze roman van Maria Stahlie is balsem voor je geest; het is mooi geschreven en consciëntieus gecomponeerd, met veel oog voor detail en situering in de tijd; het zet je aan tot denken over het bestaan in het algemeen en over je eigen leven.

    Hoofdpersoon is Annette van ’t Hoff.  In de vier delen waaruit het boek bestaat lezen we haar leven. Het eerste deel -‘Vuurdoop’- is gesitueerd in 1972, Annette is dan in haar 11e levensjaar. Haar moeder vertelt haar op 29 (!) februari dat ze een abortus heeft laten plegen. Haar vader was het daar niet mee eens en trekt zich vanaf dat moment terug in zichzelf. Annette’s moeder drukt haar op het hart er met niemand over te spreken, niet met haar vader en ook niet met zus Pauline en broer Max. Annette beseft dan dat het leven niet vanzelfsprekend is, het bestaan evenmin. Ze geeft haar ongeboren broertje – hij zou op 5 september 1972 zijn geboren, de dag van de gijzeling op de Olympische Spelen in München – een naam: Egidius. Dat is de tweede naam van haar vader maar ook de titel van het beroemde klaaglied uit de Middeleeuwen Egidius waer bestu bleven. Dat gaat over de dood van een vriend waarbij de ‘ik’ op aarde ongelukkig achterblijft en aan Egidius vraagt een plekje in de hemel voor hem vrij te laten.
    Nadat haar moeder het haar heeft verteld, gaat Annette naar haar kamer en voelt, al springend op haar bed, een vurig verlangen om te leven, zelf noemt ze het ‘witte hitte’: ‘Zou ze de witte hitte gaan vergeten, de witte hitte die zich op 29 februari vanuit het kuiltje boven haar maag naar alle uithoeken van haar lichaam had verspreid en haar in vuur en vlam had gezet?’ Vanaf dat moment staat haar leven in het teken van die heftige emotionele ervaring: ‘Sinds 29 februari 1972 was de schrikkeldag onlosmakelijk verbonden met Egidius en met het besef dat het niet vanzelfsprekend was om te bestaan. Zonder de zuigcurettage die het ongeboren kind in de buik van haar moeder de kop had gekost, zou Annette waarschijnlijk nooit de witte hitte hebben ervaren die haar op haar tiende als het ware voor de tweede keer in haar leven op de wereld zette. Annette koesterde het postume geschenk als haar meest kostbare bezit en ze was de 29ste februari als een soort van gedenkdag gaan zien, een op maat gesneden gedenkdag bovendien omdat de schrikkeldag net als Egidius buiten de tijd stond.’

    Het tweede deel  -‘Lichterlaaie’- verhaalt over haar tweejarig verblijf in de VS in het kader van haar studie kunstgeschiedenis, ze is dan 21/22 jaar. Ze leert daar de drie broers Rossi kennen, ze trouwt later met een van hen.

    Na haar middelbare school kiest Annette voor een studie medicijnen, maar wordt uitgeloot; in de tussentijd studeert ze kunstgeschiedenis. Aanleiding hiervoor is dat ze voor de tweede keer in haar leven de ‘witte hitte’ heeft gevoeld bij het zien van Stilleven met vis van Pieter Claesz uit 1647.

    Wanneer in de VS een omvangrijke tentoonstelling wordt georganiseerd met stillevens, wordt ze uitgenodigd de persoonlijke assistent van de conservator te worden. Hoewel haar moeder zich fel verzet, hoeft Annette niet lang na te denken: ze gaat ‘op jacht naar een vuur waarvan nooit eenduidig zou kunnen worden vastgesteld dat het brandde, omdat het in verf was verstopt.’

    In de VS komt ze dichter bij het vuur dan ze voor mogelijk had gehouden: ‘De onnavolgbare samenhang die Pieter Claesz gecreëerd had op het paneel dat in het museum van Minneapolis hing had haar in lichterlaaie gezet.’ Dan komt haar begeleider met een artikel over ‘contemplatief kijken’ waarin beschreven wordt hoe ‘je in een kunstwerk af kun dalen, naar het diepe hart van het schilderij.’ Dit doet haar besluiten zich verder te verdiepen in de kunstbeschouwing zodat ze toegang zal hebben tot het ervaren van ‘de witte hitte’.

    Wanneer ze terugvliegt naar Nederland wacht haar een onaangename verrassing: haar vader is spoorloos verdwenen en heeft haar komst niet afgewacht. Voor Annette onbegrijpelijk, omdat ze zich met hem veel meer verbonden voelt dan met haar moeder. Ze ‘had zich vaak afgevraagd hoe het mogelijk was dat ze degene die haar het leven had geschonken in feite niet echt aardig vond’. Hoewel ze begrijpt dat haar vader weg is gegaan bij haar moeder, voelt ze zich door hem in de steek gelaten.

    In het derde en dikste deel –‘Onder as bedolven’- is Annette 42/43 jaar, getrouwd, heeft twee zonen. Voor wie het werk van Stahlie kent, is Annettes gezin bekend, in haar vorige roman Scheerjongen stond Annettes oudste zoon Aldo centraal. Ze is inmiddels een succesvol kunsthistorica, een gevierd TV presentatrice en doceert aan de universiteit. Ze vindt haar werkzaamheden interessant, haar collega’s collegiaal, ze is geliefd bij haar studenten en televisiekijkers, heeft geen geldzorgen, leidt een gelukkig gezinsleven en woont in een mooi huis in Amsterdam. Haar zegeningen zijn bijna niet te tellen.

    Maar toch is ze niet gelukkig. Ze merkt dat de gloed uit haar leven is verdwenen. ‘De gloed die zich onder de dubbele bodem van haar hart had genesteld, was domweg nergens meer te bekennen.’ Ze weet dat het normaal is dat ‘een mens in de loop van zijn volwassen leven het vuur uit zijn jeugd inruilt voor volwassen verantwoordelijkheden’. Annette twijfelt en tobt over het verlies van de ‘witte hitte’ en de gevoelens die ze gaandeweg kwijt is geraakt en voelt ze zich tegenover haar man en kinderen, zus en broer, schuldig omdat ze doet alsof ze gelukkig is. Ze schaamt zich daarvoor, voelt zich een bedrieger. Haar crisis bereikt een hoogtepunt wanneer ze – op zoek naar het verdwenen vuur – een seksuele relatie begint met een buurman en zo haar relatie met haar man Ben op het spel zet. Haar schuldcomplex groeit hierdoor en ze is dan ook opgelucht wanneer haar minnaar de relatie beëindigt omdat hij een vriendin heeft.

    Naarmate haar schuldcomplex groter wordt, mist ze haar vader; met hem zou ze hierover kunnen spreken: ‘hij zou haar begrijpen als ze hem zou vertellen dat het vuur dat haar in betere tijden had voortgejaagd, onder as bedolven was.’ Wanneer haar broer haar vader heeft opgespoord, durft ze niet naar hem toe. Wanneer ze dan toch gaat en hem ziet, herkent hij haar niet. Ze laat het daarbij en keert terug naar huis.

    In het laatste en dunste deel –‘Egidius’- komt het tot een emotionele ontlading die voor haar louterend lijkt te werken. Ze heeft steeds tegen haar man en kinderen willen zeggen wat er met haar aan de hand is, maar durft dat niet, uit angst hen te verliezen. Ze denkt erover om haar schuld in  te lossen door net als haar vader fysiek te verdwijnen. Maar er gebeurt iets waardoor ze niet langer in zichzelf gekeerd kan blijven. ‘Haar schuld was erkend, ze bestond weer. Annette haalde diep adem (…) Er gloeide een zekerheid op onder de dubbele bodem van haar hart, een zekerheid die het verstand te boven ging.’

    Het is een prachtig en rijk boek, schitterend geschreven en met groot plezier gelezen!

     

     

  • Een roman in een roman die maar geen roman wil worden

    Een roman in een roman die maar geen roman wil worden

    Lydia Davis is een veel geprezen schrijfster van (ultra) korte verhalen. In 2013 ontving ze voor haar bundel verzamelde verhalen de Man Booker International Prize. Twintig jaar geleden schreef ze haar eerste en tot nu toe enige roman, die nu heel mooi in het Nederlands is vertaald door Peter Bergsma. Lydia Davies schrijft prachtige zinnen, is een taalkunstenares, maar slaagt er niet in de lezer 250 pagina’s lang te boeien.

    In dit boek doet de vertelster minutieus verslag van een verloren gegane liefde. Al direct in het begin is duidelijk dat de relatie is verbroken en gaat het verhaal vooral over de obsessie van haar voor haar ex-geliefde. Zij is docente aan een universiteit, waar zij een 12 jongere student ontmoet: ook een dichter, boekenwurm (liefhebber van Faulkner) die in zijn onderhoud voorziet door te werken als pompbediende. Over hem komen we verder weinig te weten: centraal in het verhaal staan de zielenroerselen van haar en de manier waarop zij probeert met de verbroken relatie om te gaan. Zowel vertelster als ex-geliefde hebben geen naam omdat dat niet van belang is voor het verhaal dat Davis wil vertellen. Daarin staat haar obsessie centraal. Het verhaal eindigt wanneer zij erin is geslaagd die te beteugelen.

    Eén van de kenmerken van een roman is de ontwikkeling van een karakter, de loop van een verhaal. In deze ‘roman’  gaat het evenwel vooral om de herinneringen van de vertelster waarmee ze probeert haar verhouding te (re)construeren. Daar  heeft zij veel woorden voor nodig: ze probeert na te gaan wat er in haar is omgegaan, wat ze op diverse momenten in die relatie heeft gedacht, ze loopt alle ruzies na om te achterhalen aan wie het lag, ze twijfelt vaak aan de juistheid van haar herinnering, gaat zich gebeurtenissen inbeelden, etcetera. Als lezer  raak je in verwarring: wat eerst als een feit werd gepresenteerd, blijkt later in haar herinnering misschien toch anders te zijn. Ze gaat relaties aan met andere mannen om zo haar ex-geliefde te kunnen vergelijken. Ondanks dit alles krijgen de twee naamloze hoofdpersonen nauwelijks karakter en van een ontwikkeling is in het verhaal geen sprake. Kauwen en herkauwen en daarmee verwerken, dat is waar we pagina na pagina over lezen.

    Zoals gezegd kan Davis prachtig schrijven; een voorbeeld:

    ‘Nadat hij me zo abrupt had verteld dat het uit was, had ik voor niets anders meer belangstelling. Wat hij me nu aandeed, het feit dat hij niet bij mij was maar bij iemand anders, was een substantie geworden die door mijn hersenen sijpelde, die wegebde, weer oprees, aanwezig was en dan verdwenen, als een geur of smaak. Hij vervaagde een tijdje, en dan was ik me ervan bewust dat hij niet in me was. Dan rees hij plotseling, zonder enige reden, weer op en liet zijn bitterheid overal uitwaaieren en in doordringen.’

    Dat haar taal soms te ver is doorgevoerd , moge blijken uit het volgende citaat:

    ‘Die avond opnieuw op hem te moeten wachten, zonder dat hij kwam, creëerde een donkere ruimte als een grote kamer, een kamer die zich vanuit mijn kamer opende voor de nacht en hem vulde met donkere luchtstromen. Omdat ik niet wist waar hij was, leek de stad groter, en regelrecht mijn kamer binnen te komen: hij was op een of andere plek, en die plek, hoewel mij onbekend, was aanwezig in mijn gedachten en school als iets groots en duister in mijn binnenste. En die plek, die onbekende kamer waar hij was, waar ik me voorstelde dat hij was, met iemand anders, werd ook een deel van hem, zoals ik me hem voorstelde, zodat hij anders werd, hij omvatte die onbekende kamer en ik omvatte die ook, omdat ik hem in die kamer omvatte en die kamer hem.’

    Een tweede laag in het verhaal heeft te maken met het feit dat de hoofdpersoon een roman aan het schrijven is over…een verdwenen liefde! En die roman wil maar niet vlotten, ze is onzeker over de opzet, ze weet niet welke ervaringen ze wel en welke ze niet in die roman wil opnemen. Die onzekerheid wordt gevoed doordat ze onzeker is of haar herinnering de juiste is. Zo haalt ze verschillende van haar telefoontjes aan hem aan, maar weet dan niet meer of het een of meer telefoontjes waren. Ze wil daarover iets in haar roman zeggen en schrijft dan:

    ‘Ik schijn twee verslagen van een van deze telefoontjes en de dagen eromheen te hebben geschreven. Het eerste heb ik net weer opgedoken, en het lijkt minder nauwkeurig en sentimenteler. Ik zeg bijvoorbeeld dat het me pijn deed dat hij me vertelde dat hij met een andere vrouw omging omdat ik hem nog steeds in een hoekje van mijn hart droeg. Nu zit het idee dat mijn hart een hoek zou hebben me dwars, zoals ook andere dingen in de zin me dwarszitten. Ik zei ook dat ik me herinnerde hoe gelukkig het me maakte hem te horen lachen en hem te zien glimlachen, wat beslist niet waar was.’

    Het verwarrende is dat in het verhaal de telefoontjes een betekenis toegedicht krijgen, maar door de afweging of ze opgenomen zouden moeten worden in haar roman komt die betekenis in de lucht te hangen.

    De relatie tussen feit en fictie is erg dun, duidelijk is dat die roman moet gaan over de verdwenen liefde waar het verhaal ook over gaat. Dat brengt je als lezer in de war omdat de waardering van een gebeurtenis tweeledig is: wat in het verhaal gebeurt, sneuvelt in de fictieve roman en andersom. Voeg daarbij dat het verhaal geschreven is vanuit de herinnering van de vertelster die regelmatig twijfelt of ze het zich wel goed herinnert en de verwarring is compleet. Deze constructie maakt het verhaal moeilijk te verteren.

    Het eind van het verhaal wordt gepresenteerd als een roman, maar daarvoor zit er te weinig ontwikkeling in. Het is een monotoon, gedetailleerd en procesmatig beschreven verhaal over het zelfonderzoek van een vrouw met een obsessie.

    Wie van taal houdt, kan zijn of haar hart ophalen. Wie wil worden meegevoerd door een verhaal, kan er beter niet aan beginnen.

     

     

  • Moord op een huisgenoot

    Moord op een huisgenoot

    De 26 jarige Frances Wray woont met haar moeder in een grote villa in een deftige wijk van Zuid-Londen, Champion Hill. We schrijven 1922: de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog zijn in de stad voelbaar, net als in het leven van Frances. Haar twee broers zijn gesneuveld, haar vader was voor de oorlog al overleden. Frances is lesbisch, heeft een relatie met Christina gehad, die nu met een andere vriendin elders in Londen woont. De verhouding is door toedoen van Frances’ moeder beëindigd. Frances zoekt Christina, Chrissy, nog geregeld op omdat zij de enige persoon is met wie zij kan praten. In de twintiger jaren waren lesbische relaties taboe, ze werden niet alleen maatschappelijk veroordeeld, er werd ook niet over gesproken, hoogstens indirect. Met haar moeder heeft Frances een moeizame relatie: ze zorgt voor haar, doet het huishouden, gaat iedere woensdagmiddag met haar naar de film, maar heeft eigenlijk geen contact met haar.

    Frances en haar moeder wonen op stand, willen dat zo houden en zijn daardoor gedwongen huurders in huis te nemen om de rekeningen te kunnen betalen.De nieuwe huurders zijn een jong echtpaar, Lilian en Leonard Barber. Hij werkt bij een verzekeringsmaatschappij.
    In het begin moet iedereen aan de situatie wennen, ook al omdat het jonge echtpaar van lagere komaf is dan Frances en haar moeder. Maar gaandeweg raken ze gewend aan elkaar, worden de huurders huisgenoten en krijgen Frances en Lilian een verhouding. Deze geheime verhouding wordt uitvoerig beschreven; het feit dat ze hevig naar elkaar verlangen maar altijd rekening moeten houden met de aanwezigheid van Frances’ moeder en Lilians man brengt een broeierige sfeer in het huis teweeg. De ontlading volgt wanneer er een moord wordt gepleegd.

    Hierna begint het verhaal steeds meer thrillerachtige trekken te vertonen. Je wordt meegesleept in de gebeurtenissen, die met groot gevoel voor detail en sfeer worden beschreven. Sarah Waters weet het leven in Londen zo vlak na de Eerste Wereldoorlog treffend te beschrijven.
    Het knappe is dat ook na de moord de spanningsboog die Sarah Waters heeft opgebouwd niet knapt: het blijft boeien en dat komt vooral doordat zij de beschrijving van het politieonderzoek spannend weet te houden. Door dit deel van het verhaal heen weet Waters fijntjes de lesbische relatie van Frances en Lilian te weven waardoor lange tijd onduidelijk blijft wat het uiteindelijke resultaat van dat politieonderzoek zal zijn. De maatschappelijke waardering van lesbische relaties speelt een belangrijke rol in het verhaal, dat eindigt in de rechtbank. Meer kan daarover niet worden gezegd zonder de plot te verraden.

    Dit is de zesde roman van de uit Wales afkomstige schrijfster Sarah Waters (1966). Het boek is tot stand gekomen vanuit haar belangstelling voor een aantal bekende moordzaken in Engeland begin van de twintigste eeuw. Ze heeft er 5 jaar aan gewerkt en er veel historisch onderzoek voor gedaan.

    Het boek is dik maar lijdt daar niet onder, wat onder meer komt doordat de uitgebreide uitweidingen in het verhaal niet ten koste gaan van de spanning. De schrijfster weet je te boeien tot het eind. Ook de situering van het verhaal in het Engeland van de jaren twintig, geeft de loop der gebeurtenissen diepgang en draagt bij aan het begrijpen ervan. Het is met name deze verwevenheid die de schrijfster erg knap heeft weten te verwoorden en die het lezen van dit boek tot een groot plezier maakt.

     

     

  • Leestips voor de decembermaand – Vic Veldheer

    1. De kinderwet – Ian McEwan
    Prachtig verhaal over een zeer professionele en zeer gewaardeerde kinderrechter die te maken krijgt met een zaak die haar persoonlijk uit balans brengt op het moment dat haar huwelijk in crisis raakt. In de mooie en bondige stijl die we van McEwan gewend zijn wordt de lezer deelgenoot gemaakt van de onzekerheden, overwegingen en overpeinzingen van de rechter.

     

     

     

    Het hout2. Het hout – Jeroen Brouwers
    Mooi geschreven agressieve aanklacht tegen de misstanden en het seksuele misbruik in de roomse kerk. Het verhaal speelt zich af in een gesloten jongenspensionaat en wordt verteld door een leraar die min of meer per ongeluk is toegetreden tot de Orde der Franciscanen. Een parel in het oeuvre van Jeroen Brouwers.

    Roth3. Roth, een schrijver en zijn boeken – Claudia Roth Pierpont
    Bondig geschreven biografie over het werk en de persoon van Philip Roth. Door een verband te leggen tussen zijn belangrijkste boeken en zijn persoonlijk leven ontstaat een helder en origineel beeld van de schrijver en zijn werk.

     

    Oorlog en terpentijn4. Oorlog en terpentijn – Stefan Hertmans
    Mooi verhaal in prachtige taal over de grootvader van de schrijver, die in de Eerste Wereldoorlog militair was geworden maar dat niet had willen zijn, en na de oorlog schilder had willen zijn maar dat door die oorlog niet is kunnen worden. Gebaseerd op de dagboeken van de grootvader, die de schrijver tien jaar lang niet durfde inkijken.

    Schitterende ruïnes5. Schitterende ruïnes – Jess Walter
    Heerlijk humoristisch en hilarisch verhaal over o.a. de filmindustrie van Hollywood. In Rome wordt een film over het leven van Cleopatra opgenomen (met Liz Taylor en Richard Burton) terwijl een B-star en liefje van de regisseur door hem in een hotel in het romantische Cinque Terre in Italië wordt ondergebracht. De ietwat onnozele hoteleigenaar Pasquale wordt op haar verliefd.

     

    Door Vic Veldheer

     

  • Te dik geschreven dun verhaal

    Te dik geschreven dun verhaal

    De tweede roman van de Britse schrijfster Grace McCleen is weinig boeiend. De dunne verhaallijn, het overvloedige gebruik van metaforen, de veelal onduidelijke relatie tussen werkelijkheid en metafoor (waardoor de betekenis van wat de schrijfster wil zeggen voor de lezer onduidelijk blijft), het etaleren van specialistische kennis over de Engelse poëzie, en de herhaaldelijk beschreven psychologische defecten van de hoofdpersoon maken het lezen van dit boek tot een opgave.

    Door het hele boek heen wordt Engelse poëzie geanalyseerd. Voor lezers die daarin niet goed zijn ingevoerd, zijn deze passages lastig te volgen. Ze horen meer thuis in een wetenschappelijk artikel dan in een roman.

    Ook de schrijfstijl draagt niet bij aan de leesbaarheid. Je krijgt de indruk dat de schrijfster poëtische proza heeft willen schrijven omdat de poëzie zo’n belangrijk onderdeel uitmaakt van het verhaal. Dit leidt helaas tot geforceerde taal en weinig toegankelijke teksten.   Ter illustratie volgt hier een uitvoerig voorbeeld: de hoofdpersoon, de 53 jarige professor in de Engelse poëzie Elizabeth Stone is teruggekeerd naar de stad waar ze gestudeerd heeft om archiefonderzoek te doen naar de relatie tussen poëzie en muziek. Ze is op de universiteit aangekomen en aarzelt om de rozentuin die bij de universiteit hoort binnen te gaan:

    ‘Hoewel het belangrijk is om door te gaan, blijft ze staan. Misschien omdat ze zich vreemd voelt, bruisend maar verdoofd, roerloos maar vol emotie. Misschien omdat de tuin achter dit oude glas ligt, dat hier en daar bol is, waardoor het beeld een luchtspiegeling lijkt. Maar het is vandaag niet heet, het is stervenskoud, en de kou heeft de tuin doortrokken van een verstilling die hypnotiserend is, hem heeft doen verbleken; er hangt stoffigheid in de lucht; er ligt een laagje sediment tussen haar en de wereld van vorm. Misschien is zelfs dat niet wat haar tegenhoudt, maar is het de manier waarop het raam het beeld omlijst, waardoor het lijkt of het een illustratie in een boek is en zij op het draaipunt staat – als dit een boek was, waar de voor- en achterkant van het omslag de rug ontmoeten, waar de rug dichtdraait, in het brandpunt, het middelpunt. Of misschien blijft ze gewoon staan omdat ze nog nooit een rozentuin in de winter heeft gezien en hij dramatisch oogt, uitgemergeld, reddeloos, aarde die als een geblakerde schedel door gras heen schemert, botten van een pagode zichtbaar, takken van rozenstruiken die onelegant uitsteken, verminkt, afgehakt, zielig, als een verzopen kat, of een vogel met olie op zijn veren. Toch is het geen van deze dingen alleen die haar tegenhoudt, maar iets onzichtbaars, iets blijvends, iets extreems, misschien zelfs onsterfelijks aan het beeld. In een kader dat zo broos is, want het glas is stokoud en de lijst bladdert. Er trekt een sliert koude lucht langs haar benen en ze loopt snel door.’

    Het boek staat vol met dergelijke beschrijvingen: van de bibliotheek, van boeken (‘boeken zijn geesten, intimiteit bij volmacht met dingen die allang dood waren of nooit hadden bestaan, benaderingen van aanwezigheid die tijd en ruimte overstaken) van de zee, van de werking van de platenspeler, enzovoorts.

    Elizabeth heeft ooit met haar moeder in een huisje aan zee gewoond, totdat haar moeder plotseling verdween. Zij was toen 7 jaar en werd opgenomen in een pleeggezin. Het hoofdstuk waarin we lezen, in één zin, dat haar moeder is verdwenen, gaat over de zee. Pagina’s lang wordt verteld over de zee…… is de zee een metafoor voor de emotionele gevoelens die Elizabeth heeft over de verdwijning van haar moeder of over de moeder zelf?

    Het enige dat over haar moeder wordt verteld, elders in het boek, is dat zij altijd muziek luisterde. Iets wat bij professor Stone als kind tot ‘pijn in de borst’ leidt en waarvan ze haar hele leven last blijft houden. Ze krijgt een hekel aan en afkeer van klassieke muziek, wat zelfs tot braken leidt wanneer ze als negentienjarige met haar mentor naar een uitvoering van Bach en Beethoven luistert. Tijdens het strijkkwartet van Beethoven rent ze naar buiten en geeft over. Deze uitzonderlijke reactie roept de vraag op waarom nu juist zij de relatie tussen poëzie en muziek wil onderzoeken. We lezen: ‘muziek en poëzie zijn klanklandschappen, ze hebben stilte nodig om verwezenlijkt en geapprecieerd te worden, maken gebruik van harmonie, refrein, timbre, toon, contrapuntiek.’

    Professor Stone maakt in haar onderzoek gebruik van het werk van de dichter T.S. Eliot die veel heeft geschreven over wat hij noemt de ‘auditieve verbeelding’, en neemt zijn gedicht Four Quartets als vertrekpunt. Dat gedicht heeft ritmische sjablonen waarin Eliot probeert, voor het eerst in de Engelse poëzie, van het gedicht een zuiver muzikale uitdrukkingsvorm te maken. Uiteindelijk blijft onduidelijk waarom professor Stone, met haar afkeer van klassieke muziek, die relatie wil onderzoeken.

    Eigenlijk gaat zij ook terug naar de stad waar zij studeerde om haar vroegere mentor Edward Hunt op te zoeken op wie ze sinds haar studie verliefd is, maar met wie ze in al die drieëndertig jaar geen enkel contact heeft gezocht. De directe aanleiding voor haar terugkeer is haar recent verwijderde hersentumor. Als ze ‘kankervrij’ wordt verklaard raadt de arts haar aan ‘er even tussenuit te gaan of bij een oude vriend op bezoek te gaan’. In haar ogen is Edward Hunt zo’n oude vriend. Tijdens haar onderzoek ontmoeten ze elkaar enkele malen, en blijkt dat hij nog steeds van haar gecharmeerd is.

    Vlak voordat Elizabeth terugkeert naar haar woonplaats, zoekt ze hem op om afscheid te nemen. Hij neemt haar mee naar zijn huis en daar bemint hij de passieve Elizabeth. De lezer weet dan al dat ze nog maagd is en eigenlijk een grote afkeer heeft van seks. ‘Van alle verschrikkingen in dit leven (…) was die van de lichamelijke vereniging voor professor Stone ongetwijfeld de grootste.’ Zo begint het hoofdstuk ‘Vlammen’ waarin haar afkeer van seksualiteit en haar afkeer van haar lichaam worden beschreven (‘het menselijk lichaam, en het hare in het bijzonder, kwam haar voor als een treurig kanaal voor welke vervoering dan ook’). Deze mooie passage illustreert dat zij niet voor niets ‘Stone’ heet.

    Wat evenmin bijdraagt aan het doorgronden van het boek zijn de ingewikkelde structuur en mystieke titels van hoofdstukken. Het boek is opgedeeld in vier delen, een kwartet gelijk het gedicht van Eliot, en het strijkkwartet waarvan ze moest braken, maar verder lijkt iedere grond voor die vierdeling ver te zoeken. De 8 dagen van haar archiefonderzoek keren terug in hoofdstuktitels, maar dag 5 en 6 ontbreken zonder dat duidelijk is waarom. En titels als ‘Het roerloze punt van de wentelende wereld’, ‘Wereld en tijd genoeg’ (de dag na haar vlucht bij het strijkkwartet) verklaren ook niet veel.

    Soms wordt een dunne verhaallijn gecompenseerd door een mooie schrijfstijl, door evocatieve taal waardoor het lezen toch een groot plezier is. Dat is hier helaas niet het geval.

     

     

  • Leven in twee culturen

    Leven in twee culturen

    De schrijver van Gebed zonder eind, Asis Aynan is in Nederland geboren uit Marokkaanse ouders. Toen zijn moeder in 1980 uit Marokko vertrok met haar vier zoons om zich te herenigen met zijn vader, was zij in verwachting van hem.
    Aynan debuteerde in 2007 met het autobiografische Veldslag en andere herinneringen, in 2010 gevolgd door een feuilleton in NRC Handelsblad dat hij samen met Hassan Bahara schreef, Ik, Driss.

    Dit jaar verscheen Gebed zonder eind, een bundel korte verhalen over zijn tijd op school, over zijn reizen naar steden in Europa en Marokko, over zijn broers en zijn vader, over muziek, over de islam. Het zijn mooi geschreven impressies van zijn leven. Het boeiende in die verhalen is zijn zoektocht naar wie hij is, en waar hij zich thuis voelt.  Als jongen met een Marokkaanse achtergrond die opgroeit in Nederland, is hij zich al vroeg bewust van het feit, dat hij in en niet tussen twee culturen leeft. Hij moet zich zien te verhouden tot die twee culturen en in de bundel staan daarover enkele prachtige verhalen, zoals het titelverhaal Gebed zonder eind, Thuis, Vreemdeling, Loslaten en Al-Hoceima.

    Het verhaal Thuis gaat over zijn identiteit: dat hij zich niet vanzelfsprekend thuis voelt in het land waar hij woont en waarvoor hij niet gekozen heeft. Hij voelt zich geen buitenstaander maar wel ‘anders dan de anderen’ en illustreert dat met een mooi voorbeeld:
    ‘Mijn moeder draagt tatoeages. Berbertatoeages in het gezicht. Drie stuks markeren haar gelaat. Ze symboliseren een van de oudste beschavingen die onze wereld kent. Als ik met mijn moeder over straat liep dan bleef er niets over van die beschaving. In de ogen van voorbijgangers was mijn moeder een clown. Ik voelde de blikken ook op mij gericht. En ik schaamde me voor mijn moeder en voor mezelf. Het gevolg was dat mijn moeder en ik het  hoofd bogen. De blik gericht op de grond, dat was onze rol.’

    In Vreemdeling schrijft hij expliciet over zijn worsteling met zijn identiteit, zijn zoeken naar een plek waar hij zich thuis zou kunnen voelen, zijn tegenstrijdige loyaliteiten, zijn culturele ambivalenties en het diepe verlangen naar houvast. Dat houvast krijgt hij wanneer hij beseft dat deze levensvragen niet specifiek voor een migrant zijn, maar voor iedereen gelden. Hij besluit  met een ‘En sindsdien is niets menselijks mij meer vreemd’.

    Behalve zijn moeder is zijn vader van grote betekenis voor zijn zoektocht naar zijn Marokkaanse wortels. In het verhaal Loslaten vertelt hij er over. Hij ziet zijn vader vereenzamen wanneer het gezin herenigd is; het enige dat hetzelfde blijft is de drieploegendienst in de hondenbrokkenfabriek waar zijn vader werkt. Kroeg, vrienden en vertier, muziek maken werden vervangen door de islam. Die leefstijl hield hij vol tot het moment dat de kinderen op eigen benen konden staan. Toen ging hij weer muziek maken, maar ook tuinieren en verre reizen maken. De islam was niet langer de maat der dingen.

    In de laatste jaren van zijn leven hadden vader en zoon veel gesprekken over het leven. Daaruit bleken geen botsende visies. Hoewel de schrijver ‘een bidfrequentie van nul heeft’, neemt zijn vader hem dat niet kwalijk. Zijn vader maakte hem duidelijk dat hij zijn eigen keuzes moest maken en zich niet moest spiegelen aan hem. Dan volgt een mooie passage, tevens het slot van de bundel: ‘Vader duwde mij uit liefde met zijn woorden van zich af. Het leven in. Hij had het op zijn manier gedaan en nu was het mijn beurt. Lang heb ik gedacht dat ik zijn levensboom moest omhakken om verder te kunnen. Ik weet nu beter. Mijn boom staat in de buurt van zijn boom. Sommige van onze wortels zijn in elkaar gevlochten en anderen zoeken hun eigen weg.’

    De bundel begint met een motto van koning Hassan II van Marokko, die hij uitsprak tijdens een televisietoespraak tot zijn volk: ‘Jullie beesten, jullie wilden’. En als eindmotto een eerbetoon aan het Zuiderbad: ‘jouw water is als inkt voor mij’. Tussen deze twee uitersten staan negenentwintig verhalen die getuigen van zijn onvermoeibare zoektocht naar zijn identiteit in twee culturen. Stuk voor stuk mooi geschreven verhalen.