Charlotte Perkins Gilman (1860-1935) schreef fictie, poëzie en essays. Hierin staan maatschappelijke thema’s vaak centraal. In Het gele behang en andere verhalen zijn enkele van haar verhalen gebundeld en vertaald door Tjadine Stheeman. Zij heeft een uitstekende selectie gemaakt van de korte verhalen met Het gele behang als centraal punt. De keuze van Stheeman zorgt ervoor dat alle verhalen met elkaar in verband kunnen worden gebracht en dat de grote thema’s die Perkins Gilman hanteert direct duidelijk worden.
Charlotte Perkins Gilman stond onder andere bekend als een utopische feminist. In haar verhalen werkt ze ideeën uit over hoe utopieën ontstaan wanneer leefgemeenschappen worden opgebouwd en geleid door vrouwen. Daarnaast onderzoekt ze in haar verhalen de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk en schuwt ze het uitvergroten, en met een flinke dosis sarcasme bespotten, van de onderdanige rol die de vrouw geacht werd aan te nemen niet. In totaal bestaat deze bundeling uit twaalf korte verhalen en een toelichting van Charlotte Perkins Gilman zelf op haar meest spraakmakende korte verhaal Het gele behang.
De opkomst van het feminisme
Eind negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw stonden onder andere in het teken van de opkomst van het feminisme. De suffragettes streden voor gelijke rechten van de vrouw. De focus lag in die eerste golf voornamelijk op het verkrijgen van stemrecht. De roep om autonomie en onafhankelijkheid klinkt ook door in de verhalen van deze bundel. Hierin zijn een paar algemene thema’s aan te wijzen: aan een kant zijn de verhalen van Perkins Gilman sterke kritiek op de traditionele rolverdeling binnen het huwelijk. Hierin speelt de mentale gezondheid van de vrouw en de hiervoor aanbevolen behandelingen vaak een grote rol. De andere soort verhalen zijn die van een door vrouwen geregeerde utopie waarin de auteur omschrijft hoe mooi en functioneel het leven kan zijn als vrouwen aan de macht zijn. Ook duurzaamheid en zelfvoorzienendheid zijn onderwerpen die vaker terugkomen.
Het gele behang
Met deze zienswijze neemt Perkins Gilman een voortrekkersrol in haar tijd in. Het is dan ook niet vreemd dat Het gele behang, toen het in 1891 werd gepubliceerd in het New England Magazine, op enige weerstand kon rekenen in zowel medische als literaire kringen. In het verhaal heeft een vrouw last van zenuwinzinkingen. Haar man is tevens haar dokter en heeft haar gedwongen tot een zogenaamde ‘rustkuur’. Dit houdt in dat de vrouw bijna vierentwintig uur per dag in één kamer doorbrengt met een bed dat is vastgeschroefd aan de vloer. Op een gegeven moment komen de muren letterlijk op haar af.
In een poging grip op zichzelf te krijgen en orde en regelmaat in haar dag te vinden, begint ze het gele behang in de kamer nauwkeurig te bestuderen. Ze gebruikt deze studie om zichzelf ervan te overtuigen dat ze nog steeds een normaal werkende geest heeft. ‘Bij daglicht valt er in een patroon als dit geen logica te ontdekken, het druist tegen alle regels in, en is daarom uiterst tergend voor een normaal werkende geest.’ Maar zodra het nacht wordt en er schaduwen op de muur vallen, ziet ze het patroon van het behang veranderen in tralies waarachter ze een vrouw bespeurt. ‘Soms heb ik het idee dat er een heleboel vrouwen achter het behang zitten en soms maar één vrouw, die razendsnel rondkruipt waardoor het hele behang gaat golven.’
Het behang wordt de gevangenis waar de vrouw zich in bevindt – en de vele vrouwen die dezelfde klachten hebben als zij. De rustkuur werkt juist averechts en de mentale gezondheid van de vrouw wordt gezien als iets wat je met rust kunt oplossen. Als deze aanpak lijkt te werken, wordt de conclusie getrokken dat je ‘eigenlijk niets mankeert’. Een slechte aanpak, zo vindt ook Perkins Gilman die de rustkuur zelf voorgeschreven kreeg na drie jaar worstelen met een zenuwaandoening. Aan de behandeling ging ze bijna onderdoor en ze besloot deze te laten varen en gewoon weer aan het werk te gaan, want, zo schrijft ze in de toelichting, ‘zonder werk is de mens een pauper en een parasiet’.
Huisvrouwen
De vrouw uit Het gele behang krijgt een vervolg in het verhaal Verweven. Hierin heeft de vrouw haar rol als huismoeder weer opgepakt en lijkt ze op een bijna manische manier haar plicht te vervullen door zichzelf steeds aan de taken van een goede huisvrouw te herinneren. Het overlopen van het ene verhaal in het andere is iets wat in deze bundel vaker voorkomt. Hoewel het thema van de huisvrouw geregeld aangehaald wordt, beschrijft Perkins Gilman dit ook wel met een flinke dosis humor, zoals in het verhaal Mevrouw Elder heeft een idee. Hierin maakt een huisvrouw zich langzaam maar zeker los van het juk van haar echtgenoot en diens ideeën en overtuigingen. Perkins Gilman gebruikt hier kleine zinnen die subtiele, voor iedereen herkenbare humor overbrengen. Zoals: ‘Hij ging weer zitten met het idee dat het onderwerp definitief, doeltreffend en deugdelijk was besproken. Daar dacht zij anders over.’ Uiteindelijk krijgt het verhaal een ‘eind goed, al goed’ oplossing waarmee Perkins Gilman laat zien dat het heus niet allemaal slecht hoeft af te lopen in een huwelijk, als je elkaar maar de ruimte geeft om de eigen persoonlijkheid te kunnen blijven ontwikkelen.
Actueel
Ondanks dat deze korte verhalen geschreven werden in een periode die inmiddels meer dan honderd jaar achter ons ligt, zijn de onderwerpen die de schrijfster aanhaalt nog steeds verrassend actueel. Ook vandaag de dag zijn de relaties tussen man en vrouw een graag besproken onderwerp en is er steeds meer aandacht voor mentale gezondheid. De moderne, vlotte en scherpe schrijfstijl zorgt ervoor dat deze bundel leest als een moderne korte verhalenbundel.
Russisch vertaler Aai Prins werkt aan een vertaalproject dat alle verhalen, verschillende novelles en een roman van de Russische schrijver Andrej Platonov (1899-1951) omvat en in twee delen verschijnt in de Russische bibliotheek van Van Oorschot. Het eerste deel, Platonov Verhalen, verscheen in de zomer van 2019 en werd later in het jaar bekroond met de Letterenfonds Vertaalprijs. Het Letterenfonds roemt Aai Prins (1959) als ambassadeur van de Russische literatuur, al is ze daar zelf zeer bescheiden over.
Als vertaler heeft Aai Prins een lange staat van dienst, maar ook op andere wijze bracht ze de Russische literatuur onder de aandacht. Zo heeft ze vele stukken geschreven over het werk van Poesjkin, Toergenjev, Dostojevski, Tolstoj, Nabokov en Brodsky, en minder bekende auteurs als Garsjin en Kononov.Van 2006 tot 2014 woonde ze in St. Petersburg waar ze Nederlands doceerde aan het Nederlands Instituut en de Universiteit van Petersburg. Een paar jaar geleden hertaalde ze werk uit de Russische bibliotheek van Gogol, Tsjechov en Pasternak. De vertaling van Platonov, het tweede deel, is in uitvoering.
In april zou ik Aai Prins thuis in Amsterdam bezoeken voor een interview. Toen gooide corona roet in het eten. Omdat de kans op een ‘live’ ontmoeting wel eens lang op zich kon laten wachten, spraken we elkaar via een Zoom verbinding. Aai Prins vanuit haar zogenaamde ‘datsja’, aan het Markermeer tussen Hoorn en Enkhuizen, met een wat haperende internetverbinding, en ik vanuit mijn eigen keuken. We spraken over het vertalen van Platonov, die er zijn eigen vreemde woordgebruik op na hield, over de lange adem van een vertaler en hoe bewerkelijk deze vertalingen zijn.
Hoe brengt een Russisch vertaler het tot ambassadeur van de Russische literatuur?
‘Ja kijk, als je begint met studeren weet je eigenlijk nog niet zo goed waar je aan begint. Het was wel uit liefde voor de Russische literatuur dat ik Russisch ging studeren. Ook wel om het exotische dat me erg aansprak. Het was 1977, de tijd van de muur, de Koude Oorlog. Al had ik toen niet de illusie dat ik zelf vertaler kon worden. Ik wilde het wel maar er gebeurde in die tijd niet zoveel in de Russische literatuur. De klassiekers waren grotendeels al vertaald door, of vergeven aan de gevestigde vertalers als Charles Timmer, Karel van het Reve, Kees Verheul, Tom Eekman. Ik had niet de illusie dat ik daar ooit tussen zou kunnen komen. Maar ik had wel de mazzel, dat toen ik afgestudeerd was, ik vrij snel met de Perestrojka mee kon liften op de stroom van literatuur die na de val van de muur opeens uit Rusland kwam. Ik was net klaar en kon gaan vertalen. Maar ik voelde me niet meteen een ambassadeur van iets hoor.
Waar en hoe bent u met de Russische literatuur in aanraking gekomen, met Platonov?
‘Mijn ouders hadden veel Russische schrijvers in de kast staan, zo ben ik ermee in aanraking gekomen. Platonov kende ik van mijn studie, hij stond bij ons op de leeslijst. Maar in die tijd was zijn hele werk nog niet ongecensureerd verschenen, dus daar was nog niet alles van bekend. We moesten hem lezen, maar eigenlijk ging het me grotendeels boven mijn pet. Het is een vreemde schrijver, hij gebruikt geen algemeen beschaafd Russisch. Dus ik had wel enige kennis van zijn werk. Maar toen ik een paar jaar geleden door Van Oorschot werd benaderd om Platonov te vertalen voor de Russische bibliotheek, ben ik hem pas echt goed gaan lezen en begrijpen.’
Toen kon het vertalen beginnen, hoe was dat?
‘Het was een enorme klus. Een aantal jaar geleden is zijn volledige werk in zeven delen, ongecensureerd en zo volledig mogelijk uitgegeven. Ik geloof dat zijn dochter zijn boeken bezorgd heeft. Ik heb dat toen allemaal gelezen. Daaruit heb ik een selectie gemaakt voor Van Oorschot, het zouden twee delen worden, en ik heb een selectie uit de verhalen gemaakt. Enkele van zijn beroemdste verhalen waren al vertaald door Timmer, maar die vertaling was op basis van de gecensureerde versie. Ik ben nu bezig met het tweede deel.’ Ze houdt een omvangrijk boek omhoog, een indrukwekkende Russische uitgave.
‘Voor het vertalen van die verhalen heb ik eindeloos veel specialisten moeten raadplegen. Omdat zijn taalgebruik zo bizar is, moest ik heel vaak bij Russen te rade gaan. Dan vroeg ik of het afwijkend taalgebruik was wat Platonov gebruikte, en dat beaamden ze dan. En dan wilde ik weten waarin het afwijkend was. Dan zeiden ze dat je iets niet zo zegt zoals Platonov het zegt. Kijk, je hebt in het vertalen vaak te maken met een bepaald idioom, ‘fraseologische’ uitdrukkingen. Een simpel voorbeeld: in het Russisch zeg je ‘Piet klimt op de boom’, terwijl wij zeggen ‘Piet klimt in de boom’. Dus als er staat dat ‘Piet op de boom klimt’, wordt dat bij mij, ‘in de boom’. Maar er zijn ook veel gevallen waarvan ik denk dat het fraseologisch incorrect is. Dat moet ik dan wel zeker weten, wil ik het in het Nederlands net zo bizar vertalen als het er in het Russisch staat. Als je dan begint aan een boek van achthonderd pagina’s, dan ben je wel even bezig.’
Er komen veel technische beschrijvingen voor in zijn verhalen, hoe is dat om te vertalen?
‘Platonov was zelf technisch onderlegd en dat ben ik niet, maar ik heb wel drie broers die in de techniek zitten, daar kan ik altijd bij te rade gaan, over elektromotoren en zo meer. Maar het gaat in die verhalen ook over ontspoorde wetenschappers. Die wel iets weten maar daarna technisch helemaal uit het lood raken. Dan moest ik weer gaan uitzoeken of dit normaal was, dat ze bijvoorbeeld de aarde konden laten verschuiven, of dat ze een steen de ruimte in konden katapulteren, of was dat totale onzin? Platonov was landbouwkundige, heeft veel expedities gedaan door de hele Sovjet Unie, er komen dan ook heel veel geologische termen in voor. Dan laat ik me adviseren door een geoloog. Dat maakt een vertaling best bewerkelijk.’
Vertaalt u ingewikkelde beschrijvingen zoveel mogelijk naar het begrip van de Nederlandse lezer?
‘Ik wil het liefst dat de Nederlandse lezer zoveel mogelijk dezelfde ervaring krijgt bij het lezen als de Russische lezer. Dus als er iets technisch gepresenteerd wordt waarvan een Russische specialist denkt, nou dat zit aardig in elkaar, dat klopt wel met al die technische dingen, maar dit is een beetje vreemd, dan wil ik dat de Nederlandse specialist dat ook denkt. Ik heb een hele lijst aan specialisten, van banketbakkers tot monteurs. Dan vertel ik dat ik een boek aan het vertalen ben en of ze mij kunnen vertellen hoe dit of dat zit. Ik ben bijvoorbeeld een hele dag rondgeleid door het Spoorwegmuseum door een man die gespecialiseerd is in oude stoomlocomotieven, die heeft mij heel lief ontvangen. Al mijn vragen had ik van tevoren opgestuurd, hij heeft me alles laten zien, hoe het werkt met die ketels, de stookplaat, de koppelstangen.’
De verhalen zijn chronologisch op jaartal geselecteerd. Het eerste verhaal, geschreven in 1892, is dat zijn allereerste verhaal?
‘Ja, en je ziet dat die eerste verhalen nog niet in die heel bizarre stijl zijn geschreven. Je kunt al wel zijn aanzet zien, tot wat in zijn latere verhalen meer naar voren komt, het bezield maken van voorwerpen. Animistisch heet dat, dat je ieder ding een geest geeft. Dat zie je in zijn latere werken veel vaker maar dat is in aanzet al in die eerste verhalen van hem te zien. Ik heb de verhalen zoveel mogelijk chronologisch achter elkaar gezet, maar daar is een zeker voorbehoud bij, want op een gegeven moment kon hij niet meer vrij publiceren. Hij heeft dingen geschreven die hij nergens kwijt kon. De roman die ik nu aan het vertalen ben, heeft hij geschreven rond 1928, maar werd nooit gepubliceerd. Na die roman heeft hij nog verhalen geschreven die wel weer in deel 1 zijn opgenomen. Dus helemaal chronologisch is het niet. Ik heb zoveel mogelijk de data uit de publicaties aangehouden. Maar er zijn ook verhalen die eerst in tijdschriften hebben gestaan, later in verhalenbundels zijn opgenomen, en dan klopt het qua publicatiedatum niet helemaal. Maar waar mogelijk heb ik de chronologie aangehouden.’
Was Platonov een realist of een romanticus?
‘De term romanticus laat zich moeilijk met hem verenigen, maar toch zit er wel iets van een romanticus in hem. Maar in de eerste plaats is hij een bevlogen communist, die aanzet tot grootse daden, vaak heeft hij ook irreële hoop, en ondertussen was hij wel een gelovig communist met een keiharde benadering van alles. Dat realisme van hem, dat is in sommige van zijn sciencefiction-verhalen ook weer ver te zoeken. Maar de elementen waarmee hij zijn verhalen opbouwt zijn wel degelijk realistisch. De machines, en zo. Maar goed, zijn verhalen over de kosmos, de ruimtereizen, of dat realistisch is? Misschien, ik weet het niet.’
Hij was een volgeling van Stalin maar zijn verhalen doorstonden de censuur niet. Stalin wilde hem zelfs uit de partij zetten. Toch bleef hij op dezelfde aanstootgevende wijze doorschrijven.
‘Ja, dat klopt, dat bracht hem steeds in de problemen. Hij was in feite een proletariër pur sang, kwam uit een armoedig gezin. Hij was iemand van de toekomst, tot op het bizarre af. Er is dat verhaal over de collectivisatie van de landbouw. Over die boeren die van hun land worden gejaagd, onteigend worden en naar Siberië moeten. De slachtoffers en de hongersnoden die daaruit voortgekomen zijn, heeft hij gezien. Maar hij vond, ‘waar gehakt wordt vallen spaanders’. Hij schreef daar een verhaal over en voerde daarin een paar personen op die een beetje geschift waren en helemaal niet bij het socialisme hoorden, ofwel geloofden in de goede zaak. Hij dacht dat hij bijdroeg aan de goede zaak, door de dingen zo te presenteren. Maar Stalin en zijn trawanten zagen daar een en al kritiek in. Dan kreeg hij op zijn donder, en begreep hij niet waarom. Dat is wel ongelofelijk: a: dat ie zo’n verhaal kon schrijven, er achter bleef staan ondanks dat ie gezien had wat er speelde, en b: dat hij niet snapte dat ie daardoor in de problemen kwam. Platonov is een ingewikkelde persoonlijkheid.’
Wat betekent het winnen van de Vertaalprijs voor u, had u die verwacht?
‘Nee, nee, absoluut niet. Ik was ergens een tolkencursus aan het doen, notatietechniek voor synchroon tolken. En toen werd ik gebeld, dat ik die prijs gewonnen had. Het was een ongelofelijke verrassing. En het fijne aan deze prijs, vind ik, dat deze wordt toegekend door vertalers. Ik voelde me daardoor zeer vereerd.
Ging u na de prijsuitreiking vrolijk door met het vertalen van het tweede deel?
‘Dat was wel de bedoeling, dat ik gelijk door zou gaan maar dat ging niet zo makkelijk. Nu ben ik aardig op stoom. Al weet ik nu al dat ik het weer niet op tijd zal inleveren. Het is gewoon waanzinnig veel, de roman, Tsjevengoer, die ik nu aan het vertalen ben, is alleen al ruim 400 pagina’s. Dan heb je de hele dag vertaald en aan het eind van de dag zie je die stapel bladzijden maar niet minder worden. Dat eerste deel had het voordeel dat het korte verhalen waren, dan vertaal je een verhaal en dan is het af. Dan kun je zo’n pakketje maken en zien wat je gedaan hebt. Maar met zo’n loeilange vertaling is het lastig om dat op te brengen.’
Waar gaat die roman over?
‘Het is een verhaal over de verzonnen stad Tsjevengoer. Een paar enthousiaste bolsjewieken gaan daar het communisme vestigen. Ze spreken in een vreemd jargon, vol communistische termen, een beetje van alles door elkaar. Ze zijn zeer bevlogen maar wat moeten ze bijvoorbeeld met de bourgeoisie? Ze schrijven hen een brief dat ze op het plein moeten samenkomen. Ze komen daar ook echt naartoe en worden dan afgemaakt. Kijk dat soort dingen worden hoppa gepresenteerd. Het is gruwelijk, maar het wordt gepresenteerd door welwillende bolsjewieken die daar orde op zaken komen stellen. Dat is een heel klein aspect van de roman, een fragment dat ik net heb gedaan.’
Hoe werkt dit op u door, zulke passages?
‘Af en toe grijpt het me wel aan. Het is geschreven in 1928, en dan is die passage waarin de bourgeoisie uit het stadje gesommeerd wordt met een koffertje naar het plein te komen, haast profetisch. De Tweede Wereldoorlog moest nog komen. Zulke passage zijn hard om door te nemen, en ik weet dat er meer van zulke passages komen. Ik heb wel vaker akelige dingen in romans vertaald, daar had ik nooit zo’n last van. Maar opeens zag ik voor me wat daar, en later in het echt gebeurde. Het is natuurlijk een verzonnen stad, maar de gebeurtenissen zijn wel degelijk geënt op de waarheid. Als het ware werpt het zijn schaduw ver vooruit. Het is niet voor niks dat deze roman nooit heeft kunnen verschijnen in de Sovjet Unie.’
Hoe lang heeft u gewerkt aan het eerste deel?
‘Lachend: ‘Dat durf ik niet eens te zeggen, ik heb er in ieder geval een jaar langer over gedaan dan was afgesproken. Ik denk dat ik er toch wel twee, tweeënhalf jaar mee bezig ben geweest. En ik vrees dat ik voor het tweede deel ook meer tijd nodig zal hebben.’
Het is niet alleen de vertaling waar Aai Prins zich mee uiteen zet, bij het eerste deel schreef ze ook het uitvoerige en zeer lezenswaardige nawoord Een man die niet kon liegen, over de mens Platonov en zijn schrijverschap.
‘Het manuscript van zijn roman die ik nu aan het vertalen ben, liet hij aan Gorki lezen en die zei, “nou dat krijg je niet gepubliceerd”. Maar Platonov begrijpt niet waarom.Dan gaat hij allemaal brieven schrijven waarin hij zich erover beklaagt dat hij bestempeld wordt als een subversieve schrijver; maar dat komt allemaal in het nawoord van deel twee.’
Platonov Verhalen / Andrej Platonov / vertaald door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot (2019)
De avond van het boekenbal zat ik op de bank met De verhalen van Andrej Platonov. De ochtend na het Boekenbal douchte ik de resten van een kleurspoeling uit mijn haar. Dacht aan de rode loper die ik op foto’s voorbij had zien komen, de toespraken, het dansen. Welke schrijvers er waren, en of Jeroen Brouwers daar eigenlijk wel eens komt, en A.L. Snijders, Vonne van der Meer, H.C. ten Berghe. Of raakt het boekenbal eens passé onder schrijvers? Toen stelde ik me voor dat ik erbij was geweest. Het had gekund, elk jaar ontvangt Literair Nederland van de CPNB een persuitnodiging. Waarop steevast een week voor het bal begint een afwijzing volgt, vanwege teveel aanmeldingen. Gek genoeg nodigt de CPNB zijn persrelaties uit en geeft vervolgens een ‘non-accreditatie’. Maar dit jaar was anders. De uitnodiging was persoonlijker, (we zouden het fijn vinden), dat streelde de veren, deed denken aan nieuwe schoenen, een goede pen. Toch kwam daarna de mail: ‘Helaas moet ik je een teleurstellende mail sturen’, met een vonkje hoop, ‘Omdat we je er eigenlijk wel bij willen hebben sta je nog wel op de reservelijst…’
Op de dag van het Boekenbal mailde ik nog of er misschien iemand van de perslijst was afgevallen. Maar ‘helaas’, geen afmeldingen, afgesloten met: ‘Heb een mooie boekenweek!’ Daar lichtte ik van op. Nooit wenste iemand mij een fijne boekenweek, alsof kerstmis aanstaande was. Ik mailde per omgaande, ‘Dank! Jullie ook!’
Enigszins verlicht keerde ik terug tot de realiteit van de dag, ging verder met het lezen van Andrej Platonov.In een van de langere verhalen, ‘De verborgen mens’ heeft Foma Jegorytsj Poechov net zijn vrouw Glasja begraven. Poechov is een man zonder conventies, geen dweper. Alles geschiedt volgens hem volgens de wetten van de natuur, het is zo fijn beschreven: ‘Hij sneed op de grafkist van zijn vrouw een gekookte worst in stukjes, daar hij wegens afwezigheid van de vrouw des huizes uitgehongerd was.’ Als hij de volgende dag ontwaakt roept hij: ‘Glasja!’ Maar niemand reageert, zegt, ‘Wat is er, Fomoesjka?’
‘Daar had je ze dan, de wetten van de natuur’, dacht Poechov berouwvol: ‘Ik had groot onderhoud aan mijn oudje moeten plegen, dan had ze nog geleefd, maar er zijn geen middelen en de kost is niet best!’ Poechov werkt op een sneeuwschuiver die de rails op de Steppe van Rusland moet vrijhouden van sneeuw. Het is de tijd van de Russische revolutie en het is onmenselijk werk, er is honger, wodka, ongelukken. Aan de stationsmuren hangt de propagandatekst: ‘Wij arbeiders nemen boeken ter hand, / Leer, proletariër, vergroot je verstand!’. Nogal onbeholpen geschreven volgens Poechov, die er een vrolijke eigen mening op na houdt. ‘Je moet zo schrijven dat alle sukkels van de weeromstuit verstandig worden!’ Ja, dat was me nog eens een tijd.
Oja, nog onder de douche kreeg ik na de ‘stel je voor’ gedachte een schok van realiteitszin. Hoe had ik het in mijn hoofd gehaald, ik, naar het Boekenbal! Met die uitgroei in mijn haar, geen geschikt tasje of jasje, en hoe had ik in godsnaam weer thuis moeten komen?
Verhalen / Andrej Platonov / vertaling en nawoord door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot, 2019
Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en ging niet naar het Boekenbal.
De avond had een feestelijk karakter, want er werd een prijs – de J.M.A. Biesheuvelprijs – toegekend en uitgereikt. Dé prijs voor de beste verhalenbundel van het jaar. Een prijs die indirect bijdraagt aan de acceptatie van het korte verhaal als volwaardig literair genre.
Er werd die avond ook een vrij fundamentele vraag gesteld. Een vraag waar je een hele avond aan zou kunnen wijden. En toch kreeg die vraag niet de aandacht die hij verdiende. Moderator Daan Windhorst stelde hem. Lodewijk Wiener, Ad van den Kieboom en Sander Blom – die aantraden als pleitbezorgers voor de genomineerde bundels van Joubert Pignon, Annelies Verbeke en Vonne van der Meer – probeerden hem te beantwoorden.
‘Is een bundel een relevante eenheid?’ Dat was de vraag. Een vraag die een ontsnappingsmogelijkheid biedt. Wie hem beantwoordt, kan nadruk leggen op de relevantie van een zekere thematische verwantschap tussen verhalen die samen een bundel vormen. Die kant ging het die avond vooral op. ‘Het begint bij wat een schrijver wil. Bij Annelies is het uitgangspunt een thema. Op basis van dat thema – in Halleluja is het thema “begin en einde” – kiest of schrijft zij de verhalen die gebundeld worden.’ Dat was de kern van het antwoord van Ad van den Kieboom, als redacteur verantwoordelijk voor het werk van Annelies Verbeke.
In het verlengde van dat antwoord kwam ter sprake dat het voor het onder de aandacht brengen van een bundel heel handig is dat verhalen iets met elkaar te maken hebben. Een opmerking die nogal wat impliceert en daarom verontwaardiging had moeten oproepen, maar die avond geen enkele ophef veroorzaakte. Blijkbaar waren de aanwezigen reëel genoeg om zich niet tegen deze door de commercie ingegeven realiteit te verzetten.
Beide antwoorden suggereren dat de kleinste eenheid van verhaal niet het korte verhaal maar de verhalenbundel is. Als dat echt zo is en als een bundel geen verzameling losse verhalen mag zijn (ook dat werd gezegd), dan – merkte Sander Blom, als redacteur betrokken bij de totstandkoming van het werk van Vonne van der Meer, op: ‘ontneem je de schrijver de mogelijkheid om af en toe een kort verhaal te schrijven.’
Dat is natuurlijk niet waar. Het staat iedere schrijver vrij om af en toe een kort verhaal te schrijven. De vraag is alleen waarom hij dat zou doen als dat ene verhaal niet de aandacht krijgt die het verdient.
In het kader van de emancipatie van het genre is het mooi dat er een prijs bestaat voor de beste verhalenbundel, maar iemand die incidenteel een (heel) goed verhaal schrijft, schiet daar (helemaal) niets mee op. Zo kun je de vraag van Daan Windhorst ook interpreteren. Als een kleine kanttekening bij een gewaardeerd initiatief.
Wat het genre naast de J.M.A. Biesheuvelprijs nu alleen nog nodig heeft, is een aanmoedigingsprijs. Een prijs die ook iemand die nog nooit een kort verhaal geschreven heeft weet te verleiden (zoals de Turing Gedichtenwedstrijd mensen aanzet tot het schrijven van een/één gedicht). Een prijs die recht doet aan de eenheid van verhaal: het verhaal.
Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.