• Diepzinnigheid in weerbarstige verhalen

    Diepzinnigheid in weerbarstige verhalen

    Maxim Osipov (Moskou, 1963) is een Russische schrijver en cardioloog. De inval van Rusland in Oekraïne was in maart 2022 voor hem aanleiding om via Armenië naar Duitsland te vertrekken. In het najaar van 2022 werd hij voor een jaar als gastschrijver aangesteld aan de universiteit van Leiden waar hij onder meer een cursus Russische literatuur geeft. In Rusland publiceerde hij sinds 2007 fictie en non-fictie. Zijn werk is in achttien talen vertaald. In 2021 verscheen in Nederland de succesvolle verhalenbundel De wereld is niet stuk te krijgen. Eind 2022 verscheen Kilometer 101.

    Kilometer 101 begint met het verhaal Sventa, een plaats in Litouwen waar de verteller van het verhaal vroeger vaak met zijn ouders naar toe ging. Hij is inmiddels over de vijftig en merkt op dat de zorgen die hij nu heeft dezelfde zijn als die hij zo’n dertig jaar geleden had: ‘1) geen vuile handen maken, geen morele concessies doen, 2) de gevangenis ontlopen, en 3) niet het moment voorbij laten schieten waarop je voorgoed je biezen moet pakken.’ Met deze opsomming is de toon voor de verhalenbundel gezet.

    Sventa is een soort inleiding want het boek bevat vervolgens twee uit verschillende verhalen bestaande delen. Het deel Luxemburg is genoemd naar een stadje in de buurt van Moskou dat vernoemd is naar Rosa Luxemburg, Duits politiek denker en revolutionair socialiste. Het bevat inclusief de novelle Luxemburg zeven verhalen. Het tweede deel van het boek heet Kilometer 101 en bestaat uit drie verhalen, die autobiografischer van aard lijken te zijn dan de verhalen in het eerste deel. Indrukwekkend zijn de ruim tien bladzijden tellende aantekeningen aan het eind van het boek met uitleg over de talrijke verwijzingen in de verhalen. In zo’n aantekening wordt bijvoorbeeld uitgelegd dat de uitdrukking ‘De honderdeerste kilometer’ in het Russisch de term is ‘die de beperkingen aangeeft in de vrijheid voor burgers om zich te vestigen waar ze willen. Tijdens de Sovjetperiode mochten criminelen en andere “ongewenste individuen”, onder wie ook de uit de goelagkampen teruggekeerde politieke gevangenen werden gerekend, zich niet vestigen in grote steden; ze mochten niet dichter dan op 101 kilometer van die steden gaan wonen.’

    Weerbarstig

    Het eerste deel van het boek is wat weerbarstiger dan het tweede, de keuze om met dit deel te beginnen is daarom opmerkelijk. Het is vooral even wennen aan de manier van vertellen van Osipov en aan de Russische cultuur, waarmee het hele boek doordrenkt is. Vertalers Yolanda Bloemen en Seijo Epema hebben er desalniettemin knap voor gezorgd dat de in het Nederlands stug aandoende Russische manier van vertellen in goed lopende Nederlandse zinnen zijn omgezet. Daarnaast hebben ze ervoor gezorgd dat bij de honderden aantekeningen aan het eind van het boek ook bijvoorbeeld zaken als Russische achternamen of bepaalde typisch Russische gebruiken die een Nederlandse lezer waarschijnlijk weinig zeggen, worden uitgelegd.

    Bij het eerste verhaal (Matthew Ivanov, Engelse opening) duurt het lang voor de hoofdrolspeler, een nieuwkomer die een schaaktoernooi heeft gewonnen, geïntroduceerd wordt en ontstaat er voor de lezer een spanningsveld tussen willen weten welke kant het verhaal op gaat of het boek teleurgesteld aan de kant leggen. Volhouden is echter het devies, want eenmaal gewend aan de wat ongebruikelijke manier van vertellen zijn er mooie verhalen te ontdekken. Cape Cod is een voorbeeld van een boeiende vertelling over het echtpaar Sjoera en Aljosja en hun zoon Leo. Ze zijn naar de Verenigde Staten geëmigreerd. Aljosja is zeer succesvol: hij heeft een eigen bedrijf en een tweede huis, maar Leo maakt een keuze die zijn Sovjetouders absoluut niet kunnen begrijpen, maar die wel aangeeft dat Leo op en top geïntegreerd blijkt te zijn in zijn nieuwe vaderland.

    Absurdistische scène

    In de novelle Luxemburg gaat het over Sasja, die de as van zijn moeder in het stadje Luxemburg wil gaan begraven. Het verhaal is geschreven vanuit het perspectief van een vriend van Sasja, een psychiater, waardoor het verhaal, zoals wel vaker bij Osipov, een wat beschouwend karakter krijgt: ‘Haar dood maakte alleen indruk in die zin dat ik helemaal niet wist dat ze nog leefde. De kwaliteit van een geleefd leven wordt vooral bepaald door het aantal mensen dat afscheid van je komt nemen (vrijwillig dan, niet door je chef gestuurd), […].’ Omdat de naam op het graf joods lijkt (maar niet is), wordt het graf van Sasja’s moeder geschonden door neonazi’s, die eerst de door hem geplante roos stelen en een paar dagen later het graf onteren met ontlasting en hakenkruizen. Sasja besluit tegen beter weten in aangifte te doen. De gesprekken hierover op het politiebureau zijn een prachtig voorbeeld van Russische bureaucratie, maar wonderlijk genoeg lukt het de autoriteiten toch om de daders op te pakken. Sasja vervoegt zich wederom op het politiebureau en belandt in een haast absurdistische scène. De trotse politieagent biedt Sasja namelijk aan dat hij de arrestanten mag slaan, zonder dat de politie tussenbeide komt. Op dat moment beseft Sasja dat hij eigenlijk spijt heeft van zijn aangifte, omdat hij nu niet meer kan voorkomen dat de daders langdurig naar de gevangenis zullen moeten.

    Diepzinnig

    De drie verhalen in het tweede deel zijn zoals gezegd wat toegankelijker en lijken meer autobiografisch van aard. Zo is Bij ons in N. geschreven vanuit het ik-perspectief van een arts. De volksaard van de Russen komt zo mogelijk nog duidelijker naar voren dan in het eerste deel. De verhalen gaan over angst voor de dood die hand in hand gaat met afkeer van het leven, over alcoholisme en het geweld dat daardoor bestaat binnen gezinnen, over corruptie en smeergeld en over het gebrek aan coördinatie in de zorg. Toch zijn ze nergens zwaarmoedig of negatief. Osipov beschrijft het leven zoals het is en lardeert de verhalen zelfs met hilarische anekdotes uit zijn praktijk als arts. Een patiënt die succesvol twee nieuwe hartkleppen heeft gekregen, biedt hem bijvoorbeeld als dank daarvoor aan om iemand voor hem in elkaar te slaan of om eventueel in zijn plaats naar de gevangenis te gaan. De meest diepzinnige zinnen zijn aan het einde van de verhalen te vinden: ‘De recente gebeurtenissen schuiven over elkaar heen, stapelen zich op, wat gebeurd is vermengt zich met wat nooit gebeurde, maar wat ver in het verleden ligt […] voelt als nabij en vol geluk – nog meer dan toen, oneindig veel meer […].’

    Kilometer 101 is een boek om af en toe even weg te leggen om het gelezene te laten bezinken. Wellicht is het zelfs een goed idee om te beginnen met de verhalen uit het tweede deel van het boek. Wanneer je eenmaal gewend bent aan de stijl valt er namelijk genoeg te ontdekken, te verwonderen en te genieten, onder meer van de bijzondere personages, waarvan sommige niet zouden misstaan in een complete roman. Hopelijk vormen de successen die de verhalenbundels zijn geworden een aanleiding voor Osipov om zijn oeuvre daarmee uit te breiden.

     

  • Oogst week 2 – 2023

    Schoonheid op aarde

    Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947) was een eigenzinnige schrijver. Hij was een Zwitser die in het Frans schreef, maar in Franse literaire kringen op weerstand stuitte omdat zijn gebruik van de taal dichter bij het boerenmilieu lag dan bij het geciviliseerde Frans. Hoewel hij legio werken op zijn naam heeft staan werden er maar twee ooit in het Nederlands vertaald, waaronder De grote angst in de bergen uit 1926 dat in 2018, vertaald door Rokus Hofstede, bij Van Oorschot uitkwam. Dezelfde uitgever en vertaler komen nu met Schoonheid op aarde uit 1927. In deze roman belandt een Cubaanse schone in een klein Zwitsers wijndorp. Het is Juliette, een negentienjarig weesmeisje dat wordt opgenomen in het gezin van een cafébaas die haar oom is. Nadat ze voor de nodige spanningen in de hoofden van de dorpelingen heeft gezorgd, vertrekt ze na een half jaar met een Italiaanse muzikant. De waardering die de roman oogstte betrof niet alleen zijn etalering van menselijke dilemma’s, maar vooral de moderne vertelstijl met alsmaar verschuivende perspectieven.

    Schoonheid op aarde
    Auteur: Charles Ferdinand Ramuz
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Bier in de snookerclub

    De Egyptische schrijver Waguih Ghali (1927?-1969) is, hoewel hij meer schreef, bekend door één enigszins autobiografische roman, Bier in de snookerclub. De vertaling die nu is uitgebracht door Jurgen Maas is een herziene editie van die uit 1990. De roman speelt in de postkoloniale tijd, direct nadat de Engelsen zijn verdwenen en koning Faroek is afgezet. Aan de macht is president Nasser die weinig heeft gerealiseerd van de beloften waarmee hij het politieke toneel betrad. Hoofdpersonen zijn de studenten Ram en Font, die al snookerend en drinkend de hypocrisie in hun land analyseren. Met de cocktails die ze zelf brouwen proberen ze hun verlangen naar het bier Bass uit de Engelse tijd te bevredigen. Beiden hebben ze gestudeerd en allebei zijn ze in Engeland geweest. In de snookerbar gaan hun gesprekken over wat Egypte is kwijtgeraakt en of het land daar beter van is geworden.

    Bier in de snookerclub
    Auteur: Waguih Ghali
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Heerlijk Monster

    De Vlaamse Fleur Pierets is onder andere performancekunstenaar en LGBTQ+ activist. Haar artistieke partner en vrouw, de Nederlandse Julian P. Boom, stierf op 22 januari 2018. Ze waren toen vier keer met elkaar getrouwd. Die huwelijken waren een project dat 22 landen omvatte waar het homohuwelijk is toegestaan. Over het rouwproces om de dood van haar vrouw schreef Pierets in 2019 Julian. Nu is er het nieuwste boek van Pierets, Heerlijk monster. Het is een persoonlijk boek, maar geen autobiografie, ook al is de hoofdpersoon een schrijfster die kort geleden haar vrouw heeft verloren. Een genre-aanduiding ontbreekt op het omslag. Pierets maakt in het boek online de reis die het personages Therese en Carol maken in het verfilmde Carol van Patricia Highsmith. De twee wilden zo ontdekken wat het betekende om een lesbische relatie te hebben in een wereld die daar soms vijandig tegenover staat. Op die manier gaat ze op zoek naar hoe je identiteit vorm krijgt als je deel bent van een minderheid.

    Heerlijk Monster
    Auteur: Fleur Pierets
    Uitgeverij: Das Mag
  • Meerstemmige verhalen

    Meerstemmige verhalen

    Wie het ware lezen ontdekt, wordt een graver naar betekenissen, ontdekt werelden van verschil. Wie schrijft, wil weten hoe een verhaal verteld wordt, hoe andere schrijvers het doen, wil gepubliceerd worden. Als themanummer van de nieuwe Tirade kwam een Surinaamse editie uit, Prakseri. Met verhalen van tien Surinaamse schrijvers. Gastredacteur en samensteller Kevin Headly schreef ter inleiding, ‘er is een aantal jaren geen verhalenbundel in Suriname verschenen van schrijvers van het land,  (…) van jonge schrijvers.’ Prakseri nu, ‘biedt nieuwe en bekende schrijvers van fictie een podium om hun werk te presenteren aan de wereld.’ Het is een verrassende editie geworden waarin de schijnwerper deels gericht wordt op het verschil tussen een schrijver in Suriname of in Nederland. 

    Carl Haarnack schrijft in ‘Een eigen geluid’, hoe eenvoudig het voor een beginnend schrijver in Amsterdam moet zijn, met zijn goede boekhandels op bereikbare afstand. Waar je kunt ‘kiezen uit een duizelingwekkende hoeveelheid romans, verhalen, dichtbundels.’ En, ‘Door veel te lezen verruim je je blik en word je zelf een betere dichter, schrijver’. Voor wie in Paramaribo, Nickerie of aan de bovenloop van de Surinamerivier woont, is dat niet mogelijk, schrijft Haarnack. In dit mooie kleine essay waarin hij Anil Ramdas, Edgar Cairo en V.S. Naipaul aanhaalt, gaat het over het belang het eigene niet te verloochenen, maar je toch los te maken van je eigen ‘tribe’. ‘Alleen door meerstemmige verhalen kunnen we de wereld aan.’ Meerstemmige verhalen die gehoord moeten worden.

    Het verhaal ‘Weerzien met Judith’ van Cynthia Mcleod gaat over haar eerste vriendinnetje toen ze vijf was. Ze beleven een innig verbonden tijd met elkaar eind jaren dertig, begin veertig in Paramaribo. Later verliezen elkaar uit het oog, vinden elkaar decennia later in Parijs weer terug. Judith koestert zulke mooie herinneringen aan Suriname, dat Mcleod haar niet uit haar droom durft te helpen. ‘ik dacht aan mijn land; mijn klein onbetekenend derdewereldland: mijn land met zijn kleine, arme maar o zo hartelijke bevolking die in de oorlog spontaan honderden Joodse vluchtelingen heeft kunnen opvangen’. Ze vertelt haar niet over de onveilig jaren tachtig onder het militaire bewind. Ze zegt, ‘Koester je herinneringen, koester je mooie herinneringen aan Suriname.’
    In verschillende verhalen beïnvloeden geesten het leven van alledag. Zoals in ‘Spiritbox’ van Zerachiel van Mark, over het lot van een jong meisje dat in mysteriën gehuld is. ‘Een bebloede oorlel met haar geliefdste oorknopje was het enige dat van Caroline gevonden was.’ 

    Het goed opgebouwde verhaal ‘Het levensformulier’ van Jeffrey Thomas Quartier speelt zich af in de wachtkamer van overleden zielen. In afwachting van een terugkeer naar de aarde, moet  een formulier worden ingevuld. Er zijn verschillende opties over ‘hoe’ en ‘wat’ je wilt terugkeren (mens, dier, insect, plant). Wie kiest voor mens, kan door naar pagina vier, waar geslacht en ras gekoezen kan worden; ‘neger, Javaan. blank, gemengd, enz.’ Kies je neger, dan kan je door naar pagina zeven. Met verschillende opties van het continent waar je geboren wilt worden, ‘(Afrika, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, etc.)’. Bij de optie Noord-Amerika wordt een realiteit weergegeven die voor veel aardbewoners een niet voor te stellen gegeven is. Want, ‘De mogelijkheid bestaat dat u het slachtoffer wordt van een racistische politieagent en/of zinloos politiegeweld.’ Bij de optie Afrika staat, ‘Er is de kans dat u om het leven komt in een burgeroorlog of dat u op een gruwelijke manier verhongert.’ Ik vraag je, wat zou jij kiezen?

    Nu wil ik nog weten wat ‘Prakseri’ betekent. Ik app mijn schoondochter die op haar negende van Suriname naar Nederland kwam.  Ze appt, ‘denken, nadenken of gedachte’. Vraagt wat ik aan het lezen ben, waar ik dit tegenkwam. Ik app dat ik een tijdschrift met Surinaamse verhalen in handen heb. Ze reageert verrast. Deze Prakseri gaat in ieder geval straks onder de kerstboom. 

     

     

    Prakseri, een Tirade vol verhalen uit Suriname / nr. 490, jaargang 66 / uitgeverij Van Oorschot.
    Overige verhalen van: Lisanne Waridjan, Ismene Krishnadath, Kevin Headley, Iraida van Dijk-Ooft, Robby Parabirsing, Maggie Schmeitz, Kevin S. Coulor. Illustraties Joey Roberts en een bijdrage van Julien Ignacio over de (verborgen) schatkist van Surinaamse literatuur.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over het snijvlak waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • De onnodige wreedheden van het leger in Atjeh

    De onnodige wreedheden van het leger in Atjeh

    Oorlogstrauma’s zijn vermoedelijk van alle tijden, maar worden pas sinds ca 1920 erkend als ziektebeelden. Tijdens W.O.I werden bijvoorbeeld nog driehonderdzesenveertig Engelse soldaten ter dood veroordeeld wegens desertie, de laatste (Louis Harris) op 7 november 1918. Een groot deel van hen leed waarschijnlijk aan shellshock, tegenwoordig gezien als één van de vormen van PTSD. Goed dat vier dagen later de oorlog op hield, anders waren het er nog meer geweest.
    Post traumatic stress disorder (PTSD)  wordt tegenwoordig gelukkig herkend en erkend, maar was nog vrijwel onbekend in de tijd waarin Het uur van de olifant speelt, de nieuwste roman van Otto de Kat. Daarin wordt het verhaal verteld van Maxim van Oldenborgh, een jonge officier van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) die in een man-tot-man/vrouw gevecht in Atjeh een oog verliest en – afgekeurd voor de dienst – zijn leven als burgemeester van Texel voortzet.

    Herinneringen ophalen

    Van Oldenborgh woont daar met zijn jonge vrouw Roy als hij in 1909 bezoek krijgt van W.A.van Oorschot (‘W.A.’ voor zijn vrienden), een oude legervriend die vanuit Indië met verlof is in Nederland. Hij heeft net als Maxim de dienst verlaten en is nu werkzaam bij de Staats Spoorwegen op Java. Ze halen herinneringen op aan hun krijgservaringen in Atjeh en Maxim krijgt mede daardoor steeds meer last van de nachtmerries en depressies waar hij na zijn terugkeer in Nederland aan lijdt. W.A. blijkt namelijk Wekker te zijn, de schrijver van zeventien onthutsende artikelen in oktober en november 1907 in het blad De Avondpost over de wreedheden begaan door KNIL-militairen tijdens de pacificatie van Atjeh. Die artikelen hebben geleid tot grote commotie in de Tweede Kamer en tot – uiteindelijk – het vertrek van generaal van Daalen als gouverneur van Atjeh. Van Daalen was de keiharde militair die in 1904 met zijn maréchaussees de vesting (benteng) Koetoh Reh veroverde. Bij die slachting werden driehonderddertien mannen, honderdnegenentachtig vrouwen en negenenvijftig kinderen doodgeschoten. 

    De verovering van Atjeh die in 1904 al eenendertig jaar duurde was onder generaal Van Daalen steeds gewelddadiger geworden en steeds meer officieren hadden grote moeite met hun rol daarbij. Natuurlijk, voor het Atjehse verzet was de oorlog tegen de kafirs een djihad, een heilige oorlog die tot een triomfantelijke dood kon leiden, een gevecht waaraan ook vrouwen en kinderen met overgave deel namen. Was niet de belangrijkste verzetsstrijder een vrouw, Tjoet Nja Dinh? De doodsverachting van de aanstormende  Atjehers had veel soldaten ertoe gebracht om hun kogels af te vijlen, zodat het dum-dum-kogels werden, waarvan de inslag zo groot was dat de getroffene niet verder op je af kon rennen. Ook die – officieel verboden – vorm van munitie knaagde aan de gewetens van steeds meer officieren. 

    Humane oorlogsvoering onmogelijk

    Wekker vertolkte in zijn stukken met veel voorbeelden de onnodige wreedheid van het leger. Niet zozeer omdat hij tegen de verovering van dat laatste stukje van Sumatra was, maar omdat hij vond dat het geweld vooral veroorzaakt werd door de bezuinigingen op het aantal manschappen. Dat maakte een meer humane oorlogsvoering onmogelijk. Het nemen van gevangenen tijdens zo’n krijgstocht was bijvoorbeeld onwenselijk omdat dan een deel van de manschappen zou moeten vertrekken om ze af te voeren. Dan bleef een kleinere en dus meer kwetsbare eenheid over en dat kon niet. Er werden dus geen gevangenen genomen, men doodde domweg iedereen die zich overgaf. 

    Voordat Wekker zijn stukken publiceerde waren er meer protesten geweest tegen de wijze waarop de oorlog in Atjeh werd gevoerd, maar met zijn Multatuliaans heftige schrijfstijl had hij meer effect. Als W.A. hun bekent dat hij Wekker is, zijn Maxim en Roy verrast. Natuurlijk kennen zij de artikelenreeks en ze hebben die allebei met grote instemming gelezen. De onthulling dat W.A. de schrijver is opent de deur voor gesprekken en een groot deel van de roman is dan ook gevuld met – boeiende – gedachtewisselingen over de pacificatie en het schuldgevoel dat dat oproept. En over Indië, het land waar W.A. naar teruggaat omdat hij het niet meer missen kan, ook al is hij langzamerhand tot de conclusie gekomen dat Nederland daar niet thuis hoort. Het land waar ook Maxim naar terug verlangt, al komt hij in een gesprek met Roy tot en andere conclusie dan W.A.: ‘Nee, ik wil nooit meer terug, al ruik ik het land, al heb ik duizend beelden in mijn hoofd, al is er een onbegrijpelijk gevoel van gemis en heimwee.’ ‘Liever heimwee dan Indië?’ Hij lachte. ‘Van wie heb je die uitdrukking? Ja, hij is raak, precies wat ik bedoel.’ 

    Verdrongen scene komt boven

    Ook Roy wordt meegetrokken in hun overdenkingen, vooral omdat zij zich zorgen maakt over de gezondheid van haar man. Maar zij raakt tijdens zijn bezoek vooral gefascineerd door de open persoonlijkheid van W.A. die niet aarzelt haar persoonlijke vragen te stellen die haar bewegen hem zaken te vertellen die ze nooit met anderen gedeeld heeft. En omgekeerd is hij zeer gecharmeerd van haar. Het blijft platonisch, maar als W.A. weer op de boot terug naar Java is, dan reist zij in zijn gedachten met hem mee. Roy zelf wordt weer opgeslokt door haar liefde en zorg voor haar man en ze slaagt er in om hem ertoe te bewegen – op advies van W.A. – een zenuwarts te bezoeken, in die tijd een nog nieuw medisch specialisme. Bij één van die bijeenkomsten komt de scene boven die hij al die tijd verdrongen heeft en die zijn nachtmerries veroorzaakt. Wat hem dwars zat blijkt niet te gaan om iets dat hij zelf gedaan heeft, maar om iets gruwelijks dat zijn commandant deed waar hij passief bij was gebleven. Genezing is dan eindelijk op komst.
    De Kat slaagt er goed in om zijn vertellerstaal en conversatie-teksten precies de wat ouderwetse toon te geven die je als lezer in de sfeer van het begin van de vorige eeuw brengt. Het uur van de olifant is dan ook een mooie roman geworden, met een ongebruikelijk onderwerp: PTSD.

     

     


    Nawoord over de historische achtergrond:
    Wilhelmus Arnoldus (W.A.) van Oorschot heeft echt bestaan en werd er ooit inderdaad van verdacht de schrijver van de Wekker-verhalen te zijn. Maar wie de moeite neemt via het Delpher krantenarchief zijn levensloop op te diepen ziet dat men al snel terug kwam van die verdenking en dat hij daarom vervolgens toch een succesvolle loopbaan als chef van de Staats Spoorwegen kon hebben. Na zijn pensioen in 1927 keerde hij –jawel!-  naar Nederland terug en werd daar burgemeester van Ilpendam. In die plaats herinnert het Van Oorschot-plantsoen nog aan de dynamische burgervader die hij was. Hij stierf in 1948, zevenenzestig jaar oud. Of hij werkelijk Wekker was zal denkelijk altijd een vraag blijven.

    Het personage Maxim van Oldenborgh heeft de Kat (pseudoniem van J.G. Gaarlandt) gebaseerd op zijn grootvader E.G. Gaarlandt die inderdaad gewond uit Atjeh terugkeerde en daarna burgemeester van Texel werd. In zijn latere leven werd hij nog een geliefde burgemeester van Gouda in welke rol hij er bijna in slaagde om het vliegveld dat nu Schiphol heet, bij Gouda te laten bouwen. Hij overleed plotseling in 1938, achtenvijftig jaar oud.

     

  • Wij roeien ruggelings naar later

    Wij roeien ruggelings naar later

    Veel van wat Marjoleine de Vos schrijft in haar laatste bundel roept associaties op met de misschien wel meest bekende uitspraak van de Deense filosoof Kierkegaard: Het leven kan alleen achterwaarts worden begrepen, maar moet voorwaarts worden geleefd. Waarbij moet worden opgemerkt dat we ons bij dat ‘begrijpen’ niet al te veel moeten voorstellen. Want daar gaat het bij de gedichten in Hoe verschillig regelmatig mis. Er valt weinig te be-grijpen of te be-vatten. Was het maar zo simpel. Niet voor niets koos De Vos voor een motto van de hand van collega-dichter Hans Tentije.

    dat het verleden nooit voorbij is
    maar zich ergens anders bevindt –
    in de leemten, de wijkplaatsen van herinneringen en vergeten

    Na de vragen of dat verleden nu wel of niet voorbij is, en waar het zich dan zou bevinden, rijzen er meteen nieuwe vragen. Is dat verleden wel zo eenduidig als wij vaak – en graag – aannemen? Wat hebben we aan onze herinneringen als dat verleden zich zo moeilijk laat kennen en bewaren?

    Odysseus & Penelope

    Hoe iets of iemand door de tijd verandert, wekt nogal eens verbazing en verwondering, en niet zelden zelfs verwarring. Des te meer als we dat iets of die iemand al langer niet hebben gezien. We zijn dan immers geen getuige geweest van de veranderingen die in de tussentijd hebben plaatsgevonden. Daarbij speelt mee dat de dingen in het echt toch altijd anders gaan dan in de voorstelling die wij er in onze verbeelding van maken.

    Je bent het denk ik wel, ik ken je wenkbrauwboog
    de welving van je voet, ik houd zo pijnlijk veel

    van wie je was in mij, van mijn geweven beeld
    dat niet is jij, die man hier, slapend, aan mijn zij.

    Valt er nog wel iets te herkennen als de periode van afwezigheid te lang heeft geduurd. Is de band, opgebouwd uit de unieke, intieme details en honderden herkenbaarheden van allerlei aard, is die band, dat bij-elkaar-horen op zeker moment niet over z’n kantelpunt heen? Wat valt er nog bij te praten als je zo lang geen getuige meer bent geweest van elkaars leven; als je allang niet meer diegene bent die je toen was? Wat heeft het dan nog voor zin?

    Een weemoedig besef, dat niet alleen wordt benoemd in het eerste deel, Odysseus keert niet terug, maar ook in de andere drie delen van de bundel: ‘God doet de rest’; ‘Gedichten zeiden dat alles voorbij moest gaan; ‘Het mooie overhemd weer aan’.

    Dat gezicht van je

    De motieven uit de Griekse mythologie waar De Vos vrijelijk mee speelt, zijn ook zonder voorkennis op dat gebied goed te verstaan, omdat het telkens weer gaat om thema’s die ten diepste menselijk zijn. In alle grote literatuur – van bijbel tot Shakespeare – komen we ze tegen: verlangen en gemis, het gereis en gezoek naar waar en bij wie men thuis is, liefde, dood, verraad, of menen te worden verraden. En de ultieme desillusie: dat wie denkt met de tijd te kunnen spelen altijd aan het kortste eind trekt.

    Voorbije uren, dagen, jaren keren nooit meer terug, en de geliefden van wie we ooit afscheid namen meestal ook niet. En mocht die geliefde toch wel terugkeren, dan is het hoe dan ook niet meer de man, de vrouw van wie we eertijds de laatste aanblik in ons geheugen hebben vastgezet.

    We praten maar. We wisten niet
    dat dit, dit tasten zoeken wijken
    dat dit is wat er rest. Dit ben jij nog
    een pen die krast over papier.
    Ach dat gezicht van je.
    Ik krijg het niet meer hier.

    Waarmee zich de volgende valkuil aandient. Hoe betrouwbaar is ons geheugen eigenlijk? Niet zo erg betrouwbaar, en dat betreft niet alleen de vertekening die optreedt naarmate de tijd verstrijkt. Meteen al bij het inprenten gaat het mis. We slaan die beelden van onze geliefden tenslotte niet voor niets op. Als het ons niets kon schelen, zouden we immers ook geen moeite doen om iets van hen vast te houden. Maar het kan ons wel degelijk iets schelen. Of nu ons kind voor het eerst alleen op de fiets naar school gaat, ons vriendje een tussenjaar neemt en gaat backpacken aan het andere eind van de wereld, een partner op missie gaat in oorlogsgebied, we slaan dat beeld op omdat we rekening houden met de angstige mogelijkheid dat hij of zij misschien wel niet meer terugkeert.

    Wat de aanleiding ook is, het opslaan van zo’n innerlijk beeld is allerminst een neutrale handeling, maar van meet af aan beladen met emotie van welke soort dan ook. Daarmee zijn ook onze opgeslagen herinneringen per definitie gekleurd. Persoonlijk, uniek, niet uitwisselbaar, en valt dus ook niet te controleren of en in hoeverre dat beeld wel klopt met het gegeven dat eraan ten grondslag ligt.

    Onnozel wie zichzelf vertrouwt

    Dergelijke op voorhand gekleurde, beladen en belaste beelden beschrijft De Vos. En wel op zo’n cryptische wijze dat je je als lezer meermaals afvraagt: hoezo herinnering? Is er eigenlijk wel iets gebeurd, of is zelfs dát een illusie? Een onvast gevoel dat nog wordt versterkt door de rafelige, onafgemaakte zinnen. Alsof zelfs de taal aarzelt of deze gebeurtenissen wel echt hebben plaatsgevonden en echt genoeg zijn om te kunnen worden vastgelegd.

    En jij, hoe leef je nu je onbereikbaar bent.
    Denkt nog aan mij, voert kleine riten uit
    rond wat er rest: een schoen, bikini
    die ik ooit, een handgeschreven zoen
    sieren de leegte die ik achterliet.
    Ben ik het uitgespaarde gat in je bestaan.
    Een door jou zelf geschapen vrouw.

    Op enkele verzen na die niet zozeer qua stijl als wel qua diepgang uit de toon vallen – te lollig, te gezocht, te voor de hand liggend – is het merendeel van deze bundel van een toon en inhoud die beklijft. Ook als het boek allang dicht is, blijft men in het eigen hoofd bezig met wat zich daar in de loop der jaren allemaal aan herinneringen heeft opgestapeld, en bevraagt men de betrouwbaarheid daarvan. Was hij wel echt zo knap? Was die vakantie eigenlijk wel zo heerlijk? Heb ik het me niet gewoon verbeeld?

     

     

  • Enig gewicht

    Enig gewicht

    De laatste weken was ik nogal uithuizig, voldeed aan wat anderen van mij verwachtten (betwijfelde of ik het wel goed deed) waardoor ik veel uit het oog verloor. Weer thuis hing ik verveeld rond, als een kind op een vrije middag dat niemand te spelen vindt. Ik was vergeten dat er ergens een lijstje was waarop: ‘doelloosheid’ → ‘boekenkast’, staat. Dat ik mijn ogen als een wichelroede langs de boeken beweeg tot, pats!, het juiste boek in trillende vreugde mij in de handen springt. Nou ja, zoals je vroeger langs de boeken in een boekwinkel ging, of bibliotheek. Geen auteursnaam op een briefje, geen titel in je kop, maar wat je van de boekenschappen trok, leidde altijd naar iets van betekenis. In Walt Whitman’s Oud ben ik en jong ben ik, zoek ik naarstig naar overeenkomsten, een oorsprong van alles zodat ik de diepte weer voel. Alsof anderen het allemaal voor je kunnen oplossen (dat wens je toch?). Walt Whitman (1819-1892) debuteerde in 1855 met Leaves of Grass, de uitgave bekostigde hij zelf (wat in die tijd nog niet zo’n ding was, want niet iedereen dacht toen dat ie schrijven kon). Dagboekfragmenten en losse aantekeningen liet hij in 1882 drukken. Gebrek aan samenhang van die fragmenten wilde hij laten voor wat het was. En hij had gelijk, want, ‘Het resultaat zal hoe dan ook een fase in het menselijk bestaan illustreren’. 

    Steeds opnieuw moet ik mij een weg vinden om te herinneren wat ik mij gesteld heb. Whitman herinnert zich Edgar Allan Poe, toen hoofdredacteur van The Broadway Journal waarin een artikel van hem geplaatst was. ‘Poe was heel hartelijk, op een bedaarde manier, en maakte een welvarende indruk naar voorkomen en kleding enz.’ Hier komen twee levens samen waar ik beiden, los van elkaar, weet van had. Ik raak onder de indruk van Walt Whitman, die naast natuurliefhebber, humanistisch geestelijk verzorger ‘avant la lettre’ was. Als vrijwilliger brengt hij zijn dagen door in militaire hospitalen  in Washington tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Hij kwam er terecht nadat zijn broer George als officier van het 51ste regiment vrijwilligers van New York, ‘ernstig gewond was geraakt (eerste slag bij Fredericksburg op 13 december 1862).’ Dit schrijf ik zo volledig op omdat mijn jongste zoon op 13 december geboren werd. Voortaan zal ik op zijn verjaardag aan de slag bij Fredericksburg Virginia denken, aan Walt Whitman.

    Whitman beschrijft wat hij aantrof bij het veldhospitaal bij Fredericksburg. ‘Buiten, aan de voet van een boom, zie ik een berg geamputeerde voeten, benen, armen, handen enz. liggen, een volle vracht voor een eenspans wagen.’ Amoureuze gevoelens worden kort als in een voetnoot genoemd. Zoals bij de Ierse, vrijwillig soldaat Thomas Haley die getroffen door een kogel in zijn longen, binnen drie dagen zal sterven. Whitman ziet hem als ‘voorbeeld van jeugdige fysieke manhaftigheid’. Hij bewondert zijn atletische gestalte, het glanzende haar, zoals ik die zelf ook zou bewonderen. Weet dat schoonheid en gruwelijkheden naast elkaar kunnen bestaan. Dikwijls zit hij zo’n tien minuten aan het bed van de jongen. ‘Och hoe onkundig was hij, arme, reddeloze knaap, van het hart van de onbekende die hem ter zijde zat.’ Whitman schreef niet met het oog op een lezer, hij schreef omdat er een dringende behoefte was te noteren wat hij waarnam. Kom daar nog maar eens om.

     

     

    Oud ben ik en jong ben ik / Walt Whitman / vertaling René Kurpershoek / uitgeverij Van Oorschot (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

  • Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    Mooie bijdragen over schrijvers van toen (en nu)

    In de eerste uitgave van De Parelduiker van dit jaar een herdenkingsstuk van Daan Cartens over Inez van Dullemen (1925-1921). In de rubriek ‘De laatste pagina’, schrijft Cartens over Dullemen als de vrouw die wars was ‘van clichés, vooroordelen, vastgeroeste meningen’. Cartens ontmoette de schrijfster in 1981 voor een interview in Het Vaderland, een Haagse krant die in 1982 ophield te bestaan (ook dat zijn prettige zaken om notie van te nemen). Het werd een openhartig interview waaruit een levenslange vriendschap ontstond. Over haar ontmoeting en leven met Erik Vos, oprichter van het Haagse toneelgezelschap De Appel, schrijft hij dat ze een twee eenheid vormden, ‘de één de muze van de ander, samen reizend door het labyrint van het leven’. Haar roman Het gevorkte beest noemt hij haar kernboek en ‘misschien ook wel haar beste’. Waardoor je deze roman opnieuw zou willen lezen om te herplaatsen binnen haar oeuvre.

    Omgevallen schaap of muizenplaag

    Lodewijk Verduin schreef  een mooi stuk over Anton Koolhaas (1912-1092), schrijver van absurdistische boeken als, Een punaise in de voet, Vanwege een tere huid, Corsetten voor een libel. Het artikel, ‘Dierenmens A. Koolhaas, zijn literaire ontwikkeling in drie en enige keerpunten’, wordt geleid door de vraag waarom Koolhaas als veertiger de stap het schrijverschap in wilde. Verduin herleid zijn vraag naar enkele schrijvers en hun keerpunt, naar ‘een zeker moment dat de inspiratie voor het eerste gedicht schonk, een gebeurtenis die de druk om te (…) publiceren opvoerde.’ Zo zette Gerard Reve zich tot het schrijven van zijn debuutroman, na te zijn aangemoedigd door zijn psychiater, schrijft Verduin. En was het ‘de zaak-Lebak die Eduard Douwes Dekker in Multatuli veranderde’. Ook bij Koolhaas is er een ‘oerscene’, door hemzelf aangehaald tijdens zijn dankwoord bij de uitreiking van de Frans Erensprijs in 1989. Hoe hij als tienerjongen een op de rug liggend schaap ziet: ‘Het was mijn eerste confrontatie met sterven. En in wezen de eerste confrontatie met het verschijnsel LEVEN, dat op het punt staat op te houden.’ Later vertelde hij in interviews dat zijn schrijversschap terug te voeren is op een muizenplaag in zijn kamer in Rotterdam. Met deze geweldige omkering van zaken: ‘Ik was niet de hoofdbewoner die last had van muizen, maar zij vormden de hoofdbewoners die last hadden van een man.’ Verduin haalt ook de relatie met uitgever Geert van Oorschot aan, echt boteren deed het niet tussen die twee. Wel geweldig om te lezen, de duiding van een schrijversschap aan de hand van zijn relaties.

    Singer-songwriter J.H. Speenhoff

    Van Jacques Klöters de bijdrage ‘Koos Speenhoff, voordat hij de heer J.H. Speenhoff werd’. Speenhoff (1869-1945) was de eerste Nederlandse singer-songwriter schrijft Klöters, daarbij was hij een begenadigd tekenaar en publiceerde in beide kunstvormen. Jan Greshoff en Carmiggelt waren liefhebbers van zijn werk, noemden hem ‘een superieure stilist’. Wie kent niet het liedje De schutterij (Daar komen de schutters) en Het broekie van Jantje, of Brief van een moeder aan haar zoon die in de nor zit, die zijn dus van Speenhoff. Klöters beschrijft hoe Speenhoff zich een weg zocht uit de verplichtingen die zijn vooraanstaande familie waaruit hij uit voortkwam, hem oplegde. Zijn hang naar- en vertoeven in de Rotterdamse kunstenaarskringen van die tijd. 

    Marco Entrop schreef over de dichter Andries de Hoghe die ooit één dichtbundel publiceerde, Strofen, die inmiddels tot de canon van de homo-erotische poëzie behoort. Een bundel die in homokringen werd gekoesterd en bewonderd en navolging vond. Zo schreef Het Nederlandsch Wetenschappelijk  Humanitair Komitee in een recensie over de bundel, ‘een bundeltje zuiver homosexueele poëzie, die tot het beste behoort, wat op dit gebied verschenen is’. En schreef dichter Jac. van Hattum een verhaal waarin de bundel het offer voor een mannenvriendschap is. Entrop onderzoekt of Andries de hoghe een poet’s poet was. Omdat de gedichten door P.C. Boutens bezorgd waren en er verder geen sporen van De Hoghe te achterhalen waren, moest het Boutens zelf wel zijn geweest die deze gedichten geschreven had. En was hij dat ook?

    Aankomend biografie Hans Keilson

    Van Jos Versteegen,  dichter en biograaf die op dit moment werkt aan een biografie van Hans Keilson die in 2023 zal verschijnen, het stuk, ‘De feesten en nachtmerries van Hans Keilson’. Keilson was een getormenteerd man, door de oorlogsjaren voor zijn verdere leven onderuit gehaald. Hoewel hij bekend werd in Amerika en ook in Europa succes had als schrijver over zijn leven, maakte dit hem niet gelukkig. “‘Mijn leven is mislukt,’ zei Hans Keilson als bijna honderdjarige tegen een collega-psychotherapeut. ‘Ik heb niets gepresteerd, ik ben niet eens professor geworden.’” Keilson leed aan depressies, en hoewel hij genoot van ‘de aandacht en belangstelling die hij kreeg, kon tegelijkertijd zijn droefenis niet groter zijn.’, schrijft Versteegen. De onvermoede krachten van een mens en hoe daar mee om te gaan. Naar de biografie wordt uitgekeken.

    Verder een ingezonden brief over een kritiek punt in de biografie van Louis Lehmann en een weerwoord daarop van biograaf Jaap van der Bent, zelf. In de rubriek Schoon&Haaks – over publicaties van privé-drukker en marginale uitgevers – bespreekt Jan Paul Hinrichs verschillende uitgaven waaronder een boekje over de laatste levensmaanden van H. Marman, die met zijn vrouw, zwervend door Zuid-Europa, omkwam op volle zee.
    Van Nico Keuning in de rubriek Laagwater ‘Een buurjongen uit plan Zuid’. Over hoe er wordt omgegaan met feit en fictie in een feitelijk verslag van Heere Heeresma in Kaddish voor een buurt, radiogesprekken die Anton de Goede met Heeresma voerde. Keuning biedt hier een inkijkje die verder reikt dan de neus lang is. Het credo wie schrijft die blijft, geldt hier volop, al zijn er derden voor nodig die schrijvers naar voren te halen. Gelukkig is daar De Parelduiker, die van elke lezer een literatuurvorser maakt.

     

     

  • Gestolde vrouwenlevens

    Gestolde vrouwenlevens

    Debuteren schijnt een vak apart. De kans op afwijzing was altijd al groot, maar werd groter vanwege de toegenomen aanvoer van manuscripten in de coronatijd. Sommige uitgeverijen kondigden om die reden zelfs een manuscriptenstop af. Dat echt talent desalniettemin wel komt bovendrijven blijkt uit het overtuigende debuut De Geliefden van Willemijn Kranendonk (1994).

    De eerste helft van het boek gaat over Jacqueline. In de intrigerende proloog loopt ze in de vrieskou blootsvoets rond in de tuin van het huis dat ze van haar vader heeft geërfd en dat nu verkocht is. Ze begeeft zich bewust op het dunne ijs van de vijver, zakt erdoorheen, strekt zich languit uit in het ijskoude water en vraagt om vergeving. Het daaropvolgende eerste hoofdstuk begint met de eerste dag van het pensioen van Jacqueline. Alhoewel ze haar droombaan inclusief fraaie mantelpakjes en een dure Range Rover had, vond ze het werk hoofdzakelijk saai.

    Ze heeft geen idee hoe ze haar tijd moet gaan vullen. ‘Wat doet een alleenstaande vrouw van zesenzestig met haar tijd? In mijn hoofd maak ik een lijst. Ik kan koekjes bakken, lezen, puzzelen, naar buiten kijken, een wandeling maken. Ik kan lunchen met vriendinnen, een cursus landschapschilderen volgen, ik kan een cruise maken over de Nijl, een huis kopen aan de Costa Brava.’

    Onvriendelijk en onbeholpen

    Jacqueline is niet bepaald slank en maakt een wat onbeholpen en soms zelfs onvriendelijke indruk. Ze blijkt weinig sociale contacten te hebben. Julia, een jonge vrouw, helpt haar met het huishouden en met inpakken vanwege een aanstaande verhuizing. Vriendin Neeltje is vooral humeurig omdat Jacqueline haar voorname huis heeft verkocht en verder bij haar vandaan gaat wonen.

    Jacqueline denkt veel terug aan haar jeugd. Haar moeder is overleden toen ze nog jong was en ze heeft het gevoel dat haar vader haar daarvoor verantwoordelijk hield. Ze heeft zich door hem nooit geliefd gevoeld. Tijdens het opruimen van allerlei dozen vindt ze een stapeltje brieven van ene Rosa, maar wie dat is wordt niet direct duidelijk. Vanwege de proloog is het personage van Jacqueline heel interessant, omdat de vraag waar ze vergeving voor vroeg in je achterhoofd blijft zoemen.

    Na haar verhuizing kan ze haar draai niet meer vinden, ze blijft soms hele dagen in bed liggen. Julia en Neeltje maken zich zorgen om haar en daarom neemt ze contact op met ene Erik, die op een briefje bij Albert Heijn aanbiedt mensen te helpen om hun ziel en lichaam echt te leren kennen. Erik is een zelfbenoemde coach die alles behalve professioneel te werk gaat  en Jacqueline is zijn eerste en enige klant, maar desalniettemin helpt hij haar om het leven weer onder controle te krijgen, hetgeen grappige scènes oplevert. En dan, halverwege het boek, wordt Jacqueline gebeld door Rosa en pas dan worden de contouren duidelijk van waarom het boek De geliefden heet.

    Communes

    Rosa blijkt namelijk de jeugdvriendin en geliefde van Jacqueline te zijn geweest. Ze heeft jarenlang door Europa gezworven en in een soort zelfvoorzienende communes met holistische visie geleefd. Iedere keer ging het na een paar maanden mis omdat ze haar draai niet kon vinden en trok ze weer verder naar een volgend land. ‘Zodra ik de keuze maakte om te vertrekken, splitste ik mijzelf op. De ene Rosa bleef achter, de andere ging een nieuw leven tegemoet. Ik zou alle Rosa’s op willen zoeken, ze de hand schudden, een aai geven.’
    Rosa blijkt een minstens even eenzaam leven te hebben geleid als Jacqueline. Haar ouders en zussen in Nederland hebben altijd moeite gehad met haar geaardheid en ze heeft net als Jacqueline nooit een langdurige relatie met iemand opgebouwd.

    Juiste keuze

    Na het telefonische contact tussen Rosa en Jacqueline krijgen de twee vrouwen voorzichtig weer contact met elkaar. Ze ontdekken dat ze zich allebei hun hele leven hebben afgevraagd of ze indertijd wel de juiste keuze hebben gemaakt, Jacqueline om in Nederland te blijven en hard te werken en Rosa om te vertrekken en een zwervend en sober bestaan te leiden. Ze zijn altijd aan elkaar blijven denken. Over in hoeverre er na al die jaren nog voldoende basis is om hun relatie van vroeger alsnog te continueren blijft Willemijn Kranendonk gelukkig een beetje vaag, alhoewel er ruim voldoende aanwijzingen zijn die in een bepaalde richting wijzen.

    De geliefden is een mooi gecomponeerde roman. De zorgvuldige opbouw van het boek alsmede de vraag hoe de levens van de vrouwen anders zouden zijn geweest als ze andere keuzes hadden gemaakt zorgen ervoor dat de lezer tot het einde toe geboeid blijft. Beide vrouwen hebben in hun jeugd dingen meegemaakt die invloed op hun levens hebben gehad, maar Kranendonk heeft ervoor gekozen om maar in zeer beperkte mate te psychologiseren rondom die gebeurtenissen, hetgeen wel een beetje een gemiste kans is. De stijl waarin het boek is geschreven leest prettig, is doeltreffend en bij vlagen ook droog humoristisch, bijvoorbeeld wanneer Jacqueline commentaar levert op haar eigen uiterlijk en gedrag. Mooi zijn Kranendonks  omschrijvingen waarin het gaat over gestolde laagjes, van ijs, van slagroom, van sausjes – wanneer je erop let zie je ze steeds terugkomen – als verwijzingen naar de levens van de twee vrouwen die in elkaars afwezigheid in zekere zin ook gestold zijn. Hopelijk gaan we de komende jaren meer horen van deze veelbelovende schrijfster.

     

  • Oogst week 11 – 2022

    Gymnasium. Geschiedenis van een eliteschool

    Vorige week, op de eerste dag van de Week van de Klassieken, verscheen Gymnasium. Geschiedenis van een eliteschool van Diederik Burgersdijk. Het gymnasium bestaat als onderwijsinstelling al sinds 1876 (en zelfs eigenlijk al sinds 1838). Lang kon je alleen via het gymnasium op de universiteit terecht komen. Velen die de school hebben doorlopen voelen zich hun hele leven een rijker mens terwijl critici zich verwonderd afvragen waarom je je hersens zou pijnigen met oude geschiedenis en dode talen.

    Burgersdijk opent zijn geschiedenis met de vaststelling dat het gymnasium, gezien het aantal leerlingen, populairder is dan ooit. Hij dacht aardig thuis te zijn in zijn onderwerp, maar tijdens zijn onderzoek ging toch nog een wereld voor hem open: ‘De geschiedenis van het onderwijs is eindeloos: tienduizenden gymnasiasten hebben de afgelopen decennia (en evenzovele in de voorbije eeuwen) examens afgelegd in een van de vormen die het klassiek onderwijs heeft gekend, van Groote School tot Latijnse school en gymnasium. Elk van hen koestert zijn of haar herinneringen, sommigen schreven die op, anderen hebben een diepgravende kennis of ervaring met het onderwerp. Van dat alles heb ik onderhavig boek gemaakt’.

    Gymnasium. Geschiedenis van een eliteschool
    Auteur: Diederik Burgersdijk
    Uitgeverij: Athenaeum

    Als je ze kent

    Na de poëziebundel Nova Zembla uit 2013 verscheen in 2014 het verhalendebuut van Fieke Gosselaar, Tussen de anderen, een bundel waarvoor ze putte uit haar ervaringen bij de rechtbank in Leeuwarden waar ze werkt. Ze gaan over mensen die buiten de boot (dreigen te) vallen, vaak zonder dat ze daar veel tegen kunnen doen. Ook in haar zojuist verschenen roman Als je ze kent staan weer gewone mensen centraal die terecht komen in situaties die hun leven onzeker maken: schulden, verslaving, eenzaamheid. En de schrijnende armoede als gevolg daarvan:

    ‘Bij de kassa moet ik 10 euro 74 afrekenen en dat valt me tegen, ik wilde op 10 euro uitkomen of in ieder geval met het croissantje erbij onder de 10 euro 50 blijven. Als ik de winkelwagen heb teruggebracht, besluit ik bij de uitgang toch mijn boodschappen na te rekenen. Een man voor me koopt een slof sigaretten en een kraslot met zilverkleurige klavertjesvier. Hij blijft naast me aan de balie staan krassen als ik aan de beurt ben. Zijn duimnagel is vergeeld door het roken en is te lang om netjes te noemen.
    “Mijn bon klopt niet,” zeg ik. “Ik kom uit op 10 euro 52, terwijl ik 10 euro 74 moest betalen.” De kassabon leg ik voor de caissière neer.’
    Gelukkig ontmoet Nora, de ik-figuur ook mensen die daar de schouders niet voor ophalen. Het levert gewone en toch bijzondere ontmoetingen op.

    Als je ze kent
    Auteur: Fieke Gosselaar
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    Het licht aan het eind van de loop

    De nieuwste roman van regisseur en schrijver Martin Michael Driessen (bekend van de veelgeprezen romans en verhalen Vader van God, De pelikaan en Rivieren) valt onmiddellijk op door zijn omslag. Daarin zit rechtsboven een prachtig vormgegeven kogelgat. Titel: Het licht aan het einde van de loop. Driessen kruipt in dit boek in het lichaam van die kogel. Hij stelt zich in de eerste zinnen voor: ‘Ik sta rechtop in een kartonnen doosje, in het gelid met negen collega’s. Het is donker, we bevinden ons in het nachtkastje van een tandarts in Palm Beach. Alleen als de la niet helemaal goed is dichtgeschoven, wat soms voorkomt als Asuncion heeft gepoetst, zien we een smalle streep fel zonlicht (…) Henry noemen we de Colt .38 die de la met ons deelt en voor wie we zijn bestemd. Hij is zwaar en zwijgzaam, nogal nors gezelschap eerlijk gezegd. De meeste revolvers beschouwen zich als min of meer superieur aan hun ammunitie. Maar wij hebben onze eigen trots; zonder ons zouden zij immers betekenisloze mechanieken zijn.’
    Henry ligt met de kogels te wachten. Waarop? Wie is of zijn het doelwit? Op wie zullen ze gericht worden? Wat zal het effect zijn? Voldoende vragen voor een spannende ‘Autobiografie van een kogel’.

    Het licht aan het eind van de loop
    Auteur: Martin Michael Driessen
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Niet altijd herkenbaar maar met liefde getekend

    Niet altijd herkenbaar maar met liefde getekend

    Zoals er mensen zijn die de titel noteren van de boeken die ze hebben gelezen, zo noteert schrijfster Nicolien Mizee in opschrijfboekjes de namen van vogels die ze heeft gezien. Soms ingefluisterd door haar man Rob, een fervent vogelaar. Sterker nog: ze schrijft niet alleen de vogelnamen op, maar ze tekent ze met kleurpotlood ook na, aan de hand van een vogelgids. En ze geeft er ook nog eens korte beschrijvingen bij. Zelf vindt ze, dat ze niet kan tekenen. ‘Die vogels van mij leken nergens op’, schrijft ze. Maar ook, ‘de ogen waren mij geopend’. En daar gaat het primair om, en zoals het veel mensen in coronatijd overkwam. Vogelbescherming Nederland spon er garen bij. ‘God zegene de stilte van de lockdown’ schrijft Mizee nadat ze de grote lijster heeft gehoord.

    Oké, technisch zijn de tekeningen lang niet allemaal geslaagd te noemen. Dat hoeft ook niet, want Mizee is natuurlijk vooral schrijfster. Maar het zijn wel tekeningen die aandoenlijk zijn. Neem die grote zaagbek met als het ware een waterhoofd en een te klein uitgevallen lijf, of een Nijlgans die wel vetgemest lijkt, of een platgewalste wilde eend. Zelf verzuchtte ze: ‘Zo’n mooie, metallic vogel – en nou teken ik hem zo lelijk!’
    Mizee is eerlijk, ook over welke vogels haar hart hebben gestolen en welke niet; de merel is haar lievelingsvogel, terwijl ze ook kuifvogels (kuifeenden, kuifmezen, reigers, kieviten) fraai vindt. De bergeend vindt ze weer niet zo mooi en de meerkoet zelfs lelijk.

    Leuk zijn de korte teksten bij de soms toch werkelijk wél goed gelukte tekeningetjes. De verontschuldiging is op zich ook leuk: ‘Deze heb ik van Lars Jonsson nagetekend en die maakte de vogels altijd wat boller, omdat Lars een Zweed is. In Zweden is het kouder dan hier, dus die vogels zetten hun veren op.’ Mooi geslaagd is een slechts schetsmatig weergegeven kleine zilverreiger, ja: een kuifvogel. Misschien schuilt in de beperking toch ook hier de meester?

    We lopen mee met Nicolien, Rob en op een gegeven moment ook een logé, Robinson – of is dit zo’n leuk Mizee-grapje en is het ‘gewoon’ Rob? Zo zitten er meer leuke dingen in de tekstjes, want waren die ooievaars langs de snelweg naar Den Haag wel echt (vast!), of was het gewoon de ooievaar in het wapen van ’s-Gravenhage?
    Geestig is ook die ene vogelbeschrijving zonder tekening: de balts van een houtsnip speelt zich namelijk af in de lucht, en niet op de grond waar Mizee naar zat te turen.

    Het is geen boek om onderweg mee te nemen om vogels te leren (her)kennen; de ekster is bijvoorbeeld in verhouding zó klein uitgevallen, dat dit beslist niet zou lukken. Maar dat doe je denk ik ook niet met de recent verschenen facsimile met vogeltekeningen van Peter Vos: 333 Vogels. Laten we wel zijn: Vos is een geschoold tekenaar, Mizee niet. Hij ging naar Artis, Mizee ging de natuur in en tekende met veel liefde. En dat bepaalt de waarde van de getekende vogels.

     

     

  • Oogst week 8 – 2022

    De ploegscharen van Deik

    De ploegscharen van Deik is de nagelaten debuutroman van Scotty Gravenberch (1970-2020). Gravenberch was op de eerste plaats schrijver, meldt zijn broer in de Volkskrant van 9 september 2020 na Gravenberchs overlijden. Hij schreef gedichten, raps en verhalen. Geboren in Den Bosch uit een Nederlandse vader en Surinaamse moeder ging hij na de middelbare school in militaire dienst, waarna hij besloot filosofie te gaan studeren en had vervolgens allerlei banen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij werkte bij verschillende culturele instellingen, was onder meer redacteur bij het televisieprogramma Het Blauwe Licht en daarna presentator van het programma Propaganda.
    In 1998 publiceerde hij Sinterklaasje kom maar binnen zonder knecht samen met activiste Lulu Helder en stond daarmee aan de wieg van de huidige zwartepietendiscussie.

    In 2018 verscheen een voorstudie van De ploegscharen van Deik in de Revisor. Nu heeft uitgeverij Jurgen Maas de roman uitgegeven. De hoofdpersoon is een televisiepresentator van het ochtendjournaal. Zich bewust van zijn eigen paranoïde trekjes begrijpt hij nauwelijks dat mensen alles geloven wat hij als journalist voorleest. Als hij dronken fulmineert tegen doofpotten, complottheorieën, politiegeweld en opgejaagde journalisten en uiteraard de zwartenpietendiscussie gaat deze opname viral en wordt Deik het middelpunt van maatschappelijke polarisatie. Hij vlucht weg van de wereld en wil zich bevrijden van hypocrisie en leugens. Vanuit een kelder schrijft hij over uitsluiting en verzet. ‘De geschiedenis mept ons allemaal in het rond, sommigen harder dan anderen,’ zegt Gravenberch bij monde van Deik.

    De ploegscharen van Deik
    Auteur: Scotty Gravenberch
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Geluksvogels

    In 1922 stelde Luigi Pirandello zich ten taak één verhaal voor elke dag van het jaar te schrijven. De eerste novelle ging terug tot 1894, het jaar waarin hij trouwde. Toen hij stierf in 1936 had hij voor dit project 246 verhalen geschreven. In Geluksvogels is een aantal van deze novellen samengebracht.

    Pirandello had een groot psychologisch inzicht. Dat, gepaard aan – soms donkere – humor en mededogen met de mens, maakt hem tot een veelzijdige schrijver. Die veelzijdigheid is terug te vinden in Geluksvogels. De verhalen zijn onder te verdelen in surrealistisch, Romeins en Siciliaans. Zo laat hij een geëxalteerde actrice het tegen een vleermuis opnemen, toont hij Romeinse saaiheid en  kleinburgerlijkheid en maakt hij van Siciliaanse boeren groteske personages die tegen de kerk strijden. Zijn beschrijvingen van het landschap grenzen soms aan het hallucinerende.

    Pirandello schreef toneel, poëzie, romans en verhalen. Hij is vooral bekend om zijn roman Iemand, niemand en honderdduizend, een ironisch maar ook humoristisch boek. In 1934 ontving hij de Nobelprijs voor literatuur. Hij is nog steeds actueel. Onderzoek naar Pirandello en zijn werk wordt onder meer gedaan door Studio di Luigi Pirandello in Rome en de Luigi Pirandello Stichting aan de KU Leuven.

     

    Geluksvogels
    Auteur: Luigi Pirandello
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Jouw afwezigheid is duisternis

    De IJslandse schrijver Jón Kalman Stefánsson wordt een unieke vertelstem toegedicht, een die zweeft tussen poëzie en proza. Maar hij is meer dan dat, de stem getuigt ook van groot realisme, met details die de gebeurtenissen zich voor je ogen doen afspelen. En hij beschikt over een laconiek gevoel voor humor:
    Als de hoofdpersoon van Jouw afwezigheid is duisternis in een plattelandskerk naast een kleine fjord in IJsland wakker wordt, kan hij zich niets van zichzelf herinneren en weet hij niet wie hij is. Omkijkend ontdekt hij achter zich een man, aan wie hij vraagt: ‘Bent u soms de predikant van deze kerk?’ waarop de man antwoordt: ‘Alleen maar dat ik hier zit, maakt dat mij tot predikant? Ben je dan een bisschop omdat je dicht bij het altaarstuk zit? Ben ik een buschauffeur als ik naast de bus sta, een dokter als deze kerk een ziekenhuis zou zijn, een misdadiger of een bankdirecteur als we elkaar in een bank waren tegengekomen? En als ik dit allemaal zou zijn, hoelang ben je wat je bent, want verandert het leven niet constant wat je bent, dat wil zeggen, als je redelijk in leven bent – wanneer hou je op predikant of misdadiger te zijn en word je iets totaal anders? […] Wanneer heet iemand Dingdong of Snuffel en wat is een betere naam?’ Daarna gaat hij nog even filosofisch door.

    Even later wordt deze man de gids van de hoofdpersoon met wie hij op zoek gaat naar diens verleden. Tijdens de reis ontvouwt zich de wonderbaarlijke wereld van een fjord in IJsland. Onderweg ontmoeten ze opmerkelijke personages. Een kapitein is gefascineerd door Kierkegaard en weet alles over de filosoof, een dominee correspondeert met een Duitse dichter die allang is overleden en een vrouw op het platteland schrijft een artikel over regenwormen. Bij Stefánsson zijn gewone mensen veel interessanter en ook complexer dan ze op het eerste gezicht lijken.

     

    Jouw afwezigheid is duisternis
    Auteur: Jón Kalman Stefánsson
    Uitgeverij: Ambo Anthos
  • Niet de feestjes

    Niet de feestjes

    Niet de vrolijke feestjes, de picknicks en slaapfestijnen, maar het niet gehoord worden, de afwijzing, onverwachte klappen, is wat ons van kinds afaan vormt. En wat je daar later mee moet: treed je in de voetsporen van je opvoeders of trek je de stekker eruit en ga je jezelf opnieuw in elkaar zetten? Dat is wat Iggy tracht te doen in de roman Baksteen. Haar vader, ook wel de driekoppige hond genoemd, ‘Die zomaar, (…)  uit het niets begon te slaan, je op de grond gooide. Net als je dacht dat er niets aan de hand was, je iets deed of zei en hup, daar lag je weer.’ De man leed aan het syndroom van Korsakov. In haar vorige boek, Confituurwijk, was ook sprake van een alcoholistische vader. Die pleegde zelfmoord en liet zijn dochter achter met enkel een blokfluit en een kat die haar  vergezelden naar een nieuw honk. Waar het overleven begon.  

    In Baksteen sterft de vader tijdens een operatie en is het de dertigjarige Iggy die in de overlevingsstand staat. Ze slaapt met het licht aan, ramen open (de verstikking). ‘Dagelijks dendert de vrijheid voorbij, maar ik mankeer de juiste bouwstenen om er iets mee aan te vangen.’ Er wordt ingezoomd op de vader, zijn dictatoriale aard, zijn hang naar de DDR. In 1989 is hij op de Potsdammer Platz als de muur valt. Zijn dochters zijn vernoemt naar popsterren, Iggy (Iggy Pop) en Pink (Pink Floyd). Hij wil ze tot schaakmeesters drillen, leert ze ijzeren disciplines (Seid bereit? Immer bereit)

    De geest gaat altijd en onvermijdelijk op zoek naar het hoe en waarom van de dingen, betekenis willen zien in wat ons is overkomen. Op haar tiende weet Iggy dat ze ervoor moet zorgen geen slachtoffer te zijn. Ze waant zich Matilda uit het boek van Roald Dahl, die op het juiste moment over de juiste krachten bezit om het onheil af te wenden. Als ze in een vakantiekolonie wordt aangerand door de begeleiding, laat Matilda natuurlijk verstek gaan.

    Iggy denkt aan de schrijfster Tove Ditlevsen, die een evenzo donkere jeugd beleefde. Ditlevsen schrijft dat een donkere kindertijd blijft huilen en klagen als een diertje dat opgesloten zit in een kelder. ‘Hij ontsnapt uit je keel als je adem in de kou, en soms is het te klein, dan weer te groot. Hij past nooit precies. Pas als hij ooit is afgeworpen als een dierenhuid, kun je hem in alle rust bestuderen en erover praten als een ziekt waarvan je bent genezen.’ Iggy ervaart haar kindertijd als een ‘chronische ziekte’ waar ze nooit vanaf zal komen. Tot ze na de dood van haar vader twee grote zakken met bakstenen van een afgebroken muurschildering voor haar deur vindt. Het wordt een onvermijdelijke zoektocht naar wie haar vader eigenlijk was. Een zoektocht waarbij ze  zichzelf vindt.

    Vindevogel schrijft zinnen die overdonderen, in één zin breekt ze een wereld aan belevingen open. En wat een prachtige(overwinnings-) laatste passage van dit boek. Ik denk aan de veertigduizend kinderen in Nederland die tijdens de lockdown te maken hadden met huiselijk geweld, emotionele verwaarlozing, dat nog meemaken. Die wens ik net zulke gebalde taal toe als Vindevogel bezigt. Taal waarmee je een getroebleerde jeugd in kaart brengt. Of geef ze in ieder geval dit boek.

     

     

    Baksteen / Femke Vindevogel / 211 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.