• Veelomvattend debuut over aardige jongens en een raadselachtige foto

    Veelomvattend debuut over aardige jongens en een raadselachtige foto

    De debuutroman Het objectief van Martien van Agtmaal is goed geschreven, doet je regelmatig (grim)lachen en laat je als lezer achter met de nodige vragen en onzekerheden, zoals dat hoort bij goede literatuur. Centraal staan de stad Amsterdam en drie dertigers die tijdens een ijskoude februarinacht in 2012 een door drank doordrenkt feest vieren. Alcohol, hun vriendschap, hun relaties, anti-burgerlijkheid en jeugdig enthousiasme bepalen sfeer en inhoud van slechts één nacht. In vliegende vaart dat wel, want er moet groots, meeslepend en voorwaarts geleefd worden.

    De drie protagonisten zijn David, Brecht en Reaux (Robert). Aardige jongens, maar met praatjes als hemelbestormers en met uitvretertrekjes. Brecht heeft een baantje onder zijn niveau bij een bedrijf dat elektrische stepjes verhuurt, Reaux werkt in een kringloopwinkel, de ‘kapitalistische ode aan bezit’. ‘De best bestede tijd is verprutste tijd’, is zijn adagium. David heeft weliswaar een docentenbaantje aan de universiteit maar hij wordt daar ontslagen. De vraag is hoe erg hij dat vindt, want diep in zijn hart wil hij wellicht als een Bavink liever kunstenaar zijn.

    Het verhaal beschrijft een etmaal in de hoofdstad als het fictieve traditionele Nachtrustfeest gevierd wordt. Het wordt chronologische verteld, maar regelmatig onderbroken door verduidelijkende flashbacks, bijvoorbeeld naar Davids jaar aan de fotoacademie in Montpellier. Simultaan wordt Jessica in Afrika gevolgd, zij werkt daar voor Artsen zonder Grenzen, en Alexia, die met vriendin Noor net als de drie jongens ’s nachts door de ijskoude, feestende stad trekt. Zij heeft zowel David als Reaux ooit kort eerder ontmoet. David vat op deze avond door een herinnering aan haar een hevig verlangen naar haar op.

    Foto

    Davids belangrijkste kunstproject in zijn jaar in Montpellier was een serie foto’s van mensen in wie en waarin het ogenblik gevangen wordt. Hij fotografeerde voor dat project verstoord opkijkende mensen. Eén foto is leidend in het boek en in Davids handel en wandel, namelijk het portret ‘de voorbijganger’. Als hij zijn foto’s terug in Nederland bij de universiteit mag exposeren, blijkt een bezoekster er van onder de indruk. Ze vindt de foto van de roodharige man met sproeten ‘erg sterk’ en ziet dat hij over macht gaat. Een jaar later, op de dag van het Nachtrustfeest, herinnert David zich deze vrouw en haar naam. Ze heet Alexia en David ‘voelt’ dat hij haar moet zoeken en haar het portret moet gaan geven. In de nachtelijke queeste naar Alexia sleept hij de ingelijste foto in zijn rugzakje mee, kou, sneeuw en drukte trotserend, in de heilige overtuiging dat hij haar zal treffen en dat er dan nog meer in het vat zal zitten. Er is trouwens nóg iemand die wordt geraakt door het portret, namelijk bijfiguur Sydney, een androgyne spillebeen. Hij heeft er veel geld voor over, maar David verkoopt de foto niet. Wie is de geportretteerde, vraag je je als lezer tot dat moment af? En: gaan David en Alexia elkaar treffen?

    Vriendschap en liefde

    Vriendschap is een ander belangrijk thema in het boek. Vriendschap, is dat niet vooral ‘een beetje op elkaar passen?’, vraagt Brecht zich af. Of ze echt zo goed op elkaar passen kun je je afvragen. Wat ze wel doen is samen optrekken tijdens deze laatste februariavond waarop in de stad het Nachtrustfeest gevierd wordt. Eufoor viert Brecht hun gezamenlijkheid, het markeringspunt van het nu in hun geschiedenis, in een moment dat er echt toe doet. ‘Jong, gezond, blakend van zelfvertrouwen, mooi dus, gretig, alert.’ Maar onder hun vrije en onbeperkte leven gaat de nodige eenzaamheid schuil, dat is in alles voelbaar en merkbaar.

    Brecht ziet David, die volgens hem de neiging heeft zijn vrienden soms als ‘vijandelijke linie te beschouwen’, als de zwakste schakel. Duidelijk is dat David het meest uitgevreten wordt, de rekeningen betaalt, de biertjes koopt. Brecht en Reaux gaan soms als een stel met elkaar om vindt David op zijn beurt. ‘Jullie lijken wel verliefd.’

    Liefdesrelaties gaan deze jongens niet aan voor de eeuwigheid. Dat past absoluut niet in hun antiburgerlijke houding: ‘[…] je eigen vreten verdienen en als je je zaad niet bij je kunt houden ook dat van een paar anderen’ is een nachtmerrie en een ‘eindstation van dromen en ambities’. Het zijn dertigers van deze tijd die ageren tegen de ‘scheefwoners versus [de] woninglozen […] de jongen tegen de ouden’, die de revolutie prediken en een vaste baan als een vernedering beschouwen.

    Vele motieven

    Van Agtmaal speelt met vele motieven. Sommige lijken enigszins gezocht, zoals dat van de trein: het ‘eindstation’, de trein die zonder spoorboekje door een dal van rituelen uit voorbije relaties rijdt, de trein naar Den Haag als beeld voor vele alcoholische versnaperingen, ‘de machinist’ (de manipulatieve ex van Alexia), Davids gedachten die het treinspoor naar ontraadseling van praktische mysteries volgen en wielrenners die in een treintje langs sjezen. De onderwaterwereld, onder andere verbeeld in de kwal op de blauwe omslag van het boek, is een motief dat een zwaardere lading draagt, omdat het in deze roman met de dood flirt. ‘Als je helemaal kopje onder bent, voel je niet meer dat je in het water zit. Niets voelt dan nat’ zegt Brecht nadat hij uit bad komt. Dat klopt, ervaart David later.

    Het poezenmotief is grappig en aardig bedacht voor wat betreft Jessica die vanuit Afrika dankzij een tracker haar abessijn in Amsterdam kan volgen – zoals de lezer de jongens volgt in hun nachtelijke trek door de stad – maar het is wat gezocht voor wat betreft alle andere poezen die langskomen. De roman wemelt ook van de intertekstualiteit. Er is een Vasalisproject in de Zuiderzee, een originele rol voor Mulisch bij het monument op de Dam en Kloos komt langs als Alexia zich in haar allerindividueelste emotie ‘een godin in het diepst van haar gedachten’ noemt.

    Die overvloed aan motieven is misschien de enige kritiek op dit knappe debuut. De schrijver vertelt in een interview dat hij veel heeft geschrapt, maar dat hij zijn personages beter wilde leren kennen en om die reden ‘ontstellend veel’ over ze is gaan schrijven. Beide is gelukt in de bij tijden absurdistische roman Het Objectief. Het is een lezenswaardig, aanstekelijk en intrigerend debuut dat leest als een trein.

     

     

  • De vallei als een soort personificatie van Dante’s hel

    De vallei als een soort personificatie van Dante’s hel

    De jonge Italiaanse schijfster Ginevra Lamberti heeft in haar laatste, zojuist vertaalde roman, Iedereen slaapt in de vallei, een naargeestig beeld geschapen van het leven van mensen in een vallei in Italië, waar zelfs de zomer het aflegt tegen de kou. ‘Alleen in de uren dat het stopt met regenen kun je even de illusie hebben dat je botten de kans krijgen om warm te worden.’ Deze sombere gedachte komt op in het hoofd van Costanza, die in de vallei opgroeit in ‘het grote gele huis’ in een niet nader genoemd dorpje in de provincie Veneto. 

    In deze roman heeft niemand een achternaam. Een verklaring hiervoor biedt de schrijfster in haar dankwoord met de veelzeggende zin, ‘een achternaam wil zeggen dat je bij iemand hoort.’ Het staat er zo droogjes, maar er is geen woord van gelogen. De personen in dit boek lijken allemaal nergens bij te horen, geboren onder de doem van het ongeluk, die hun leven naargeestig en donker maakt. Ze zijn veelal eenzaam en hebben geen echte binding met hun familieleden. 

    Contactarme omgeving

    Costanza is de dochter van Augusta en Tiziano. Van Augusta wordt verteld dat ze zoveel nare dingen heeft meegemaakt dat ze ‘niet meer in staat was om wat dan ook te voelen.’ Als Costanza wordt geboren, is ze niet eens in staat haar kind aan te kijken, laat staan aan te raken. Van de overigens niet kwaadaardige vader Tiziano wordt gezegd dat hij het talent heeft om mensen het zwijgen op te leggen door  hen alleen maar aan te kijken. In deze contactarme en liefdeloze omgeving groeit ze op. Geen wonder dat ze maar een ding wil: zo snel mogelijk vluchten uit deze hel.

    Na allerlei omzwervingen komt Constanza in contact met Claudio, een Romeinse jongeman die nooit antwoord kreeg op de vraag, ‘waarom komt papa niet terug?’ Ook Claudio heeft geen binding met zijn ouders en voelt zich vaak eenzaam. Hij komt in de drugsscene terecht als zware gebruiker en dealer. Hij is wat je zou noemen een smiecht, een onbetrouwbaar mens, maar omdat hij zo charmant en positief is, vergeef je hem veel.

    Claudio en Costanza krijgen een kind. Gaia wordt geboren in het grootste afkickcentrum van het land waar haar vader probeert af te kicken en haar moeder werkt. De bevalling is voor haar moeder één groot drama. Gaia is het kind van mensen die geworteld zijn in hun eigen eenzaamheid. Die zijn opgegroeid zonder ooit gehoord te zijn, aan wie altijd alles ontkend is, die nooit hebben leren spreken over wat hen bezighoudt. Die door hun omgeving in het ongewisse zijn gehouden en geen klankbord hadden. 

    De zon laat zich weinig zien

    Claudio heeft aan Gaia wel iets nagelaten, namelijk het talent om overal een vrolijke draai aan te geven. Begin en eind van een verhaal wordt door hem zo gekozen dat de mensen er om moeten lachen. Maar veel om te lachen is er niet in dit boek. De schrijfster vertelt tientallen scenes uit het leven van deze ongelukkige mensen. Schrijfster Ginevra Lamberti is evenals het personage Gaia geboren in een afkickcentrum. Maar het is geen autobiografische roman of een historisch verhaal over de geschiedenis van haar familie. Het gaat hier om een autofictieve roman opgebouwd uit tientallen hoofdstukken, die je kriskras door de tijd heen voeren. Geholpen door een jaartal boven ieder hoofdstuk en twee stambomen die voorin het boek staan afgedrukt. Er ontstaat stukje bij beetje een beeld van een gemeenschap en een familie waar van alles mee mis is, levend in een vallei  waar de zon zich ’s morgens heel even laat zien en ’s avond weer vroeg achter de bergen verdwijnt. Lamberti verwoordt dit heel poëtisch door middel van het beeld dat het begin en eind van de dag ‘altijd onthoofd wordt’. 

    De vallei wordt in dit verhaal een soort personificatie van Dante’s hel, een plaats waar mensen per definitie ongelukkig zijn en elkaar pijn doen, ingeperkt door oude gebruiken, regels van de gemeenschap en voorschriften van de kerk. Een plaats waar de tijd stil staat en waar de jaren nog verlopen volgens een agrarische en traditionele kalender. Een van de regels is dat de kaas op een bepaalde manier moet worden afgesneden. Elke afwijking van de regel wordt beschouwd als een gebrek aan respect. Het fabriceren van de grappa luistert ook nauw. Men volgt een eeuwenoud proces van destillatie. Voor de vertelster is ook dit fabricageproces reden om ongelukkig te zijn. Het gebrek aan liefde in de familie kleurt iedere handeling zwart.

    Slachtoffer van slachtoffers

    In deze roman komt een lijn van geslachten in beeld die droefgeestig stemt. Om het met een heel oude reformatorische uitdrukking te zeggen: ‘De zonden van de vaderen worden bezocht aan de kinderen.’ De veronachtzaming van kinderen, door ouders die zelf ook nooit ‘gezien’ werden, levert opnieuw gemankeerde kinderen op, niet als een straf, maar als een soort natuurlijk proces. Gaia is in deze roman een ‘slachtoffer van slachtoffers’. 

    Een boeiende roman waarin de lezer wordt uitgedaagd en aan het denken gezet. Het is geen eendimensionaal verhaal van A naar Z en vereist wat puzzelwerk. Alleen het einde is helder, maar of het vrolijk is, is niet te zeggen. Gaia vertrekt uit de vallei naar zee, weg uit de verstikkende atmosfeer waarin ze opgroeide. Is ze – in tegenstelling tot haar moeder Costanza en haar grootmoeder Augusta – in staat om een nieuw leven te beginnen, nu ze van het verleden stukje bij beetje een verhaal heeft gemaakt? Dat mag de lezer zelf bedenken.

     

     

  • Oogst week 36 – 2023

    Een kleine weldaad – Alle verhalen

    Raymond Carver (1938-1988) groeide op in armoede en dat is terug te zien in veel van zijn verhalen. Hij was de zoon van een molenaar en een serveerster. Van die vader nam Raymond zijn alcoholisme over. Dat stond aanvankelijk een schrijverscarrière in de weg, ondanks de waardering die hij toen al kreeg van collega’s. Toen hij op zijn veerstigste de fles afzwoer ging het snel. Zijn korte verhalen werden ineens beroemd met befaamde titels als Waar we over praten als we over liefde praten. Ze gaan veelal over het dagelijkse banale leven. Het verhaal Buren begint bijvoorbeeld zo:  ‘Bill en Arlene Miller waren een gelukkig paar. Maar nu en dan hadden ze het gevoel dat zij als enigen van hun kennissenkring op de een of andere manier overgeslagen waren, in de zin dat Bill was blijven steken in zijn boekhouderswerkzaamheden en Arlene nog steeds dezelfde klusjes deed op kantoor. Ze praatten er wel eens over, doorgaans met als contrast het leven van hun buren, Harriet en Jim Stone. De Millers hadden de indruk dat de Stones een voller, sprankelender leven leidden. De Stones gingen uit eten of kregen visite of waren ergens in het land op reis in verband met Jims werk’.
    Uitgeverij Van Oorschot komt nu met Een kleine weldaad. Het zijn alle verhalen van Carver. Tweeënzeventig in totaal, waaronder een aantal dat nooit eerder in het Nederlands verscheen.

    Een kleine weldaad - Alle verhalen
    Auteur: Raymond Carver
    Uitgeverij: Van Oorschot

    De Tijden

    Het schrijversduo Elvis Peeters waagt zich in De Tijden aan een Belgische geschiedenis die zeventig jaar bestrijkt aan de hand van de belevenissen van drie generaties uit één familie, de vader Emiel, de dochter Hannelore en de kleinzoon Matteo. Er komen grote thema’s voorbij die in elk van die generaties een grote rol speelden. De reorganisaties in de landbouw naar de plannen van Sicco Mansholt in de jaren zestig van de vorige eeuw in het leven van boer Emiel, de strijd tegen kruisraketten van punker Hannelore, die niettemin later geld verdient in de reclamewereld, en de klimaatcrisis die Matteo bezighoudt, die niettemin naar extreem-rechts neigt. De roman valt uiteen in drie delen die de namen van de drie familieleden beurtelings als titel hebben en steeds worden ingeleid door een stukje tekst uit een contemporain lied. Bij Emiel is dat ‘You know the feeling of something half remembered / Of something that never happened, yet you recall it well’ van Charlie Parker, bij Hannelore ‘Nothing’s gonna touch you in these golden years’ van Bowie en bij Matteo onder andere ‘Let’s not make it complicated’ van David Guetta. Of die songteksten de inhoud helemaal dekken mag de lezer beoordelen.

    De Tijden
    Auteur: Elvis Peeters
    Uitgeverij: Podium

    Naar zee

    Het zit er dik in dat liefhebbers van de romans Het oude land en Middaguur van Dörte Hansen meteen zullen grijpen naar haar nieuwste roman Aan zee. In die eerste liet ze het idyllische beeld van het platteland flink botsen met de werkelijkheid van vereenzaming en beschadigde mensen. Enigszins dezelfde sfeer heeft Middaguur over de teloorgang van het fictieve boerendorp Brinkebüll in Hanses geboortestreek in het noordwesten van Duitsland.
    Naar zee vertelt het verhaal van de familie Sander die woont op een Duits Waddeneiland. De drie kinderen uit het gezin hebben elk een heel eigen relatie met de zee. Zo vreest dochter Eske die in het verzorgingshuis oud-zeevaarders opvangt het toerisme, terwijl haar broer Henrik er juist aan hoopt te verdienen met zijn kunst, gemaakt van gejutte materialen. De beschrijvingen van Hanse zijn meteen weer herkenbaar, zoals in deze passage over de oudste zoon Ryckmer: ‘Er bestaan op een eiland geen geheimen. Je kunt je niet achter beenderhekken verstoppen als de buren en familieleden al eeuwen de oog- en oorgetuigen van het familieleven waren. Iedereen ziet het als de oudste van Hanne Sander van zijn havenkroegentocht naar huis slingert. Ze horen hoe hij zingt en lacht en vloekt en in de haag van de rimpelrozen kotst. En iedereen weet dat Ryckmer Sander, zoon van Jens en kleinzoon van Henrik, achterkleinzoon van Ove enzovoorts, zich langzaam maar consequent van de commandobrug van een tanker naar een pendelschuit op de Noordzee heeft gezopen. Van kapitein op de grote vaart naar dekknecht, die op een eilandveer door het kustwater tuft en nog een beetje zeebonk speelt voor de toeristen die zich door hem laten opjagen’.

    Naar zee
    Auteur: Dörte Hansen
    Uitgeverij: Harper Collins Holland
  • Oogst week 24 – 2023

    Vlindertje van methusalem. Essays over natuur en landschap.

    In deze rubriek worden ook boeken getipt die al wat langer uit zijn. Zoals Het vlindertje van Methusalem van filosoof en natuurhistoricus Johan van de Gronden dat vorig jaar verschenen is. Het is een prachtige verzameling essays waarin Van de Gronden de weg van zijn speurtochten en onderzoek beschrijft terwijl hij door Midden-Amerika reist en de trek van de bedreigde monarchvlinders zijn aandacht trekt. Deze vlindersoort volbrengt reis van duizenden kilometers en meerdere generaties door rond Allerzielen in Mexico aan te komen. In Zuid-Afrika zoekt Van de Gronden naar de resten van een verdwenen taal en in het Franse Ermenonville overdenkt hij de invloedrijke nalatenschap van de Zwitserse natuurfilosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778).

    Van de Gronden in de inleiding: ‘De essays in dit boek zijn geleidelijk aan tot stand gekomen, terloops ontsnapt aan de waan van alledag. Ze kennen alle een, om eens een medische term te gebruiken, grote latentietijd. Natuurlijk zijn er momenten geweest waarop ik me heb afgevraagd of ik dit ene lucifershoutje nou echt moest afsteken terwijl om ons heen het vuur al hoog oplaaide. Ach, als het vonkje van de verwondering overspringt op een enkeling die even de stilte van het boek verkiest boven het geraas van de wereld, dan is het goed.’

    En dat is waarom wij lezen, dat er een vonkje mag overspringen.

     

    Vlindertje van methusalem. Essays over natuur en landschap.
    Auteur: Johan van de Gronden
    Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep

    Het bouwen van een zenuwstelsel

    In Het Bouwen van een zenuwstelsel een memoirschrijft Margo Jefferson (1947) over de kunstenaars en musici die haar hebben gevormd en waarom die zo belangrijk voor haar waren. Jefferson is sinds de jaren zeventig een van Amerika’s meest gerenommeerde essayisten en critici. In 2015 werd ze vooral bekend door de publicatie van Negroland, haar eerste boek over zichzelf.

    Jefferson groeide op in een witte welgestelde wijk die haar levenshouding bepaalde. In Het bouwen van een zenuwstelsel breekt Jefferson zichzelf eerst af, en bouwt zichzelf vervolgens weer op door haar gelauwerde kritieken te vervlechten met de woorden van overleden familieleden. Ze beschrijft sleutelmomenten uit haar leven, vermengd met gedramatiseerde berichten van mensen die haar vergezelden.  Zo ontstond een remix van haarzelf en herontdekt Jefferson haar identiteit en de vorm van deze memoir.

    In een interview in de Volkskrant zei Jefferson: ‘Wij waren ons er zeer van bewust dat de witte buitenwereld ons scherp in de gaten hield. Het cliché wilde dat zwarte vrouwen uitgesproken sensueel waren en daarnaast geschikt waren voor zwaar werk. Dat wij intellectueel of kunstzinnig zouden kunnen zijn, was totaal ondenkbaar.’

    Het bouwen van een zenuwstelsel
    Auteur: Margo Jefferson
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2022)

    Cannery Row is de straat waar deze roman zich afspeelt en die door Steinbeck wordt beschreven als: ‘een stinkboel, een geknars, een soort licht, een klank, een manier van leven, een nostalgie, een droom. Op Cannery Row ligt alles op een kluitje of verspreid, een en al blik en ijzer en roest en versplinterd hout, brokkelige bestrating en percelen onkruid en schroothopen, keten van golfplaat waar sardines worden ingeblikt, kroegen, restaurants, bordelen, stampvolle kruidenierswinkeltjes, laboratoria en logementen.’

    Cannery Row speelt zich af gedurende de Grote Depressie en beschrijft de belevenissen van een aantal zonderlinge types, zoals de Chinese kruidenier Li Chong, de zeebioloog Doc, de bewoners van het bordeel van Dora en vooral van Mack en zijn jongens, een groep van vier die leeft aan de rand van de maatschappij, zijn eigen wetten en regels stelt en er een bijzondere levenswijze op na houdt.

    Uit Cannery Row: ‘De winkel van Li Tjong mocht dan geen toonbeeld van netheid zijn, het assortiment was een mirakel. Het was er klein en stampvol maar in die ene ruimte kon je alles vinden wat je nodig had of wat er van je gading was: kleren, zowel vers als ingeblikt voedsel, sterkedrank, tabak, visgerei, machineonderdelen, boten, touw, petten, varkenskarbonades. Je kon bij Li Tjong terecht voor pantoffels, een zijden kimono, een miniflesje whisky en een sigaar.’

     

    Auteur: John Steinbeck
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Oogst week 22 – 2023

    Ten oosten van de Middellandse Zee

    Abdelrahman Munif (Saoedi  Arabië, 1933-2004) was journalist en schreef romans, korte verhalen. Zijn literaire werk is sterk politiek getint. Veel van zijn boeken werden in eigen land verboden en in 1963 werd hem het staatsburgerschap ontnomen. In zijn cyclus Steden van zout beschreef hij wat de ontdekking van olie in sociologische en psychologische zin deed met de bedouïenencultuur. Het onlangs verschenen Ten oosten van de Middellandse Zee is de eerste roman van hem die in het Nederlands is vertaald. Hoofdpersoon is Rajab Ismail die elf jaar lang gemarteld wordt in een niet met name genoemd land in het Midden-Oosten. Hij ondertekent onder zware druk een bekentenis, mag naar Frankrijk om zich te laten behandelen en besluit daar zijn memoires te schrijven. Als hij zich daarin ook uitlaat over de mensenrechtenschendingen in zijn land blijkt hoe lang de arm van het regiem is.
    Dat de Nederlandse vertaling er is is bijzonder, want hoewel Munif in het Midden-Oosten erg populair is, is er maar erg weinig van hem vertaald.

    Ten oosten van de Middellandse Zee
    Auteur: Abdelrahman Munif
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Op oorlogspad

    Virginia Cowles (1910-1983) was een Amerikaanse journaliste en reisboekenschrijfster. Ze schreef over mode, maar veel meer over oorlogen. Ze heeft ook enkele biografieën op haar naam staan. Op oorlogspad gaat over de Spaanse Burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog. De Engelse oorlogscorrespondent Christina Lamb vertelt in haar voorwoord een aardige anekdote over Cowles die illustreert hoe luchtig ze soms zware materie kon presenteren.
    Lloyd George had in de Sunday Times een artikel van Cowles over de Spaanse Burgeroorlog gelezen en daaruit geciteerd in het Lagerhuis. Niet veel later vroeg hij Randalph Churchill (zoon van Winston) de auteur van het artikel van wie de naam niet in de krant had gestaan, mee te nemen naar de lunch. Toen Lloyd George haar zag was hij zeer verbaasd dat zo’n mooie Amerikaanse zo gezagvol kon schrijven. Toen hij van de schrik bekomen was liet hij haar zijn kippen, koeien en varkens zien en gaf haar bij het vertrek een pot honing en twaalf appels mee.

    Op oorlogspad
    Auteur: Virginia Cowles
    Uitgeverij: Arbeiderspers

    Hemelsleutel De Brinkkempercollectie van botanica in de Lage Landen

    Wat aan Hemelsleutel De Brinkkempercollectie van botanica in de Lage Landen het meest opvalt zijn de prachtige illustraties. Het boek is een geschiedenis van de botanie in Nederland door wetenschapsjournalist Gemma Venhuizen die als uitgangspunt nam de collectie van Ed Brinkkemper die jarenlang kruiden- en plantenboeken verzamelde vanaf de zestiende eeuw. In het voorwoord schrijft Venhuizen: ‘Op een koude februariavond ontmoette ik Ed Brinkkemper (…) Ik nam de bus van Amsterdam-Noord naar Zaandam en wandelde verkleumd langs de Zaan. Het rook er naar cacao, en even zag ik voor me hoe ik ook thuis op de bank had kunnen zitten, met een kop warme chocolademelk. Maar toen belde ik aan bij Ed Brinkkemper en was ik mijn koude vingers op slag vergeten. Op blote voeten stond hij in de deuropening, dreadlocks tot voorbij zijn middel, een twinkeling in zijn ogen’.

    Hemelsleutel De Brinkkempercollectie van botanica in de Lage Landen
    Auteur: Gemma Venhuizen
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Naarstig zoeken naar zoete nostalgie

    Naarstig zoeken naar zoete nostalgie

    Sipko Melissens nieuwste roman, Arkadia, heeft als ondertitel ‘Een drieluik’. Het pastorale karakter van de boektitel alleen al doet denken aan het drieluik De tuin der lusten van Jheronimus Bosch, vanwege zijn paradijselijke betekenis. Waar Bosch’ meesterwerk de zondaars waarschuwt voor een martelgang in het eeuwige vuur van de hel, houdt Melissen het gezellig en nostalgisch met een knetterend openhaardje in de huiskamer. Vrijwel nergens wringt het in zijn Gelderse Hof van Eden.  

    Hoofdpersoon Ko Melissen behandelt in omgekeerde chronologie drie van zijn jeugdherinneringen. In deel één bezoekt hij als volwassen student het Friese Woudsend, waar zijn gereformeerde ouders vakantie vieren. Daar zal hij zijn meer dan goede vriend Bor aan hen voorstellen. Deel twee, verreweg het langste hoofdstuk, gaat over de zomervakantie op het Veluwse landgoed Calcaria. Ko is dertien jaar, ontdekt de omgeving en wordt verliefd op botterik Koen. In het derde deel verdrinkt de negenjarige Ko bijna, wanneer hij vlakbij een stuwdam de zee induikt. Omdat first lady Eleanor Roosevelt Ko’s dorp in Zeeland bezoekt, is er geen toezicht bij het water. Het loopt allemaal maar net goed af. Dit is nauwelijks een spoiler, simpelweg omdat het Melissen niet om spanning te doen is.  

    In grote delen van Arkadia herstelt Nederland van de Tweede Wereldoorlog. De wederopbouw gaat gepaard met behoudzucht, gehoorzaamheid, religiositeit en een drang naar eendracht. Het reactionaire Biedermeiersfeertje past hier perfect bij. Biedermeier staat bekend als het belegen  broertje van de Romantiek: er is liefde, maar geen allesverterende. De humor is lollig, zonder wrijving of melancholie. (Kerkelijke jongeren die catechisatie ‘kattenbak’ noemen.) De natuur schittert als creatie van God en haar gevaarlijkste wapenfeit is een regenbuitje. Gevoelens brengen de hoofdpersonen eventjes van hun stuk, waarna koekjes, een straaltje zon of geplukte cantharellen het evenwicht herstellen. Treffend portretteert Ko het calvinistische gezin waar hij deel van uitmaakt, dat precies uitbundig en vrolijk genoeg gaat slapen: ‘Het is een mooie dag geweest, daar is iedereen het over eens.’ Gelukkig maar.

    Idyllisch, maar niet té

    Toeval of niet, Arkadia is Melissens zevende boek. Daarmee lijkt het een rustpunt te markeren in zijn literaire Schepping. Anders gezegd: Arkadia strijkt elk conflict kreukloos glad, als braaf Biedermeier-product. Het is een boek voor de kostelijke, luie zondag. Er worden meer koekjes in gebakken dan in Heel Holland Bakt, net niet schurende grapjes gemaakt zoals vrome christenen plegen te doen en Ko’s seksuele ontbolstering blijft keurig binnen de lijntjes: ‘Bor wist dat angstwekkende heelal terug te brengen tot twee lichamen die in de plastische taal van het Oude Testament tot één vlees werden.’ Alles wat aanvankelijk vragen oproept, legt de schrijver uit. Zelfs de worsteling met het geloof komt tot een hoogtepunt via zoetigheid. Wel een mooie scène, overigens. Melissen schrijft met melasse. 

    Hij mikt op sfeer in Arkadia. De avond, sperziebonen, open velden, ze schemeren allemaal. De Friese meren ontvouwen zich voor Ko als een belofte op een mooie toekomst: ‘Overal waar hij kijkt is groen en blauw, groen van de weilanden, blauw van de lucht en het meer. Op het monotone geluid van de wind na is er stilte zo ver je kunt kijken.’ De Veluwse bospaden naar de hei vindt Ko ‘mooi en overweldigend, vooral als de zon door de bladeren gefilterd wordt, maar na een tijdje benauwen ze me.’ De treffendste sfeertekening komt uit de Zeeuwsche Courant, terugblikkend op het bezoek van Eleanor Roosevelt: ‘”En er was dat typische fijne Zeeuwse licht, dat zee en aarde daar samen produceren: grijs met blauw en donzig wit van wolken.’’ Zó zou ik het toen nooit gezegd kunnen hebben, maar zo heb ik het wel beleefd en gezien.’  

    Het is niet onuitgelegd gebleven 

    De zomerse loomheid doet de lezer geregeld wegdutten. Zelf nadenken hoeft hij niet, want iedere open plek wordt volledig ingevuld met alsof-vergelijkingen en met toelichtingen bij literaire verwijzingen. Wanneer Ko zijn geaardheid onthult, komt Gerard Reves Nader tot U maar liefst vijf keer voorbij. Zelfs het mysterie rondom de titel Arkadia verdampt jammerlijk. Tijdens Ko’s verblijf in de Veluwse villa Calcaria legt de vader van Koen, Ko’s vlam, de naam uit: ‘Calcaria omdat het woord lijkt op Arkadia. (…) Arkadia is een streek in Griekenland die door dichters en schilders wordt voorgesteld als land van onschuld en vrede. Nou jongens, jullie kunnen zelf zien hoe vredig het hier op Calcaria is, alsof we in het paradijs zijn.’ Over knipogen naar het paradijs gesproken: Koen steelt een tomaat uit de naburige moestuin, het enige gewas waar de kinderen absoluut vanaf moesten blijven!  

    Eén van Ko’s ontdekkingen in zijn relatie met Bor luidt dat ‘niet alles gezegd hoeft te worden om duidelijk te zijn’. Met dat besef is het ironisch hoe veel Melissen vertelt, in plaats van laat zien. Bovendien haalt hij grootheden aan als Nabokov, Homerus, Glück, Gorter, Shakespeare en Proust, waardoor de indruk ontstaat dat Arkadia groots en meeslepend zou moeten zijn. Natuurlijk is de Fransman een geschikte autoriteit om aan te refereren in dit nostalgische tripje naar een verloren tijd. Toch maken vooral klein geluk en subtiliteit Arkadia lief, gevoelig en relevant. Ko’s strenggelovige vader, bijvoorbeeld, vraagt na de coming out van zijn zoon onverwacht empathisch: ‘Ben je daardoor ooit ongelukkig geweest?’ Dan wil hij weten: ‘Heeft het je relatie met God verstoord?’ Bij het stellen van die vraag prikt hij zijn stukje appeltaart, in een perfecte driehoek uitgesneden, kapot. Prachtig. 

    Van Holocaust naar holle praat 

    Het kan haast niet anders of dit boek zal menigeen verwarmen. Als de hoogliteraire referenties buiten beschouwing worden gelaten, blijft een suikerzoet boek over. Melissen verwent en verdooft met lieflijke huiskamertaferelen en niet te veel gedoe. Eigenlijk voelt Arkadia als een fotoalbum vol vergeelde kiekjes, inclusief handgeschreven onderschriften. Nergens houdt een idylle beter stand dan in het onbetrouwbare geheugen. Het decor in Arkadia – Friesland, Gelderland en Zeeland – belichaamt voor velen het Nederland zoals het vroeger ‘echt was’. Men vergeet echter dat de jaren ’50 en ’60 vooral de nasleep van een nachtmerrie waren. Eén zin drukt eenvoudig de onttovering na de Holocaust uit: ‘Kale polders zijn niet geschikt voor sprookjes.’  

    In tegenstelling tot dat andere boek van Reve, De avonden, praat Ko’s familie vaak en openlijk over de Tweede Wereldoorlog. Zo vormt de razzia van Putten, vlakbij landgoed Calcaria gelegen, het dieptepunt in de Veluwse geschiedenis. Ruim zeshonderd jongemannen uit de streek werden afgevoerd richting Noord-Duitsland. Een dominee die bij de ouders van Ko op bezoek is, was bij de verzoeningsdienst in Ladelund, anno 1950. ‘Hij houdt de mensen in de kerk voor dat men niet moet blijven staan met verdriet en wraakgevoelens in het hart. (…) En hij wijst op het offer van Christus dat ons niet spreekt van wraak maar van liefde en trouw, voor ons en onze vijanden.’ Makkelijk praten, zou je zeggen. Het hele gezin raakt evenwel geëmotioneerd door deze christelijke genade. En zo zijn we terug bij het stichtelijke sentiment van Biedermeier, dat van de zwartste bladzijde van de vorige eeuw toch nog een bitterzoete ervaring maakt. Lekker, maar wel een beetje ongezond.   

     

     

  • Surinaamse verhalen toegankelijker maken voor Nederlandse lezers

    Surinaamse verhalen toegankelijker maken voor Nederlandse lezers

    Velen kunnen door de Surinaamse literatuur kennis maken met Suriname, zijn inwoners, hun culturen en gebruiken. Voor personen van Surinaamse komaf en anderen die een binding hebben met het land, is het herkenning. En verscholen aspecten kunnen ontdekt worden. De Surinaamse identiteit wordt door de lokale literatuur namelijk gedeeld met de buitenwereld.

    In Nederland zijn enkele Surinaamse schrijvers bekend, zoals Michael Slory, Astrid H. Roemer en Cynthia McLeod, maar een groot aantal Surinaamse schrijvers zijn onbekend. Dat heeft onder meer te maken met de kwaliteit van het werk als originaliteit, structuur, ideeën en ook de taalhantering. Maar ook de gestelde taaleisen in Nederland, zoals het algemeen beschaafd Nederlands (ABN) en de Surinaamse zinsconstructies zijn uitdagingen. Dat kan de reden zijn dat Nederlandse uitgevers geen potentie zien in Surinaamse auteurs. Toch verdienen Surinaamse verhalen het om over hun eigen landsgrenzen gebracht te worden om zodoende deel uit te maken van de totale wereldliteratuur. Er zijn een aantal schrijvers die buiten Suriname uitgegeven zouden moeten worden. Zij worden genoemd in het boek Jaguarman van Raoul de Jong en in Dat wij zongen, samengesteld door De Jong, Julien Ignacio en Michiel van Kempen. Aangezien Suriname en Nederland een gedeeld verleden hebben en een gezamenlijke toekomst tegemoet gaan – als we kijken naar historische en culturele banden, gedeelde taal en het grote aantal verdeelde families over beide landen – is het belangrijk dat de Surinaamse literatuur overzee een plek krijgt. En er zijn meer verhalen in de Surinaamse literatuur te ontdekken dan enkel die over het slavernijverleden.

    De ontwikkeling van Surinaamse verhalen

    In Suriname werden tijdens het overgrote deel van de koloniale periode (1667-1975) verhalen en informatie onder de tot slaafgemaakten mondeling overgebracht, want slaven was het verboden te leren lezen en schrijven. Volgens onderzoek van de Surinaams taaldeskundige en surinamist Hein Eersel (1922-2022) werd in 1876 de algemene leerplicht ingesteld en werd het Nederlands als schooltaal ingevoerd. Andere talen werden uitgesloten van het onderwijs, wat inhield dat leerlingen hun moedertaal niet op school mochten spreken en de ouders min of meer gedwongen werden hun kinderen Nederlands te laten spreken. Deze maatregel heeft de tweetaligheid onder de bevolking sterk doen toenemen. Thuis, bij onder meer de nazaten van tot slaafgemaakten en de immigranten, werd het Sranantongo en de andere betreffende moedertalen gesproken. Dit zorgde ervoor dat er op de Nederlandse taal een variëteit ontstond, die verschilt op het vlak van uitspraak, woordenschat en grammatica van het Europese Nederlands. 

    In de afgelopen vijftig jaar werden boeken, geschreven in het Surinaams-Nederlands, steeds meer uitgegeven in Nederland. Zoals Sarnami, hai van Bea Vianen, uitgebracht in 1969 door Querido en Hoe duur was de suiker? van Cynthia McLeod, uitgebracht in 1995 door uitgeverij Conserve. Het opmerkelijke van Vianen is dat zij de eerste Surinaamse schrijfster is geweest wier debuutroman in Nederland is uitgegeven.

    De verhalen van deze schrijvers en anderen, hebben de Surinaamse literatuur gekleurd en behoren tot  de literaire canon van Suriname, mocht die er ooit komen. Volgens neerlandicus Hilde Neus worden er wel pogingen ondernomen om tot een Surinaamse canonlijst te komen, maar is er een probleem met het vaststellen van de criteria. Het leespubliek in Suriname is namelijk anders en Neus denkt dat de selectiecriteria meer in samenhang moet zijn met de structuur van de Surinaamse samenleving, op historisch, cultureel en ontwikkelingsniveau. Neerlandicus Jerry Dewnarain heeft enkele vragen geformuleerd, zoals aan welke eisen moet een boek voldoen om tot de Surinaamse canon gerekend te kunnen worden. Dewnarain deed dit voor zijn afstudeerthesis van de masters Nederlandse taal en cultuur waarvan hij de literatuurpoot heeft afgerond.

    Opvallend is dat Surinaamse literatuur de afgelopen jaren volop in de belangstelling staat in Nederland. Schrijvers met Surinaamse afkomst krijgen enorm veel aandacht. Raoul de Jong heeft dit jaar het Boekenweekessay geschreven. Met de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren in maart 2021 werd Astrid H. Roemer de eerste Surinaamse auteur die voor haar gehele oeuvre werd bekroond met deze prestigieuze literaire prijs. Bijdragen zoals de Ibisprijs van de Taalunie, opgezet in 2022, motiveren Surinaamse schrijvers ook om hun gedachtegoed neer te pennen en krijgen daardoor de aandacht van een groter publiek.  Deze ontwikkelingen zorgen voor positieve aandacht voor het land en voor motivatie waar de Surinaamse schrijvers verder op kunnen voortborduren.

    Authenticiteit behouden

    De Surinaamse literatuur is zeker aan verdieping toe. Verhalen zijn voor verbetering vatbaar qua vertelstructuur en zinsformulering, maar er moet voor gewaakt worden dat de authenticiteit van de Surinaamse verhalen niet verloren gaat. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het Surinaams-Nederlands heeft namelijk bepaalde woorden en uitdrukkingen die andere betekenissen kennen of gewoon een andere context dan in  Nederland en dat wordt in veel gevallen als ‘fout’ gezien. Bijvoorbeeld het woord ‘tof’ betekent in Nederland fijn of gaaf, maar in Suriname betekent het moeilijk en zwaar. Daarin zullen zowel de schrijvers als redacteuren of uitgevers compromissen moeten bereiken, want niet altijd moet een zin of woord veranderd worden omdat het in eerste instantie als ‘verkeerd’ wordt gezien.  Als schrijver wil je dat de lezer jouw teksten zo juist mogelijk ervaart.

    Volgens Robby Parabirsing, voorzitter van de Schrijversgroep ’77 – de actiefste, grootste en oudste schrijversorganisatie in Suriname – en beter bekend onder zijn schrijversnaam, Rappa, kan de kwaliteit van de Surinaamse verhalen ook verbeterd worden door onder meer (jonge) Surinaamse schrijvers tot schrijven te stimuleren via schrijfwedstrijden met aantrekkelijke prijzen, zoals een geldbedrag en schrijf workshops. Het is verder ook belangrijk dat er in Suriname meer geïnvesteerd wordt in het ontwikkelen van schrijven door middel van cursussen en trainingen. Meer engagement met andere schrijvers binnen en buiten Suriname zal de literaire ontwikkelingen goed doen en zal alleen maar positief zijn voor de schrijver. Door op gerenommeerde en serieuze platforms zoals weblogs te publiceren, komt er tegelijkertijd een gedegen feedback op hun werk.

    Een goede schrijver worden

    Een goede schrijver hoeft niet succesvol te zijn, maar om een goede schrijver te worden, daar gaat veel tijd en moeite in zitten. In Suriname is het zeker een uitdaging een goede schrijver te worden. Maar door de slechte economische situatie in het land zijn velen eerder bezig  om het hoofd boven water te houden. Daarnaast heerst er niet echt een leescultuur en ouders die vroeger nog wel eens een boekje kochten voor hun kinderen, kunnen zich dat nu niet meer veroorloven. Waar scholen vroeger de opbrengst van de snoeppauze besteedden voor het aanvullen van hun mediatheek, kunnen zij dat nu niet meer doen. De grotere bibliotheken hebben geen financiële middelen om boeken aan te kopen. 

    In Suriname bereik je dus geen hoge verkoopcijfers wanneer je een boek uitbrengt. Dit kan een schrijver danig demotiveren. Verder krijgen schrijvers weinig ruimte  om hun visie te delen over onder meer de toestand in het land, de situatie in de wereld of andere belangrijke zaken die zij willen belichten. Dit in tegenstelling tot Nederland waar schrijvers wel de ruimte krijgen een bijdrage te leveren aan de opinievorming in de samenleving. Wegens gebrek aan financiële middelen worden er in Suriname ook weinig literaire activiteiten georganiseerd. Gelukkig lukt het de Schrijversgroep ‘77 nog om maandelijks een thema-avond te organiseren die in een bepaalde literaire behoefte voorziet. In het verleden is er een aantal uitwisselingsprojecten geweest tussen Suriname en Nederland zoals ‘Winternachten Tournee Suriname’ in 2004. Het zou interessant zijn als deze projecten weer worden opgestart of op een andere manier worden voortgezet. Los van het delen van inzichten tijdens zulke literaire events, zijn het ook goede momenten voor schrijvers om met elkaar te praten over elkaars werk.

    Meer produceren

    Volgens Robby Parabirsing (Rappa) is de Surinaamse variatie op het Nederlands via de Taalunie wel geaccepteerd, maar bij het doorsnee Hollands lezerspubliek nog niet zozeer.

    ‘In plaats van lesbrieven en allerlei projecten voor de opleiding Nederlands van het Instituut voor de Opleiding Van Leraren zou de Taalunie meer fondsen beschikbaar kunnen stellen voor bijvoorbeeld schrijfwedstrijden en/of workshops. Ik vond de ontmoeting met de Taalunie onlangs in oktober 2022, maar teleurstellend voor het stimuleren van het Surinaams-Nederlands als literaire taal en de activiteiten daaromheen. Ze focussen meer op die opleiding Nederlands, wel goed, maar ik merk weinig positief effect in de praktijk. Het merendeel van de studenten op de opleiding leert alles uit hun hoofd, om snel af te studeren en om flink wat uren te maken. Voor Nederlands maak je namelijk vier uren per klas op het Voortgezet Wetenschappelijk Onderwijs. Men kweekt geen taalwetenschappers en promotors van de Surinaamse literatuur. De geslaagden van de opleiding Nederlands versmallen juist de belangstelling voor het lezen van de Surinaamse literatuur in het Surinaams-Nederlands. Met poëzie is het nog erger gesteld. Let wel, dit geldt niet voor die enkelen die wel hun best doen dit te stimuleren, maar ze vormen een minderheid.’

    Er zouden meer Surinaamse verhalen in Nederland gepubliceerd moeten worden over de rijke Surinaamse cultuur, hun zienswijze op zaken zoals de gedeelde geschiedenis en het leven in Suriname. In een speciale Suriname editie van literair tijdschrift Tirade Prakseri, dat in november 2022 uitkwam, heeft het Nederlandse publiek als voorproefje kennis kunnen maken met bekende en onbekende Surinaamse schrijvers.

    Naar mijn mening moet er een tijd komen dat men niet meer om de in Surinaamse wonende schrijvers heen kan. Natuurlijk zijn er de boeken over Suriname die in het verleden geschreven werden door buitenlanders die er hebben geleefd en hun ervaringen hebben opgeschreven. Maar het wordt tijd dat Surinaamse schrijvers hun eigen inzichten over en ervaringen met hun land delen met de wereld en daarvoor de ruimte krijgen.

     

    Bronnen:

    • Scriptie Suriname in de Nederlandse Taalunie van Ruth Brandon
    • Expositie Surinaamse Schrijvers, De weg naar een onafhankelijke literatuur van het literatuurmuseum
    • Jerry Dewnarain, neerlandicus
    • Hilde Neus, neerlandicus

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft artikelen voor OneWorld en blogt voor Tirade.nu.

     

     

     

  • Net niet

    Net niet

    De Vlaamse dichteres Ruth Lasters (1979) werd bij het grote publiek, ook in Nederland, bekend door haar pamfletachtige, ritmische en retorisch sterke gedicht Losgeld. Ze schreef het, samen met enkele studenten van de Spectrumschool in Deurne, als stadsdichter van Antwerpen. Het werd echter (om formele redenen? om inhoudelijke redenen?) door het stadsbestuur geweigerd. Nu is het opgenomen in haar bundel Tijgerbrood, zodat we het nog eens kunnen nalezen of – als de lezer de commotie heeft gemist – er kennis mee kunnen maken. Inclusief een toelichting achterin (zie ook http://ruthlasters.com). Eigenlijk is die toelichting niet eens nodig. In de eerste plaats omdat we de discussie over hoog- en laagopgeleiden (of liever: praktisch en theoretisch geschoolden) ook in Nederland kennen. In de tweede plaats omdat het gedicht sterk genoeg is om op zichzelf te staan.

    Het gedicht maakt deel uit van de afdeling Omerta die – zoals meer van de zeven afdelingen – wordt voorafgegaan door een motto. In dit geval van Iris Murdoch, over taal: ‘Really a machine for making falsehoods’. Want als je écht de waarheid wilt spreken, dan zijn woorden ontoereikend. Óf je moet nieuwe woorden verzinnen, zoals ‘navendel’ voor de geur die lavendel achterlaat. Óf je moet gewoon je mond houden.
    Het is een thema dat we ook uit de debuutroman, Poolijs, van Lasters kennen, de eerste van de inmiddels vier romans die zij schreef. Daarin is het Yves, een van de hoofdpersonen, die veelvuldig over zijn adamsappel strijkt. Daarin is het het zwijgen van mensen dat letterlijk en figuurlijk rust geeft. Ze zwijgen omdat ze willen zwijgen of omdat ze om wat voor reden dan ook niet kunnen spreken.

    Kunstgedichten en kerngedachte

    Er is nog een ander thema uit Poolijs dat ook in Tijgerbrood terugkomt: kunst. Het woord ‘navendel’ komen we tegen in een gedicht over het schilderij Le déjeuner sur l’herbe van Édouard Manet. Hierin spreekt de dichteres over ‘pre-picknick’. De titel van het schilderij is volgens haar een toonbeeld van ‘verbale vaagheid’. Het gaat ofwel om vóór ofwel ná de lunch op het gras.
    Eigenlijk is dit idee van voor of na een kerngedachte in Lasters’ gedichten. Het is altijd net iets voor of net iets na iets, al dan niet in combinatie met kunst en taal:

    ‘Vlak voor ik nies wordt alles even pointillistisch in mijn hoofd.
    Als het acuut gaat kriebelen in mijn sinussen, lijkt taal bereid
    om haar totale nederlaag toe te geven’

    schrijft ze in het gedicht Appelboom.

    Geluid, beeld en associaties

    Geluiden, of het ontbreken daarvan gaan ook in andere gedichten in mooi gekozen beelden samen: lachritmes van de lichtsignalen van vuurtorens, die een back-up hebben in misthoorntonen. Maar dat niet alleen. Lasters is ook de dichteres van associaties. Bij ‘appel’ denkt ze bijvoorbeeld aan de Bijbelse Eva en Wilhelm Tell, bij een kromme lepel uit de oorlog aan een

    ‘… gruwel die niet zonder breken terug te buigen valt
    niet omringd dient door bestek’

    Bij kaasprikkers denkt ze ook aan tandenstokers, bij de plastic holtes van een strip pillen (dé pil in dit geval) aan de kralen van een rozenkrans. Bij meel dat rijst voor een volkoren-, spelt- of het tijgerbrood uit de titel van de dichtbundel gaan haar gedachten naar een kind dat niet in de buik groeit van de ik-persoon uit het gedicht. Het is een grote stap, maar als je er een klein beetje moeite voor doet zijn deze en ook andere grote stappen meestal te volgen.

    Filosofisch

    Op deze manier zit er een filosofische laag in veel gedichten. Gedichten die in eerdere versies zijn verschenen in Het Liegend Konijn, De Poëziekrant, De Revisor, Terras en Apache.
    In het gedicht Venter vraagt Lasters zich bijvoorbeeld af wanneer een bril nog voldoet aan het zelf. Met krassen? Zonder schroefjes, neussteuntjes of een poot (been, zegt Lasters antropomorf)? Het doet denken aan Jean-Paul Sartre, die stelde dat een mens ook zonder armen of benen nog steeds een mens is. Alleen een torso en een hoofd maken dat je altijd nog kunt reflecteren over dit gegeven en kiezen hoe je ermee om zult gaan. Een mens is niet zo bedoeld, maar het is zoals het is. Net zoals ‘ballenrapers, die weergaloze vangers van / het onbedoelde’ een mooi beeld is voor tennisballen die er niet voor bedoeld zijn om op de grond te vallen en opgeraapt te worden, maar om terug te worden geslagen richting tegenstander.

    In andere gedichten gaat het over ander onheil, zoals een scheepsramp, raketinslag of tsunami die ons niet troffen, net niet troffen, net zomin als een metastase en foltering vanwege huidskleur of geaardheid. Of neem een route die je ‘door een gruwelaanslag niet kreeg afgelegd’, zoals de jongeren op het Noorse eiland Utøya.
    En dan, als iets er bijna is, gaat de tijd niet vooruit maar terug, zoals 1945-1940. Dit doet denken aan een essay van de dichteres Maria de Groot: eerst Bevrijdingsdag vieren, dan herdenken.

    Filosoferen is verwonderd in het leven staan. Je erover verwonderen, zoals Lasters doet, dat je uit papieren bekers kunt drinken, terwijl die afkomstig zijn uit pulp van een boom die ook eens water dronk. Het is zoeken naar een geëngageerd verband tussen al dan niet antropomorf aangeduide dingen, tussen mensen en met de natuur. Naar

    ‘heelheid, naar iets
    uit één stuk ondeelbaar, een überverzoening
    van wonder en toeval.’

    De kracht van Lasters’ poëzie zit in haar woordgebruik met een neologisme als ‘navendel’, haar beeldend woordgebruik met beelden als lachtritmes voor de lichtsignalen van vuurtorens, in de associaties bij een enkel woord (appel, lepel) en in de extra, filosofische en geëngageerde lagen die er vaak mee gepaard gaan. Kortom: een mooie, derde bundel na Vouwplannen en Lichtmeters.

     

     

  • Dit boek is voortgekomen uit een enorme zorg over mensen

    Dit boek is voortgekomen uit een enorme zorg over mensen

     

    Van Minke Douwesz verscheen onlangs de roman Het laatste voorjaar. Liefhebbers van haar vorige boeken, Strikt (2003) en Weg (2009), samen goed voor zo’n vijftienhonderd pagina’s, waren er al haast van overtuigd dat er geen boek meer van haar hand zou verschijnen. Helemaal nadat een hardnekkig rondgaand bericht via google meldde dat Douwesz  in 2010 aan de gevolgen van een ongeluk was overleden. Dat kwam doordat de toenmalige redactie van Tirade het themanummer ‘In memoriam’ maakte. Daarvoor waren schrijvers, waaronder Minke Douwesz, gevraagd hun eigen in memoriam te schrijven. Maar hier is dan, na veertien jaar, Douwesz’ derde boek Het laatste voorjaar.

     

    In 2014 begon Douwesz, pseudoniem van Greet Kuipers (1962) al aan het boek, maar het schrijven stokte omdat ze zich in die jaren beroepsmatig bezighield met onderzoek naar gehechtheid bij eetstoornissen, waarop zij in 2018 promoveerde. In 2019, toen ze zich niet meer met de vele veranderingen binnen haar werk bij de GGZ kon verbinden, verruilde ze haar baan voor een eigen praktijk en had ze redenen en tijd om dit boek te schrijven. Minke Douwesz is een schrijver die alleen schrijft als ze iets te vertellen heeft. 

    De drieënvijftigjarige docent Duits en zelfverklaard eco-communist Ese Jelles, is rechtlijnig in haar antwoord op de klimaatcrisis en vindt dat, ‘Vlees en reizen op rantsoen moeten, online winkelen verboden wordt en er vaste prijzen voor voedsel gelden. Boeren produceren niet meer dan nodig is, overtollige weidegrond kan het best onder water worden gezet.’ Meningen waar je geen vrienden mee maakt. Het was ook niet de bedoeling van Douwesz een vriendelijk boek te schrijven. Alles moest nu maar eens gezegd worden.


    Een doorzetter als protagonist 

    Douwesz’ alter ego, Ese krijgt te maken met een onderwijsconsultant die het onderwijs wil verbeteren. Dat stuit haar tegen de borst. ‘Waarom moest alles toch altijd beter, kon er niets hetzelfde blijven?’ Ze neemt van de een op de andere dag ontslag. Nog geen week later op een maandagmorgen eind februari, steekt Ese de grens met Duitsland over op weg naar Oekraïne, waar ze het huis van Anton Tsjechov in Jalta wil bezoeken. Vanaf de eerste zinnen is duidelijk dat de lezer te maken krijgt met een doorzetter. 

    ‘Alles was grijs en er viel een venijnig koude motregen. Even vroeg ze zich af waar ze mee bezig was. Hoe miezerig ook, de regen zou haar schoenen en broek in de loop van de dag doorweekt hebben. Misschien werd ze wel ziek. In dat geval was er natuurlijk geen sprake van dat ze de trein nam, terug naar huis.’ Ondanks Ese’s opstelling, haar tirades en stellige meningen, is Het laatste voorjaar een empatisch boek geworden.

    Tijdens het fietsen door Duitsland en Polen komen de herinneringen aanvliegen. Herinneringen aan haar partner Martie, die enkele jaren terug is overleden. Er komen herinneringen aan haar studententijd naar boven, hoe ze Martie leerde kennen, aan eerdere reizen. De tocht in Jalta wordt levendig beschreven, alsof Douwesz uit eigen ervaring put. Het klopt dat ze het huis van Tolstoj of Tsjechov had willen bezoeken. Maar het was er nooit van gekomen. Wel heeft ze Het brilletje van Tsjechov gelezen, waarin Michel Krielaars het huis op Jalta uitvoerig beschrijft.


    De troost van Tsjechovs verhalen

    Als Ese uiteindelijk haar doel bereikt heeft en het huis van Tsjechov binnengaat, stort ze in. Ze wordt met spoed naar het ziekenhuis gebracht. Het heeft er veel van weg dat Het laatste voorjaar een treurige afloop kent. En was daar al niet een verwijzing naar, verder terug in het boek? Daar waar Ese en haar zus Dora een gesprek voeren over Jezus, de tempel en het kruis, het conflict van alle tijden? Ese zegt, ‘Word je kwaad en flikker je al die woekeraars de tempel uit, of moet je aanvaarden dat je in je eentje de wereld niet kan veranderen. Verdwijn je van het toneel.’ 

    ‘Een onderlaag in het verhaal is dat Dora en Ese niet geleerd hebben als vrouw van zich af te bijten. Ze hebben, met een vrij passieve moeder, niet geleerd voor zichzelf op te komen. Dora is gelovig, zij heeft zich daar misschien bij neergelegd. Maar Ese is heel erg boos. Om in deze wereld te overleven moet je niet lijdzaam afwachten zoals Jezus. Ik ben ook erg van mening dat opvoeden tot gezonde weerbaarheid van groot belang is.’  

    In een van de scènes lift Ese vanuit Polen met een vrouwelijke vrachtwagenchauffeur mee. Deze gooit bij de grensovergang tussen Oekraïne en de bezette Krim haar vrouwelijkheid in de strijd om de grensbewakers te behagen. Ese kunnen ze niet plaatsen, ze ziet er androgyn uit. Tot er een bh uit haar tas valt, dan beginnen de bewakers met haar te dollen. Ze grijpen haar in haar kruis om te voelen of ze man of vrouw is, een ander neemt haar verhalenbundel van Tsjechov in beslag. Het verlies van die verhalenbundel lijkt Ese meer aan te grijpen dan de brute aanranding. ‘Een schaap dat geschoren wordt, moet stil zitten, is het spreekwoord. Ese heeft het gevoel dat ze er goed vanaf is gekomen. Maar om een boek van een schrijver, een man die wel oké is, kwijt te raken, dat vindt ze vreselijk. Om de troost van Tsjechovs verhalen te moeten missen.’

    Voor Douwesz is Tsjechovs leven en werk een bron van inspiratie. ‘Hij is een dokter, en is ooit naar het werkkamp Sachalin in Siberië gegaan om de vreselijke omstandigheden van de gevangenen te bestuderen. Hij schreef daarover in De reis naar Sachalin. Tsjechov had, net als ik, kennelijk moeite om werk en liefde met elkaar te combineren. Daar identificeer ik me wel mee. En zijn interesse in de binnenwereld van vrouwen is echt ongekend voor die tijd. Zijn verhaal, ‘De naamdag’, is geschreven vanuit het perspectief van een vrouw die zich verschrikkelijk ergert aan het gedrag van haar man. Toen ik dat las, dacht ik, dit is gewoon Virginia Woolf.’


    Schrijven uit noodzaak

    Net zoals haar eerste boek Strikt werd geschreven vanuit de behoefte een leemte te vullen met het schrijven van een lesbische liefdesroman, werd ook dit boek geschreven uit noodzaak.Het ging me om de stem van een vrouw van middelbare leeftijd die er ogenschijnlijk niet zoveel toe doet, te laten klinken. Vroeger was dat anders. Met uitgebreide families waarin iedereen zijn rol had. Oma’s zijn nog steeds belangrijk, maar ik ben geen oma. Ik wilde een stem geven aan een werkende vrouw die geen relatie heeft met een man, geen kinderen heeft en begaan is met een groter geheel. De meeste aandacht in onze cultuur gaat uit naar vechten en seks. En niet naar zorgzaamheid of solidariteit, wat heel veel mensen wel belangrijk vinden, maar dat is kennelijk niet zo opwindend.’

    Toen het boek klaar was, vroeg Douwesz zich af of het boek wel goed zou vallen, omdat het een behoorlijk serieuze roman is over een bezorgde, lesbische vrouw van middelbare leeftijd. ‘Ik wilde de oprecht bezorgde toon niet ondermijnen door grappen of verzachtende excuses. Overigens moet ik zelf juist wel weer lachen om de consequente sombere blik van Ese, ik zie er de humor ook wel van in.’

    Douwesz heeft zich voor het schrijven van dit boek door Andreas Burnier laten inspireren. Hoe zij ongezouten, maar op humoristische wijze het patriarchaat aan de orde stelde. ‘Ik heb het allemaal ook wel wat aangezet, de woede van Ese, de ontwikkelingen in het onderwijs. Maar als ik dan in een recensie lees, ‘het is een karikatuur van het onderwijs’, denk ik, “ammehoela”. Je gaat toch geen boek schrijven over hoe het er echt in het onderwijs aan toe gaat? Het is een belachelijke eis aan een schrijver om de werkelijkheid getrouw weer te geven. Dat zou vreselijk saai worden.’ 


    Over het verlies van Martie

    ‘Ik zie natuurlijk als psychiater dat er stapelingen zijn van stressfactoren die mensen bijna doen breken, en dan is het al heel wat als je kunt bereiken dat ze er de moed inhouden. De illusie dat alles oplosbaar en maakbaar is, vind ik zelf vrij destructief. Accepteren dat sommige dingen lopen zoals ze lopen, en daar dan toch weer mee verder kunnen, dat is eigenlijk al goed. Ese vindt ook dat leerlingen die niet goed kunnen leren, maar wel goed met hun handen zijn zeer waardevol. Waarom moet iedereen hoge cijfers halen? Daar baalt ze erg van.’ 

    Op tweederde van de roman wordt onthuld wat er met Martie, Ese’s geliefde is gebeurd. Die passages over de dood van Martie stonden eerst meer voor in het boek. ‘Maar dat kwam bij mijn redacteur en een vriendin die meelas, toch wel hard binnen. Daarom is het naar achteren geschoven, waardoor het meer perspectief kreeg. Op het moment dat Ese gaat fietsen, is haar geliefde al enkele jaren dood. Ze heeft haar draai in het leven wel weer gevonden, maar omdat ze voor het eerst alleen door Europa fietst, en ze zich met de herinnering aan Martie verbindt, komt er een stuk onverwerkte rouw naar boven.’

    Het emotioneert Douwesz hoorbaar hierover te praten. ‘Als schrijver heb je ook niet alles in de hand, want hoewel ik zelf het decor heb gemaakt, heeft het me ook getroffen dat dit gevoel van rouw zo sterk naar boven is gekomen. Dat was kennelijk een verhaal dat ik ook nog in me had zitten.’ 


    Koppigheid een vorm van verzet

    Ese is aangerand, met haar fiets in een metersdiepe kuil gevallen, beroofd en in elkaar geslagen, en toch gaat ze door naar het huis van Tsjechov. Haar volharding is verbijsterend. Koppigheid is een verkapte vorm van woede, een vorm van verzet. Als je gelooft in andersoortige energie zoals de boeddhisten. Dat op bepaalde plekken waar mensen geleefd hebben, er nog iets van hun energie aanwezig is. Dan zou je kunnen zeggen dat Ese, omdat ze de moed heeft verloren, zich met die energie van Tsjechov wilde verbinden.’  

    Of het dan echt Ese’s laatste voorjaar is? ‘De titel van het boek is het antwoord op deze vraag. Er zijn lezers die denken dat ze even flauwgevallen is, dat ze weer wakker wordt. Mijn bedoeling was toch wel dat ze de klap op haar ribben niet zou overleven.’ 

    De laatste passage van het boek waarin het niet goed gaat met Ese, las ik verschillende keren. Alsof ik, als lezer, haar wakker zou kunnen lezen. Maar Ese komt, hoewel nog niet dood verklaard, niet meer tot leven. Verdwijnt ze werkelijk van het toneel.

    ‘Een weerloos persoon als Ese, heeft in dit ego gedreven bestaan weinig kans van slagen. Daar ben ik wel pessimistisch over. Dit boek is voortgekomen uit een enorme zorg over mensen; waar zijn we mee bezig. Ik merk dat het door veel mensen met instemming wordt gelezen. Dat doet me wel veel genoegen.’

     

     

    Foto: Annaleen Louwes


     

     

     

     

     

     

    Het laatste voorjaar / Minke Douwes/ 333 blz.
    Uitgeverij Van Oorschot

     

  • Gedachten zijn vrij

    Gedachten zijn vrij

    In de onlangs verschenen Tirade staan alle bijdragen in het teken van ‘Verboden stemmen’, waarmee het reflecteert op de heersende angst- en cancelcultuur. Deze week nog stond er een interview met de Chinees Amerikaans Nederlandse schrijfster Jean Kwok in de Volkskrant. Zij vertelde dat haar boek, Girl in Translation /Bijna thuis uit 2010, in een schooldistrict in Pennsylvania op de zwarte lijst is terechtgekomen. In een jaar tijd zijn er in Republikeinse staten tientallen wetten aangenomen om scholen te beletten te praten over seks, gender, ras of slavernij, alle boeken die daarover reppen, worden weggehaald.
    In haar voorwoord noemt Tirade redacteur en schrijver Anja Sicking enkele schrijvers die op Amerikaanse scholen verboden zijn. Schrijvers als Harper Lee, Margaret Atwood, J.D. Salinger en Toni Morrison. Onvoorstelbaar maar waar. Opmerkelijk in deze, schrijft Sicking, ‘dat vooral mensen die zich verder nooit publiekelijk druk maken over literatuur boeken willen verbieden’. 

    Verdwijnende schrijver

    In zijn bijdrage, ‘Langzaam verdwijn ik uit de tijd’, zoekt Ted van Lieshout naar een manier hoe zich te verhouden tot de huidige cancelcultuur.  Zorgwekkend vindt hij dat van een schrijver verwacht wordt diverser en inclusiever te schrijven maar wel volgens ‘de normen en waarden die door de ouders en verzorgers van die kinderen worden voorgeschreven’. Zo wordt de maker, de schrijver ingeklemd tussen vrijheid enerzijds en beperkingen anderzijds. Lieshout schrijft, ‘Ik merk dat mijn ideaal, het autonoom kunstenaar voor kinderen zijn, onder vuur ligt en ik ervaar dat als verlammend.’ Hij is een maker van kunst ‘die schuurt en aan het denken zet’. Deze schrijver die kinderen wil laten zien dat ‘kunst maken, áltijd beter is dan kapot maken.’, lijkt zich erbij neer te leggen. Zijn laatste zin, ‘Ik moet een pas opzij zetten en verder hoef ik alleen maar te zorgen dat ik niet wegkwijn’, stemt triest. Alsof de vrije, blije schrijver Lieshout op het punt van verdwijnen staat. Komt daarmee de titel van het stuk weer in beeld.

    Bedreigde schrijvers

    PEN Nederland is een schrijversorganisatie die opkomt voor bedreigde schrijvers ‘omdat een vrije samenleving niet kan bestaan zonder vrijheid van meningsuiting en vrijheid van literaire expressie.’ De organisatie presenteert verschillende dichters die in hun vrijheid beperkt worden. Van de Oekraïense dichter en essayist Serhiy Zhadan vertaalde Nina Targan Mouravi het gedicht ‘Vluchtelingen’. Job Degenaar en Annmarie Sauer vertaalden ‘Je wacht op mij in ‘t stof, voor mijn vrouw, die elke dag wacht’, een gedicht van de Chinese mensenactivist en dichter Liu Xiaobo die in 2017 in gevangenschap overleed.

    De Koerdische journalist en dichter Nedim Türfent werd op zesentwintigjarige leeftijd voor het publiceren van een video over de mishandeling van bouwvakkers door de militaire politie van mei 2016 tot november 2022 gevangengezet. Van hem een titelloos gedicht, geschreven in gevangenschap en vertaald door Sytske Sötemann. De eerste zes regels luiden, ‘laat je hart, de aarde, elixer toedienen / aan de aderen vruchtbaarheid schenken aan de grond / uit de bronnen achter de berg Kaf. // laat het ook de aalmoes zijn / van de geoogste gewassen / de zilveren sleutel van het leven.’ 

    Schrijven uit verzet

    De Russische Vera Pavlova, uitgeweken naar Canada, schreef honderden anti-oorlogsteksten die veelvuldig werden gedeeld op social media. Nina Targan Mouravi vertaalde het titelloze gedicht met een zeer persoonlijke geluid. ‘En we schrikken ons lam, begrijpend / onder welke herder we leven. / Mogen onze vulling bekijken / in de bloedkuip van angst en beven, / in het tweestromenland verkwijnen’. 

    Filosoof en schrijver Ken Mangroelal legt in zijn stuk ‘Van verbieden tot verbranden’ het boek Fahrenheit 451 van Ray Bradbury langs de lat van deze tijd. Het voelt van belang zoveel mogelijk regels waaruit de roep om een ommekeer klinkt, te citeren. Van Mangroelal deze, ‘De meeste verboden boeken hebben hun verbod overleefd en hebben zelfs de status van bestsellers verworven; ze worden alom gelezen, want de vrije geest laat zich niet censureren.’ Wat klinkt als een echo van het eeuwenoude lied, ‘Die Gedanken Sind Frei’.

    Van dichteres Sasja Janssen het geweldige, qua omvang en inhoud, ‘Het gedicht en zijn Maximes‘, waaruit deze twee regels:
    ‘door zeggend te spreken: ze denken dat ik gek ben ik ben niet gek / een dichter is pas gek’.

    Thomas Heij schreef het essay ‘Pletters, propagandisten en Poesjkin’, over de nieuwe censuurwetten in Oekraïne waar door de oorlog steeds meer Russische stemmen verboden werden. Maar ‘het lijkt erop’, schrijft Heij, ‘dat de Oekraïense boekenmarkt en Oekraïense literatuur er qua aandacht en interesse op vooruit zijn gegaan.’ 

    Marko van der Wal schreef namens de redactie van Tirade het stuk ‘Tweeduizend namen zijn niet genoeg’, dat betrekking heeft op de actie rondom doodsbedreigingen aan Pim Lammers, en of dat werkt of niet, en dat het enige dat helpt, is te blijven schrijven. Met, ‘Alleen door te schrijven en te publiceren kunnen we voor onze vrijheden gaan staan en ons solidair verklaren met het lot van Pim Lammers.’, sluit Van der Wal zijn pleidooi voor het vrije woord af. Verder zijn er bijdragen van de Russische schrijver Dmitri Bykov, Erik Rozing, Roelof ten Napel, Kerim Göçmen, Emma Ringelding en de illustraties zijn van Loes Faber.
    Mooi is dat Tirade, voor wie goed leest en het echt wil weten, antwoord geeft op de vraag wat vrijheid van meningsuiting ten volste betekent. En ja, koop deze Tirade als je de vrijheid van het woord wilt onderzoeken, dichterbij wilt laten komen.

     

     

  • Oogst week 13 – 2023

    Omtrekkende bewegingen

    De Russische schrijver Sergej Dovlatov (1941-1990) schreef korte verhalen en romans met een veelal autobiografisch karakter. Hij groeide op in Leningrad waar hij ook een paar jaar Finse taal- en letterkunde studeerde. Zijn militaire dienstplicht vervulde hij als bewaker in een goelagkamp, daarna ging hij journalistiek studeren. Schrijver Joseph Brodsky zegt dat Dovlatov van dat goelagkamp terugkwam als ‘Tolstoj uit de Krim met een bundel verhalen en een zekere verbijstering in zijn blik’.

    Dovlatov bleef verhalen schrijven, waarvan het hem niet lukte die uitgegeven te krijgen. Pas in 1978 werden twee boeken van hem gepubliceerd, bij een uitgeverij in New York waarheen hij – met toestemming van de Sovjetautoriteiten – met zijn gezin was verhuisd. In 1990 overleed hij aan een hartstilstand. Kort daarop werd hij een van de populairste schrijvers van Rusland.

    Zijn stijl doet eenvoudig aan en heeft een laconieke, soms hilarische toon. Niet zelden komen er pechvogels, verschoppelingen of criminelen in voor, maar vooral maakt Dovlatov zijn eigen leven tot onderwerp. Omtrekkende bewegingen bevat vier romans. Compromis gaat over zijn mislukkingen bij een Estlandse krant; Die van ons vertelt zijn familiegeschiedenis, van zijn grootvader uit Vladivostok tot zijn in New York geboren zoon; Ambacht bevat zijn ervaringen met afwijzingen van zijn werk van Leningradse uitgevers en met de krant die hij in New York begon. Filiaal tenslotte handelt behalve over zijn eerste huwelijk over een conferentie met geëmigreerde Russische schrijvers in Californië.

     

    Omtrekkende bewegingen
    Auteur: Sergej Dovlatov
    Uitgeverij: Van Oorschot 2023

    Huisgenoten – Insecten in en om je eigen huis

    Entomoloog, schrijver en spreker Aglaia Bouma is onderzoeker bij Naturalis en heeft een veelgelezen column over insecten in de NRC. Wie niet wist dat kakkerlakken sociaal zijn en oorwurmen zorgzaam doet er goed aan zich te verdiepen in HuisgenotenInsecten in en om je eigen huis van Bouma. In 2020 schreef zij het boek Insectenrijk. Dertig jaar eerder overleefde zij nauwelijks een steek van een grote wesp met een fobie tot gevolg. Daarop besloot ze zich grondig in insecten te verdiepen.

    Uit Huisgenoten blijkt dat er veel meer diertjes in en rond je huis vliegen, rennen, kruipen en scharrelen dan je ooit had gedacht. ‘We wonen gemiddeld samen met ongeveer honderd verschillende soorten geleedpotigen, al willen de meesten het vermoedelijk niet weten.’ schrijft Bouma. Insecten zijn niet populair, de meeste mensen houden er niet van en schromen niet ze te doden wanneer ze er in huis een tegenkomen. Bouma laat zien hoe fascinerend de kleine kriebelige beestjes zijn en welke er leven in alle hoeken en kieren van je huis, in de potten met kruiden in je keuken en in je tuin. Je leert ze kennen en gaat begrijpen hoe één bedwants of één limonadewesp het voor de hele groep verpest.

    Net als de film Onder het maaiveld – over wormen en microscopisch kleine beestjes op en in de aarde onder onze voeten – leert Huisgenoten over gedrag en belang van de allerkleinste dieren, de wezens zonder aaibaarheidsfactor. Bouma verandert door begrip en kennis de menselijke blik van wegkijken in begroeten.

     

    Huisgenoten - Insecten in en om je eigen huis
    Auteur: Aglaia Bouma
    Uitgeverij: Atlas Contact 2023

    Siciliaanse brieven – Berichten van Ortigia

    Ze doen denken aan dagboekaantekeningen, de 25 brieven van Geerten Meijsing in Siciliaanse brieven (Berichten van Ortigia). De auteur schrijft over Sicilië en zijn woonplaats Ortigia, het schiereiland en historisch centrum van Syracuse. Hij geniet van zijn appartement met dakterras, dwaalt door kleine steegjes, langs oude gebouwen, langs vissersboten, zwemt in zee en geniet van de natuur. Aan wie hij de brieven richt wordt niet duidelijk. De ontvanger zou een ‘verloofde uit het noorden’ zijn. Tien eerder verschenen brieven zijn ook in deze bundel opgenomen.

    Als oudere schrijver laat hij de ouderdom niet onvermeld, andere onderwerpen zijn onder meer de maffia, filosofie, literatuur, zijn werkster. Ook zijn oudere, in 2012 overleden zuster Doeschka Meijsing wordt gememoreerd als hij mijmert over een bezoek van haar: ‘Nu kon ik haar verzorgen en behoeden. Ik sliep op de bank en zij in mijn bed, en buiten bonkte de winterzee tegen het bastion.’ En in het kader van de oudheid vertelt hij over zijn dochter die dit tot onderwerp van haar studie heeft gemaakt. Eén brief is helemaal gewijd aan Siciliaanse schrijvers. Ondanks de wat weemoedige toon is duidelijk dat Meijsing geniet van het leven op Sicilië.

    Siciliaanse brieven - Berichten van Ortigia
    Auteur: Geerten Meijsing
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Iets te vertellen

    Iets te vertellen

    Er zijn schrijvers die alleen aan een boek beginnen als ze iets te vertellen hebben. Gerbrand Bakker liet onlangs en desgevraagd bij Deventer Literair weten waarom het twaalf jaar duurde voor zijn roman, De kapperszoon verscheen. ‘Ik weet vaak niet waar ik over moet schrijven’ zei Bakker onbevangen. Laatst bladerde ik door een Hollands Diep uit 2007, en las de uitspraak van Connie Palmen, ‘De roman is klaar, ik begin.’ Wat bij eerste lezing eencontradictio in terminis’ is, maar bij herlezing een aha-ervaring teweeg brengt. Het voorwerk is gedaan, het schrijven kan beginnen. Tussen het tweede boek van Minke Douwesz en haar onlangs verschenen Het laatste voorjaar, zit veertien jaar. Ik wist dat het goed zou komen, soms vreesde ik dat er niets meer inzat. Wat na haar twee geweldig romans (goed voor 1400 pagina’s) te accepteren was.

    Jaren nadat ik Douwesz’ debuutroman Strikt had gelezen, kan ik me het integere personage Idske nog zo voor de geest halen.  Meer dan achthonderd pagina’s lang volgde ik deze psychoanalyticus in opleiding. Vanaf haar ontmoeting met de cello spelende Judith bij een telefooncel voor het Centraal station Amsterdam, tot de liefde tussen hen beiden op de laatste pagina een feit was, (nu lijkt dit een liefdesroman maar vergis u niet). Tussendoor haar leersessies op de bank bij een psychiater. ‘Het was maandagochtend en ik lag op de bank. Ondanks een zekere weerzin mijn analyticus op de hoogte te stellen van wat zich in mijn vrije tijd voordeed, had ik hem verteld van de afspraak met Judith.’ Strikt  kreeg het motto, ‘I saw the house on the hill / it bloomed like a flower in the summerend /Tell the fire where the river bends / tell the river when the fire ends’, van The Nits mee. Haar tweede roman Weg kreeg de regel, ‘I take you down the only road I’ve ever been down.’, van The Verve mee.

    Als je zolang gewacht hebt op een nieuw boek van een schrijver wiens eerste twee boeken zich totaal voor je hebben ingenomen, was het een feestje Het laatste voorjaar in handen te houden. Mooi omslag, hup openslaan, eerste blad, het motto is van Bob Dylan, ‘They say everything can be replaced / Yet every distance is not near’. Verandering ja, daar gaat het over, dat elke verandering geen vooruitgang is. Toen begon het gretige lezen, maar wacht. Minke Douwesz lees je niet snel, haar boeken zijn geschreven om bladzijde voor bladzijde tot je te nemen. Ik lees over de drieënvijftigjarige docent Duits, Ese Jelles. Na de dood van haar geliefde vrouw Martie, verschillende veranderingen op school, neemt ze ontslag. Ze vertrekt op de fiets voor een reis naar Jalta op de Krim waar ze het huis van Anton Tsjechov wil bezoeken.

    Ese, is net als Idske in Strikt, een vrouw om van te houden. Een vogelsoort bij naam kennen, waarom?  Ese, ‘Het is van belang te beseffen dat er verschillende soorten bestaan. Dan kijk je beter.’ Tijdens haar reis door Europa, komen er herinneringen  aan haar jeugd boven. Aan haar vader, voor wie iets nooit goed genoeg was. Gedachten aan Martie, hun leven samen. Naar een nieuwe relatie is Ese niet op zoek. Haar zus vindt haar te jong om alleen te blijven. Waarop Douwesz’ alter ego zegt, ‘Ik ben zo’n stoelviltje dat maar één keer plakt.’ Haar zus stelt haar rouwverwerkingstherapie voor, reactie van Ese is, ‘Wil je me anders hebben?’ Wat ik een geweldige opmerking vind, want proberen we elkaar niet altijd te veranderen naar hoe we het graag hebben willen? Daar gaat het dus ook over in dit boek. En over lezen, schrijvers en boeken , wat die doen. ‘[Schrijvers] bekijken de boel vanaf de zijlijn, proberen te snappen wat ze zien en zetten dat op papier. Door het lezen van Russische literatuur zou je ten onrechte gaan denken dat men daar heel beschouwend is.’ Om haar gedachtengangen, waarnemingen en de liefde is het dat ik graag Minke Douwesz lees.

     

    Het laatste voorjaar / Minke Douwesz / 333 blz. / Uitgeverij Van Oorschot


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest (en hoort).