• Bloemlezing als zelfportret

    Bloemlezing als zelfportret

    Marga Minco (1920), een van onze meest succesvolle naoorlogse schrijfsters, heeft een kleine bloemlezing uit haar oeuvre samengesteld die onder de titel Na de sterren is verschenen bij Van Oorschot. Het is het derde deel in de mooi uitgevoerde serie ‘Gedundrukt door Van Oorschot’. Simon Carmiggelt en Annie M. G. Schmidt gingen haar voor. Opnieuw een auteur die niet tot het eigen fonds van deze uitgever behoort. Wat hebben deze uitverkorenen gemeen. Ongetwijfeld dat ze niet ‘exclusief’ zijn, niet voor de ‘happy few‘ schrijven, toegankelijk voor iedereen. Karel van het Reve heeft eens van Toergenjevs verhalen gezegd dat ze geschikt zijn voor zowel de lezers van Libelle als die van Tirade, en dat geldt ook voor deze auteurs. Verder hebben ze alle drie hun naam gevestigd in de jaren vijftig en hoorden ze niet bij een stroming of tijdschrift. Het zijn autonome grootheden. Een schrijver moet veel in zijn mars hebben om zo’n breed publiek aan te spreken.

    Verhalen en romans

    Na de sterren is als volgt samengesteld: eerst negen verhalen uit de periode 1940-1965, dan de roman Een leeg huis (1966), daarna dertien verhalen uit de periode 1968-2007 en tot slot het verhaal ‘Namen’ (1979). De eerste afdeling eindigt- en de laatste afdeling begint met een sprookje. ‘Namen’ is uit de chronologie losgemaakt. Het wordt bovendien als enige bijdrage voorafgegaan door een blanco pagina. Dat wijst op een doordachte compositie van de hele bundel. Wat valt daaruit op te maken. Het is de moeite waard daar stil bij te staan, want wie op hoge leeftijd een keuze uit eigen werk samenstelt, zegt toch eigenlijk zoveel als: ‘Dit ben ik’. De bloemlezing als zelfportret.

    ‘Namen’ gaat over de kindertijd. Dat Minco in een deels traditioneel Joods gezin in de provincie opgroeide, komt amper ter sprake. Wél dat ze als baby een kasplantje zou zijn geweest en dat ze tot afschuw van haar moeder bijna op 1 april was geboren en dat ze om haar naam, Sara, werd uitgejouwd. Ze ging zich Selma noemen, naar Selma Lagerlöff. Al voor de oorlog publiceert ze in de plaatselijke krant, onder pseudoniem. En dan komt de bezetting en daarmee de verklaring van de naam waaronder we Marga Minco kennen: ‘In de jaren van mijn onderduik was ik voor al mijn vrienden Marga en bij die naam heb ik het verder gehouden’.

    Met deze woorden eindigt niet alleen het verhaal maar tevens het hele boek en ook de lezer die niets van Marga Minco wist, begrijpt dat de verwijzingen naar bezetting en jodenvervolging niet zomaar een decor zijn, zoals de Tweede Wereldoorlog dat bijvoorbeeld voor W.F. Hermans kon zijn, maar een door de auteur aan den lijve ervaren werkelijkheid.

    Voer voor schriftgeleerden

    ‘Namen’ vertelt van kwetsbaarheid, de drang of noodzaak je schuil te houden en van een beginnend schrijverschap, en het verklaart de auteursnaam: geboren uit nood, een schrijversleven lang aangehouden. Ook uit de eerste afdeling, ’40-’65, blijkt die weloverwogen ordening. Minco zet daar het sprookje ‘Het lelijke knikkertje werd mooi’ (1940), aan het eind in plaats van aan het begin. Het is niet eerder in boekvorm verschenen en het is geen meesterstuk, oppervlakkig gezien een variatie op ‘Het lelijke jonge eendje’ van Andersen. Toch mocht het kennelijk in deze bundel niet ontbreken, en het moest kennelijk op deze plaats staan, dus net als ‘Namen’ niet op chronologische volgorde. Wat wil Marga Minco ons met de compositie van deze bundel, dit zelfportret, zeggen? Voer voor schriftgeleerden.

    In ruim de helft van de verhalen en ook in de roman spelen de gevolgen van antisemitisme, bezetting, vervolging, onderduik, deportatie en Jodenmoord een rol. Dat verbaast niet, want daarin heeft Minco haar onderwerp gevonden en daar is ze beroemd mee geworden. Haar debuut Het bittere kruid is alleen al in Nederland bijna een half miljoen keer gedrukt.

    Let wel, we lezen voornamelijk over de gevolgen voor de overlevenden, voor wie de wereld geschonden is en vaak onherbergzaam lijkt. Voor wie de doden juist door hun afwezigheid aanwezig zijn, en wier leven aanvoelt als een ‘leeg huis’. Misschien heet deze bundel ook daarom Na de sterren: na de bezetting, na de jodenster. De roman Een leeg huis is het middendeel van de bundel en vertelt van het ontregelde bestaan en zieleleven van twee overlevers van de onderduik. Het schuldgevoel jegens de gestorvenen. Het onvermogen het leven te hernemen. De moeizaamheid van relaties. De ene vrouw redt het niet, de andere ploetert voort. De roman eindigt heel terughoudend in majeur.

    Afwezigheid van oorlog

    Er zijn tien verhalen waarin de oorlog niet voorkomt. ‘Een voetbad’, laat een Roald Dahl-achtige humor en wreedheid zien. Het oergeestige ‘Vlinders vangen op Skyros’, waarin een schilder die te weinig meetelt in de bohème zijn status opkrikt met verzinsels die hij vervolgens tegen zijn zin, gedwongen is ten uitvoer te brengen. Het hartverscheurende ‘Iets anders’, over een huisvrouw die na een winkeldiefstal op het politiebureau ondervraagd wordt. Deze voorbeelden komen allemaal uit het gedeelte 1940-1965, waaruit blijkt dat Marga Minco, anders dan haar reputatie zou kunnen doen geloven, niet uitsluitend de schrijfster van de Jodenvervolging is en dat ook in de jaren vijftig al niet was.

    De verhalen uit deze periode zijn sterker dan de latere. Vergelijk bijvoorbeeld ‘Iets anders’ (1957), met ‘Om zeven uur’ (1974), dan maakt het latere verhaal een wijdlopige indruk. Beide keren gaat het over een middelbare vrouw in moeilijkheden, maar in het oudere verhaal is de vertelling veel strakker gecomponeerd en daardoor veel aangrijpender. Ook blinkt dat verhaal uit door de feilloze aandacht voor ogenschijnlijk triviale details om de ontregelde gemoedstoestand van de hoofdpersoon te kenschetsen, een wonder van suggestiviteit.

    Eén onderwerp is er in deze bundel dat vrijwel alle verhalen en ook de roman verenigt: de vrouw en haar eenzaamheid. Eenzaam in het huwelijk, eenzaam als vrijgezel. Met of zonder oorlogsleed. Soms op het radeloze af, meestal in de vorm van het besef, overdrachtelijke gesproken, een leeg huis te bewonen. Dit boek is een verademing, geen geschreeuw, veel wol. De verteltrant is helder, onopgesmukt, trefzeker. Zware stof wordt ingehouden verteld of slechts omzichtig aangeduid. Op haar best is Marga Minco een schrijfster ‘con sordino’. Dat geeft haar verhalen een grotere indringendheid dan trommels en trompetten.

     

     

  • Het archief, 10 jaar Literair Nederland, 2005: Briefwisseling 1951 – 1987

     

    Om één recensie uit een archief vol leeservaringen te kiezen is natuurlijk geen doen, maar dat mag geen reden zijn het te laten. Ik stuitte in mijn zoektocht op een geleerd, maar leesbaar exposé over Elementaire Deeltjes van Michel Houellebecq, van Ludo Hellemans waarin het boek vakkundig ethologisch wordt neergezet op zodanige wijze dat het allerminst zou misstaan in een literair periodiek dat je niet onder de € 10,- koopt. Kwam onder meer een mooie bespreking tegen van de verzamelpoëziebundel Altijd weer dit leven van de niet voor één gat te vangen Pieter Boskma daterend uit een tijd dat de recensent nog anoniem mocht blijven. Maar het leukst vond ik de aanbeveling ‘zeer de moeite waard’ te lezen achter de prijs van de gebonden editie van de briefwisseling tussen Gerard Reve en uitgever Geert van Oorschot. Zoiets lees je nooit in een krant en de methode van deze recensent, Coen Peppelenbos, zou navolging verdienen. Als het boek nog niet in mijn kast stond, zou ik het mijzelf van harte bij wijze van kerstgeschenk gegund hebben, want de recensent komt met een citaat dat mij als geïnteresseerde lezer over de streep zou hebben getrokken. Gerard Reve valt daarin broer Karel aan in diens keuze van boektitels: ‘Een boek moet dus niet heten: Waarom Die & Die Misschien Gedeeltelijk Ongelijk Heeft, maar: Op Weg Naar Het Einde, De Avonden, Nader Tot U, Weg Met De Arbeiders, De Geile Jongens Van De Boslaan, Elke Zondag Seks Voor Niks. Kijk de kleine problemen van de schrijver & zijn taalkundige onmacht, die moet hij geheim & voor zich houden. Dus Niet als titel: Een Knoop Die Ik Er Steeds Weer Aanzette Ging Telkens Weer Los, maar: Naaien Tot Je Er Bij Neer Valt.’ Zet zoiets eens af tegen de Kersttoespraak van onze vorstin en je beseft weer welk kostbaar bezit je met een goed boek in handen hebt.

    Briefwisseling 1951-1987 
    Gerard Reve en Geert van Oorschot
    Uitgeverij van Oorschot, € 32,50

     

    Lees ook Uit het archief, 10 jaar Literair Nederland:
    2011, Knip dan, toe dan 
    2003, De zwemmer van Zsuzsa Bánk
    2003, Alleen op de wereld
    2005, Het kleine meisje van meneer Linh


    en: 
    Een herinnering aan 10 jaar Literair Nederland

  • Verdwaald in bildungsroman

    Verdwaald in bildungsroman

    Een kamer in Rome lijkt een bildungsroman pur sang. Dromerige jongeman met ‘leeservaring maar nauwelijks levenservaring’ gaat na verbroken relatie op reis via virtuele roman, literaire grootheden en Italiaanse wegen, op zoek naar de zingeving van zijn bestaan.

    Daniël van Duren, student literatuur wetenschap wordt na een half jaar samenwonen, verlaten door zijn vriendin. Op de valreep ontvangt hij van haar moeder de (virtuele) novelle Een tuin in Toscane, geschreven door Alle Waterink. Het zal geen toeval zijn dat hij op dat moment werkt aan een referaat over de virtuele roman (een roman in een roman die niet in fysieke vorm bestaat). Vooral Nabokovs The Real Life of Sebastian Knight houdt hem bezig.

    De novelle Een tuin in Toscane leest hij meerdere keren om de betekenis van het daar weer in ondergebrachte virtuele verhaal te achterhalen. Van de schrijver is alleen bekend dat hij in Italië woont. Daniël maakt zich op daarheen te vertrekken in de hoop Alle Waterink te vinden en hem te bewegen tot een herdruk, waarvan hij dan het voorwoord wil bezorgen. Dromeriger kan haast niet en gekleed in Armani spijkerbroek met in zijn rugzak een biografie van de Engelse dichter John Keats (die genoemd wordt in de virtuele novelle) en diens complete werk en een vers gekocht Moleskine boekje, reist hij af naar Italië.

    Voor twee weken (de tijdsspanne waarin de roman zich verder ontvouwt), betrekt Daniël een appartement in een middeleeuws stadje in Toscane. Hij maakt kennis met verschillende mensen die de auteur Alle Waterink gekend hebben. Te beginnen bij Andrea, eigenaar van de enige boekwinkel in het stadje. Hij verwijst Daniël door naar zijn jeugdvriend Federico, die in nauw contact staat met Alle Waterink. Met behulp van Federico vindt er een ontmoeting plaats tussen Daniël en de, zo blijkt, terminaal zieke Alle Waterink.

    Melissen toont zich beslist thuis in de literaire wereld, maar een teveel vertoon van die kennis werkt storend. De stigmatiserende beeldvorming die hij gebruikt, is dwingend. Zoals de ‘Armani’ spijkerbroek die Daniël draagt en het ‘Armanipak’ dat de verhuurder van het appartement in Toscane juist ‘niet’ draagt. En wanneer Daniël in zijn Toscaanse appartement de virtuele novelle (te vaak als ‘het boekje waar alles mee begonnen was’ betitelt) midden op de keukentafel legt, moet de lezer dit als volgt zien: ‘Het was een mooi gezicht in plaats van borden en pannen, boeken en papieren op een keukentafel’. Maar een lezer laat zich niet dwingen, die wil meegevoerd worden. En dat lukt Melissen maar amper, buiten de couleur locale beschrijvingen, krijgt hij je als lezer niet echt mee. Het altijd terugkerende Moleskineboekje lijkt alleen een aanleiding om Hemingway en Chatwin als literaire boegbeelden in deze roman te laten figureren. Zij gingen volgens de tekst op de wikkel van het notitieboekje en door de auteur geciteerd: ‘nooit zonder een dergelijk boekje op stap’.

    Dit alles geeft de indruk dat de auteur de lezer flink onderschat. En ondertussen vraagt Daniël zich af: ‘Beantwoordde ik aan het beeld van een schrijver?’

    Aldus een bildungsroman, waarin niet gezocht wordt naar de waarheid in het leven maar naar de schrijver in zichzelf. Een zoektocht waar met moeite vat op te krijgen is door de detaillistische schrijfstijl die doet vermoeden dat er meer in het verhaal zit dan bij eerste lezing naar voren komt maar niet echt los wil komen. Jeroen Brouwers ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt’ speelt daarbij stevig door het hoofd. Er vinden vele ontmoetingen plaats maar Daniël verbindt zich met niemand. Hij vermijdt de jeugd in het Toscaanse stadje, ontvlucht Federico wanneer deze toenadering tot hem zoekt en aan het bed van Alle Waterink weet hij geen woord te zeggen en doen veelbelovende zinnen als: ‘Ergens in dit landschap woonde de schilder die niet wist dat ik naar hem op weg was’, pathetisch aan.

    De ontmoeting met Alle Waterink is een anticlimax; hij is niet de schrijver van de novelle en wie dat wel is, blijkt niet langer van belang te zijn. De opdracht die Daniël zich aan het begin van zijn onderneming stelt: ‘Het verslag in mijn rode Moleskineboekje zou een detective worden. Op de eerste pagina werd niet een lijk gevonden, maar een novelle die nergens geregistreerd stond, (…). Ik ging de man opsporen die hier verantwoordelijk voor was’, geeft de indruk dat er een daadkrachtige zoektocht op touw wordt gezet maar niets blijkt minder waar.

    Maar de verrassing zit in het staartje. Wanneer Daniël zijn zoektocht afsluit met een bezoek aan Rome om een vriend uit Nederland te ontmoeten, gebeurt er in iets meer dan een halve pagina meer met Daniël dan in heel het voorgaande. Met terugwerkende kracht komt het verhaal  in beweging. De suggestie wordt gewekt dat het boek niet het boek is dat je denkt gelezen te hebben. Dat boek zal nog geschreven worden door Titus, alias Daniël van Duren. Want Daniël overweegt te verdwijnen. ‘Onder andere namen verder gaan. Altijd vijfentwintig blijven.’ De leeftijd waarop Dorian Hope, personage uit het tweede deel van de novelle Een tuin in Toscane, verdwenen was. En niet te vergeten Keats, die in Rome stierf.

    Zoals in Nabokovs The Real Life of Sebastian Knight, waarin twee romanpersonages, uit de roman en de virtuele roman, één worden. Met deze, in een mooie passage beschreven wens van Daniël om op te gaan in een verhaalpersonage, lijkt het boek te worden gered en is het tevens een uitnodiging om de roman nogmaals te lezen. Zoals ook Daniël de virtuele novelle meerdere malen herlezen heeft om de intenties van de novelle te bevatten, wordt erop aangestuurd dat dit ook gebeurt met Een kamer in Rome. Maar daartoe is het vlakke  karakter van Daniël  net niet uitnodigend genoeg.



     

  • Van Oorschot Poëziekalender 2013

    Gesignaleerd door de redactie

    De Van Oorschot Poëzie kalender (2013) verschijnt dit jaar voor het eerst. ‘Van Oorschotpoëzie’, of ‘Tiradepoëzie’, heeft de naam verstaanbare poëzie te zijn: de poëzie van Vasalis, Herzberg, Kopland en Morriën. Maar daarnaast levert bijna zeventig jaar uitgeven en vertalen zoveel meer op: Verlaine, Majakovski, Van Ostaijen, Marjoleine de Vos, Vikram Seth, Emily Dickinson, Lieke Marsman en vele anderen.

    Deze kalender biedt dus de liefhebber, maar ook de beginner de kans om kennis te maken met zeer veel goede poëzie, of de kennismaking te hernieuwen.
    Een heel jaar lang iedere dag een nieuw gedicht.
    De opbrengst van deze kalender komt geheel ten goede aan het voortbestaan van literair tijdschrift Tirade. Het tijdschrift waar vrijwel alle gekozen dichters voor de Poëziekalender 2013 in gepubliceerd hebben.

     

    Poëziekalender 2013

    Dagkalender
    Prijs: € 15,00
    Uitgeverij Van Oorschot

     

  • De nieuwe Tirade en twee voorgaande edities hier belicht

    In de laatste drie edities van Tirade zetten dichters en literatuurbeschouwers de toon en schrijft Joop Goudsblom verder aan zijn memoires. De tijdschriften bevatten een fijn aanbod van onlangs gedebuteerde – en debuterende auteurs, vertaalde literatuur en persoonlijke literaire verslagen. Tirade onderscheidt zich wel degelijk door plaats te bieden aan een mengeling van prille en doorgewinterde auteurs die in hun stijl verrassen en aan het denken zetten. 

    De nieuwste Tirade (nr. 443) is een themanummer over de auto in de wereldliteratuur: Het Tirade-autonummer, ‘speciaal gemaakt voor hoedenplank en dashboard’. ‘Hoedenplank’ en ‘dashboard’ roepen nostalgische gevoelens op aan vervlogen tijden. Hoofddeksels worden er tegenwoordig in alle soorten en modellen gedragen maar wie legt nu nog zijn hoed op de hoedenplank sinds het veelkleurige gehaakte hoedje (om de aanwezigheid van de onvergetelijke closetrol te camoufleren), de respect afdwingende hoed van vader of opa daarvan verdreef? Ook die closetrol is inmiddels van zijn plaats verdreven. Ruimte genoeg dus voor Tirade.

    Jeroen van Kan vraagt zich af in Dichters rijden niet, waar de mythe vandaan komt dat dichters niet geschikt zijn voor het autorijden en zo ja, waarom dat zo is. Is het simpel omdat ze dan ongelimiteerd drank tot zich kunnen nemen? Met behulp van een enquête kwam Van Kan tot de hem verbazende conclusie dat de helft van de geënquêteerde dichters wel autorijdt.

    De crash, vier keer is een bijdrage van Menno Hartman. Waarin op tamelijk willekeurige manier, zoals je een mooi veldboeket samenstelt, auto gerelateerde ervaringen uit de wereldliteratuur zijn samengebracht. Waaronder literaire werken als Machines en emoties van Hermans en Kousbroek, (Hermans schrijft over zijn ‘gesneuvelde lieveling’). De door een verkeersongeval omgekomen schrijvers Italo Svevo, Albert Camus en Roland Barthes als ook de eerste verkeersdode in Engeland (1869) vinden een plek in dit boeket aan autoleed op wereldniveau.

    Van Vrouwkje Tuinman het gedicht LiveHammer, dat welhaast voor zichzelf spreekt. In Autogedichten droomt Delphine Lecompte dat ze verkracht wordt op de achterbank van een taxi door een imker. ‘De taxi heeft geen chauffeur / De taxi heeft een dode chauffeur.’ Geheel des Lecomptes is het dat ‘de verkrachting’ leest als stond er bijvoorbeeld ‘ze dronken een kopje thee’.

    De invariant van M.G. Jansen gaat over de ervaringen van een perfectionistische treinreiziger die de tijd en zichzelf volledig onder controle lijkt te hebben. Als hij in een treincoupé zijn overbuurman observeert, corrigeert hij zichzelf direct: ‘Bekijk hem niet te lang, kijk naar buiten, met een hand op je tas.’ Jansen schrijft in een dwingende ritmische stijl die, tussen de observaties door, doen geloven dat de man vrij is, dat hij elk moment uit de trein kan stappen waar hij maar wil. ‘Je wilt iets groters, iets onmogelijks. Je wilt de coupé ontstijgen, boven je lucht zien en niet geleid worden (…).’ Het verhaal toont zich in eerste instantie langdradig, je denkt, ‘laat die man uitstappen, zijn vrijheid vinden’. Maar dan, de titel De Invariant indachtig is het duidelijk. Deze man zal nooit veranderen. Een knap beklemmend verhaal.

    In een bijdrage van Geerten Meijsing Eerste rit heeft hij het over zijn relatie met zijn onlangs overleden zus, Doeschka Meijsing. Herinneringen aan zijn kinder- en jeugdjaren die hij begint met: ‘Ter begrafenis van mijn onlosmakelijke zuster was mij door de familie een spreekverbod opgelegd, (…).’ Geerten Meijsing deelt beslist geen pluimen uit en leeft, zoals hij zelf zegt, geheel afzijdig van de Nederlandse literatuur. Eerste rit is een eigenzinnige en daardoor ontroerende hommage aan Doeschka Meijsing.

    Van Tsead Bruinja het gedicht Fennema. Een gedicht, waar achter de ogenschijnlijk simpele strofen, weemoed en wraak op de loer liggen.
    ‘fennema had een zuur hoofd en met dat hoofd / en dat wijf zou hij in ons huis wonen / (…) / fennema had twee zonen ze keken / gemeen uit hun ogen maar niet zo zuur als hun vader /op mijn slaapkamer lachtte de ene me uit / hier zal ik me wel vermaken / maar ik geloof niet dat hij uren door het raam / de weilanden over vloog of brood met aardbeien/ en suiker in de tuin opat’
    De weemoed om het huis van de jeugd, met al zijn toekomstverwachtingen, dat verlaten werd, zal nooit slijten. De dichter wil er naar terug, de sterfelijkheid trotserend.
    ‘(…) maar moeder is allang dood / en het huis staat er nog / als ik dood ben zoek ik haar op / gaan we samen terug / jagen we fennema er uit’

    Meer poëzie van Sylvia Hubers, Gerard van Hameren, Kreek Daey Ouwens en proza van Thomas Heerma van Voss, de Schotse schrijver Norman Douglas (1935). Herinneringen aan het kopen van een Dinky Toys van Joop Goudsblom en Joris van Casteren schreef een reisverslag Het glas van Casanova. Met zijn vierjarige dochtertje reisde hij naar het graafschap Suffolk om daar de locaties uit De ringen van saturnus van de schrijver W.G. Sebald (die overigens in 2001 bij een auto ongeluk om het leven kwam), te gaan bekijken. Per fiets reisde Van Casteren door het graafschap en schreef er een mooi verslag over.

    In Kroniek van de roman onderwerpt Carel Peeters de nieuwe roman van Gerrit Komrij De loopjongen aan een diepgaander onderzoek onderwerpt dan de meeste recensenten deden (die het vooral een ‘echte’ Komrij vinden) en noemt Komrij liefkozend een ‘scheppende schizo’ zoals W.F. Hermans een ‘scheppende nihilist’ was.

    In Tirade – 442 – (Februari 2012) proza van Gilles van der Loo. Dag, Bert over een prettig gestoorde oudere vrouw die zich onweerstaanbaar  gedraagt in een smoezelige echtscheidingsprocedure. Van Daan Heerma van Voss het verhaal Veldkinderen, een ontmoeting tussen twee vrienden. Heerma van Voss heeft een indringengde en bewegende stijl: ‘Rennende kinderen trekken onze blikken mee, (…) Onwillekeurig lacht hij even, mijn vriend. Dan, alsof betrapt, staat hij op om koffie te halen.’ Mooie beschrijving van twee mensen die elkaar alles al gezegd hebben.

    Esther Naomi Perquin componeerde Boekarest, een éénpersoons reisadvies. Perquin is in eerste instantie dichteres en dat is terug te vinden in haar proza. In korte hoofdstukken, waarin ze afstand neemt tot de gebeurtenissen, beschrijft ze haar verblijf in Roemenië. Zinnen als: ‘Kom er aan op een doordeweekse dag.’ of ‘Dat het toeteren dat je hier hoort een andere betekenis heeft dan thuis.’ en ‘Er is een lunch waarbij je aan twee Roemeense schrijvers zult worden voorgesteld.’ geven een gecomprimeerd beeld van Perquins waarneming. Fijne literatuur die zich graag opnieuw laat lezen.

    Willem Otterspeer werkt aan een biografie over W.F. Hermans waarbij hij een correspondentie tegenkwam tussen Hermans en Jan Emmens die ooit een essay over Hermans schreef dat om een of andere reden publicatie steeds misliep. Volgens Otterspeer ‘(…) een van de beste essays ooit over Hermans geschreven.’

    Verder een verhandeling van W.I.M. van Calcar over Vrijheid van meningsuiting in historisch en taalkundig perspectief, schreef Arnold Heumakers een goed stuk over De verthrillering van de literatuur aan de hand van Bonita Avenue en Merijn de Boer de bijdrage De bril van Campert. Het debuutverhaal van Isaac Babel De oude Sjloime werd vertaald door Froukje Slofstra. Een sfeervol wintersprookje Victor Halfnar van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) en proza van Sander Kollaard.

    Gedichten zijn er van Hans Mirck, Mees Hartog, Tjarda Eskes, Anton Korteweg, Adrienne Rich, Linda Greg, Adam Clay en Richard Sikken, de laatste vier in een vertaling van Lieke Marsman. En is Carel Peeters in Kroniek van een roman vol lof over de roman Grip van Stephan Enter.

    In Tirade – 441 – (december 2011) een bijdrage van socioloog Joop Goudsblom (1932). Zijn memoires startte hij in Tirade nr. 429 (2009) en zet hij voort in dit nummer. Een beter podium voor de (voorpublicaties?) van de memoires van Goudsblom (1932) kan men niet bedenken. Goudsblom was ooit (1957) medeoprichter en kwam met de naam ‘Tirade’. In een portretinterview in de Groene Amsterdammer (2-02-2012) sprak Goudsblom onder andere over zijn memoires en dat het een moeilijk genre is. Ze moeten goed geschreven zijn, geen woord teveel bevatten en je moet geloven in wat er aan herinneringen is bij gebleven. ‘(…) ik geloof er ook echt in. Zo moet het gegaan zijn. Ik durf mijn hand ervoor in het vuur te steken’, aldus Goudsblom over zijn memoires. Scholier in oorlogsrijd (memoires, deel II) is een sobere weergave van herinneringen die, doordat ze dus goed opgeschreven zijn, niet anders gebeurd kunnen zijn. Het is zoals het was en niet anders. Goudsblom wil met deze memoires geen tijdsbeeld schetsen, dat dit toch gebeurt komt door het zodanig componeren van de herinneringen dat de tijd waarin het speelt, als een soort couleur locale vanzelf verschijnt. ‘(…) zoals op een oud familiefilmpje, opgenomen om het gedrag van kinderen vast te leggen, onbedoeld nog te zien is hoe de tuin er toen bijstond.’ Mooi is dat.

    Merijn de Boer reisde In het kielzog van Albert Helman door het Surinaamse binnenland. In zes weken voer de schrijver Helman in een uitgeholde boomstam en met drieëndertig man personeel over de Surinaamse rivieren. De Boer en zijn familie passen zich aan de tijdgeest aan en reizen met twee bootsmannen en twee gidsen.

    Verder een in memoriam in briefvorm van de hand van Jeroen van Kan aan de vorig jaar overleden literatuur- en toneelwetenschapper Hans van den Bergh (1932-2011). Debuteert Sebastiene Postma met de twee proza gedichten; Hulp II en De Jakobsladder. En verhalen van Julien Ignacio, Edith Wharton, Victor Frölke, Michiel Heijungs en Marijke Schemer. Meer poëzie van Jan Kruizinga, Hedwig Selles en Nicky Theunissen.

    Carel Peeters schreef in zijn Kroniek een verhandeling over de rol van de grootvader als beschermheer in de werken van Jeroen Brouwers aan de hand van Bittere bloemen.

    Uitgever Wouter van Oorschot plaatste een ‘kadertje’ in deze editie. Hiermee een initiatief van zijn vader, Geert van Oorschot volgend waarin hij jaarlijks lezers opriep nieuwe abonnees te werven en wanbetalers verzocht hun achterstallige betalingen te voldoen. De huidige uitgever, achtte het tijd voor een kadertje nu het voortbestaan van Tirade afhangt van ‘kapitaalkrachtige abonnees met een onbedwingbare mecenaatwens’. Welnu, die mogen zich, wat Van Oorschot betreft, laten gelden om het voortbestaan van Tirade te waarborgen.

    Welke auteur in welke editie precies publiceert, is na te zien op de site van Tirade. Een site die er nogal stilletjes uitziet maar waar maandelijks een auteur resideert die bijna dagelijks een blog schrijft. In het verleden waren dit o.a. Maartje Wortel, Jan van Mersbergen en Menno Wigman. Op dit moment is Sander Kollaard de Tirade blogger. Kollaard woont in Zweden en debuteerde onlangs met de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde bij Van Oorschot. Lees zijn blogs en speciaal de bijdrage van 2 juni, het kan wat teweeg brengen, zo’n blog.

     

    Lees en bestel hier:

    Tirade 443 – mei 2012
    Tirade 442 – februari 2012
    Tirade 441 – december 2011
    Onder redactie van: Ester Naomi Perquin, Merijn de Boer, Menno Hartman en Jeroen van Kan
    Uitgeverij Van Oorschot

    Verschijnt vijf maal per jaar. € 12,50 losse nummers € 40,00 abonnement (vijf nummers) € 34,00 voor studenten en CJP-houders

     

  • Dialoog van een huwelijk

    Dialoog van een huwelijk

    Het werk van J.J. Voskuil bestaat uit meer dan vijfduizend pagina’s waarin zijn eigen leven centraal staat. De roman Binnen de huid (voltooid in 1968 en postuum uitgegeven in 2009) gaat over een dieptepunt in zijn leven waarin hij bevangen raakt door een haast vernietigende verliefdheid op de vrouw van zijn vriend. Een semi-autobiografische roman waarin Voskuil voor het eerst de ik-vorm hanteert. Ook de onlangs verschenen roman De buurman valt onder deze categorie.

    In De buurman legt de schrijver getuigenis af – voornamelijk in dialogen – van de ongelijkwaardige vriendschap met het homoseksuele stel Petrus en Peer. Waarbij  het onvermogen zijn vrouw te kunnen volgen in haar blinde gedrevenheid dit stel in hun leven te betrekken, onverbloemd aan de oppervlakte komt. De eerste passage uit het boek geeft een kijkje achter de voordeur van huize Koning wanneer er nog geen vuiltje aan de lucht is. Een kennis- making met Maarten en Nicolien, en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Voor de liefhebbers van Voskuil zal dit een voortzetting van de kennismaking betekenen en voor degene die met De buurman het eerste boek van Voskuil openslaan, een passende introductie.

    Voordat Petrus (60 jr.) in het achterhuis kwam wonen en later Peer (45 jr.) bij hem introk, zat er een groothandelaar in wc-potten. Maarten en Nicolien hebben de man in kwestie nooit ontmoet. Wel hoorde Nicolien hem elke werkdag langskomen als Maarten naar zijn bureau was en zij de afwas deed. Ze hoorde hoe hij over het portaal liep, de negen treden naar het achterhuis beklom, zijn voordeur opende en weer zachtjes achter zich sloot. Ze wist dat het een oude man was. Dat ook kon ze horen.

    Op een dag wordt er gebeld. De oude man staat voor de deur en Maarten nodigt hem binnen waar hij met Nicolien aan de borrel zit en biedt de man er ook een aan. Het is de directeur van het bedrijfje in het achterhuis, die aankondigt te gaan verhuizen. “‘U gaat verhuizen!’ zei ik verrast. Hij knikte. ‘Eind van de maand.’ ‘Dat is jammer.’ ‘Ik vind het ook jammer, maar het kon niet anders.’ ‘Omdat we altijd een goede buurman aan u gehad hebben ’ Ik keek naar Nicolien om een bevestiging. ‘Ja,’ zei ze. ‘En ik aan u,’ zei hij beleefd. Er viel een stilte waarin ik het nieuws verwerkte.”

    Een rustige passage in een verder zeer onrustig boek, waarin de Konings nooit meer zo’n goede buurman zullen treffen. De eigenaardigheden van Nicolien (die het niet verdraagt tegengesproken te worden) en Maarten (die de discussie nooit echt aangaat) ontaarden geregeld, zo niet constant in vlammende ruzies. En deze ruzies worden altijd ‘afgedwongen’ door Nicolien. Zo gauw er derden hun leven binnnentreden, ontstaan de irritaties over elkaar vanzelf. Veel huwelijken kunnen als een mijnenveld beschreven worden waar de echtelieden alles vermijden om de pais en vree niet te verstoren. Echter, zo gauw er derden binnenkomen, verliest men het zicht op de kwetsbare plekken, wordt men roekeloos. Zo ook Maarten Koning die er in gezelschap van alles uitflapt. Met het gevolg dat er in het mijnenveld plofjes ontstaan of heftige uitbarstingen. Uiteraard achter gesloten deuren. Na iedere ontmoeting met de buren uit het achterhuis voelt Nicolien de behoefte elk woord te herkauwen, speurend naar onvolkomendheden. En die zijn er altijd te vinden, waar Maarten dan op wordt afgerekend.

    Hoewel Nicolien aan het begin van het boek roept dat ze toch echt niet hoopt dat er in het leegstaande achterhuis aan de Herengracht waar ze wonen, een echtpaar intrekt, ‘Want ik heb geen zin om hier samen huisvrouwtje te gaan zitten spelen.’ (…) ‘En dan bij elkaar op de koffie of de thee zeker. Ik denk er niet over!’ (…) ‘Wat zou ik dat verschrikkelijk vinden!’ is dat precies wat ze zelf inzet in haar contact met de nieuwe buren. Een kopje thee over en weer, een borrel, koffie en taart op verjaardagen en zelfs samen uit eten en gedeelde vakanties. Nicolien is ervan overtuigd dat homo’s tot de underdogs van de samenleving behoren en daarom haar toewijding verdienen en ook die van Maarten. Maar daar past hij voor. Een vriendschap dus waarin onderling veel getolereerd wordt en waar hun huwelijk flink onder te lijden heeft.

    Maarten doet zijn best maar zijn pogingen zijn tot mislukken gedoemd omdat hij het stel  niet serieus kan nemen. ‘Vanachter gezien leek Petrus nog het meest op een kever: kromme, dunne benen in een te korte, te nauwe zwarte broek, waardoor zijn knieën opvallend uitstaken, daarboven een onbeweeglijke rechthoekige massa in een te groot jack, met daar weer boven dat eigenaardige hoofd met sprieten die stijf vooruitstaken boven de ogen en rond de mond.’ De vriendschap loopt de nodige schade op door nogal wat boute uitspraken van Maarten. Het zal je maar gezegd worden dat de badkamer in het huis van je zus (Peer), waar ze met zijn vieren vakantie vieren, ‘iets weg heeft van een bordeel’.  Maarten is zich van geen kwaad bewust maar het einde van de vriendschap is ingezet.

    Wanneer Petrus en Peer hen ontwijken en er duidelijk iets aan de vriendschap schort, slooft Maarten zich uit in gedienstigheid. Hij neemt de krant voor ze mee en gaat zelfs zo ver dat wanneer Petrus een ei komt lenen en ze die niet in huis hebben, Maarten aanbiedt die te gaan halen in de winkel. En wanneer hij ze op straat tegenkomt, verplicht hij zich met ze op te lopen, al was hij duizend keer liever alleen gebleven. Hij manouvreert zich in situaties waardoor hij zo opgefokt raakt dat zijn gezicht ‘stijf staat’ van de spanning.

    In Binnen de huid is sprake van veel opgekropte, ongecontroleerde woede bij Maarten wat onder andere Nicolien moet ontgelden. Geregeld zegt Maarten ‘erop te willen slaan’. Dat zijn handen trillen van ingehouden woede en hij zo gespannen is dat hij zijn blik niet kan richten op zijn gesprekspartner. In De buurman is het Nicolien die met haar verbale agressie jegens Maarten zichzelf overtreft en hem letterlijk en figuurlijk van alles naar zijn hoofd smijt en hem geregeld de deur wijst.

    Maarten beseft niet dat het Nicolien woedend maakt als hij, om ruzie te vermijden haar naar de mond praat. Ze raakt gefrustreerd door zijn ontwijkende gedrag waarmee hij onbewust hun huwelijk in een immer kabbelende kibbelstand zet. ‘Misschien ben jij ook eigenlijk bang voor ruzie. Ik vind ruzie fijn. Ik zou nog veel scherper willen zijn.’ zei Nicolien al in het begin van hun huwelijk (Uit: Binnen de huid, pag. 59). Maar in een meningsverschil met Maarten over Peer en Petrus eist ze haar territorium op en snoert ze Maarten de mond. ‘Peer en Petrus, is mijn terrein. Daar weet ik alles van af!’ Als Maarten haar waarschuwt dat ze haar kunnen horen, schreeuwt ze: ‘Ze zijn niet thuis! En dan heb jij te luisteren! Dan moet je zeggen: ‘O, zit dat zo? Dat wist ik niet. Dat is interessant. Want zo heb ik het nog nooit gezien.” Dat moet je zeggen.’ Waarna ze opnieuw begint te huilen en het ruziemaken waarvan ze ooit zei te houden, wel een zeer eenzijdig actie is geworden.

    Het werk van Voskuil, waarin minutieus wordt beschreven wat er gezegd wordt, en vooral hoe het gezegd wordt (geknepen mond, hij keek weg, of het onvergetelijke ‘van onder de wenkbrauwen kijken’ in Bij nader inzien) en alledaagse problemen die als gefileerde vis gepresenteerd worden, is gretig weg te lezen. In De buurman is het huwelijk verworden tot een plaats waar Maarten zich niet begrepen voelt en Nicolien onvoorstelbaar eenzaam is. Nog nooit is een huwelijk in de Nederlandse literatuur zo van alle vlees ontdaan en tot op het bot beschreven.

    Maar het is niet alles treurnis in De buurman. Want juist deze wanhopige dialogen werken aanstekelijk op de lachspieren. Ik kon het niet laten verschillende dialogen aan mijn huisgenoot voor te lezen (‘luister!’, of, ‘deze is fantastisch’ of, ‘nee, deze, niet te geloven!’). De uitzichtloosheid van deze dialogen werkt bevrijdend want ohzo herkenbaar. Waarna geconstateerd moet worden dat er zo toch best te leven valt. Daarvan getuigt het lange leven dat Voskuil met zijn Lousje deelde, tot de dood erop volgde. Niet onbelangrijk is de ruimte die Voskuil, dankzij diezelfde Lousje, kreeg om aan zijn oeuvre te werken. Woede is een dankbare aanjager om scheppend werk te verrichten.

     

     

  • Uit de nalatenschap – nieuw hoofdstuk Chr. J. van Geel

    door Ingrid van der Graaf

    Elly de Waard plaatst alle gedichten van Chr. J. van Geel, die eerder posthuum verschenen zijn, op haar website. Op het speciaal daarvoor geopende deel over leven en werk van kunstenaar en dichter Chr. J. van Geel.

    Geplaatst onder de titel Uit de nalatenschap is een nieuw hoofdstuk geopend over het werk van Chr. J. van Geel (1917-1974) door dichteres Elly de Waard. De gedichten zijn eerder posthuum, dus niet geautoriseerd, in de bundels Vluchtige Verhuizing en Dierenalfabet verschenen, meestal onder redactie van Tom dan Deel en De Waard. Deze gedichten zijn niet in de Verzamelde Gedichten – omdat ze ongeautoriseerd zijn – opgenomen en de hierboven genoemde bundels zijn niet meer verkrijgbaar. Daarom is het dat De Waard de gedichten online zet zodat – voor wie de gedichten van Van Geel liefheeft – ze daar kan vinden. Op dit moment zijn er 28 gedichten geplaatst en er volgen er nog vele. Hieronder een voorproefje met het openingsgedicht uit het nieuwe hoofdstuk over Chr. J. van Geel op de site.

    Zwanenpaar

    Zij die bij dag niet witter zijn, zij slapen
    nooit in het licht hun droom van witte pauw
    maar in het donker als hun hals zich vouwt
    in veren, als zij niet op vleugels gaan.

    Zij werpen lussen schaduw op elkaar,
    halsdun in hun aanhankelijk beschrijven,
    in hun voor elke tijd bestemd vertoon
    van drijvend boven overleven staan.

    Uit: Vluchtige verhuizing

    Hierna gaat De Waard over tot het plaatsen van werk uit de nalatenschap dat tot nog toe volkomen onbekend is. Als voorproefje daarvan staat er – als een soort motto – een regel van Chr. J. van Geel aan het begin van het onlangs geopende hoofdstuk: ‘Poëzie is een antwoord zoals een maaltijd van meer dan een rauwe wortel een antwoord is op honger.’

    Bezoek de website: www.ellydewaard.nl

    Verzamelde gedichten van Chr. van Geel is te verkrijgen bij uitgeverij Van Oorschot.
    Blz: 1084
    Gebonden € 45,00 .
    Bestellen kan hier.

    De Parelduiker, waarvan hierboven de afbeelding met Chr. J. van Geel en geheel aan hem gewijd, kwam uit in 2009 en is nog te verkrijgen bij www.lubberhuizen.nl/detail.php?id=424.

     
  • Meinummer Tirade – In memoriam

    Meinummer Tirade – In memoriam

    Bij het persklaar maken van het hier te bespreken meinummer van Tirade, kon de redactie niet bevroeden dat het thema In memoriam op de realiteit vooruit liep. Enkele weken later veroordeelde Halbe Zijlstra – zonder slag of stoot – de twaalf meest vooraanstaande literaire tijdschriften in Nederland tot de bedelstaf. Het Letterenfonds kreeg opdracht geen subsidie meer aan deze tijdschriften te verstrekken.

    Volgens Zijlstra worden literaire tijdschriften niet gelezen, dus weg ermee. Een onbezonnen actie die verregaande gevolgen zal hebben voor de literaire ontwikkelingen in Nederland. Met het opdoeken van de tijdschriften zullen ook de redacties verdwijnen. Waarmee het belang van het redactionele advies van een gerenommeerd tijdschrift aan debuterende auteurs, schromelijk onderschat wordt. Zijlstra smoort het toekomstige Nederlandse literaire erfgoed, zonder scrupule, de mond. Een In memoriam is dan zeer toepasselijk, zei het fictief, het biedt troost en geestelijke verrijking aan de literatuurliefhebber in deze moeilijke tijden. En hoop gloort daarna.

    Vijfendertig maal een In memoriam van even zovele schrijvers. Wie heeft nooit een moment gekend dat je eraan dacht hoe je gememoreerd wenst te worden: ‘Van haar voortdurende verbazing werden wij geregeld doodmoe’ (Sasja Janssen), ‘Hij heeft (…) ongeveer 30 kilometer geschreven (…) (Leo Vroman) of: ‘(…) zijn onvermogen binnen de lijntjes te kleuren.'((Detlev van Heest). De werkelijke memorabele feiten, na de dood uitgesproken zal niemand ooit notitie van nemen. Tirade nr. 438. bood auteurs de kans een I.M. over zichzelf schrijven. De ultieme gelegenheid om jezelf eindelijk eens te prijzen waar de kritiek dat nagelaten heeft, of ongestraft te citeren uit eigen werk. Maar ook de donkere kanten treden onverbloemd op de voorgrond, nu er toch niets meer te verrekenen is kan alles gezegd.

    Schrijven over eenzelfde thema door een groot aantal auteurs brengt het risico met zich mee dat het resultaat wat al te eensluidend kan uitvallen, maar daar is hier geen sprake van. Wel kan men – na lezing van pakweg tien bijdragen – spreken van enige I.M verzadiging. Leg het tijdschrift dan even terzijde om het later nog eens door te bladeren – daar nodigt een literair tijdschrift immers toe uit – blader er doorheen, sla een paar I.M.s over voor een later moment en lees nog eens wat terug. Het is genieten om te zien hoe de auteurs met het thema gestoeid hebben. Een enkeling pakte zijn leven samen in een grafsteentekst zoals David Van Reybrouck ‘Hij deed nooit iets in opdracht.’

    In Omheen het gat van Atte Jongstra, spreekt de schrijver de hoop uit dat zijn vrouw gunstig over hem wil denken na zijn dood. Tussendoor vermeldt hij: ‘(…) al schijnt ook zij het leven te hebben losgelaten, zie elders in dit blad (…)’.

    Haar Onvoorzien In Memoriam van Ingrid Hoogervorst, heeft hij kennelijk niet meer kunnen lezen. Hoogervorst is getuige van een gesprek tussen twee stamgaten in een café die haar op haar eigen I.M. verrassen. Waarna zij onopgemerkt het café verlaat en huiswaarts gaat. Zij is niet overleden, zelfs niet fictief.

    Marion Bloem, I.M. en Jan van Mersbergen (zonder titel) memoreren zichzelf enigszins ongemakkelijk. Wie wil er nu over zijn eigen dood schrijven wanneer je ouders nog leven? Jan van Mersbergen belt er zijn moeder maar eens over die terstond een opsomming geeft van herinneringen aan Van Mersbergen en zijn tweelingbroer. Toen ze nog baby waren en zo identiek, dat zijn moeder hem alleen wist te onderscheiden door een paar vlekjes bovenop zijn voet. Over memorabele feiten na zijn dood wordt handig gezwegen. Of het moest zijn dat zijn moeder hem herinneren zal als een van de tweeling die zich altijd zal willen onderscheiden van zijn broer door: ‘(…) dat schrijven van jou (..)’

    Marion Bloem is bang dat niemand haar ooit, zelfs na haar dood niet, echt gekend zal hebben. Dat je gekend wordt aan de oppervlakte en in uiterlijkheden maar de gelaagdheid in haar wezen, evenals als die in haar boeken – onopgemerkt zal blijven. Een ongerede angst lijkt me, maar wel een die voorbehouden is aan de schrijfster en zeer herkenbaar.

    Interessant is te vernemen hoe schrijvers aan hun einde zijn gekomen.

    Anton Korteweg (1914-2011) stierf in zijn slaap en Theo Kars (1940-2040) vond de dood ‘door eigen hand’. Heel toepasselijk voor: “‘Wie steeds zijn eigen leven heeft geleid, zal ook op het eind daarvan de teugels niet uit handen willen geven, (…),’ aldus Kars in zijn memoires.”

    Minke Douwesz (1962 – 2010) kwam bij een verkeersongeluk om het leven. Zij, die twee poezen en evenzovele romans naliet, schreef een scherpe analyse van haar leven en werk als auteur. Haar romans Strikt en Weg ontstonden vanuit een streven: ‘(…) woorden vinden voor de complexe processen die zich in en tussen individuen afspelen.’ Wie haar werk kent kan beamen dat zij daarin geslaagd is.

    De bijdrage van Maarten Biesheuvel is grandioos. Het schrijven schijnbaar voorbij tekende hij (met ballpoint) zichzelf in memorabele staat op papier: Eva, zijn vrouw gezeten in een (imaginaire) stoel aan het voeteneinde van een kaal bed waarop in naakte, erectionele staat de schrijver, de hand reikend naar zijn mannelijkheid, kreunend zijn laatste adem uitblaast. Met daaronder de tekst: ‘Biesheuvel had een afschuwelijk leven maar gelukkig had hij Eva als vrouw.’

    Verder een In memoriam van onder andere: Tomas Lieske, Piet Gerbrandy, Barber van de Pol, Ton Rozeman, Tsjead Bruinja, Arnon Grunberg, Willem Jardin, August Hans den Boef, Maarten Ascher en Miek Zwamborn.

    Literatuur, in de diepte en de breedte, bij de hoogste en de laagste zin van het woord, zal nimmer verstommen wanneer we Arnon Grunbergs woorden ter harte nemen in zijn Voetnoot van 27 juni jl.. Grunberg ziet weinig heil in protestacties tegen de voorgenomen bezuinigingen. ’Het kabinet bezuinigt, er wordt geprotesteerd. Zo was het vroeger, zo is het nu. Zelden verandert er iets.’ Liever stort hij elk jaar duizend euro in een fonds voor literaire tijdschriften. “Als 199 personen en bedrijven hetzelfde doen, hebben we 2 ton.” En: “Als de kunsten u lief zijn: koop wat minder biologisch rundergehakt en wordt mecenas.” Laat de uitingsvorm van de kunsten niet langer afhankelijk zijn van de grillen van de overheid maar neem je eigen verantwoordelijkheid, lijkt Grunberg hiermee te willen zeggen.

    En als vervolgens heel literatuurminnend Nederland een abonnement neemt op een literair tijdschrift dan zal het ware karakter van de literatuur zich doen gelden.

     


    Website Tirade www.tirade.nu

     

  • Een zoektocht in woorden gevat

    Een zoektocht in woorden gevat

    Na de bundels Eindaugustuswind en Op de hoge lijkt dichter en essayist Willem Jan Otten in zijn nieuwe poëziebundel Welkom nog steeds niet te hebben gevonden wat hij zoekt. En dat hoeft ook niet, zo liet hij Vrij Nederland enkele jaren geleden weten, want: “Wie gevonden heeft, heeft slecht gezocht”. Maar toch is er een vorm van berusting: zijn gedichten zijn helderder en lichter van toon. Bovendien stelt Otten zijn vragen in deze bundel niet meer via omwegen maar rechtstreeks aan God. Het is of Otten je nu pas welkom durft te heten in zijn nieuwe denkwereld, die hij in de tijd rond zijn bekering in 1999 heeft leren kennen. Maar Otten is nog lang niet uitgedacht. Zijn bundel bestaat uit associatieve overdenkingen over afwisselende onderwerpen in gevarieerde stijl.

    Dat dit wederom een echte Otten is, lezen we direct in de eerste regel van het openingsgedicht van de eerste reeks gedichten met de titel ‘Ochtenden’: “Hoe kon ik, strekking, weten dat ik deze zin zou zijn”. Het woord ‘strekking’ kwamen we ook al tegen in het gedicht ‘Eindaugustuswind’ uit de gelijknamige bundel. Toen was de strekking het raadsel en nu de dorst; in beide gedichten gaat het om het gemis, maar er is iets duidelijk geworden: wát er gemist wordt. Als we verder lezen in de eerste reeks komen we meer van deze herkenbare taal tegen. Bijvoorbeeld bij de metaforen van een sneeuwvlok, wak en eiland (lees: Vlieland) en zinnen zoals “wat je wees dat was je zelf” of “laat allebei je fijn / besluitloze vleugels / los” uit het tweedelige gedicht ‘Via Negativa’. Of bij prachtige, zelf geconstrueerde samenstellingen in het gedicht ‘Kattenluik’: ‘kattenluikzwak’ en ‘beginzindun’. Tenslotte zien we ook duidelijk Ottens hand in het anekdotische gedicht over een man die een stok werpt voor zijn denkbeeldige hond Vidocq.

    Hij komt me tegemoet want nam
    het bospad andersom en losjes
    zwaait hij met zijn riem en roept
    met onbetwist gezag
    Vidocq,

    of werpt een stok die hij dan volgt
    met scherpe blik. Eén ding aan hem
    is vreemd, althans zo menen sommigen
    van ons: hij heeft geen hond.

    Een sprookjesachtig gedicht: je leest wat er niet is. Op deze manier slaagt Otten erin om zijn existentiële boodschap tot in het diepst van zijn poëzie over te brengen: de zoektocht naar het onmisbare, dat niet aanwezig hoeft te zijn om aan te nemen dat het er is.

    In de tweede reeks ‘Levenswerk’ zijn een aantal algemene gedichten samengepakt. Hierin wordt bijvoorbeeld een ode gegeven aan de linkerhand: de grote afwezige totdat de rechterhand uitvalt. Het gedicht is luchtig van toon, humoristisch ook:

    Nooit heb je terdege neus
    gepeuterd, nooit mijn rivaal
    de hand gedrukt, de bal geworpen
    naar de eerst honk.

    Otten gebruikt meer sportbeelden in gedichten over tennis, voetbal en wielrennen. In het gedicht over de wielrenner Bahamontes ga je met hem mee de berg op, terwijl hij zich al zwoegend afvraagt wie hem het zetje heeft gegeven. En ook hier weer de herkenbaar queeste van Otten. Wie begon met deze zwoegtocht? Gaf hij zichzelf het eerste zetje of deed iemand anders dat? Of, zoals Otten in een interview met het Nederlands Dagblad verwoordde: “Ik zoek, omdat ik word gezocht.”

    Otten schrijft geen belijdenispoëzie maar denkt, peinst en overweegt. Het meest concreet is hij in de derde reeks ‘Gerichte gedichten’, waarin hij poëzie en gebed met elkaar vermengt tot een zestal persoonlijke overdenkingen. Ottens denktocht eindigt in een oase van rust. Terwijl hij in zijn eerdere bundels nog vooral de schepping ondervroeg, de doop onderzocht en zijn bekering beredeneerde, richt hij zich nu rechtstreeks tot God. Niet meer vertwijfeld op zoek naar antwoorden, maar luchtig vragend in een berustende eenvoud en verklarende helderheid. Het meest geslaagd in deze cyclus is ‘Hoeveel weet ik van u’, waarin hij in een stapeling van beelden de ambiguïteit van zijn zoektocht weergeeft. Hij heeft gevonden, maar niet wat hij zocht.

     In het slotstuk van Ottens bundel, of zelfs van al zijn gepubliceerde poëzie, duikt het eilandbeeld weer op: voor Otten symbool voor een dichterlijke wereld, afgezonderd in taal en tijd. Het is stille zaterdag, de boot komt eens per jaar met Pasen. Op de boot staat de hoofdpersoon van het gedicht en hij ziet iemand op de kade wuiven. Hij wuift zelf ook. Maar wie begon met wuiven? Zie hier: weer het beeld van het begin van de zoektocht. Hij wordt in zekere zin aan het zoeken gezet, want vervolgens verkent de hoofdpersoon het eiland. Hij gaat op zoek naar het mysterie, waar hij alleen de taal van poëzie bij kan gebruiken. Het is een zoektocht waarin woorden worden gevonden, de rede wordt afgetast. Maar de rede heeft grenzen: het mysterie is niet verklaarbaar. En terwijl de hoofdpersoon zoekt, krijgt hij langzamerhand door dat er ook naar hem wordt gezocht. Aan het einde van de reeks namelijk een vergelijkbare situatie als aan het begin: nu staat de hoofdpersoon op de kade, op zoek naar degene die naar hem wuifde:

    Je moest de nieuwelingen aan de reling zien
    daar op de boot, eer je eindelijk begreep
    hoe ongeneeslijk welkom jij hebt willen zijn,

    toen jij daar wuifde, welkom als de zoon.

    Hij zoekt terwijl hij gezocht wordt. Hij was allang welkom geheten: op het moment dat hij met Pasen aankwam. Hierin vindt Otten het einde van zijn bekeringsproces. Terwijl hij in zijn vorige bundels nog deinde op open zee, is hij nu aangekomen op het eiland en: “Eenmaal / binnen zult u niet meer weg, / tot u omhelst wat u beseft.”

    Willem Jan Otten is er in deze prachtige bundel in geslaagd zijn zoektocht in woorden te vatten. Waarbij hij blijft afwegen, zoeken naar de juiste woorden, zinnen, beelden. Dat levert mysterieuze poëzie op, die je misschien tot op het bot kan analyseren maar waarvan het mysterie immer bewaard blijft. Poëzie die even mooi als kwetsbaar en bereikbaar is.

  • 'Welkom' nieuwe bundel Willem Jan Otten

    Poëzie vormt het grondakkoord van Ottens oeuvre. Dat zijn literair werk romans, toneelstukken, essays over uiteenlopende onderwerpen en opiniërende artikelen telt, laat het primaat van zijn poëzie onverlet. Welkom bevestigt dit opnieuw.

    Willem Jan Otten publiceerde onder meer de romans Een man van horen zeggen, De wijde blik, Ons mankeert niets en Specht en zoon (bekroond met de Librisprijs 2005). Voor zijn gehele oeuvre ontving hij in 2000 de Constantijn Huygensprijs.

    Mijn dag begon met trachten te vergeten
    wie ik toen ik droomde was: een molecuul
    geflipperd door het onherinnerde heelal.

    Willem Jan Otten
    Welkom ISBN: 978 90 282 40 988
    72 blz, €14, 90

  • Nieuwe Tirade

    De redactie van Tirade kocht op een veiling 13 koffers, die hun werkzaam leven beëindigden, eenzaam en verlaten ronddraaiend op de bagageband op Schiphol. Van wie waren deze koffers en waarom bleven ze staan en werden ze nooit opgehaald? 13 schrijvers kregen een koffer van een onbekende thuis. Het leidde tot poëzie, korte verhalen, essays, beschouwingen en een prozagedicht.

    ‘Hoe kwam een Paraguyaans meisje, op vakantie in Ierland aan een Russische Maxime? En waarom waren sommige kledingstukken verpakt in doorzichtige plastic zakjes?’ vraagt Hans den Hartog Jager zich af. Maarten Asscher: ‘Na enig determineren, oog in oog met het breed lachende, deels met ritselende korreltjes gevulde schepsel, kom ik tot de conclusie dat het ondanks zijn vaalgroene kleur om een nijlpaard gaat.’ Ester Naomi Perquin wordt zeer persoonlijk met de eigenaresse van haar koffer. ‘In een hoek van de kamer stond haar rugzak. “Als je nu niet weggaat mis je de trein,” zei ik. Ze haalde haar schouders op. Er was iets in haar blik dat me ongemakkelijk maakte.’ Menno Wigman ontkomt niet aan de douane:‘“Und was machen Sie sonst noch?” Vernedering op vernedering. Hij sloot mijn koffer en vroeg of ik mijn armen in de lucht wilde steken’. ‘Jakie werd geboren op Super Tuesday,’ schrijft Sanneke van Hassel. Verder met Miek Zwamborn, Ton Rozeman, Edwin Fagel, Roos Ouwehand, Martin Vesseur, Erik Menkveld, Vonne van der Meer en Martijn Meijer: ‘Wat zeggen je boeken over wie je bent? Heb je geen eigen smaak als je een kast vol bestsellers hebt? Welke boeken iemand leest, zegt weinig over wie hij is.’

    Meer op www.tirade.nu

  • Briefwisseling 1951-1987

    Van Lieve Gerard naar Beste Gerard en terug

    Uitgeverij Van Oorschot heeft met de publicatie van de briefwisseling tussen Gerard Reve en Geert van Oorschot een prachtig boek op de markt gezet. Was de briefwisseling tussen Willem Frederik Hermans en Van Oorschot (het deel van Hermans werd bij de Bezige Bij uitgebracht) alleen interessant vanuit literair-historisch oogpunt, deze briefwisseling is vanuit louter literair standpunt bezien een hoogtepunt. Hermans’ boek was voornamelijk saai om te lezen vanwege het vele geëmmer over geld. In de briefwisseling met Reve komen ook brieven voor over geld, maar er staan des te meer brieven in die over hun beider levens gaan.
    Van Oorschot toont zich in zijn brieven een echte bewonderaar van Reve. Hij steekt niet onder stoelen of banken dat hij daarnaast een grote vriendschap voelt voor Reve. Die vriendschap lijkt wederzijds te zijn. Als Reve met zijn toenmalige partner Teigetje logeert in het huis van Van Oorschot in Frankrijk schrijft hij lange en mooie brieven naar Amsterdam. Het is de periode waarin Reve toegetreden is tot de katholieke kerk, moet vechten in het ezeltjesproces, de P.C. Hooftprijs ontvangt en in Nederland een cultstatus krijgt. Vooral het progressieve deel van de natie draagt hem op handen en Reve voelt zich nogal onbegrepen, want zijn politieke opvattingen en geloofsovertuiging wordt alleen als ironie begrepen. In politieke zin vindt Reve zijn uitgever aan zijn zijde, met zijn geloof spot Van Oorschot nooit.
    Toch komt het tot een breuk als Reve plotseling overstapt naar een andere uitgeverij. Johan Polak heeft hem overgehaald om enkele brievenboeken bij hem te laten verschijnen. Van Oorschot is diep teleurgesteld en is misschien het meest geraakt doordat hij een vriend en vertrouweling kwijt is. ‘Lieve Gerard’ wordt ‘Beste Gerard’ en die aanhef blijft jarenlang boven hun correspondentie staan. Een tiental jaren later, waarin Reve toch enkele lange brieven naar zijn oude uitgever schrijft, wordt het contact hersteld. Na de dood van Hillie van Oorschot komt er weer toenadering tussen de ouder geworden mannen. Reve besluit zelfs om een van zijn belangrijkste en meest ernstige brievenboeken, Brieven aan Josine M., te publiceren bij zijn oude uitgever. Een tweede bloeitijd in de vriendschap breekt aan die duurt tot kort voor de dood van Van Oorschot in 1987. Een jaar waarin ze toch weer in onmin geraken en het zelfs tot een rechtszaak komt over de goedkope heruitgaven van Op weg naar het einde en Nader tot U.
    Natuurlijk is het lezen van de brieven van Reve uiterst vermakelijk, waardoor je regelmatig in de lach schiet. ‘Straks ga ik naar de hoogmis in Dieulefit, terwijl Tijger aldaar enige boodschappen doet. Het fijne van de Rooms Katholieke Kerk is, dat zij overal filialen heeft, zulks in tegenstelling tot, bijvoorbeeld, de Bond van Friese Kunstenaars.’ Of lees dit hilarische stuk waarin hij de titels van broer Karel aanvalt en komt met verklaring hoe het wel moet: ‘Een boek moet dus niet heten: Waarom Die & Die Misschien Gedeeltelijk Ongelijk Heeft, maar: Op Weg Naar Het Einde, De Avonden, Nader Tot U, Weg Met De Arbeiders, De Geile Jongens Van De Boslaan, Elke Zondag Seks Voor Niks. Kijk de kleine problemen van de schrijver & zijn taalkundige onmacht, die moet hij geheim & voor zich houden. Dus Niet als titel: Een Knoop Die Ik Er Steeds Weer Aanzette Ging Telkens Weer Los, maar: Naaien Tot Je Er Bij Neer Valt.’
    Het boek kost je nachtrust omdat je steeds wilt doorlezen. Nog één brief, nou goed, nog één dan, totdat je het veel te snel uit hebt. Kortom: smullen!

    Coen Peppelenbos

    Gerard Reve & Geert van Oorschot: Briefwisseling 1951-1987. Geannoteerd door Nop Maas. Van Oorschot, Amsterdam, 750 blz. gebonden €45,- (zeer de moeite waard), paperback €32,50