• Boströms fantastische werkelijkheid

    Boströms fantastische werkelijkheid

    Het is bijna niet te voorkomen dat, wanneer je een boek van Linda Boström Knausgård in handen krijgt, je gedachten afdwalen naar haar beroemde echtgenoot Karl Ove Knausgård. We kennen Linda uit zijn zesdelige Mijn Strijd, althans kennen, we hebben over haar gelezen, weten dat zij een psychisch kwetsbaar persoon is, poëzie en verhalen schrijft en theater maakt. En samen met Karl Ove vier kinderen krijgt.

    En dan is er midden in de wereldtriomf van haar man opeens De val van de Helios, de debuutroman van Linda. Ook het vergelijken van dit boek met de boeken van Karl Ove ligt voor de hand, maar dat is gauw over wanneer je in Boströms boek begint te lezen. Niks schrijvers- en gezinsleven, niks vrienden en familie en details van dagelijkse belevenissen. In helder taalgebruik vertelt ze een verhaal dat zich afspeelt in een combinatie van mythe en werkelijkheid.

    De vader
    Een twaalfjarig meisje wordt geboren uit het hoofd van haar vader Conrad. Kort daarna begint hij luid te schreeuwen en omwonenden alarmeren de hulpdiensten, waarna hij wordt afgevoerd naar een psychiatrisch ziekenhuis. Het meisje, de ik-figuur, vertelt dat zij haar gouden wapenuitrusting – eveneens een verwijzing naar de godin Athene – onder de keukenbank verstopt en alleen de helm op haar hoofd behoudt, waarmee ze naakt buiten ronddwaalt. De buurvrouw ontfermt zich over haar en brengt haar naar Bureau Jeugdzorg. Niemand weet wie ze is of waar ze vandaan komt. Zelf houdt ze vol dat Conrad haar vader is. Bij Bureau Jeugdzorg geeft iemand haar de naam Anna en ze wordt opgenomen in het gezin van de zeer sociale Birgitta en Sven, actief bij de geheelonthoudersvereniging, en hun zonen Ulf en Urban. Dit alles gebeurt op de eerste paar pagina’s van het boek.
    Anna is een kwetsbaar meisje dat beseft hoe anderen voor haar zorgen en hun best voor haar doen. Daarom probeert ze tegemoet te komen aan de behoeftes van die anderen. Ze beseft dat Birgitta graag een ‘echt, eigen dochtertje had willen hebben dat naast haar op de bank zat en met haar samen borduurde en praatte.’ Ze begrijpt ook dat het beter is om niet over haar vader te praten.

    Schreeuwen
    Het dorp kent een grote kerkelijke gemeenschap. Anna wordt meegenomen naar de Pinkstergemeente waar het een tijdje lijkt alsof zij in tongen kan spreken. Woorden komen uit haar zonder dat ze zelf weet waar ze vandaan komen.
    Ook in haar gedachten gaan de woorden soms hun eigen gang en lijken zelf te bepalen of ze naar buiten komen of binnen blijven. Ze schrijft brieven aan Conrad in de psychiatrische instelling en krijgt ook antwoord, zelfs met een foto erbij. ‘Ik voelde me draaierig door de gelijkenis. Ik wilde hardop schreeuwen […] Ik moest naar buiten. Naar buiten met mijn ski’s. […] Ik skiede en huilde en schreeuwde. […] Mijn schreeuw was als een storm. Als een stortbui. Als een speer was mijn schreeuw. Als een weg naar buiten.’

    De laatste zin geeft al aan dat iets eruit moet, dat haar leven verkeerd begonnen is en onverwerkte ervaringen haar belemmeren te zijn wie ze is en nog moet worden. Voor het zover is heeft ze nog een helse weg te gaan. In Anna’s bewustzijn zijn deuren dichtgeslagen en zij weigert ze te openen. Ze wil zich niet bewegen, wil niet meer praten. Urban brengt haar naar een psychiatrische instelling. ‘… ik werd meegetrokken door de stroming onder het wateroppervlak. Werd heen en weer geslingerd tot ik vaste grond onder mijn voeten kreeg en wegrende voor de volgende golf zou komen. Nog een deur om dicht te houden. Ik deed hem dicht en sloot mijn ogen. Ik zag niets achter mijn oogleden, alles was zwart en zo wilde ik het houden.’

    Ontglipt perspectief
    Hoe teer en kwetsbaar het meisje en haar verhaal ook zijn, daarboven staat een volwassen schrijfster die haar onderwerp kent. Boström heeft zelf aan depressies geleden, dus zij put uit eigen ervaring en zal zich bij het schrijven bewust zijn geweest van het gevaar zich erdoor te laten meeslepen. Daardoor houdt ze de teugels strak, maar een enkele keer schieten ze toch uit haar handen. Want hoezeer de schrijfster ook over de stof regeert, eenmaal in de psychiatrische instelling gesitueerd ontglipt haar het perspectief van het kind. Als bijvoorbeeld de vader van verzorger Artan gestorven is en hij dat tegen Anna vertelt, vraagt zij zich af waarom hij ‘hier bij haar is en niet bij zijn familie’. Dat is geen vraag die een kind van twaalf stelt, zeker niet in de psychische toestand van totale verwarring waarin zij verkeert. Hetzelfde geldt voor: ‘Ik wist dat een verzorger nooit verwachtingen mag hebben van een patiënt, niet iets van zichzelf in een patiënt mag investeren…’ en ‘Dag na dag, week na week had ik het monster geschapen dat ik zelf was.’ Ook dat zijn de woorden van een gerijpter persoon. Zo zijn er meer gedachten van Anna te herkennen als van iemand met ervaring in de psychiatrie. Dat neemt niet weg dat Boström een boeiend beeld geeft van de toestand van haar hoofdpersoon en dat in prachtige, poëtische taal weergeeft, bijvoorbeeld: ‘De slaap had ’s nachts op mijn gezicht geschreven. Rode groeven van hopeloosheid…’ en ‘Ik was verkleed als mezelf, maar zelf was ik heel ergens anders.’

    Eigen stem
    Behalve de verwijzing naar de godin Athene refereren nog meer zinnen aan de Griekse mythologie, zoals: ‘Hij was overgestoken naar de andere kant.’ In een interview vertelt Boström hoe zij al jong door deze mythologie werd gegrepen. Kennelijk is deze vorm van verhalen haar blijven fascineren, want in haar eigen roman is evenmin duidelijk wat werkelijkheid, waan of droom is, of gewoon datgene wat je met woorden zo gemakkelijk kunt bewerkstelligen: een gefantaseerde werkelijkheid. Boström – die eerder een bundel verhalen schreef die niet in het Nederlands zijn vertaald – heeft haar schrijverschap bewezen. Wat we lezen is onmiskenbaar haar eigen stem.

  • De man die iets miste

    De man die iets miste

    Er was eens een wanhopige man die na 17 jaar zijn grote liefde hervindt en haar mee terug neemt in zijn eigen leven. Dat klinkt als een romantisch sprookje met een happy end, maar dat is De goede minaar niet: Steinunn Sigurðardóttir zet haar lezers op het verkeerde been en uiteindelijk zullen zij zelf een oordeel over de hoofdfiguur, Karl Astason, moeten vormen. Is hij de ideale man of juist een egocentrisch, narcistisch moederszoontje?

    Het begint allemaal heel romantisch wanneer Karl Astason impulsief al zijn plannen omgooit en naar IJsland reist om zijn jeugdliefde Una te zoeken. Maar impulsiviteit past helemaal niet bij deze rijke, punctuele zakenman. Wat heeft ervoor gezorgd dat Karl ’s avonds laat met een gele roos op het tuinpad staat te staren naar het silhouet van zijn jeugdliefde? Wie is deze man?

    ‘Men zei dat het prettig was om in zijn buurt te zijn, vooral zijn geliefden zeiden dat, en dat kwam omdat hij geen bepaald doel nastreefde’, lezen we in het begin van de roman. De verteller typeert hem als ‘hij, de man die iets miste’ en zelf noemt hij zich een speculant in prijsverschillen: ‘Ik ben een speculant van het ondoorgrondelijke soort’. Als speculant is hij succesvol; hij is een rijke zakenman met meerdere huizen en een chique, dure levensstijl. Hij heeft talloze, kortstondige affaires, waarbij hij alles tot in de kleinste details regisseert: geen verplichtingen, geen verdere afspraken en het afscheid graag vroeg in de morgen zodat zijn slaap niet verstoord wordt. Bovendien wil hij zelf niet bevredigd worden.

    Eén van zijn geliefden houdt zich niet aan deze spelregels en juist zij zal een belangrijke rol in zijn leven gaan spelen. Deze vrouw, Doreen Ash, psychiater en psychoanalist, had een te harde stem, dronk te veel en gedroeg zich niet in bed. Ze voldoet absoluut niet aan zijn standaard, en juist zij blijft in zijn hoofd zitten. Voor de lezer speelt Doreen een belangrijke rol: door haar ontdekken we dat we geen romantisch liefdesverhaal  lezen, maar dat we te maken hebben met een gecompliceerde hoofdfiguur, ‘de man die iets miste’.

    Naast Doreen, spelen nog drie vrouwen een belangrijke rol in het leven van Karl. Hij wordt door zijn moeder, Astamama, een bekende zangeres, liefdevol opgevoed. Met haar heeft hij een heel sterke band, maar zij sterft als hij nog maar 18 jaar is. De tweede vrouw, Una, is zijn grote jeugdliefde. Zij doet hem veel aan zijn moeder denken en met haar is hij zeven maanden heel gelukkig totdat zij plots de verhouding verbreekt. Hij, welopgevoed, dringt niet aan, terwijl zij eigenlijk verwacht dat hij moeite zal doen om te achterhalen waarom ze hem opeens afwijst. Toch lijkt hij haar trouw te blijven, zelfs in zijn talloze affaires. De huizen die hij bezit, heeft hij bijvoorbeeld laten inrichten volgens de smaak van Una.

    Lotta, de derde belangrijke vrouw en zijn ‘personal assistent’, is de vrouw die zakelijk alles voor hem regelt: hotels, de verse bloemen op zijn kamer, zijn tickets, zijn afspraken. Ze is heimelijk verliefd op Karl, maar hij wenst de relatie zakelijk te houden. Dat Lotta zwart is en hem ‘meester’ noemt, maakt deze verhouding opvallend en ook treurig.

    Doreen Ash is slechts heel kort zijn minnares, maar juist zij krijgt Karl aan het praten over zijn moeder en uitgerekend zij zal zijn redding zijn. Ook is zij de vrouw aan wie hij blijft denken nadat hij zijn grote liefde heeft teruggevonden. Doreen heeft uitgesproken denkbeelden over moederszoontjes en is auteur van een boek over relaties tussen moeders en zonen; ze veroordeelt de vaak slappe opvoeding van moeders, die hun zonen ‘pamperen’, zodat ze opgroeien als slapjanussen en schizofrenen. Voor haar is Karl de enige man en als minnaar zo goed, dat ze na hem de voorkeur geeft aan vrouwen. ‘Moederzoontjes, zonen zonder vader, kunnen het hoogste niveau als minnaar bereiken. Er is namelijk geen competitie met andere mannen.’ (blz. 193)

    De rol van Doreen is opvallend en geeft het verhaal diepgang. Zij wroet in Karls emoties en verwoordt hoe ze denkt over de verhouding met zijn moeder en het ontbreken van een vader in zijn jeugd. Zij laat hem praten, twijfelen en blijkt bovendien zijn belangrijkste raadgeefster. Juist de minnares die zich niet aan de regels van de perfectionistische Karl houdt, blijkt een grote, beslissende rol in zijn leven te spelen. Doreen zorgt voor twijfel, voor spanning en voor verwarring, zowel in het verhaal zelf als bij de lezer. Door haar uitgesproken ideeën worden onderwerpen en verhoudingen op scherp gezet en ‘schuurt’ het vooral  bij Karl Astason. Doreen voorkomt dat het verhaal van Karl en Una  een doorsnee liefdesgeschiedenis wordt.

    De goede minnaar leest vlot en eenvoudig. Er is een duidelijke verteller die alleen in het hoofd van Karl zit en niet in het hoofd van de overige personages. Aan de lezer de taak om te bepalen hoe deze personages over hem en zijn beslissingen denken. Een enkele keer vertelt Karl zelf en zijn vertellingen beginnen als een sprookje: ‘Er was eens…..’.  Moederliefde, oprechte liefde, vriendschap en gelijkwaardigheid zijn de belangrijkste thema’s die vooral door Doreen aan de orde worden gesteld. De auteur is afgestudeerd als psycholoog en misschien is in Doreen de auteur zelf te herkennen.

    Steinunn  Sigurðardóttir  (1950), psychologe, filosofe, journaliste en auteur van o.a. gedichten en romans, is in haar geboorteland IJsland een bekende, erg populaire auteur. Ze begon haar loopbaan als journaliste en heeft in die functie wereldwijd in verschillende landen gewerkt. Ze publiceerde aan het begin van haar auteurschap gedichten en korte verhalen. In 1986 verscheen haar eerste roman, Tímaþjófurinn, een geschiedenis over de liefde tussen twee docenten. Deze roman, waarin ze ook een aantal van haar gedichten heeft verwerkt, werd in Frankrijk verfilmd onder de titel Le Voleur de vie. Voor haar roman Hjartastaður kreeg ze in 1995 de IJslandse Literatuurprijs. Inmiddels heeft ze elf romans, zeven dichtbundels, een boek over Vigdis Finnbogadóttir, voormalig president van IJsland, een kinderboek en diverse stukken voor toneel en radio op haar naam staan. Ook heeft ze literaire werken van anderen vertaald in het IJslands.

     

     

     

  • Puzzelstukjes voor de vrede

    Puzzelstukjes voor de vrede

    Was het een arrogante egocentricus? Een verlegen onderzoeker? Een geniale ziener? Was hij zweverig? Naïef? Een ongeleid projectiel? Een moedige wetenschapper?Waarschijnlijk had hij van alles wel wat, maar viel hij niet met één van die karakteriseringen samen: Gregor, de hoofdfiguur van Flitsen van Jean Echonoz, gebaseerd op het leven van Nikola Tesla.

    Het is de derde opeenvolgende roman van de Franse schrijver (1947), waarin hij het leven van een historisch persoon tot uitgangspunt neemt voor een novelle. De drie zijn in Nederland verschenen onder de titels Ravel (2007), Hardlopen (2011) en nu dus Flitsen. Ging het in Ravel om diens aftakeling in zijn laatste levensjaren en in Hardlopen om de vraag hoe het was voor Emile Zatopek een succesvol hardloper te zijn onder een communistisch regime, in Flitsen gaat het opnieuw om iemand die gemeten naar een aantal van zijn prestaties een grootheid is, maar wiens schaduwkanten en omstandigheden diens biografie een heel andere kleur geven.

    Nikola Tesla, Gregor dus in de roman, werd in 1856 geboren in Kroatië in de nacht van 9 op 10 juli. Maar of hij op de 9de of de 10de ter wereld kwam is niet bekend. Volgens Echenoz eiste die nacht een noodweer zo de aandacht op dat niemand eraan dacht het geboorteuur te noteren. De rest van zijn leven zal Gregor bijna maniakaal met tijd, getallen en elektriciteit (onder andere bliksem) bezig zijn. Hij blijkt al snel geniaal. Hij ziet in zijn hoofd te ontdekken apparaten al in werking nog vóór er maar een model van is uitgetekend. Dat maakt ook dat hij moeilijk kan samenwerken met wetenschappers die zijn snelheid van denken niet delen.

    In 1884 komt hij in Amerika in dienst van Edisons bedrijf General Electric. Als Edison tegen problemen oploopt door de beperkte mogelijkheden van gelijkstroom, maakt hij misbruik van het vertrouwen van Gregor, die de oplossing vindt in de toepassing van wisselstroom. Gregor voelt zich bedrogen en stapt over naar de concurrent George Westinghouse, een bedrijf dat in korte tijd rijk wordt door Gregors vindingen. Westinghouse geeft hem alle ruimte voor experimenten, maar raakt financieel in problemen als het op basis van het arbiedscontract gigantische vergoedingen aan hem moet betalen. Het dreigt zo ten onder te gaan aan zijn eigen succes. Gregor ziet op verzoek van Westinghouse echter af van zijn financiële aanspraken, blij als hij is met alle ruimte die hij van zijn baas krijgt. Het is niet de eerste, maar vooral ook niet de laatste keer dat hij een ongelooflijke naïviteit aan de dag legt. Hij blijkt een groot natuurkundige, maar een slecht zakenman. Voor tal van uitvindingen legt hij de rechten zo slecht vast dat later anderen er stinkend rijk van worden en hijzelf armlastig achterblijft.

    Hij snapt de wereld om hem heen niet, zoals in het geval van het in zijn ogen haalbare idee om een energievoorziening op te zetten waar de hele wereld gratis gebruik van kan maken. Wat hij vergeet is dat de geldschieters voor de ontwikkeling van dat idee de uiteindelijke bedoeling hebben om er winst op te maken en niet om iedereen er gratis van te laten profiteren.
    Een ander voorbeeld is zijn uitvinding van een massaal vernietigingswapen dat zo dodelijk is dat het alleen als afschrikking kan dienen. Om de zes machtigste staten ter wereld te dwingen tot vredesakkoorden knipt hij zijn idee letterlijk in zes stukken die hij aan deze zes landen verstuurt. Ze hebben pas wat aan hun eigen puzzelstukje door met de vijf andere staten te overleggen. Maar tot zijn teleurstelling komt er van geen enkel land een reactie.

    En de wereld snapt hem niet: als hij de Amerikaanse marine een hulpmiddel aanbiedt wordt dat als té fantastisch afgedaan. Pas jaren later zal in de marine de radar zijn intree doen, de uitvinding die Gregor destijds had aangeboden.

    Uiteindelijk komt Gregor steeds meer alleen te staan. Jaloezie van anderen ondergraaft zijn leven. Uit smetvrees, maar ook uit angst voor vrouwen is hij al nooit een individuele relatie aangegaan, maar terwijl zijn schulden oplopen verliest hij ook de mensen die hem af en toe nog wel uit de brand wilden helpen. In zijn hoofd gaat er dan ook wat mis. Hij had al eens beweerd contact te kunnen maken met marsmannetjes, maar nu hij zich terugtrekt in een leven met duiven (hij richt op zijn hotelkamertje een kliniek voor die beesten in en raakt op één duif zelfs verliefd), wordt hij door iedereen uitgelachen. In 1943 sterft Gregor in eenzaamheid, na een auto-ongeluk waarin de duiven een rol spelen. Pas na een dag of drie wordt hij gevonden.

    Echenoz blijft in zijn vertelling dicht bij de feiten uit het leven van de historische Nikola Tesla, maar het gaat hem niet om de feiten zelf. De roman (beter: de novelle, want net als de boeken over Ravel en Zatopek beperkt de auteur zich tot ongeveer 150 pagina’s) somt ze slechts op wanneer dat te pas komt, maar Echenoz probeert vooral in ’s mans hoofd en ziel te kijken. Hij is daarbij tevens de voorzichtige commentator met sympathie voor zijn hoofdfiguur: ‘Gregor is onsympathiek, ik weet het, zo onaangenaam dat hij voor ons gevoel misschien wel zijn verdiende loon krijgt, maar toch’.

    Echenoz serveert ons de geschiedenis op een lichtvoetige, zelfs humoristische manier alsof je met hem op een terrasje zit. Zonder diepzinnige zinnen. Zonder grootsheid van stijl of taal. En toch bereikt hij dat de complexe levensloop van zijn ‘held’ lang blijft hangen.