• Louis Paul Boon een wandelroute door Aalst, zijn vriendschappen

    Louis Paul Boon een wandelroute door Aalst, zijn vriendschappen

    De eerste editie van De Parelduiker (2020) is gewijd aan de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon (1912-1979). Een blik op leven, werk en omgeving van een illustere schrijver waarbij de vraag rijst: wie kent hem nog, wie leest De Kapellekensbaan en Zomer te Ter- Muren (ook wel anarchisten Bijbel genoemd) of de schelmenromans van De bende van Jan de Lichte nog? Doet Louis Paul Boon, schrijver van duizenden cursiefjes, de zogenaamde ‘Boontjes’, de romancier die tijdens zijn leven de belofte van een Nobelprijswinnaar in zich droeg, nog ergens een bel rinkelen? Die Nobelprijs had hij naar verluidt bijna gekregen, maar voor het bekend werd gemaakt, overleed hij. 

     Oud-journalist Bert Ummelen bracht een bezoek aan Aalst, de geboortestad van de schrijver. Hij wandelde door de stad, op zoek naar herkenning uit de boeken en het leven van Boon. Langs verschillende standbeelden van romanfiguren en de schrijver zelf. Alleen een standbeeld van de bandiet Jan de Lichte ontbreekt, dat werd in 1979 onder druk van de Christelijke Volkspartij zo’n 65 km verderop naar Antwerpen verbannen, waar het een toepasselijke plek kreeg voor het justitiegebouw. 
    Van de drie Boon-routes die in Aalst zijn uitgezet, voor wandelaar en fietser, zijn er twee in de aanbieding vermeldt Ummelen, ‘Ze moeten uit een kast worden opgediept, dus veel vraag zal er niet naar zijn.’
    In het westelijk deel van de stad vindt Ummelen nog het geboortehuis van Boon, aan de Dendermondsesteenweg, nr. 38, alsook de latere hoekwoning waarnaar het gezin verhuisde aan de Sinte-Annalaan er nog staat. Het station van Aalst toont zich nog hetzelfde, waar Boon op het stationsplein na vijftien jaar de huishoudelijke hulp van zijn vrouw tegenkwam, toen een meisje waar hij hopeloos verliefd op werd. In zijn novelle Menuet (1955) komt ze voor als Lolita. Men krijgt voorwaar zin de stad Aalst te bezoeken.

    Boon en zijn vriendschapsbanden

    De schrijver en de betekenis van vriendschappen in zijn leven, wordt beschreven door letterkundigen Jos Muijres en Kris Humbeeck. Ieder op zich deed onderzoek naar een belangrijke vriendschap in het leven van Boon. Muijres schrijft over jeugdvriend Karel Colson, en Humbeeck -die ook aan een biografie van Boon werkt- over diens beste vriend, Maurice Roggeman. Muijres schrijft, ‘De jonge Boon was een eenzaat met een (getormenteerde) romantische inborst en een hunanitair-exprssionistische uitingsdrang.’ Fascinerend is om in het verloop van de vriendschappen -veelal getoond aan de hand van briefwisselingen- te zien hoe gedreven en gemotiveerd Boon was om zijn eigen weg te gaan. Vriendschap moest een zeker nut hebben. Waarbij Boon van hen gebruik maakte en ze in zijn romans een plaatsje gaf. Zo is het karakter Morris, uit Boons debuut De voorstad groeit, en Tippetotje, een schilderes in De Kapellekensbaan ontleend aan de schilder Maurice Roggeman.

    Erik van Veen sprak met vertaalster Zweeds, Ingrid Wikén Bonde. Zij vertaalde meer dan twintig boeken uit het Nederlands van verschillende schrijvers. Het eerste boek dat ze van Boon vertaalde was De Kapellekensbaan, uitgegeven bij Forum. Saillant detail: nadat Boon in 1979 was overleden, de kans op de Nobelprijs verkeken was, stopte de Zweedse uitgever met het uitgeven van Boons werk. 

    Jo Boon (1939), de zoon van Boon, komt in een stuk van Kris Humbeeck aan het woord over de band met zijn vader. Daar kan hij kort over zijn, Op de vraag of het niet moeilijk was in de schaduw van zo’n groot schrijver op te groeien, zegt hij, ‘Louis deed zijn ding en ik deed het mijn.’ En, ‘Dat zijn vader altijd maar schreef en schreef, en andere vaders dat niet deden, besefte Jo in die jaren wel, maar dat Louis toen al een auteur met aanzien was, realiseerde hij zich natuurlijk niet. Louis was er gewoon en schreef.’
    Zijn eigen zoon, David (1969) en kleinzoon van Boon, kreeg meer aandacht van zijn vader dan hij ooit van hem had gekregen. Maar last heeft Jo daar nooit van gehad. De enige keer dat de zoon zich met het leven van zijn vader bemoeide was toen een drinkgelag van zijn vader uit de hand dreigde te lopen, toen heeft hij hem het glas afgenomen. Zoals bij alle artikelen, is ook dit artikel geïllustreerd met foto’s, mooi beeld daarbij van een ontspannen Boon die met zijn vierjarige kleinzoon in de tuin zit en ze zich vrolijk onderhouden met elkaar. 

    Langverwachte biografie komt eraan

    In de rubriek ‘Laagwater’ een bijdrage van Martine Cuyt waarin ze een overzicht geeft van werk van Boon dat opnieuw wordt uitgeven (Verzameld werk), of waaraan gewerkt wordt dit uit te geven, zoals de biografie waaraan gewerkt wordt door Kris Humbeeck. Deze zal onder de titel Gelijk de vis zwemt, moet ik schrijven, op Boons 110e geboortedag, 15 maart 2022 verschijnen.
    Cuyt verklaart ook waarom de biografie tot een ‘langverwachte’ biografie benoemd werd, maar lees daarvoor De Parelduiker zelf.

    Dat Louis Paul Boon in het literaire geheugen leeft, getuige in ieder geval een lezersreactie in dagblad Trouw enkele weken terug. Een reactie op een artikel over ‘hufters en graaiers’ die de corona crisis aangrijpen om er hun voordeel mee te doen. Deze lezer herinnerde zich de gevleugelde woorden waarmee Boon het boek De kleine oorlog afsloot, ‘Schop de mensen tot zij een geweten krijgen.’ Hij schrijft ook dat Boon dit in latere drukken veranderde in, ‘Wat heeft het alles voor zin?’, en deze verandering desgevraagd verklaarde met, ‘Ook al schop je 99 mensen een geweten, er blijft dan nog één smeerlap over en die wordt president. En als je naar die durft te schoppen, vlieg je de gevangenis in.’
    Als er iets gelezen wordt dat de wereld beroerd, er dan een boek uit het geheugen opduikt, een schrijver herinnerd wordt, dan leeft die schrijver nog. En dat (blijkt maar weer), is de opgaaf die De Parelduiker zich gesteld heeft, het tot leven wekken van schrijvers door ze in herinnering te brengen en nieuw materiaal dat boven water komt te publiceren. En hoe fijn het dan is om een auteur vanuit verschillende gezichtspunten opnieuw belicht te zien.

    Vaste rubrieken

    In ‘Schoon & Haaks’ waarin Jan Paul Hinrichs marginale uitgevers en drukkers bespreekt, aandacht voor onder meer de uitgave van literair tijdschrift Terras nr. 17, en de speciale uitgave Natan, geschreven portretten door Mirjam Rotenstreich van haar vader, met acht portrettekeningen van Sam Drukker. Voor de drukliefhebber kunnen deze mooie gegevens niet onvermeld blijven, ‘Jaap Schipper van de Satenhofpers liet het toepasselijk zetten in de elegante Elisabeth (1938) van de Joodse ontwerpster Elisabeth Friedlander (1903-1984).
    ‘De laatste pagina’ is bewaard voor Rob Molin (1947-2019), een in memoriam door Ben van Melick, die tegen hem opkeek toen hij in de jaren tachtig zijn buurman was, omdat Molin er voor koos helemaal voor de literatuur te gaan. Hoe Molin dagen in de tuin zat te lezen in Het verdriet van België. Hij belicht de vele literaire interesses van Molin, die een oprecht literaire duizendpoot bleek.

     

     

  • Oogst week 11 – 2020

    De vlakte

    De 81-jarige auteur van De vlakte, Gerald Murnane, is op zijn zachtst gezegd een enigmatische figuur. Zo zou hij nooit een computer hebben aangeraakt – dat wil zeggen: hij zou er in ieder geval nooit een manuscript op hebben getypt –, en zou hij nog nooit een voet in een vliegtuig hebben gezet. Hoewel hij oorspronkelijk van katholiek-Ierse afkomst is, woont en verblijft hij al zijn hele leven in Australië. Zijn fictie staat haaks op die persoonlijke werkelijkheid. In zijn romans overstijgt hij juist gebieds- en landsgrenzen. Ondanks of dankzij Murnanes zonderlinge levenshouding werd hij eens ‘de grootste auteur in het Engelse taalgebied (waar de meeste mensen nog nooit van hebben gehoord)’ genoemd (in The New York Times). De vlakte is een heruitgave, oorspronkelijk in het Engels verschenen in 1982, en bereikt nu voor het eerst een Nederlands lezerspubliek.

    In De vlakte strijkt een jonge filmmaker neer in Australië, waarmee een wisselwerking tussen werkelijkheid en fictie in gang wordt gezet. De beginzinnen zijn veelzeggend:

    ‘Twintig jaar geleden, toen ik voor het eerst op de vlakte aankwam, hield ik mijn ogen open. Ik zocht naar iets in het landschap wat leek te wijzen op een diepere betekenis onder het oppervlak.’

    De vlakte
    Auteur: Gerald Murnane
    Uitgeverij: Signatuur

    Hier zijn we

    Hier zijn we van de Britse schrijver Graham Swift gaat over drie jongeren die in een theater aan de pier van Brighton werken: Evie, Jack en Ronnie. Tegen de achtergrond van een voorspoedig, bruisend zomerseizoen komt de verhouding tussen de drie op scherp te staan. Die relatie tussen het algemene en het persoonlijke komt vaker terug in Swifts werk. Eerder schreef hij de historische novelle Moeders Zondag (Mothering Sunday), die in Nederland lovend werd ontvangen. Daarin speelt de nasleep van de Eerste Wereldoorlog in Groot-Brittannië een bepalende rol, maar wordt juist ook het particuliere perspectief van hoofdpersonage Jane Fairchild uitgediept in het tijdsbestek van één beslissende dag.

    Graham Swift schreef negen romans en schreef daarnaast korte verhalen, gedichten en essays. Hij won de Booker Prize met Last Orders (vertaald als Laatste ronde).

    Hier zijn we
    Auteur: Graham Swift
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De Parelduiker, Louis Paul Boon

    In het nieuwste nummer van De Parelduiker staat Louis Paul Boon (1912-1979), ook wel de ‘Vlaamse Multatuli’ genoemd, centraal. Hij is wijd en zijd bekend dankzij zijn magnum opus De Kapellekensbaan (1953), waarop in 1956 het vervolg Zomer te Ter-Muren verscheen. Boon werd lange tijd getipt als belangrijke kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur. Hij was niet alleen schrijver, ook zijn productie beeldende kunst valt ontzagwekkend te noemen.

    Geheel in lijn met het thema van de Boekenweek 2020, ‘Rebellen en dwarsdenkers’, wordt in De Parelduiker Boons rebelse imago binnenstebuiten gekeerd en aan een kritische herziening onderworpen, onder anderen door Boon-kenner Jos Muijres. Hoe kijken we met de kennis van nu naar Louis Paul Boon – wás hij inderdaad een rebel of dwarsdenker, of is dat vooral een rol die hem in retrospectief is toegekend?

    De Parelduiker, Louis Paul Boon
    Auteur: Eindredactie Hein Aalders
    Uitgeverij: Uitgeverij Vantilt
  • Lang leve tante Jeannot

    Lang leve tante Jeannot

    ‘In The Red Shoes vraagt de dansproducer (die in de film Diaghilev moet voorstellen) aan de debuterende ballerina: Why do you want to dance? Zij antwoordt hem met de tegenvraag: Why do you want to live? Deze dialooglijn drong pas later tot hem door, toen hij de film opnieuw zag, maar de teneur ervan had hij als kind reeds gevoeld.’

    De hoed van tante Jeannot is een prachtige titel van een autobiografisch boek, waarin filmregisseur Eric de Kuyper (1942) een beeld schetst van zijn kindertijd in de jaren veertig en vijftig in Brussel. ‘De grote as van hun leven bewoog zich tussen tante Jeannots rue Mexico en hun eigen woonstee in de rue Léon Mignon, tussen Molenbeek en dit grensstukje van Schaarsbeek. Als ze al in andere wijken doordrongen, dan deden ze dat in de vorm van een web dat ze rond de bekende as sponnen.’ Bij het lezen hiervan bekruipt je onwillekeurig het gevoel de kaart van Brussel ter hand te moeten nemen om dit alles op te zoeken. In zijn beschrijving is het een soort klein Parijs. Eric groeit daar op in een Tante Sidonia-achtige sfeer met warme familiebanden tussen tantes, nonkels, neven, nichten en commensalen, waar gelachen, geroddeld, gemusiceerd en natuurlijk gespeeld wordt. De omslagillustratie van Yves Chaland uit Le jeune Albert sluit uitstekend aan bij de toon van het boek.

    Tante Jeannot is de held van de kleine Eric. Zij is rijk, onconventioneel, houdt van uitgaan, muziek en opera en natuurlijk vooral van mooie hoeden. Zij is de zus van zijn moeder. Zijn vader, Firmin, heeft hij niet gekend. Zijn moeder heeft weinig goede woorden voor hem over: “Ach Firmin……..’ Elke week gaat Eric met zijn moeder, broers en zus op bezoek bij tante Jeannot en nonkel Fons zoals tante op haar beurt elke week bij hen op bezoek komt. Dan luistert hij vol overgave naar de verhalen van de zussen over vroeger, toen zij als jonge meiden tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergebracht waren in Londen: ‘Weet je nog van onze geverfde benen (er waren in die dagen natuurlijk geen nylonkousen te krijgen), die uitliepen als het regende!’.

    Robbedoes en Kuifje
    De kleine Eric is een nakomertje, kwetsbaar. Hij is een dromer met een zwak gestel, gek op toneel en vooral ballet: ‘To move and to be moved. Beweging en emotie. Emotie die beweging is. Zoals tranen die langzaam over een wang rollen.’  Ja balletdanser worden, dat is zijn grote passie. Maar als hij na lang oefenen de pointes op zijn pantoffels kan dansen, krijgt hij te horen dat alleen danseressen dit doen. Zijn droom stort in. Hij is een toeschouwer die de wereld der volwassenen voortdurend met een fijn oog voor detail beschouwt en daarin zijn eigen positie bepaalt. Door hem zien wij hoe zijn lievelingszusje Annie zich eind jaren veertig, begin jaren vijftig door haar puberteit slaat en hoe Eric op zijn zolderkamertje toneelstukjes oefent met zijn grote vriend en klasgenoot George, de stoere, sterke George met wie hij samen de kinderjaren doorkomt en speelt op de squaretjes (pleintjes) in de buurt, George, van wie hij zo verschilt, maar met wie hij ook zoveel gemeen heeft: ‘George las elke week Robbedoes, en hij Kuifje.’ Later, toen zij naar een andere school gegaan waren en elkaar niet meer zagen, begreep hij dat hij al die tijd verliefd was geweest.

    Welpenleider
    Vol mededogen en liefde beschrijft Eric de Kuyper ook zijn moeder, Julienne. Zij is een praktische vrouw, lid van de R.K. Bond van Grote Gezinnen, maar geen kwezel. Zij staat voortdurend pal voor de belangen van haar kinderen met altijd het oog gericht op het huishoudboekje, want armoede is het ergste wat er is. Daarom houdt zij ook niet van de boeken van Dickens. Zij is geobsedeerd door kennis zoals tante Jeannot dat is door entertainment. Intimiteit en warmte krijgt de kleine Eric vooral van zijn zus Annie, die hem overal mee naartoe sleept. Via haar komt hij in contact met Balloo, een welpenleider bij de scouting en held van alle jonge meiden en hun ouders. ‘Van alle mannenbenen die zich in korte broek rond de communiebank schaarden, waren dit de mooist gevormde, de slankste en meest gespierde.’ Als Balloo, de twintigjarige Adonis, hem, het zevenjarige jongetje, vraagt samen met hem kerstinkopen te gaan doen, blijkt Balloo al veel over hem te weten, terwijl hij eigenlijk niets van Balloo wist. Later, als hij wat meer te weten gekomen is over pedofilie, vraagt Eric zich af hoe deze belangstelling te verklaren. Dan volgt eigenlijk een van de mooiste en meest liefdevolle passages uit het boek waarin Eric de Kuyper de begrafenis beschrijft van de bij iedereen zo geliefde Balloo op wie de Engel des Doods al een tijdje had zitten wachten. Waar vind je nog een schrijver die zulke mooie, gevoelvolle passages durft te wijden aan het droevige lot van een pedofiele jongeman?

    Tijd
    Het boek van De Kuyper is eigenlijk een ode aan de vrije mens, aan de vrijheid en onafhankelijkheid van denken en voelen. Hij verafschuwt de school als een ondraaglijke ingreep in zijn leven omdat het de tijd segmenteert in vrije tijd en niet-vrije tijd. En omdat hij begrijpt dat dit een afspiegeling is van het leven later als hij moet gaan werken, bevalt hem dat vooruitzicht evenmin. Hij is zich bewust dat hij op zoek moet gaan naar werk dat lijkt op het spel van nu, zijn kindertijd: ‘Spel leek hem trouwens veel serieuzer dan werk. Werk als spel?’  In zijn latere artistieke leven is hij daarin overigens als filmregisseur en schrijver goed geslaagd.

    De Kuyper schrijft zijn boek vanuit het perspectief van een ‘hij’ om zo oprechter te kunnen zijn dan wanneer hij het geschreven zou hebben vanuit een ik-perspectief: ‘Immers, die ik ben ik voor een goed deel niet meer; het is een op afstand geworden ik. Iets als een hij.’  Hoewel je begrip kunt hebben voor deze keuze, werkt het tijdens het lezen enigszins vervreemdend, omdat het gaat om een autobiografie, en soms ook wel storend.

    Eric de Kuyper slaagt er in de eigen jeugdherinneringen van de lezer te activeren. Dat is misschien wel het grootste compliment dat je als schrijver over je kinderjaren kunt krijgen.

  • Van Christusidentificatie tot euvelaapstraatstroo

    Van Christusidentificatie tot euvelaapstraatstroo

    Een eindweegs op weg in Wit licht zullen veel lezers zich mogelijk afvragen wat auteur Jaap Goedegebuure eigenlijk wil betogen. Dat we in de recente literatuur nog altijd door mystiek geïnspireerde schrijvers – de ondertitel is Poëzie en mystiek in de Nederlandse literatuur van 1890 tot nu – vinden? Dat onder hen ook literatoren zijn die niet gelovig zijn? Dat de hang naar mystiek groter is in tijden van desoriëntatie? Het zullen voor de gemiddeld geïnteresseerde literatuurliefhebber toch geen schokkende conclusies zijn. Dat het een ondergewaardeerd aspect is, wellicht?

    Mystiek
    Mystiek blijkt overigens een lastig te vatten begrip. Zo begint Goedegebuure met te schrijven wat dichter Hendrik Marsman en essayist Van de Watering erover hebben gezegd, ‘waaraan met gemak nog vele tientallen [begripsbepalingen] kunnen worden toegevoegd’, om vervolgens zijn toevlucht te nemen tot een, volgens hem ‘kernachtige omschrijving’ van theoloog Paul Tillich: ‘Mysticism means inwardness, participation in the Ultimate Reality through inner experience’.
    Inderdaad is het (soms plotselinge) besef zich als diepste individualiteit verbonden te weten met het Al een herkenbare rode draad in Wit licht. Voor sommigen loopt die ervaring via de godsdienst (Marsman), voor anderen via het loslaten van rationaliteit (de aanhangers van Dada) of zelfs via geweld (Armando).

    Goedegebuure koos de titel Wit licht omdat hij die frase tegenkwam bij zoveel dichters die hij bestudeerde. Hij staat voor het doorbreken van dat één voelen van het  individu met het Al. De verschillende wegen naar de mystieke ervaring en de verwoording daarvan vormen in hoofdzaak de structuur van Goedegebuures beschouwing. Het boek telt twaalf thematische hoofdstukken. Enkele daarvan zijn historisch van aard (mystiek in het fin de siècle; mystiek in het symbolisme), maar de meeste beschrijven voorbeelden van de verschillende wegen naar de mystieke ervaring: via de kleine alledaagse eenvoud, via de terugkeer naar de kinderlijke ontvankelijkheid, via geweldsbeleving, via identificatie met het lijden van Christus en via oosterse invloeden als Zen. Maar voor de lezer zijn dat toch vooral op zichzelf staande korte essays, die elkaar bovendien soms overlappen en enigszins onevenwichtig zijn. Je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat Goedegebuure zich meer heeft laten leiden door zijn (dichterlijke) voorkeuren dan door de lijn van zijn betoog.

    Onevenwichtig
    Lucebert is een goed voorbeeld van die keuze. Het is de man die waarschijnlijk het meest aan bod komt. Zijn naam valt in vrijwel elk hoofdstuk. Een enkele keer levert dat een herhaling op. Zo komt in hoofdstuk 8 het conflict ter sprake met Bertus Aafjes, die vond dat met Lucebert de SS de poëzie was binnengemarcheerd, en wordt dat in hoofdstuk 9 nog eens een keer uitgelegd.

    Overigens verschaft Goedegebuure de lezer op zich wel genoegen met zijn ruime aandacht voor deze ‘Keizer van de Vijftigers’. Velen van ons zullen op school immers meer zijn opgevoed met de duiding van diens poëzie als kritiek op de gezapige en cerebrale literatuur dan als een zoektocht naar zingeving. Door wat Goedegebuure erover te berde brengt worden regels als ‘in de huisha nabij euvelaapstraatstroo / aan de ulevellenstroepstoom uwe / bruidsdroom uw lohengrijns primeurprix’ heel wat meer dan een oerschreeuw tegen de gevestigde orde.

    Maar wie zoekt naar een heldere lijn in het betoog loopt toch vooral tegen die onevenwichtigheid op. Tegenover de ruime aandacht voor Lucebert, maar bijvoorbeeld ook Hans Verhagen, worden evenzeer mystiek geïnspireerden als Jacob Groot en Jan Hanlo maar vluchtig genoemd. En laten we het dan nog maar niet hebben over wie helemaal gepasseerd worden. Nou ja, één voorbeeld: Leo Vroman. Neem zijn Psalmen en andere gedichten, met regels als: ‘Systeem! Lijf dat op niets gelijkt, /  Aard van ons hier en nu, / ik voel mij diep door U bereikt / en als daardoor mijn tijd verstrijkt / ben ik nog meer van U.’

    Geen letter over hem in Wit licht.

     

     

  • Kijk! Kijk! En blijf kijken!

    Kijk! Kijk! En blijf kijken!

    ‘Ook kijken moet je leren’. De bewering lijkt zo’n gemeenplaats, maar kijken is bij Nicole Montagne een activiteit met diepgang. En als ze dat zinnetje op pagina 70 van Een makelaar in Pruisen neerschrijft ben je als lezer al helemaal gewonnen voor wat goed kijken je oplevert. Het boek is een bundeling van verhalen en essays – vooral essays, hoewel de scheiding vaak moeilijk aan te brengen is. Montagne schrijft in heldere, beeldende taal en scherp analyserend over wat we (denken te) zien en hoe we kijken, maar door al die beschouwingen heen loopt een persoonlijk, vaak autobiografisch verhaal. Een groot aantal van de stukken is dan ook verbonden met momenten in haar leven: als aankomend graficus in 1984 stage lopend in Praag, in daarop volgende jaren op reis met vrienden in het toenmalige Tsjecho-Slowakije, met haar gezin op zoek naar een woning bij Berlijn (in het titelstuk van de bundel) en in Nederland kritisch lezend en TV-kijkend.

    En wat is het een genot om door haar bril mee te kijken!
    Montagne is scherp, formuleert heel precies, en registreert alles met een kunstenaarsoog. Geen gebouw, geen dorp dat ze inloopt ontkomt aan haar observerende blik die onmiddellijk de kleuren, de stilering, ja zelfs de geuren en met dat alles direct de sfeer vangt. Ze gaat op in wat ze doet en schrijft. Zoals ze dat ook in haar vak doet:

    Van huis uit ben ik grafica, ik studeerde onder meer af in de techniek van de houtsnede. Een fijne en ook wel stoere techniek want je hebt er kracht voor nodig. Bovendien, als je snijdt, komt de geur van hout naar boven. Hout ruikt lekker. Het is geen reden om er op af te studeren, maar het is wel een prettige bijkomstigheid.

    De bundel zuigt je direct al mee in haar eerste stuk Psychogeografisch flaneren over hoe vormgeving van ruimtes en gebieden ons humeur en gedrag beïnvloeden en manipuleren. In die psychogeografie wordt het onopvallendste bijzonder door een wind die er waait of een patroon dat herkenbaar wordt. In de stukken die volgen opent Montagne steeds nieuwe vergezichten: letterlijk nieuwe dimensies door een andere manier van kijken of door messcherp de lagen van onze waarneming te fileren. Dat doet ze bijvoorbeeld schitterend in Een veehouder in Mongolië, waarin ze tijdens een wandeling de sensatie ervaart in een landschap van Kokoschka te staan en op een ander moment de overeenkomsten ziet, nee: belééft, tussen een schilderij van Munch en een foto waarop Tolstoj aan het water zit.

    Zo associatief schrijft Montagne ook in Flarden als haar gedachten naadloos van het gerinkel van de trambel in Praag overvloeien naar de knopenla in een fourniturenwinkel uit haar jeugd. Niets is wat het lijkt, wil ze maar zeggen. Er zijn altijd oude beelden en ervaringen die onze manieren van kijken meebepalen. In je hele leven speelt zich een, wat zij noemt ‘proces van betekenisgeving’ af. Al in je kleuterjaren maak je associaties die je kijken later zullen beïnvloeden. Ze illustreert dat – alweer autobiografisch – met haar kinderfantasieën over verre werelden bij het zien van de afbeelding op de hoes van een grammofoonplaat van haar vader.

    Veel van de stukken gaan over kunst, maar Montagne is ook een observator van ons taalgebruik en ons, tja, je zou bijna zeggen: ons zelfbedrog. Het is een woord dat de schrijfster zelf niet gebruikt, maar dat moeiteloos bij de lezer opkomt. Over vernieuwing bijvoorbeeld. Het ‘is inmiddels een toverwoord geworden’. Wil hedendaagse kunst meetellen voor musea en fondsen, dan moet ze vernieuwend zijn. De term is een kreet geworden: ‘Hij is uitgehold, evenals de begrippen ‘passie’ en ‘creativiteit’’. Aan de hand van een expositie door Jef Rademakers van werken uit de Romantiek in 2011 schetst ze uiterst helder hoe die stroming, die in veler ogen traditionele plaatjesmakerij was, een noodzakelijk tegenwicht bood tegen de doorgeschoten rationalisering van de Verlichting: ‘De mystiek en het magische werden in ere hersteld (…) In dat opzicht was deze stroming grensverleggend. De schilders presenteerden, als kinderen van hun tijd, een volstrekt andere manier van kijken naar de werkelijkheid.’ Hoezo niet vernieuwend?

    Boeiend is Montagne evenzeer in haar kijk op moderne technische mogelijkheden. In De verloren tijd in beeld neemt ze het op voor de herinneringen zoals die hangen om oude foto’s. Die waren meestal geposeerd (ze geeft een amusant voorbeeld van haar vader die in zijn ‘luie’ stoel Readers Digest leest met haar moeder achter hem voorovergebogen meelezend: ‘maar mijn moeder las nooit welwillend over schouders mee; de machtsverhoudingen bij ons thuis lagen voor eens en voor altijd andersom’). Toch zijn ze waardevol. Omdat ze een verdwenen wereld tonen, maar ook omdat er relatief zo weinig van dit soort foto’s zijn. Tegenwoordig fotograferen we digitaal alles wat los en vast zit. En we slaan het ook allemaal op. En onze band ermee, onze herinnering, wordt bedolven onder een overschot aan materiaal. In plaats van alles bewaren, moeten we selecteren, vindt Montagne. Of, zoals ze het in een ander stuk schrijft: ‘Alles vastleggen is dodelijk voor het geheugen’.

    Het langste essay in de bundel is een vurig pleidooi voor zuiver kijken. Het stuk is een ongemeen felle uithaal naar kunstbeschouwer Joost Zwagerman en dan vooral zijn bespreking van A photographer’s life: 1990-2005 van Annie Leibovitz. Veel foto’s in dat boek zijn uit haar privéleven met de schrijfster Susan Sontag. En je hóórt Montagne vloeken als ze beschrijft hoe Zwagerman, bewonderaar van de geschriften van Sontag, het werk van haar partner Leibovitz voortdurend bekijkt vanuit zijn kennis van wat Sontag heeft geschreven. Hij legt steeds Sontag over Leibovitz heen en weigert naar de foto’s zelf te kijken, constateert ze woedend. Alleen al dit essay maakt de bundel tot een rijke bron van leesgenot en leerzaamheid.

    Nicole Montagne heeft een prachtboek geschreven (ook qua vormgeving trouwens). Ze is niet alleen een kunstenares in hout of op papier, maar kan ook haarscherp kijken, denken en formuleren. Een makelaar in Pruisen zijn beschouwingen om te herkauwen.

     

     

  • Vrijheid is opgelegde keuzes van de hand wijzen

    Vrijheid is opgelegde keuzes van de hand wijzen

    ‘Veel kennis is waardeloos zodra ze losstaat van de verdeling van kracht, ook al is ze formeel waar.’ In de volgende zin maakte Adorno duidelijk wat hij bedoelt: ‘Als een geëmigreerde arts zegt: “Voor mij is Adolf Hitler een pathologisch geval”, zal de klinische diagnose zijn uitspraak misschien uiteindelijk wel bevestigen, maar de wanverhouding tussen zijn uitspraak en het objectieve onheil dat in naam van deze paranoïcus in de wereld wordt aangericht, maakt de diagnose belachelijk, waarmee de diagnosticus zichzelf alleen maar de hoogte in steekt’.
    Toen Adorno dat in de herfst van 1944 opschreef in zijn Minima Moralia, kon hij niet vermoeden dat hij er twintig jaar later zelf mee om de oren zou worden geslagen.

    Om te beginnen: het citaat zegt veel over het leven van de auteur zelf. Theodor Wiesengrund Adorno was een Duitse jood die geboren werd in 1903. Hij wilde graag componist en concertpianist worden, maar koos uiteindelijk voor de filosofie. Tijdens de opkomst van de nazi’s vluchtte hij in 1935 eerst naar Engeland en drie jaar later naar de V.S. In 1949 keerde hij terug naat Duitsland. Hij overleed in 1969.
    Adorno was één van de groten van de Frankfurter Schule, geen onderwijsinstituut, maar een politiek-filosofische beweging, die onder andere veel invloed had in de roerige jaren ’60 van de vorige eeuw. Adorno en de zijnen vonden dat de ontwikkeling van de wetenschap, de techniek, de economie en de ‘cultuurindustrie’ de mens alleen nog maar zag als object dat te manipuleren was en naar believen kon worden ingezet door de kapitalistische machthebbers.

    Deze weken verscheen Minima Moralia van Adorno in een nieuwe vertaling. Het is een bundeling zeer korte essays – sommige beslaan zelfs maar een halve pagina – die hij schreef in de jaren 1944 – 1947, aan het eind van de nazitijd en tijdens zijn verblijf in Amerika dus. De ondertitel is veelzeggend: Reflecties uit het beschadigde leven. Daarmee bedoelde hij niet alleen de vernietigingsoorlog door de nazi’s, maar ook zijn observatie dat de mens steeds verder van zijn behoeften vervreemd raakt en wórdt geleefd. In de jaren ’60 liepen de demonstranten met hun vaandels in de Europese hoofdsteden achter die analyse aan, maar het respect voor Adorno sloeg onder de revolutionairen snel om. Ze begonnen hem te verwijten dat hij even belachelijk was als de diagnosticus uit het citaat in de aanhef van deze recensie, omdat hij geen praktische consequenties aan zijn diagnose verbond.

    De Minima Moralia (de titel is een toespeling op de Magna Moralia van Aristoteles) werd in 1971 ook al eens door Maurits Mok in het Nederlands vertaald. Nu is er deze nieuwe frisse weergave van Hans Driessen, die eind vorig jaar ook al veel lof werd toegezwaaid voor een moderne versie van De Toverberg van Thomas Mann. Ook de verzorging van het boek is heel wat uitnodigender dan de Aula-pocket uit 1971.

    Theodor Adorno heet moeilijk toegankelijk te zijn. Dat zal vooral gelden voor voor zijn hoofdwerken; het kan in elk geval niet zonder meer gesteld worden van deze Minima Moralia, een verdienste die waarschijnlijk voor een deel op het conto van de vertaler mag worden geschreven. Het wil niet zeggen dat de gedachtegangen van Adorno altijd even gemakkelijk te volgen zijn. Dat probleem doet zich nogal eens voor als hij zich verliest in paradoxen en tegenstellingen. Hij is er een overdadige liefhebber van, zowel in zijn woordgebruik als in zijn redenaties. Op pagina 162 bijvoorbeeld presteert hij het om er in vier regels drie te verwerken (de onderstrepingen zijn van mij; AA):

    (…) de onbewuste inspanning van het bewustzijn om de dodelijke wet te leren kennen op grond waarvan de maatschappij haar leven bestendigt. De aberratie is eigenlijk alleen maar de kortsluiting van de aanpassing.

    Maar laat de lezer zich daardoor niet te veel afleiden. Want er staat veel aan soepel lopende teksten tegenover die soms met ingehouden felheid lijken te zijn opgeschreven. Ze zijn bovendien verrassend actueel. Dat geldt niet alleen voor de filosofische vragen, zoals hoezeer we in een technocratische maatschappij nog mens kunnen zijn, maar ook voor de herkenbaarheid van de voorbeelden. Met een zin als

    Dat ze, in plaats van de hoed te lichten, elkaar met het ‘hallo’ van de vertrouwde onverschilligheid begroeten, dat ze elkaar in plaats van brieven inter-office communications sturen, zonder aanhef en ondertekening, zijn slechts willekeurige symptomen van een verzieking van het contact.

    kan van harte worden ingestemd door degene die bijna 70 jaar nadat Adorno dit schreef tureluurs wordt van het geraas van twitter en facebook om zich heen. En in onze tijd lijkt er niet veel veranderd als we lezen dat de geschoolden volgens Adorno ‘steeds stommer’ worden: ‘Ze kunnen voordrachten houden waarvan elke zin geknipt is voor de microfoon, waarvoor ze als vertegenwoordigers van de doorsnee worden neergezet, maar het vermogen om met elkaar te converseren, dooft uit.’ En een pagina verder: ‘De affecten die in het menswaardige gesprek de inhoud golden, worden nu halsstarrig gericht op het pure gelijk krijgen.’ Adorno gruwde ervan. Sterker nog, in een eerdere aantekening heeft hij dan al gesteld dat filosofen die zich toeleggen op de conversatie, zodanig moeten spreken ‘dat ze altijd ongelijk krijgen’.

    Stof tot nadenken biedt Adorno zo te over. Ook als hij ons waarschuwt niet onverschillig te blijven bij wat we om ons heen zien gebeuren. Hij werkt dit tot in extremis uit in de beschrijving van het voorbeeld van de belangenbehartiger. Mensen met wie hij – de belangenbehartiger – in aanraking komt worden bij voorbaat al gereduceerd tot objecten omdat hij beoordeelt of ze in zijn bedoelingen passen en of hun opvattingen bruikbaar zijn of juist lastig. Hij ziet de anderen niet ‘als anderen’, maar ‘als functie van de eigen wil’ met als gevolg dat uiteindelijk ‘zelfs de beste mens alleen nog maar het kleinste kwaad is en de slechtste niet het grootste’.

    De strak onderzoekende, betoverende en betoverde blik, die eigen is aan leiders van de verschrikking, vindt zijn model in in de taxerende blik van de manager die de sollicitant verzoekt plaats te nemen en diens gezicht zo verlicht dat het meedogenloos uiteenvalt in de helderheid van de bruikbaarheid en in de donkerte en onguurheid van de ongeschiktheid. Het laatste stadium is het medisch onderzoek, met als resultaat het alternatief: opname in het arbeidsproces of liquidatie.

    Is het echt zo erg? Ja, zegt Adorno. Zo erg kan het zijn als we geneigd zijn gevaren niet onder ogen te zien omdat ze ongeloofwaardig overkomen. ‘Echte vrijheid is niet kiezen tussen zwart en wit, maar zo’n opgelegde keuze van de hand wijzen’, vermaant hij ons.

    De zojuist geciteerde omineuze tekst over de manager schreef Adorno in 1945. Opvallend is dat zijn thema’s veranderen ná dat jaar, als de oorlog is afgelopen en hij al weer durft te denken aan terugkeer naar Duitsland. De beschouwingen uit 1946 en 1947 worden dan minder grimmig. Er is weer ruimte voor stukken over liefde, jeugdherinneringen en kunst en muziek. De toon wordt lichter, maar wat blijft zijn de diepgang en de messcherpe observaties.

    Lees Minima Moralia. Mopper erover. Knik instemmend. Erger je. Geniet van de scherpte. Sla over wat ontoegankelijk is. Maar lees Minima Moralia.

     

    Minima Moralia.
    Reflecties uit het beschadigde leven

    Auteur: Theodor W. Adorno
    Vertaald door: Hans Driessen
    Verschenen bij: Uitgeverij Vantilt (2013)
    Oorspronkelijke uitgave: Suhrkamp Verlag (1951)
    Aantal pagina’s: 285
    Prijs : € 19,99

  • Literair verzet

    Literair verzet

    Je zou het misschien niet zeggen maar achter de titel Verzet tegen Napoleon gaat heuse literatuurgeschiedenis schuil. Wie verwacht te gaan lezen over oproer en gewapende opstand tegen de Franse overheersing in de jaren 1795-1813 komt bedrogen uit. Van echt georganiseerd verzet van enige omvang was in die jaren namelijk geen sprake. Onder historici is de opvatting gangbaar dat Nederland het Franse gezag gewillig over zich heen liet komen.

    Maar een aantal schrijvers en dichters en een enkele toneelspeler heeft zich in woord, en soms ook in daad, wel degelijk verzet tegen het Franse gezag in Nederland. ‘Cultureel verzet’ noemt Lotte Jensen het, die met haar boek het gangbare beeld dat Nederland het Franse gezag wel best vond, behoorlijk nuanceert. ‘,’ zou – als we de toneelspeler even vergeten – misschien wel een betere term zijn, want zo goed als alle voorbeelden die Jensen geeft, hebben te maken met literatuur en niet met andere kunstdisciplines, bijvoorbeeld de beeldende kunst.

    De enige uitzondering is het verhaal van de toneelspeler Frits Adriaan Rosenveldt die zich op het toneelpodium herhaaldelijk ‘verspreekt’ en dingen zegt die hem in opspraak brengen bij de Franse politie. In 1813 wordt hij zelfs gearresteerd en meegenomen naar Frankrijk. Uiteindelijk komt Rosenveldt zonder kleerscheuren veilig thuis maar zijn arrestatie maakt duidelijk dat verzet, al was het maar in woorden, niet zonder gevaar was.

    Het is vooral in de periode 1810-1813 waarin Napoleon Nederland annexeert en ons land deel uitmaakt van het Franse keizerrijk dat de repressie en daarmee en het ongenoegen tegen de Fransen toeneemt. Met de annexatie hield Nederland in feite op te bestaan en daarmee dreigde volgens sommigen de Nederlandse identiteit te verdwijnen. Het is niet verbazingwekkend dat een aantal schrijvers uit die tijd grote nadruk legt op typisch geachte Nederlandse thema’s en eigenschappen. Jensen onderscheidt er drie, namelijk de eigen moedertaal, de Gouden Eeuw en huiselijkheid. Huiselijkheid? -Ja, huiselijkheid.

    Het begin van de achttiende eeuw staat vandaag de dag slecht bekend bij de Nederlandse literatuurliefhebber. De mensen die bijvoorbeeld met plezier een gedicht van Hendrik Tollens (1780-1856) lezen, moeten op een hand uit de houtzagerij te tellen zijn. Tollens is tegenwoordig voor weinig nog goed. Op zijn best kan hij als voorbeeld dienen voor de vergankelijkheid van literaire roem. Eens een literaire held en schrijver van het nationale volkslied (Wien Neerlands bloed in de aders vloeit), sinds de Tachtigers een ongelezen dichter van wie het werk zelfs door ware poëzieliefhebbers bloedeloos wordt bevonden.

    Gerrit Komrij gaf de dichter er van langs en vond Tollens’ lofdicht op de nieuwe tand van zijn zoon een ‘schoolvoorbeeld van slechte poëzie’. Wie de eerste zinnen van Tollens’ lofzang leest vind het niet moeilijk om Komrij gelijk te geven: Triomf, triomf! Hef aan mijn luit Want moeder zegt: de tand is uit!

    Maar Lotte Jensen komt met een heel andere kijk op dit gedicht voor de dag en weet overtuigend aan te tonen dat de tand hier als wapen wordt gebruikt. Het verzet tegen Napoleon blijkt een tand te hebben.

    Jensens bespreking van Tollens gedicht komt erg overtuigend over. Tollens’ aanzet (Triomf, triomf!) doet hier en daar militair aan en het geheel heeft een voelbare politieke lading – althans wanneer iemand je daar op gewezen heeft. Wat eerst een sentimenteel, ietwat bombastisch gedicht leek over een doorbrekend melktandje, blijkt nu opeens een gedicht met gezag ondermijnende bedoelingen.

    Opeens willen we meer horen over huiselijkheid. Het werd in het begin van de eeuw gezien als een typisch Nederlandse eigenschap, net als deugdzaamheid, godvruchtigheid, dapperheid en verdraagzaamheid. Al deze eigenschappen worden verenigd in de hoofdpersoon van een roman uit 1808 van de Haarlemmer Adriaan Loosjes, getiteld Het leven van Maurits Lijnslager. Het levensverhaal van deze typisch Nederlandse held speelt zich af in de zeventiende eeuw, een duidelijke verwijzing naar het roemrijke Nederlands verleden.

    Wat voor de oningewijde misschien een braaf boek over een saaie burgerman lijkt te zijn is in werkelijkheid een verzetsroman, zo betoogt Jensen overtuigend. De nadruk op al die toch wat brave eigenschappen en een keurig gezinsleven in het decor van de Gouden Eeuw zijn bedoeld als een lofzang op de ware Nederlandse identiteit die door de verfransing van de samenleving zo onderdruk stond.

    De manier waarop Jensen het thema huiselijkheid een politieke draai geeft, is zowel overtuigend als verrassend. Minder verrassend, maar daarmee niet minder overtuigend, behandelt ze de inzet van de Vaderlandse geschiedenis en de moedertaal als thema’s van het cultureel verzet. Wat betreft de geschiedenis is het vooral de Gouden Eeuw die veel gebruikt wordt om het grootse Nederlands verleden te benadrukken.

    Jensen besteed ook aandacht aan de Franse censuur en aan de omzichtige pogingen van auteurs deze te omzeilen. Schrijvers waren erg bedreven in het leveren van min of meer verhullende kritiek op het Franse gezag, die voor de oplettende lezer niet moeilijk te duiden was. Zo schreef Cornelis Loots in 1805 een stuk over de strijd tussen Batavieren en Romeinen waarbij het wel duidelijk was dat men voor Batavieren Nederlanders en voor Romeinen Fransen lezen moest.

    Jensen heeft zich met opzet beperkt tot een korte, maar belangrijke periode in de Nederlandse geschiedenis. Bovendien blijft ze zorgvuldig bij het thema van verzet tegen het Franse gezag. Het is duidelijk niet haar bedoeling een volledig overzicht te geven van de literatuur in die jaren. Zo speelt de toen zo bekende dichter Willem Bilderdijk maar een kleine rol, wat alles te maken heeft met Bilderdijks wisselende politieke voorkeuren. De meeste aandacht gaat uit naar wat Jensen met een knipoog ‘de grote drie’ noemt, de schrijvers Loots, Helmers en Tollens. Alle drie schrijvers die de Nederlandse identiteit wilden beschermen tegen vreemde, met name Franse, invloeden.

    Verzet tegen Napoleon is een toegankelijk en bij vlagen verrassend boek geworden. De verrassing is met name te vinden in het hoofdstuk over huiselijkheid. Jensens opmerkingen nodigen uit tot het beter lezen van literatuur die toch een stuk minder saai en braaf blijkt dan gedacht.

    Het is overigens wel jammer dat Jensen de beeldende kunst buiten beschouwing laat. Het boek is fraai geïllustreerd met prenten, schilderijen en tekeningen en je zou verwachten dat de analyse die Jensen op de literatuur loslaat ook in de beeldende kunst tot resultaten moet leiden. Zijn in Nederlandse schilderijen uit het begin van de negentiende eeuw ook verborgen anti-Franse boodschappen te vinden? Het zou zo maar kunnen.

     

    Verzet tegen Napoleon

    Auteur: Lotte Jensen
    Verschenen bij: Uitgeverij Vantilt
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs € 17,50