• Vier volstrekt eenzame vrienden

    Vier volstrekt eenzame vrienden

    In Grip snijdt Stephan Enter een tijdloos thema aan: zijn we als mensen daadwerkelijk met elkaar verbonden of leven we ons leven ondanks intense vriendschappen in volstrekte eenzaamheid? Met deze vraag als rode draad creëert Enter een mooie roman, waarbij herinneringen van twintig jaar geleden langzaam onder ‘knisperende laagjes nieuwe gebeurtenissen’ worden opgedolven. Het verleden blijkt bij Enter geen eenduidig verleden. Iedere persoon in zijn roman leeft zijn eigen leven. Het weerzien brengt daar geen verandering in. Zelfs persoonlijke herinneringen zijn verre van eenduidig, zoals ook Paul, de eerste persoon die aan het woord komt erkent: ‘Dus zo was het om elkaar terug te zien! Grillig, gefragmenteerd als de blik in een gesprongen spiegel – met haarscherpe splinters en blinde vlakken.’

    Grip is op twee momenten en drie plaatsen gesitueerd: allereerst in mei 2007, in de Eurostar waarmee Paul en Vincent naar Wales reizen voor een reünie met Martin en Lotte, twee studievrienden van hen, inmiddels getrouwd en net verhuisd. Daarnaast is Grip doordesemd met flashbacks naar hun studententijd zo’n twintig jaar geleden. Daarbij staat een reis centraal die ze gevieren maakten naar het hoge Noorden, waar ze op de Lofoten verschillende bergtochten maakten.

    In zijn roman laat Enter de drie mannen om de beurt terugblikken. Drie geheel verschillende persoonlijkheden komen naar voren, met elk een eigen en zeer persoonlijke kijk op hun klimvakantie in Noorwegen. Dat deze drie herinneringen niet uiteendrijven is te danken aan Lotte, de enige vrouw van het klimmersgezelschap, die de lijm blijkt die de herinneringen nog enigszins bijeenhoudt. Voor Paul is zij een toneelspeelster en ongeleid projectiel, maar wel een projectiel dat hij ‘geweldig’ vond. Voor Vincent de eerste mens die hem het volstrekt nieuwe gevoel bood dat hij iets met iemand deelde. En voor Martin, haar uiteindelijke man, de vrouw die hem elke dag ontroert en op wie hij ooit verliefd hoopt te worden.

    In Noorwegen veroverde Lotte – deels ongewild en onbewust – een hoofdrol in het leven van de drie mannen. Met het bravoure dat de jeugd eigen is stelt zij tijdens één van hun rustpauzes in de bergen dat ze het ultieme geluk nu bereikt hebben: ‘Zo gelukkig zullen we nooit meer worden.’ Het is een zin die Paul, Martin en Vincent hun hele leven bij zal blijven, en elk van hun op een eigen manier zal tekenen. Het is ook de zin waaromheen Enter als een ware beeldhouwer drie cruciale gebeurtenissen boetseert die elk het leven van één van de mannen zullen bepalen. Bij Paul een ongeluk dat geen ongeluk was, bij Vincent een kus die de liefde van zijn leven kapot zal maken en bij Martin de kus die hem zijn vrouw brengt maar geen liefde.

    De vrouw bij wie al deze verhaallijnen bijeenkomen komt zelf niet aan het woord. Maar het is duidelijk dat zij zich realiseert dat het weerzien geen geluk zal brengen. Als enige weet zij immers hoe hun vier levens vervlochten zijn. Zij realiseert zich dat het ontwarren hiervan gevaarlijk kan zijn, zinloos ook in een wereld waarin uiteindelijk iedereen voor geluk op zichzelf is aangewezen. Ze loopt dan ook niet warm voor de reünie die haar man heeft georganiseerd. Als enige van de vier blijkt ze ook enorm veranderd te zijn. Het is Enters manier om duidelijk te maken dat mensen niet veranderen, maar de personen en de wereld om hen heen wel. Het ultieme bewijs dat elk zijn eigen leven leidt. Onveranderlijk. Dat Lotte sterk veranderd is blijkt als Martin een foto van haar en haar dochter laat zien aan Vincent. Deze kent Lotte het langst, vanaf zijn middelbare schooltijd, maar herkent haar niet. Hij concludeert dat de Lotte van vroeger niet meer bestaat en ook nooit meer zal bestaan. Wat was geweest is niet meer. Het is dan ook volgens Vincent onmogelijk om iets uit het verleden goed te maken, of terug te halen. Ook Paul heeft, bij één van zijn overpeinzingen, al geconcludeerd dat het verleden onoverbrugbaar ver was afgedreven: ‘ze waren als ijsschotsen losgeraakt’.

    Het knappe van Enters Grip is dat het op zeer geloofwaardige wijze vier personages en een vriendschap karakteriseert, en tegelijkertijd duidelijk maakt dat deze vier vrienden vier volstrekte individuen blijven. Hoe innig de studenten-vriendschap ook is – ook al duurt deze maar twee jaar – het doorbreekt de eenzaamheid niet waarin elk gevangen is. Voor Martin is dit gegeven zelfs het bewijs dat je echt samen bent: ‘Als je echt met iemand leefde, dacht hij, kwam je er pas echt achter dat je de ander nooit zou bevatten.’ Meer nog dan de liefde – die hij ook niet had gevonden – is dit voor hem de kern van verbondenheid.

    Vlak voordat Lotte in Grip ten tonele verschijnt, als de vrouw die Paul aan het einde in de verte ziet lopen althans Lotte is, laat Enter de groep en de vriendschap op dramatische wijze versplinteren. Vincent beklimt op blote voeten een klif die hem fataal lijkt te worden. Martin wentelt zich nogmaals in zijn eigen wereld en vertrouwde leven, zonder liefde. En Paul gaat op weg om de vraag die zijn leven beheerst te stellen. Aan Lotte.

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Na de eerder in 2011 verschenen dichtbundel en voor de VSB-poëzieprijs genomineerde Gerichte Gedichten, komt Willem Jan Otten met alweer iets nieuws: De Vlek. Een Vertelling. Niet in proza, maar een roman in verzen. Ooit de normaalste zaak binnen de literatuur (Ilias, Odyssee, Goddelijke Komedie), maar vanaf de 18de eeuw geleidelijk aan in het ongerede geraakt. Al heeft ook de Nederlandse literatuur haar 20ste eeuwse varianten gekend in de vorm van bijvoorbeeld Awater en Het Uur U van Martinus Nijhoff.

    De achterflap meldt dat ‘een roman schrijven met de pen die hij als dichter heeft leren voeren’ een voornemen was dat Otten al zijn leven lang heeft gekoesterd. Of hetzelfde verhaal in proza verteld, mij geloofwaardig had toegeschenen is zeer de vraag, maar door de andere wetten die voor poëzie gelden en vooral ook dankzij de vaart die de versvorm eraan geeft, heeft de vertelling haast iets van een pageturner gekregen. Want de verhaalkern is ijzersterk: door een menselijke fout wordt de tragiek van een enkel noodlottig geval per ongeluk over twee mensen uitgesmeerd. Omdat die twee mensen totaal van elkaar verschillen, krijg je twee verschillende manieren te zien om op hetzelfde lot te reageren.

    Abel Kans, een thans aan lager wal geraakte maar eens als Aby Chance bejubelde saxofonist, verneemt van de dokter dat hij een vlek op zijn longen heeft. Meteen als hij beseft dat hij verloren is, staat zijn besluit vast: geen vervolgafspraak ‘aan mijn lijf geen polonaise’ en hij verdwijnt. Twee dagen later blijkt echter dat er een vergissing in het spel is: de vlek behoort niet Abel maar een ander toe, een zekere pater Josephsson, iemand uit een medische controlegroep. Beiden trekken verschillende consequenties uit hetzelfde lot. Maar kan dit ‘wonder’ van de verwisseling Abel nog op tijd bereiken, hij heeft immers al gezegd dat hij niet in wonderen gelooft?

    Het verhaal wordt verteld door Abels tweelingbroer Ton, die zijn vertelperspectief zo nu en dan verruimt tot dat van een alwetende verteller. Dat valt goed te rijmen doordat Ton als beveiligingsbeambte achter de bewakingscamera’s zit waardoor hem maar weinig kan ontgaan. Tussendoor wordt nog even een vondeling in een achtergelaten sporttas voor een bom aangezien, bevalt de radiologe, die voor de misstap verantwoordelijk is, van een te vroeg geboren zoontje, en wordt geschetst hoe Abel en Ton als negenjarige tweeling het nieuws van de dood van hun moeder ter ore komt: tijdens hun vakantie op Vlieland, op het spoor van de kiekendief. Vanaf dat moment groeit de tweeling uit elkaar, al hebben beiden met de dood van hun moeder hun geloof in wonderen opgezegd. In deze vertelling wordt Ton gedwongen op zoek te gaan naar zijn broer, ‘eenzelvig geworden op het spoorloze af’, om hem te zeggen dat de vlek niet van hem is, dat hij niet dood hoeft…

    De vertelling bestaat uit 45 gedichten van uiteenlopende lengte (van tweeregelig tot een gedicht over zeven pagina’s) en van uiteenlopende versvormen. Van hexameter tot haiku. De Proloog is in hexameters, het ritme van Homerus: ‘Ik zing van een man die vandaag op zijn longen een vlek krijgt te zien’. En af en toe keert Otten terug bij deze vorm. Maar even lenig wordt er overgesprongen op een alledaagsere vorm. Zoals in deze vertelling onder andere verwijzingen zitten naar de Bijbel, Nijhoff en Tarkovski (de beroemde kaarsscène uit de film Nostalgia), zo kom je ook YouTube en Sky Radio tegen. Deze vertelling hoeft het niet van zijn waarheidsgehalte te hebben, maar van de toon, het ritme. Zo zou het in een prozaverhaal ronduit belachelijk zijn dat de saxofonist in zijn behandelend arts zijn grootste fan ontmoet, maar in een vertelling als deze komt Otten er op een of andere manier mee weg. Het mag allemaal in poëzie. Zijn toon die los is maar tegelijk ook geserreerd dwingt de lezer zich af te vragen waar hij zelf zou staan in dit verhaal: bij Abel die zijn lot vooruitsnelt of bij de pater die wil weten of er met alles niet een bedoeling is gemoeid? Om de onderlinge verschillen te accentueren is er de nodige symboliek in het verhaal gestopt, worden er wat lijntjes uitgezet. Even slik je als lezer, maar de soepele toon laat echter genoeg speling tussen symboliek en verhaal, genoeg althans om een eenduidige interpretatie uit te sluiten. Ook al heeft pater Josephsson overduidelijk het nodige met Jezus en Lazarus gemeen, Otten trekt het verhaal niet naar een sluitende christelijke interpretatie toe. Aan het eind liggen de hoofdrolspelers keurig naast elkaar op de intensive care. Zij die op sterven liggen en zij die nog met leven mogen beginnen. En zo heeft Otten in ieder geval de versregels: ‘er komt geen einde aan de reis naar het begin // wij afgestevenden op Ithaka, / levenslang op weg naar onze eerste zin.’ op poëtisch verantwoorde wijze waargemaakt.

     

    De vlek

    Auteur: Willem Jan Otten
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
    Aantal pagina’s: 89  (inclusief cd)
    Prijs: € 17,50

  • Hij bakt pannenkoeken!

    Hij bakt pannenkoeken!

    Door Machiel Jansen

    Begin jaren zestig was mijn oom een jonge onderwijzer waar sommige leerlingen bewonderend tegen op keken. Een klein groepje meisjes – ze moeten een jaar of twaalf geweest zijn – kwam hem elke schooldag zelfs van huis ophalen. Voor de deur stonden ze te wachten tot hun meester naar buiten kwam om samen met hen naar school te gaan.

    Mijn moeder woonde in die tijd nog in hetzelfde huis en hoorde een keer vanaf de bovenverdieping door het open raam de opgewonden fluisterstemmen van de meisjes, die ongeduldig naar binnen keken. Daar zagen ze mijn oom rustig ontbijten.
    ‘Kijk, hij drinkt melk!’ werd er buiten bewonderd geroepen. ‘En hij eet kaas!’
    Het dagelijks leven van mijn oom was in de ogen van deze leerlingen een wereld vol wonderen geworden.

    Toen ik het fotoboek Knip dan, toe dan! Karel van het Reve in beeld open sloeg, reageerde ik precies als die schoolmeisjes. Ik glimlachte en riep uit: ‘Hij bakt pannenkoeken!’ Want op de binnenflap staat een foto waarop Van het Reve, half op de rug gezien, pannenkoeken bakt. Hij is geconcentreerd bezig met een spatel en een pan en naast hem staat een bord met een stapel pannenkoeken erop. Het is een foto die alleen maar leuk is omdat Karel er op staat.

    Hoe kan het nu dat ik zo vrolijk opgewonden reageerde bij het zien van die foto? Zou het uit bewondering zijn? In dat geval is het wel een bewondering die de grenzen van het redelijke heeft overschreden. Je kunt Van het Reve bewonderen om zijn mooie essays maar om daarom in vervoering te raken (nu overdrijf ik) over een foto waarop hij pannenkoeken bakkend te zien is, gaat veel te ver.

    Het bewonderen van Van het Reve heeft sowieso iets ongemakkelijks. De man was zo nuchter en stond (ogenschijnlijk) zo ver af van elk vertoon van ijdelheid, dat elke vorm van overdreven bewondering ongepast aanvoelt.

    Karel van het Reve heeft tijdens zijn leven al bewonderaars gekend. Maarten Biesheuvel bijvoorbeeld. (Ook van hem staan er twee foto’s in het genoemde fotoboek.) Biesheuvel meende in de vanzelfsprekende nuchterheid van Van het Reve God zelf te herkennen. In een interview met de VPRO gaf hij toe dat dit idee hem nooit helemaal verlaten heeft : ‘Hij rookt niet en drinkt niet, hij is wijs en altijd bescheiden en bovendien is hij altijd grappig en origineel. En dan schrijft hij nog hele mooie essays. Toen ik in 1966 voor het eerst krankzinnig werd, dacht ik waarachtig nog an toe dat Karel God was. Ik dacht dat hij het heelal geschapen had en het paradijs weer zou kunnen laten aanbreken. Soms denk ik dat nog wel eens.’

    Maar kan God wel zo nuchter zijn? Arnon Grunberg vond een goddelijke status voor Van het Reve overdreven: ‘Hooguit mogen wij af en toe aan hem refereren als halfgod, maar niet vaker dan drie keer per jaar.’

    Er zijn twee redenen om Karel van het Reve niet goddelijk te verklaren. Ten eerste heeft hij nooit geprobeerd iemand te bekeren, of op een dwingende manier op andere gedachten te brengen. Zijn studenten en zijn kinderen drong hij nooit iets op, en wie het met hem oneens was, werd niet verketterd of beschimpt. Hooguit werd iemand die slecht schreef en bovendien nog onzin verkocht, daar fijntjes op gewezen.

    Een tweede reden om Van het Reve niet goddelijk te verklaren is dat hij veel meer theorieën onderuit hielp dan zelf bedacht. Hij was een meester in het laten zien hoe het niet moest. Hij kon de fouten van anderen prachtig en geestig aanwijzen maar zelf een theorie bedenken of uitleggen hoe het wel moest deed hij minder graag. Karel was veel meer een afbreker dan een opbouwer en dat kun je van een echte god niet zeggen. Hij versterkte die indruk nog eens door een pretentieloze houding aan te nemen. Van het Reve was de nuchterheid zelf als je hem zag, las en hoorde. Alles wat hij schreef en zei was te begrijpen. Hij deed nooit moeilijk. Hij zei alleen wat hij dacht, en met enkel een beroep op zijn gezonde verstand constateerde hij dat veel grote gedachten eigenlijk onzin zijn. Pretenties om zelf eens een theorie te bedenken, had hij eigenlijk niet – althans zo kwam hij over.

    Toch ligt juist in die kritische en (ogenschijnlijke) pretentieloze houding de verklaring waarom het zo verleidelijk is Van het Reve te bewonderen. Af en toe doet hij een beetje denken aan Socrates, die altijd maar beweerde zelf niets te weten maar vervolgens aan wist te tonen dat de anderen nog veel minder wisten dan hij. Beiden hadden ze meer pretenties dan ze deden voorkomen. Beiden wisten ze veel meer dan ze openlijk wilden toegeven. En beiden hebben na hun dood een groep trouwe bewonderaars achtergelaten. Beiden waren overigens kaal. (Het grote verschil tussen Socrates en Karel van het Reve is dat om de laatste veel vaker te lachen valt.)

    De bewondering zit een bewonderaar van Karel van het Reve vaak in de weg. Zo heb ik wel eens uitgeroepen dat Van het Reve’s Huizingalezing Het raadsel der onleesbaarheid, verplicht zou moeten worden voor elke student. Maar in diezelfde lezing spreekt Van het Reve zich juist tegen dergelijke ‘bekeringsijver’ uit. Hij wilde studenten helemaal niets opdringen. De nuchterheid van Van het Reve is dan ook niet alleen een eigenschap die bewonderd kan worden, maar waarschuwt ook dat bewonderaars het niet al te gek moeten maken. Zij moeten hun bewondering dan ook voortdurend corrigeren. De beste manier omdat te doen is af en toe eens te kijken naar een foto waarop de auteur pannenkoeken bakt.

    Het fotoboek Knip dan, toe dan! is ‘met zijn vele citaten’ dan ook geen perfecte introductie tot het werk van Karel van het Reve, al beweert de achterkant van wel. Wie al lezend in het Verzameld Werk tot de conclusie dreigt te komen dat Karel goddelijk of half goddelijk was, komt er door in dit boek te bladeren achter dat Karel een mens van vlees en bloed was. Een man die door velen die hem kenden duidelijk erg gemist wordt. Het boek straalt een warmte en een bijna aandoenlijke toewijding uit. Het sluit de uitgave van het Verzameld Werk dan ook waardig af.

    Knip dan, toe dan! bevat familiefoto’s, klassenfoto’s, foto’s gemaakt tijdens de oorlog en tijdens zijn periode in de Sovjet-Unie. We zien Karel als jongen tijdens een vakantiekamp een poepemmer legen. We zien hem samen met broer Gerard en natuurlijk met zijn vrouw Tini. We zien hem met de Russische dissident Almarik en later met zijn ‘ideale uitgever’ Geert van Oorschot samen de vuist ballen.

    De mooiste foto staat op bladzijde 86. We zien Karel uit een auto springen die in het water ligt. Er ligt een dun laagje ijs op de gracht en alleen het achterste gedeelte van de auto steekt nog boven het wak uit. Van het Reve was even daarvoor op een glad Rapenburg met zijn auto te water geraakt. De hilarische beschrijving van het voorval staat in Afscheid van Leiden (vierde deel Verzameld Werk) en is voor een deel naast de foto afgedrukt. Ik geloof dat ik nooit harder om Van het Reve gelachen heb dan bij lezen van dat verhaal. Er is één detail dat we nog niet wisten en dat door de foto onthuld wordt: de auto, een Austin 1100, was van het type Glider.

    Wie dit fotoboek opneemt om kennis te maken met Karel van het Reve doet zichzelf te kort. De kennismaking begint met deel 4 van het Verzameld Werk, daarna volgt de rest vanzelf, inclusief Knip dan, toe dan! Want wie begint met de foto’s ziet vooral een mens, een man met gezin en een beroep. Maar wie het Verzameld Werk leest, begrijpt heel af en toe die arme Maarten Biesheuvel toen hij in Van het Reve God meende te herkennen. Op zulke momenten blader je glimlachend even door dit prachtige fotoboek, om zeker te weten dat Biesheuvel het toch bij het verkeerde eind had.

     

     

  • Herbeleven van wat verdwenen is

    Herbeleven van wat verdwenen is

    Recensie door Laura Schans

    Vorig jaar maakte Detlev van Heest indruk met zijn debuut De verzopen katten en de Hollander. Hierin verhaalde hij van zijn belevenissen in Japan, waar hij twaalf jaar woonde met zijn vrouw Annelotte en hun kat Kootje. Sinds zijn vertrek uit Japan hebben ingrijpende veranderingen plaatsgevonden: zijn relatie met Annelotte liep op de klippen na hun emigratie naar Nieuw-Zeeland (waarover in de roman Pleun te lezen valt), Japan werd bovendien getroffen door een verschrikkelijke tsunami, met alle gevolgen van dien. Van Heest, die inmiddels weer in Nederland woont, keert er terug. Hij bundelde zijn reiservaringen in zijn nieuwe boek Het verdronken land – Terug naar Japan. 

    Deze terugkeer betekent een reis naar een verleden waarin ontstellend weinig ruimte voor toekomst is. Van Heest bezoekt Japan kort na de ramp in maart en april 2011 en nogmaals in september en oktober 2011. Deze reiservaringen worden voorafgegaan door een eerder bezoek in 2009, waarin hij met een nieuwe vriendin, Adèle, zijn vroegere buurt Nieuwloofwijk bezoekt. De ontmoetingen met kennissen en buurtbewoners worden met oog voor detail beschreven: er is veel aandacht voor wat er gezegd wordt en wat er op tafel komt. De herinneringen aan Annelotte gaan hierbij een hoofdrol spelen, waardoor Van Heest een steeds grotere afstand tot Adèle lijkt te voelen. Ze ergert hem met haar opgewekte nuchterheid.

    Het verdronken land – Terug naar Japan is te lezen als een epiloog. De tocht staat in het teken van herbeleven wat verdwenen is: ‘Halverwege de jaren negentig waren Annelotte en ik in Semi-onsen, in ditzelfde onderkomen. Ik loop langs onze toenmalige kamer, de ‘zelkova-kamer’, en walg van mijzelf om het eindeloze herkauwen van mijn leven. Het moet afgelopen zijn. Ik zweer: dit is mijn afscheidstoernee. Hierna is er geen terug naar Japan meer, wat er ook gebeurt.’

    Het besef dat er geen of weinig toekomst meer is zit in alles: de verbroken relatie met Annelotte, de relatie met Adèle die duidelijk ook niet gaat werken, de tsunami met alle doden en verdwenen stadjes, de veranderde wijk, veel oud geworden of gestorven mensen. Niet alleen zijn persoonlijke leven laat geen weg terug toe, ook Japan zelf confronteert hem met afloop. Zo wordt de persoonlijke thematiek van de hoofdpersoon versterkt door het Japan dat eveneens niet meer hetzelfde is.

    Veelzeggend in dit verband zijn de suïcidale gedachten die Van Heest soms overvallen. Deze neiging wordt versterkt door de aanwezige radioactiviteit. De straling is een onzichtbare vijand die de toekomst buiten spel zet. In de provincie Foekoeshima bemachtigt Van Heest een stel goedkope perziken. ‘In mijn kamer inspecteer ik de vruchten. Ze zien er lekker uit. Ik ruik eraan. Ik trek de huid van de grootste. Nee, ik eet ze niet, want ik ben niet levensmoe. Alhoewel: gisteren wou ik nog zelfmoord plegen. Van deze perziken krijg ik wellicht pas over tien of twintig jaar schild- of lymfeklierkanker. Ik zet mijn tanden in de gepelde perzik. Zelden was de dood zo zoet.’

    In zijn beschrijvingen is Van Heest afstandelijk: ‘Ik merk dat ik begin af te stompen. Dat hoort waarschijnlijk zo. Een mens kan maar een beperkte hoeveelheid leed pruimen. Het surplus dringt niet tot mij door.’ Zijn beknopte, heldere vertelwijze heeft een air van objectiviteit. Vooral dialogen zijn hierdoor vaak geestig, maar de beweegredenen voor zijn reizen blijven raadselachtig. Van Heest wil iedereen opzoeken maar lijkt daarmee vooral zichzelf te kwellen. Hij vindt zelden wat hij zoekt (wat hij zoekt is het verleden – dat bestaat immers niet meer) en hij lijkt zich aan iedereen die hij opzoekt te ergeren. Enkel wanneer er honden of katten in het spel zijn lijkt Van Heest oprechte emoties te tonen. Wanneer hij, waarschijnlijk voor de laatste keer, afscheid neemt van de familie Vierkanten, wordt hij vooral geraakt door hun hond Dzjiro. ‘“Dag jongen! Tot de volgende keer!” Bij de vijver in het park zwaai ik. Als ik me afwend, komen de tranen.’

    In het eerste deel reist Van Heest samen met zijn toenmalige vriendin Adèle. Hier vindt zijn sombere ergernis in haar een mooie tegenstem. Adèle vormt een interessante tegenhanger voor de weinig reflectieve Van Heest. Haar positieve houding komt naar voren wanneer ze hem vraagt: ‘Maar hier is het toch mooi? Bijvoorbeeld de bergen hier. Die zijn nog niet verpest.’ Ook de interactie met de Japanners krijgt reliëf, bijvoorbeeld wanneer Adèle veronderstelt met welke Japanners Van Heest meer of minder bevriend was. Van Heest is het nooit met haar eens, maar haar visie biedt wel perspectief op zijn sombere houding. In het tweede en derde deel is er echter alleen nog Van Heest, die niet meer van zijn depressieve houding loskomt en ook zijn lezer erin meetrekt.

    Al met al is Het verdronken land een bizarre mengelmoes van een verlept Japan, een sombere reiziger, droge humor en trieste droefenis. De actuele gebeurtenissen in het land vormen een interessant samenspel met de persoonlijke geschiedenis van Detlev van Heest. Thema’s worden verdiept en krijgen wederzijds meer effect. Tot het einde toe blijft Het verdronken land – terug naar Japan treurig. In dit boek is er (nog) geen ruimte voor toekomst. Van Heest zal hopelijk in zijn volgende boek onthullen welke invulling hij na dit afscheidstournee gevonden heeft.

     

     
  • Recensie door: Joost van der Vleuten

    Recensie door: Joost van der Vleuten

    Het Rarewoordenboek  is een lekker ding. Mooi formaat, fraai vormgegeven, goed getypografeerd, prettig papier en bijzondere illustraties. Buitenlandse studenten Type and Media van de Haagse Kunstacademie maakten kleurige typografische verbeeldingen van alle vijftig rare woorden die Middag in zijn boek aan de orde stelt. Behalve mooi is het Rarewoordenboek ook nog eens heerlijk om te lezen. En dat is bepaald een prestatie. De afgelopen decennia zijn stapels boeken en boekjes gepubliceerd over het Nederlands in al zijn aspecten. Opperlandse taal- en letterkunde van Battus natuurlijk, Opperlands werk van Komrij en Kousbroek, taaltrendy boekjes van Kuitenbrouwer en Cornelisse, ‘woordenboekigheden’ van Sanders en Van der Sijs en ga zo maar door. Het Rarewoordenboek raakt aan al die categorieën en stijgt daar vaak ver bovenuit.

    Rare woorden staan soms gewoon in het woordenboek,  maar vallen op of wijken af. Ze hebben iets waardoor je er meer van wilt weten. Woorden met een poëtische lading of klank: boetelingensneeuw, roosvingerig, linteldoek of (jazeker) chlamydia. Woorden waar je je weinig of juist van alles bij kunt voorstellen: veulenmilt, onk, tohoe wa bohoe en wegluis. Of die eenmalig en toevallig zijn: kalebouterboom of koolpikravenzwart, bij voorbeeld. Jarenlang noteerde Middag dergelijke woorden. Hij pikte er vijftig uit om hun betekenis op te sporen en vast te leggen; geheel volgens de regels van de lexicografie, maar dan toch een tikkie anders. De hoofdmoot van de 50 stukjes is steevast een speelse speurtocht naar de mogelijke betekenis van het woord. Die begint vaak bij de brontekst (en dat is meestal een gedicht), en voert via Van Dale en het Groot Woordenboek der Nederlandse taal, maar ook – om maar wat te noemen – langs vertaalwoordenboeken, Google, een handboek voor de dierenarts, de Bijbel, klassieke teksten van Homerus en Vergillius en de Koran.  Al zoekend, associërend, grasduinend en citerend werkt Middag toe naar een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van het rare woord in kwestie, met behoud van rarigheid.

    Haarfijne as
    Een voorbeeld. Middag maakt aan de hand van de Koran duidelijk waarom Leopold de term ‘zoon des wegs’ gebruikt in plaats van het gewone ‘zwerver’ in een vertaling van de tiende-eeuwse Syrische dichter Al-Ma`Arrî.  De woordenboekomschrijving waarmee Middag dit stuk afsluit is prachtig: ‘zoon des wegs, vreemde (inzonderheid behoeftige, naar onderdak en dartele veulenvormige haardvlam verlangende toevallig voorbijkomende reiziger).’ Wie het stuk gelezen heeft begrijpt precies waarom Middag dat zo opschrijft, en hij begrijpt iets meer van de peilloze zorgvuldigheid waarmee Leopold te werk ging.  Aan de hand van rare woorden maakt Midag ook andere teksten van andere ‘moeilijke’ dichters als Ida Gerhard, Hans Favery, en Gerrit Kouwenaar toegankelijk.

    Nog een voorbeeld. Kouwenaars gedicht ‘Helder’ begint als een onschuldig weerpraatje (‘Zo helder is het werkelijk zelden’), maar wint aan diepgang door de simpele woordgroep ‘helder maar grijzer’. Waarna een slalom volgt langs ‘stof en as’ uit het bijbelboek Genesis, de schaduw van de dood, Kouwenaars jeugdherinneringen aan vakanties in Bergen, een associatie met grijs Zweeds wittebrood, en analogieën met ‘rare’ trappen van vergelijking als ‘hoe dommer hoe brommer’ en ‘sadder but wiser’. Dat alles speelt Middag voor elkaar in een bestek van niet meer dan 4 pagina’s. Goed voor gegrinnik, inzicht in Kouwenaars prachtgedicht, alsmede enige kennis van de morfologie van vergrotende trappen en woorden die daar op lijken. Uitsmijter is de betekenisomschrijving volgens de regels van het woordenboek: ‘helder, net niet meer helder (ten gevolge van neerdaling van haarfijne as).’  Helder zal nooit meer hetzelfde zijn.

    Alle ik doen de brul
    Middag verklaarde dat hij met dit boek niet zozeer kennis wil overdragen als wel een sensatie wil delen, de sensatie dat alles een naam heeft en dat je met woorden de wereld kunt leren kennen. Laatste voorbeeld is het stuk over ‘Brul’, een raar woord uit een vreemd gedicht van de Australiër Les Murray in vertaling van Huub Beurskens. Dat is geheel geschreven vanuit het perspectief van een koe, die op een gegeven moment ziet hoe de boer een andere koe slacht. Het machteloze geloei van de kudde die dat niet aan kan zien, in de woorden van de koe zelf: ‘Alle ik doen de brul.’ Een fraai staaltje ‘Nederkoes’ zoals Middag het noemt, ter afsluiting van een stuk waarin ook koegedichten van Gerrit Achterberg en K. Schippers aan bod komen.

    Het is een klein wonder dat Middag zoveel belezenheid, kennis en scherpzinnigheid in een paar bladzijden weet te proppen zonder dat het topzwaar of gortdroog wordt. En dat vijftig keer achter elkaar. Mijn persoonlijke favoriet is het stukje over ‘bereshit’ – aangetroffen in een gedicht van Rob Schouten. Hiphoptaal, volkstaal en oudtestamentisch Hebreeuws reiken elkaar hier op dubbelzinnige wijze de hand. Ik ga niet verklappen hoe dat zit, maar het is formidabel leuk. Lezen dus! Want het Rarewoordenboek is grappig en nauwkeurig, erudiet en lichtvoetig, diepgravend en verstrooiend tegelijk. En lekker – maar dat zei ik al.

     

    Rarewoordenboek
    Van bereshit tot zeeajuin

    Auteur: Guus Middag
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot (2011)
    Aantal pagina’s: 236
    Prijs:  € 19,90

     

  • Recensie door: Maria Noordman

    Recensie door: Maria Noordman

    Biografie, ontstaansgeschiedenis van een schilderij, tijdsbeeld van de Terreur van de Franse Revolutie, zoektocht naar historische achtergronden en weerlegging van traditionele interpretaties: het zit allemaal in dit staaltje van literaire acrobatiek.

    Waar gaat het om? Er is een schilderij, De elf, en een schilder, François-Elie Corentin. Eerst wordt de schilder uit de doeken gedaan: geportretteerd als page door de Venetiaanse schilder Tiepolo, vervolgens van een stamboom voorzien, en van een jeugd in de beschermde omgeving van een liefdevolle moeder en grootmoeder, waarbij de vader afwezig is. Gesuggereerd wordt dat deze jongen het schildersvak leert bij Tiepolo. Feit is dat hij in de winter van 1794, in een kerk in Parijs, die door de revolutionairen in beslag is genomen, opdracht krijgt om een staatsieportret te maken van de elf leden van het Comité de salut public. Het is een geheime opdracht, en de schilder krijgt bovendien strikte aanwijzingen over opstelling en uitdrukking van de geportretteerden.

    Vervolgens komt het schilderij zelf aan de beurt, dat wil zeggen: in zijn bijkomstige aspekten, want hoe het schilderij er concreet uitziet, komt niet uit de verf. Het hangt al tijden op een prominente plaats in het Louvre, achter kogelwerend glas; het wordt besproken door de negentiende-eeuwse Franse historicus Michelet, die er een belangrijke politieke betekenis aan hecht. Want de opdrachtgevers, zelf leden van het Comité de salut public, zijn in die tijd van Terreur hun leven ook niet zeker. Bij iedere verandering van politieke wind kunnen machthebbers veranderen in vijanden, en dus in slachtoffers van de guillotine. Vandaar de opdracht voor dit dubbelzinnige portret: Robespierre moet er prominent op staan, samen met zijn twee naaste medewerkers; de anderen moeten als bijfiguren worden neergezet. Als Robespierre in ongenade valt, zullen de andere leden zeggen dat Robespierre zelf de opdrachtgever was van het schilderij, en daarmee aantonen dat hij inderdaad een tiran is, van wie ze zich moeten ontdoen. Als Robespierre zijn macht blijft behouden, is het schilderij een eerbetoon aan hem, en een bewijs van hun trouw aan de leider.

    Deze politieke achtergrond staat beschreven in de Geschiedenis van de Franse Revolutie van Michelet, evenals de beschrijving van het schilderij zelf, gesitueerd in de sacristie van de bewuste kerk waar de opdracht was verstrekt. Maar de verteller in Michon’s boek toont aan dat Michelet zich met dit laatste moet hebben vergist, of liever gezegd: zich waarschijnlijk heeft laten meeslepen door zijn verbeelding na een bezoek aan de bewuste kerk. Uiteindelijk besluit de verteller met de stelling dat de Elf de archetypische uitingen zijn van oerwezens die de macht vertegenwoordigen, zoals de grottekeningen in Lascaux dat zijn.

    Met deze weergave van ‘het verhaal’ ben je er overigens niet, bij lange na niet, want de grote kracht en het grote plezier van dit boekje liggen in de acrobatische toeren die Michon uithaalt met feiten en fictie, met interpretaties en weerleggingen. Hij jongleert met historische gegevens, tovert de ene verrassing na de andere uit zijn hoge hoed, sleept de lezer mee in een veelheid van details en historische waarschijnlijkheden, zodat deze het schilderij en de schilder voor zich ‘ziet’, zoals je bij een goochelaar ‘ziet’ dat er een dame doormidden wordt gezaagd. De aap komt pas uit de mouw in het nawoord, of in het Louvre, of op google.

    Daarnaast is er het feest van de ironie waarmee Michon zijn verteller commentaar laat leveren op mensen en gebeurtenissen, historische en niet-historische zonder onderscheid. Een verteller die de lezer bij de kraag vat, hem vóór is, met hem mee denkt, en hem ervan overtuigt dat het hier gaat om een weliswaar levendig beschreven, maar zeer gedegen historisch onderzoek.
    Een verrassend, speels en erudiet boek.

     

    De elf

    Auteur: Pierre Michon
    Vertaald door: Rokus Hofstede
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot (2011),
    Aantal pagina’s: 113
    Prijs: € 15,-

    Met aantekeningen en nawoord van de vertaler.

  • Observaties met een anekdotisch karakter

    Observaties met een anekdotisch karakter

    Stelt u zich voor, een dorp in het noorden van de Verenigde Staten met de onvermijdelijke Mainstreet waardoor men nog te paard gaat en de huizen vrijwel allemaal van hout zijn. Dit dorp kent aan het begin van de twintigste eeuw achttienhonderd zielen en ligt volgens Google twintig kilometer onder het Eriemeer. In de winter sneeuwt het er en in de zomer stikt men er van de hitte. Buiten de dorpskern bevinden zich de krotten van dagloners en eromheen liggen boerderijen, waarvan de rijke Jesse Bentley er meerdere bezit.
    De landelijke rust van de agrarische samenleving loopt na de Burgeroorlog op zijn laatste benen en de maatschappelijke veranderingen dringen zich langzaam op.
    Het hoofd van een boer die vandaag de dag in een dorpswinkel bij de kachel staat is tjokvol met de woorden van anderen, zegt de verteller, die daarmee aangeeft dat het tijdperk van de zelfgenoegzame enkeling voorbij is.

    In de hoofdstraat staat het New Willard Hotel, dat wordt gerund door het echtpaar Willard. Toms ziekelijke vrouw voelt zich geblokkeerd in haar liefdesverlangen en praat daarover met dokter Reefy. Ze zou haar man het liefste doden vanwege de barse toon die hij aanslaat tegen zijn zoon George, een lokale journalist die al het dorpsnieuws nauwkeurig bijhoudt en vastlegt, maar het liefst romanschrijver zou worden en in dit boek de spin in het web is.

    Het zijn observaties met een sterk anekdotisch karakter, die flarden van het dorpsleven blootleggen. Regelmatig betrekt de verteller de lezer bij het verhaal. ‘Dat moet u goed voor ogen houden,’ zegt hij bijvoorbeeld. De stoet personen die voorbijtrekt, wordt naturel geportretteerd. Anders dan wij tegenwoordig om ons heen zien, rennen ze soms uit wanhoop in het wilde weg door de weilanden. Velen hebben tics of andere lichamelijke gebreken, zoals Wing Biddlebaum (per abuis in het begin George Biddlebaum genoemd), die zijn handen niet kan meer stilhouden, omdat hij eerder in Pennsylvania leraar was met een te groot hart voor zijn jongens waardoor hij verjaagd werd vanwege vermeend seksueel misbruik. Het is dan ook niet vreemd dat er in het dorp twee dokters praktiseren. De meest spectaculaire, dokter Reefy, bouwt wankele pyramides van waarheden en haalt die weer omver. De gezinnen zijn vaak gebroken, het leven is hard, maar de trots van de selfmade man ongebroken.

    Veel verhalen staan in verbinding met elkaar, grijpen op elkaar in en gaan over de gespannen verhouding tussen de seksen, vooral bij de jongeren, maar daar zal de leeftijd van zoon George debet aan zijn. Hij maakt afspraakjes met Bellle of Louise die graag aan de man willlen, maar heeft een oogje op Helen White, de dochter van de bankier, die echter ook wordt begeerd door een potige concurrent. Ook anderen zetten onzekere stappen op het liefdespad, zoals een meisje dat niet weet te kiezen tussen een weinig daadkrachtige jongen die zijn mond vol heeft over maagdelijkheid en een ander die haar meeneemt naar een donker hoekje. Belle gebruikt de omgang met George als uitlaatklep voor haar gevoelens voor een barman. Een andere jongen wil graag met een meisje en zegt, om druk op haar uit te oefenen, dat hij weggaat uit zijn dorp, waarna hij niet meer terug kan komen op dat standpunt.
    Drama is er genoeg. De dominee ziet vanuit de pastorie onderwijzeres Kate, die ook al een oogje heeft op George, in bed roken en lezen en wil haar in zijn zondagse preek bekeren, maar raakt er in de loop der maanden aan verslaafd haar te bespieden. Van een zwaarder soort is het drama van de genoemde boer Jesse Bentley die zijn kleinzoon David meeneemt naar het bos om hem aan God te offeren. Verrassend, want niet zo vaak beschreven, is de zwaarmoedigheid van jongeren op weg naar volwassenheid. Aan het eind van het boek kijkt George achteruit en ervaart de, ook door James Agee zo mooi beschreven, melancholie van het inzicht, dat alleen een volwassene kan voelen.

    Met een paar streken penseelt Anderson het karakter van de dorpelingen. De verhalen doen vaak ouderwets aan door de wat knullige compositie, waarin een spanningsboog net zo gemakkelijk wordt afgebroken als opgebouwd, maar tegelijk geeft dat ongepolijste iets waarachtigs aan dit boek uit 1919. Voorafgaande aan de verhalen horen we over een oude schrijver die aan Het boek van het groteske werkt, dat honderden waarheden bevat. Dat geeft de teneur weer van de rest van het boek, namelijk dat ieder mens zijn eigen waarheid heeft, maar dat het grotesk wordt als men alleen daarin gelooft. Datzelfde denkt George, die voor zijn vertrek uit het dorp met Helen op een bankje zit en zich verplaatst in wat een buitenstaander zou zien.
    ‘Hij [de buitenstaander RS] huivert bij de gedachte aan de zinloosheid van het bestaan, maar als hij zich verbonden voelt met de mensen uit het dorp ervaart hij tegelijk zo’n intense liefde voor het leven dat de tranen hem in de ogen springen.’
    Met zo’n achterdoek kan een beginnend schrijver wel een poosje vooruit.

     

     

     

  • Tirade – nieuwste nummer – maart 2011

    Recensie: Ingrid van der Graaf

    In het eerste nummer van Tirade van dit jaar is het schotschrift Te licht bevonden van historicus en publicist Ronald Havenaar opgenomen. In 1990 promoveerde Havenaar op een studie over het politieke denken van Jacques de Kadt (1897-1988). Havenaar geeft inhoudelijk kritiek op De schijn-elite van de valsmunters (2010) van PVV ideoloog Martin Bosma, die zich gretig beroept op het gedachtegoed van De Kadt. Bosma ontleende de titel van zijn boek aan een passage uit Het fascisme van de nieuwe vrijheid (1939) van Jacques de Kadt.

    Havenaar toont aan dat de zo onontbeerlijke kenmerken voor een politicus als kennis en inzicht – die Bosma in zijn leermeester De Kadt zo bevallen – bij Bosma zelf ontbreken. Daarentegen is er bij Bosma sprake van schrille dogmatiek, geloofsijver en missiedrang. Ronald Havenaar laat zien dat Bosma uit zijn nek kletst.
    Carel Peeters bewerkte Huid en haar, de laatste roman van Arnon Grunberg met een fijn scalpeermesje en legt ‘de schrijver als sofist’ bloot. Peeters vindt dat Grunberg zijn hoofdpersoon, Roland Oberstein te veel heeft gesouffleerd. Grunberg is als verteller en commentator voortdurend aanwezig waardoor Oberstein geen echt romanfiguur wordt maar een speler in een soap. En dat is tot daar aan toe maar een soap van 523 pagina’s is te veel van het goede, aldus Peeters.
    Kiki Coumans vertaalde werk van de Franse dichter Yves Bonnefoy (1923), Verre stem, Uit: Les Planches courbes, Mercure de France, 2001.
    Bonnefoy geldt in Frankrijk en in de rest van Europa als de belangrijkste levende Franse dichter. In Nederland zijn sporadisch teksten van hem vertaald. Naast dichter is hij een veelgeprezen essayist en vertaler van Shakespeare en Yeats.
    Van de Zweedse schrijver Stig Dagerman (1923-1952) vertaalde Bernlef het verhaal Een partijtje zakschaak dat pas na de dood van de schrijver werd gepubliceerd en nu voor het eerst in een Nederlandse vertaling verschijnt. Bernlef vertaalde eerder van dezelfde schrijver de roman Het verbrande kind en de verhalenbundel Natte sneeuw.
    Lodewijk Pessers (1984) studeert Italiaanse taal- en letterkunde aan de UvA en rondt dit jaar zijn master af. Hij publiceert een stuk over: De tenzone tussen Dante Alighieri en Forese Donati, getiteld Ruzie op rijm. De poëtische correspondentie uit omstreeks 1295 tussen Dante Alighieri en zijn jeugdvriend Forese is een relatief onbekend werk. ‘Tenzone’ is een Italiaanse aanduiding voor poëtische correspondentie, in het Nederlands zou het strijdgedicht genoemd kunnen worden.
    ‘Twee gedichten’ van de dichter Willem Thies (1973), die in dichterlijke taal pijnlijk realistische beelden neerzet.
    Nico Dros (1956) als blogger in residence vraagt zich in Acteur, auteur, malheur af wat Adriaan van Dis er toe bewoog op het Boekenbal 2010 een act op te voeren . En wat een marteling het voor de toeschouwers was dit te moeten aanzien. Een auteur moet zich bij zijn ’leest’ houden, al zijn er uitzonderingen. In het tweede blog een klein eerbetoon aan de op 14 augustus 2010 overleden schrijver Herman Franke. Zijn laatste roman Traag licht werd vorig jaar oktober ten kantore van uitgeverij Podium gepresenteerd.
    In een kort verhaal van toneelschrijver en regisseur Marijke Schermer(1975) De microbiologe, vindt de hoofdpersoon zichzelf terug in een roman.

    Verder bijdragen van: Dichter en schrijver Lloyd Haft (Wisconsin 1946): Kelong: drie zeegezichten; Neerlandicus en tekstschrijver Joris van Groningen (1962) schrijft in Gerrit Krol verbetert de Turingtest over machines als mens en met name over de roman De man achter het raam van Krol uit 1982 waarin een robot figureert en hoe Krol de turingtest verbeterd; Van de Schotse schrijver Norman Douglas (1868-1952) Rome in een vertaling van Astrid Huisman en Inge van Balgooij.
    Gedichten van Kreek Daey Ouwens (1942), haar bundel De achterkant werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2011.
    Van Manet van Montfrans (1944) Terug naar de oorsprong. Geschiedenis en voorgeschiedenis bij Jean Rouaud. Montfrans publiceert regelmatig over hedendaagse Franse literatuur en is redacteur van het tijdschrift Marcel Proust ajour’hui.

    www.Tirade.nu
    Tirade is een uitgave van Uitgeverij G.A. van Oorschot en verschijnt vijf keer per jaar.
    Losse nummers 12,50 Abonnement (vijf nummers) 40,00
    Studenten en CJP-houders, 34,00

  • In het schrijven zoeken haar gedachten houvast

    In het schrijven zoeken haar gedachten houvast

    Vijfendertig frisse gedichten van wisselende lengte en bladspiegel bevat het debuut van Lieke Marsman (1990). Gedichten die soms meer naar proza neigen dan voor poëzie willen doorgaan, maar die zich stuk voor stuk met plezier laten lezen. Niet ieder gedicht is van een zelfde kwaliteit maar in ieder gedicht tref je zinnen aan waaraan je ook bij herlezing zult blijven haken. Vertrekpunt van een gedicht is vaak een vervreemdende ervaring, die meestal niet tot iets vertrouwds wordt herleid, maar eerder door een vervreemdende logica wordt gelouterd, volgens het principe dat negatief maal negatief iets positiefs genereert. In die zin lijkt hier dus het romantische, aloude alchemistische procedé van kracht. Het volgende gedicht geeft goed weer wat Lieke Marsman in huis heeft:

    ‘Man met hoed’

    I
    Ik volgde een nacht lang de rook
    van de stad, ik zei tegen een man
    die me naliep: probeer mij eens te volgen
    terwijl ik achter jou aan loop, kun je dan nog
    raden waar ik heen ga?

    Ik las in een boek dat je, als je steeds
    rechtsaf slaat, altijd weer thuis komt.
    Maar wat als je begint bij een plaats
    die niet je huis is, waar kom je in dat geval
    terecht?

    ik begon in een huis op een land
    dat plat was. Daar stond in een boek
    dat het aan de binnenkant van ons lichaam
    helemaal donker is. Pikzwart. Ik dacht:
    hoe kun je het weten als je er niet kunt kijken?

    Ik zei tegen de man die ik volgde
    dat ik naar huis moest, een licht
    in mijn longen aandoen. Ik kon hem zeggen
    wat ik dacht omdat ik iets schreef
    in mijn hoofd. Het was dit.

    Iemand gaf me een boek dat vertelde
    over een parallel universum dat zich op één
    millimeter van onze huid bevindt.
    Huid: de vitrage die ervoor zorgt dat
    onze organen geen schaduwen hebben.

    De man liep rechtsaf mijn straat in. Vanuit een
    bovenraam op de hoek klonk een feest. Hij kwam
    bij mijn voordeur en draaide zich om.

    Ik schreef: als ik in een parallel universum geloofde,
    zou het zijn waar ik mijn huis liet bouwen.
    Als ik in mezelf geloofde, zou ik er lachend
    op de bank zitten wachten
    totdat ik thuis kwam.

    Op laconieke wijze is hierin quasi terloops ordening aangebracht. Het bestaat uit zeven strofen die op één na een gelijk aantal versregels tellen. De woorden, de zinnen zijn zo geschikt dat er een goedlopend ritme in zit. Het bouwt zich op herhaling van enkele woorden, van enkele gedachteconstructies, waarop gevarieerd wordt. Typerend voor Marsman is de speelse inzet van filosofische vragen waarop ze associaties laat echoën: tegenstellingen worden vernuftig tegen elkaar uitgespeeld. Contrasten die de spanning in dit gedicht ophouden zijn: licht versus donker. Binnenkant versus buitenkant. Een huis waarin de ander ontvangen kan worden, versus de huid die binnen- en buitenwereld rigoureus scheidt. Ik versus de ander, het vertrouwde dubbelgangersmotief. Zal de ander niet met de ‘ik’ kunnen versmelten als de ‘ik’ in zichzelf kon geloven alsmede in een parallel universum? Een mooie zin is deze: ‘Ik kon hem zeggen/wat ik dacht omdat ik iets schreef/in mijn hoofd.’ Het schrijven gaat het denken voor. In die zin zou de man die zij vraagt te mogen volgen, de woorden kunnen zijn die haar (gedachten) thuis zullen brengen. Enfin, het gedicht daagt je met genoeg vragen uit. Het toont daarbij dat (zelf)reflectie een waardige muze kan zijn. De dichteres studeert filosofie, maar haar gedichten zijn eerder gevoelsmatig tot stand gekomen dan vanuit een vooraf beredeneerd verband. Pas in het schrijven zoeken haar gedachten houvast.

    Een ander (proza)gedicht is het vijfde uit de reeks WOENSDAG

    Ik lees een boek van achter naar voren en weet dat ik
    zo meteen op de bladzij kom waar iemand een kruisje
    heeft gezet voor de allermooiste zin. Wat de allermooiste zin is
    weet ik nog niet, maar het is de zin waar ik ’s nachts om huil
    omdat het ochtend is en ik een nacht niet heb gehuild
    omdat het ochtend…Zo keer ik wat ik denk om in cirkels,
    alsof ik met mijn wijsvinger een kristallen glas laat zingen.
    Ik keer het om totdat het achterstevoren en binnenstebuiten
    of omgekeerd is. Wanneer ik bij de zin met het kruisje kom,
    sla ik de bladzijde om en beland in het deel van het boek
    waarin alles nog goed is.

    Ook hier een opgeworpen probleemstelling, die eigenzinnig te lijf wordt gegaan. Het procédé van de cirkelredenering had wat mij betreft geen verklaring hoeven krijgen. Omdat de ‘ik’ het boek achterstevoren leest, doet ze de logica geen geweld aan door te zeggen dat ze met het omslaan van de bladzijde in het deel belandt waarin het nog goed is. Het zijn stuk voor stuk intelligente, laconieke gedichten die draaien rond de ‘ik’ die gevangen lijkt in de maalstroom van haar gedachten. Hier is iemand aan het woord die zelfreflectie tot bestaanscriterium lijkt te hebben verheven: ‘maar ik kan door alle bomen het bos zien,/ omdat ik achter alles iets verzin.’ De sterkste zinnen vind ik misschien toch die waarin ze het zonder ik doet: ‘Soms, zegt iemand, is het niet uit weerwil, / maar omdat me iets is afgenomen’. Krachtige inzet, die een beetje aan Nachoem Wijnberg doet denken.

    Soms komt de zucht naar tegenstellingen wat te geforceerd over. Bijvoorbeeld: ‘Je ogen zijn zo rood, omdat / iemand heeft gezegd dat je ogen zo blauw zijn en / dat heeft je geraakt.’ Dan liever de speelse gedachtekronkel: ‘Stel je voor / dat je jezelf enkel voort kunt planten / door niet meer te bestaan.’ Wat speels inzet, pakt bij nader inzien ernstig uit.

     

    Het gaat nog even door, maar de geciteerde regels tonen hoe mooi er poëtische beelden tussen de nuchtere constateringen door worden geweven. Wel een precair evenwicht. In een ander gedicht in de bundel, over een slaapkamer, waarin de mooie, verwrongen zin staat: ‘Een ruimte is van wie er vannacht het vaakst heeft geademd.’ wordt naar mijn smaak een paar regels verder te abrupt uit een ander vaatje getapt: ‘je hebt eindelijk opgezocht / hoe je Dvorák uit moet spreken’.

    Lieke Marsman heeft zeker de mogelijkheden in zich om uit te groeien tot een belangrijke dichteres. Dat we van haar nog veel gaan horen, lijkt mij een ding dat zeker is.

     

     

     

  • ‘Alles moet opgeschreven worden.’

    ‘Alles moet opgeschreven worden.’

    ‘Alles moet opgeschreven worden.’

    ‘In het westen van Tokyo bevindt zich de schilderachtige buurtschap Nieuwloofwijk.’
    Met deze eerste zin omschrijft de schrijver de wijk, waar hij gedurende de eerste jaren van deze eeuw een aantal oudere buurtbewoners portretteert. Van Heest is dan nog journalist, maar met tegenzin en zit liever thuis terwijl zijn vrouw Annelotte in de bloemenhandel werkzaam is. Van Heest houdt ervan om naar zijn buren te kijken en hen te beschrijven. Hij portretteert hen in dit boek om beurten.

    Het eerste en meteen het mooiste portret is van mevrouw Suzuki, die steeds vergeetachtiger wordt. Van Heest trekt zich haar lot aan en oogst daarmee de dankbaarheid van haar familie. Aan het eind van het boek, als hij inmiddels naar Nieuw-Zeeland geëmigreerd is, bezoekt hij samen met enkele van haar familieleden haar graf.
    Enkele andere buurtbewoners zijn kapper Booreiland die leverkanker heeft en trompettist Z. die hem en zijn vrouw fluitles geeft. Zij worden af en toe door Z. uitgenodigd voor een etentje, maar ze zijn zelf vegetariërs en worden ziek van de grote hoeveelheden vlees die ze daar krijgen. Verder leren we onder meer kok Dzjoen kennen, die geen vaste baan heeft en bedelt om geld, de heer Van Tricht, die in de loop van de jaren aan de praat raakt over zijn gedrag tijdens de oorlog en mevr. D., een Jehova’s getuige die bevriend raakt met Van Heest.
    De meeste Japanners hebben Nederlandse namen zoals mevrouw Schaduwberg of Boomdorp.
    De fonetische schrijfwijze van Japanse namen zoals Foedzji in plaats van het gebruikelijke Fuji doet vreemd aan.

    Door de dialoogvorm komen we mondjesmaat iets te weten over de verhouding tussen Van Heest en zijn vrouw. Ze hebben geen kinderen, wel een kat zonder staart. Detlev is behoorlijk fobisch, Annelotte komt over als een chagrijnig mens. Ze heeft veel op haar man aan te merken. Ze vindt bijvoorbeeld dat hij teveel foto’s maakt. Het vele gekibbel doet denken aan de relatie tussen Maarten en Nicolien in Het Bureau van Voskuil. Het boek is ook aan de laatste opgedragen. Detlev is een fanatiek dierenbeschermer, net als Voskuil was. Hij onderneemt actie om te voorkomen dat bomen gerooid gaan worden. De dwangmatige manier waarop hij de bloemen van zijn uurwerkplant telt, is exemplarisch voor het opschrijven van alles wat er in zijn buurtje gebeurt. Daarmee schetst hij wel een interessant beeld van de dagelijkse Japanse cultuur.

    Van Heest baseert zich qua stijl, vorm en zelfs bepaalde uitdrukkingen op Voskuil. Daar is niets op tegen, maar zoals vaker is de kopie minder overtuigend dan het origineel. In dit boek had nog wel wat geschrapt kunnen worden om het geheel sterker te maken, maar ook in deze vorm levert het een boeiend menselijk document op.

    De verzopen katten en de Hollander

    Auteur: Detlev van Heest
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot (2010)
    Prijs: € 25,- paperback, € 45,- gebonden

  • Elk personage lijdt op zijn eigen manier

    Elk personage lijdt op zijn eigen manier

    Recensie door Rosalie Koster

    De titel Moorddiner van Mohana van den Kroonenberg doet vermoeden dat het om een thriller gaat. Maar niets is minder waar., want moorden worden er niet in gepleegd. Moorddiner is een verhalenbundel met korte, absurdistische verhalen waarin de werkelijkheid op zijn kop wordt gezet en niets is wat het lijkt. Elke vorm van realisme is overboord gekieperd en heeft plaats gemaakt voor een droomwereld waar uit het moeilijk ontwaken is. Haar verhalen doen denken aan vreemde en uitzinnige dromen waarin alles mogelijk is en ook nog logisch lijkt. Eenmaal ontwaakt is er van deze logica weinig over. Navertellen is bijna onmogelijk omdat de normale dimensies van ruimte en tijd doorbroken zijn.

    Bizarre gebeurtenissen

    Toch weet Van den Kroonenberg wat ze doet: zonder opsmuk en met grote souplesse weet ze haar woorden vorm te geven. En met het grootste gemak zuigt Van den Kroonenburg de ene na de andere bizarre en ongeloofwaardige gebeurtenis uit haar duim. Het is niet alleen deze moeiteloosheid die indruk maakt. Eveneens heeft Van den Kroonenbrug een eigen uitgesproken stijl waar vele schrijvers enkel van kunnen dromen.

    Nu moet gezegd worden dat niet iedereen de charme van de verhalen in zal zien. Want de droomwereld die Van den Kroonenburg de lezer voorschotelt is geen fijne plek om te vertoeven. Het is er grimmig en kil. En de personages die de verhalen bevolken zijn stuk voor stuk underdogs; onbegrepen en genegeerd door de wereld om hen heen. Tot op het bot vernederd, maar met grote wilskracht proberen zij de bevestiging te krijgen waar ze naar smachten.

    Zo lezen we in het verhaal Edwin in Wonderland de wanhopige strijd van Edwin. Edwin werkt al twintig jaar op hetzelfde kantoor waar hij een kamer deelt met de beeldschone Margaritha, die hem geen blik waardig gunt; in al die jaren heeft ze hem nog nooit aangekeken. Maar dan op een dag is Edwin het zat en doet wat hij al veel eerder had moeten doen.

    Grip krijgen op de omgeving

    Ook de man in het titelverhaal Moorddiner probeert grip te krijgen op zijn omgeving. Tijdens een familiediner hoopt hij dat zijn familieleden eindelijk oog hebben voor hem en zijn pasgeboren zoon. Maar ook deze poging is gedoemd te mislukken. Want hoe hard de personages ook hun best doen, gehoord worden ze eigenlijk niet. Niet voor niets bevinden zij zich in een absurdistisch universum; de essentie van hun bestaan is gebaseerd op verwarring en redeloosheid.

    Maar bij verwarring blijft het niet. Van den Kroonenburg doet hier nog een schepje bovenop door gevoelens van  minderwaardigheid en ontevredenheid van de mens tot immense proporties op te blazen. Elk personage lijdt op zijn eigen manier maar uiteindelijk is voor elk hetzelfde gevoel van onvolkomenheid de basis van waaruit zij handelen. Dit verklaart waarom, hoewel telkens verschillend uitgewerkt, de verhalen zoveel op elkaar lijken. Ondanks dat is Moorddiner een intrigerende bundel.

     

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Wee de dichter rond wie het angstvallig stil blijft na het verschijnen van diens verzameld werk. Zijn graf wordt blijkbaar weinig of niet bezocht. Het verschijnen van een kloek verzameld werk mag het leuk doen in de encyclopedie, het naleven van de dichter zelf is vaak meer gediend met een bloemlezing, bij voorkeur gekozen door een eigentijdse dichter. Rond Adriaan Morriën (1912 ? 2002) is het enige jaren stil geweest na diens overlijden. Hij verkeerde al die tijd in het voorgeborchte, maar nu, na 8 jaar, gloort er wat hoop met het verschijnen van deze bloemlezing Zoals een ster verstand heeft van het licht, gekozen en ingeleid door de dichteres Ester Naomi Perquin. Niet de eerste de beste en gelukkig ook niet iemand die je op het eerste gezicht met Morriën associeert. Deze bloemlezing van Van Oorschot staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een reeks bloemlezingen van dode dichters die na hun verzameld werk wel een steuntje in de rug konden gebruiken. Ze zijn alle samengesteld door eigentijdse, springlevende dichters, die hun best doen het veelal onder de last van het Verzameld Werk bijkans bezweken oeuvre te reanimeren. Voor het voortbestaan van dooie schrijvers komt het toch vooral op gelezen worden aan. Een bloemlezing kan daarom uitkomst bieden.

    Perquin voorziet haar selectie van Morriën van een prikkelende inleiding. Zij is van niet zins de dichter eeuwig gedoemd te laten wezen door zijn dirty-old-man-reputatie van liefhebber van het zwakke geslacht bij wie de dichtader al ging vloeien bij het in het vizier krijgen van vrouwelijk schoon. Want Morriën ‘is het waard om te worden losgeweekt van welke reputatie ook.’ Perquin heeft getracht haar voorkennis over Morriën uit te schakelen en zich afgevraagd ‘welke geest hij onder zijn reputatie verborgen hield’. Ze trof uiteindelijk in Morriën een dichter die alles in huis had wat zij zelf belangrijk acht voor een dichter: ‘eigenzinnigheid, humor, melancholie en bewapening’.

    Ik was benieuwd wat Morriëns gedichten, waarvan de vroegste van vóór de Tweede Wereldoorlog dateren, mij, anno 2010, nog konden bieden. Zijn verzameld werk stond bij mij immers ook al wat jaren te verpieteren op een achteraf plekje in mijn boekenkast. Wat meteen treft is de openhartige en zintuiglijke toon van zijn gedichten. ‘Jij hebt mij vrijgelaten uit het dier / dat ik toen was en dat een mens zijn wou,  / de aap met zijn verlangen naar een vrouw’. De poëtische beelden worden altijd helder verwoord en goed uitgewerkt. Maar je proeft toch dat het de zinnelijkheid betreft van een noorderling, die het heeft moeten veroveren op een tegenwerkend geloof waarvan misschien nooit echt volledig los te komen valt:  ‘Niets scheidt mij van het andere einde / achter het eerste, tiende, ’t eindeloze einde, / wanneer ’t heelal terugvalt in zijn holte / en volte wordt veranderd in een leegte / zo groot dat er geen plaats meer is voor God en tijd / of voor hun onbestaanbaarheid.’

    Morriën is, als introverte man,  trefzeker in zijn aarzeling. Opvallend is zijn tastzin, maar die is onlosmakelijk verbonden met zijn introspectieve geest. Morriëns zinnelijkheid is een toast op de schaarste, op de aardse kant van het sterven. Zijn toon is ernstig want niets ontziend en toch licht, want er wordt genoeg verwonderd, tijdens het op de tast gaan naar de dingen in het leven. De werkelijkheid wordt verkend door een man die niet van opgeven weet. En altijd is hij dichtbij. Soms komt dat wat klefferig over, als hij bijvoorbeeld een zekere ‘jij’ aanspreekt, zoals in het eerste gedicht van deze bloemlezing: Verklaring

    ‘Ik kan het onbegrijpelijke niet begrijpelijk maken.
    Ook niet als ik het andere namen geef.
    Ik kan slechts zeggen dat het onbegrijpelijk is
    en dat het al begint, hier bij jouw hand
    die vóór je op de tafel ligt,
    de nagels een herhaling van dezelfde vraag,
    en bij je oog dat groter dan de hemel is,
    met sterren even onontdekt gebleven
    als die wij niet zien maar vermoeden
    achter de nevels van de melkweg.
    Ik leef in raadsels en zie geen verschil
    tussen jouw wimpers en het licht.’

    Maar Morriën kent ook ander palet, zoals in Kain

    ‘De hand waarmee ik hem sloeg
    is mij dierbaarder geworden.

    Als ik mijn vrouw en kinderen streel
    besef ik dat ik ze kan doden
    en dat een toeval het steeds weer verhindert.

    Iedere liefkozing een begin van moord,
    elk woord van liefde een bedrieglijke verspreking.’

    De toon van dit gedicht neutraliseert de streling en de liefkozing. (woorden waar ik het soms wat benauwd van krijg).

    Vaak betoont Morriën zich in zijn gedichten een scherp observator met een ingehouden sentiment : ‘Laat haar maar struikelen. / Reken het haar niet aan. Ook de steen / waarover zij struikelt is nog van haar. / Zij heeft hem zelf gelegd met haar onzekere / handen. Misschien wilde zij vallen / en is haar dat nu ook weer niet gelukt. (…)’ Doet denken aan de droge humor van de vroege Beckett.

    De in zijn geheel opgenomen reeks Passie uit de bundel Moeders en Zonen uit 1962 is niet enkel van belang vanwege de afrekening van Morriën met het calvinistische geloof uit zijn jeugd. Het is juist in deze reeks van tien gedichten dat de dichter een staalkaart van zijn kunnen geeft. Hierin verrast hij het meest. In de meeste gedichten van de bundel hoor je zijn tedere maar ook temerige stem doorklinken, maar bij deze gedichtenreeks hoort een heel andere stem. Scherp en niets ontziend, maar toch betrokken bij het waarneembare, zoals in dit titelloze gedicht uit die reeks.

    ‘Bespaar mij de koolmonoxyde
    van kachels die te lang gesloten bleven
    uit zuinigheid die niet van uitverkiezing
    te onderscheiden viel,
    de stank van kleren die verschroeiden,
    de zolder zonder slaap, met wasgoed dat niet wilde drogen,
    de naaktheid van mijn moeder tussen kin en sleutelbeen,
    waarneer het naaktheid werd door een betovering,
    de grote tanden van mijn broer, de rode ellebogen
    van mijn zuster, de dooraderde grootmoedersogen
    die in een blinde toekomst zagen,
    waarvan gezegd werd dat zij door de dood
    groot en vol nieuwe ogen kwam te staan.

    Voortaan hing Jezus elke zondag aan het kruis.
    Zijn dood doortrok de smaak van kaas en margarine.
    De geur van koffie zweefde door de ondergang der wereld.
    Mijn vader zei ‘de hemel’ en ik dacht, in huis, aan thuis.’

    Of neem een ander titelloos gedicht uit dezelfde reeks:

    ‘Mijn vader rook naar teer,
    een zeegeur met gedachten aan het land,
    een geur die kruipen deed en zweven door mijn boeken,
    waarnaar ik groef met stompe nagels in het zand.

    Mijn moeder baarde stervend, wij vernielden haar te tere schoot:
    ’t hoofd van mijn oudste broer was haar te groot,
    mijn jongste broer zat in haar vastgestoeid,
    werd als een keizer uit haar losgesnoeid.

    Zij lachte na die laatste dood
    en zat in ’t licht, zelf bijna licht
    en stervensgroot.

    Ik rook de teergeur op mijn vaders wang.
    Ik rook teer aan zijn kleren, in zijn bed
    en als hij ’t huis verliet rook ik het in de gang.
    Naar teer rook ook zijn drek,
    naar teer en naar sigarenrook.

    En als hij niesde, niesde hij te lang.’

    In deze gedichten valt het meest te bewonderen.

    Maar ook op andere plaatsen trof ik mooie regels aan. In het enigszins aan Achterberg refererende gedicht Nachtwaak bijvoorbeeld:

    ‘Reeds bijna ingeslapen
    ontwaak ik met een schok
    omdat ik mij jouw dood herinner.

    IJlings keer ik terug
    uit werelden waarin ik het vergeten wilde
    tot deze ene wereld die bij nacht
    en ontij jouw afwezigheid
    herhaalt en in herinnering houdt.

    De vage dingen om mij heen, ’t scherpe besef
    dat van ons beiden ik het ben die achterbleef,
    en de bedrieglijkheid van dat besef,
    herstellen snel de afstand tussen ons.’

    Of in een gedicht als Broederschap

    ‘Soms overvalt mij, alleen,
    of in gezelschap, de angst
    die ons allen verbroedert,
    verbroedert en eenzaam, radeloos maakt.
    Ineens lijkt alles postuum:

    de boom, en de bladeren aan de boom,
    de verkleurende lucht, de geklede mensen
    en zelfs de verheven blankheid
    van je zo innig bewonderde hals.’

    Het plotse besef van vergankelijkheid dat eigen moet zijn aan wie zich met huid en haar aan het leven gehecht weet, verwordt bij Morriën nooit tot een klacht. Ook de verzen over het ouder worden, wat hem zwaar valt, hebben een onversaagde toon en zijn geen afrekening met die staat van leven. Het is aandoenlijk om zijn naakte ervaringen van het ouder worden te lezen. De laatste twee gedichten in de bundel zijn daarom ook waard geciteerd te worden.

    Onherbergzaamheid

    ‘Mijn hond let op heel andere dingen dan ik
    omdat hij snuffelt en bijna niet kijkt.

    Waarom heb je mijn brieven niet beantwoord?

    De zomer is voorbijgegaan: warm, kil,
    winderig, geregeld regenachtig.

    Van sommige dagen heb ik hartstochtelijk gehouden.
    Ik kon geen afscheid van ze nemen.
    Ik zag ze gaan zoals je een vrouw ziet vertrekken,
    haar naar de trein brengt, haar koffer voor haar draagt,
    een tijdschrift voor haar koopt, haar nawuift
    op een leegstromend perron, versteend door de tijd.

    In de lange donkere straat drie jonge negers
    die mij wel zien maar niet doodslaan.’

    Die rijpe toon van de levensavond staat hem goed, met nog wat sarcasme aan het slot.

    Ongeduld

    ‘Op straat, midden in het verkeer, hoor ik mijn naam roepen.

    Ik zie om mij heen of er iemand is die ik ken.
    Nergens een gezicht dat ik eerder heb gezien.
    Geen mond waarvan de glimlach mij vertrouwd is,
    geen oog dat blinkt van vriendschappelijk licht.
    Het is zomer, drie uur in de middag, heet.
    De lucht is blauw als de binnenkant van een mossel.
    De bomen staan doodstil in hun afgerasterd perk.
    Auto’s vliegen voorbij, mensen praten en lachen
    als in de pauze van een schouwburg of bij een brand.
    Wie roept mij? Welke dode toont ongeduld
    mij te ontmoeten, op een afgesproken plek
    in een onderaardse stad op een dag zonder einde?’

    Aan deze prachtige beelden valt weinig toe te voegen. Je ziet het voor je als betrof  het een visioen van een toekomstige herinnering.

    Perquin had de moed Morriëns reputatie weg te denken en de dichter van een nieuwe bijsluiter te voorzien, zodat zijn gedichten een andere uitwerking tegemoet konden gaan. Deze bloemlezing is in ieder geval een ‘Anschlusstreffer’ in de strijd tegen de vergetelheid. Er is nog hoop want de eeuwigheid is nog niet voorbij.

    Zoals een ster verstand heeft van het licht

    Auteur: Adriaan Morriën
    Gekozen en ingeleid door Ester Naomi Perquin
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
    Prijs:  € 12,50