• Over het einde der wereld en queestende jongkerels

    Over het einde der wereld en queestende jongkerels

    In een interview zei Nico Dros het eens ongeveer zo: ‘Ik ben geworteld in Amsterdam, maar ik heb Texel nooit verlaten’. In zijn juist verschenen verhalenbundel Langzaam afbouwen op deze planeet staat een mooi voorbeeld van dat gevoel van verbonden zijn met twee plekken tegelijkertijd: Doorwaakte nacht. Omwille van zijn werk, maar ook door een ervaring een jaar eerder, blijft de ik-figuur in Amsterdam op de dag dat op Texel Ouwesunderklaas wordt gevierd. Na een merkwaardig verlopen avond en nacht staat hij om half vier op uit zijn Amsterdamse bed: ‘Zolang het feest op Texel nog voortduurde kon ik niet slapen’.

    Dros werd in 1956 geboren op het Waddeneiland en ging op zijn 18de in Amsterdam studeren. Daar bleef hij wonen, maar zijn hart bleef uitgaan naar zijn geboortestreek. Bijna al zijn boeken getuigen ervan. Zoals trouwens ook de geur van de Bijbel, zoals die op Texel werd gelezen, uit veel verhalen opstijgt. In deze bundel van acht verhalen geeft Dros bovendien een proeve van zijn veelzijdigheid als stilist. Hij wisselt even moeiteloos tussen luchtigheid en ernst als tussen documentair en bijna mythisch.

    Neem het titelverhaal, waarin het besluit van de terminaal zieke Max – hij heeft zelfs al het tijdstip voor zijn euthanasie bepaald – wordt ingebed in een explosieve situatie in het Midden-Oosten, die sommigen het einde van de wereld doet vrezen. De gesprekken met Max hebben in de verte iets Carmiggeltiaans. Zijn besluit om te sterven komt ineens in een ander licht staan nu de ondergang van de wereld zijn eigen persoonlijke plan dreigt in te halen. Ieder reageert op zijn eigen manier op de wereldcrisis. De een sluit zich af voor het nieuws, de ander vlucht de kerk in, zich vastklampend aan een plotselinge verschijning van Maria in een zakje koffiedrab, en anderen kruipen in de kroeg bijeen. Zelfs de herinneringen worden gekleurd door de angst voor de dood: Max begrijpt plotseling waarom zijn gesprekspartner vroeger altijd zijn tanden poetste en dure aftershave op deed als hij een uur ging rennen: ‘En opeens begreep ik het: jij rekende erop dat je met een fris gezicht en een schone mond eerder door een passant zou worden beademd, mocht je onder het lopen onwel zijn geworden en op het asfalt liggen.’

    Zo dreigend als in dit verhaal is het niet steeds, maar altijd is er wel iets onheilspellends dat voor een onverwachte wending in de loop van de gebeurtenissen zorgt. Soms vertelt Dros zo levensecht dat je gaat geloven dat er niets aan verzonnen is. In het eerste verhaal, Maagdenbloed, zet hij dat nog eens kracht bij door te beginnen met een citaat van Nabokov: ‘het Leven heeft meer talent dan wij. De intriges die het af en toe verzint! Hoe kunnen wij zo’n god naar de kroon steken? Zijn werk is onvertaalbaar, onbeschrijfelijk.’

    Venijnig is hij in De meisjes, een verhaal vol jaloezie, rivaliteit en kleineringen, waarin een literair criticus een romanauteur en vorige minnaar van zijn vrouw bij het vuilnis zet door in zijn recensie te concluderen: ‘Ties Weinacker lijkt me een kleinzoon van Simon Vestdijk, overigens een schrijver die om begrijpelijke redenen tegenwoordig nauwelijks wordt gelezen’.

    Bijzonder beeldend is Dros dan weer in het verhaal Going native  als hij het straatleven in Jakarta en de kampongs in de buurt ten tijde van Soeharto beschrijft. Dat doet hij letterlijk in geuren en kleuren: ‘Over de stad hing een walm, opstijgend uit open riolen die onder de tropenzon lagen te sudderen. Daarmee vermengde zich roet en rook van het altijd denderende verkeer (…) de Chiliwung, een rivier vol riekende zwadder (…) Maar er waren ook geuren in deze stad waaraan ik werkelijk verslingerd raakte: die van aanbrandende klapperolie (…) Onweerstaandbaar was de zoete nevel van inheemse tabak met kruidnagelen erin’. Bij het lezen van zulke beschrijvingen proef je de stad bijna op je tong.

    Een heel ander register spreekt Dros aan in het prachtige (en tragische) Twee dooilingen. Ook dit verhaal uit de tijd van de VOC speelt zich grotendeels op Texel af. Het is een wrange liefdesgeschiedenis tegen de achtergrond van een ziekte die de schapenpopulatie op het eiland decimeert, terwijl de ‘jongkerels’ zich gretig overgeven aan het queesten: een praktijk waarin zij ’s nachts door los staande ramen in de kamers van Tesselse maagden klimmen om ze te beslapen. Dominee Slaterus schreeuwt van de kansel zijn keel schor om de causaliteit tussen de onzedige nachtelijke klauterpartijen en de sterfte onder de schapen te bewijzen. Dros gebruikt in dit verhaal een exuberante taal, doorspekt met humor en ironie, zonder de magie ervan te kort te doen. In één zin vat hij de wanhoop van dominee Slaterus: ‘ Zijn baard werd nat van schuimend speeksel toen hij links en rechts uit de Schrift citeerde om zijn waarschuwing voor de straf van de eeuwige vermorzeling kracht bij te zetten.’

    En dan zijn we nog niet eens toe aan de aandoenlijke verwikkelingen tussen Jozef en Nanie, de protagonisten van deze geschiedenis. Met zo’n rijkdom neem je een enkel verhaal dat wat oppervlakkiger blijft, zoals Het weerzien, graag op de koop toe.
    Langzaam afbouwen op deze planeet

    Auteur: Nico Dros
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot (2015)
    Aantal pagina’s: 186
    Prijs: € 16,50

  • Opgroeien in de jaren vijftig in het Turkse Kolçaklar

    Opgroeien in de jaren vijftig in het Turkse Kolçaklar

    Als in een ouverture tot een opera zet de Turks-Nederlandse schrijver Kerim Göçmen in de proloog tot zijn eerste roman, Rode kornoeljes de thematiek ervan neer. In nog geen drie bladzijden verstaat hij die kunst. Het eerste thema: de ontwikkeling van een adolescent tot jonge man. In dit geval Caner, een 15-jarige jongen uit het Turkse Kolçaklar in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Het tweede thema: de politieke constellatie waarin de democraten wonnen van de Republikeinse Volkspartij. En met naast de twee thema’s wat leidmotieven, zoals de rode kornoeljes uit de titel: ‘Mijn blik viel op een schaal rode, rijpe kornoeljes die mijn moeder alvast had neergezet. Ik kon me niet meer beheersen, stond huilend op en rende de kamer uit.’

    De wereld van de verteller bestaat vooral uit stripboeken en paardrijden met Cemal, de zoon van de huiseigenaar, tevens buurman. En in mindere mate uit het contact met klasgenoot Hasan, wiens vader op de zogenaamde rode lijst van de democraten staat. Een lijst met namen van mensen met vermeende communistische sympathieën. Door Hasan uitgesproken als ‘jode lijst’, want hij kan de r niet zeggen. Een gebrek dat zo lijkt te zijn weggelopen uit Karl Ove Knausgårds roman Zoon, waarin de vader van de hoofdpersoon hier echter de draak (djaak) mee steekt, in tegenstelling tot de klasgenootjes van Hasan.

    Aan de vooravond van de verkiezingen komt een collega en vriend van Caners vader met zijn twintig jaar jongere vrouw, Gülbahar, in Kolçaklar naast hen wonen. Diens politieke ideeën wijken af van die van Caners vader en spreken de jongen meer aan dan die van zijn vader. Toch voelt hij zich er niet gerust op dat hij zomaar van de ideeën van zijn vader durft af te wijken. Hij is immers nog maar een kind, ook in verhouding tot de zo’n vijf jaar oudere buurvrouw Gülbahar die hem als een broer én een knappe jonge man behandelt. Maar dit zorgt ook voor een andere vorm van verwarring bij Caner, omdat de vrouw tegen alle Turkse gebruiken in zijn moeder niet als een oudere, wijzere vriendin ziet. Gülbahar lijkt zoals ze door de auteur is neergezet, met haar felrode lippen, even rood als de vruchten van de kornoelje, een personage uit de Folies Bergère.

    Caner is een personage dat dan weer puur op zijn gevoel afgaat, en dan weer alles rationeel beredeneert. Dit leidt er soms toe, dat hij misschien wat vroegwijs overkomt. Ingewikkelde politieke gesprekken lijkt hij zonder meer te begrijpen, en hij is ook niet gespeend van psychologisch inzicht: ‘Ik kreeg de indruk dat ze [Gülbahar] met Zeynep bezig was, om zodoende geen conversatie met tante Saadet en mijn moeder te hoeven voeren.’
    Op andere momenten voelt hij goed aan dat er wat speelt, maar begrijpt het niet: ‘Ik zag Gülbahar (…) onbeweeglijk naar Cemal kijken. Waarom keek ze hem zo aan? Ik vond het vreemd dat ze zich tijdens hun eerste ontmoeting al zo vertrouwd tegenover elkaar gedroegen. Het leek wel alsof ze mijn aanwezigheid niet eens meer opmerkten.’ Caner had de situatie niet door, want een paar hoofdstukken later stelt hij zich ten doel te ‘achterhalen op wie ze verliefd was.’ Ook Caners moeder probeert hem de ogen wat betreft Gülbahar te openen. De uitkomst  ligt voor de hand. In ieder geval zijn de kornoeljes ondertussen gerijpt …

    Het spelen met twee thema’s, het een op de voorgrond (de volwassenwording van Caner, gesymboliseerd door de rijping van de kornoeljes) en het andere op de achtergrond (de politiek in de jaren vijftig in Turkije) doen denken aan de opzet van een Victoriaanse roman, waarin dit ook vaak gebeurt. Ook het wat anachronistische taalgebruik gaat in die richting. Waarbij het interessant is dat het spraakgebrek van Hasan ook wel eens symbool zou kunnen staan voor de taalverandering die Turkije heeft ondergaan, zoals deze onder meer is beschreven door Erik J. Zürcher in diens boek Een geschiedenis van het moderne Turkije (Nijmegen, 1995). Uiteindelijk nog zo’n leidmotief dus dat dit boek een diepere laag en lading geeft.

    Dat maakt het tot een geslaagd boek van de hand van een auteur die we tot nu toe kenden als schrijver van korte verhalen: Het geheim van de kromme neuzen (2013)Hun conflicten raken je als lezer, hoezeer het ook mensen betreft uit een andere cultuur en hele andere milieus.’ Het zou zo maar van toepassing kunnen zijn op deze eerste roman van Göçmen.

     

  • Een indrukwekkende studie

    Een indrukwekkende studie

    Tussen de moord op 28 juni 1914 op kroonprins Franz-Ferdinand van Oostenrijk-Hongarije in Sarajevo – de aanleiding voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog  – en de ondertekening van het Verdrag van Versailles zit precies vijf jaar.

    In Sprong in het duister. Duitsland en de Eerste Wereldoorlog van Patrick Dassen gaat het niet alleen over de oorlogsjaren, maar wordt de periode tussen 1910 en 1923 beschreven. De ruim 500 pagina’s dikke studie is opgedeeld in drie hoofdstukken. Duitsland aan de vooravond van de oorlog, Duitsland in, en na de oorlog.

    Het boek gaat specifiek over de vraag hoe de oorlog Duitsland heeft veranderd. Illustratief zijn de citaten van Stefan Zweig uit 1944: ‘Elke keer als ik bij een gesprek jongere vrienden gebeurtenissen vertel uit de tijd van vóór de Eerste Wereldoorlog, merk ik aan hun verbaasde vragen hoeveel  van wat voor mij nog vanzelfsprekende werkelijkheid is voor hen al geschiedenis en al onvoorstelbaar is geworden.’ En: ‘Nooit was Europa sterker, rijker en mooier geweest, nooit had het zo vast in een nog betere toekomst geloofd’.

    De geschiedenis van Duitsland en de Eerste Wereldoorlog wordt niet beschreven ‘met de kennis van de uitkomst van het historisch proces achteraf’, maar het is geschiedschrijving met een ‘open toekomst’. Het is een manier van kijken met de blik van historische figuren die nog niet weten wat hen te wachten staat. De titel van het boek is met zorg gekozen.  Kanselier Bethmann Hollweg beschouwde een mogelijke oorlog in juli 1914 als ‘een sprong in het duister’. Een fraaie formulering, volgens Dassen, want het is een toekomst die op dat moment volslagen ongewis en ‘open’ is.

    Dat een groot deel van de Duitse bevolking deze oorlog wilde en uit was op het vestigen van een ‘wereldmacht’, noemt Dassen een hardnekkige mythe. Er is in de zomer van 1914 geen breedgedragen oorlogsenthousiasme in Duitsland. De bevolking is bovenal angstig en onzeker. En het land wil vooral zijn grenzen en machtspositie veilig stellen. Bethmann is op dat moment de belangrijkste politicus, zeker geen ‘havik’, maar een bedachtzaam opererend politicus, bezorgd over de toekomst van het land, een man die uiteindelijk toch in een zeer onoverzichtelijke situatie een ‘sprong in het duister’ waagt.

    Deze beschrijving heeft raakvlakken met hoe Christopher Clark in zijn indrukwekkende studie Slaapwandelaars. Hoe Europa in 1914 ten oorlog trok de situatie aan de vooravond van de oorlog typeert:  ‘/…/  de hoofdrolspelers van 1914 waren slaapwandelaars, alert maar blind, opgejaagd door dromen, maar onwetend van de gruwelen die zij over de wereld zouden brengen’.

    De betekenis van Bethmann wordt gaandeweg minder. Meedogenlozere en radicalere politici zoals Erich Ludendorff en Paul von Hindenburg krijgen in de loop van de oorlog de overhand. Militaristische en radicaal-nationalistische elementen komen bovendrijven.

    De kracht van Dassen is het zorgvuldig beschrijven van situaties en het beargumenteerd weerleggen van mythes. Hij besteedt veel aandacht aan het ontkrachten van een andere mythe, die van de Volksgemeinschaft. Bij zo’n Gemeinschaft gaat het om het idee dat het volk een eenheid vormt. Het gaat niet om het individu, maar om het collectief. Maar met de Duitse eenheid wil het niet vlotten. Het onderlinge wantrouwen tussen de verschillende bevolkingsgroepen is te groot. Bovendien worden bepaalde groepen buitengesloten. Het probleem van de Duitse eenheid loopt als een rode draad door het boek. Die eenheid, één volk, blijkt uiteindelijk een illusie.

    Indrukwekkend zijn ook de hoofdstukken over voedsel en honger en de groei van het antisemitisme.

    Aan het begin van de oorlog ontstaat al snel gebrek aan voedsel. Prijzen schieten omhoog. In maart 1916 is de aardappel op rantsoen en als later de oogst mislukt, zijn mensen aangewezen op koolrapen. De slechte voedselvoorziening versterkt het wantrouwen van verschillende bevolkingsgroepen tegenover elkaar. Dassen laat zien dat steeds meer het idee ontstaat dat er niet alleen aan het front, maar ook in het binnenland vijanden zijn. Voor inwoners van Berlijn en andere steden worden deze ‘interne vijanden’ gevormd door ‘bedrieglijke kooplieden en uitbuitende agrariërs’, die profiteren van de oorlog.

    Een groeiend gevoel van ontevredenheid creëert een behoefte aan zondebokken – en de joden zijn een dankbaar mikpunt. Zij zouden profiteren van de oorlog door voedselvoorraden schaars te houden. En zij krijgen het verwijt dat zij zich onttrekken aan de dienst aan het front. Om deze klachten te controleren vaardigt het ministerie van Oorlog in oktober 1916 een decreet uit dat iedere legereenheid verplicht vast te stellen hoeveel joden er bij hen dienen. De resultaten van deze discriminerende telling worden tot het einde van de oorlog geheim gehouden, waardoor het antisemitisme alleen maar toeneemt. Pas na de oorlog worden de cijfers openbaar. De actieve bijdrage van joden aan de oorlog deed verhoudingsgewijs niet onder voor die van niet-joodse Duitsers.

    Tijdens de oorlog hopen de Duitse joden dat ze volledig kunnen integreren en dat het antisemitisme zal verdwijnen. Tevergeefs. Dassen verwijst naar het mechanisme dat in tijden van oorlog en radicalisering vijandbeelden kunnen ontstaan die leiden tot uitsluiting van groepen. ‘Er wordt een eenheid gecreëerd door minderheden buiten te sluiten en hen te stigmatiseren als de ‘interne vijand’’.

    Het slothoofdstuk gaat over Duitsland na de oorlog, de Weimarrepubliek, de jaren van verdeeldheid en chaos, economische malaise en politieke instabiliteit. Het Verdrag van Versailles veroorzaakt een ‘diep getraumatiseerd nationalisme’. In het verdrag is vastgelegd dat Duitsland schuldig is aan het uitbreken van de oorlog. Het antisemitisme groeit verder en gaat nu ook gepaard met fysiek geweld. De joden worden nog meer de zondebok dan vóór 1918. Paul von Hindenburg gebruikt een jaar later voor het eerst de term ‘dolkstootlegende’. De nederlaag van Duitsland is niet te wijten aan de militairen aan het front, maar aan ‘de verraderlijke lieden’ aan het thuisfront. Zij zouden het Duitse leger een ‘dolkstoot in de rug’ gegeven hebben.

    Hitler stelt later het idee van de Volksgemeinschaft  uit 1914 centraal. De nazi’s profiteren maximaal van de verdeeldheid die in de Eerste Wereldoorlog en daarna is ontstaan. Zij geven het volk de illusie dat er onder hun leiding een eenheid kan groeien. ‘De nazipropaganda greep daarbij heel bewust terug op de kameraadschap en de solidariteit tijdens de Eerste Wereldoorlog in de loopgraven, de Frontgemeinschaft.’  Maar, zo besluit Dassen, ‘Met het concept van de Volksgemeinschaft probeerden de nazi’s een fundamenteel probleem van de moderne Duitse geschiedenis aan te pakken, namelijk het gebrek aan nationale eenheid.’

    Dassen put uit veel bronnen waardoor een bijzonder genuanceerd beeld  ontstaat. Hij verwijst naar een indrukwekkende hoeveelheid wetenschappelijke artikelen en studies over de Eerste Wereldoorlog.

    Met een chronologisch overzicht, uitgebreide verantwoording, literatuurlijst  en een personenregister is Sprong in het duister een rijk en genuanceerd boek waarin ook minder bekende onderwerpen zoals  de Schweinemord van 1915, de Hamsterfahrten en de Kohlrübenwinter aan de orde komen. Het boek is geschreven voor een breed publiek; vakgenoten en geïnteresseerden in de Eerste Wereldoorlog en de Duitse geschiedenis.

    Niets dan lof voor de gedegen research van Dassen. Zijn boek verdient een plaatsje bovenop de stapel boeken die over de Eerste Wereldoorlog zijn verschenen. Het doet zeker niet onder voor de Slaapwandelaars. Clark legt in zijn boek wat meer de nadruk op de gebeurtenissen op de Balkan. Hij vertelt o.a. heel uitvoerig over de moord in Sarajevo. Maar allebei de boeken bieden een frisse kijk op de Juli-crisis van 1914 en de gevolgen daarvan.

    Patrick Dassen is universitair docent algemene geschiedenis aan de Universiteit Leiden.

     

    Sprong in het duister.
    Duitsland en de Eerste Wereldoorlog

    Auteur: Patrick Dassen
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot,
    Aantal pagina’s: 524 (paperback, met illustraties, september 2014)
    Prijs: € 29,90

  • Terecht herontdekte roman

    Terecht herontdekte roman

    In 1922 publiceerde Sinclair Lewis Babbit. Het werd een bestseller, het werd tweemaal verfilmd en in 1930 won Lewis er als eerste Amerikaan de Nobelprijs voor literatuur mee. Hoofdpersoon George Babbitt  werd het schoolvoorbeeld van de Amerikaanse materialistische conformist. De man zonder visie en standpunten, meewaaiend met alles wat gewin en status oplevert, hoofd van een modelgezin in een Amerikaanse suburb, blakend van oppervlakkigheid en levenslust.

    Bijna honderd jaar later is de reputatie van Lewis’ boek verbleekt. Babbit werd een lemma in een woordenboek en de roman zakte langzaam weg uit de literaire canon. Onlangs verscheen in een prachtig omslag een nieuwe Nederlandse uitgave in het kader van de Schwob-campagne rond ‘de beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’. Het megasucces van Stoner heeft boekenland op ideeën gebracht. Hoe dan ook: tijd voor een herontdekking.

    Drooglegging
    George F. Babbit  woont met vrouw en drie kinderen in het fictieve Amerikaanse stadje Zenith, in de wijk Floral Heights, een stralend voorbeeld van suburbia zoals dat een eeuw geleden gestalte begon te krijgen dankzij een groeiende middenklasse, voortgezweept door modernisering en industrialisatie. Een nieuwe wereld met keurige tuinen, geasfalteerde highways, houten carports, slaapveranda´s met eersteklas kwaliteitswekkers en gestroomlijnde automobielen met verzilverde sigarettenaanstekers: materialisme maakt gelukkig en houdt de economie gezond. Welvaart, blikvoer, wasmachine en vaatwasser brengen vrije tijd, en die wordt doorgebracht in de bioscoop, op de golfbaan of in de danszaal – inclusief jazz maar zonder drank (want de drooglegging heerst).

    George heeft met zijn schoonvader een succesvol makelaarskantoor opgebouwd, is getrouwd met een degelijk ‘vrouwtje’ waar hij nooit echt van gehouden heeft, en zijn kinderen ontpoppen zich tot, de een na de ander, lastige pubers. George luncht op de Athletes Club en is lid van de Boosters, een Roteray-achtig old-boys network waar ondernemers en zakenlieden elkaar erefuncties en zakelijke voordeeltjes toeschuiven. Hij verwerft enig aanzien met even oppervlakkige als meeslepende redevoeringen pro een gezonde ondernemersgeest en contra socialistische arbeidersknuffelarij. Zijn prestige stijgt verder als hij zitting neemt in het kerkbestuur, en de zondagsschool nieuw leven in blaast, onder meer door een public relations manager in te huren. Belangrijke bijvangst: de sociale netwerken waar hij zich in beweegt leveren hem de geldschieters en voorkennis op voor lucratieve deals.

    Van Almere tot Zoetermeer
    Babbit werd met reporterachtige vaart en zakelijkheid opgetekend door Lewis. Soms duiken we in George´s gedachten en zielenroerselen, maar zeker zo vaak is de auteur een camera die alleen de buitenkant registreert, of een commentator die sarcastisch commentaar levert op alle kleinburgerlijke oppervlakkigheid. Lewis is beslist scherpzinnig: feilloos fileert hij de zielloosheid van de opkomende nieuwe samenleving. Heel raak schetst hij een wereld die ons al te vertrouwd voorkomt – van Almere tot Zoetermeer: één groot veramerikaniseerd suburbia. Vlak en plat, gekenmerkt door veel actie en weinig drama, groeiende welvaart en een schrijnende leegte. Die sociologische dimensie is het beste van Babbitt en levert fascinerend leesvoer op.

    Scènes en schakels
    Minder geslaagd is het boek als roman. Babbit ontrolt zich als een reeks scènes – een dag uit het leven van een makelaar, een natuurvakantie in Maine, een lunch op de club, een spreekbeurt op een congres, een dinertje thuis, een schimmige grondtransactie, en een lunch op de Atletes Club met hoog oplopende discussie over de verfoeilijkheid van stakingen. Om maar wat te noemen. De lezer ontmoet een nieuwe mensensoort in zijn nieuwe biotoop en ieder hoofdstuk is eerder een minirapportage dan een noodzakelijke schakel in een voortschrijdende ontwikkeling – van wat of wie dan ook.

    Een paar hoofdstukken doorbreken dat patroon. De auteur zoomt uit en beschrijft de stad in ‘poëtischer’ expressionistisch proza dat contrasteert met de zakelijke stijl in de rest van het boek. Zoals in paragraaf 3 en 4 van hoofdstuk 7, waar een aantal beelden en momentopnamen nevengeschikt worden gepresenteerd als een caleidoscopische fotomontage. ‘Precies op dat moment zaten een cocaïnedealer en een prostituee cocktails te drinken in Healy Hansons Saloon in Fleet Street. […] Precies op dat moment zaten in Zenith twee mannen in een laboratorium. Ze hadden zevenendertig uur achtereen gewerkt aan het verslag van hun onderzoek naar synthetisch rubber. Precies op dat moment zaten in Zenith vier vakbondsmannen te vergaderen over de vaag of de twaalfduizend mijnwerkers die binnen een straal van honderd vijftig kilometer van de stad werkzaam waren moesten gaan staken. […]   Precies op dat moment overleed er een veteraan. […].’ Op dergelijke momenten loopt Lewis vooruit op latere grotestadsromans als Manhattan Transfer van John dos Passos of Berlin Alexanderplatz van Alfred Döblin. Interessant, maar ook een tikkie bevreemdend, die schakelingen tussen reportage over een zakenman en poëtisch portret van de ziel van een stad.

    Ontsporing
    Er zit voor wie wil wel degelijk drama onder de oppervlakte van het verhaal. Babbitt is vaak gespannen, ontevreden en onzeker, en dat wordt verdiept door zijn contacten met oude studievriend Paul Riesling, een ongelukkige groothandelaar in dakpapier die de juiste braltoon niet weet te vinden in contacten met collega’s, melancholieke muziek speelt op zijn viool en lijdt onder zijn huwelijk met een chagrijnige en treiterige vrouw. Paul roept in George oude idealen wakker: zijn afgebroken studie voltooien, advocaat worden en de onderdrukte medemens aan zijn recht helpen. In reactie op een wanhoopsdaad van Paul laat George op een gegeven moment zijn leven welbewust ontsporen – terwijl hij zichzelf probeert wijs te maken dat dat de ware vrijheid is. Hij vergooit zich aan illegale drank en een lustige weduwe, en zijn ideeën krijgen ineens verdacht socialistische trekjes, constateren zijn zakenvrinden vol afschuw. Maar tegen het einde van het boek heeft Babitt het juiste spoor weer gevonden.

    Als wegbereider en bruggenbouwer van expressionistisch proza heeft Lewis zijn verdienste. Als socioloog en commentator van een nieuw tijdperk is hij fenomenaal. Maar Babbitt is als roman te hybride om geslaagd te zijn. Geen meesterwerk, wel terecht herontdekt.

     

     

  • Krimchampagne voor de ziel

    Krimchampagne voor de ziel

    Dode Zielen is een Russische roman van de Oekraïner Nicolai Gogol (1809 – 1852). Hij stelde zich een onmogelijke opgave: Rusland bezielen met nieuw elan, een nieuwe moraal en nieuwe idealen, en het bevrijden van de epidemische verfransing die Napoleon had ontketend. Hij vertilde zich aan die ambitie, maar schreef wél een meesterwerk.

    Dode zielen is in feite onvoltooid. Het eerste deel verscheen in 1842 en speelt zich af in Tsaristisch Rusland. Wie een verfijnde grootsteedse elite verwacht, puissant rijke landeigenaren, glamoureuze bals en banketten, jachtpartijen en veldslagen, besprenkeld met verrukkelijke melancholie en diepe gevoelens, die komt bedrogen uit. Daarvoor kun je terecht bij Dostojewski, Tsjechov of Toergenjev. Gogol beschrijft met Mozarteske virtuositeit en trefzekerheid een land dat aan zijn eigen lamlendigheid ten onder gaat. Een lappendeken van landgoederen zo groot als een provincie, bewoond door hordes lijfeigenen die dom worden gehouden, uitgebuit en verhandeld. Iedere zandweg onbegaanbaar, iedere akker verwaarloosd. Geen dak of het lekt, geen ruit of hij is gebarsten of vervangen door vodden. Gogols Rusland is een land zonder visie en leiderschap, een land ook van loze pretenties en hypocrisie. Dode zielen is zeer genietbaar ondanks dat alles. Ruim 400 bladzijden glanzend en tintelend proza, doorschoten met verrassende beelden die soms een eigen leven gaan leiden: . Met dank aan Aai Prins die een pracht van een vertaling leverde.

    Coulissen en wandelgangen
    Door de onttakelde Russische wereld trekt ‘de held’ van het verhaal; de ontspoorde ambtenaar Pavel Tsjitsjikov. Hij bezoekt het ene landgoed na het andere om de eigenaren te verlossen van hun ‘dode zielen’: overleden lijfeigenen waarover  nog steeds belasting is verschuldigd, omdat hun registratie maar eens in de drie jaar wordt bijgewerkt. Als hij een paar duizend van die zielen met bijbehorende koopakten heeft vergaard wil Tsjitsjikov er een fictief landgoed mee bevolken waar hij een forse hypotheek op kan afsluiten. Briljante oplichterij, maar zeker zo interessant is zijn moeizame tocht langs allerlei landgoederen met hun eigenaren en de bizarre besprekingen die hij met hen voert voordat ze afstand doen van hun dode zielen. Ook fascinerend zijn de belevenissen en verwikkelingen die Tsjitsjikov doormaakt in het ‘gouvernementstadje NN’ waar hij met zijn bedienden een kamer in een herberg betrekt. Door zijn wereldwijsheid en sociale vaardigheden raakt het halve stadje idolaat van hem (mannen zowel als vrouwen) en zien in hem een belangrijk man die grootste daden verricht. Tsjitsjikov laat zich dat graag aanleunen, en beweegt zich van banket naar bal, wat Gogol alle ruimte biedt om de verfranste mode en pronkzucht op de hak te nemen, alsmede het geritsel en gemanipuleer in de coulissen en wandelgangen.

    Loutering en hellevaart
    Gogol had grootse plannen met zijn held Tsjitsjikov. Deel 1, dat nu leest als een schelmenroman waar de schurk wegkomt maar geen triomfen viert, had de hellevaart van de held moeten zijn. In deel 2 van Dode zielen zou hij tot inkeer komen en een morele loutering doormaken en in deel 3 zou hij zich  – wedergeboren – tot een rolmodel voor Rusland ontwikkelen. Zover kwam het niet. Gogol bleef deel 2 herschrijven omdat hij er ontevreden mee was, en werd uiteindelijk gek. In een godsdienstwaanzinnige poging alle verdorvenheid uit te drijven hongerde hij zichzelf dood, een handje geholpen door incompetente artsen met wisselbaden en bloedzuigers. Wat blijft is een puntgaaf deel 1 en een fragmentarisch deel 2 zonder einde. Gogol schrijft nog steeds briljante zinnen, maar slaat af en toe danig aan het moraliseren. Rusland moest zichzelf hervinden, afscheid nemen van vreemde invloeden en goedkoop materialisme, en zich richten op het vervolmaken van wat authentiek Russisch is. Niks verstedelijking en industrialisatie: het landgoed is de maat der dingen, bewerkt door gedisciplineerde lijfeigenen, beheerd door een weldenkende en hardwerkende landheer, gesteund door een pronte prachtvrouw die niet meewaait met alle Franse modes. Gogol kreeg het niet voor elkaar, hoewel hij personages introduceert die wel degelijk de fris gewassen weldenkendheid en goedheid van ziel hebben om van hun landgoed een modelboerderij te maken, als blauwdruk voor heel de Russische samenleving.

    Vreemde intrige
    Naarmate in Dode zielen het idealisme toeneemt, vermindert de spankracht van de verhaallijnen. Het realisme van deel 1 is veel rijker van dynamiek dan het gebiedermeier in deel 2. Zelfs als de schrijver alleen maar kijkt gebeurt er al van alles: ‘In het winkeltje op de hoek, of beter gezegd in het raam er van, was een honingdrankverkoper gevestigd met een roodkoperen samowar en een gezicht dat even rood zag als zijn samowar, zodat je uit de verte zou kunnen denken dat er in het raam twee samowars stonden, ware het niet dat een ervan een pikzwarte baard had.’ Hier en daar wordt ook de schrijfarbeid, het boek en de lezer tot onderwerp gemaakt. Na de beschrijving van een zijlijn van een zijlijn – een ruzie tussen Tsjitsjikov en een collega over ‘een vrouwtje’, waarbij een derde er met de buit vandoor ging: ‘Hoe het werkelijk in elkaar stak – geen flauw idee; laat de lezer die daar aardigheid in heeft het verhaal liever zelf afmaken.’ En nadat Tsjitsjikov iemand zijn snode plannen met de dode zielen heeft verteld: ‘En zo had zich in het hoofd van onze held deze vreemde intrige gevormd waarvan ik niet weet of de lezers hem er dankbaar voor zullen zijn, en wat de dankbaarheid van de auteur aangaat – die valt moeilijk in woorden uit te drukken. Want hoe je het ook bekijkt, als Tsjitsjikov niet op dit idee was gekomen, dan had dit poëem nooit het licht gezien.’ Een poëticale ring van Möbius….  Overigens: ‘Een poëem’ en niet ‘een roman’ is de ondertitel van deze onmiskenbare roman….

    Zelfbedrog en hypocrisie
    Een traktatie apart zijn de dialogen. Zelden werd het luie geleuter en richtingloze geredeneer van onze medemens genadelozer weergegeven dan in Dode zielen. Dat begint al als Tsjitsikov op bladzijde 1 een stadje binnenrijdt. Twee ´Russische boerenkerels’ staan langs de kant: ‘”Moet je dat wiel daar ’s zien”, zei de een tegen de ander, “Wat denk je, als dat wiel bijgeval naar Moskou moet, zou-ie dat dan halen, of niet?” “Jawel”, antwoordde de ander. “Maar Kazan haalt-ie toch zeker niet, hè?” “Kazan niet”, antwoordde de ander. Daarmee was het gesprek ten einde.’ De overtreffende trap van deze verrukkelijke onzin is de ontmoeting van Tsjitijikov met zijn oude kennis Nozdrjov. Die heeft 3 dagen feest gevierd op de jaarmarkt en bij het kaartspelen al zijn bezit verloren. Hij hangt onnavolgbare redeneringen op over hoe hij alles terug zou kunnen winnen ‘en nog wel twintigduizend roebel meer’, als hij maar 20 roebel zou hebben. Als zijn metgezel hem er op wijst dat hij daarvoor al 50 roebel had gekregen en die ook had verspeeld, volgt een onnavolgbare argumentatie: ‘”Dat had ook niet gehoeven, heus waar, dat had niet gehoeven! Als ik niet zelf een stommiteit begaan had, echt, dan had dat niet gehoeven. Als ik na het doubleren op die vervloekte zeven niet verhoogd had, had ik de bank kunnen laten springen.” “Maar je hebt hem niet laten springen,” zei de blonde. “Nee, omdat ik niet op tijd verhoogde. Dacht jij soms dat die majoor van jou zo goed speelde?” “Goed of niet, hij heeft wel van je gewonnen.” “Stelt nogal wat voor!” zei Nozdrjov. “Ik win zo van ‘m. Nee, laat-ie maar eens proberen te verdubbelen, dat wil ik dan weleens zien, dan wil ik wel eens zien wat voor speler hij is!”‘ Enzovoorts. Alsof Gijp, Derksen en Kraaij junior aan tafel zitten. Zo davert het boek voort: een pandemonium van zelfbedrog en hypocrisie, bevolkt door kletsmajoors, feestneuzen en brokkenpiloten.

    Achter de zedenkomedie van Dode zielen schuilt het drama van Gogol. Het informatieve nawoord van Aai Prins en de brieven van Gogol over Dode zielen (ook opgenomen in de uitgave) maken duidelijk dat hij een verscheurde ziel was: een romanticus. Hij wilde een ideaalbeeld ontwerpen van ´de mens´ naar Russische snit. Maar als hij zijn ogen de kost en zijn pen de vrijheid gaf, tekende hij menselijk gescharrel in een slordige wereld. Zo trefzeker dat het nu nog herkenbaar is: in negentiende eeuwse vermomming komt half bekend Nederland voorbij. De mens in zijn onontkoombare feilbaarheid, Gogol was geniaal in het stellen van de diagnose, maar kon er niet mee leven. Evenzogoed: wát een boek!

     

  • Fijngevoelige portretten

    Fijngevoelige portretten

    Romeinse koorts is een bundeling van verhalen van de Amerikaanse schrijfster Edith Wharton (1862-1937). De meeste verhalen gaan over rijke vrouwen die worstelen met onzekerheden over hun sociale status of de visie van hun man of minnaar op hen. Ze voelen zich afhankelijk van de mening van de ander.

    Als een schets van de sociologische laag waartoe de personages behoren is Romeinse koorts zeer geslaagd. Wharton weet empathie op te wekken voor de veelal verwende figuren uit haar teksten die niet lijken te beseffen hoe bevoorrecht zij zijn.

    De personages uit deze bundeling lijken zich in het geheel niet te schamen voor hun rijkdom of voor het gegeven dat zij personeel in dienst hebben: dat wordt als vanzelfsprekend gepresenteerd. Het zou zeker wat hebben toegevoegd als Wharton extra aandacht had besteed aan het perspectief van de ‘bedienden.’  Slechts in twee of drie verhalen staat de wisselwerking tussen personeel en werkgever/werkgeefster centraal.

    Soms is het stramien waarop de verhalen zijn gebaseerd iets te duidelijk zichtbaar, is de vertelkunst van Wharton te nadrukkelijk. Zo wordt in het titelverhaal wel erg duidelijk toegewerkt naar een pointe in de slotzin. Verder spelen zaken als de ziekte van een compagnon, immobiliteit als gevolg van een val, of het medische verbod wijn te drinken een belangrijke rol in de teksten: deze gegevens maken de plot van het verhaal telkens mogelijk, het is te duidelijk dat de schrijfster ze puur met die reden introduceert.

    De verhalen ‘Granaatappelpitjes’ en ‘Allerzielen’ hebben een bovennatuurlijke thematiek die een welkome afwisseling vormt op de andere teksten waar het gaat om een aards realisme, aangaande status, liefde en afhankelijkheid. Deze beide verhalen laten zien dat Wharton vele facetten van het schrijverschap beheerst, wat ook blijkt uit het slotverhaal van deze bundel, ‘Xingu.’ Daarin betoont ze zich een groot humoriste in haar beschrijving van een ontmoeting van een snobistische lunchclub van niet al te snuggere vrouwen.

    De verhalen zijn goed vertaald door Lisette Graswinckel, zodat ook de stijl tot zijn recht komt. Niet alle in deze stijl gevatte inzichten spreken echter voor de moderne lezer nog tot de verbeelding. Een zin als ‘Niets is voor een man ondoorgrondelijker dan het denkproces van een vrouw die vanuit haar emoties redeneert’ (213), neigt naar het clichématige, al mag er natuurlijk niet zonder meer vanuit worden gegaan dat de visie van het personage die van Wharton is. Veel interessanter is de volgende passage over twee ongetrouwde geliefden: ‘Ik denk weleens dat twee mensen die elkaar liefhebben alleen voor waanzin behoed worden door alles wat tussen hen in komt te staan –kinderen, verplichtingen, bezoekjes, saaie mensen, familie – alles wat getrouwde mensen van elkaar afschermt. We zijn elkaar te na geweest, dat was onze zonde. We hebben elkaars naakte ziel gezien.’ (228) Ook mooi is de volgende beschrijving van een man die contempleert over het gegeven dat zijn vrouw twee maal eerder getrouwd is geweest: ‘Hij bezat aandelen in de persoonlijkheid van zijn vrouw, en zijn voorgangers waren zijn zakenpartners.’ (252)

    Elk verhaal uit deze bundeling is de moeite waard. Wharton komt met fijngevoelige portretten van de personages, waarbij de subtiliteiten die de menselijke levensvorm zo boeiend maken – deze is zo veel meer dan slechts een ontspoorde aap – goed uit de verf komen. Ze laat zien dat onzekerheid over relaties en sociale conventies van alle tijden zijn.

     

     

  • Een kooltje-vuur uit een plas bloed

    Een kooltje-vuur uit een plas bloed

    Op een verlaten treinperron staat een mooi meisje, met haar rug naar de muur, tegenover een knappe jongen. Haar middel sterk naar hem toe gebogen haalt ze hem aan, smachtend naar een zoen. Maar hij staat er ongemakkelijk bij, preuts, met de handen in zijn zakken en zonder enige neiging in haar richting. 
De foto van het tafereel op het omslag van Venus en Adonis is een prachtige verbeelding van de zindering in dit lange verhalende gedicht van William Shakespeare.

    Het thema stamt al uit de Griekse mythologie, maar is het meest bekend door de versie die de Romein Ovidius er van gaf in zijn Metamorphosen. Diens werk was in Shakespeare’s tijd zeer populair. Bij Ovidius is de beeldschone Adonis bezeten van de jacht op wilde zwijnen, zeer tot verdriet van liefdesgodin Venus. Zij is doodsbang dat de jongen, op wie ze heimelijk verliefd is, iets zal overkomen. Dat gebeurt inderdaad. Hij raakt dodelijk gewond door een zwijn en Venus rest niets dan bij zijn lijk neer te knielen. Daar ziet ze hoe uit zijn lichaamsbloed een rode bloem opbloeit.

    Shakespeare zet het verhaal naar zijn hand. Bij hem is Venus niet afwachtend. Ze verleidt Adonis, die haar echter steeds afweert, vervuld als hij is van zijn verlangen om achter de zwijnen aan te gaan. Al haar kussen en vermaningen ketsen op hem af en haar liefdesspel is nutteloos, want uiteindelijk worstelt Adonis zich los van haar om op jacht te gaan. Met gelijke afloop als bij Ovidius. Hij sterft, verwond door een zwijn, zonder de liefde van Venus te hebben gesmaakt. En zonder zijn schoonheid aan nageslacht te hebben doorgegeven. Uit zijn bloed ‘daar op de grond verspild, / ontluikt een bloem van purper, wit gevlamd, / gelijkend op zijn bleke lichaam dat / met ronde, rode druppels was bespat.’ De bloem is een ‘adonis’, een ranonkelachtige, in het Nederlands wel aangeduid als ‘kooltje-vuur’, legt Peter Verstegen uit. Hij is de vertaler en commentator van deze nieuwe uitgave.

    Shakespeare is verreweg het meest bekend door zijn nog altijd gespeelde stukken. Maar in zijn eigen tijd oogstte hij veel meer roem om zijn twee lange verhalende gedichten Venus and Adonis en The Rape of Lucrece, over de eveneens aan de mythologie ontleende aanranding van de schone Lucretia.
 Uitgeverij Van Oorschot grijpt de geboorte van Shakespeare, 450 jaar geleden, aan om in 2014 met een vertaling van het eerste gedicht te komen; in 2016, als het 400 jaar geleden is dat hij stierf, komt de vertaling van Lucretia.

    Het is niet de eerste keer dat Venus en Adonis in het Nederlands verschijnt. In 1880 was er al een vertaling van A.S. Kok, maar die van L.A.J. Burgersdijk uit 1888 hield stand tot diep in de 20ste eeuw. Hij verscheen in het kader van het Verzameld Werk van Shakespeare en vanaf 1960 opnieuw in een bewerking door C. Buddingh’ voor de pockets van de Zwarte Beertjes.
 Nu is er de vertaling van de veelgeprezen (al in 1973 gelauwerd met de Martinus Nijhoffprijs voor zijn vertaling van Nabokov’s Pale Fire) Peter Verstegen. Bij Van Oorschot verschenen al eerder tweetalige edities van gedichten van Baudelaire, Verlaine, Emily Dickinson, Shakespeare (de Sonnetten) en Rilke, steeds in het Nederlands uit de pen van Verstegen. Die tweetaligheid verleent meteen al een aanzienlijke meerwaarde aan de nieuwste versie van Venus en Adonis, maar dat geldt zeker ook voor de uitvoerige annotaties van de vertaler die veel verduidelijken over verschillende interpretaties in de loop der eeuwen. Verstegen verhult daarin niet zijn eigen vertaalproblemen en licht zijn keuzes waar nodig toe. 
Maar bovenal is er zijn verfrissende, moderne taalgebruik, zonder dat hij populair wil doen. Zijn vertaling heeft een sensualiteit en, voor de aandachtige lezer, een humor, die de eerder edities van Kok en Burgersdijk / Buddingh’ niet bereikten. Verstegen houdt ritme en rijm (ababcc) van de oorspronkelijke tekst aan, maar blijft ook erg dicht bij de sfeer en kernachtigheid van het origineel. Vaak weet hij daarnaast nog een fraaie klankovereenkomst te bereiken, zoals in de laatste regels van strofe 194, met de i in het Nederlands waar Shakespeare een o heeft:

    Sith in his prime Death doth my love destroy,
    They that love best their loves shall not enjoy.

    wordt bij Verstegen

    De dood deed mijn ontluikend lief teniet,

    Dus zorg ik dat wie liefheeft niet geniet

    En mocht de lezer al ergens de kriebels krijgen van gesmokkel met rijm (Verstegen laat in strofe 199 bijvoorbeeld ‘zwingen’ – de vleugels van duiven – en ‘brengen’ op elkaar rijmen), dan is zelfs dat een te rechtvaardigen keuze omdat hij er al veel eerder op heeft gewezen dat Shakespeare evenmin star was (die laat in strofe 73 ‘move’ rijmen op ‘love’ en in strofe 90 ‘you’ op ‘adieu’).

    Bij Verstegen krijgt het 1200 regels omvattende gedicht bovendien een kader. Volgens hem schreef Shakespeare het voor Henry Wriothesley, graaf van Southhampton, die zijn beschermheer was. Diens voogd had voor Henry een bruid gearrangeerd, maar die wees hij af. Verstegen: ‘Het lijkt erop dat hier schertsenderwijze een parallel werd getrokken met zijn jonge weldoener die niet wenste te trouwen en niet taalde naar vrouwen.’

    De beste manier om duidelijk te maken wat de verschillen zijn tussen de versie van Verstegen en datgene waarmee we het tot nu moesten doen, is de vertalingen van Burgersdijk en hem vergelijken. 
Shakespeare schrijft in strofe 4:

    And yet not cloy thy lips with loathed satiety,

    But rather famish them amid their plenty,

    Making them red and pale with fresh variety,

    Ten kisses short as one, one long as twenty:

       A summer’s day will seem an hour but short,

       Being wasted in such time-beguiling sport.’

    Bij Burgersdijk werd dat:
    Maar ducht toch geen verzadiging, veeleer
    Zijt ge in ’t genot om de’ eeuw’gen dorst verwonderd;
    Gij gloeit, ik blusch, en daad’lijk gloeit gij weer;
    Tien kussen zijn als éen, éen lang als honderd;
    Een zomerdag schijnt u een korte stond,
       Bij zulk een spel en kortswijl mond aan mond.”

    Verstegen vertaalt, uiteraard moderner, maar ook veel speelser en sensueler:

    Zó dat je lippen nooit verzadigd raken
    En gretigheid nog groeit bij overvloed,
    Die ze afwisselend rood en bleek zal maken,
    Tien kussen snel; één traag, tien maal zo zoet:
    Een zomerdag lijkt tot een uur bekort,
    Want je vergeet de tijd bij deze sport’
    .

    Dan gaat het bij Verstegen toch een stuk meer kriebelen en herinner je je eigen eerste verliefdheid. Met je eerste verlegenheid of eerste hartstocht.

     

  • Een warm tapijt dat nimmer slijt

    Een warm tapijt dat nimmer slijt

    Kort voor haar overlijden in 2013 leverde de schrijfster D. Hooijer dit prachtige boek in bij haar uitgever. Het vormt een waardige afsluiting van een schrijverscarrière die tamelijk kort is, omdat ze pas in 2001 op 62-jarige leeftijd debuteerde.

    Achter de neutrale titel – er worden berichten verstuurd en ontvangen, ingesproken en (soms) niet verstuurd en het hoofdpersonage is een zakenman -, emotielozer kan het haast niet, gaat een wereld van emotie schuil.
    Vanaf het begin wordt de lezer geboeid en naarmate hij verder komt in het verhaal, raakt hij meer en meer betrokken bij het lief en leed van de personages. Dat dit boek zo’n grote aantrekkingskracht heeft, komt niet zozeer door de gebeurtenissen – er gebeurt namelijk niet zo veel – als wel door de markante figuren en hun onderlinge relaties. Hooijer brengt haar personages tot leven, geeft steeds iets meer van hun karakter en verleden prijs en doet dat op zo’n mooie en liefdevolle wijze dat je niet anders kunt dan houden van haar personages, zelfs van de ‘bijna-slechterikken’.

    Peter Landsman is, zoals zijn naam suggereert (het Griekse woord petra betekent rots) degene op wie iedereen kan bouwen. Zijn eerste vriend is de veel oudere zakenman en kunstliefhebber Carl die handelaar in ijzerwaren is. Van hem leert Peter, die in het begin heel onzeker en daardoor onzelfstandig is, boekhouden en hoe hij klanten netjes te woord moet staan. Het is ook Carl die hem inwijdt in alles wat het leven te bieden heeft. Omdat Carl voor zijn zaken vaak op reis is en Peter veel alleen is, wordt hij langzamerhand steeds zelfstandiger en vertrouwt hij meer en meer op zichzelf. Dan is het voor hem ook niet langer vanzelfsprekend dat hij maar thuis moet afwachten of en wanneer Carl naar huis komt. In diezelfde periode komt hij erachter dat in hun tuin hun vuilnisbak en wijnflessen ’s nachts geïnspecteerd worden. Door nachten lang in de tuin te waken betrapt hij op heterdaad de ‘dieven’, de aan drank verslaafde zwerver Willem de Baar en zijn hond Karo. Er onstaat een mooie vriendschap.

    Aan de relatie met Carl komt een einde door de vele scharrels van Carl en doordat Peter, die niet van losse contacten houdt, hopeloos verliefd wordt op de oudere tapijtenhandelaar Reggy. Deze man, getrouwd en vader van een paar kinderen, voelt ook veel voor Peter, maar kan niet loskomen van zijn nauwelijks oudere oom Ted. Met hem had hij vroeger een heftige relatie. Aangezien zijn gezondheid veel te wensen overlaat, laat Ted zich maar wat graag verzorgen door Reggy en zijn vrouw Petula. Peter doet er alles aan om Reggy blijvend aan zich te binden. Om niet alleen een mooie, lieve jongen te zijn, maar ook een ‘opwindend karakter’ te krijgen koopt hij een boek, getiteld De betere sadist. Wanneer hij bepaalde ‘kunstgrepen’ die de meer sadistische Ted op het lijf geschreven waren, zoals Peter ook later zal merken, op Reggy toepast, levert dit een aantal hilarische scènes op. Wat Peter ook probeert, hij is en blijft te lief voor deze spelletjes.

    Intussen valt op dat Peter steeds beter weet wat hij wel en niet wil. Wanneer Reggy Peter zijn tapijtenhandel voor een zacht prijsje ter overname aanbiedt, aarzelt Peter geen moment en neemt de hele handel over. (Reggy volgt namelijk met zijn gezin Ted, die voor zijn gezondheid naar warmere oorden moet verhuizen.) Peter, die nooit het wel en wee van de mensen om hem heen uit het oog verliest, betrekt het grotere huis van Reggy waardoor hij Willem ook een ‘thuis’ kan bieden. Langzamerhand krijgt hij deze man weer in het gareel. Willem blijkt een uitstekende kok te zijn die kiest voor een carrière als kok aan boord van een cruiser, – kan hij toch nog een beetje zwerven! –  maar aan wal keert hij steeds weer terug naar het vertrouwde huis van Peter.
    Wanneer Peter van Willem hoort dat de hond Karo eigenlijk van Renske is, een vrouw die buiten de stad dwaalt en slecht voor zichzelf zorgt, besluiten zij haar onder hun hoede te nemen. Door hun goede zorgen went Renske langzaamaan weer aan een meer huiselijk bestaan. En de tapijten? Die zijn niet alleen maar voor de handel, daar wordt ook heel wat op ‘afgedroomd’.

    Het boek leest prettig door de ongedwongen, natuurlijke stijl; de woordkeuze past steeds goed bij de personages. Alle belangrijke thema’s, zoals liefde, haat, trouw en vriendschap vindt men terug in deze roman. Deze knappe, ontroerende roman met de vele mooie passages die met vaart en veel humor geschreven is, verdient bij gebrek aan een opvolger, vele herdrukken!

     

     

  • ‘Aan de vruchten zullen ze gekend worden, niet aan hun wortels’

    ‘Aan de vruchten zullen ze gekend worden, niet aan hun wortels’

    Koos Lotriet mag dan al zestien jaar dood zijn; hij is de onbetwiste hoofdpersoon van de Kroniek van Perdepoort van Anna Louw. Koos Nek, zoals zijn bijnaam luidde, was een blanke Zuid-Afrikaanse landeigenaar. Een echte Hollandse heer, die bij zijn komst naar de Perdepoort rijkdom, luxe en hoogmoed had meegebracht. Vijf zonen hadden hij en zijn vroeg gestorven vrouw gekregen en van elk van hen had hij hoge verwachtingen. Maar het leven liet Koos Nek uiteindelijk in de steek. Hij, die erfelijke terugslag in zijn stoeterij altijd zelf afschoot, voelde zich aan het einde van zijn leven in zijn eigen nakomelingen teleurgesteld.

    De auteur van de Kroniek van Perdepoort, Anna Louw (1913-2003), wordt gezien als één van de grote schrijfsters van Zuid-Afrika. Ze heeft zo’n zeventien titels op haar naam staan, die ze schreef vanaf de jaren vijftig tot de jaren negentig van de vorige eeuw. Kroniek van Perdepoort schreef ze halverwege haar oeuvre en leverde haar veel waardering op. Ze ontving er drie literaire prijzen voor.

    De centrale thematiek van Kroniek van Perdepoort is het verval en de geleidelijke desintegratie van de familie Lotriet zestien jaar na het overlijden van Koos Nek. Hun landgoed is nog steeds het middelpunt van de streek, maar met het afschaffen van de apartheid en het verscheiden van Koos Nek is de glorie van weleer verdwenen. Zijn kinderen oogsten niet dezelfde waardering van de dorpelingen als Koos Nek zelf ooit deed. Het zal niet lang meer duren of zijn nalatenschap zal tot stof vergaan.

    Deze ’tweede dood’ van Koos Nek wordt gesymboliseerd door zijn dramatisch verlopende herbegrafenis. De hebzucht van Attie Hardehand, de tweede zoon, had deze herbegrafenis nodig gemaakt. Hij wilde het vruchtbare land waarop het grote graf van zijn ouders gelegen was weer gaan gebruiken als landbouwgrond. Dit was onderdeel van zijn persoonlijke wens om de eenheid van de Perdepoort weer te herstellen. Hij vond dat de Perdepoort na het overlijden van zijn vader en na zijn vermaledijde testament versnipperd was geraakt. Daar was volgens Attie elke zoon wel zo’n beetje mede debet aan, nou ja, behalve hijzelf dan.

    Naast Attie was Jan, de oudste, nog het meest begaan met het wel en wee van de boerderij. Maar Jan was te onbezonnen, filosofisch en gevoelig. En hij maakte te veel schulden. Nee, Attie was financieel handiger. Die liet altijd anderen voor kosten opdraaien. De andere broers waren steevast dronken en gulzig (Kobus) of domweg aartslui (Klaas). En dan had je nog de jongste Chris, de wellustige predikant in opleiding, die bijna altijd weg was en als hij wel op de boerderij was vooral de vijftienjarige dochter van zijn broer Attie achterna zat. Kortom, geen familie die de nalatenschap van Koos Nek zou doen opbloeien. En een familie die ook duidelijk maakt dat de geschiedenis mensen vooral waardeert om wat er op hen volgt en niet om wat er aan hen was voorafgegaan: ‘Aan hun vruchten zullen ze gekend worden, niet aan hun wortels.’

    Louw schetst de teloorgang van de Lotriets tegen de achtergrond van een Zuid-Afrika dat zijn weg na het afschaffen van de apartheid nog moet vinden. Het onderscheid tussen blank en bruin is overal en altijd aanwezig. Zelfs in de omgang met de dood, omdat op de dag van de herbegrafenis van de Lotriets ook een Filies begraven zal worden, de zoon van de bediende van Kobus. Alhoewel beide begrafenissen totaal anders zijn, is er ook een parallel. Ze kunnen beiden pas hun beslag krijgen na het nodige gebedel. Bij de Lotriets gaat dat om de kosten voor de nieuwe steen, bij de dorpelingen om planken voor de kist van Filies. En er zijn meer verbanden, aangezien gaandeweg duidelijk wordt dat Filies ook blank bloed door zijn aderen had stromen.

    Wat jammer is, is dat de context van het zoekende Zuid-Afrika van na de apartheid in Kroniek van Perdepoort nooit het niveau van decor ontstijgt. De gekleurde dorpelingen komen nooit echt tot leven en er ontwikkelt zich om hen heen geen rijpe, eigenstandige verhaallijn. En dat is jammer. Want daarmee blijft de relatie tussen de blanke en gekleurde Zuid-Afrikaners in Louws roman wat eendimensionaal. Maar wel een onomwonden gespannen relatie. Haar beschrijvingen op dit punt laten altijd een ongemakkelijk gevoel achter. Zoals wanneer Kobus zijn bediende een ‘oude bosnegerin’ noemt. Of als Attie Hardehand als hij weer eens een verzoek van een dorpeling wil afwijzen zegt dat een mens af en toe wel eens een grapje met een bruintje wilde maken, omdat dat de goede gezindheid bevorderde.

    Wat niet wegneemt dat er prachtige passages en zinnen in de Kroniek van Perdepoort staan, die je als lezer de nodige gelukzalige momenten brengen: ‘Kobus zat adem te halen; en probeerde de gedachten te verjagen die wilden neerstrijken: zacht, zoals steekvliegen, je had het pas in de gaten als het pijn deed.’ Literaire schoonheid van grote kwaliteit, die echter schade wordt berokkend doordat Louw vrijwel dezelfde metafoor later herhaalt: ‘Herinneringen die als blinde insecten neerdaalden; je had ze pas in de gaten wanneer ze venijnig staken.’ Dergelijke herhaling maken dat de Kroniek van Perdepoort soms wat gemaakt overkomt. De voortdurende verwijzingen naar de Christelijke hoofdzonden maakt dat er niet beter op. Het is allemaal een beetje veel van het goede en leidt ertoe dat de spanning in het verhaal zoek raakt. En dat is jammer.

     

  • Eeuwenlang rondgesparteld op de bodem van de geschiedenis

    Eeuwenlang rondgesparteld op de bodem van de geschiedenis

    In de eerste maanden van 2014 pikt Poetin ineens de Krim in. Met een arrogantie alsof daarmee iets wordt rechtgezet.
    Het is verleidelijk om Grensland, dat nog net vóór het referendum dat de Krimannexatie bevestigde, verscheen, te gaan lezen als een verslag van een lange aanloop naar de onontkoombaarheid van de recente gebeurtenissen. Dan blijft je oog natuurlijk vooral hangen aan passages die een voorafspiegeling lijken van 2014. Zoals de strijd die kozakken en boeren onder leiding van hetman (militaire bevelhebber onder de vorst) Chmelnytsky voerden, om samen met de Tataren onder de Poolse overheersing van hun gebied uit te komen. Op zoek naar bondgenoten komen zij bij de Russische tsaar Alexej terecht en leggen een eed van trouw aan hem af. ‘In de ogen van de kozakken was het een overeenkomst tussen gelijken, maar de Moskovieten beschouwden de ceremonie als een onderwerping aan het gezag van de tsaar.’ Zie je wel – ben je dan geneigd te denken: toen had je hetzelfde gedonder al.

    Maar het zit toch iets complexer, weet je na lezing van Grensland.

    ‘Grensland’ is de letterlijke vertaling van de naam Oekraïne. En een grensland was het al in de Klassieke Oudheid. Homerus beschreef het als ‘de in wolken en nevelen gehulde rand van de wereld’, waar de ingang naar de onderwereld lag. En in het eerste millennium na Christus was het gebied ook vanuit noordelijk standpunt een onduidelijk leegte.

    Dat vage gebied heeft dankzij emeritus-hoogleraar Marc Jansen, die momenteel ook het befaamde Een geschiedenis van Rusland van J.W. Bezemer actualiseert, zijn eerste geschiedschrijving in het Nederlands gekregen. Jansen stelt in Grensland al direct het probleem dat Oekraïne, voordat het in 1991onafhankelijk werd, eigenlijk geschichtslos was. Of in de mooie verbeelding van de schrijver Boenin, die Jansen als motto gebruikt: ‘Er is op de wereld geen mooier land dan Klein-Rusland [tot ongeveer 1900 de naam van het gebied dat zo goed als samenviel met Oekraïne; AA]. En het voornaamste is dat het geen geschiedenis meer heeft, aan het historische leven van Klein-Rusland is lang geleden en voorgoed een einde gekomen. Er is alleen het verleden, liedjes, legenden – een soort tijdloosheid’.
    Om een land te kunnen zijn ontbeerde Oekraïne eeuwenlang een nationale identiteit. Er werden bijvoorbeeld halverwege de 19de eeuw pogingen gedaan om die gestalte te geven door een eigen literatuur (de toenmalige dichter Sjevtsjenko wordt als ‘vader’ van de natie beschouwd) en een nationale taal en onderwijs. Maar zo gauw daardoor teveel autonomie dreigde te ontstaan greep de overheerser, in dat geval Rusland, in om die de kop in te drukken. Het is vooral Rusland geweest dat, zo laat Jansen zien, veel gedaan heeft aan de kolonisatie van het gebied door bewoners uit omliggende landen aan te trekken. Daardoor was de populatie lange tijd te heterogeen om één natie te kunnen vormen.
    Maar ook geografisch was Oekraïne zelden een eenheid. Dan weer maakte het deel uit van het Ottomaanse Rijk, dan weer van het Habsburgse, dan weer van Polen en dan weer van Rusland. En steeds lagen de grenzen anders, met als schrijnend voorbeeld het begin van de twintigste eeuw toen de Oekraïeners deels onder Russisch en deels onder Oostenrijks gezag vielen. Het gevolg was dat in de Eerste Wereldoorlog 3,5 miljoen soldaten uit Oekraïne gedwongen waren ten strijde te trekken tegen 250.000 volksgenoten, de ene groep als onderdanen van Rusland, de andere namens Oostenrijk.

    Zo mogelijk nog absurder was de situatie in de Tweede Wereldoorlog. Toen meldden zich 80.000 Oekraïeners aan om met de Duitsers tegen de bolsjewieken te vechten (velen verwelkomden de Duitsers aanvankelijk als bevrijders van het Russische juk), maar er waren er ook een paar miljoen opgenomen in het Rode Leger. Daarnaast gingen ook nog eens 30 à 40.000 partizanen zowel de nazi’s als de Russen te lijf.

    De beide oorlogen en het interbellum laten een aanhoudende stroom zien van nationalistische bewegingen en krachtige vernietigingen daarvan, pogroms, verschuivingen van landsgrenzen, terreur en een niet aflatend moorden. Berucht daaronder is de Holodomor, de bewust door Stalin gecreëerde hongersnood waardoor in ‘de graanschuur van Europa’, die de Oekraïne was, miljoenen stierven van gebrek aan voedsel en gedreven werden tot beestachtige daden. Oekraïne werd daarmee volgens Timothy Snyder in zijn verpletterende boek Bloedlanden het bloedigste land van Midden-Europa. Er vielen 3,5 miljoen slachtoffers (niet alleen Joden) door de massamoorden van de nazi’s, 3 miljoen sneuvelden op het slagveld en nog eens 3,5 miljoen als gevolg van de terreur, de deportaties en de uithongering door Stalin.

    Oekraïne komt uit de Tweede Wereldoorlog te voorschijn als een Sovjetrepubliek, die door ‘de uitroeiing van de Joden, de deportatie van de Polen en de uittocht van de Duitsers’, zoals Jansen schrijft, ‘etnisch homogener (was) dan ooit. Maar dit ging wel gepaard met een aanzienlijke toestroom van Russen en druk op Oekraïners om zich meer aan de Russische omgeving aan te passen’. Als teken van de vriendschap met Rusland kreeg Oekraïne in 1954 de Krim ten geschenke – de donatie die in het conflict dat we in 2014 dagelijks krijgen voorgeschoteld, door Rusland als een historische vergissing wordt beschouwd. Wat in die naoorlogse jaren volgt is een nieuwe russificatie, waarin de terminologie verandert: Rusland heeft het niet meer over ‘inlijving’, maar over ‘hereniging’. Alsof slechts de geschiedenis recht wordt gedaan. Het lijkt in het vocabulaire van Poetin eveneens vetgedrukt te staan.

    Met de ineenstorting van de Sovjet-Unie in 1991 roept Oekraïne haar onafhankelijkheid uit. In een referendum onderschrijft ruim 90% van de stemgerechtigden (de opkomst bedroeg 85%) die keus. Zelfs op de Krim zei meer dan 50% ja. Maar, waarschuwt Jansen, ‘de onafhankelijkheid was een van bovenaf tot uitvoering gebracht project met slechts een minimale inbreng van onderop. Zo werden dezelfde politici en managers die het Sovjetsocialisme in stand hadden gehouden nu de grondleggers van de nieuwe Oekraïense staat’.

    De verdeeldheid bleef. De jaren na 1991 waren er van deceptie, economische achteruitgang en vooral van corruptie en verrijking van de elite. Oekraïne was in economische zin een land met mogelijkheden en het was strategisch van belang vanwege de ligging op de grens van Europa en Rusland. Het is daarom verleidelijk om een scheiding te zien tussen West-Oekraïne, dat aansluiting bij Europa wil en het oosten dat naar de schoot van Rusland terugverlangt. Jansen zet uiteen dat die opdeling wat al te simplistisch is. Duidelijk is wel dat een overtuigende eenheid ontbreekt. Voor een deel is dat te wijten aan de al genoemde geschichtslosigkeit. En voor zover die geschiedenis er wel is, wordt ze selectief opgedist. In het Oekraïense onderwijs worden nog altijd essentiële zwarte bladzijden doodgezwegen. ‘We hebben eeuwenlang op de bodem van de geschiedenis rondgesparteld’, citeert Jansen de schrijfster Zaboezjko. Maar, zo voegt hij er aan toe: een aanzienlijk deel van het volk heeft het paternalisme afgelegd en laat niet langer met zich sollen.

    Grensland ligt in de winkel midden in wéér een roerige en lastig te duiden episode van de Oekraïense geschiedenis. Het komt dan ook aan een dramatische vraag niet toe en dat realiseert de auteur zich: ‘Op het moment dat dit boek verschijnt is Oekraïne in een crisis beland die de territoriale integriteit zoniet het pure voortbestaan van het land bedreigt’. Voorzichtig meldt hij dat het raadzaam leek niet met publicatie te wachten. Ook al motiveert Jansen dat besluit dus niet, we mogen er blij mee zijn. Hij heeft een helder verhaal geschreven dat het inzicht vergroot in de achtergronden van het huidige conflict en het DNA van een nog zo kort als zelfstandige natie bestaande entiteit. Dat doet hij op voorbeeldige wijze. Het verdient alleen al bewondering hoe hij de lezer in alle chaotische verwikkelingen met vaak duistere motieven mee weet te nemen door nergens de grote lijn uit het oog te verliezen. Hij schrijft beeldend, laat literaire getuigen als Babel en Paustovski aan het woord, verheldert kernachtig begrippen, vermeldt betekenisvolle details en gebruikt smeuige citaten (‘Gratis kaas vind je alleen in een muizenval’). Bovendien is Jansen niet te beroerd om iets heel beknopt nog eens uit te leggen als het bij de lezer weggezakt mocht zijn (de Geünieerden, wie waren dat ook al weer?). Zoals een goede docent het opnamevermogen van zijn luisteraars naar zo’n complex verhaal weet in te schatten.

     

  • Wat is er te verliezen?

    Wat is er te verliezen?

    De 23-jarige Italiaanse Maria Spelterini steekt op 8 juli 1876, balancerend op een strak koord, de Horseshoe Falls, onderdeel van de Niagara Falls, over. Ze probeert het in de weken erna nog een paar keer. Steeds verzwaart ze haar stunt. Met zeepkistjes. Geblinddoekt. Achteruit lopend. Met vastgebonden polsen en enkels. Het lukt steeds weer. Tot ze, veel ouder, in 1913 nog een poging doet en doodvalt.
    Het is zo’n prikkelend verhaal dat je onmiddellijk meer wilt weten. En inderdaad: die overtochten in 1876 kloppen. Maar die fatale afloop?

    Maria Spelterini is één van de figuren die opduiken in De duimsprong van Miek Zwamborn. Het is een verslag van een speurtocht die de ik-figuur, van wie we niet meer te weten komen dan dat het een vrouw is, onderneemt nadat haar medeklimmer Jens is vermist. Wat er met hem is gebeurd wordt niet duidelijk, maar na twee jaar kan de vrouw zich verzoenen met zijn afwezigheid (dood?). De verwerking van het gemis van Jens verloopt via een reconstructie van het leven van de Zwitserse geoloog Albert Heim, die leefde van 1849 tot 1937, en als 16-jarige al maquettes ontwierp van de Tödi, een berg in de Zwitserse Alpen. Ze reist zijn sporen na in berglandschappen, archieven en musea.

    De genoemde Maria Spelterini duikt op als de vertelster bij de episode komt waarin Heim voor zichzelf in 1898 een ballonvlucht arrangeert over het gebied dat hij in kaart heeft gebracht. De kapitein van het luchtschip is Eduard Schweizer, die zijn achternaam heeft veranderd in Spelterini, naar de vrouw die haar angsten boven de waterval trotseerde. Ook die ballonvaart met de Wega heeft daadwerkelijk plaats gevonden, al zijn sommige details weer twijfelachtig.
    Dat de Italiaanse in 1913 omkwam is op zijn minst discutabel (Wikipedia laat haar leven eindigen in 1912 en op internet vind je nauwelijks gegevens, laat staan een doodsoorzaak), maar voor de roman is het wel een belangrijk gegeven. Zoals de dood van Maria in mist is gehuld, zo is ook de verdwijning van Jens dat. De ik-figuur vraagt zich naar aanleiding daarvan namelijk af: ‘Waar waagde Maria haar leven voor? Schiet het door mijn hoofd. Wat had ze te verliezen?’.
    Vooral dat laatste valt op. De vraag is niet: ‘Wat had ze te winnen?’.
    Dezelfde vraag gaat op voor Jens en voor Heim.

    Watervallen keren enkele keren terug in de roman. Volgens Heim laten ze allemaal bepaalde tonen horen, de F, de G en de C. Hij schreef het op in een document van een paar velletjes met de titel Töne der Wasserfälle. Gaandeweg blijkt deze Heim, meer dan Jens, de hoofdpersoon van de roman te zijn. Jens wordt zelfs eigenlijk nooit een mens die je voor je ziet. Dat de vertelster hem als klimmaatje mist moet je dan ook min of meer maar aannemen; waarom dat zo is blijft wat duister. Daarentegen weet Zwamborn wel voelbaar te maken hoe de vertelster het gemis moet bestrijden door op pad te gaan langs de plekken die ze ooit met de verloren kameraad bezocht en door in het leven van Heim te duiken: ‘Heim achterna te reizen vulde in mij de leegte op’.
    Het is niet alleen de verwerking van het gemis van een geestverwant, maar ook de zoektocht naar een antwoord op de vraag naar de zin van de risico’s die je neemt als je bezield bent door ambitie of dorst naar weten. Ook Heim kende die vraag. In de beschrijving van één van zijn beklimmingen op weg naar nieuwe kennis over de geschiedenis van de aarde, lezen we over hem: ‘Hij wint aan hoogte, hij schuift de twijfel en de valangst op naar een volgende klim. Dit is niet de dag om te vallen. Zijn ogen verlangen naar meer berg en overzicht, zijn voeten volgen die ogen, vragen om amorf gesteente, oneffen paden, er zijn zomervoeten over alpenbloemen en wintervoeten over ijs’.

    Het gevaar is er voortdurend; bijna vanzelfsprekend wordt het aanvaard. Niet alleen bij Jens, die bleef klimmen ondanks zijn groeiende amechtigheid, maar ook bij Heim die kloven en blikseminslagen riskeert. Maar zelfs bij de vertelster. Ze memoreert een zwemtocht over een meer met haar zusje en haar ouders, toen ze twaalf was. Ze overleven het maar net: ‘Het was ver, verder dan we ooit hadden kunnen vermoeden. Steeds als we onze benen uitstrekten, keken we elkaar even aan. Niemand van ons raakte in paniek, we wisten dat het menens was en we heel erg in de problemen zouden raken als we niet verder zwommen’.

    De onderzoeker móét verder. Mijden van risico’s en gevaar betekent het laten varen van de ambitie die de zin van zijn leven vormt. De risico’s waren voor Heim relatief in verhouding tot het minutieus afpellen van de aarde: ‘Geologie is het oog van de geschiedenis. Het landschap heeft alles gezien’.
    Het wordt nog eens gesymboliseerd door de tekst die de vertelster leest op de gevel van de kapel, die staat op het terrein waar de as van Heim en zijn naasten is bijgezet:

    FLAMME, LÖSE
    DAS VERGÄNGLICHE AUF
    BEFREIT IST DAS UNSTERBLICHE

    Daar vindt ook de vertelster rust: ‘Jens voelde niet langer kwijt’.

    Zwamborn speelt doorlopend met feit en fictie. Dat doet ze prikkelend: de drang om het internet af te struinen naar meer informatie over beschreven gebeurtenissen, personages en documenten dringt zich herhaaldelijk aan de lezer op. Die documentaire illusie wordt nog eens versterkt door het veelvuldige gebruik van foto’s, soms van de hand van de auteur zelf, dikwijls afkomstig uit archieven en musea. Af en toe zijn ze helder en informatief, vaak wazig en suggestief. Dit gebruik van illustraties doet enigszins denken aan de werkwijze van W.G. Sebald, die in boeken als De ringen van Saturnus en Logies in een landhuis hetzelfde doet. Daarnaast zal in het geval van Miek Zwamborn ook haar beeldend kunstenaarschap bepalend zijn geweest voor deze keuze.

    De duimsprong (de titel verwijst naar een manier om met je duim tussen je ogen en een object afstanden te bepalen) bevat in het begin nogal wat technische informatie over geologie, fossielen en aardverschuivingen die het risico opleveren dat de aandacht van de lezer verslapt. Maar wie daaromheen oog heeft voor de zoektocht van de vertelster, wordt aan het slot beloond. Hij kan met het boek dicht vouwen met het gevoel in een bijzondere en rijke wereld te hebben verkeerd.

  • Schrikwekkende kindertijd in een gelukkig gezin

    Schrikwekkende kindertijd in een gelukkig gezin

    Als hoofdpersoon Ernest Pontifex op 6 september 1835 wordt geboren, zijn we in De weg van alle vlees van Samuel Butler al op pagina 88. Maar de lezer heeft zich in de lange aanloop allerminst verveeld. Met nietsontziende ironie is dan al het milieu geschetst waarin de jongen ter wereld komt: de Victoriaanse zeden, de strenge kerkelijke moraal en de hypocrisie waaronder zijn opa en vader ook al gebukt gingen.

    Timmermanszoon George, de opa van Ernest, werkte zich op tot de enige eigenaar van een uitgeverij van stichtelijke lectuur en peperde zijn kinderen vooral in wat hun opvoeding hem wel niet kostte. Zijn zoon Theobald wordt er het slachtoffer van als hij tegen het einde van zijn opleiding besluit dat het predikantschap toch niet is waar hij de rest van zijn leven aan wil spenderen. Maar tegen de druk van zijn ‘liefhebbende’ vader kan hij niet op. Hij wordt toch voorganger. Met zijn vrouw Christina krijgt hij drie kinderen, waaronder Ernest.

    Diens eerste bewuste kennismaking met zijn vader – ‘nog voor hij kon kruipen’- zijn straffen, bestaande uit pakken slaag of andere vernederingen. En zijn moeder vereert haar man, die volgens haar voorbestemd is om het tot bisschop te schoppen. Er is dan al een filosofische beschouwing gepasseerd over de dood: is die niet vergelijkbaar met de pijnlijke passage van het embryo naar het aardse leven? Stel je het leven in omgekeerde richting voor: hoe zou het zijn om weer een embryo te worden? ‘Bestaat er een gruwelijker dood dan de geboorte? Of een schrikwekkender levensavond dan een kindertijd in een gelukkig, eendrachtig, godvrezend gezin?’

    Rehabilitatie van delen tekst

    De geciteerde passage is overigens één van de ‘rehabilitaties’ die door de vertaalster zijn toegepast. Toen Butler (1835-1903) zijn roman in 1884 af had, durfde hij hem niet uit te geven. Hij kwam pas een jaar na zijn dood uit, maar wel nadat een aantal tekstgedeeltes om uiteenlopende redenen (waaronder de lange tenen van de kerk) waren geschrapt. Die vervallen stukken werden in een Penguinuitgave uit 1966 als noten vermeld en zijn in de Nederlandse vertaling wel in de tekst opgenomen.

    Butler had een brede belangstelling, hield erg van Händel, de klassieke en eigentijdse literatuur, was zeer geïnteresseerd in de evolutietheorie van Darwin en de opkomst van de psychoanalyse. Dat is in De weg van alle vlees te merken. Het wemelt van de citaten uit de Bijbel, uit de grote teksten van de klassieke Oudheid tot aan Butlers eigen tijd, en uit werken van Händel. Het prominentst natuurlijk in de titel van het boek, (‘De weg van alle vlees’ als synoniem voor sterven, samengesteld uit woorden van 1 Koningen en Jesaja). Butler verweeft ze zo in zijn eigen vertelling dat je voortdurend voelt hoezeer het leven van Ernest in die traditie staat. Een fraai voorbeeld daarvan is het begin van hoofdstuk 41 waarin Ernest op het matje moet komen bij zijn vader om een flinke uitbrander te krijgen: ‘Lang voordat Ernest in de eetkamer aankwam, had zijn onheil voorspellend hart hem al verteld dat hij de gevolgen van zijn zonden zou ondervinden.’ Dankzij het uitstekende notenapparaat achter in de roman weten we dat ‘het onheil voorspellend hart’ ontleend is aan Romeo en Julia van Shakespeare en ‘dat hij de gevolgen van zijn zonden zou ondervinden’ aan het Bijbelboek Numeri.

    Het relaas van Ernest wordt verteld door zijn peetvader en latere vriend Edward Overton. Deze wat vaag blijvende figuur heeft het leven van Ernest in zijn jeugdjaren van zo’n afstand gevolgd dat hij zijn kennis over hem zogenaamd uit herinneringen, brieven en gesprekken van betrokkenen komen. Dat maakt dat ook de zwakke kanten van zijn ‘held’ worden beschreven. Daardoor kan deze geschiedenis vol spot en ironie zijn zonder dat hij afglijdt naar het karikaturale.

    Opstand tegen zijn ouders

    Ernests jeugd was niet om te harden, toch zoekt hij de schuld daarvoor bij zichzelf: hij is zondig, houdt te weinig van zijn ouders en heeft een bijzonder lage eigendunk. Dat verandert als hij op kostschool terecht komt. Dan komen de eerste scheuren in de vanzelfsprekendheid van het ouderlijk gezag. De terreur van zijn vader weet zich over ruim 60 kilometer (de afstand tussen zijn ouderlijk huis en de kostschool) uit te strekken. Hij voelt de eerste rebellie tegen zijn vader opkomen. Aanvankelijk denkt hij nog zijn hart vrij te kunnen uitstorten bij zijn moeder in het besef dat een brandschoon geweten van levensbelang is. Tot hij ontdekt dat zij alles doorbrieft aan zijn vader. ‘Mijn moeders geweten zwijgt nooit’, vertelt Ernest een medeleerling, ‘het kletst aan een stuk door.’

    Een incident met de huishoudster Ellen doet hem beseffen dat hij zelfs een afkeer van zijn ouders heeft. Toch is hij vooral nog schuldbewust als hij op school meewerkt aan de verbranding van een getekend portret van zijn vader. Voor een werkelijke opstand tegen zijn ouders is Ernest nog te week. Geheel volgens hun wens gaat hij in Cambridge theologie studeren en raakt daar in de ban van een predikant die in een preek over de roeping van de apostel Paulus zijn toehoorders maant alles op te geven voor God. Butler verwoordt zijn strijd humorvol: ‘Ernest voelde dat het keerpunt in zijn leven nu was gekomen. Hij zou alles voor Christus opgeven – zelfs zijn tabak.’ Maar ’s avonds is de verleiding te groot en bedenkt hij dat tabak, welbeschouwd, in dezelfde categorie valt als thee en koffie. De twijfel mondt uit in een bijna hilarische passage waarin Butler laat zien hoe de gelovigen zich door drogredenen en hypocrisie laten leiden:

    ‘Dat kon Ernest niet loochenen, en hij erkende dat Paulus de tabak, als hij van het bestaan had geweten, vrijwel zeker in onomwonden taal zou hebben verboden. Misbruikte hij deze apostel dan niet op een vrij goedkope manier door zich op het ontbreken van zijn verbod te verlaten? Anderzijds kon God hebben geweten dat Paulus roken zou verbieden, en de ontdekking van tabak daarom opzettelijk hebben laten plaatsvinden in een tijd waarin Paulus niet meer zou leven. Dat leek misschien onrechtvaardig tegenover Paulus, in acht genomen wat hij allemaal voor het christendom had gedaan, maar zou hem op andere wijze worden vergoed.
    Deze gedachten overtuigden Ernest ervan dat hij uiteindelijk toch beter kon blijven roken (…) Alles met mate, dacht hij, ook deugdzaamheid; dus die avond rookte hij onmatig.’

    De grote kentering

    Het is duidelijk dat Ernest door zijn opvoeding een onzeker persoon is geworden. Hij voelt zich snel de mindere van iemand en bij keuzes laat hij zich steeds leiden door figuren die hem imponeren. Als hij na ‘Cambridge’ besluit hulppriester te worden in een armenbuurt in Londen blijkt hij gemakkelijk manipuleerbaar door een collega, die hem bovendien financieel plundert. Als zijn keuzes niet goed uitpakken, zoekt hij de schuld bij zichzelf. Dat wordt allemaal erg geestig beschreven, zoals het moment dat Ernest twijfelt aan het effect van zijn werk voor de armen. ‘De samenleving was volkomen ontwricht, en in plaats van het als een vervloekt corvee te zien dat hij ertoe was voorbestemd die te genezen, vond hij zichzelf geknipt voor deze taak en popelde hij om aan de slag te gaan, alleen wist hij niet goed hoe te beginnen, want het begin dat hij (…) had gemaakt [hij heeft een vrouw een shilling gegeven], gaf geen uitzicht op grote ontwikkelingen.’

    De grote kentering komt als hij in het ongure kosthuis waar hij woont wordt gearresteerd op de verdenking dat hij een eveneens inwonende prostituee, die hij met de beste priesterlijke bedoelingen had benaderd, wordt gearresteerd. Hij ervaart de zes maanden gevangenis als een bevrijding; een verlossing van de dwang van het christelijke geloof. In de roerige tijd die volgt, kruisen personen uit zijn jeugd opnieuw zijn pad. Hij leert dat hij een keuze heeft. ‘Ik zal leven zoals ik dat graag wil, niet zoals anderen graag zouden willen dat ik leef.’

    Gelouterd door verschillende manieren om zijn bestaan zin te geven komt hij tot schrijven. Zijn boeken maken hem niet populair, maar hij is overtuigd van zijn nieuwe inzicht, er is geen geloof dat verheven is boven een ander of zelfs boven niet-geloven zolang we doen wat in rationeel opzicht goed is.