• Oogst week 8 – 2026

    Oogst week 8 – 2026

    De Witte Garde

    De Witte Garde (1924) is de eerste roman van Michail Boelgakov, de schrijver die vooral bekend is van zijn roman De Meester en Margarita.

    Het boek is een bewerking van het toneelstuk De dagen der Toerbins, een van de meest populaire stukken van Stalin.
    Een deel van De Witte garde verscheen in eerste instantie als feuilleton in een Russisch tijdschrift en werd later pas in zijn geheel in Frankrijk uitgegeven. De Sovjets onderkenden Boelgakovs talent wel, maar vonden zijn werk te reactionair.

    In het (deels autobiografische) De Witte Garde beschrijft Boelgakov de ineenstorting van het tsaristisch Rusland. Het speelt zich af in Kiev tijdens de Russische Burgeroorlog als de Witten zich verzetten tegen de Bolsjewieken om hun vertrouwde wereld te behouden. Het boek speelt in 1918 in een tijd van tal van machtswisselingen en een stad vol vluchtelingen, en draait om de familie Toerbin die lang loyaal blijft aan de tsaar, maar ook aan hun stad. Het brengt hen in een lastige situatie.
    De Witte Garde biedt inzicht in een periode uit de gecompliceerde geschiedenis van Oekraïne.

     

    De Witte Garde
    Auteur: Michail Boelgakov
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2025)

    Feniks

    Tien jaar heeft Jacky Kuiper gedaan over het schrijven van Feniks, haar debuut. Het was ‘alles of niets’ voor haar. Het werd ‘alles’ want uitgeverij Atlas|Contact wilde het uitgeven.
    Feniks is geen autobiografie, maar is wel voor een deel gebaseerd op het leven van Kuiper zelf.

    Zij vond het vroeger heel normaal dat je niet sprak over wat er thuis gebeurde, en waar je vader zijn geld mee verdiende. Als er vriendinnetjes kwamen spelen ging op de overloop het gordijn dicht naar de wietplantage, geen haan die ernaar kraaide en werden gewoon de barbies tevoorschijn gehaald.

    Feniks gaat over Eva die opgroeit met een gewelddadige vader. Ze komt erachter dat haar vader niet is zoals andere vaders, maar iedereen in het gezin houdt hem de hand boven het hoofd. Aan haar moeder heeft ze weinig in deze situatie, ze heeft meer aan haar grootmoeder. Eva heeft moeite met emoties, kruipt in haar schulp en verwondt zichzelf. Als ze ouder wordt wil ze dit leven niet meer en probeert ze los te komen van haar familie. Ze komt uiteindelijk in Suriname terecht en voelt zich daar veilig en enigszins bevrijd.

    Jacky Kuiper (1988) groeide op in Lelystad en Amsterdam en woont nu met haar gezin in Groningen. Ze studeerde journalistiek, Spaans en literatuurwetenschappen.

    Feniks
    Auteur: Jacky Kuiper
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas|Contact

    Amerika en wij

    In september vorig jaar verscheen bij uitgeverij Balans het boek Amerika en wij van Rob de Wijk.

    Hierin gaat De Wijk in op de nieuwe verhoudingen tussen de Verenigde Staten en Europa. Er is immers nogal wat veranderd sinds Trump aan zijn tweede presidentstermijn begonnen is.
    Wat is er allemaal gebeurd sindsdien? Hoe zou Europa moeten reageren?
    Volgens De Wijk kunnen we sterker uit deze situatie komen, mits Europa de veranderingen aanvaardt en er vervolgens naar handelt en het spel slim speelt.

    Hoogleraar De Wijk is een veelgevraagd commentator op het gebied van veiligheidsvraagstukken en Europese integratie. Hij staat bekend om zijn realistische en heldere analyses.

    Samen met Arend Jan Boekestijn en Hugo Reitsma maakt hij een podcast voor BNR Nieuwsradio. Hij publiceerde diverse boeken en schreef honderden artikelen en heeft adviesfuncties in binnen- en buitenland.

    Amerika en wij
    Auteur: Rob de Wijk
    Uitgeverij: Uitgeverij Balans (2025)
  • Oogst week 51 – 2025

    Oceandiva

    Christina Flick (1982) is in Duitsland geboren, maar haar debuutbundel heeft ze geschreven in het Nederlands, omdat ze waardeert dat deze taal een andere logica en woordvolgorde heeft dan haar moedertaal. Maar ook maakt ze in haar gedichten gebruik van de Engelse taal. Haar poëzie valt op door de vele enjambementen, die vaak dubbelzinnig van betekenis zijn, omdat het niet duidelijk is of het laatste woord de versregel afsluit of de volgende opent. Haar associatieve gedichten volgen de chaos en de drukte van een grote stad, die tot vervreemding en eenzaamheid leiden.
    Een vertelstem observeert het stuurloze leven van vier stadsbewoners, die een moeizame relatie met elkaar onderhouden, tijdens hun zwerftochten door de stad tot aan de oceaan. Flick schetst een wereld waarin de vertwijfeling nooit ver weg is en de toekomst ongewis is, maar door de verscheidenheid van onderwerpen en de gedetailleerdheid van Flicks observaties is dit geen sombere bundel.

    droom, bushalte
    er is een gala in het centrum troost ik een toerist
    die dronken is en op weg
    naar een heavymetalconcert dat er niet is
    jij ziet eruit als sharon stone zegt hij
    aangespoeld in de buitenwijken
    van het verlichte ik vind hem vooral
    een whitney houston
    een alarm gaat af een limousine rijdt langs
    met daarin iemand die op ons beiden lijkt
    alleen dan mooier

    Oceandiva
    Auteur: Christina Flick
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2025)

    Aan wie, deze offers

    Daniel Vis (1988) is dichter en schrijver van vier dichtbundels en een roman. Zijn tweede bundel, Insect redux, werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs en in 2021 ontving hij de Frans Vogel Poëzieprijs voor zijn gehele poëtische werk.

    In zijn vierde bundel is een man aan het woord die heel graag vader zou willen worden, maar die wens niet in vervulling ziet gaan door zijn onvruchtbaarheid, ‘en mijn zaad dat onvolkomen is’. Dat zet tot twijfel aan en leidt in de gedichten naar de vraag of de man daadwerkelijk een kind wil, of dat hij alleen maar gered wil worden van zichzelf en zijn sterfelijkheid. De gedichten zijn een weergave van zelfonderzoek en richten zich tot de geliefde en tot de goden die een belangrijke rol spelen in deze bundel. Het zijn de oude goden van de Tupi, een verzameling van inheemse volkeren in Brazilië, tot wie de ik-figuur zijn gebeden richt in de vorm van kwetsbare en intieme gedichten. Wie (slacht)offert en wie wordt ge(slacht)offerd zijn vragen die door elke lezer afzonderlijk moeten worden beantwoord.

    Ik vrees wat er te ontwaken staat
    wanneer de vrucht waarom we vragen
    daadwerkelijk tot wasdom komt.

    Ik vrees de liefde die,
    enorm, verpletterend,

    in mij haar plek inneemt –

    wat ze zal vinden
    van mijn eerdere gebeden.

     

     

    Aan wie, deze offers
    Auteur: Daniël Vis
    Uitgeverij: Uitgeverij Hollands Diep (2025)

    Jeroen van Kan (1968) debuteerde in 2017 met de dichtbundel de wereld onleesbaar, in 2019 gevolgd door de verhalenbundel Hoe Matt een dode vis werd. Hij was redacteur van de literaire tijdschriften De Tweede Ronde en Tirade en werkte jarenlang voor de VPRO-radio. Tot 2019 was hij presentator van het televisieprogramma VPRO Boeken. Hij werkt momenteel als redacteur van het radioprogramma De Taalstaat.

    In zijn nieuwste bundel, komeet ping pong, onderzoekt Van Kan in drie afdelingen komeet, kelder en ping pong hoe hij de wereld om zich heen dient te begrijpen. Hij verkent de grenzen tussen spel en zwaartekracht, tussen eigen koers en andermans baan. De komeet en het pingpongballetje verhouden zich tot elkaar als de ene mens tot de andere, ieder met zijn unieke eigenschappen en tempo van leven. De dichter laat hierbij open welke identiteit de voorkeur krijgt, maar ironie, humor en speelsheid zijn vereist.

    hier of daar

           Ik zat op een heuvel
    en keek uit over istanbul

    naast me een jongen die zich
    voorstelde als berk
    hij was piloot

       goed je te ontmoeten zei ik
    je hebt me niet ontmoet
    antwoordde hij

              hier noemen ze me zo
    maar alleen daar ben ik het

    Auteur: Jeroen van Kan, komeet ping pong Uitgeverij Querido (2025) 9789025320126, 80 19,99
  • Tobben op papier

    Tobben op papier

    ‘Waar gaan die boeken van jou over?’
    ‘Over mijn buren in Japan en Nieuw-Zeeland.’
    ‘Is dat interessant? Ik heb alleen saaie buren. Wil iemand dat lezen?’
    ‘Ik had ook alleen maar saaie buren.’
    ‘Waarom worden ze dan uitgegeven? Niemand wil toch over zijn saaie buren lezen?’
    ‘Ik denk dat mijn lezers zelf ook saai zijn. Zo kunnen ze met een lange omweg over zichzelf lezen.’

    Autobiografisch dagboek

    Met De resten van een mens komt de lezer weer terug in de wereld van Detlev van Heest. In De verzopen katten en de Hollander (2010) schrijft hij over zijn belevenissen in Japan, in Pleun (2010) over die in Nieuw-Zeeland. Deze romans hebben de vorm van een dagboek; met data en jaaraanduidingen. Met Parkeren in Hilversum (2024) is hij terug in Nederland. Ook dit boek heeft ‘roman’ onder de titel staan. Tussendoor verscheen nog Het verdronken land. Terug naar Japan (2011). Hier geen ‘roman’ onder de titel, maar wel een motto ontleend aan De Avonden van Gerard Reve: ‘Elke gelijkenis van figuren of voorvallen in dit verhaal met werkelijke personen of gebeurtenissen is toevallig.’

    Bij De resten van een mens geen ‘roman’ onder de titel en geen tijdsaanduidingen. Wel een motto: ‘Wer nicht lügen kann, weiß nicht was Wahrheit ist ‘ (Nietzsche). Uit de tekst is af te leiden dat het boek speelt in de jaren na de dood van Han Voskuil (2008). Sporadisch zijn er verwijzingen naar actuele gebeurtenissen, zoals de begrafenis van Michael Jackson in 2009 en het jaar waarin Sven Kramer door zijn coach Gerard Kempers de verkeerde baan in werd gestuurd tijdens de Olympische Spelen in Vancouver (2010). Grappig in dit verband is dat wat we op bladzijde 145 lezen we over parkeercontroleur Detlev: ‘Volgens mijn vrienden heb ik ook de verkeerde baan genomen.’ Het boek bevat meerdere van zulke kapstokjes in de tijd.

    Van Heests nieuwe boek bestaat uit verschillende dagboekfragmenten, waarbij hij observeert en noteert. Het is knap hoe hij verslagen maakt van de bezoeken die hij aflegt. De nadruk ligt op de dialogen die hij met veel precisie weergeeft. Detlev zelf blijft daarbij enigszins op de achtergrond.
    De belangrijkste verhaallijnen in het boek zijn die over zijn werk als parkeercontroleur in Hilversum en zijn bezoekjes aan Emma Paulides aldaar, de moeder van de in 1984 vermoorde Sandra van Raalten. Tussendoor bezoekt hij Lousje Voskuil in Amsterdam en zijn familie in Duitsland.

    Parkeercontroleur

    De resten van een mens bevat talloze uitvoerige beschrijvingen van Detlevs werk als parkeercontroleur. Bij het uitschrijven van bonnen wordt hij soms bedreigd met de dood. De discussies met de bekeurden zijn soms hilarisch om te lezen. Detlev komt meerdere malen in conflict met zijn managers over de vaak in zijn ogen belachelijke regeltjes en voorschriften, bijvoorbeeld over de kleur van zijn riem die hij bij zijn uniform moet dragen. Het ziekteverzuim ligt boven de 40 procent, volgens Detlev een gevolg van slecht management. Hij heeft daarover ook brieven geschreven aan de directie in Den Haag. Dat wordt hem niet in dank afgenomen. Bovendien neemt hij het op voor zijn collega’s Youssef, Bercolo en Farouk die door hun gebrekkige kennis van het Nederlands niet alles volgens de regels doen, omdat ze de instructies niet goed of verkeerd begrijpen. Farouk komt zelfs in een psychiatrische kliniek terecht waar Detlev hem meerdere keren opzoekt, tegen de wens van het management in. Detlev helpt zijn collega’s o.a. met het opstellen van bezwaarschriften. Na een zoveelste akkefietje schiet Detlev uit zijn slof en noemt een van zijn managers een ‘kapo.’ Zij moeten dan nog wel opzoeken wat dat betekent, maar uiteindelijk slagen zij erin hem over te laten plaatsen naar Noordwijk.

    Emma Paulides

    Emma is na de moord op haar dochter in Zaandam naar Hilversum verhuisd: ‘Ik moest daar weg. Ik woon nu hier en niemand weet iets van mij.’ Bij elk bezoek van Detlev, vertelt ze over haar dochter Sandra van Raalten die op 21-jarige leeftijd is vermoord. Dit is de paskamermoord in Zaandam in 1984. In 2002 schreef Emma een brief aan de minister van Justitie of er in deze zaak gebruik was gemaakt van nieuwe DNA-technieken. De zaak werd heropend en kon een paar jaar later definitief worden afgesloten. Maar niet voor Emma: in de gesprekken met Detlev komt zij telkens terug op de moord op Sandra. Emma staat op de omslag van het boek afgebeeld met poes Klaasje. De aquarel is gemaakt door Pita Snoeck.

    Literaire verwijzingen

    De herinneringen aan Han Voskuil en Detlevs bezoeken aan diens vrouw Lousje doen authentiek aan. Hij helpt de weduwe van Voskuil met het laten verschijnen van de boeken Binnen de huid (2009) en De Buurman (2012). In het voorwoord van dit laatste boek is Lousje Detlev ‘onuitsprekelijk dankbaar’ voor zijn ‘onnavolgbare’ steun en het gereedmaken van het manuscript voor publicatie.
    Momenteel verschijnen de Dagboeken van Han Voskuil in zeven delen. Detlev is een van de bezorgers daarvan (samen met Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen).

    Aftakeling

    De titel De resten van een mens slaat op de aftakeling van mens én dier. Lousje wordt steeds vergeetachtiger en ook haar kat is ziek. Als Detlev bij Lousje langsgaat, hebben ze het af en toe ook over Frida. Die ziet er uit als een héél oud vrouwtje met een bochel. Voor de insiders: Frida Vogels komt als Henriette Fagel voor in Han Voskuils Bij nader inzien(1963). De boeken van Voskuil, Vogels en Van Heest zijn soms nauw met elkaar verweven.
    Aan het einde van het boek kan Emma Paulides niet meer thuis wonen. Zij komt uiteindelijk in een verpleeghuis in Zaandam terecht. Detlev helpt haar met het laten uitkomen van haar laatste wil: zij wil samen met het stoffelijk overschot van haar dochter gecremeerd worden. Na zijn overplaatsing naar Noordwijk schrijft Van Heest: ‘De golven vloeien uit over de voetstappen. De wind zuigt zich tussen hemel en aarde, die hier woest en ledig is. Morgen is het voorbij.’

    Dagboek of fictie

    In een interview (NRC 24 juli 2025) zegt Van Heest over de manier waarop hij Emma Paulides in het boek opvoert: ‘Ik heb bij al die andere mensen, inclusief mezelf, natuurlijk fictie bedreven. Je laat opmerkingen weg en voegt opmerkingen toe, je verandert de namen van mensen, noem maar op, maar Emma heb ik zo natuurgetrouw mogelijk willen opvoeren. De anderen spreken gepolijst, maar zij spreekt juist verbrokkeld, onsamenhangend, ze komt steeds weer op hetzelfde punt uit, namelijk op die dochter die ze is kwijtgeraakt.’ Dit sluit aan op de opdracht die voorin het boek staat: ‘ter nagedachtenis van Emma en Sandra.’

    Saai

    Op een paar plaatsen in het boek laat Detlev zich uit over het schrijversvak: ‘Als we ergens over schrijven, blijven we er over doormeieren, omdat we niets anders kunnen verzinnen. We melken een onderwerp helemaal uit.’ Een familielid zegt: ‘Dat is een extra belasting, al dat geschrijf. Dat is tobben op papier.’

    De kwalificaties ‘saai’, ‘doormeieren’ en ‘tobben op papier’ kunnen ironisch opgevat worden. Voor de boeken van Van Heest moet je als lezer een lange adem hebben. De nauwkeurige verslaglegging van op het eerste gezicht wellicht saaie gebeurtenissen levert een interessant boek op. Deze dikke paperback op dundrukpapier valt soepel open en is mede daardoor prettig leesbaar. Als lezer breng je veel tijd door in de wereld van Van Heest. Dat is geen straf: De resten van een mens blijkt een vermakelijk boek. Met weemoed en een ‘boekenkater’ neem je afscheid van zijn wereld.

     

     

  • In plaats van rouwen een boek

    In plaats van rouwen een boek

    Op het omslag van Bewonen in wat je overkomt van Gerard Visser staat het schilderij ‘L’oiseau noir et l’oiseau blanc’ van George Braque. De schilder was in zijn werk voortdurend op zoek naar het evenwicht tussen spontaniteit en structuur. Of zoals je zou kunnen zeggen: tussen rede en emotie.
    Het is een mooie keuze voor de uitgave van het dagboek dat de filosoof Visser van 1979 tot 1989 bijhield. In die jaren gaf hij filosofiecolleges en werkte hij aan zijn proefschrift Nietzsche en Heidegger. Een confrontatie. Maar ook was het de tijd waarin hij en zijn vrouw Riet een ernstig gehandicapte dochter, Noortje, kregen en opvoedden. Het zijn de twee hoofdlijnen van het dagboek die Visser met elkaar weet te verstrengelen: ‘Filosofie biedt de mogelijkheid om onbevangen op het leven te reflecteren, maar omgekeerd kan niets de filosofie zo beproeven en inspireren als het leven zelf’.

    Een sleutel voor die verbinding is Vissers uitleg van het begrip ‘Gelassenheit’ bij Heidegger. Vertaald als ‘gelatenheid’ betekent het volgens Van Dale lijdzaamheid, berusting. Visser vindt dat te passief. Hij gaat er steeds meer een actieve levenshouding in zien: een kunnen laten zijn of kunnen laten gebeuren. De titel van het dagboek hangt daarmee samen; hij komt uit een notitie van 25 maart 1980: ‘Het zijn is uitgebreider dan wij zelf. We moeten leren bewonen wat ons overkomt’.

    Noortje

    In de eerste maanden na de geboorte is er ongerustheid over Noortje. Haar ogen zien dof en haar handjes staan scheef. Daar komen geleidelijk meer symptomen bij als een weigering om te eten, het hoofd niet omhoog kunnen houden, spastische bewegingen enzovoort. Wat misschien wel het meest tragisch is aan de jaren die Visser beschrijft is de houding van de medici die worden geraadpleegd. Ze spreken elkaar tegen en steeds komen er nieuwe diagnoses en behandeladviezen die vaak worden uitgesproken met een aplomb dat vooral onwetendheid verhult.
    Een van de dieptepunten is de reactie van een huisarts als moeder Riet hem zegt dat ze Noortje, die bijna louter fysieke problemen heeft en wel degelijk intelligent is, liever niet naar een groep met geestelijk gehandicapten laat gaan: ‘Ik zie niet in waarom niet’. Het kind wordt gezien als een geval; wie stelt nog de vraag ‘Wie ben jij?’

    Rouw

    Er worden op advies van (para)medici behandelmethoden ingezet die Noortjes situatie zelfs verergeren. Pas jaren later blijkt sprake te zijn van een stofwisselingsstoornis. Er is in de lange rij specialisten en alternatieve genezers die de ouders uit wanhoop zijn gaan raadplegen, maar één arts geweest die die mogelijkheid ooit geopperd heeft. Om maar enig houvast te krijgen heeft het echtpaar zelfs een astroloog geraadpleegd en – hoe tragisch – de schuld bij zichzelf gezocht. Visser in zijn Nawoord: ‘Je zou kunnen promoveren op de gevolgen van een foutieve diagnose’. Toch is zijn conclusie dat hij al die jaren nooit meer zou willen overdoen, maar evenmin had willen missen. Wat er rond Noortje allemaal fout ging roept bij Visser de vraag op of daarover ook rouw mogelijk is. Reflecterend op de vraag of hij de pijn bij zichzelf voldoende heeft toegelaten concludeert hij als een ‘misschien’: ‘In plaats van te rouwen schreef ik het boek. Als zij [Noortje] zelf niets tot stand zou kunnen brengen, dan was dat er in elk geval. Maar nu het boek er is…’

    Lustprikkels

    De gebeurtenissen leiden in de jaren van het dagboek tot filosofische bespiegelingen over het leven. Vaak gebeurt dat tijdens het werk aan het proefschrift. In die gevallen zijn de aantekeningen niet altijd helder voor de lezer die weinig in Heidegger of Nietzsche ingewijd is. Die zal zich mogelijk herkennen in de reden voor de afwijzing van een subsidie voor de publicatie van het proefschrift door het ZWO (Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek): ‘moeilijk toegankelijk’ (het zou later toch verschijnen).

    Maar daar staan tal van beschouwingen tegenover die iedere lezer zullen aanspreken of op zijn minst aan het denken zetten. Zoals: ‘Er heerst in onze wereld een zeker verbod op het lijden. In zo’n wereld neemt de lust af. Een onbestemde onlust hoopt zich op, die door de markt van welzijn en geluk wordt bestreden met een overdaad aan infantiliserende lustprikkels’. Dat schreef Visser in 1983 al. Het is 42 jaar later nog een stuk erger geworden.
    Of deze: ‘Dat voor even het verschil tussen binnen en buiten áls verschil intact blijft en niet wordt opgeheven ten faveure van een van beide, dat kan de bekoring zijn van iets wat in de woningbouw van tegenwoordig zeldzaam is geworden: het portiek’.

    In het dagboek staan verder prachtige observaties over natuur en kunst. Visser heeft oog voor het detail, zoals wanneer hij onderweg in Leiden ziet: ‘Aan de tekenstift van Rembrandts borstbeeld aan de Witte Singel hing een druppel’.

    Misschien liet Visser de rouw niet toe en verstopte hij zich er voor in zijn boek. Waarmee hij zijn proefschrift bedoelde. Maar met dit andere boek, Bewonen wat je overkomt, geeft hij de rouw alsnog alle ruimte.

     

  • Beperkingen en mogelijkheden van onze taal

    Beperkingen en mogelijkheden van onze taal

    In De duistere winkel beschrijft Georges Perec hoe hij in oktober 1971 droomde dat zijn roman La Disparition, waarin de vijfde letter van het alfabet niet voorkomt, toch vol E’s stond die hij over het hoofd had gezien. Iets dergelijks overkwam Walter Abish na de publicatie van zijn Alphabetical Africa, de roman die eveneens rond een contrainte (een dwingende regel die de schrijver zichzelf oplegt) is opgebouwd, toen iemand hem op een feestje had verteld dat hij diverse keren de fout was ingegaan. ‘Dat meen je niet!’, schijnt Abish te hebben gezegd: ‘Mijn uitgever en ik hebben het boek keer op keer gecontroleerd op fouten!’ De contrainte van Abish is dat zijn roman van 52 hoofdstukken zodanig is opgebouwd dat het eerste alleen bestaat uit woorden die met een A beginnen, het tweede uit woorden met als eerste letter A of B en zo door tot hoofdstuk 26, waarna het omgekeerde gebeurt: er gaat nu in elk hoofdstuk weer een beginletter af in omgekeerde volgorde tot in het 52e hoofdstuk alleen weer de A overblijft.

    Vertaalbaarheid

    Bijzonder aan deze twee romans van Perec (uit 1969) en Abish (uit 1974) is dat ze allebei hun lettertoer uithaalden zonder dat ze elkaar(s werk) kenden – dat kwam later pas. Het ontzag voor ieders prestatie wordt nog groter als je bedenkt dat ze niet, zoals wij, digitale zoek- en controlemogelijkheden hadden, maar slechts pen en typemachine.
    La Disparition werd later in meer dan tien talen vertaald (in het Nederlands als ’t Manco), maar Alphabetical Africa tot nu toe slechts in het Duits. Daar is nu een Nederlandse editie bij gekomen: Alfabetisch Afrika. Vertaler is Guido van de Wiel die eerder ook voor ’t Manco tekende. Je moet ook wel een beetje gek zijn om die uitdaging aan te gaan. Toen Van de Wiel in een essay over vertalen las dat met de roman van Abish ‘de grenzen van de vertaalbaarheid’ waren bereikt wist hij meteen wat hem te doen stond.

    Alfabetisch Afrika gaat in het kort over een roofmoord op een juwelier in Antibes, waarvan in eerste instantie twee mannen, Alex en Allen, en een vrouw Alva, als verdachten worden gepresenteerd. Gaandeweg blijken er meer betrokkenen te zijn, waaronder Koning(in) – ze wordt zowel vrouwelijk als mannelijk voorgesteld – Quat en de verteller van de roman. De zoektocht leidt naar Afrika, niet alleen omdat de geroofde juwelen daar terecht zijn gekomen, maar ook omdat Alex en Allen de daar verblijvende Alva willen veroveren. Deze Alva lijkt uiteindelijk te trouwen met de verteller, die bovendien de auteur van het boek blijkt te zijn dat we zojuist hebben gelezen.

    Litanie

    Het is een dun en af en toe verwarrend verhaal. Maar daar is het Abish ook niet om te doen. Het belangrijkste aan Alfabetisch Afrika is hoe dat verhaal verteld wordt. Abish wil vooral laten zien hoe ons belangrijkste communicatiemiddel, de taal, ons bespeelt. Hij doet dat door de verteller en daarmee de lezer stap voor stap een letter beschikbaar te stellen en hen er in het tweede deel van het boek steeds weer van een te beroven. Dat is niet de enige contrainte die Abish zich oplegde. Hij laat ook elk hoofdstuk beginnen met de letter die beschikbaar komt of weer verdwijnt. Dat doet iets met onze perceptie van de informatie die we krijgen.
    Bovendien bouwt hij nog kleinere opgelegde spelletjes in: we treffen in Alfabetisch Afrika (vaak alfabetische) opsommingen: in het hoofdstuk waarin de S voor het laatst mag worden gebruikt lezen we hoe de koningin twee pagina’s lang weeklaagt in woorden die allemaal beginnen met een S voorafgegaan door ‘same’ of in vertaling door ‘saai’; een bijna hallucinerende litanie van klachten over het aankomende verdwijnen van die letter. Verder zijn er de talloze alliteraties en intertekstuele verwijzingen, zoals naar Heart of Darkness van Joseph Conrad dat eveneens gaat over een indringing in Afrika.

    Geheugenverlies

    Tot slot laat Abish op een soms komische manier zien hoe slecht wij Afrika echt kennen. Die wetenschap is gebaseerd op het beeld dat we ons hebben gevormd van het continent; van het echte Afrika weten we bar weinig. Daarom wemelt het in de roman van kaarten en plattegronden, maar ‘de kaart is niet het gebied’, schrijft vertaler Van de Wiel in zijn zeer informatieve Nawoord.

    Het verhaal van de moord op de juwelier en de jacht van Alex en Allen op Alva in Afrika staat geheel in dienst van de contrainte in de roman. In het eerste deel komen er met de groei van het aantal beschikbare letters steeds meer Afrikaanse landen bij en groeit de informatie. In de tweede helft gebeurt het omgekeerde. Dat loopt uiteindelijk uit op steeds meer destructie: delen van Afrika, en uiteindelijk steden en gebouwen worden vernietigd terwijl op metaniveau de beschikbare taal steeds meer wordt ontmanteld. Naast die inkrimping van het continent Afrika krijgen de protagonisten steeds meer te maken met geheugenverlies. Dat wordt bovendien verbeeld door de grote rol die agressieve mieren spelen. In het Duits heten die Ameisen, het woord dat Abish ook gebruikt. Met opzet, want het is een anagram van amnesie.

    Moet het schrijven van Alphabetical Africa al een halsbrekende onderneming zijn geweest voor Abish, dat geldt nog meer voor een vertaling. Guido van de Wiel heeft zich soms met ware Houdini-acts moeten redden. Dat heeft hij bewonderenswaardig gedaan. Om een idee van de problemen te geven: Abish heeft al in hoofdstuk A het lidwoord ‘an’ beschikbaar, maar de vertaler kan ‘een’ pas gebruiken in hoofdstuk E. Daar staat weer tegenover dat hij ‘de’ al kan inzetten in hoofdstuk D waar Abisch dat pas in hoofdstuk T (‘the’) kan. Toch blijft dat voor de vertaler een beperking want als dit lidwoord in het oorspronkelijke werk niet voorkomt heeft de vertaler die ruimte alsnog niet.

    Tweetalig

    De beperkte beschikbaarheid van de letters bepaalt daarnaast hoe het verhaal verteld kan worden. In de hoofdstukken A tot en met H is steeds sprake van ‘auteur’. Dan is nog niet duidelijk dat hij dezelfde is als de verteller. Dat blijkt pas in hoofdstuk I, waar zowel Abish als Van de Wiel verder kunnen gaan in de eerste persoon: ‘I’ in het Engels en ‘ik’ in het Nederlands. Nog verder in het verhaal kan zijn aandeel in de moord op de juwelier worden verteld.

    Guido van de Wiel ging bij zijn vertaling acribisch te werk. In twee uitgebreide logboeken gaat hij uitvoerig in op thema’s en achtergronden van Abish en zijn werk en verantwoordt hij zijn vertaalkeuzes zeer precies, compleet met alternatieven en argumenten om die wel of niet te gebruiken. Een voortreffelijke keuze is dat Alfabetisch Afrika tweetalig is uitgegeven zodat alle vertaalvondsten direct controleerbaar zijn. Van de Wiel noemt in die logboeken onder andere 101 plaatsen waar Abish per ongeluk tegen zijn eigen contrainte in is gegaan: hij gebruikt bijvoorbeeld het voorzetsel ‘in’ al vóór hoofdstuk I in de eerste helft en na hoofdstuk I in de helft waarin letters verdwijnen.
    Deze logboeken zijn op internet gratis te downloaden.

    Liefhebbers van werken van OuLiPo-ers (de werkplaats voor potentiële literatuur) waarvan Perec lid was maar Abish niet, hebben met Alphabetical AfricaI een vergaand voorbeeld van wat deze literatuur vermag. Van de Wiel noemt het zelfs ‘het meest oulipiaanse werk dat er bestaat zonder te zijn vervaardigd door een OuLiPo-auteur’.

     

  • Weinig woorden voor een hele wereld

    Weinig woorden voor een hele wereld

    ‘Geen plot, maar zeer korte verhalen waarin net zoveel kan gebeuren als in een complete roman’. Daarin ligt volgens Arjen Lubach de kern van de zkv’s van A.L. Snijders. Dat klopt. De Amerikaanse vorstin van de short story, Lydia Davis, noemt ze in De schoonheid van weerbarstig proza ‘puntige filosofische vertellingen’. Klopt ook.
    Lubach koos er 206 voor een selectie in de alsmaar groeiende fraaie serie ‘Gedundrukt’ van Uitgeverij Van Oorschot onder de titel Zeer kort. Op het buikbandje de typische Snijders-foto: gefronst voorhoofd, bebaard en besnord, je doordringend aankijkend met de bril op de punt van de neus. Velen kenden zijn sonore stem uit duizenden als hij op zondagmorgen op Radio 4 een verhaal voorlas en heel wat abonnees openden eveneens op zondagmorgen vol verwachting hun mailbox waarin hij zijn zeer korte verhalen dropte.

    A.L. Snijders is de schrijversnaam van Peter Müller. Hij zou hem ooit hebben verzonnen toen hem aan de telefoon werd gevraagd snel een pseudoniem te bedenken. Maar op die oorsprong varieerde hij wel eens als hem er tijdens optredens naar gevraagd werd. Het paste bij Snijders, die jarenlang lesgaf op middelbare scholen en de politieacademie en zijn zkv’s graag de door hem gewenste draai gaf: ‘Het is zeker dat ik verschillende verhalen vertelde over dezelfde gebeurtenis. Een leraar die steeds hetzelfde verhaal vertelt, kwelt zichzelf. Dan wordt het onderwijs masochisme. Ik wil er zelf ook een beetje plezier van hebben’.
    Het is een citaat uit het vermakelijke ‘Facisme’, waarin hij vertelt over de keer dat hij met de verfkwast de leus ‘Weg met het facisme’ op een viaduct te lijf ging om vóór de letter c een s te schilderen. Hij werd opgepakt vanwege het bekladden van overheidseigendom terwijl hij alleen maar een taalfout had willen verbeteren. Daarmee geeft hij zelfs in één zkv twee versies van het gebeurde.

    Sprongen in de tijd

    Over taalfouten gaat het in meer stukken. In ‘Vraag en antwoord’ zegt hij zijn leerlingen op de politieschool dat Hun zijn groter als mij een onberispelijke zin is, maar dat ze in sollicitaties Zij zijn groter dan ik moeten schrijven. In ‘Gemeentegrens’ legt hij een klas uit dat in de zin Jan wordt geslagen door Piet Jan grammaticaal het onderwerp is, maar gevoelsmatig lijdend voorwerp.

    Hoeveel variëteiten een verhaal ook kan hebben, ze vertellen allemaal samen wel degelijk veel over het leven van de schrijver zelf. Vooral Amsterdam en Klein Dochteren, de belangrijkste woonplaatsen van Snijders, en zijn ervaringen en ontmoetingen daar, zijn prominent terug te vinden. Verreweg de meeste verhalen maken sprongen in de tijd. Een ontmoeting, een nieuwtje, het weer: ze zijn goed voor een sprong terug in de tijd van soms enkele decennia, plotseling opduikende herinneringen. Een dichtregel van Lucebert brengt hem bij een ijzeren ei dat hij dertig jaar geleden maakte (in ‘Het ei’). De weersvoorspelling roept een herinnering op aan de kachel van zijn grootvader (in ‘Winter 2’).

    Massey Ferguson

    Een enkele keer komt een herinnering meerdere keren voor. De opvallendste is die over zijn moeder die als kind in 1912 uit het raam viel en dat overleefde door een opstuiterende hor (in ‘Jaartallen’ en opnieuw in ‘Vondelpark’). In ‘Dienstmeisje’ maakt huishoudhulp Greetje in 1949 een dodelijke val uit het raam: ‘Mijn moeder heeft gezien hoe haar levenloze lichaam in de ziekenauto werd getild’ – hier dan juist weer geen vermelding van moeders eigen val in 1912. En dan zijn er nog Snijders’ opa en diens jongste zoon die op hoge leeftijd beiden stierven door een val van de trap (in ‘De geur van het ontbijt’).
    Ook de tractor van Snijders, een Massey Ferguson, doet hem een paar keer het beeld oproepen van de Balkanoorlog toen je die trekker vaak in reportages zag (in ‘Kraantje’ en ‘Winter 2’). Maar in het verhaal dat het merk van de tractor als titel heeft staat die verwijzing dan weer niet.

    Het teruggrijpen in de tijd legt Snijders als volgt uit in ‘De libelleman’: ‘Wat veertig jaar geleden plaatsvond, hoeft niet eerder verteld te worden dan de gebeurtenissen van gisteren’.

    Banaliteit van het kwaad

    Dat doende legt hij verrassende verbanden, zoals in ‘Ansichtkaart’. Daarin stuurt ene F. hem een groet vanaf Texel waarin hij schrijft dat hij Hannah Arendt leest, terwijl een landbouwmachine te zien is van het merk Mengele LW 390: ‘Hoe lang zullen mensen nog schrikken van Hannah Arendt en Mengele samen op een ansichtkaart? De geschiedenis trekt langzaam de gordijnen dicht en bijna niemand zal meer iets weten over de banaliteit van het kwaad’. Na een dergelijke kernachtige omschrijving van hoe we in elke nieuwe generatie weer verhalen kwijtraken kun je niet meteen naar het volgende zkv.

    Snijders had weinig woorden nodig om een wereld te omspannen. In 2010 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs: ‘een prijs voor een grote berg takjes, zkv’s’, zegt hij zelf in ‘Aap’.

    Op 7 juni 2021 zat Peter Müller voor het laatst als A.L. Snijders aan zijn laptop, klaar voor een nieuw verhaal, toen hij een hartstilstand kreeg. Misschien draaide er wel muziek op de achtergrond, minimal music, zijn voorkeur. Treffend voor een zkv-schrijver.

     

     

  • Vreugde is niet gemaakt om een kruimel te zijn

    Vreugde is niet gemaakt om een kruimel te zijn

    Geluk. Een woord, of misschien beter gezegd een idee of concept waarbij iedereen direct een beeld zal hebben. Ga je echter kijken hoe dat concreet moet worden ingevuld, dan zullen velen het antwoord schuldig blijven. De ware betekenis van ‘geluk’ is voor de meesten even duidelijk als vluchtig en ongrijpbaar. Het is daarom een uitdagende taak een verzamelbundel poëzie samen te stellen met geluk als leidraad. In Het komt goed; de mooiste gedichten over geluk heeft Elisabeth Lockhorn zich over deze taak gebogen, met zeer bevredigend resultaat. Hier is duidelijk veel zoekwerk aan voorafgegaan: veel lezen, veel afwegen.

    Een van de belangrijkste functies van poëzie is dat het je leert opnieuw, en vooral met een andere blik, naar vaak alledaagse dingen te kijken. Met die notie in gedachte is ‘Grassen van H.H. ter Balkt een treffende keuze. ‘De grassen in boomgaarden onder groen hout, / de grassen op boerenerven, door honden bewaakt’. En welk een geluk er uitgaat van de rust van een stapel hout toont Rolf Jacobsen: ‘Het is goed, dat er in de wereld nog hout is / En dat er nog / Stapelplaatsen genoeg zijn. / Want in hout is een grote rust / En een sterk licht, / Dat ’s zomers ver  /De avond in schijnt.’

    Er is het geluk dat kinderen geven, het geluk van mooie woorden, het geluk van een schilderij, het geluk je in je auto af te sluiten met Mozart. Anderen vinden het geluk in God en via hem in de natuur (Gerald Manley Hopinks). J.C. van Schagen laat zien dat ook in regen geluk kan schuilen: ‘en over de huiverende slootjes danst de regen / hij ritselt stilletjes tussen het helm in het duin’.

    Sta er voor open

    Maar je moet geluk wel durven ervaren, zoals het motto van Anna Kamieńska zo treffend zegt: ‘Joy – it’s not just a gift. / In a sense it is also a duty, / a task to fulfil. Courage.’ En dat is het precies. Het is onze plicht open te staan voor geluk. ‘Aarzel niet, zo zegt Mary Oliver in het gelijknamige gedicht. ‘Hoe dan ook, wat het ook is, wees niet bang voor / de overvloedigheid ervan. Vreugde is niet gemaakt / om een kruimel te zijn.’ Dit gedicht is vertaald door Marjoleine de Vos, die zelf ook met enkele gedichten is vertegenwoordigd, waaronder het erg mooie, Het leven in juni’, met de slotstrofe ‘Dus ben ik alleen in de tuin in de wereld / en om mij heen ademt alles en in huis / zit een man. Dit is het leven, schrijft hij, / deze ochtend in juni, de zwartkop zingt / en in de tuin zit zij.’ Niet geheel toevallig staat naast haar het al even fraaie Dit moment’ van haar ex-man Tom van Deel (1945-2019), met als eerst vijf regels, ‘Er is niets voor te stellen mooier dan / een vrouw die in het strijkend avondlicht / een tuin inloopt, het waait, het blad van / de kastanje gaat tekeer, ze zoekt naar / bloemen, snoeiend, alles als weleer’.

    ‘Om / Onrechtvaardigheid als enige / in het centrum van onze aandacht te zetten is het prijzen / van de Duivel’, aldus Jack Gilbert (wat een ontdekking!) in ‘Een instructie van de pleiter’. Van Jack Gilbert kan een directe lijn getrokken worden naar de Poolse Zbigniew Herbert ‘- vergeef me dat ik alleen aan mezelf dacht terwijl het / leven van anderen wreed onherroepelijk om me draaide / als de grote sterrenklok van Sint-Pieter in Beauvais.’ Misschien moeten we ook de natuur hier als voorbeeld nemen: ‘Dan komt de rust over me van wezens in het wild / die niet hun leven lastig maken met piekeren / over verlies.’, (Wendell Berry).

    Pure kwaliteit

    We komen veel grote nationale en internationale namen tegen zoals de Zweedse Nobelprijswinnaar Tomas Transtrőmer, uiteraard in vertaling van Bernlef. De voor Transtrőmer zo veelzeggende titel De halfklare hemelis misschien wel de perfecte geluksstaat, op weg naar het ultieme, met nog veel moois op komst. ‘Alles begint om zich heen te kijken / Met honderden tegelijk lopen wij de zon in. // Ieder mens een halfopen deur / Leidend naar een kamer voor allen.’

    Van Kavafis zijn vier gedichten opgenomen (vertaling door Blanken), waarvan ‘Ithaka’ en ‘Antonius door zijn god verlaten’ tot de absolute hoogtepunten van de moderne wereldliteratuur mogen worden gerekend. ‘Houd altijd Ithaka in gedachten. / Daar aan te komen is je bestemming. / Maar overhaast de reis volstrekt niet. / beter dat die vele jaren duren zal, / en dat je, oud al, landen zult op het eiland, / rijk met alles wat je onderweg hebt gewonnen, / niet verwachtend dat Ithaka je rijkdom geven zal. / Ithaka gaf je de mooie reis. / Zonder dat eiland was je niet op weg gegaan. / Verder heeft het je niets meer te geven.’ Het geluk zit in de reis, wat hier staat voor het leven zelf.

    Nog een Nobelprijswinnaar, de Pool Czesław Miłosz is vertegenwoordigd met vijf gedichten, evenals Zbigniew Herbert in de vertaling van Gerard Rasch, een van de grote namen op literair vertaalgebied. De bundel begint direct goed metMiłosz’ zeer fraaie ‘Een Geschenk’, waarvan de kernregels, ‘Er was geen ding op aarde dat ik zou willen hebben. / Ik kende niemand die het benijden waard was. / Wat aan kwaad was geschied, had ik vergeten.’  Ziedaar geluk in een notendop.
    Van Dylan Thomas is een van zijn mooiste gedichten gekozen, ‘Varenheuvel (‘Fern Hill’, vertaald door Bert Voeten). Met die bekende en prachtige openingsregels: ‘Toen ik nu jong en onbezwaard was in de appelgaard / Nabij het jubelend huis en blij om het groen van het gras’. Daar is het groene gras weer.

    ‘Een draagbaar paradijs’ van Roger Robinson is ook een van de parels uit deze bundel. Hier wordt poëzie bijna mindfulness. ‘En als het leven je onder druk zet, / moet je de richels ervan aftasten in je zak, / zijn dennenachtige geur opsnuiven / zijn hymne neuriën onder je adem.’ Verder vinden we onder andere Rutger Kopland, Philip Larkin, Ida Gerhardt, Vasalis en Fernando Pessoa, tussen de vele andere grote namen – en de vaak minder bekende verrassingen.

    Elisabeth Lockhorn ontwijkt vakkundig alle clichés die zo’n bekend referentiekader bieden bij het thema ‘geluk’. Juist door aan de ene kant dichtbij dit kader te blijven, maar het tevens door de kracht van de keuzes vakkundig te omzeilen en overstijgen krijgt deze bundel extra waarde en stijgt daarmee verre uit boven de gemiddelde thematische verzamelbundel. Een heerlijke bloemlezing voor alle poëzieliefhebbers, maar zeker ook voor iedereen die niet zoveel in aanraking is geweest met poëzie maar er wel benieuwd naar is.

     

     

  • Oogst week 10 – 2025

    Oogst week 10 – 2025

    Tussen de mazen

    Vorige maand, in februari 2025, vond de Week van het Korte Verhaal plaats. Voor Uitgeverij van Oorschot het juiste moment om Tussen de mazen van Mariska Kleinhoonte van Os te publiceren. Kleinhoonte van Os (1980) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Utrecht en Germaanse filologie in Antwerpen. Ze is als acquirerend redacteur werkzaam in het boekenvak en heeft zelf al verschillende verhalen gepubliceerd in o.a. De Revisor, Hard/Hoofd en Tirade. Een aantal daarvan is daar online te lezen.

    De verhalenbundel Tussen de mazen is haar debuut. Verdriet en gemis. Pijn, zowel fysieke pijn als geestelijke pijn. Dat zijn de emoties die de boventoon voeren in deze bundel. Kleinhoonte van Os beschrijft ze met warmte en mededogen.

    Tussen de mazen
    Auteur: Mariska Kleinhoonte van Os
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Sprokkelaars

    De hoofdpersoon uit Sprokkelaars vindt een oud briefje terug. Het doet hem terugdenken aan de tijd dat hij in een partijhandel van zijn oom werkte, op een industrieterrein. ‘Die notitie bevat alles: de pijn, het dagelijkse sloven en bovenal de verwondering.’ Als hij mensen erover vertelt hoort hij de minachting in hun stem.
    Hij denkt vaak terug aan zijn oom en de andere mensen van het industrieterrein. ‘Ze moesten me niet.’

    Het had een tijdelijk baantje moeten zijn, maar blijft het dat ook?
    Sprokkelaars gaat over identiteit, klasse, werk en een door keuzestress verlamde generatie.

    Het is het romandebuut van Mira Aluç ((1993). Zij studeerde beeldende kunst en filosofie en publiceerde al korte verhalen in verschillende Nederlandse literaire tijdschriften. Haar essay Het Warenparadijs was in 2022 een van de genomineerden voor de Joost Zwagerman Essayprijs.

    Sprokkelaars
    Auteur: Mira Aluç
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas/Contact

    Mijn vrienden / Armand

    De eerste keer dat Mijn vrienden uitkwam in Frankrijk was in 1923. Het was meteen een succes. De jonge schrijver ervan Emmanuel Bove (1898 – 1945) was ontdekt door de schrijfster Colette en zij zorgde er ook voor dat zijn boek gepubliceerd werd.

    Bove heeft tijdens zijn leven veel geschreven en gepubliceerd, maar raakte na zijn dood vergeten. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige werd hij herontdekt, en ook in Nederland zijn toen veel van zijn boeken in vertaling verschenen.

    Bove noemde Mijn vrienden een ‘roman van de verarmde eenzaamheid’. Hierin gaat een man in Parijs hopeloos op zoek naar vriendschap en genegenheid. Elke keer denkt hij de ware vriend gevonden te hebben, maar hij wordt vaak teleurgesteld. Standsverschillen zijn in die tijd nog heel aanwezig en belemmerend.

    In deze uitgave van uitgeverij Tzara (imprint van Standaard Uitgeverij) is ook Armand, de tweede roman van Bove opgenomen, waarin ook een hoofdpersoon voorkomt die net als de hoofdpersoon uit Mijn vrienden slecht in staat is een zelfstandig leven op te bouwen.

    Mijn vrienden / Armand
    Auteur: Emmanuel Bove
    Uitgeverij: Uitgeverij Tzara (Standaard Uitgeverij)
  • Oogst week 39 – 2024

    Oogst week 39 – 2024

    Een van ons

    De zwarte Amerikaanse schrijver Richard Wright (1908 – 1960) is vooral bekend van zijn in 1940 verschenen klassieker Native Son. Native Son, dat in 1989 bij uitgeverij Wereldvenster verscheen als Zoon van Amerika, is nu bij uitgeverij Van Oorschot verschenen als Een van ons.

    Een van ons gaat over de Bigger Thomas, een kansarme zwarte jongen die uitgroeit tot een moordenaar en veroordeeld wordt tot de elektrische stoel. Wright kon zich goed inleven in de achtergrond en omgeving van zijn hoofdpersoon. Hij schreef Een van ons als aanklacht tegen de maatschappelijke omstandigheden van veel zwarte jongeren uit die tijd.

    Wright werd in 1908 in armoede geboren in de Amerikaanse staat Mississippi. Ondanks de erbarmelijke omstandigheden en gebrek aan kansen gedurende zijn jeugd, ontwikkelde hij zich tot schrijver en kon daarvan leven. Hij verhuisde in 1947 naar Parijs, moe van het eeuwige racisme in de Verenigde Staten.

    Een van ons
    Auteur: Richard Wright
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Een zoon van Amerika

    Dit jaar is het 100 jaar geleden dat James Baldwin (1924 – 1987) werd geboren. Niet toevallig dus dat deze zomer niet alleen de roman Giovanni’s kamer, maar ook diens non-fictiedebuut opnieuw is uitgegeven: Een zoon van Amerika (Notes of a Native Son), een essaybundel die in 1955 verscheen.

    De essays beschrijven niet alleen de grote klasseverschillen in de Verenigde Staten in de twintigste eeuw tussen zwart en wit, maar gaan ook in op de discriminatie en problemen van homoseksuelen.

    Baldwin was een bewonderaar van Richard Wright. Hij was in ’48 naar Parijs verhuisd. Daar leerde hij Wright kennen en raakten de beide schrijvers bevriend. Uit bewondering voor Wright refereert Baldwin met de titel Notes of a Native Son aan Wrights boek Native Son. De Nederlandse vertalers van Native Son hielden deze referentie in ’89 aan en vertaalden het boek als Zoon van Amerika. Het is nu bij Van Oorschot verschenen als Een van ons (zie hiervoor).

     

    Een zoon van Amerika
    Auteur: James Baldwin
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus

    De laatste walvis

    En we blijven in Amerika.

    In aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen verschijnen overal tal van duidingen, analyses en vooruitblikken die ons inzicht trachten te geven in het Amerika van nu. Daartussen zit ook De laatste walvis van de Vlaamse journalist en VRT-correspondent in de Verenigde Staten, Björn Soenens.

    De proloog van De laatste walvis begint als volgt: Om het heden te begrijpen en de toekomst aan te kunnen, moeten we het verleden induiken. Om vervolgens aan te geven dat de mensen die daadwerkelijk iets van de Amerikaanse geschiedenis afweten, zich op dit moment ernstige zorgen maken. ‘Het stormt in Amerika.’

    Soenens schrijft in diezelfde proloog: ‘Ik heb tijdens de afgelopen twee presidentstermijnen in de VS de politiek de werkelijkheid zien verdringen. Waarheden en feiten dringen niet door tot de geest van mensen die gevoel boven verstand plaatsen. Vooral Amerikanen hebben nog wel eens de neiging tot zelfbedrog. Ze geloven graag dat ze zijn wie ze graag zouden wíllen zijn. In de spiegel zien ze iets anders en dat steekt. Volksverlakkers teren op de onzekerheid, de woedende gevoelens en de paranoia van hun kiezers. Veel Amerikanen bereiden zich daarom voor op de dag dat geweld en burgeroorlog in hun ogen onvermijdelijk worden. Het land heeft een breekpunt bereikt. Het is lang niet de eerste keer.’

    Voorwaar geen vrolijke kost. Maar wel de moeite van het lezen waard. De laatste walvis werpt een licht op de huidige ontvlambare situatie in Amerika.

     

     

    De laatste walvis
    Auteur: Björn Soenens
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers
  • Oogst week 12 – 2024

    Verzet

    In Verzet schrijft Chris Keulemans (Tunis, 1960) over de strijders, de denkers, de slachtoffers en de leiders die hij ontmoet. ‘Het moment dat mensen tot verzet overgaan fascineert me. Wanneer klikken ze wakker? Wanneer kookt het onrecht over? Wat hebben ze nodig om in actie te komen – en wie? Wie worden de leiders, wat kenmerkt ze en heeft de beweging ze nodig?’ En: ‘hoe ontstaat de verbeelding van een wereld waarin de vijand niet bestaat?
    Overal zie ik mensen in verzet komen. Het onrecht valt ze van alle kanten aan. Ze weten niet waar ze moeten beginnen. Van een betere toekomst durven ze niet eens te dromen. Maar ze komen overeind. Ze zoeken bondgenoten. Grimmig verzet is het vaak, ontstaan uit wanhoop, woede en lijfsbehoud. Gedoemd te mislukken. Onmogelijk te weerstaan. Zoals in mijn geboortestad.’

    Keulemans schrijft al jaren over kunst, engagement, migratie, muziek, cinema en oorlog in boeken, kranten en tijdschriften (o.a. de Volkskrant, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer). Voor zijn publicaties reisde hij de hele wereld rond. In 2021 kwam zijn boek Gastvrijheid uit bij Uitgeverij Jurgen Maas waarin hij op zoek gaat naar de kunst van de gastvrijheid. Deze week verscheen bij dezelfde uitgeverij Verzet. Het boek wordt op zondag 24 maart a.s. gepresenteerd bij Boekhandel van Noord op het Buikslotermeerplein in Amsterdam. Daar zal hij geïnterviewd worden door Massih Hutak. Hutak is rapper en schrijver, zet zich in voor leesbevordering en geeft rap- en schrijfworkshops.

     

    Verzet
    Auteur: Cris Keulemans
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Nu in november

    Met haar roman Nu in november die oorspronkelijk in 1934 in de Verenigde Staten verscheen won Josephine Johnson een jaar later de Pullitzer Prijs voor fictie. Ze was toen 24 jaar.

    Nu in november is het verhaal van een gezin – vader, moeder en drie dochters – dat van de stad naar het platteland verhuist om een nieuw leven op te bouwen.

    […] ‘We verhuisden onze bedden mee in de huifkar. De auto was verkocht, evenals het leeuwendeel van onze inboedel. We hadden ons andere leven achtergelaten alsof het nooit had bestaan. Alleen wat we vanbinnen met ons meedroegen, de dingen die we hadden gelezen en in ons geheugen hadden opgeslagen, reisde met ons mee, samen met de boeken die we drie generaties lang hadden verzameld maar niet konden verkopen omdat de aarde al tot haar knieën in de boeken waadde. We verruilden een wereld die in de knoop zat, in de war was en zichzelf overschreeuwde voor een omgeving die even hard was en mensen net zo goed kon dwarsbomen of verjagen, maar waar je er ten minste iets voor terugkreeg. Dat gold voor de oude dan weer niet.’ […]

    Het leven op het platteland is zwaar, en er breekt een tijd van grote droogte aan.
    Nu in november is niet alleen het verslag van die moeilijke tijd door de ogen van een van de dochters, maar vertelt ook over klasse, ras, en klimaat en is daardoor nog steeds actueel.

    Nu in november
    Auteur: Josephine Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    De Parelduiker, 2024/1

    In het eerste nummer van dit jaar van De Parelduiker is het de beurt aan Julien Ignacio (Goudjakhals) om antwoord te geven op de door De Parelduiker aan jonge schrijvers gestelde vraag welke boeken of schrijvers op hen van invloed zijn (geweest), en op welke manier.

    Reinjan Mulder beschrijft de Amsterdamse jaren van de Duitse exilschrijfster Grete Weil: haar pijnlijke ervaringen als fotograaf in de Beethovenstraat, en haar onderduik in de stad. Nu de Hollandse Schouwburg, waar zij bij de Joodse Raad werkte, weer als gedenkplaats zijn deuren opent, vraagt Mulder zich af: hoe heeft Grete Weil zich twaalf jaar lang in Amsterdam staande gehouden?

    Voorts o.a.:
    – Als je geen toekomst hebt, stem je op het verleden’. Bulgaarse dichters en een nabije oorlog in Sofia (Jan Paul Hinrichs)
    -‘Huizen storten in, liefde verbleekt’. Rolland, Zweig en Martin du Gard boven het strijdgewoel (Bart Slijper)
    – In de rubriek De Laatste pagina: John Albert Jansen, 1954-2024 (Anton de Goede)
    – In de rubriek ‘Schoon en haaks’: Jan Paul Hinrichs bespreekt marginale uitgaven van en over Hein van der Hoeven & Diederik Gerlach, Harry Mulisch, Frieda Koch & Lucebert, Thomas Rosenboom, Ramón Gómez de la Serna, Hans Kleiss, Maurice Gilliams en F.C. Terborgh.
    – En nog veel meer.

    De Parelduiker, Tijdschrift over schrijvers, literatuur en hun geschiedenis
    Uitgever Van Oorschot
    Losse nummers €14,50
    Jaarabonnement €59,50 (digitaal: €36,75).

     

    De Parelduiker, 2024/1
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Oogst week 51 – 2023

    Oogst week 51 – 2023

    Russisch familiealbum

    ‘Van mijn kennissen woont er niemand meer in het huis waar ze zijn opgegroeid of zelfs maar in de stad of het dorp waar ze hun kinderjaren hebben doorgebracht. De meesten van mijn vrienden leven gescheiden van hun ouders. Velen zijn in het ene land geboren en wonen nu in het andere. Anderen leven in ballingschap en geven hun gedachten gestalte in een tweede taal te midden van vreemden. Ik heb vrienden wier familieverleden uitgewist is in de concentratie-kampen. Zij zijn de weeskinderen van de geschiedenis.’

    Zo begint Russisch familiealbum van Michael Ignatieff. Het lijkt zo actueel, maar nieuw is dit boek zeker niet. Het is verschenen in 1987 en het is ook niet de eerste keer dat het in Nederland uitgebracht wordt. Het is een echte klassieker, en door de oorlog in Oekraïne zal het zeker weer op de belangstelling van veel lezers kunnen rekenen.
    In deze familiekroniek die o.a. de laatste jaren van het tsaristische Rusland beschrijft, gaat Ignatieff (zoon van een Russische graaf en een Canadese moeder) op zoek naar het verhaal van de familie van zijn vader. Zijn grootouders vluchtten tijdens de Russische Revolutie. Russisch familiealbum is op hun memoires gebaseerd. Ignatieff riep ook de hulp in van familieleden en maakte voor het boek in 1983 en 1986 twee studiereizen naar de Sovjet-Unie.

    Russisch familiealbum
    Auteur: Michael Ignatieff
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Puur geluk en andere verhalen

    De Engelse schrijfster Katherine Mansfield (1888 – 1923) wordt alom gewaardeerd om haar korte verhalen. Ze werd geboren in Nieuw-Zeeland. Voor haar studie vertrok ze naar Londen. Ze keerde daarna voor korte tijd terug naar haar geboorteland. Daar aarde ze niet meer en ze koos uiteindelijk definitief voor Europa, waar ze zich desondanks ook nooit helemaal thuis heeft gevoeld. Haar bekendste korte verhalen schreef ze met Nieuw-Zeeland als achtergrond. Een daarvan is Puur geluk.

    Mansfield was bevriend met o.a. de schrijvers Virginia Woolf en D.H. Lawrence en was een groot liefhebber van Tsjechov, door wie zij ook geïnspireerd werd. Zij schreef over mensen die vastzitten in situaties waarin ze permanent tegenover elkaar lijken te staan en pijnlijke schade veroorzaken door hun onvermogen om open en eerlijk te zijn. De veertien verhalen in Puur geluk gaan over dingen die meestal niet gebeuren en gevoelens die niet gedeeld kunnen worden.

    Barbara de Lange vertaalde Puur geluk. Zij vertaalde o.a. ook Virginia Woolf, D.H. Lawrence, Donna Tartt, Howard Jacobson en Margaret Atwood.
    In december 2023 ontving De Lange de Letterenfonds Vertaalprijs, een oeuvreprijs voor literair vertalers die zich onderscheiden door o.a. de hoge kwaliteit van hun vertaalwerk.
    In 2017 publiceerde Literair Nederland een interview met haar.

    Puur geluk en andere verhalen
    Auteur: Niek Hendriks en Theo Hendriks
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2023)

    En steeds is alles er

    Marjoleine de Vos is schrijver en dichter. Ze is daarnaast columnist en redacteur kunst bij NRC Handelsblad. Voor haar dichtbundel Zeehond werd ze in 2002 genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In 2023 kreeg ze de Groenman-taalprijs, die elke twee jaar wordt uitgereikt aan een schrijver die zich onderscheidt door goed en creatief gebruik van de Nederlandse taal.
    Dat ze zich goed kan uitdrukken is – zeker over een onderwerp als de dood – van grote waarde, en meteen te ervaren in de beginpagina’s van En steeds is alles er waarin de auteur haar eerste verwondering beschrijft als ze het levenloze lichaam ziet van de man van wie ze gehouden heeft.
    ‘De laatste blik op het gezicht, zó graag had je die willen werpen, maar die is onmogelijk, omdat het gezicht het gezicht niet is. De wisseltruc van de dood, die je liefste meeneemt en je achterlaat met iets van Madame Tussauds. Iets wat al na korte tijd best weg kan.’

    Om even later verder te gaan: ‘En dan ligt het daar, netjes aangekleed in het mooie overhemd, het gezicht in een plooi die je er nog nooit op hebt gezien. De aanraking van die wasachtigheid, de streling die je bedoelde en die afketst van de koude wang. Het lichaam heeft de dierbare losgelaten. De scheiding tussen lichaam en geest is duidelijk zichtbaar en de geest is weg. Laat dat lichaam dan ook maar – néé! Laat me het lichaam houden! De tegenstrijdigheden.’
    Rake uitspraken en emoties. Voorstelbaar, en zo herkenbaar.

    En steeds is alles er
    Auteur: Marjoleine de Vos
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Een onuitgepakte koffer in elke hartkamer

    Een onuitgepakte koffer in elke hartkamer

    Het meest indrukwekkende verhaal in Goudjakhals van Julien Ignacio is ‘De host’. Het hangt sterk samen met het kortere verhaal ‘Chatilat Road’, dat eraan vooraf gaat. Daarin is taxichauffeur Samir met een belangrijke passagier op weg naar zijn vroegere familiehuis in een buitenwijk van Beiroet. De klant, een Libanees die twintig jaar is weggeweest uit Libanon, wordt door Samir verbaal bewerkt om een handtekening voor de papieren van zijn jongere broer, Tarek – die in Nederland wil studeren – te bemachtigen.
    Deze Tarek is het hoofdonderwerp van ‘De host’. Hij is op een studievisum naar Nederland gekomen, studeerde aan de Rietveld Academie, werd bekend als graffitikunstenaar (op zijn muurtekeningen plaatste hij onder zijn tag een jakhalskop, waar de titel Goudjakhals van dit boek naar verwijst) en heeft door verschillende trauma’s een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) ontwikkeld. Dat houdt in dat hij in zijn hoofd vier andere personaliteiten (alters) heeft ontwikkeld die mede zijn gedrag bepalen. Hij is de host voor die vier anderen, die allen hun ontstaan hebben te danken aan dramatische gebeurtenissen in Tareks leven.

    Onuitgepakte koffer

    Ignacio heeft zich razendknap verdiept in het ziektebeeld van een DIS-lijder. Daardoor weet hij op een beklemmende manier over te brengen wat zich in het hoofd van Tarek afspeelt. Maar ook de opzet van dit verhaal is sterk. De geschiedenis van Tarek krijgt bij Ignacio vorm in brieven van hem, een podcast die iemand over hem maakt, in passages waarin de stemmen van de vier alters aan bod komen (geïnspireerd door de poëzie van de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish), in verslagen van de behandelsessies van Tareks klinisch psycholoog en in persoonlijke herinneringen van zijn ex-vriendin en zijn advocaat. Trefzekere zinnen als: ‘Laat de vluchteling lang genoeg in je lijf wonen en je verandert in een dubbele ontkenning: een vreemdeling in een vreemd land’ en over de migrant met ‘een onuitgepakte koffer in iedere hoek van zijn hartkamer’.

    Julien Ignacio (1969) werd in Boxtel geboren maar is van Arubaanse afkomst. In 2018 verscheen van hem zijn debuutroman Kus over een vader die plotseling wordt geconfronteerd met de coma waarin zijn zoontje raakt. Daarnaast schreef Ignacio toneelteksten en verhalen.
    Goudjakhals bestaat uit zes verhalen. Ze gaan op meerdere manieren een verband met elkaar aan. De belangrijkste rode draad is dat ze allemaal gaan over mensen die naar de marge van de maatschappij zijn gedrongen of zelfs totaal zover over de rand zijn geduwd dat ze in zekere zin niet meer bestaan.

    AI

    In het eerste verhaal, ‘GPS’, voert verteller AI (artificial intelligence) gesprekken met Jiwan, een Koerdische vluchteling die vastzit in kamp Moria op Lesbos. AI volgt Jiwan als het ware in the cloud. Hij heeft kennis van al zijn sms’jes, posts en pdf-bestanden op zijn telefoon en laat ons zo vanuit cyberspace toe tot de gedachten van de vluchteling. Jiwan komt alleen indirect aan het woord als AI zich tot hem richt. We merken daardoor pas dat hem iets overkomen moet zijn als zijn telefoon geen gps-signalen meer geeft. Met de keuze voor deze verteller kiest Ignacio een krachtige vorm om de eenzaamheid van Jiwan te laten zien als van iemand die niet lijkt te bestaan. Hoe ziet zo iemand eruit, vraagt AI, die Jiwan vervolgens verwijst naar (de echt bestaande site) thispersondoesnotexist.com. Daarop staan portretten van niet-bestaande mensen. ‘GPS’ is gebaseerd op de werkelijke geschiedenis van de Koerdische dichter Behrouz Boochani die zijn boek No Friend But the Mountains (uitgegeven in 2018) in detentie schreef via WhatsApp en Messenger op een naar binnen gesmokkelde smartphone.

    ‘Wette en gebode’

    Ignacio beheerst vele registers. Een heel andere stijl en toon gebruikt hij in het tweede verhaal ‘Het silvere koord’, een begrip dat in het boek Prediker voorkomt en in spirituele zin betekent dat de ziel pas overgaat als het fysieke leven definitief breekt met het lichaam. In dit verhaal wordt het leven van prostituee Zwarte Sjaan door haarzelf verteld, deels nadat ze in 1679 op de Dam geëxecuteerd is voor de ogen van tsaar Peter die getrakteerd wilde worden op een executie, en deels vanaf de plek op Volewijck, waar haar dode lichaam te kijk is gehangen. In het smeuïge taaltje van het Amsterdamse hoerendom uit eind zeventiende eeuw krijgen we een meeslepend beeld van haar, met als ontroerendste gedeelte haar liefde voor een zeeman van wie ze in verwachting raakt. Ignacio heeft zich voor die tekst – vooral voor de taal – grondig gedocumenteerd, onder andere bij Bredero: ‘Maar dat lere se je niet op school, wat het leve is. De burgerij, het grachtevolk en de kerk, se hebbe er een wereld van wette en gebode en kaarsrechte hoeke van gemaakt, van rije pale in het water en mure om de stad. Binnen die grense word je voortgeduwd’.

    Betico Croes

    Zelfs in ‘Nader tot jou’ – een sterk autobiografisch gekleurd verhaal waarin de gekleurde verteller zich richt tot Gerard Reve gaat het over die uitsluiting. De verteller bewondert de volksschrijver ondanks diens bewering dat ‘zwarten erfelijk minder begaafd zijn dan blanken’.
    Daarnaast gaan de verhalen een verbinding aan in opvallende dwarsverwijzingen. Zo is Ma Mercedes in ‘Radio Gaga’op Aruba hulphuishoudster in het gezin van de rijke Libanese familie Mansur (een naam die ook al in zijn eerst boek Kus opdook en nu weer in verschillende verhalen in Goudjakhals). Deze had in Beiroet een familiehuis dat sterk doet denken aan dat uit ‘Chatilat Road’ en ‘De host’. En ook Mercedes is naar de rand van de maatschappij geduwd. Ze heeft nauwelijks geld, wordt geridiculiseerd door vrouwen uit de buurt en gaat bijna ten onder aan de hunkering naar haar zoon die in Nederland is gaan wonen. Ze mist haar overleden man die bevriend was met Betico Croes, maar ook dat is een wereld waaruit ze verbannen is. Als ze haar hoop stelt op Croes om haar zoon uit Nederland terug te halen, laat hij haar vallen.

    Wie in de schoenen wil staan van vluchtelingen of anderszins geïsoleerde mensen moet Goudjakhals lezen. Ignacio drukt je onontkoombaar met je neus op hun levens.