• Nooit helemaal gelijkwaardig

    Nooit helemaal gelijkwaardig

    ‘… en nauwelijks stonden de twee zussen bij ons in de wasserij, (…) of ik had het gevoel dat de ramen van onze wasserij wijd openstonden (…)’ .

    Dat verfrissende gevoel heb je ook als je Duiven vliegen op leest. Zo fris, licht en sprankelend is het geschreven.

    De zinnen van Nadj Abonji zijn lang. Heel lang soms. Maar dat hindert niet. Sterker nog, het is één bruisende stroom van gedachten, feiten, historische gegevens en familieverhalen die zo natuurlijk met elkaar verbonden worden dat je niet anders wilt dan doorlezen. Of opnieuw beginnen als je het boek uit hebt.
    Wat Nadj Abonji vertelt in Duiven vliegen op is ook de moeite waard. Ze vertelt over de Hongaars-Servische familie Kocsis, over hun inburgering in een nieuw vaderland, over de oorlog in hun eigen land en over de familieleden die daar zijn achtergebleven.

    Met niet meer dan een koffer komt Miklos Kocsis in 1970 in Zwitserland aan. Later volgt ook zijn vrouw Rósza. Hun dochters, Ildikó en Nomi blijven onder de hoede van hun grootmoeder achter in Vojvodina, een Hongaars-Servische provincie in het voormalige Joegoslavië. Het duurt nog ‘drie jaar, tien maanden, twaalf dagen voordat de inreisvergunning voor de kinderen er eindelijk was’.

    Miklos en Rósza werken keihard, slikken veel en blijven doorgaan. Allemaal voor een beter leven voor hun dochters. Het buffelen wordt beloond: ze halen hun inburgeringscursus, krijgen het Zwitserse staatsburgerschap en zijn trots als ze café-restaurant Mondial mogen overnemen. ‘Mogen’ overnemen, zo voelen zij dat. Dat gevoel blijft manifest in hun houding. Dankbaar, dienstbaar en toch nooit helemaal gelijkwaardig. Dat is precies waar Ildikó uiteindelijk zó van baalt, dat ze een drastisch besluit neemt.

    Ildikó, of Idli zoals ze meestal genoemd wordt, is de verteller in het verhaal. Ze is dertien als ze in Zwitserland aankomt. Later geeft zij haar universitaire studie (tijdelijk) op om samen met haar zusje mee te werken in het Mondial. Via haar maken we kennis met de familie in Vojvodina bij wie ze voordat de Balkanoorlog uitbreekt, nog regelmatig op bezoek gaan. De beschrijvingen van die bezoeken zijn een feest om te lezen en passen naadloos in de Oost-Europese verteltraditie. Nadj Abonji’s stijl versterkt dat genot alleen maar.

    Als de Balkanoorlog eenmaal is uitgebroken, is het afgelopen met de familiebezoeken en is er uiteindelijk helemaal geen contact meer mogelijk met de achtergebleven familieleden. In het Mondial gaat het leven door. Op de achtergrond is die oorlog echter steeds aanwezig. De oorlog verdeelt niet alleen families en gemeenschappen ter plekke maar bereikt zelfs de keuken van het Mondial, waar twee keukenhulpen plotseling ruzieën over Tuđman en Milosevic.
    De onzekerheid over het lot van de familie is zwaar, niet alleen voor de ouders, maar ook voor de beide zusjes. Idli: ‘Later, op de weinige momenten dat het mogelijk zou zijn geweest om over dit abrupte einde van ons leven zoals we dat tot dusver hadden gekend, te praten, was het altijd onmiddelijk duidelijk dat, wat betreft ons geboorteland, alleen moeder en vader aanspraak op de diepere, pijnlijker gevoelens mochten maken; wat er in die tijd in Nomi of mijzelf omging was van weing of geen belang.’
    Uiteindelijk breekt het haar op om altijd alleen maar rekening te houden met haar ouders en hun houding ten opzichte van het nieuwe vaderland. Ze maakt zich vrij.

    Subtiel maar onmiskenbaar maakt dit boek duidelijk hoeveel mensen moeten slikken als ze hun leven achter zich laten en wat willen bereiken in een nieuw land; en wat dat betekent voor de volgende generatie.

    Duiven vliegen op bevat veel autobiografische elementen. Melinda Nadj Abonji (1968) was zelf vijf jaar toen ze vanuit Vojvodina in Zwitserland aankwam. Haar moedertaal is Hongaars. Voor dit boek ontving zij in 2010 zowel de Duitse als de Zwitserse prijs voor het beste boek van het jaar.

     

  • Eenzame getuige in tweestrijd

    Eenzame getuige in tweestrijd

    ‘Ik zag sterren, ze straalden helder aan de zomerse nacht, ze waren kil, onverschillig, maar schenen over de gehele stad, ook over deze wijk die onder slaag gebukt ging. “Ik moet alleen daarnaar kijken,” zei ik. “Jammer dat ik daar niet eerder aan heb gedacht, nu zal ik niet meer alleen zijn als ik aan die sterren denk. Ze horen bij me en hebben me altijd toebehoord, niemand kan ze van me afpakken.’

    Dit zijn de gedachten van Josef Roubíček, wanneer hij bij de Joodse gemeente een baantje heeft gekregen en ’s nachts de stad in moet om affiches te verwijderen of antifascistische teksten op muren over te schilderen. In het volgende hoofdstuk krijgt hij een gele ster, die hij op zijn kleding moet naaien. Twee betekenissen van het woord ster in de titel. Een illustratie van de stijl van Jiří Weil, die observeert, registreert, beschrijft.

    Josef Roubíček woont alleen op een kale, koude zolderkamer van een kleine, verwaarloosde woning in een buitenwijk van Praag. Hij wacht op het bericht, dat hij op transport moet. Hij is helemaal alleen, zijn vroegere geliefde heeft hem verlaten. Voor de oorlog had hij een rustig, prettig leven. Hij werkte als bankbediende, had een inkomen waarmee hij redelijk comfortabel kon leven, ging met zijn geliefde Růžena naar de bioscoop of uit eten, of soms een dagje op stap. Door de bezetting van de Duitsers verandert zijn leven totaal. Aanvankelijk heeft Růžena voorgesteld om samen te vluchten naar het buitenland, maar Josef kan niet beslissen en dan is het op een gegeven moment te laat.
    Langzaam maar zeker verandert alles: hij krijgt geen geld meer, hij mag niet meer ’s morgens naar winkels, hij mag niet meer in parken en op pleinen, hij mag niet meer met de tram reizen. Talloos zijn de acties die door de bezetters bedacht worden om de Joodse bevolking te vernederen.
    Eerst denkt Josef, dat de oplossing is, dat hij zich helemaal terugtrekt, onzichtbaar wordt. Hij gaat inderdaad overal lopend naar toe, maar door de voortdurende honger gaat zijn conditie achteruit en zakt hij op straat bijna in elkaar.
    Op een dag krijgt hij via de Joodse Gemeente werk, eerst het overschilderen ’s nachts, later een baantje op het Joodse Kerkhof, waar ze met enkele mannen bladeren moeten vegen, de graven schoonhouden, in de zomer ook nog wat groente verbouwen voor patiënten uit het Joodse ziekenhuis. Op het kerkhof komt hij in contact met mensen, die hun levensperspectief afmeten aan de kansen op het dreigende transport.
    Van een vroegere klasgenoot heeft hij wat geld gekregen en Josef leeft een tijd rustiger, hoewel de spanning om de oproep blijft.
    Intussen is een zwerfkat , Thomas, bij hem ‘ingetrokken’. En zoals Josef in het begin steeds in gedachten tegen zijn voormalige geliefde Růžena praat, heeft hij nu de poes om aan te vertellen wat hij allemaal denkt.

    Door een stom toeval bij de Joodse gemeente blijkt zijn kaart niet uit de kaartenbak gehaald te zijn en wordt Josef Roubíček niet opgeroepen voor het transport naar Theresienstadt. Nu wordt hij getuige van het lot van anderen, die verschillend reageren op hun toekomst. Zijn klasgenoot Pavel, die getrouwd is en een kind heeft, meent dat hij om die reden niet kan vluchten en zijn lot – weggevoerd worden met zijn gezin – moet aanvaarden. Een vroegere collega is van mening, dat hij zelfmoord moet plegen en dan vooral om zijn vrouw en dochter hun kansen op een normale toekomst niet te ontnemen, hij staat hen als Jood alleen maar in de weg. Op het kerkhof hoort hij het verhaal van ene Froehlich, die vroeger directeur van een groot bedrijf was en die een oud-medewerker al zijn geld heeft gegeven om bij hem te kunnen onderduiken. Wanneer hij wordt ontdekt, verdedigt hij zich met zijn pistool en vecht zich letterlijk dood. Dit roept onder de mannen op het kerkhof een discussie op: mag je als je wilt onderduiken zo het leven van een ander in gevaar brengen?

    Wanneer een jonge arbeider, Josef Materna, die in het buurhuis woont, Josef voorstelt, dat hij hem wil helpen door een onderduikadres te zoeken, slaat wederom de twijfel toe. En talloze vragen: wat voor zin heeft zijn leven eigenlijk? Voor wie moet hij blijven leven? Wil hij blijven leven? Wie heeft hem nog nodig?
    Zijn tante en oom, die vroeger voor hem gezorgd hebben, zijn al weg met het transport, net als zijn vrienden en de collega’s met wie hij werkte. Wanneer de kat Thomas doodgeschoten is door een ‘man met een pet die in die prachtige villa woont en die zo graag in uniform rondloopt’ is Josef ten einde raad: ‘… ze hadden Thomas doodgemaakt, die lui hadden het gedaan, zoals ze ook mij wilden doden. Wat maakte het ze uit of Thomas schuldig was of niet, ze hadden hem gedood omdat die lui het recht hadden om te schieten, omdat ze geweren hadden en zich verveelden als ze niemand konden doden.’
    Kort daarop hoort hij door luidsprekers op straat namen omroepen van mensen, die doodgeschoten zijn, hij hoort ook de naam van Růžena.
    Tenslotte, als alles en iedereen hem afgenomen is, vindt hij de kracht voor zijn beslissing om te blijven leven.

    Jiří Weil heeft in deze roman veel feiten uit zijn eigen leven verwerkt. Toen hij in 1942 een oproep kreeg, fingeerde hij een zelfmoord door de schijn te wekken, dat hij in de Moldau was gesprongen. En daarna bleef hij tot het eind van de oorlog ondergedoken.
    Op ongelooflijk knappe wijze heeft hij de waanzinnige, absurde omstandigheden en de dilemma’s van de hoofdpersoon beschreven. Dit boek zet echt aan het denken. Over de waarde van bezit, over de invloed van de omgeving, een onderdrukkend systeem op de mens, over de relatie tussen mens en dier, over verantwoordelijkheid, over leven en dood.
    Op de achterflap staat een citaat van Philip Roth ‘Dit boek is zonder enige twijfel de meest indrukwekkende roman over het lot van de joden tijdens de nazibezetting die ik ooit onder ogen heb gekregen. Ik ken geen boek dat ermee te vergelijken is.’ Dit is niet zomaar een aanbeveling. Het is inderdaad een schitterend boek, bijna universeel zou je zeggen.

     

  • Schone schijn in Suburbia

    Schone schijn in Suburbia

    De Amerikaanse auteur John Cheever (1912-1982) was vooral bekend om zijn succesvolle korte verhalen. Zijn romans daarentegen werden geprezen én verguisd. Cheever ontving onder andere de Pulitzer Prize for Fiction en de National Medal for Literature. Zijn roman Bullet Park verscheen in 1969. Een slechte recensie op de voorpagina van de New York Times Book Review verergerde Cheevers alcoholprobleem en bracht hem in een diep dal. Zijn volgende roman Falconer werd wel  lovend ontvangen. Het boek stond wekenlang op 1 in de New York Times Bestseller List. De Nederlandse vertaling van Bullet Park (1969) verscheen voor het eerst in 1980. In 2012 volgde een heruitgave door Van Gennep en deze druk werd door vertaler Guido Golüke volledig herzien.

    Bullet Park is een vreemd boek qua opbouw, perspectiefwisselingen en plot. Het doet misschien nog wel het meeste denken aan The Great Gatsby, als het gaat om het handhaven van jezelf in een droomwereld. Bullet Park is niet zo zeer een goede of mooie roman. Het laat zich eerder lezen als een analyse van en een kritiek op de Amerikaanse samenleving. Cheever laat doelbewust en vol ironie de achterkant van het leven in de buitenwijken zien. De keerzijde van de Amerikaanse droom. Er gebeurt vrij weinig, maar toch is het boek interessant om te lezen: het geeft de tijdsgeest van de jaren 60 weer en die blijkt nog heel wat raakvlakken met het heden te hebben.  Alleen al daarom was Bullet Park een heruitgave waard.

    Niets is wat het lijkt in de wijk Bullet Park. Hoofdpersoon Elliot Nailles is vreselijk gelukkig en de verbetenheid die hij daarin tentoonspreidt is bijna angstaanjagend. ‘Nailles zag pijn en lijden als een vorstendom ergens achter de wettige grenzen van West-Europa.’ En het was absoluut niet ‘de bedoeling dat hij daarheen reisde…’ Niet alleen Nailles leidt een perfect modelbestaan, datzelfde geldt voor zijn buren en vrienden. Maar stukje bij beetje komen hun werkelijke levens aan het licht, al doet de hele buurt angstvallig zijn best om alleen het goede te zien en alle barstjes in het dunne laagje vernis weg te poetsen.

    De opbouw van het boek is curieus. Het is verdeeld in drie delen. In het eerste deel staat Elliot Nailles centraal, in het tweede deel zijn tegenpool Paul Hammer. In het derde deel komen beide verhaallijnen samen, al overlappen ze elkaar soms al in de eerste twee delen. Cheever wisselt snel en bijna onopgemerkt, ook binnen de delen, van tijd en perspectief en dat maakt dat de lezer in het begin even moet wennen en misschien wat moeilijk in het verhaal komt. Het boek begint met een scène in de derde persoon verleden tijd, maar loopt bijna onopgemerkt over naar een vertelwijze in de eerste persoon tegenwoordige tijd. Dit wordt vaak in het boek toegepast: tijden en perspectieven wisselen elkaar continu af. Toch stoort dit niet, deze overgangen gaan vloeiend in elkaar over. Maar als lezer word je wel af en toe op het verkeerde been gezet.

    In het eerste deel doet Nailles dus hardnekkig zijn best om gelukkig te zijn (en te lijken). Hij ziet ook in anderen niets dan het goede. ‘Hij ging er bij alle mannen en vrouwen van uit dat ze eerlijk en oprecht, betrouwbaar en gelukkig waren en werd vaak verrast en teleurgesteld.’ Het eerste scheurtje in het geluk van Nailles komt aan de oppervlakte als zijn zoon Tony niet meer op wil staan. ‘Ik hou van de wereld. Ik voel me alleen gedeprimeerd, dat is alles,’ verklaart Tony die weken in bed blijft. Nailles wil er niet aan dat er iets ergs aan de hand is en houdt hardnekkig vol dat zijn zoon de Ziekte van Pfeiffer heeft. Flashbacks laten het leven van de familie Nailles vóór Tony’s ziekte zien. Het leventje van Nailles gaat zijn gangetje (in het heden en verleden), al is er af en toe wat turbulentie die haastig wordt weggepoetst. Een humoristische scène ontstaat als Tony een oudere weduwe met wie hij naar bed is geweest uitnodigt voor een gezinslunch. Zijn ouders zijn in shock als ze er achter komen dat dit serpent hun onschuldige 17-jarige zoon verleid heeft. Hoe komt deze lunch ooit nog goed, vraag je je af. De oplossing is heel simpel. Ze spelen gewoon het spel ‘ik heb mijn grootmoeders koffer gepakt’. Dat deden ze immers ook altijd toen Tony klein was en ‘het allemaal niet zo goed ging.’ En zo wordt de lunch uitgezeten en is het gezin na afloop weer net zo gelukkig als daarvoor. Nailles’ leven kabbelt verder naar de scène die duidelijk maakt waarom Tony in bed blijft liggen en wat de rol van Nailles daarin is. De gemoederen lopen hoog op op het golfveld. ‘Ik kon maar niet begrijpen hoe mijn enige zoon, van wie ik meer hou dan van wat dan ook ter wereld, me zover kon krijgen dat ik hem wilde vermoorden.’ Hier zitten we dus duidelijk weer in het ik-perspectief.

    In deel 2 schakelt Cheever over naar Paul Hammer, al kan ook hier het perspectief zo maar switchen naar Nailles, of iemand anders. In tegenstelling tot het geluk van Nailles, zwelgt Hammer in zijn ongeluk. Hij is een onecht kind met een afwezige vader en een moeder die volledig op gaat in haar eigen excentriciteit. Zijn oma voedt hem vanaf zijn zesde op en haar eerste daad is hem zijn onechte naam afnemen. Voortaan heet hij Hammer, omdat er toevallig een man met een hamer langs liep. Hammer is vreselijk eenzaam, maar koestert dit gevoel ook. Hij ontdekt dat bastaards een bedreiging voor de geordende samenleving vormen en buit dit uit. Na een rusteloze zwerftocht over de wereld bezoekt hij zijn moeder. In een van hun spaarzame gesprekken brengt zij hem op het idee om ‘de wereld wakker te schudden’. Paul Hammer strijkt kort daarna, inmiddels getrouwd, neer in Bullet Park waar hij uiterlijk net zo perfect probeert te zijn als zijn buren. Maar hier in Bullet Park zal hij zijn morbide plan om de wereld te veranderen uitvoeren. Het is toeval dat hij daarvoor zijn oog op Nailles als lijdend voorwerp laat vallen. ‘Er was die toevallige combinatie van onze namen en ik vond dat hij een prettig uiterlijk had.’ De eerste band ontstaat tussen beide mannen als zij getuigen zijn van de zelfmoord van een man die voor de trein springt. ‘Ze waren slechts kennissen maar het dodelijk ongeluk had hen in een intieme relatie gedreven.’ En ineens is de alwetende verteller weer aanwezig. Deel 3 telt slechts 19 van de 228 pagina’s van het boek en hier gebeurt eindelijk écht wat. En niet zomaar wat: razendsnel ontvouwt de plot zich. De ironie druipt van de pagina’s, vooral de bijtende laatste zin is gedenkwaardig. En dan is het boek, eigenlijk heel abrupt uit. Net als het verhaal begonnen is. Maar natuurlijk leefden ze nog nog lang en heel, heel gelukkig. Of toch niet?

     

     

  • Zwanenzang begeleid door een engel

    Zwanenzang begeleid door een engel

    Het overlijden van Christa Wolf op 1 december vorig jaar maakte haar laatste boek Stad der engelen of The Overcoat of Dr. Freud, waarvan de Nederlandse vertaling slechts luttele weken voor haar sterfdag verscheen, tot haar zwanenzang. Met haar verdween een literaire icoon uit de voormalige DDR, een staat die zij ruim 22 jaar overleefde, zij het niet van harte volgens sommige Duitsers die meenden dat ze met te weinig wrok omzag naar de volksdemocratische dictatuur van weleer. De schrijfster presteerde het in ieder geval in beide Duitslanden voor controversieel door te gaan. Al dienden de controverses in het verdeelde Duitsland en die van na de Duitse hereniging haar reputatie niet in gelijke mate. In hoeverre is haar literaire reputatie gediend met Stad der engelen?

    De cover spreekt van een ‘roman’, maar is het dat wel? We volgen 375 bladzijden lang de wederwaardigheden van een naamloze ik-figuur die een beroemde Duitse schrijfster is van wie verteld wordt dat ze Kassandra heeft geschreven en die eind 1992 een uitnodiging voor een studieverblijf in Los Angeles aanneemt, zogenaamd om studie te doen naar een zeker L., met wie haar vriendin Emma een briefwisseling onderhield, maar in werkelijkheid om in haar eigen leven orde op zaken te kunnen stellen. Want dat laatste is hard nodig in haar staat van emotionele ontreddering sinds gebleken is, vlak voor haar vertrek, dat haar bewustzijn danig te kort geschoten is. Wat was het geval.

    Nadat de Stasi-archieven opengingen, bleek dat de beroemde schrijfster – we hebben het natuurlijk over Christa Wolf – niet alleen zelf duchtig van alle kanten bespioneerd bleek te zijn, maar ook – hoe pijnlijk – bleek dat ze tussen 1959 en 1962 zelf een klein dossier over collega’s bij elkaar had gesprokkeld voor de Geheime Dienst. Haar Täterakte. Ze was zelf stomverbaasd toen ze de documenten onder ogen kreeg in het archief. Hoe had uitgerekend zij dit kunnen vergeten? ‘Het gaat om herinnering, dat is al heel lang mijn onderwerp. En dat had ik kunnen vergeten’. Verdrongen? Ze moet er in ieder geval mee in het reine komen, want Christa Wolf hield er niet alleen een hoge morele standaard op na, in haar oeuvre laat ze de waarheidsgetrouwe herinnering onlosmakelijk met authenticiteit verbonden zijn; het vormde zo het enige houvast voor het individu om zich staande te houden tegen het verdrukkende collectief. En ze had nota bene zelf in Wat blijft ampel beschreven op welke wijze de Stasi haar in de gaten had gehouden. Maar over haar eigen figurantenrolletje in het kamp van de vijand, die blinde vlek, had ze het nooit gehad. Haar geheugen heeft steken laten vallen. Daarvoor kan niet meer worden ingestaan. Wellicht dat uit voorzorg ‘roman’ op het boek is gezet.

    Zo gauw de media er lucht van kreeg, was hoon haar deel. Om zich in deze ontredderde staat niet bloot te hoeven stellen, kwam de uitnodiging van het Getty Center in Santa Monica, Los Angeles als een geschenk uit de hemel. Tegen de tijd dat Wolfs daderdossier hét onderwerp van gesprek is in haar vaderland, zit Wolf aan de Amerikaanse Westkust in een schrijvershuis en tracht ze zichzelf weer in het gareel te krijgen. Door de vele gesprekken met de andere gasten, maar ook door het lezen van de dagboeken van o.a. Thomas Mann, Heinrich Mann en Bertholt Brecht, de Duitse Exilschrijvers die destijds, opgejaagd door de Nazicultuur in eigen land, in het ‘Weimar onder de palmen’ hun toevlucht zochten. Niet zozeer om zich met hun politieke positie te vergelijken, maar vooral hoe zij hun authenticiteit bewaakten, hoe zij zich ontheemd en wel overeind hielden.

    Er wordt veel over en weer gediscussieerd tussen de intellectuele medebewoners van het schrijvershuis. Daarbij lopen er ook nog eens drie tijdlagen door het boek. Het heden van het schrijfmoment zelf waarin de ik zich af en toe een opmerking over de bankencrisis, terrorismedreiging en Irakoorlog veroorlooft, maar waarin vooral voortgeborduurd wordt op de gedurende haar verblijf, eind 1992/begin 1993, in LA gemaakte aantekeningen die als vliegwiel fungeren voor de verdere overpeinzingen aangaande haar verblijf aldaar en het geleverde gevecht met zichzelf en ten slotte de mede daardoor losgeweekte herinneringen: van haar vroegste jeugd, haar vlucht voor de Russen in 1945 van Polen naar Duitsland, haar studietijd tot aan haar schrijversloopbaan in de DDR en de val van de muur toe, die alle in de jij-vorm zijn geschreven. Alsof de ik zich door het falen van haar geheugen afgesneden voelt van de ikken uit haar herinnering. Als zou door die stoet van herinneringen de revue te laten passeren haar geheugen weer geijkt kunnen worden.

    Een echte lijn in het verhaal is moeilijk te ontwaren. Al groeit het boek meer en meer in zijn los-vaste vorm vanaf het moment dat de ik-figuur in haar relaas eindelijk aan haar ontdekking van haar eigen daderdossier toe is. Daarvóór heeft ze meer oog gehad voor het schrijvershuis en haar collega’s. Maar als dat eenmaal is verkend is het de hoogste tijd voor de Overcoat van Dr. Freud. Aanvankelijk zou ze zich daaronder nog willen verschuilen, maar ze begrijpt dat die jas helemaal binnenste buiten moet worden gekeerd opdat de blinde vlek zich in zijn naaktheid zal tonen. Ook het fenomeen van de herinnering komt op de snijtafel te liggen. ‘Het is immers niet alleen dat ik veel ben vergeten.

    Veel bedenkelijker is misschien nog wel dat ik er niet zeker van ben wie degene is die zich herinnert.’ Ergens halverwege vraagt ze zich af: ‘Hoe moet ik voorkomen dat ik gedwongen word mezelf te rechtvaardigen, de domste van alle mogelijke houdingen. Maar bestaat er voor dit geval wel een mogelijke, een juiste, een gepaste houding. Of verval ik weer in de fout te vragen naar wat de anderen willen?’

    Ze wendt zich in haar nood volop tot haar omgeving: zo wordt een psycholoog uit Zürich geconsulteerd die met Freud kan verklaren dat er niets menselijker is dan verdringing en dat zonder vergeten niet te leven valt. Ook door anderen laat ze haar geweten sussen. En hoe ging Thomas Mann om met zijn geheim van de erotische liefde? Mann noteerde in 1949 in zijn dagboek: ‘Over dit alles belijdend schrijven zou desastreus voor mij zijn.’
    Wolf is bereid verder te gaan en ‘de onvermijdelijke pijn niet [te] vrezen’. De blik keert zich meer naar binnen en de toon wordt analyserender, maar ook losser en persoonlijker. De verschillende stukken lijken steeds soepeler aan elkaar geregen te worden.

    De echte redding komt ten slotte van een engel! En daarmee zit er toch een fantastisch element in het verhaal dat het etiket ‘roman’ rechtvaardigt, want in de loop van het verhaal eigent de ik zich een beschermengel toe, Angelina, die gemodelleerd is naar de zwarte schoonmaakster in het schrijvershuis in Santa Monica, die de ik-persoon al eerder was opgevallen omdat ze ‘echt zwart’ was. Deze Angelina is broodnuchter en daarmee de ideale leidsvrouw voor een toch wat ernstige hoofdpersoon die voordat ze socialist werd ook nog haar geweten stijfde als belijdend lid van de protestante kerk. Eerder heeft de ik al steun gevonden bij de Duitse Barokdichter, Paul Fleming, die haar leerde dat het eigen lot alleen te dragen valt zolang je trouw blijft aan jezelf. Wil met de reddende engel ook de reddende kracht van de verbeelding benadrukt zijn? De engel leert haar in ieder geval vliegen en zo vliegt de ik het verhaal uit. Van een verhaal dat 375 pagina’s eerder inzette met de zin ‘Uit de hemel vallen, dat was de zin die me te binnen schoot, toen ik in LA landde’, kan men wellicht zeggen: eind goed, al goed.

    Wie voor oneliners gaat is bij Wolf aan het verkeerde adres. Nergens een rustpunt in het verhaal. De lezer zit even opgesloten in het verhaal als de ik-persoon. En passant worden politieke issues aangeroerd: de oorlog in Irak, de rassenrellen in LA uit begin jaren ’90. De westerse onvrijheden uit de McCarthy-tijd worden – typisch Christa Wolf – met de onvrijheden van achter het IJzeren Gordijn vergeleken. Van een zeker moralisme valt Wolf nooit helemaal vrij te pleiten: Black is Beautiful en op een bankje in Ocean Park zit het zoveel aangenamer naast een Indiaan ‘een van de oerbewoners’ dan naast een tweetal ‘spierwitte jongemannen’ die haar meteen een ‘Mormonenbijbel’ willen aanpraten.

    Maar de toon is niet altijd even zwaar. Wolf verstaat de kunst zo hier en daar af te wisselen met een losse streek, een lichte toets. Zo belandt ze in een kappersstoel en constateert: ‘het gezicht in de spiegel stond me niet aan, zoals meestal als ik gedwongen ben er lang naar te kijken’. Maar de lichte toets schiet vooral wortel in de passages waar Angelina ten tonele wordt gevoerd. Dan sluipt er zowaar iets van ironie in het verhaal: ‘in de voorstelling die ik mij als kind van mijn beschermengel had gemaakt moest Angelina sowieso gedachten kunnen lezen. Niet altijd, zei Angelina, vaak was ze daar door al het harde werken gewoon te moe voor. Maar je weet het trouwens zelf wel. Wat, vroeg ik, wat weet ik zelf wel. Ik kon het niet laten de engel een beetje onder druk te zetten, die zei dat ik toch wist dat het antwoord altijd voor het grijpen lag zodra je een vraag eenmaal kon stellen, waarom zou ik het antwoord dus uit haar moeten trekken, zij was er immers alleen voor noodgevallen, waar bleven we anders.’

    Zoals de reddende engel de psychische staat van de ik vlot trekt, zo trekt ze ook de soms wat al te ernstige plooi uit het verhaal. Al met al imponeert het boek wel degelijk, al moet het even op gang komen. Met al zijn geredeneer, terugblikken en herinneringen vormt het een waardige afsluiting van een veelbewogen schrijversleven.

     

  • Orde op zee

    Orde op zee

     

    Siegfried Lenz (1926) behoort met Günter Grass, Heinrich Böll en Martin Walser tot de Grote Vier van Duitsland. In Nederland is Lenz de minst bekende van deze schrijvers, maar uitgeverij Van Gennep brengt daar verandering in. Na de heruitgave van zijn klassieker Duitse les, de goed ontvangen verhalenbundel Het begin van iets en de uitgave van zijn recente roman Een minuut stilte, komt Van Gennep nu met de hertaling van de kleine roman of lange novelle Het lichtschip.

    Lichtschepen zijn inmiddels uitgestorven, maar in de tijd dat dit boek verscheen (1960) waren ze onmisbaar, deze vuurtorens op het water. Het lichtschip van Lenz ligt in de Oostzee en is een baken in dit letterlijke mijnenveld tussen de wandelende zandbanken van de Kieler Bocht. Het verhaal speelt zich af negen jaar na de Tweede Wereldoorlog. De mijnen zijn geruimd en de taak voor het lichtschip zit erop. Kapitein Freytag en zijn bemanning beginnen aan hun laatste dienst. Freytag, een oude man met knoestige vingers, kromme benen en altijd met een uitgedoofde, halfopgerookte sigaret in zijn mond, heeft deze laatste dienst zijn bleke, slungelige zoon Fred meegenomen. Zijn vader leidt hem rond aan boord en zo maken wij als lezer ook kennis met het schip en de bemanningsleden, zoals de stuurman, de machinist, de marconist in de radiohut en de kok. Een volledige bemanning voor een schip dat vrijwel niet van zijn plaats komt: ‘een schuit die niet vrij was, die niet naar andere, verre kusten voer, maar als een gevangene aan een lange ketting lag, gekluisterd aan een anker dat diep in het zand lang begraven.’

    Siegfried Lenz houdt ook de lezer gevangen: de ruim 150 bladzijden verlaten we het schip niet. We bevinden ons op het water, met zicht op de deinende schepen en omringd door krijsende meeuwen. Saai wordt dat niet. Al binnen een paar bladzijden signaleert Fred een afdrijvende motorboot in nood. Er wordt een reddingsactie in gang gezet en de drie mannen van het bootje komen aan boord van het lichtschip. Dan beginnen de problemen. De mannen zijn geen zielige schipbreukelingen, maar voortvluchtige criminelen. En niet onbelangrijk: ze zijn in het bezit van machinegeweren. Ze verlangen niets meer dan dat hun boot gerepareerd wordt en dat ze zonder een spoor achter te laten hun vlucht kunnen voortzetten. Wat te doen als kapitein? Wat is je plicht? Doen wat je gevraagd wordt of actie ondernemen?

    Net als Herman Melville gebruikt Lenz het scheepsleven als achtergrond voor morele kwesties. Alleen is de nuchtere Freytag het tegendeel van de bezeten kapitein Ahab uit Moby Dick. Freytags standpunt is duidelijk: ‘Ik wil rust op mijn laatste torn. En ik wil ook dat we allemaal weer heelhuids aan wal komen als het schip naar binnen gaat.’ Daarnaast staat voor hem vast dat het lichtschip op zijn plaats blijft, anders houdt de orde op zee op. De bemanning en zijn zoon hebben echter heel andere ideeën; zij willen de mannen overmeesteren en uitleveren. Ze willen vooral iets doen en niet afwachten. Ze verwijten de kapitein dat hij laf en besluiteloos is.

    Deze posities worden uitgewerkt in dialogen tussen de kapitein en bemanningsleden en tussen vader en zoon. Die gesprekken zijn misschien niet natuurgetrouw, maar bevatten prachtige uitspraken, zoals deze van Freytag: ‘Ik ben nog nooit een held geweest en een martelaar wil ik ook niet worden. Ik heb die altijd alle twee maar verdacht gevonden; ze sterven te simpel, ze zijn ook in de dood nog zeker van hun zaak – te zeker, geloof ik en dat is geen oplossing.’ Ook in de discussies tussen de tegenpolen Freytag en de crimineel dr. Caspary komen filosofisch getinte thema’s aan de orde, zoals de macht van gevangenen ten opzichte van hun heren. Macht en onmacht, plicht en geweten, gezag en orde: het zijn bekende thema’s die Lenz later verder uitwerkt in zijn magnum opus Duitse les.

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende Siegfried Lenz bij de Duitse marine. Hij deserteerde toen hij weigerde een opstandige medesoldaat dood te schieten en werd krijgsgevangene van de Britten. Zijn ervaring bij de marine verklaart ook het veelvuldige gebruik van scheepstermen in de beschrijvingen van het leven aan boord. Patrijspoorten, borstweringen, boegsprieten en valrepen, maar ook weinig gebruikte begrippen als davits, praaien en persenning dompelen de lezer onder in het jargon van de scheepvaart. Daarnaast vallen in het taalgebruik de vele vergelijkingen en metaforen op: de zegelring van dr. Caspary ‘die als een glanzend gezwel aan zijn behaarde hand zat’, masten van gezonken schepen die uit het water steken ‘als de spijkers in het bed van de fakir’ en Freytag die staat als ‘een magneet die alle aandacht als ijzervijlsel naar zich toetrok’.

    Het lichtschip is degelijke literatuur: beeldend taalgebruik, grote thema’s en tegelijkertijd vooral ontzettend spannend. Steeds wordt er weer een zet gedaan door een van de personages in dit psychologische schaakspel. De relatie tussen vader en zoon zorgt ervoor dat de filosofische thema’s niet abstract blijven, maar dat het verhaal persoonlijk wordt. Het lichtschip is spannend tot de laatste bladzijde.

     

     

  • Recensie door: Sunny Jansen

    Recensie door: Sunny Jansen

    Ismail Kadares recent vertaalde roman Een noodlottig diner begint met roddels, heel veel roddels. De bevolking van de Albanese stad Gjirokastër heeft dan ook niet veel nodig om aan het speculeren te slaan. De vermeende rivaliteit tussen de twee plaatselijke artsen Gurameto de Grote en Gurameto de Kleine geeft genoeg stof om de tongen in beweging te houden. ‘Dokter Gurameto de Grote was niet alleen ouder en imposanter dan zijn naamgenoot, maar had ook in Duitsland gestudeerd, wat zonder meer een groter en indrukwekkender land was dan Italië waar dokter Gurameto de Kleine zijn opleiding had genoten’.

    Na de Italiaanse capitulatie tijdens de Tweede Wereldoorlog vallen Duitse troepen Gjirokastër binnen. Verzetsstrijders openen het vuur op de Duitse tanks en als vergelding gijzelen de nazi’s 80  inwoners van het stadje. De Duitse commandant, kolonel Fritz von Schwabe, blijkt een oude studievriend dokter Gurameto de Grote, die hem uitnodigt voor een diner. Tijdens het diner vinden vreemde onderhandelingen plaats: ‘Bij alles wat de twee mannen met elkaar bespraken, speelde op de achtergrond een groot probleem. Wat ze van elkaar verlangden leek dicht onder handbereik en tegelijk zo onbereikbaar.’ Toch worden de gijzelaars één voor één vrijgelaten en zelfs de jood Jakoël krijgt zijn vrijheid terug. Maar het diner zelf blijft met raadselen omgeven.

    De roddels scheppen een beladen atmosfeer in Gjirokastër, maar ook de tijd waarin deze roman speelt draagt bij aan de alom heersende verwarring. Duitsers, partizanen, royalisten, nationalisten en communisten volgen elkaar op en bestrijden elkaar. ‘Blijkbaar hadden de oproepen van de communisten tot de gewapende strijd en die van de nationalisten tot verzoening zich met elkaar vermengd als twee luchtstromen die elkaar vanuit tegenovergestelde richtingen ontmoeten, en was er een situatie ontstaan die men geen oorlog en ook geen vrede kon noemen.’ Machthebbers wisselen, de jaren verstrijken en de bewoners van Gjirokastër gaan over tot de orde van de dag. Hun voornaamste gespreksstof wordt als vanouds weer gevormd door beide artsen en geruchten over het stijgende dan wel dalende aanzien van de een ten opzichte van de ander.

    Maar dan is er in 1953 echt groot nieuws: niemand minder dan Jozef Stalin zou van plan zijn de stenen stad te bezoeken. Vanzelfsprekend draait het roddelcircuit overuren. ‘De koude was even fel als altijd, maar de ijspegels fonkelden aan de daken van de huizen alsof het paasfeest al in aantocht was.’ Maar dan worden, totaal onverwacht, beide dokters opgepakt en afgevoerd naar Shanisha’s kerker, de gruwelijke cel in de stadsgevangenis die speciaal voor deze gelegenheid na 150 jaar weer geopend wordt. ‘Geen mens had Shanisha’s kerker gezien, maar dat was voor niemand een reden om er niet over te praten.’ Na lange verhoren komen de communistische ondervragers eindelijk tot de kern van de zaak: ‘Dokter Gurameto de Grote, wij willen u ondervragen over het diner van 17 september 1943…’

    Wat gebeurde er eigenlijk precies tijdens dat diner? Ook dokter Gurameto de Grote zelf vraagt zich dat wanhopig af. Wat als hij op die noodlottige avond echt een dode aan tafel had zitten, zoals het gerucht gaat? Ook de naam van de Joodse apotheker Jakoël komt weer boven. Het onwaarschijnlijke verhaal van de vrijlating van een Joodse apotheker door een Duitse kolonel is niet anders uit te leggen als een Joods complot tegen het communisme, vinden de ondervragers. En dat maakt de stad Gjirokastër plotseling tot het centrum van een wereldwijd Joods complot tegen het communisme. En dat maakt het diner van 10 jaar geleden een noodlottig diner.

    Op dit punt in het boek maakt Kadare een mooie verbinding met Stalins beruchte ‘dokterscomplot’. De communistische leider kreeg steeds meer last van paranoia en in 1953 geloofde hij dat Joodse artsen van plan waren om hem en zijn medewerkers te vergiftigen. Dit Joodse complot tegen het communisme in het algemeen en de Sovjet-Unie in het bijzonder leidde tot de meest gewelddadige anti-semitische campagne uit de Sovjet-geschiedenis. Een dergelijke historische context is typisch voor Kadares werk. Op een geraffineerde wijze combineert hij in zijn romans historische gebeurtenissen met de legenden en volksverhalen van de Balkan. Ook in andere opzichten is Een noodlottig diner representatief voor Kadares oeuvre. Vaak terugkerende motieven in zijn werk zijn geruchten, afgunst en wraak. Deze motieven en ook de voor Kadare zo kenmerkende winterse, kille setting zijn in Een noodlottig diner terug te vinden. Al deze elementen dragen bij aan de beklemmende verwarring en dreiging die Kadares boeken uitademen. In combinatie met de vaak terugkerende dicatuur geeft het zijn werk iets verontrustends. Er is altijd een dreiging aanwezig, een dreiging die schuil gaat achter een web van roddels. Ondanks dat dictatuur vaak terugkomt in zijn romans, leverde Kadare nooit directe kritiek op het Stalinistische regime in zijn eigen land. Toch werd een aantal van zijn boeken verboden in Albanië, maar zijn bekendheid in het buitenland gaf hem een zekere mate van bescherming, waardoor hij zich net iets meer kon permitteren. Sinds de verschijning van zijn roman De generaal van het dode leger in 1963 was hij immers internationaal de bekendste Albanese schrijver. In 1990 verliet hij Albanië als reactie op het terugdraaien van democratische verworvenheden door Ramiz Alia. Hij kreeg asiel in Frankrijk. Sinds 1999 woont en werkt hij afwisselend in Albanië en Parijs. In 2005 ontving hij de Man Booker Inernational Prize en in 2009 kreeg hij de Spaanse Prins van Asturiëprijs. Om af te sluiten met de woorden van Abdelkader Benali: ‘Kadare zal als schrijver de tand des tijds doorstaan én zou de volgende Nobelprijs moeten winnen.’

     

    Een noodlottig diner

    Auteur: Ismail Kadare
    Vertaler: Roel Schuyt
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Aantal pagina’s:  240
    Prijs: 18.90

     

     

     

     

  • Mexicaanse drugswereld vanuit het perspectief van een kind

    Mexicaanse drugswereld vanuit het perspectief van een kind

    De jonge Tochtli is de hoofdpersoon in de debuutroman In het hol van de leeuw van de Mexicaan Juan Pablo Villalobos (1973). Met zijn vader, drugsbaron Yolcaut, woont hij in een zwaarbeveiligd paleis in de woestijn. Yolcaut creëert er een eigen koninkrijk vol drugs, wapens en rijkdom. Tochtli krijgt alles wat zijn hartje begeert: hij bezit een grote hoedencollectie, een playstation met alle mogelijke spelletjes en een privé-dierentuin. ‘De tijgers gebruiken we voor het opeten van de lijken. En daarvoor hebben we ook onze leeuw.’ In Tochtli’s wereld gelden twee wetmatigheden: zijn vader Yolcaut kan alles, en alles is te koop. Nu heeft het kind zijn zinnen gezet op een bijna uitgestorven dwergnijlpaard uit Liberia. Toch gaat Tochtli’s verhaal niet alleen over drugs en geweld, het gaat vooral over eenzaamheid en volwassen worden.

    Vol overgave probeert Tochtli te voldoen aan de verwachtingen van zijn vader. Hij doet zijn uiterste best ‘een echte man’ te zijn. De momenten dat hem dit niet lukt zijn de mooiste scènes uit het boek. Dan is Tochtli bijna een gewoon kind. Bíjna, want hij blijft een kroonprins in zijn vaders koninkrijk. Zijn leven speelt zich af tussen de muren van het paleis en zijn wereldbeeld wordt gevormd door de mensen die hem omringen. Hij denkt zelf dat hij 14 of 15 mensen kent. Helemaal zeker is hij niet, want van één persoon weet hij niet of hij ‘misschien al een lijk is’. En in dat geval telt hij natuurlijk niet mee. Naast de schoonmaakster, bewakers, dealers en prostituées, zijn vader Yolcaut en privéleraar Mazatzin de belangrijkste mensen in Tochtli’s leven. Deze twee totaal verschillende mannen staan voor de twee kanten van Mexico. Leraar Mazatzin is een linkse intellectueel, een idealist. Yolcaut is een keiharde drugsbaron, alleen geïnteresseerd in macht en geld. De eeuwige discussies tussen beide mannen worden door Yolcaut altijd beëindigd met een eenvoudig ‘Lul niet, Mazatzin’.

    Auteur Juan Pablo Villalobos heeft een verrassende en goede keuze gemaakt door dit verhaal over de Mexicaanse drugswereld te vertellen vanuit het perspectief van een kind. Op deze manier lukt het hem om gruwelijke thema’s met onbevangenheid en humor aan de orde te stellen. Bij vlagen is het een absurdistisch boek dat doet denken aan het werk van Miguel de Cervantes, Villalobos’ grote voorbeeld. De uitvoering had echter scherper gekund. Tochtli is nu een kind van een onduidelijke leeftijd. De ene keer handelt hij als een zeven- of achtjarige, de andere keer geeft hij blijk van inzichten van een kind van minstens elf. Villalobos heeft het zich gemakkelijk gemaakt door het boek te laten beginnen met de zin: ‘Sommige mensen vinden dat ik vroegwijs ben.’ Op deze manier rechtvaardigt hij de moeilijke woorden die Tochtli gebruikt. Woorden, die hij voor het slapengaan uit het woordenboek opdiept. Dit levert humoristische scènes op door de manier waarop Tochtli woorden als ‘erbarmelijk’, ‘smetteloos’ en ‘pathetisch’ op geheel eigen wijze in zijn dagelijkse leven gebruikt. Maar helemaal overtuigend is het niet.  Een zin als ‘Daarom mag ik de Fransen wel, omdat ze zo verfijnd zijn.’ wordt niet zo uitgesproken door een kind van acht, elf of dertien, hoe vroegwijs en bijdehand hij ook is.

    Dit punt van kritiek neemt niet weg dat In het hol van de leeuw een prachtig debuut is. In Spanje, het land waar Villalobos sinds enige jaren woont, was het een onverwacht succes en inmiddels zijn de rechten al aan tien landen verkocht. In Groot Brittannië werd het boek genomineerd voor de prestigieuze The Guardian First Book Award en stond het als eerste buitenlandse vertaling op de longlist. Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling, dat het eerste deel is van wat een trilogie moet worden over de Mexicaanse geweldspiraal.

    Toch is dit dunne boek veel meer dan een drugsroman, in het Spaans zo mooi narconovela genoemd. Het is een aangrijpend verhaal over een zoon en zijn vader. Mooi beschreven zijn het streven en het onvermogen van de vader om twee zaken te combineren: hij wil een liefhebbende vader zijn én zijn zoon voorbereiden op zijn toekomst door een echte man van hem te maken. De eenzaamheid van de zoon in zijn paleis wordt trefzeker geschetst. ‘Vandaag verveel ik me zo ontzettend dat ik er wanhopig van word, vernietigend wanhopig. Ik verveel me omdat ik nooit het paleis uit ga en omdat alle dagen hetzelfde zijn.’ Omringd door zijn playstation, zijn hoedenverzameling en de vele cadeau’s waarmee hij overstelpt wordt, is de jongen vreselijk eenzaam tussen de volwassenen en wil hij niets liever dan de goedkeuring van Yolcaut door een stoere man te zijn in de materialistische en gewelddadige wereld van zijn vader. Een hartverscheurend maar prachtig boek.

     

     

  • Recensie: Wij doden Stella – Marlen Haushofer

    Recensie door: Carolien Lohmeijer

    Vorig jaar verscheen bij Van Gennep het boek De wand, de fascinerende roman van de Oostenrijkse schrijfster Marlen Haushofer. Wij doden Stella verscheen in Oostenrijk in 1959, De wand verscheen vier jaar later en in Nederland pas in 1988.

    Net als De wand is Wij doden Stella een boek dat je grijpt. Haushofer schrijft heel direct en maakt niks mooier dan het is.

    Mooi is het ook niet wat er in deze novelle gebeurt. Als haar echtgenoot een weekend met de kinderen bij zijn moeder logeert, maakt Anna, de ik-persoon, van de gelegenheid gebruik om haar herinneringen van zich af te schrijven. ‘Ik wilde ook helemaal niet over die ongelukkige vogel schrijven, maar over Stella. Ik moet over haar schrijven voordat ik haar ga vergeten. Want ik zal haar moeten vergeten als ik mijn oude kalme leven weer wil oppakken.
    Want dat is wat ik echt graag zou willen, in alle rust kunnen leven, zonder angst en zonder herinnering. Voor mij is het voldoende om net zoals vroeger mijn huishouden te doen, de kinderen te verzorgen en uit het raam de tuin in te kijken.

    Dan schrijft ze het verhaal op van het meisje Stella dat tijdelijk bij hen in huis komt wonen, een verhouding begint met haar echtgenoot om vervolgens door diezelfde echtgenoot verstoten te worden en omkomt door een auto-ongeluk.

    Ze schrijft genadeloos eerlijk. Als een alwetende verteller observeert, analyseert en ontleedt ze haar gezinsleden. Ze is daarin keihard. Ze denkt precies te weten hoe iedereen in elkaar zit en waarom iedereen doet zoals ze doen. Ook zichzelf spaart ze niet. Ze is niet gelukkig en wordt gefrustreerd door haar onvermogen om het heft in eigen hand te nemen en haar leven zinvol in te richten. Gesproken wordt er nauwelijks in het gezin. Ieder gaat zijn gang. En iedereen lijkt vrede te hebben met deze verstikkende harmonie.

    Als één van de thema’s van Marlen Haushofer wordt vaak o.a. de ondergeschikte rol van de vrouw binnen het huwelijk genoemd. De rol van de vrouw is in al die jaren na de eerste publicatie van haar boeken wel verbeterd. De lezer van nu zal daarom haar boeken met andere ogen lezen dan die van 50 jaar geleden. Het is zelfs denkbaar dat de moderne lezer misschien zelfs enige irritatie voelt over de defaitistische houding van Anna.

    In zowel Wij doden Stella als De wand gaat het om een vrouw in een isolement. In het eerste boek zit ze gevangen in zichzelf en in een gezin, in De wand zit ze gevangen in haar omgeving maar is helemaal alleen. Het grote verschil is dat ze in De wand ondernemend is en onafhankelijk en daardoor, ondanks haar eenzaamheid, gelukkig kan zijn. In Wij doden Stella heeft ze te weinig omhanden en wordt ze voornamelijk gekweld door haar gebrek aan daadkracht.

    De manier waarop Haushofer die kwelling beschrijft is aangrijpend. Ze grijpt je bij je kladden en laat je niet meer los. Ook niet als je het boek al uit hebt.

    Wij doden Stella

    Auteur: Marlen Haushofer
    Vertaald door: Ria van Hengel (hernieuwde vertaling)
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Prijs: € 9,90

  • Recensie door: Carolien Lohmeijer

    Recensie door: Carolien Lohmeijer

    In de boekhandel ligt de verhalenbundel Tien in de etalages met een sticker erop: Boeken om cadeau te doen.
    Dat is een goede typering voor Tien. Als je het gelezen hebt, wil je het delen en erover praten. In Tien vertelt Andrej Longo tien verhalen aan de hand van de tien geboden. De verhalen spelen allemaal in Napels, en gaan over de greep van de camorra op het leven van zowel de criminele als de gewone Napolitaan. Onderhuidse spanning en botte agressie, het is allemaal aan de orde van de dag.

    Het eerste verhaal gaat over de jongen Papilù die een avondje wil gaan dansen met zijn vriendinnetje. Hij is altijd op zijn hoede:

    Ik leer, ik breng ’s middags koffie rond voor een bar en ik probeer met niemand problemen te krijgen, vooral niet met die gasten die voor Gigino de Nachtbraker werken, die het in alle stegen van de buurt voor het zeggen heeft, en die ze de Nachtbraker noemen omdat hij het liefst ’s nachts leeft. Ze dragen Gigino de Nachtbraker op handen, alsof ie God zelf is, want via hem verdienen ze hun centen, op wat voor manier dan ook. De een dealt, de ander verstopt ‘t spul of de wapens, en weer een ander verkoopt neppe merkspullen of krijgt een baantje in de bouw of bij een schoonmaakbedrijf. Als het even kan, vraag ik niks aan Gigino de Nachtbraker, nu niet en nooit niet, want als je er eenmaal inzit ben je de lul en heb je niks meer over je eigen leven te zeggen. Dan neemt hij de beslissingen in plaats van jij, dan zegt hij wat je wel of niet moet doen, en als je niet gehoorzaamt krijg je gegarandeerd een kogel in je kop. Want zo gaat dat hier.’

    De toon is gezet.

    Dit verhaal maakt je deelgenoot van de slinkse werkwijzen van de georganiseerde misdaad en doen je inzien hoe geraffineerd die misbruik maakt van goede voornemens of gebrek aan persoonlijkheid. Je blijft achter met een gevoel van desillusie. Hoe naïef ben je altijd geweest?

    Andrej Longo baseerde de verhalen op krantenberichten. Ze zijn sober en zonder opsmuk geschreven, en geven inzicht in een rauwe, alledaagse werkelijkheid van het leven in Napels. Tegelijkertijd zijn ze ook warm en gevoelig en tonen ook de sterke kanten van de mens.

    Hoofdpersonen zijn gewone mensen in min of meer gewone situaties, een vader die met zijn zoontje naar de kermis gaat, een bruid vlak vóór het trouwen, een echtpaar dat elkaar treft, een stelletje rotjongens dat rotzooi gaat trappen. Maar als snel geeft Longo een draai aan het verhaal waardoor blijkt dat die hoofdpersonen slachtoffer zijn van agressie, drugs, intimidatie, verkrachting of moord. Soms zijn zij zelf de daders. In dat geval doen ze gevoelloos en stoer. Maar dat is aan de buitenkant. Binnenin zit toch een geweten. Het is weliswaar niet altijd sterker dan hun daden maar brengt hen soms in ernstige verwarring. De slachtoffers zijn sterker. Het meisje dat door haar vader verkracht is onderneemt stappen, de bruid weerstaat de bruidegom en de neergestoken oude man toont fysieke en mentale kracht.

    Dit bundeltje met tien verhalen heb je zó uit. Maar het laat je nooit meer los.

    Andrej Longo kent Napels goed. Hij groeide er op. Voor Tien ontving hij diverse Italiaanse literaire prijzen.

     

    Tien

    Auteur: Andrej Longo
    Vertaald door: Pietha de Voogd en Mieke Geuzebroek
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Prijs: € 9,90

  • Over de onafwendbaarheid der dingen

    Over de onafwendbaarheid der dingen

    ‘… En hij had hem gestoord terwijl hij op het punt stond een stoot te maken. Iedereen die weleens in zo´n biljartzaal is geweest, weet dat het een plek is waar maar weinig regels dienden te worden nageleefd, dat het een plek is waar een mens zijn gang kan gaan. Eigenlijk is er maar één belangrijke regel: niet storen.’

    En toch had Dino dat gedaan. Dino, de stratenmaker die overdag kasseien legt en ’s avonds biljart in het café, durft na drie maanden dralen op ‘godheid’ Cirillo af te stappen. ‘Wil je me leren spelen? had Dino uit het niets gevraagd toen hij bij de tafel was aangekomen.’ Cirillo reageert geïrriteerd maar Dino weerstaat hem en houdt voet bij stuk. Cirillo denkt er zich gemakkelijk van af te maken en antwoordt hem dat hij terug mag komen als hij …’erin slaagt om de bal van acquit zo recht vooruit te stoten dat hij precies weer op dezelfde plek terugkomt…’. Het is het begin van een langdurige vriendschap.

    Dino leidt een ongecompliceerd leven. Hij heeft behoefte aan structuur en vaste patronen. De kasseien geven hem houvast, het biljartspel met zijn strakke, perfecte lijnen is zijn passie. Met Sofia, zijn vrouw, fantaseert hij over verre reizen. Kinderen zullen er niet komen, want Sofia kan geen kinderen krijgen. Maar dan verandert alles in zijn leven. Sofia raakt toch zwanger en de kasseien moeten wijken voor het asfalt. Zijn leven krijgt een andere wending. Het boek ook. Kabbelde het eerder een beetje op de dagelijkse, prettige sleur in het leven van Dino, de straat, de kroeg en Sofia, nu komt het in een stroomversnelling en gebeurt er van alles.

    Tot dan toe kennen we Dino als een vriendelijke, weinig ambitieuze man die alleen in het biljartspel uitdagingen zoekt. Maar dan helpt hij, zonder er al te veel bij na te denken iemand die een misdaad heeft gepleegd. De gevolgen zijn desastreus. Is hij zo in shock of is hij altijd zo naïef geweest? Of heeft hij eigenlijk autistische trekjes? Een arts noemt hem ‘grappig’. Een vreemde woordkeuze want de hele situatie is daar veel te wrang voor.

    Aan het eind van het boek is Dino een aantal ervaringen rijker en zijn er voor hem geen vaste patronen meer over. Hij is weliswaar niet alleen, maar alle houvast is uit zijn leven verdwenen. Toch heeft Grossi met Van acquit geen negatief boek geschreven. Zonder opsmuk, maar in prachtig proza heeft hij een verhaal verteld over de onafwendbaarheid der dingen.

    Grossi heeft een ingetogen, bijna filmische roman geschreven. Een regisseur kan er zó mee aan de slag: ‘Het verachtelijke beest verscheen puffend en hotsend aan het einde van de straat. De reusachtige, opengesperde bek zat vol met een rokende, zwarte brij, de stukken teer hingen er als slieten demonisch kwijl uit. Terwijl het beest vooruitkroop, leek het wel of iemand met een tang in zijn ingewanden roerde en het pijn deed, zo knarste en kraakte het, en van de inspanning blies het een dikke, zwarte rook uit. Het kwam, inmiddels vrij dichtbij, langzaam sissend tot stilstand, uit de oren kwamen witte wolkjes stoom. Terwijl het zijn laatste boer liet, rolde er wat van de dampende modderbrij langs een van de mondhoeken.’

     

     

     

  • Fascinerende desolate roman

    Fascinerende desolate roman

    Varí is de laatste die in het gehucht Aúrno op de Frans/Italiaanse grens is achtergebleven om mimosa en olijven te verbouwen. De overige bewoners hebben die plek allang verlaten. Het is er onherbergzaam en dor, en de wind waait alles droog. Als zijn oogst door vorst mislukt, besluit Varí dat er ook voor hem geen toekomst meer zit in olijven en mimosa.

    Rond dat moment overlijdt de plaatselijke ‘passeur’ en Varí neemt zijn rol over. In eerste instantie om diens aangegane verplichting na te komen, en min of meer op verzoek van de aantrekkelijke jonge vrouw Sabèl, maar later smokkelt hij voor geld mensen over de grens naar de Côte d’Azur. Een magere inkomstenbron, zeker nadat zijn vaste ‘leverancier’ is omgekomen.

    Wie moeten er eigenlijk steeds maar de grens over? Wat zijn dat voor mensen, waar willen ze heen en waarom? Er zijn wat vage verwijzingen naar drugs- en wapenhandel, maar er echt achter komen, doe je niet. Het zijn mensen van allerlei nationaliteiten die de grens over willen, Oost-Europeanen, Turken, Arabieren. De oude Varí, vraagt het zich allemaal niet eens af. Ja, éénmaal maakt hij een wat teleurgestelde opmerking: ‘Wat wil je! Eerst hielp ik vluchtelingen, mensen die verjaagd waren… maar dit is handel in arbeidskrachten.’

    Wat hem echter echt bezighoudt is de verdwijning van de jonge vrouw Sabèl. Waarom is zij verdwenen? Heeft het iets te maken met het overlijden van de ‘passeur’ of verstopt zij zich voor iets of iemand?
    En van wie zijn de voetstappen die hij zo nu en dan denkt te horen?

    Je komt er in Waaierwind niet achter. Met de stukjes die je aangereikt krijgt, kan je de puzzel niet leggen maar vul je hem tot op zekere hoogte zelf in. Je maakt even deel uit van Varí’s omgeving, bent even deelgenoot van zijn contacten, de gesprekken die hij voert en zijn overpeinzingen over zijn leven: ‘Hij mijmerde over zijn hopeloze situatie als gewezen boer en werkeloos passeur. ~ Was het tijd om weg te gaan? Waren het verval van het ommeland, de verdwijning van Sabèl, de vorst en de rondwarende gevaren aansporingen om van die paar terrassen weg te trekken en ze aan hun lot over te laten? ~ Toen Sabèl er nog was, was de onbestendigheid van zijn bestaan hem nooit opgevallen.’

    Dor, droog en desolaat. Dat is de sfeer die Biamonti schildert. Alleen het zeewater schittert zo nu en dan in het zonlicht. De geluiden zijn monotoon. De atmosfeer is geheimzinnig. Waaierwind gaat over vergankelijkheid, maar stemt niet droevig. Het fascineert en is prettig vluchtig.

     

     

     

  • Op zichzelf aangewezen

    Op zichzelf aangewezen

    Zij vertrekt met een bevriend echtpaar voor een weekend naar de bergen. Het echtpaar gaat ‘nog even naar het dorp’ maar komt niet meer terug. Als de vrouw de volgende ochtend samen met de hond op onderzoek uitgaat ontdekt ze dat er een onzichtbare wand staat tussen haar en de bewoonde wereld. Zij kan nog net zien dat in de bewoonde wereld al het dierlijk en menselijk leven dood is, versteend.

    Het is geen stolp die over haar heen geplaatst is want het weer en de seizoenen blijven. Het regent, de zon schijnt, er breekt onweer uit en het sneeuwt. Ook de temperaturen blijven als in normale seizoenen.

    Gelukkig heeft zij de hond. En een huis dat in ieder geval voor de eerste tijd goed bevoorraad is. Ook ‘vindt’ zij een koe die van onschatbare waarde is want nu heeft zij ook melk. Als na een tijdje ook een kat komt aanzetten is het eigenaardige huishouden compleet.

    Veel tijd om zich druk te maken om het oneigenlijke van de hele situatie gunt de vrouw zich nauwelijks. Zij begint meteen met overleven. Ze vraagt zich in de loop van het verhaal wel zo nu en dan af wat er gebeurd kan zijn, en hoe het met haar kinderen is – dat weet ze eigenlijk wel -, maar ze neemt de situatie voornamelijk als een ‘fait accompli’. Op momenten dat het haar toch te kwaad wordt, gaat ze enorm aan de slag: …’Ook toen kwam er van de rustpauze niet veel terecht. Zo ging het steeds. Terwijl ik me afbeulde, droomde ik van stil en vreedzaam uitrusten op de bank. Maar zodra ik dan eindelijk op de bank zat, werd ik onrustig en keek ik uit naar nieuw werk. Dat kwam geloof ik niet voort uit grote ijver, ik ben van nature nogal lui, het was waarschijnlijk zelfbescherming, want wat zou ik tijdens die rust anders hebben gedaan dan in herinneringen verzinken en piekeren. En dat was precies wat ik niet moest doen, dus wat restte mij anders dan doorwerken?’

    Tegen beter weten in blijft ze in het begin toch ook nog hopen op een einde van de situatie: dat ze nog gevonden zou worden.

    Een enkele keer wordt ze moedeloos …’Ik had veel enerverende ervaringen achter de rug en nu was ik moe. Ik lag op de bank en als ik mijn ogen dicht deed, zag ik sneeuwbergen aan de horizon en witte vlokken die in een grote lichte stilte op mijn gezicht neerdwaalden. Er waren geen gedachten, geen herinneringen, er was alleen maar dat grote stille sneeuwlicht. Ik wist dat dit een gevaarlijk beeld was voor een eenzaam mens, maar ik kon de kracht niet opbrengen me ertegen te verzetten.’ 

    Maar uiteindelijk legt ze zich bij de situatie neer en accepteert dat dit het voortaan is. Vanaf dat moment droomt ze ook niet meer over mensen maar over dieren. En zijn er momenten dat ze echt kan genieten van haar leven.

    Om toch enigszins mens te blijven gaat ze schrijven en streept ze de dagen af in een agenda. Toch is het boek geen dagboek. Ze vertelt zelf het verhaal. Het gaat over het heden, ze blikt terug en loopt ook op gebeurtenissen vooruit. Zo weet je aan het begin van het boek al dat de hond dood zal gaan, wat pas in de laatste pagina’s gebeurt. ‘Soms, als ik nu alleen in het winterse bos loop, praat ik net als vroeger tegen Luchs. Ik weet niet eens dat ik het doe, tot ik ergens van schrik en mijn mond houd. Ik draai mijn hoofd om en zie een roodbruine vacht schemeren. Maar het pad is leeg, kale struiken en natte stenen. Het verbaast me niet dat ik nog steeds de dorre takken achter mij hoor kraken onder de lichte tred van zijn voetsporen. Waar zou zijn kleine hondenziel anders rondspoken dan in mijn spoor? Het is een vriendelijk spook en ik ben er niet bang voor. Luchs, mooie brave hond, mijn hond, waarschijnlijk is het gewoon mijn eigen arme hoofd dat het geluid van jouw stappen maakt en het schijnsel van je vacht. Zolang ik besta, zal je mijn spoor volgen, hongerig en vol verlangen, net zoals ik zelf hongerig en vol verlangen onzichtbare sporen volg. Geen van beiden zullen we ooit onze prooi te pakken krijgen.’

    Soms is het net alsof je de tekenaar Escher leest. ‘Op de vijfde dag na het onweer brak eindelijk de zon door de witte nevelsluiers. Toen was ik nog tamelijk mededeelzaam en maakte ik dikwijls aantekeningen. Later worden ze schaarser en dan zal ik op mijn herinnering aangewezen zijn.’ Je begint een zin of een alinea die op een manier eindigt wat taalkundig helemaal niet kan. Maar dat stoort geenszins. Het leest allemaal heel logisch.

    Informatie over haar vorige leven krijg je maar mondjesmaat. Ze vertelt een paar keer over haar dochters. Hoe moeilijk ze het vond toen die de kinderleeftijd ontgroeid waren en slechts één keer schrijft ze iets over haar echtgenoot, maar niet meer dan één of twee regels.

    Het boek gaat over haar en haar kwetsbaarheid, over haar gedachten en over de verhouding tot haar dieren: … ‘en zoals altijd bij slecht weer moest ik aan de kat denken. Goed, ze had dat vrije leven zelf gekozen. Maar had ze dat echt, ze kon toch helemaal niet kiezen. Ik zag niet zoveel verschil tussen haar en mij. Ik kon dan wel kiezen, maar alleen met mijn hoofd en dat betekende voor mij bijna hetzelfde als helemaal niet. De kat en ik, we waren uit hetzelfde hout gesneden en we zaten in hetzelfde schuitje, dat met alles wat leefde op de grote duistere ondergang afstevende. Als mens had ik de eer dat te beseffen, zonder er iets tegen te kunnen doen. Welbeschouwd was dat een twijfelachtig geschenk van de natuur.’

    Eigenlijk gebeurt er weinig in dit boek. En toch blijf je gefascineerd lezen. Misschien komt dat omdat er juist zo veel in het boek gebeurt: het wordt zomer, ze moet hooien en houthakken, de koe moet gemolken, het onweert, het wordt winter en het gaat sneeuwen, ze moet vissen, jagen, aardappels oogsten, de koe helpen kalveren, het vuur aanhouden, mest scheppen, bonen plukken, wild slachten enzovoort, enzovoort, enzovoort.

    Als je eenmaal in dit boek begint, is het moeilijk het weer weg te leggen. En doe je dat toch, dan blijft de thematiek je bezighouden. Daarnaast staat De wand vol prachtige zinnen en alinea’s die je voor je plezier herleest.

    Haushofer (1920-1970) is één van de grote schrijfsters uit de Oostenrijkse literatuur. De wand verscheen voor het eerst in 1963 en wordt over het algemeen beschouwd als een hoogtepunt in haar oeuvre. In 1988 is de roman voor het eerst in Nederland verschenen. Ria van Hengel heeft haar vertaling voor deze nieuwe uitgave volledig herzien.