• Van gedreven priesterstudent tot sceptische schrijver

    Van gedreven priesterstudent tot sceptische schrijver

    Naar verhalen over ontnuchtering hoef je in de wereldliteratuur nooit lang te zoeken. Personages zijn teleurgesteld over het volwassen leven en het huwelijk, zoals Emma Bovary in Madame Bovary, of in de carrière van hun kind, zoals in Een ontgoocheling van Elsshot. De hoge verwachtingen van deze dromers stuiten op de harde realiteit, die er meestal minder rooskleurig uitziet. In En het regende brood, de debuutroman van ex-priester Stefan van Dierendonck, strandt het geloof van de idealistische jonge priester Clemens Driessen op de praktijken in het seminarie en de parochie.

    Vanuit het perspectief van pater Johannes Beckers wordt het korte leven gereconstrueerd van Clemens Driessen, die in Vaticaanstad, het hart van de katholieke kerk, om het leven komt. Wat is er precies gebeurd? Aan de hand van dagboeken, opnames en opgetekende gesprekken leert de lezer steeds meer over de persoonlijke ontwikkeling die Clemens doormaakte: van een begeesterde, gedreven priesterstudent tot een teleurgestelde priester die zich vastklampt aan de laatste strohalm, de Heilige Hostie. Het zal de lezer niet verbazen dat En het regende brood is gebaseerd op de eigen ervaringen van de auteur, die zijn bestaan als priester en gelovige inruilde voor dat van sceptische schrijver.

    Hoewel Van Dierendonck boeiend kan schrijven, is zijn stijl soms wat onhandig. Wanneer Clemens’ huisgenoot Pim in de kantine van het seminarie van Den Bosch thuiskomt met twee zakken friet, noteert pater Beckers: ‘De geur van friet werd waarneembaar’. Het woord ‘waarneembaar’ past in een theologische discussie over de aanwezigheid van God, maar niet in combinatie met het minder verheven ‘friet’. Van Dierendonck laat de zaken soms groter lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Clemens’ levensverhaal was volgens Beckers zo uniek dat ‘het moest worden verteld’ en het hoofdstuk over Clemens’ vroege jeugd heet ‘Harde data’, alsof het hier een wetenschappelijk onderzoek naar Jezus van Nazareth betreft. Over het handschrift van Clemens wordt gezegd dat ‘een grafoloog in het dagboek vast een wonderlijke tegenstrijdigheid zou ontdekken, de aanwijzing dat deze krabbels een revolutionair karakter onthullen in het loslaten van de conventionele lettervormen (…)’. Clemens een revolutionair noemen, is wat overdreven. Voor een gelovige is het wellicht moeilijk ‘om iemand te worden die zijn eigen weg bepaalde’, maar vóór Clemens hebben al veel andere ex-gelovigen dat gedaan, zoals beschreven in Moederkerk (2012). Van Dierendonck zondert Clemens af van de rest van de samenleving, die buiten beeld wordt gehouden. Zo wordt de van zijn geloof gevallen ex-priesterstudent een ‘uniek geval’, terwijl hij dat eigenlijk niet is.

    Clemens, die als maagd met de opleiding tot priester begon, schrikt van de harde realiteit in het seminarie en de parochie. De priesterschool is niet zo’n deugdzame plaats als hij verwacht had – seksuele betrekkingen tussen studenten worden gedoogd uit angst voor schandalen – en in de parochie moeten de priesters dansen naar de pijpen van de gelovigen en het kerkbestuur. In de periode waarin Clemens als jonge pastoor verbonden is aan een Brabantse parochie, wordt het dilemma van de hedendaagse katholieke kerk treffend verbeeld: tegemoet komen aan de eisen van de gelovigen (die meer ‘vrijheid’ willen), of de norm stellen? Clemens, als jonge conservatieve priester, haalt de teugels flink aan, wat stuit op onbegrip van de parochianen. Wanneer zij onder Clemens’ leiding massaal afhaken, moet hij van het kerkbestuur het veld ruimen. De starre manier waarop de Kerk omgaat met Clemens’ glutenallergie is uiteindelijk de druppel die de emmer doet overlopen. Van een hoge functionaris in Rome mag hij tijdens de mis geen glutenvrije hostie gebruiken, terwijl Clemens daar – letterlijk- ziek van wordt.

    Aangezien Clemens’ geloof onlosmakelijk is verbonden met de kerkelijke instituties die zijn katholieke geloof vormgeven en representeren, gaat hij steeds meer twijfelen aan zijn roeping. Maar de schuldvraag wordt door de schrijver jammer genoeg niet omgedraaid: is Clemens niet naïef? Heeft hij niet een te mooie voorstelling van zaken voordat hij aan zijn priesteropleiding begint? Hoewel de ontwikkeling van Clemens’ geloof (en wat daarvan overblijft) onder de loep wordt genomen, steekt zijn psychologische ontwikkeling daar schril bij af. Als hij al twijfelt, heeft dat altijd betrekking op het geloof of zijn roeping (‘Mijn levenskeuze leek op een duivels dilemma uit te lopen’). Over zijn gevoelens, zijn sociale contacten en zijn seksuele verlangens wordt nauwelijks gerept. Die lijkt hij niet te hebben. Zijn moeder belt hij eens per maand om te zeggen dat alles goed is. Daardoor blijft Clemens een vlak personage en komt hij nooit echt tot leven.

    Het gebrek aan psychologische scherpte maakt ook andere personages ongeloofwaardig. Van Dierendonck schrijft dat het dunne blonde haar van Clemens’ professor moraaltheorie van ingehouden woede trilt tijdens een college over intrinsiek kwade handelingen. ‘De man hield niet van trage studenten, al waren ze nog zo vaak afgestudeerd econoom.’ Een docent die woedend wordt omdat zijn studenten niet het juiste antwoord geven, kan beter in zijn studeerkamer blijven. De professor is een karikatuur van een strenge docent, zoals er in deze roman meerdere karikaturen voorkomen. Niettemin is En het regende brood een onderhoudende roman waarin Clemens’ worsteling met zijn roeping en de kerkelijke instituties treffend is weergegeven.

     

  • ‘Ik laat je nooit los, zusje.’

    ‘Ik laat je nooit los, zusje.’

    Maria Hinckelbein is eigenaresse van de Beste Baarnsche Boekhandel. Deze boekwinkel was een dankbaar argument voor Maria om het eiland Texel te ontvluchten en nooit meer terug te keren. Ze is opgegroeid op dit eiland en verloor er haar 16-jarige zusje Lisa. Het is evident dat Maria hier een rol in heeft gespeeld. Maar welke? Ze gaat onder geen beding naar het graf van haar zusje, ze gaat zelfs niet terug wanneer haar vader is overleden. Ze heeft haar zusje en haar jeugd op Texel achtergelaten maar de gebeurtenissen van toen blijven haar achtervolgen.

    Maria kan simpelweg geen liefde geven. Ze ervaart haar naar liefde verlangende moeder als een last. Over de liefde praten, kan ze al helemaal niet met haar moeder.  Alle soorten van liefde zijn begraven gelijk met Lisa. Voor Maria is liefde slechts lust, met wie maakt niet uit. Of dit nu met haar zus, vriendin, man van vriendin of vriend is.

    Het boek begint als Maria, na een bezoek aan haar ouders, op het perron een man in een plas bloed ziet liggen. Het belangrijkste wat ze moet doen, is 112 bellen.
    ‘Hij is dood. Dit is de blik van een dode. (…) Ik glijd bijna uit en begin dan te rennen, de tunnel uit, de trap op. (…)  Zo snel als ik kon fietste ik van het station naar huis. Hij was toch dood?  (…) Het begon te regenen, steeds harder, terwijl ik maar trapte, alsof de dode man aan mijn snelbinders hing  (…) – op de vlucht voor wat ik zag, maar ook voor wat twaalf jaar geleden gebeurde en wat ik maar niet kan vergeten.’
    Hier worden gebeurtenissen uit verleden en heden aan elkaar gespiegeld. Natter verwijst naar het ongeluk met Lisa. Zij lag in een plas bloed en ook toen was Maria niet in staat hulp te bieden. De dode Lisa hangt bij Maria nog steeds aan haar bagagedrager. Waarom hielp ze niet destijds?

    Jason Lowie, de ‘dode’ man in die plas bloed, zorgt ervoor dat het hele verhaal rondom Maria en Lisa onthuld wordt. Uit de dood herrezen, komt Jason in de winkel van Maria. Hij zegt haar te herkennen van een filmpremière waar hij een foto van haar en haar kortstondige relatie Wiggel maakte. Ze voelt zich erg aangetrokken tot Jason. Door haar liefde aan Jason te geven probeert ze het schuldgevoel waar ze haar hele leven al mee worstelt te negeren. Jason was neergeschoten maar vraagt zich niet af wie de dader. Hij wil door met zijn leven maar om het te verwerken moet hij wel naar de onheilsplek die Maria hem wijst. En Jason krijgt Maria zover om na zestien jaar de begraafplaats te bezoeken waar haar zusje en vader liggen. Hij overtuigt haar om haar jeugd af te sluiten ‘Zoek wat je daar hebt verloren, dan kunnen we samen verder.’ Maar zo gemakkelijk is dat niet.

    Dan komen we achter het echte verhaal. In een droom, zittend op de rug van een pelikaan ziet Maria de laatste week in het leven van Lisa. De pelikaan staat in de iconografie zowel symbool voor opofferingsgezindheid als voor opstanding. Offerde Lisa zich op voor Maria? Kon ze het leven niet aan? Had Maria in het graf moeten liggen? Er volgt een gesprek tussen de overleden Lisa en Maria waardoor de laatste het verleden verwerken kan. Nu Maria weet wat er is gebeurd, moet ze verder met haar leven. Wrang is wel dat de ontknoping van het verhaal Maria een schuldgevoel bezorgt waar ze nooit meer vanaf komt.

    Het motto van het boek is: ‘nu kerm, nu klaegh niet meer’. Een zin uit Joost van den Vondels toneelstuk Jeptha (1659). In dit toneelstuk neemt de vader een besluit dat de dood van zijn kind tot gevolg heeft. Een vooruitwijzing. De vader van Lisa is fel tegen alcohol. Hij ruikt aan haar mond als ze is uit geweest om er zeker van te zijn dat ze niet gedronken heeft. Maar pubers zijn vindingrijk, ook Lisa. In deze tijd waarin pubers in coma raken door overmatig alcoholgebruik, lees je hoe je dronken kunt raken zonder te drinken. Het toneelstuk van Vondel komt ook in het boek voor. De rondborstige actrice Welmoed, tevens beste vriendin van Maria, speelt de hoofdrol in Jephta. Zij is de dochter die geofferd gaat worden. In haar priveleven laat Welmoed haar man en drie kinderen achter voor Allard Wiggel, die op dat moment de vriend van Maria is. Maar Maria heeft geen bezwaar. Liefde doet haar niet zo veel en Wiggel is een koele. Maakt Welmoed de goede keuze? Als het toneelstuk hier ook een vooruitwijzing is, dan gaat het met haar slecht aflopen maar daar komen we niet achter in het boek.

    De verhaallijnen rondom Wiggel blijven sowieso vaag. Maria gaat met Allard Wiggel naar het huis van diens vader. De deur gaat moeilijk open; er blijkt ingebroken te zijn. Maria vindt een revolver in de magnetron. Heeft dit wapen met de aanslag op Jason te maken? Welk geheim heeft Wiggel?

    Het is een boeiend boek waar veel in gebeurt en het leest prettig. Er is veel dialoog waardoor er niet veel diepgang is bij de personages Welmoed, Wiggel, Maria’s moeder en Jason. Het perspectief ligt namelijk bij Maria. Er zijn veel vooruitwijzingen naar de ontknoping. Het is de moeite om de eerste bladzijden nog eens te herlezen als het boek uit is.
    Het boek bevat mooie zinnen die bij het verwerken van traumatische gebeurtenissen ondersteunend kunnen zijn zoals: ‘In het heden kun je alleen de toekomst veranderen, niet wat voorbij is, dat blijft voorbij.’

    Bert Natter is oud-uitgever en journalist. Hij publiceerde diverse jeugdboeken en schreef Het Rijksmuseum Kookboek. Zijn literaire debuut Begeerte heeft ons aangeraakt, werd bekroond met de Selexys Debuurprijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs.

     

     

  • Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    Recensie door: Hilde van Vlaanderen

    ‘Alles in de wereld is mooi, als je er op een goede manier naar kijkt …’ zegt de herder Gaietà tegen de jonge Mila, die haar man Matias is gevolgd naar een eenzame woning in de bergen.

    Het is de bedoeling, dat Matias en Mila pelgrims ontvangen, die de kapel van de heilige Sint-Pons willen bezoeken. Vanaf de eerste wandeling aan het begin van de roman, naar de ‘kluis’, zoals hun woning genoemd wordt, lees je de eenzaamheid tussen de regels door. Matias is niet open en eerlijk. Als Mila vraagt, of hun toekomstige taak wel past bij jonge mensen zoals zij, bagatelliseert hij haar vraag door het werk als ieder ander werk te noemen. Als Mila vraagt, of ze nog ver moeten lopen, geeft hij haar voortdurend onjuiste informatie.

    Wanneer ze bij de woning komen, ontmoeten ze de herder Gaietà. In hem leert zij een echte vriend kennen.

    Mila is teleurgesteld: de woning is verwaarloosd en vervallen, Matias een saaie, onberekenbare, leugenachtige man. Matias verveelt zich mateloos in de woning en de kapel. Ook de inkomsten vallen tegen. Eerst gaat hij bedelen, later gaat hij gokken. Mila maakt voortvarend het huis en de kapel helemaal schoon. De herder ziet het met vreugde, maar waarschuwt haar, dat als ze te snel klaar is, ook bij haar de verveling zal toeslaan. Door het gokken van haar man, de toenemende schulden en zijn gevaarlijke vriendschap met een duister figuur, voelt Mila zich steeds meer alleen. Ze wordt depressief, verliest haar blijheid en vitaliteit. Dan neemt de herder haar en de achtjarige Baldiret, die eigenlijk op de boerderij beneden woont, mee de bergen in voor lange wandelingen en prachtige vergezichten.

    Onderweg vertelt de herder verhalen aan Mila en aan de kleine jongen, die hen steeds vergezelt. Beiden genieten enorm van de vertellingen, de wandelingen en de avonden bij het haardvuur. De mooie verhalen, waarin veel symboliek verborgen zit, doen haar goed, evenals de wijsheid van de herder.

    Matias blijft veel vaker beneden in het dorp om te gokken.

    Aanvankelijk zijn de mensen in het dorp wel te spreken over de opgewekte en energieke Mila en bewonderen ze haar werklust. Maar de dreiging komt langzaamaan van verschillende kanten: de mensen kijken van haar weg als ze in het dorp komt, of klagen over hun schulden; op de boerderij, waar de kleine jongen vandaan komt, is ze ineens niet meer welkom en ook de natuur laat haar in de steek. Door regen en snijdende kou is het in de woning nauwelijks meer uit te houden, met potten en pannen moet ze in de woning het regenwater opvangen. De jongen mag niet meer bij haar komen.

    Mila realiseert zich, hoe tegenstrijdig de mensen om haar heen zijn: haar man is jong, maar gedraagt zich als een oude man. De herder is veel ouder dan zij dacht, maar leek in zijn doen en laten jonger. Zij heeft het gevoel dat de tegenstrijdigheid haar hele leven vergalt en voelt doffe wanhoop. Ze vraagt zich af, waarom ze niet een stap de afgrond in zou zetten…

    Op een dag wordt de herder dood gevonden, eerst wordt gedacht aan een ongeluk, maar later blijkt dat zijn geldbuidel verdwenen is en men kijkt naar Mila, mede omdat ineens al hun schulden betaald zijn. Mila is verstandig en neemt een beslissing. Als ze dan toch eenzaam is, kan ze er maar beter voor kiezen haar leven verder zèlf te bestemmen.

    Eigenlijk eindigt de roman, die honderd jaar geleden geschreven is, hoopgevend. De hoofdpersoon gaat niet ten onder, maar neemt tenslotte het heft in eigen handen. Honderd jaar geleden geschreven? Als je de verschillende personen, hun doen en laten en de domme reacties van de dorpsbewoners ziet, zou je dat niet zeggen.

    Het is een boeiende roman met goede karakterbeschrijvingen, fraaie sfeerbeelden. Een mooi portret van een landschap, van een tijdperk met bepaalde religieuze gewoontes en de ontwikkeling van een jonge vrouw.

    Dit boek is geschreven door de Spaanse schrijfster Catarina Albert (1869 -1966), die voor een mannelijk pseudoniem, Vìctor Català, koos nadat een theaterstuk, dat zij geschreven had veel commotie had veroorzaakt.

    Eenzaamheid
    Auteur: Víctor Català
    Vertaald door: Elly Bovée
    Verschenen bij: Uitgeverij Thomas Rap (aug. 2011)
    Aantal pagina’s: 336
    Prijs: € 17,90

  • Dwaalsporen

    Dwaalsporen

    Recensie door Laura Schans

    Aan de titel is het al af te lezen: dit is een boek over de liefde. De flaptekst verraadt nog iets meer: dit boek gaat over de liefde tussen Melle en Fee. ‘Volgens haar vriend Melle zijn grote liefdes het gevolg van overmacht. Van gemiste treinen, vergeten afspraken en vreemde ongelukjes. Fee gelooft niet in overmacht. Een afspraak is een afspraak, treinen mist ze nooit en ongelukjes overkomen je alleen als je niet goed uitkijkt.’ Laat het duidelijk zijn: dit boek gaat over liefde en over botsende overtuigingen. Dat kan niet goed gaan.

    Nog zonder een letter van de inhoud gelezen te hebben, denk ik een beeld te hebben van het soort verhaal dat verteld wordt in Liefde is een afspraak, de laatste roman van Marieke Groen. Luchtige lectuur, een liefde tussen twee mensen, leuk tijdverdrijf. Een boek om even in weg te zinken, om daarna weer verder te gaan met de orde van de dag. Toch wordt er ook  gesuggereerd dat er een diepere laag in dit liefdesverhaal zit: het gaat immers over verschillende standpunten over de liefde en relaties, over meningsverschillen en misverstanden, en hoe die kunnen leiden naar de ondergang. ‘Marieke Groen [schetst] de onttakeling van een relatie, en ze toont hoe een leven ongezien kan ontsporen’, zo laat de flaptekst weten. Mijn vooronderstelling over deze roman blijkt echter hardnekkig: die diepgang kan nooit ver gaan in een verhaal over ‘Fee’ en ‘Melle’, hoor ik mezelf denken.

    Fee ontmoet Melle op een feestje waar haar broer haar mee naartoe gesleurd had. ‘Ze keek naar de fluorescerende naamsticker op haar truitje. En toen naar die van hem. Melle. Ze sprak de naam in gedachten uit, proefde hem op haar tong.’ Groen bevestigt mijn eerste ideeën met het soort zinnen dat ze gebruikt.

    Na deze onbenullige ontmoeting krijgen Melle en Fee een relatie en gaan samenwonen in het dorp waar Fee is opgegroeid. Dan stelt Fee voor om even uit elkaar te gaan. Het wordt me niet helemaal duidelijk waarom. ‘Ik wil niet dat we wat we hebben, kapot gaan maken door ruzies’, is de enige uitleg die Fee geeft. Melle gaat akkoord en neemt zijn intrek in de caravan in de achtertuin. Niet geheel volgens plan wordt hij vervolgens verliefd op een jonger meisje, India. ‘De naam van een derdewereldland’, denkt Fee. Als hij vervolgens ziek wordt neemt Fee hem ondanks dat, of juist daarom, weer in huis om hem te verzorgen. Ze houdt hem voor dat hij niet naar de dokter hoeft. Ze geniet van zijn afhankelijkheid van haar, terwijl hij nog steeds met die ander is. ‘Liefde is geen bezit, maar een afspraak’, leest Fee in een boek van haar moeder, die succesvol schrijfster van zelfhulpboeken is. Fee houdt krampachtig vast aan de afspraak die zij en Melle ooit maakten.

    Fee houdt voor de buitenwereld de schijn op dat alles goed gaat. Ze vertelt niemand over de achtergrond van haar breuk met Melle, voor sommigen houdt ze zelfs die breuk verborgen. Ze saboteert zijn nieuwe relatie door te voorkomen dat India met hem in contact kan komen. Ze verbergt voor iedereen, ook voor zichzelf, dat Melle misschien wel ernstig ziek is. Ze duwt haar moeder en haar broer steeds verder van zich af. Tot slot lijkt ze haar verdwijntrucs ook voor een goede zaak te willen gebruiken: ze verbergt Fatma, een islamitisch meisje dat op de vlucht is voor eerwraak, in de caravan. Doordat alles vanuit het perspectief van Fee wordt beschreven, drijft de buitenwereld ongemerkt steeds verder weg.

    Daarmee lijkt het dan toch alsof ik op het verkeerde been gezet ben. De plot wordt ingewikkelder en het karakter van Fee krijgt steeds rauwere randjes. Doordat Groen met de perceptie van de werkelijkheid speelt, wordt het verhaal naar een ander niveau getild. Weg is de luchtigheid. Het motto voorin het boek is een citaat van Marek van der Jagt: ‘Eerst komt de dwaling, dan het denken over die dwaling.’ Het pseudoniem waarmee Arnon Grunberg de literaire wereld op een verkeerd spoor zette is interessant gekozen: het gaat natuurlijk om de dwaling van Fee, maar dit boek weet mij ook op een dwaalspoor te brengen. Is het een romantisch verhaal? Is het een psychologische roman? Is het een misdaadthriller? Is Fees karakter toch interessanter dan het op het eerste gezicht lijkt?

    Fee zakt steeds verder weg in haar dwalingen. Uiteindelijk weet de buitenwereld door de constructie te breken die Fee zo krampachtig probeert vast te houden, maar dat heeft voor haar weinig gevolgen. Ze beseft hooguit dat ze een beetje alleen is. Het is beklemmend om te zien hoe Fee zelf vast blijft zitten in haar hardnekkig gecontroleerde denkbeelden. Met dit einde weet Liefde is een afspraak mij opnieuw te verrassen. Ik had een grootse, happily-ever-after ontknoping verwacht waarin Fee al haar dwalingen recht zou zetten. Haar gebrek aan ontwikkeling maakt het verhaal geloofwaardiger.

     

     

  • Kruimels die voedzaam zijn

    Kruimels die voedzaam zijn

    Het lezen van boeken kun je vergelijken met het eten van voedsel. Misschien niet de oudste maar wel de bekendste vergelijking is die van Francis Bacon uit 1625. In zijn korte essay On Studies merkt hij op dat sommige boeken er zijn om geproefd, anderen om doorgeslikt en een paar om gekauwd en verteerd te worden. Deze zin is al zo vaak geciteerd dat het gevaar dreigt dat elk nieuw citaat iets afdoet aan de oorspronkelijke smaak en de vergelijking verder uitkauwt.

    Maar in dit geval neem ik het risico op de inflatie van Bacons gedachte, alleen al omdat voedsel zo’n belangrijke rol speelt in het nieuwe boek van Mathijs Deen, Brutus heeft honger. Tegen de ongeduldige internetlezer die het liefst een tekst ziet beginnen met de conclusie, kan ik dan nu zeggen dat Deens boek gemakkelijk in korte tijd te verslinden is maar veel beter tot zijn recht komt door het te beschouwen als een verzameling amuses. Kortom, Brutus heeft honger is literair slow food en bevat genoeg om te genieten voor de fijnproever.

    Mathijs Deen is medewerker en presentator van het VPRO geschiedenis programma OVT, elke zondagochtend op NPO 1 te beluisteren is. Het is dan ook niet verwonderlijk dat geschiedenis een belangrijke rol speelt in dit boek. Daarbij is Deen niet geïnteresseerd in het grote en meeslepende verhaal, maar juist in het uiterst kleine, hoogst persoonlijke moment. Deen schrijft miniaturen, schetsen die de geschiedenis heel even tot leven proberen te wekken. Het zijn plotloze verhalen die elk een stemming proberen te beschrijven.

    Brutus heeft honger bevat 44 zeer korte verhalen. Ze passen elk op minder dan twee kleine pagina’s en ademen vaak iets wat ik bij gebrek aan beter, verstilde berusting noem. De geschiedenis doet dienst als achtergrond maar is in al zijn grootsheid nadrukkelijk aanwezig. Deen richt zich echter op het kleine, het persoonlijke en zet dit af tegen het grote decor van de geschiedenis. De titel van elk verhaal is opgebouwd uit iets eet- of drinkbaars, een plaats- en een tijdsaanduiding. Chronologisch volgen we zo een spoor van etenswaren in de wereldgeschiedenis, waarbij we grote stappen nemen, om bij elk verhaal even verstild te staan bij een klein moment dat een miniem onderdeel vormt van een veel groter, historisch tijdperk.

    We beginnen en eindigen met appels, die hier aanleiding zijn tot eenzame en treurige overpeinzingen. Eerst bij een god die in het begin de mens schept om gezelschap te hebben en door een ellendige appel weer alleen achter blijft. In het laatste hoofdstuk is het niet een god maar een oude tuinbaas die treurt bij de appelboom in zijn tuin die zojuist door de bliksem verwoest is. Het was de boom van zijn vrouw die er niet meer is om de laatste appels te eten. Ook op die manier kan een paradijs eindigen.

    Maar voor veel personen in Deens verhalen is voedsel bijzaak of speelt een andere rol dan die van eenvoudige doch voedzame maaltijd. Zo kauwt de anonieme Romeinse ooggetuige van de zenuwen op laurierblad als hij ziet hoe de Romeinse keizer Commodus (161-192) zich in de arena belachelijk maakt. En in 1672 (het Rampjaar) slaat een tamboer uit het leger van de bisschop van Munster een mandje eieren met zijn trommelstok stuk om de inwoners van een belegerde stad te laten weten dat zij op die manier verpletterd zullen worden. Oranje sinaasappels worden in 1688 in Londen uitgedeeld door koning Willem III, niet omdat ze voedzaam zijn, maar omdat ze naar zijn naam verwijzen.

    Voedsel smaakt ook niet altijd. In het hoofdstuk Jan in de zak, Den Haag 1672, eet de boerenzoon Thijs het door zijn moeder klaargemaakte Jan in de Zak (een koek van boekweitmeel, muskaatnoot, krenten) met stroop. Dat smaakt niet zoals je zou verwachten. Thijs heeft eerder die dag namelijk meegedaan aan de uitzinnig gruwelijke moord op de gebroeders de Wit waarbij de twee lijken door een menigte monsterlijk werden mishandeld. In een moment van wrede extase is Thijs zo gek geweest een oog uit één van de twee hoofden te rukken en het tot hilariteit van de menigte door te slikken. Thuis en enigszins tot rust gekomen begint Thijs’ innerlijk op te spelen en komt het oog samen met Jan in de Zak onverteerd weer naar buiten. Het verhaal eindigt met de zin: ‘De hond lag verderop ergens op te kauwen.’

    Omdat het zeer korte verhalen zijn moet de context zo snel mogelijk duidelijk gemaakt worden. Dat lukt meestal goed, al helpt het als de lezer thuis is in de wereldgeschiedenis. Trouwe luisteraars van OVT zullen daar weinig moeite mee hebben. Wie Herodotus’ prachtige Historiën heeft gelezen, begrijpt het verhaal van de kwartel etende bezoeker (Herodotus zelf) aan het Egyptische Thebe in 430 voor Christus een stuk beter. Of misschien is ‘begrijpen’ hier niet het juiste woord. Het beschreven moment wordt intiemer als je Herodotus kent.

    En over wie gaat het verhaal Thee, San Terenzo 1822?
    ‘Hij stond naar zichzelf te kijken in de glanzende lak van zijn jacht. Die grote blauwe ogen, dat kleine meisjeshoofd. Opnieuw die droom waarin alles nog moest gebeuren; de tocht naar Pisa, de storm, zijn onherkenbare lichaam aangespoeld op het strand van Viareggio.’

    Deen geeft geen antwoord, wel wat aanwijzingen, maar laat het verder aan de lezer om uit te vinden dat het hier om Percy Byshhe Shelley gaat, de Engelse, romantische dichter die op 29-jarige leeftijd in zijn boot op volle zee om het leven kwam. Maar verreweg de meeste verhalen zijn geen puzzels waar de lezer met kennis van de geschiedenis zijn belezenheid kan toetsen. Bijna alle verhalen bevinden zich op het snijvlak van kennis en gevoel waarbij het met de toegankelijkheid van die kennis reuze meevalt. Lees bijvoorbeeld het verhaal van Coenraad uit Wassenaar die in 1823 met Napoleon naar Rusland trekt en voor het vee zorgt. Het Franse leger loopt zich stuk op de meer dan barre winter en Coenraad ziet zijn koeien door het ijs zakken en verdrinken. De zo bekende, grote nederlaag wordt hier in enkele korte zinnen persoonlijk voelbaar gemaakt als Deen schrijft: ‘Toen was niets meer zoals thuis. Coenraad werd een hongerend dier. Struikelde een paard, dan vocht hij op de opengescheurde buik om de warme ingewanden.’

    Het zijn dergelijke verhalen waar Deens aanpak het beste werkt en waarin een kruimel van de geschiedenis voelbaar wordt.  Waar de geschiedenis decor blijft en zijn schaduw over de diepst persoonlijke momenten laat vallen, zijn de verhalen op hun sterkst. Deen zoekt de verstilde berusting met eenvoudige, soms bijna poëtisch aandoende zinnen die nergens te groot of pompeus worden. Een enkele keer doet hij aan Nescio denken.

    ‘Er zijn geen woorden voor de boerenzoon, op zondag met zijn nicht aan het strand. Hij staat naast haar en zoekt naar woorden om te zeggen hoe lief hij haar heeft, of desnoods hoe de zee daar ligt in de warme bries en de onbewolkte zomer en hoe raar blauw het water is.’

    Er is behoorlijk wat te genieten in Brutus heeft honger, zeker voor wie de tijd neemt om deze korte, plotloze verhalen tot zich te nemen. De lengte van de verhalen en de weinige bladzijden zijn wat dat betreft bedrieglijk. Deen weet juist die kleine momenten te vangen die bij het navertellen van de geschiedenis altijd verloren zullen gaan. Ook kruimels kunnen voedzaam zijn.

     

  • Schrijver pakt uit

    Schrijver pakt uit

    A.L. Snijders is de uitvinder van het populaire zeer korte verhaal, het ZKV. Maar hij heeft meer genres beoefend. Voor zijn hele oeuvre kreeg hij dit jaar de Constantijn Huygensprijs. Een goede gelegenheid om zijn novelle De incunabel die hij in 1994 schreef in opdracht van de Stichting Kunst en Cultuur Gelderland voor de reeks Gelderse Cahiers opnieuw uit te geven, zal de uitgever gedacht hebben. De novelle is nu aangevuld met zeven krantencolumns over de totstandkoming ervan.

    Snijders, die een doctoraal Nederlands op zak heeft, zocht voor die opdracht nog even op wat men onder een novelle ook al weer verstaat. Hij wist dat het een kort stuk proza was waarin geen plaats is voor de ontwikkeling van de hoofdpersoon. Iets wat Snijders wel aanstond omdat hij zich aan mensen die zich tot echte volwassenen ontwikkelen behoorlijk kan ergeren, schrijft hij in een van de columns. ‘De novelle’ zegt het woordenboek ‘beweegt zich in één bepaalde kring en heeft één enkele handeling’. Dat gaat dus al een ietsje pietsje de kant van het zeer korte verhaal op.

    De kring binnen De incunabel is dan ook te overzien. Het is het verhaal over David die onhandig is in de liefde. Hij fietst in 1963 als student-assistent door Amsterdam met een boek onder de snelbinders dat gedrukt is vòòr 1501, een wiegedruk of incunabel, en dat makkelijk een halve ton waard is. Op de Weteringschans hobbelt hij heftig over de tramrails als hij moet afslaan. Vlak voor een aanstormende tram glipt het boek onder de snelbinders vandaan. Hij springt van zijn fiets en met ware doodsverachting redt hij het kostbare stuk nog net van de ondergang. Hij is erg geschrokken, maakt zijn studie snel af en vindt werk in het onderwijs.

    Deze verhaallijn vormt de kapstok voor de beschrijving van een hele reeks figuren rond David. Het arrogante buurmeisje Kea uit een ander, iets beter, milieu, tot wie hij zich sterk aangetrokken voelt en die hij uiteindelijk een huwelijksaanzoek doet, haar broer, zijn broer Piet, diens vriend Jan en Paul, een vriend van Jan.

    Maar waar het echt om gaat in het verhaal zijn de commentaren, ideeën en standpunten van de schrijver zelf die hij rond die figuren in het verhaal weeft. Snijders grijpt de gelegenheid aan om eens flink uit te pakken. Zoals: ‘Geestelijken in de kerk zijn eigenlijk verachtelijke knechten, een enkele keer is een uitzondering mogelijk en kan een knecht een fatsoenlijk kerkdienaar zijn’. Of: ‘Wie verklaringen zoekt, vindt ze, maar wie weet ooit of het de goede zijn.’ De verteller geeft Kea gelijk als ze door plaatselijke lesbiennes uitgedaagd wordt kleur te bekennen over haar seksuele oriëntatie, wat ze niet doet. ‘Je moet je verzetten tegen die openbaarheidsrazernij.’ En hij becommentarieert de ontoereikendheid van de ontwikkelingspsychologie die geen aandacht heeft voor de mensen die niet veranderen en die je daardoor juist een gevoel van vertrouwen geven. En dan zo’n beschrijving: ‘Het is een aardige en rustige jongen. Zo’n jongen waar Holland trots op kan zijn. Evenwichtig, op een leeftijd dat het nog niet nodig is.’

    De jury die in 1994 het verhaal beoordeelde, had het niet zo op al dat commentaar. Snijders zou te zeer als een alweter boven het verhaal hangen en de lezer te vaak knipoogjes geven. Hij liet het toen door een kennis bekijken die volgens de schrijver de helikopterpiloot-rol van de verteller om zeep hielp en de structuur verbeterde.

    Dat Snijders het toch niet kon laten om commentaar te leveren blijkt ook uit zijn manier van beschrijven van de voortgang van het verhaal. ‘Het gaat met deze liefdesgeschiedenis niet goed.’ ‘En nu doet David onderzoek. Maar ook dat is een misverstand, hij is er helemaal niet geschikt voor, hij is een jongen die aan de oppervlakte moet blijven …’. ‘Tegen een moderne tram is niet veel te beginnen, als boek.’

    Het voordeel van Snijders ironische, afstandelijke stijl is dat je als lezer goed bij de les blijft. Elk moment kan er iets leuks in de tekst staan wat je niet wilt missen. Hij zou het echter beter mogen doseren. Want je krijgt sterk het gevoel dat de verteller het leveren van spitsvondig commentaar eigenlijk belangrijker vindt dan het uitdiepen van het karakter van de hoofdpersoon.Wat strikt gesproken niet hoeft omdat het een novelle is, maar wat het verhaal wel boeiender zou maken. Een gemiste kans.

    Gelukkig valt er veel te genieten van Snijders stilistische kwaliteiten. Hij kan in vaak korte zinnen scherp formuleren: ‘Toch wordt er gespied en worden de posities bepaald.’ Zijn conclusies zijn duidelijk: ‘Het is geen boksen, het is biljarten.’ Met zulke zinnen kan hij personages afdoende typeren: ’Kea Verkooren moet alleen gelaten worden, dat is geen vrouw die een man behoort te hebben. Ze dempt iedere verhouding.’

    Daarnaast valt zijn liefde voor taal op. Nieuwe, door hem vast zelf bedachte woorden als openbaarheidsrazernij, nagelbijtersvraag en caravaneske (over een koelkastje in een oude caravan) zijn natuurlijk pareltjes. Als Jan, vriend van broer Piet, een 2CV te pletter rijdt, lezen we dat hij het gered had met wat schrammen en oppervlakkige kneuzingen. Met zulk idioom weet Snijders de lezer van de novelle te bekoren. In het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden is hij beheerst, voor korte zinnen is hij niet bang. De kortste is tevens de kortstmogelijke: 1958. De eerste zin van het verhaal, want er staat een punt achter. Het zet gelijk de toon.

    De novelle kent geen hoofdstukken, alleen alinea’s die nogal verschillen in lengte. Tussen die alinea’s door staan stukken van een zeer uitgebreide brief van broer Piet aan David. Ze zijn cursief gedrukt, wat de structuur van het verhaal ten goede komt. De verteller kan ze in de tussenliggende alinea’s rustig door David laten becommentariëren. Snijders zegt in een van de toegevoegde columns dat hij voor een brief heeft gekozen omdat brieven schrijven gemakkelijk is; het is literatuur zonder vorm.

    Tijdens het lezen krijg je opeens het gevoel dat er aan het verhaal een einde wordt gebreid. Het boek is dan nog lang niet uit, de columns komen nog. De verteller begint te beschrijven hoe het met ieder personage verder is gegaan. Je realiseert je dan dat het een novelle is die natuurlijk niet te lang mag zijn. De vorm regeert plotseling boven de inhoud, wat de hele tijd daarvoor niet het geval leek te zijn. De abruptheid van dit einde wordt gelukkig verzacht doordat de verteller de nieuwsgierigheid van de lezer beloont, zoals dat gebeurt aan het eind van een sprookje. De novelle is echter geen sprookje, niet iedereen leeft nog lang en gelukkig.

    De incunabel is door de eenzijdige aandacht voor het leveren van commentaar niet helemaal geslaagd, maar voor degene die gevoelig is voor goed taalgebruik en natuurlijk voor de Snijdersfans valt er voldoende te genieten.

     

  • Calippo Cola – Owen Donkers

    Uitgeverij Thomas Rap betitelt Calippo Cola als ‘het mooiste liefdesverhaal van het jaar’. Calippo Cola is de tweede roman van Owen Donkers die in 2009 debuteerde met Julien.

    ‘Een jongen in de late puberteit droomt ervan om ooit professioneel honkballer te worden. Hij kent zijn klassiekers en weet in wiens voetsporen hij wil treden. Doordeweeks gaat hij naar school, in het weekend verdient hij wat geld in een fabriek waar champignons verpakt worden.
    Wanneer zijn honkbalteam een ambitieuze nieuwe coach aanstelt, krijgt hij de kans om te laten zien wat hij in huis heeft. Maar terwijl zijn team steeds beter wordt, lijkt zijn eigen spel alleen maar achteruit te gaan.
    Dan ontmoet hij haar, het mooiste meisje van de school ? zo veel mooier dan de meiden van zijn honkbalvrienden. Na sluitingstijd neemt hij haar vaak mee naar de fabriek. Hij is ervan overtuigd dat zij hem zal toejuichen bij dat eerste belangrijke honkbalevenement. En dan zal alles goed komen.’

    Calippo Cola

    Auteur: Owen Donkers
    Verschenen bij: Uitgeverij Thomas Rap (febr. 2011)
    Prijs € 14,90