• Oogst week 6 – 2025

    Oogst week 6 – 2025

    Bewogen selfies

    Door Marjet Maks

    Eind 2024 verscheen Bewogen selfies van Obe Alkema bij uitgeverij het balanseer in Gent.  Obe Alkema (1993) werkte bij uitgeverij AnkhHermes, is poëziecriticus bij NRC Handelsblad en publiceert in/op diverse Nederlandse, Vlaamse en internationale tijdschriften/platforms. Bewogen selfies is het eerste deel van zijn autobiografie waarin hij de verhouding tussen landschap en herinnering onderzoekt. Wat treft hij aan bij terugkeer naar belangrijke plaatsen uit zijn geheugen? Wat herinnert hij zich niet, maar Google wel? Met die gegevens tracht hij een gedenkschrift te peuren uit zijn metadata.

    ‘Aan werkelijkheid alleen heb ik niet genoeg, dus is het onverstandig het fantaserende brein af te remmen. Het gevolg is meer horizon, terwijl je nergens op rekent. Het leven ontleent zijn structuur niet meer aan tijd.’

    Memoires, rechtstreeks verteld en met omwegen, uit eerste hand en van horen zeggen. Archieven en herinneringen eisen spreektijd, houden het niet meer droog of worden tot spreken gebracht. Wat hebben ze eigenlijk te melden? Ze lopen helemaal leeg, net als Alkema zelf. Een leven zoals zovele, poedelnaakt en geretoucheerd, vol zin en onzin.

     

    Bewogen selfies
    Auteur: Obe Alkema
    Uitgeverij: het balanseer

    De dochter – herinneringen aan anders zijn

    De Nederlandse journaliste en columniste Harriët Duurvoort schreef met De dochter  – herinneringen aan anders zijn het verhaal haar moeder. Die werd in 1928 geboren als dochter van een Afro-Amerikaanse vader en een Friese moeder. Een gereformeerd Schevenings echtpaar adopteerde haar, waarmee ze de eerste interraciale adoptie in Nederland was. Begin jaren dertig in Scheveningen leek niemand op de kleine Eva. Mensen voelden aan haar haren of vroegen of haar kleur niet afgaf. Haar adoptieouders benadrukten dat ze een van hen was als ze gepest werd. Niet iedereen dacht daar hetzelfde over. Ze is nu oud en de tijden zijn veranderd, maar kleur is nog steeds een beladen onderwerp.

    In De dochter beschrijft Harriët Duurvoort bijna een eeuw Nederlandse geschiedenis met thema’s als de pijn van migratie, liefde en beklemmende, soms verlammende loyaliteit. Het is de zoektocht naar identiteit wanneer adoptie de lijnen met het verleden heeft afgesneden en onvindbaar gemaakt.

    De dochter  - herinneringen aan anders zijn
    Auteur: Harriët Duurvoort
    Uitgeverij: uitgeverij Pluim

    Het verhaal van mijn schaarste

    Met De andere familie Klein (2016) schreef Marieke Groen een beklemmende roman over een gezin waarin de dreiging niet van buitenaf komt, maar van binnenuit, en over een meisje dat alles aangrijpt om zich daarvan los te maken.

    In 2024 verscheen Marieke Groens eerste non-fictie boek Het verhaal van mijn schaarste, dat gaat over mechanismes die schuilgaan achter schaarste. Groen onderzoekt gebeurtenissen uit haar verleden hoe de ideeën en overtuigingen waarmee ze opgroeide een voedingsbodem konden vormen voor een leven vol tekorten. Wanneer ze bij de gemeente moet aankloppen voor financiële hulp dringt voor het eerst tot haar door dat haar leven al heel lang door schaarste wordt gedomineerd: door armoede, ziekte, honger en eenzaamheid. Hoe heeft het zover kunnen komen?

    In dit persoonlijke gedenkschrift vindt ze antwoorden op vragen als: wat gebeurt er in je hoofd als je ergens structureel te weinig van hebt? Waarom is het zo moeilijk om schaarste te overwinnen en hoe komt het dat verschillende vormen van schaarste onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn?

    Marieke Groen (1966) is auteur en publiceerde eerder vier romans. Het verhaal van mijn schaarste is haar eerste non-fictieboek.

     

    Het verhaal van mijn schaarste
    Auteur: Marieke Groen
    Uitgeverij: Thomas Rap
  • Hoogte- en dieptepunten van de menselijke natuur

    Hoogte- en dieptepunten van de menselijke natuur

    Het is 2022 als Irwan Droog voor het eerst iets over walrus Wally leest. Het jaar ervoor heeft Wally, een Atlantische walrus, zo’n zes maanden in Europese wateren gezwommen, waar hij zich ophield in havens en kleine bootjes vernielde met zijn zware lijf. Nieuwsberichten gingen de wereld over, want wat moest een walrus in Europa en vooral, wat moesten mensen met hem?

    Droog raakt gefascineerd door het dier en de reis die het maakte, en misschien nog wel meer door wat die reis ons over onszelf en onze impact op de natuur vertelt. Hij besluit Wally na te reizen, van het Ierse Valentia Island, waar Wally op 14 maart 2021 voor het eerst werd gezien, via Groot-Brittannië, Frankrijk, Spanje, Engeland, terug naar Ierland. IJsland, de laatste plek waar Wally gezien is, slaat hij over. Eerst omdat hij zijn pasjes is kwijtgeraakt en daarna omdat hij niet meer wil vliegen. Wally en wij is het verslag van Droogs tocht.

    De impact van klimaatverandering

    Dat Wally in Europa rondzwemt is niet alleen leuk (als je van grappige filmpjes over dieren houdt) of lastig (als je boot gezonken is), het vertelt ons ook iets over de tijd waar we in leven. Droog zet de toon met zijn eerste alinea. Daarin beschrijft hij wat er gebeurt in een walruskolonie aan de noordoostkust van Rusland, op basis van beelden afkomstig uit BBC’s Our Planet, ‘Frozen Worlds’. Door klimaatverandering krimpen de ijsvlaktes waar de walrussen gewoonlijk leven en sommige verdwijnen zelfs helemaal. De walrussen moeten dus op zoek naar andere grond. Een groep klimt op een berg, tachtig meter hoog, maar de weg terug is niet makkelijk. De BBC schuwt de werkelijkheid niet en laat in slow motion zien hoe tientallen walrussen te pletter vallen op het strand. De impact van de mens, op walrussen, maar ook op alle andere dieren, blijft het hele boek terugkomen.

    Droog als walrusexpert?

    Wie weet er veel van walrussen? Droog niet. Althans, niet voor zijn interesse door Wally wordt gewekt. Misschien dat hij er daarom in slaagt de informatie die hij over walrussen deelt, zo goed gedoseerd aan te bieden. Nergens is sprake van lange lappen feiten. Droog vertelt steeds een beetje, over de anatomie van walrussen, bijvoorbeeld, en de voortplanting en sociale relaties, over de vernietigende impact van de commerciële walrusjacht (gelukkig sinds halverwege de vorige eeuw verboden) en de manier waarop walrussen communiceren: ze lijken met elkaar te praten door middel van allerlei geluiden en ‘zingen’ ook gezamenlijk. Droog weet daarbij de indruk te wekken dat hij ieder feitje vertelt op het moment in de reis dat hij het zelf te weten kwam.

    Over walrussen en mensen

    Wally en wij, de titel zegt het al, Droogs boek gaat zeker niet alleen over Wally of over walrussen in het algemeen. Minstens even veel aandacht gaat uit naar mensen en hun reactie op de komst van Wally. Op iedere plek waar Wally is geweest, gaat Droog in gesprek met degenen die met de walrus te maken hebben gehad. Hoewel hij erin slaagt zijn gesprekspartners te typeren, blijven de gesprekken wel wat aan de oppervlakte. Alsof iedere persoon die hij opvoert alleen een functie van zijn rol is: een kassamedewerkster die Wally-merchandise verkocht (deels gemaakt door de bewoners van het stadje), een wildlife guide, natuurbeschermers die zich zorgen maken over Wally en de redenen dat hij in Europa rondzwemt.

    Foto’s om twee keer te bekijken

    Naast de foto van Wally op de omslag — hij zit in een motorbootje en laat zijn ene flipper nonchalant over de rand hangen — zijn er acht pagina’s foto’s in het boek opgenomen, op stevig wit papier. Voor wie dat niet al uit zichzelf doet: het is een aanrader om de foto’s voor je begint te lezen te bekijken. Het zijn foto’s van een walrus, bruin en rimpelig rond op zijn vlot, in bootjes, op een steiger. En foto’s van de omgeving. Niet veel bijzonders, eigenlijk.

    En dan, als je alles gelezen hebt, bekijk je de foto’s voor de tweede keer. Nu staat er niet zomaar een walrus op de foto’s, maar is het Wally, het dier waar mensen overal ter wereld aan gehecht zijn geraakt. Interessant is om te kijken door wie de foto’s zijn gemaakt. Alle foto’s waar Wally niet op staat, zijn gemaakt door de auteur. Hij heeft de walrus immers zelf nooit in het echt gezien.

    Geweldig en lastig

    In de epiloog zegt Lizzi Larbalestier, vrijwilliger van de British Divers Marine Life Rescue op de Isles of Scilly, die eigenhandig een haul-out, een drijvend bed, voor Wally maakte: ‘Mensen waren geweldig, en ze waren lastig. Dat is hoe het altijd gaat. Ik zag de hoogtepunten, maar ook de dieptepunten van de menselijke natuur.’ Ze vat daarmee precies samen wat Droog in zijn boek heeft laten zien. En Wally? Na zijn bezoek aan IJsland heeft niemand nog iets van hem vernomen. De hoop is dat hij ergens tussen de andere walrussen een walrusleven leeft.

     

     

  • Oogst week 50 – 2022

    Het liefdes interbellum

    De dood van haar moeder hakt erin bij Lot, de hoofdpersoon in de nieuwe roman van Ine Boermans. Haar vader heeft weinig aandacht voor haar en de enige manier om met het grote verlies om te gaan is een vlucht in afwisselende liefdesrelaties en nachtelijk vertier.
    Die keuze geeft maar weinig voldoening en helpt helemaal niet. Sterker nog, steeds als zo’n relatie uit gaat krijgt ze enorme huilbuien. Eigenlijk herbeleeft ze dan het verdriet om haar moeder. Ze heeft daar zelf een woord voor: remournen.

    Boermans noemt Lot in een interview in de VPRO-gids haar alter ego en vertelt dat er in Het liefdes interbellum ‘zeker ook autobiografische elementen [zitten]. Dat is ook het geval in haar debuut Een opsomming van tekortkomingen waarin Lot ook de hoofdpersoon is. Haar jeugd met gescheiden ouders, een weinig geïnteresseerde vader en een jong overleden moeder zijn daar het toneel van intensief beleefd familieleed.

    Uit Het liefdes interbellum: ‘Sinds de dood van mijn moeder en daarmee die van mijn gehele familie werd verliefdheid opeens een totaal andere belevenis. Waar vroegere liefdes heerlijk vlammend en zwelgend verdrietig konden zijn, of kabbelend, of amusante experimenten, soms alleen lichamelijk, leek afgelopen jaar mijn complete bestaan af te hangen van romantische verliefdheden.
    Ze overspoelden me als een grote golf verlammende verlatings-eenzaamheidsangst. Een golf richting iemand van wie ik vrijwel zeker wist dat het uiteindelijk niks zou worden. Het zou een gegarandeerde mislukking worden. De mislukking kwam na een nacht, een week of een paar maanden, de tijdsduur maakte nauwelijks uit. Ik ging er helemaal voor, voor de liefde en voor de mislukking.’

    Het liefdes interbellum
    Auteur: Ine Boermans
    Uitgeverij: Uitgeverij Prometheus (2022)

    Flappie

    Het lied over Flappie van Youp van ’t Hek is in 1977 ontstaan ter gelegenheid van een cabaret op een studentenfeest. Het nummer kreeg daarna een andere melodie, maar verder bleef het overeind, en werd het zoals wij het nu kennen. Het werd nooit een hit, maar wordt rond Kerst altijd wel een keer gedraaid op de radio. Generaties Nederlanders zingen het dan uit volle borst mee, vaak inclusief de kinderen, ook al hebben die niet meteen door wat ze eigenlijk zingen. Het gaat hen om dat jongetje dat zijn konijntje kwijt is.

    Maar Flappie is niet dood. Hij leeft en ligt in de boekwinkel. Hij is getekend door Marije Tolman die al eerder met Van ’t Hek samenwerkte. De bloederigste tekeningen haalden het niet, maar niet om het prille kinderbrein te beschermen, – dat zou niet logisch zijn geweest – maar omdat suggestie spannender is.
    Flappie ligt overigens overal, zowel bij de kinderboekwinkels als bij de reguliere boekwinkels. Het is een boek voor iedereen die het lezen wil en is verschenen bij uitgeverij Thomas Rap.

    Daarmee past het goed in deze rubriek van deze week: vanaf morgen 15 december, informeert Literair Nederland samen met Jong Literair Nederland alle mensen van klein tot groot over pas verschenen boeken.

    Flappie
    Auteur: Youp van 't Hek
    Uitgeverij: Thomas Rap (2022)

    De mooiste verhalen uit de klassieke muziek

    Tot slot een boek dat we ook opgenomen hebben in de Jonge Oogst op Jong Literair Nederland (vanaf morgen te bezoeken). Ook een boek dat voor jong en oud de moeite waard is.

    Het heet De mooiste verhalen uit de klassieke muziek. Levenslang genieten van muziek en mooie en beroemde verhalen. Het zou je zomaar kunnen overkomen als je voorgelezen bent uit De mooiste verhalen uit de klassieke muziek, of als je ze zelf gelezen hebt terwijl de onderliggende muziek klonk.

    De mooiste verhalen uit de klassieke muziek is een verzamelbundel samengesteld op basis van de oude klassieke-muziekserie van uitgeverij Gottmer. In deze bundel zijn acht sprookjes en bekende verhalen uit de oorspronkelijke serie cd-boeken opgenomen: Assepoester, De notenkraker, De schilderijententoonstelling, Doornroosje, Peer Gynt, Peter en de Wolf, Het carnaval der dieren en Het zwanenmeer.

    Aan deze bundel hebben tal van bekende auteurs, illustratoren en acteurs samengewerkt. De verhalen zijn bewerkt door Elle van Lieshout en Erik van Os, Marjet Huiberts, Harmen van Straaten, Marjolein Hof en Bette Westera.
    De playlist die erbij hoort verwijst naar een lijst op Spotify waar de sprookjes tijdens de muziek worden voorgelezen:
    Assepoester door Kitty Courbois, De notenkraker door Jenny Arean, De schilderijententoonstelling door Karin Bloemen, Doornroosje door Jasperina de Jong, Peer Gynt door Tygo Gernandt, Peter en de Wolf door Paul Haenen, Het carnaval der dieren en Het zwanenmeer door Carice van Houten.
    De mooiste verhalen uit de klassieke muziek
     is geïllustreerd door o.a. Thé Tjong-Khing, Sieb Posthuma, Noëlle Smit, Philip Hopman, Martijn van der Linden, Sylvia Weve en Charlotte Dematons.

    Volgende week weer een ‘gewone’ Oogst!

    De mooiste verhalen uit de klassieke muziek
    Auteur: bewerkt door Elle van Lieshout en Erik van Os, Marjet Huiberts, Harmen van Straaten, Marjolein Hof en Bette Westera
    Uitgeverij: Uitgeverij Gottmer (2022)
  • Het belang van de glimlach

    Het belang van de glimlach

    Het zal je maar gebeuren, je bevalt van een tweeling en de volgende dag zie je in de spiegel dat de linkerkant van je gezicht is verlamd. Het overkwam Sarah Ruhl, de in Amerika bekende New Yorkse theaterregisseur en toneelschrijver. Ze kreeg de diagnose aangezichtsverlamming van Bell, een aandoening die vaker na een bevalling optreedt en meestal weer wegtrekt. Echter niet bij Sarah Ruhl. Ze deed er tien jaar over om te accepteren dat ze verder zonder spontane glimlach door het leven moest.

    In dit egodocument beschrijft ze met veel humor, maar ook met woede en frustratie over het belang van de glimlach, een lichaamstaal die essentieel is om je emoties te tonen en om contact te maken. ‘Soms is vreugde de bron van de glimlach, maar soms is de glimlach de bron van vreugde.’ Aldus Thich Nhat Hanh, die ze samen met veel andere filosofen citeert.

    Nooit meer op de foto

    Tegen de achtergrond van haar moederschap, ze heeft een dochtertje en de tweeling, gaat ze verbeten op zoek naar genezing, een lange weg langs het medische circuit. Het allopathische, waar ze goede en slechte neurologen en artsen met grensoverschrijdend gedrag ontmoet. De alternatieve geneeswijze is meer haar ding, ze gaat naar acupuncturisten, chiropractors en fysiotherapeuten. Ze wíl weer kunnen glimlachen naar haar kinderen, want de glimlach van een moeder naar haar kinderen is hun eerste spiegel. 

    Haar hele leven komt voorbij. Ze schrijft over haar eigen rol als kind, dochter van een vader die te vroeg overleed en een moeder die actrice was. Ze heeft een oudere zus en put uit soms hilarische herinneringen. Ze haalt gesprekken met vrienden en haar sociale leven aan, wat van deze memoires levendig en boeiend leesvoer maakt. Ze heeft het over haar werk in het theater. Een van haar toneelstukken speelt net op Broadway en ze is genomineerd voor een Tony award. Ze moet met een glimlach op de foto, wat een drama is, en ze besluit nooit meer op de foto te gaan.

    Rode draad

    Ruhl schrijft met vaart en zelfspot en haalt tal van citaten uit de literatuur aan die op haar situatie slaan en achterin het boek worden verantwoord. De rode draad is altijd haar gezichtsverlamming. Haar onzekerheid, frustratie en teleurstelling zijn voelbaar aanwezig, wat het verhaal soms vertraagt, maar ze is bijzonder eerlijk en openhartig en gaandeweg, tien jaar verder, is ze geheeld en bewust geworden van wie ze eigenlijk is en in staat om haar situatie te accepteren. 

    In Glimlach leert Sarah Ruhl ook omgaan met een chronische ziekte. Tijdens haar vele doktersbezoeken wordt ontdekt dat ze coeliakie heeft, met alle nare gevolgen vandien. ‘Als kind was ik veel ziek. Ik miste waarschijnlijk elk jaar wel twee maanden school door ziekte. De diagnose van coeliaki verklaarde dat, en het verklaart ook waarom ik altijd zo ver achterlag op de groeicurve.[…] Nu wist ik dat ik te weinig voedingsstoffen binnenkreeg, het eten ging eigenlijk gewoon door me heen, …’ Coeliakie is een glutenallergie, die de groei remt door vitaminegebrek, het is een erfelijk overdraagbare auto-immuunziekte. Na testen blijkt haar oudste dochtertje het ook te hebben en waarschijnlijk had haar vader, die stierf aan kanker, het ook. 

    Mijn gezicht als gezicht

    Glimlach is zowel grappig als aandoenlijk, maar vooral is het een belangrijk boek voor vrouwen die worstelen met zwangerschapscholestase, coeliaki, postnatale depressie, of een niet-herstellende aangezichtsverlamming van Bell. Ruhls verhaal opent de ogen van de lezer  over het belang van de zeggingskracht van de glimlach. ‘Als het gezicht een masker is, verstopt de ziel zich of hij verblijft elders. Ik probeer mijn ziel weer te verwelkomen in mijn gezicht. Hoeveel procent herstel heb ik nodig om mijn gezicht weer als gezicht te accepteren? Vreugde is een diep gewortelde emotie. Het is drijven op een stromende rivier. Het is kijken naar een acrobaat die door de lucht vliegt, en lachen als een reactie. Het is niet in de spiegel kijken.’

    Ze stelt dat de glimlach voor een vrouw onontbeerlijk is om geaccepteerd te worden door haar kinderen, collegae, in de trein, overal. Een man is veel minder afhankelijk van zijn glimlach om iets voor elkaar te krijgen. ‘Een mooie glimlach is niets anders dan een flits, een openbaring, van symmetrie. De lippen zijn gordijnen die een kort moment opengaan en tanden onthullen. Zonder symmetrie is een glimlach een grijns, een spiertrekking, een grimas.’

    Tussen alle boeken over leven met een chronische ziekte of lichamelijk ongemak is dit een bijzonder boek. Ruhl klaagt niet, maar zoekt actief naar een oplossing om met haar ongemak om te gaan. Ze stelt belangrijke vragen over allopathische versus alternatieve geneeskunde, scheiding tussen geest en lichaam, moederschap en vrouwzijn en het belang van plezier in wat je doet. En uiteindelijk gaat het om de aanhoudster die wint. 

     

     

  • Over een rijke geschiedenis

    Over een rijke geschiedenis

    Een rivier kent ondanks haar stroomgebied noch een begin noch een eind en bevat vele verhalen. In De grenzeloze rivier voert Matthijs Deen ons aan de hand van een aantal van die verhalen door het heden en het verleden van de Rijn. Doordat de Rijn meer dan eens haar loop in de afgelopen millennia heeft gewijzigd en zowel een regenrivier als een gletsjerrivier is geweest is het zinloos om op te zoek te gaan naar de oorsprong van de rivier, aldus één van de vele personen die Matthijs Deen in de loop van het boek ontmoet. Deze boodschap is de rode draad van De grenzeloze rivier, dat zowel een ode aan als een poging tot een biografie is van de Rijn. Het boek begint met een bezoek van Mathijs Deen aan het mediterrane eilandje Vis vlak voor de Kroatische kust, waar het huwelijk van zijn dochter plaatsvindt. Tijdens het bezoek ontmoet hij een geoloog aan wie hij vertelt dat hij een boek over de Rijn aan het schrijven is en hij legt hem het volgende voor: ‘Stel dat de rivier een personage is, dan heeft hij ook een geboorte en een dood. Vertel me hoe hij is ontstaan.’

    Levendig portret

    Op boeiende wijze vertelt Deen vervolgens over de rol die de Rijn heeft gespeeld in de loop van de geschiedenis. De schrijver heeft er geen klassiek reisverhaal van gemaakt, waarin hij van de bron naar de monding van de rivier reist of de omgekeerde route aflegt. In plaats daarvan heeft Deen een caleidoscopisch beeld geschapen van de rivier die zo bepalend is geweest voor Nederland en voor de landen waar zij doorheen stroomt. Hij doet dit door ons naar de rivier en haar stroomgebied te laten kijken door de ogen van de bewoners die in haar buurt hebben gewoond en van haar afhankelijk zijn geweest door de eeuwen heen. Zo is er de vermoeide zalm die haar habitat ziet veranderen doordat de Rijn haar loop heeft verlegd en is er het meisje van Steinheim dat zo’n tweehonderdvijftigduizend jaar geleden geleefd moet hebben en van wie de schedel in 1933 werd ontdekt. We weten niet veel meer van haar dan dat ze ten tijde van haar dood ongeveer vierentwintig jaar moet zijn geweest en dat ze vermoedelijk als gevolg van een hersentumor is overleden, maar Deen laat haar door zijn eigen fantasie te gebruiken volledig tot leven komen. Hij laat daarnaast verschillende geschiedkundige en geografische experts aan het woord en vult vervolgens op basis van hun informatie de gaten die er nog zijn met zijn eigen verbeelding in. Deen slaagt er op deze manier in om een levendig portret van mensen van vlees en bloed neer te zetten. Het is een manier van schrijven die Deen vertrouwd is, want eerder weefde hij feit en fictie op eenzelfde manier in elkaar in De Wadden.  

    Sta even stil

    Toch is er ook wel wat aan te merken op De grenzeloze rivier. Deen stopt namelijk soms wel érg veel geschiedenis in zijn verhalen over de Rijn. Hij geeft dan zoveel informatie over historische figuren die in een bepaald tijdsgewricht hebben geleefd dat de vaart uit het boek raakt. Daarnaast heeft de schrijver ervoor gekozen om in een niet-chronologische volgorde in elk hoofdstuk een andere tijdsperiode uit te lichten, waardoor het soms wat zoeken is naar verbanden. Het is dan ook een boek dat je het beste rustig en in kleine proporties tot je neemt. Je zou anders zomaar het spoor bijster kunnen raken. Gelukkig heeft Deen ervoor gekozen om de gebeurtenissen uit het verleden in de tegenwoordige tijd te vertellen. Personages die al lang geleden zijn overleden galopperen op hun paard over de vlaktes langs de rivier als waren ze nog in leven. Al met al is De grenzeloze rivier een bijzonder boek waardoor je met andere ogen naar de Rijn gaat kijken, de rivier die je anders zo achteloos oversteekt zonder een moment stil te staan bij haar rijke geschiedenis.

     

  • Op reis door de geschiedenis van Friesland

    Op reis door de geschiedenis van Friesland

    In ‘De Friezen’ gaat schrijver en reisjournalist Flip van Doorn op zoek naar zijn afkomst. Dankzij zijn Friese grootvader is hij kwart Fries. Zijn opa verliet Friesland echter op zijn 21ste en reisde naar Heerlen om daar onderwijzer te worden, ontmoette zijn grootmoeder en bleef er. Van Doorn zou Fries zijn geweest als zijn grootvader niet naar Limburg was verhuisd, maar zou nooit hebben bestaan als hij niet was gegaan. Met dergelijke filosofische mijmeringen wordt Van Doorns zoektocht naar de Friese identiteit ook een persoonlijk geschiedenisverhaal. Hij raakte betrokken bij zijn onderwerp door zijn pake, die hem al in zijn jeugd meenam met de trein naar Leeuwarden. Opa droeg zijn geestdrift voor die magie van Friesland en het Fries-zijn over op zijn kleinzoon. 

    Sinds 2010 woont Flip van Doorn zelf met zijn gezin in IJlst en voelt zich als kwart-Fries toch een relatieve buitenstaander, hij spreekt de taal niet, bijna ondoenlijk als de subtiele verschillen niet met de paplepel worden ingegoten. Hij verstaat echter alles en dat is een groot voordeel in de sociale omgang met zijn landgenoten. 

    Landschap van terpen en wierden

    In elf hoofdstukken reist Van Doorn door de geschiedenis van Friesland. Hij fietst, wandelt, vaart of rijdt langs dorpen waar zijn voorouders woonden. Hij bezoekt kerkjes waar ze gedoopt werden en trouwden. Hij vertelt over de bewoners van staten en stinzen. En hij schetst de armoede en opkomst van het socialisme in de veenontginningen. En passant en niet onbelangrijk vertelt hij over het ontstaan van het landschap met zijn terpen, wierden, kwelders en Noordfriese Halligen achter de dijk. Deze kweldereilandjes, hoge wierden met bebouwing, bestaan nog steeds. Bij storm overstroomt de kwelder en in feite leeft men hier nog net als duizend jaar geleden, met het ritme van de getijden en de seizoenen. Een constatering die iets zegt over de kern van de Fries. ‘Ik wil ontzettend voorzichtig zijn met termen als ‘volksaard’, maar ik heb toch het idee dat de eeuwenlange ervaring met dat wonen op terpen nog doorwerkt in de Friezen van vandaag: het samen moeten rooien in een kleine, op zichzelf gerichte gemeenschap. Dat zie je hier in kleine dorpen denk ik nog steeds.’

    Hij volgt een min of meer chronologische weg door de geschiedenis van Fryslân en haar volk. Die begon zo’n beetje 600 jaar voor onze jaartelling, duizend jaar later ontstond op een wierde: Ezinge, een zelfvoorzienende gemeenschap. Uit opgravingen is gebleken dat de huizen in een kring rond de dobbe (natuurlijke bron of poel) stonden. Volgens Van Doorn werd toen al de echte Fries geboren, die koppig en vrijgevochten in evenwicht met de zee en het land leefde. 

    In de zevende eeuw ontstond het Magna Frisia een bestuurlijke eenheid die besprenkeld was met wierden en zich uitstrekte over Noordwest-Nederland van Zeeland tot ver in Duitsland. Tot het door Karel de Grote werd ingelijfd bij zijn Frankische rijk.

    Vrije Friezen

    Een van zijn reizen gaat via Zwitserland naar Rome. Van Doorn volgde oude pelgrimsroutes door de Gotthardpas, die steeds vaker uit pure noodzaak handelsroutes werden. Hun voorvaderen hadden Karel de Grote geholpen met de herovering van Rome en Keizer Karel erkende hen als vrije Friezen. Hij schonk hen hun eigen kerk, pal naast de Sint-Pieter en die kerk bestaat nog steeds.

    Soepel en elegant schrijft Van Doorn over het bedwingen van het water, het bouwen van huizen op terpen, landbouw en religie en wederom de vrijheid van de Fries. Die vrijheid staat gebeiteld in de naam en is afkomstig van de Godin Freya. Hij haalt de mythe rond Grutte Pier aan, die het tegen de Hollanders opnam en hoe deze uit de kluiten gewassen vrijheidsstrijder het oerbeeld werd van de onverzettelijke Fries. En natuurlijk is daar ook het verhaal van Bonifatius, in 754 bij Dokkum vermoord. Hij brengt de geschiedenis prettig tot leven en relativeert de mythevorming wat zijn onderzoek fris en nuchter lichtvoetig houdt, zonder aan diepgang in te boeten. 

    Veel van de geschiedenis berust op mythen en legenden, schrijft Van Doorn en hij vraagt zich af of ‘we die mooie oude verhalen met feiten moeten willen ontkrachten.’ Maar door hier en daar feitelijke details boven water te halen geeft hij de geschiedenis een waarheidsgetrouw cachet. Waar elders een hiërarchie ontstond van leenheren en leenmannen, bleef Frisia een lappendeken van in feite autonome gebiedjes. ‘Daar lag de oorsprong van wat de Friese Vrijheid is gaan heten.’ Ook in Zwitserland waren relatief zelfstandige kantons geïnspireerd op de Friese Vrijheid van eeuwen geleden. Het belangrijkste verdrag uit de Zwitserse geschiedenis, de Bundesbrief, in 1291 in het Latijn opgesteld, bestaat nog steeds. 

    Vermenging met Hollands bloed

    In het hoofdstuk ‘Amsterdam’ gaat hij op zoek naar oude handelsroutes en bezoekt de West-Friese Zuiderzeestadjes, Enkhuizen en Medemblik, die zich zo heel anders hebben ontwikkeld dan hun oost-Friese buren mede onder invloed van de VOC. Ooit waren Oost- en West-Friesland verbonden, slechts gescheiden door een smalle stroom, de Vlie, wat later de Zuiderzee werd. Er zijn nog steeds overeenkomsten in hun dialect. ‘Maar van de eeuwenoude brug die hun dialect slaat tussen Fries en Nederlands zijn de planken vermolmd en de leuningen verweerd.’ De Friezen mogen dan trots zijn op hun eigenheid en hun onafhankelijke vrijheidsdrang hun vermenging met het Hollandse bloed is onomstotelijk een feit. 

    Gaandeweg komt Van Doorn in het heden aan. Ook in het Friese boerenland is de laatste jaren veel veranderd, ruilverkaveling, schaalvergroting, landbouwbeleid. Weidevogels verdwenen, grasland werd Engels raaigras, de koeien staan op stal. Toch is er een kentering op komst, mede dankzij kunstenaar Claudy Jongstra met haar eigen schaapskudde en teelt van verfplanten worden bermranden weer ingezaaid met bloemen die zorgen voor meer diversiteit. En boeren gaan weer steeds meer rekening houden met het broedseizoen van de weidevogels.

    ‘Wanneer ik Stavoren uitwandel, zie ik in de eerste plaats wat Friesland bespaard is gebleven. Mijn blik blijft niet hangen achter hoogbouw, windmolenparken, plukjes goedmaaknatuur of oprukkende steenmassa’s van immer uitdijende steden en aan elkaar vastgegroeide dorpen, ketst niet terug op de glazen wanden van eindeloze rijen kassen. Friesland heeft iets weten te behouden wat in West-Friesland en de rest van Holland steeds schaarser wordt. Ruimte. En daarmee heeft Friesland een geweldige troef in handen. Toerisme.’

    Geografisch middelpunt

    Van zichtbaar toerisme is in ‘De Friezen’ overigens geen sprake. In zijn zoektocht naar zijn roots en het hart van Friesland reist Van Doorn alleen, hij komt nauwelijks een mens tegen en als hij ze wel tegenkomt spreekt hij ze niet aan. Het gesprek met de autochtone vrije Fries ontbreekt een beetje, zoals er ook geen aandacht wordt besteed aan de Elfstedentocht (er lag geen ijs tijdens het schrijven), het fierljeppen, het Friese paard of het kaatsspel. Dat komt hopelijk in een volgend boek aan bod. Want dat Van Doorn nog niet klaar is met zijn Heitelân is duidelijk. 

    Van Doorns zoektocht naar de vrije Fries raakt ten einde bij het geografisch middelpunt van Friesland, het hart van Fryslan, het hart van de Fries. Eigenlijk onbegonnen werk om dat te vinden, concludeert Van Doorn. ‘Maar misschien is precies dat wel de kern waar alles om draait: dat niets vastligt zelfs de bodem niet. Dat iedereen aan taal, geschiedenis, identiteit en zelfs geografie een eigen interpretatie mag geven dat mythen en legenden geen een duidelijk verhaal schetsen, maar elke Fries de vrijheid laten zelf invulling aan geschiedenis te geven. Een vrijheid die we Fries zouden kunnen noemen.’ Dit boek is een aanrader voor liefhebbers van de vaderlandse geschiedenis, Friezen zullen zich erin herkennen en Hollanders leren een beetje meer over Friesland.

     

     

  • Onderkoelde humor en rillingen over de rug

    Onderkoelde humor en rillingen over de rug

    Deze roman van Mathijs Deen is al eens uitgegeven in 1997 onder de titel Moeder doen. Wat uitgeverij Thomas Rap heeft doen besluiten deze nogmaals uit te geven, is onbekend, maar het is wel een heel goede zet.

    Onder de mensen vertelt het verhaal van Jan en Wil. De een een eenzame boer in het noorden van het land (noordelijker kan niet: zijn boerderij ligt direct achter de dijk), de ander een vrouw met een verleden. Jan is op zoek naar een vrouw, voor de seks, maar ook om minder eenzaam te zijn en misschien wel voor een kind. Hij worstelt met de tijd: de boel aan kant, alles op orde: de dagen duren lang, er gaan dagen voorbij dat hij zijn eigen stem niet hoort. Zijn moeder heeft voordat ze op vakantie ging twee diepvriezers met eten achtergelaten, zijn vader een magnetron. Zijn ouders verongelukken: ‘Dat is nu vier maanden geleden en Jan heeft nog niet eens één halve vriezer leeg’. Hij is echt eenzaam en wanhopig.
    Ten einde raad besluit hij een contactadvertentie op te stellen: ‘Boerenzoon zoekt vrouw. Woont alleen. 80 Ha.’

    Wil heeft heel wat onverwerkt verleden. Ze wil weg uit het Gooi, heeft een aantal therapieën achter de rug. Van de laatste therapeut moet ze van alles opschrijven in haar dagboek. Ze heeft behoefte aan een overzichtelijk bestaan op een afgelegen plek en dat daar een man bij hoort: ach. Ze reageert onder vier verschillende namen op vier verschillende manieren op Jans advertentie. Jan kiest Wil (‘Ik weet hoe het is. Bel me. Wil’).

    Twee eenzame mensen
    De eerste ontmoeting is schitterend beschreven: twee nurkse mensen die eigenlijk helemaal niet willen, maar niet anders kunnen, die om elkaar heen draaien en bijzondere conversaties met heel veel stiltes voeren.
    Het lijkt niet te klikken en zeker niet te lukken. Wil gooit de inhoud van de vriezers in zee, Jan is kwaad op haar, Wil loopt weg. Jan is behoorlijk radeloos. Hij rijdt wanhopig rond in zijn auto, steeds verder van huis. Hij wil een pornotijdschrift kopen. De  gebeurtenissen tijdens deze autorit wekken medelijden op, zijn tenenkrommend, maar ook erg hilarisch. En fantastisch beschreven.

    Wil besluit uiteindelijk toch om terug te gaan en te blijven, ze neemt de touwtjes in handen op de boerderij en laat Jan zelfs een forse verbouwing uitvoeren: er ontstaat een slaapkamer met uitzicht over de dijk naar de zee.
    Zo nu en dan lijkt er een soort van geluk te ontstaan: hoewel hun relatie moeizaam blijft, vinden ze elkaar soms in hun eenzaamheid en verlangens en lijken ze elkaar zelfs af en toe te begrijpen. Maar op andere momenten is de spanning te snijden. Deen heeft dat prachtig beschreven in korte zinnen, waardoor je de stiltes en het ijs kan voelen.

    Wil wordt zwanger. Iets wat ze niet wil, iets wat niet overzichtelijk is, iets wat heel erg raar is. Ze gelooft het niet, gelooft de huisarts niet, zegt vooralsnog niets tegen Jan.
    Ze gaan op bezoek bij Wils moeder. Voor Jan een hele onderneming die reis naar het westen. Als ze bij Wils moeder zijn, krijgen we het een en ander te horen over het verleden van Wil. Dan horen we ook Wils echte naam.
    Hun zoon wordt midden in de winter geboren: het land voor en over de dijk is oneindig wit: overzichtelijk en uitgestrekt.

    Wat een prachtroman 
    Het verhaal van Jan en Wil is echt, schrijnend, mooi, invoelbaar. Dat komt voor een belangrijk deel door Deens prettige manier van vertellen. Hij schrijft in korte, beeldende zinnen. Hij vertelt nuchter, onderkoeld, met heel veel humor, zonder dat het een echt leuk boek is. Zijn humor is vol mededogen, zeker niet kwetsend. Mooi voorbeeld is het verhaal over het interview dat Jan op de radio geeft over een storm over het Groningse platteland: ‘Heb je het gehoord? Wat moet ik gehoord hebben? Het interview. Nee, dat heb ik niet gehoord. Waarom zou ik? Wat heb je gezegd dan? Gewoon …wat er gebeurd is. Daar was ik zelf bij toch? Waarom moet ik daar dan nog naar luisteren?’

    De lezer zit direct middenin de wereld daar in het hoge noorden, in de eenzaamheid, het isolement, de wind, de kou. Het verhaal is spannend, het verhaal is schrijnend: de rillingen lopen de lezer over de rug als bijvoorbeeld de eenzaamheid van beide karakters wordt beschreven of hun leven samen. Het is ontroerend: twee gekwetste zielen die om elkaar heen cirkelen, elkaar afstoten en aantrekken.
    En om misverstanden te voorkomen: het heeft niets van een zoetsappig verhaal à la Boer zoekt vrouw, met een happy end.

    Deens stijl is al veel vergeleken met die van Gerbrand Bakker en zelfs met diens roman Boven is het stil. Die gaat immers ook over een boerenfamilie en is ook in een nuchtere, sobere stijl geschreven. Deen is echter uniek: zijn bij vlagen hilarische humor, zijn onderkoeling, de scherpere randen van de roman wijken af van die van Bakker.

    Van Mathijs Deen verschenen eerder o.a. de novellebundel Drie dagen Wenen voor twee personen en De Wadden, een geschiedenis.
    Onder de mensen is zeker een herontdekking: voor de fijnproevers!

     

  • Waarachtige herinnering

    Waarachtige herinnering

    Remington van Bert Natter (1968) kent drie hoofdthema’s: herinneringen, familiebanden en het scheppingsproces. De roman gaat over een Nederlandse beeldend kunstenaar die zijn aftakelende vader, een vrij bekende dichter, gaat ophalen in Duitsland, het land van diens roots. Ze aanvaarden de terugreis door Duitsland en Noord-Nederland in een aftandse Mercedes. Het boek is een weergave van hun contact tijdens deze reis, die door panne langer duurt dan verwacht.

    Het thema herinnering domineert het boek. Hiermee sluit Natter aan bij de ‘memory wave’ die de maatschappij heeft overspoeld in de laatste decennia, met name ook de geesteswetenschappen, waarin de discipline ‘memory studies’ een alternatief voor (of concurrent van) de traditionele geschiedschrijving is geworden.

    Natter schrijft hoe de herinnering leugenachtig kan zijn: ‘Mijn vader vertelde hoe hij als kind uit Hamburg was vertrokken. Het moest zijn vroegste herinnering zijn, de herinnering die het langst bij hem was althans, hoewel hij niet wist hoeveel er waar van was, het kon evengoed een verzameling zijn van indrukken, verhalen, foto’s, bijschriften, romans en andere verzinsels, studies, documentaires, dagboeken, brieven, beelden die hij had samengesmolten tot een film in zijn hoofd die zich als een herinnering aan hem voordeed.’ (39)

    De herinnering is meer een spiegel van het heden dan van het verleden stelde de literatuurwetenschapper Astrid Erll ooit. Men eigent zich, al herinnerende, het verleden toe. Elke herinnering is een vorm van zelfbedrog die soms heilzaam kan zijn, soms eerder neerkomt op een wroeten in de eigen trauma’s. Het herinnerde verandert elk moment dat men er opnieuw aan denkt van aard. De historiserende psycholoog Douwe Draaisma stelt dat volgens recente psychologische inzichten ‘de betrouwbaarheid misschien niet altijd het belangrijkste is van herinneringen.’ (De Heimweefabriek). Het gegeven dat er überhaupt iets herinnerd wordt door ouderen is van grotere waarde dan de feitelijkheid ervan. Daarom heeft de vroegste herinnering van de dichtende vader in Remington voor hem betekenis. Deze herinnering is waarachtig, maar daarom nog niet feitelijk ‘waar.’

    De vader blikt in de gesprekken vooruit op zijn eigen einde. Er zou, als dat moment is aangebroken, niet zozeer een film van het leven voorbij komen als wel een allesomvattende compilatie te zien zijn van al wat men is vergeten. Hij speculeert dat er aan het levenseinde mogelijk ‘het verblindende licht van alles wat men niet meer weet, niet meer kan weten, niet meer wil weten’ schijnt. ‘Niet als een lange film die razendsnel wordt vertoond, maar alles tegelijk in één ondeelbaar ogenblik.’ (40) Dergelijke inzichten maken dit een rijke roman.

    Het tweede thema van dit boek is de band tussen de vader en de zoon. Ze voeren een conversatie op hoog niveau, vol grapjes en wijsheid, maar echt ‘close’ zijn ze nooit geweest. De zoon spreekt van ‘liefdevolle afstand’ (18)  als hij hun relatie omschrijft en hij meent dat zijn vader zich meer uitte in interviews dan tijdens gesprekken met zijn naasten. Ze spreken over de overleden moeder, die beweerde nooit iets van haar man te hebben gelezen en ook over hun gevoelens voor elkaar. De volgende dialoog is illustratief voor hun contact. De zoon merkt op: ‘Nu ga ik zeggen dat jij een hele fijne vader bent, pa.’ Waarop de aangesprokene slechts antwoordt: ‘Staat genoteerd.’ (128).

    De titel van het boek verwijst naar de typemachine die de vader gebruikt. Hij kan zich niet aanpassen aan de vereisten van de moderne tijd, mede ook door lichamelijke aftakeling. De Remington betekent veel voor hem, computers kunnen deze niet vervangen. Hij fantaseert er ook over: ‘Stel dat mijn Remington alle woorden had onthouden die ik heb geschreven’, waarop de zoon antwoordt: ‘Dat heet een computer, pap.’ De vader is onverstoorbaar: ‘Nee, nee. Ik zie een pianola voor mij, een schrijfmachine die als men er een vel papier in draait, vanzelf mijn oeuvre begint uit te braken, inclusie de duizenden verworpen regels, de mislukkingen, de kletskoek. ‘Waarop de zoon zegt: ‘Je bedoelt een printer.’ (25) De typemachine uit een voorbij tijdperk staat symbool voor het verval van de dichter (die mogelijk Parkinson heeft): hij kan er niet goed meer mee werken, zijn handen doen niet meer wat het hoofd nog wel kan. De praktische onmogelijkheid om verder te gaan met scheppen (spraakcomputers en dergelijke zijn niets voor deze man) is tragisch. Het scheppingsproces is het derde belangrijke thema in Remington. De commercieel succesvolle zoon maakt conceptuele kunst, kunst die stinkt naar niet verspild zweet, naar niets. Hij doet wat zijn vader niet meer kan: zijn denkbeelden omzetten in producten (die hij door anderen laat vervaardigen).

    Het boek is soepel geschreven, met veel humor (onder de meelezers waren onder meer Ronald Giphart en Jean-Marc van Tol, zo blijkt uit het dankwoord). Misschien had het nog iets toegevoegd als er ook wat oude gedichten van de vader (na de dood van zijn vrouw publiceerde hij geen nieuw werk) waren opgenomen, om de waarde van diens literair streven beter te kunnen inschatten. Het zou interessant geweest zijn wat Natter bijvoorbeeld van een gedicht over herinnering had gemaakt. Hoewel het boek niet overvol is aan gebeurtenissen weet Natter de spanning erin te houden. De twee hoofdpersonages zijn sympathiek en hun band van ‘liefdevolle afstand’ komt goed uit de verf. Remington is een tekst die duidelijk past bij de tijdgeest (of juist bij het je daartegen afzetten), maar de universele thema’s maken dat lezing van dit boek ook voor lezers uit latere perioden waarschijnlijk een aangename ervaring zal zijn.


    Remington

    Bert Natter
    Verschenen bij: Uitgeverij Thomas Rap
    221 pagina’s

  • Buitenstaanders met verstopt gevoel 

    Buitenstaanders met verstopt gevoel 

    In de zeven korte verhalen uit de bundel De derde persoon zijn de hoofdpersonages van Thomas Heerma van Voss vooral waarnemer en toeschouwer. Tegen wil en dank, lijkt het, want de hoofdpersoon, op één na steevast weergegeven vanuit het ik-perspectief, is niet in staat tot zijn eigen gevoelens door te dringen, laat staan ze naar buiten te brengen. Hij lijkt voortdurend in een soort vacuüm te verkeren van waaruit hij het leven aan zich voorbij ziet trekken.

    In het verhaal Een najaarsdag geldt dat ook voor het personage dat de gedachten van de ik nogal in beslag neemt: een gedetineerde die kinderen heeft vermoord en daarvoor de doodstraf krijgt. De ik, verantwoordelijk voor de psychische begeleiding, heeft nooit een zinnig woord uit de rustige, meegaande man kunnen krijgen, behalve een kort zinnetje dat hij direct na zijn veroordeling heeft uitgesproken. Zelf praat de ik ook niet over zijn werk, want zijn vrouw informeert er niet meer naar hoe zijn dagen zijn verlopen: ‘…daar is ze al jaren geleden mee gestopt.’ Maar voor zijn steeds terugkerende gedachten aan de terdoodveroordeelde vindt hij toch een manier om er los van te komen.

    Bij twee verhalen gaat het om vaders en zonen. In het ene is de zoon de ik, in het andere de vader. In het eerste geval zegt de zoon ergens: ‘En waarom voel ik zo weinig, kun jij dat uitleggen? Ik verlies me nooit in verliefdheid, moet niet huilen, wordt niet meegesleept door lachstuipen of woedeaanvallen. Ik wil het allemaal wel, maar het lukt niet.’ En die geremdheid geldt zo’n beetje voor alle hoofdpersonen in de verhalen.

    Bedankt voor uw medewerking handelt over een vader die welwillend opdraaft in een tv-programma waarin zijn zoon, met wie hij weinig contact heeft, over diens boek wordt geïnterviewd. Interviewer en zoon wachten op verweer tegen de verwijten van de zoon over emotionele verwaarlozing. De vader geeft echter geen krimp, prijst het boek, toont begrip en weigert om verdriet of woede te laten zien – die hij ook niet voelt – want ‘Een mens mag schrijven wat hij wil.’ ‘Hij zoekt naar iets van tegemoetkoming, hoe klein ook, een spoor van kameraadschap of herkenning. Maar het jonge, zelfverzekerde gezicht aan de overkant van de tafel komt hem vaag voor, ver weg ook, alsof hij thuis televisie zit te kijken.’ Ook hier weer de eeuwige afstand die de hele bundel kenmerkt.

    Steeds weer keert het zoekende individu zich als een outsider af. Zijn onmacht om tegemoet te komen aan de normen en verwachtingen van de ander levert hem echter ook vrijheid op, en hij is dan ook niet per definitie ongelukkig. In De monoloog lijkt het even alsof dat wel zo is, als de ik de greep op zijn relatie verliest. Zijn vriendin probeert hem voortdurend emotioneel te bereiken en noemt hem kil omdat hij behalve haar ook zichzelf door de vingers glipt. Aan een internetcontact in Gent met wie hij filmrecensies deelt lucht hij in chatsessies zijn hart, veilig anoniem. Ontmoetingen met de vriendin gaat hij steeds meer uit de weg. Impulsief vertrekt hij naar Gent, maar wat hij zoekt in een persoonlijke ontmoeting met de internetvriend weet hij niet. Zijn schriftelijke openheid maakt plaats voor zijn gewone geslotenheid en inlevingsvermogen heeft hij ook niet te bieden. Wederom gaat hij alleen zijns weegs, zonder uitleg, zonder vaarwel.

    Thomas Heerma van Voss heeft Engels en Nederlands gestudeerd en al veel verhalen, artikelen en interviews geschreven voor onder meer de Volkskrant, Trouw, Tirade en Vrij Nederland. Op negentienjarige leeftijd debuteerde hij met zijn eerste roman, De Allestafel. De tweede, Stern, volgde in 2013.

    Voor iemand die nog tamelijk jong is (24) heeft hij een opmerkelijk goede kijk op wat zich in en tussen mensen allemaal kan afspelen en hij bezit de bekwaamheid om dit inzicht overtuigend onder woorden te brengen. Dat kan gezien zijn leeftijd niet aan een overdosis levenservaring en levenswijsheid te danken zijn. Het ligt voor de hand om het deels geërfd, deels gestimuleerd talent te noemen. Zijn ouders zijn Arend Jan Heerma van Voss, journalist, oud-omroepbestuurder, oud-hoofdredacteur Haagse Post en VPRO-radio, en Christien Brinkgreve, hoogleraar sociologie en schrijfster van vele artikelen en boeken. Zijn broer Daan is eveneens schrijver en zijn zus Sandra journaliste.

    Uit de documentaire Privéterrein over de vier individualisten Arend Jan, Christien, Daan en Thomas, die begin oktober op tv werd uitgezonden, blijkt dat zij elkaar niet ontzien als het om kritiek gaat, zowel op elkaars gedrag als op wat zij geschreven hebben. Voor publicatie laten zij elkaar stukken van hun tekst lezen. Christien noemt het een hevig gezin, met krachtige mensen, sterk van stemming en ontstemming. Thomas ziet het gezin als een bron van inspiratie, een omgeving met rariteiten en miscommunicatie.

    Vanuit dit ouderlijk milieu met veel ruimte voor onderzoek en discussie is Heerma van Voss’ rijpe kijk op mensen goed te verklaren. Betekenis en interpretatie van woorden is hem met de spreekwoordelijke paplepel ingegeven. ‘Een talige omgeving’ noemt Thomas het in de documentaire, waarin zijn woordgebruik als achtjarige al werd gecorrigeerd en niemand in het gezin zich door de ander liet overtuigen. Dat legt niet alleen een intellectuele basis maar ook een gevoelsmatige, al moeten jonge mensen meestal nog het lef ontwikkelen om verstopte gevoelens gedoseerd naar buiten te laten komen. Maar zolang dat nog niet optimaal het geval is, zijn waarnemen en duiden al heel wat.

    Daan merkt in Privéterrein op dat in Thomas’ boeken wantrouwen een thema is en Thomas bevestigt dat. Hij is beschouwend, zegt hij, maar in de toekomst zal hij minder een buitenstaander zijn. Intussen kunnen lezers nog volop genieten van de buitenstaandersblik in De derde persoon.

     

     

     

  • Bowlen als metafoor voor een leven

    Bowlen als metafoor voor een leven

    Bowlen heeft iets lulligs. Misschien komt het door de verplichte schoenen. Om met plezier te kunnen bowlen moet je kind zijn, of de lulligheid moet je volledig ontgaan, of je moet in staat zijn je schouders ervoor op te trekken en je nergens iets van aan te trekken. Stern, de hoofdpersoon in de tweede roman van Thomas Heerma van Voss is volledig blind voor elke vorm van lulligheid. Hij bowlt graag en kan maar niet begrijpen dat zijn achttienjarige zoon op een dag niet meer mee wil.

    Het is na de eerste zinnen al duidelijk dat bowlen hier een metafoor voor het leven van Stern is. Een paar wankele kegels, twee gootjes, een bal met gaatjes en gehuurde schoenen die niet passen. Het is treurig maar veel meer heeft het leven Stern niet te bieden. Hij moet oppassen dat hij zelf niet als een kegel door het leven omver wordt gegooid.

    Na enkele zinnen is ook al duidelijk dat Stern een loser is, een figuur die er niet bij hoort, maar er zo graag wel bij zou willen horen. Het maakt niet eens uit waarbij. Wanneer we met hem kennis maken is hij door bijna iedereen, behalve zijn gezin, in de steek gelaten. De basisschool waar hij jaren lang werkte als leraar, heeft hem ontslagen, of eigenlijk met prepensioen gestuurd. Vrienden heeft hij niet en nu, op de bowlingbaan, lijkt ook zijn zoon hem in de steek te laten.

    Vroeger was het niet veel beter met Stern lezen we in hoofdstukken die terugblikken op de tijd toen Stern nog jong en vol wankele, goede moed was. Eind jaren zestig vertrok hij naar ‘swinging’ Londen om daar, in de benauwdheid van een studentenflat, er achter te komen dat er voor hem niet veel ‘swingends’, te beleven viel. Het lukte hem niet vrienden te maken en er bleef hem niets ander dan de cirkelgang af te gaan van eenzaamheid, onhandigheid, wanhoop en steeds moeizamere pogingen contact te maken.

    Als de eenzaamheid in Londen hem tot de lippen staat is daar opeens de Koreaan John, die Sterns redding lijkt te zijn. Maar John is nu niet bepaald een prater. Sterker nog, hij zegt nauwelijks een stom woord. Desondanks blijken de twee al gauw onafscheidelijk. Maar van echte vriendschap of wederzijdse genegenheid is geen sprake. John blijkt zo leeg als een vat met niets erin en is eigenlijk geen vriend, maar slechts een figuur die niet in staat is ‘nee’ te zeggen en eigen initiatief te tonen. De twee lijken elkaar te gebruiken om hun eigen eenzaamheid te verbergen, wat hun toestand er alleen maar schrijnender op maakt. Als op een dag het Londense avontuur er op zit, betekent dat meteen ook het einde van het duo. Stern hoort nooit meer iets van John.

    Jaren later lijken Sterns pijnlijke anti-avonturen in Londen zich te herhalen als zijn adoptieve zoon Bram het huis uit wil. Ook Bram blijkt uit Korea afkomstig te zijn en heeft al net zo bedroevende communicatieve vaardigheden als John.

    De eenzaamheid van Stern is schrijnend en hilarisch tegelijk. Deze roman heeft een hoog Arjen Ederveengehalte; de toon van de roman doet denken aan de ‘30 minuten’ documentaires die Ederveen halverwege de jaren negentig maakte. Heerma van Voss zet Stern neer als een herkenbaar typetje waar je om kunt lachen, maar als het goed is, niet zonder je tenen te krullen.

    In zijn recensie in NRC Handelsblad vergeleek Sebastiaan kort Sterns belevenissen in Londen met die van Coetzee, zoals beschreven in Youth: Scenes from Provincial Life II. Maar behalve dat Coetzee als jonge man ook een eenzaam leven in Londen leidde, heeft Stern niets met het werk van de Nobelprijswinnaar te maken. Bij Coetzee is er geen sprake van een Arjen Ederveengehalte, geen gegniffel of geglimlach. Coetzee is serieus, zwaarder op de hand en we moeten woorden als ‘existentieel’ en ‘metafysisch’ gaan gebruiken als we het langer dan een paragraaf over zijn eenzaamheid willen hebben. Bij Heerma van Voss is de wereld een stuk lichter en eenvoudiger en kunnen we het zonder dure woorden af.

    Ook het taalgebruik van Heerma van Voss is zeer eenvoudig maar tegelijkertijd ook erg effectief. Het doet een beetje denken aan dat van Arnon Grunberg en Maartje Wortel. Stern heeft ook wel iets weg van Jörgen Hofmeester, de hoofdpersoon in Grünbergs Tirza. Beide mannen raken in de war als hun kind het huis verlaat en het woord ‘hedgefonds’ leidt bij Hofmeester tot bespiegelingen die lijken op die van Stern aangaande ‘prepensioen’.

    Aan het einde van de roman is er ook even de vrees dat dit verhaal precies zo gaat aflopen als Tirza, namelijk met wat tegenwoordig een ‘familiedrama’ heet. Maar dat gebeurt niet. Wel raakt Stern in de latere hoofdstukken steeds meer in de war door zijn aangroeiende eenzaamheid en zijn gebrekkige manier om contact te maken.

    Zo sterk als de eerste, Londense hoofdstukken, zijn de latere hoofdstukken niet. Alles wat Stern onderneemt en hem overkomt lijkt dezelfde boodschap in zich te dragen: hij is een eenzame loser. Sterns gedrag wordt ook tamelijk voorspelbaar: hij raakt steeds meer in de war en besluit zelfs op een dag om alleen te gaan bowlen. De betekenis van deze scène ontgaat ons niet: veel eenzamer kan een mens toch niet worden.

    Hoewel de roman leest als een trein en niet al te dik is, blijken veel scènes toch een herhaling van zetten en tegen het einde begrijpen we van Stern niet eens zo heel veel meer dan dat we na enkele pagina’s al wisten. Stern zelf lijkt ook steeds meer een typetje waar het bordkarton doorheen schijnt. Nu hoeft niet elke romanfiguur van vlees en bloed te zijn maar in het geval van Stern hindert het bordkarton ons toch om ons in hem te kunnen verplaatsen.

    Behalve Stern zijn er trouwens weinig andere figuren waar we iets van te weten komen en ook dit doet in de laatste hoofdstukken iets aan de roman af. Zoon Bram is een ondoorgrondelijke, stille puber en echtgenote Merel is bezig een roman te schrijven waar Stern een rol in speelt. Maar tot leven worden beiden niet gewekt. Zij blijven decorstukken op het toneel waar Stern zijn eigen eenzame weg gaat.

    Stern is niet in alle opzichten een geslaagde roman maar mislukt zou ik ‘m niet willen noemen. Thomas Heerma van Voss mag soms aan Grünberg doen denken, hij heeft duidelijk wel een eigen geluid. En juist om dat geluid en de vaart die je ondergaat tijdens het lezen, moet men deze roman lezen.

    Het is verleidelijk om deze roman te waarderen met een bowlingscore. Maar belangrijker dan het aantal kegels dat Heerma van Voss weet om te gooien is de schoonheid van het spel zelf, de poging en manier waarop de bal geworpen wordt.

     

    Stern

    Auteur: Thomas Heerma van Voss
    Verschenen bij: Uitgeverij Thomas Rap
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 16,90

     

  • Oneindigheid tussen een vonk van zwavel en een verre ster

    Oneindigheid tussen een vonk van zwavel en een verre ster

    Het blijft altijd weer onwennig, een bundel columns uit een dagelijks verschijnende krant. Elk op zich bedoeld om je voor even te boeien, als vluchtig intermezzo in een zee van nieuws en achtergrondreportages. Met altijd weer de vraag of ze ook achter elkaar gezet boeien. En, om die vraag maar direct te beantwoorden, dat doen de columns van Wim Boevink in Stille Chic niet. Maar om ze daarmee direct geheel af te schrijven doet ook geen recht aan zijn schrijverskwaliteiten. Je moet ze alleen met mate lezen, één per dag.

    Dagelijks verschijnen Boevinks ‘kleine verslagen’ op pagina 2 van Trouw. Stuk voor stuk kleinnoden met rake observaties over het ‘grote en kleine bestaan’, vol weemoed, zelfspot, verlangen, ongeloof. Columns over de verscheidenheid van het leven, die zoals hij dat zelf zegt de oneindige variatie laat zien ‘tussen een vonk van zwavel en en verre ster’. Hij schrijft bijvoorbeeld over de kastanjeboom van Anne Frank of over Neil Young, maar toch ook vooral over alledaagse zaken. Zoals de jaarlijkse tuinvogeltelling, waarbij hij het met al zijn goede bedoelingen aflegt tegen buurman Wout. Of over de Cito-toets van zijn dochter, die even haar dag niet had en ‘uit haar eigen grafiek was gevallen’. Mooi is ook zijn verslag van de buurtdisco voor dertigplussers, die met oog voor de kinderopvang al om half één ‘s nachts stopt. Je leeft echt met Boevink mee als deze onder de tonen van Earth, Wind & Fire’s Boogie Wonderland eindelijk de moed bijeen raapt om met de moeder van een klasgenootje van zijn kind de dansvloer op te gaan, en terstond voelt ‘hoe het leven hem door de vingers glipt’. Ontroerende schoonheid, die je tot een lach van (leed)vermaak triggert.

    Boevink schrijft hele mooie zinnen, die je kunnen raken als een ijsblokje op je huid op een warme zomerdag. ‘Hebt u dat ook? Dat u zich een vreemde kan voelen in uw eigen huid?’ Hoe mooi kan je het ongemak van de eerste zomerdag uitdrukken, als je als Nederlander nog niet goed weet wat je aan moet doen. Of deze, die heel gewoon begint en met een knaller eindigt: ‘“Ik wil heel veel zakken tuinaarde kopen en een mooie magnolia en de hele dag in de aarde wroeten,” zei mijn vrouw, die verder een normaal leven leidt.’ Het zijn zinnen met een ongekende directheid en realiteit, die je onmiddellijk in de lente doen geloven.

    Tijdloos, dat zijn Boevinks kleine verslagen ook. Zelfs als ze dat overduidelijk niet zijn. Als hij zijn ontmoeting met Whitney Houston en het sterrenstof dat daarbij op hem neervalt beschrijft weet je dat je geschiedenis leest maar ervaar je het als de dag van gisteren. Wat overigens ook zo is als hij over de hoogmis van Franciscus schrijft. ‘De heilige, aanraakbare Franciscus die zo gewoon geworden was, celebreerde zijn hoogmis’. Het beeld van het Sint Pietersplein dringt zich onmiddellijk op, terwijl Boevink het echt niet over de nieuwe paus heeft, maar over Frans Bauer. Weliswaar in de verleden tijd, maar zo in het nu als het nu kan zijn.

    Kortom, boeiend, aantrekkelijk geschreven en interessant. En toch leg je, als je halverwege Stille Chic bent, het steeds weer weg als je een paar colums gelezen hebt. En steeds weer pak je het op. Dat is eerst niet goed te begrijpen, totdat doordringt: wat voor één dag is geschreven moet vaak ook per dag gelezen worden. Overmaat is dan dodelijk. Vandaar het advies: lees Boevink, maar lees hem met mate, eenmaal daags. Dan komt hij het beste tot zijn recht.

     

    Stille Chic

    Auteur: Wim Boevink
    Verschenen bij: Uitgeverij Thomas Rap
    Aantal pagina’s: 202
    Prijs: € 16,90

     

  • In ieder leven zit een roman

    In ieder leven zit een roman

    ‘Maar weinig mensen weten precies hoe het zo gekomen is met Michael Bernache.’ De eerste zin belooft dat er heel wat met Michael Bernache gaat gebeuren. Die ‘normale kerel’ gaat iets doen wat niemand verwacht: ‘Maar wat weet je van de mensen?’ De proloog van Man van de wereld van Erik Nieuwenhuis maakt de lezer nieuwsgierig naar deze humorvolle kritiek op het moderne leven.

    Man van de wereld is de tweede roman van Erik Nieuwenhuis en gaat over Michael, die op een grote luchthaven mensen vervoert in een elektrisch karretje. Hij is niet ambitieus, Michael wil voornamelijk rustig leven. Hij is even in de war geweest na de dood van zijn ouders en probeert sindsdien al te heftige gevoelens te voorkomen, daarom slikt hij ook diazepam. Samen met collega Jamal heeft hij een illegaal handeltje in vliegtuigmaaltijden en chat hij regelmatig op internet, waar hij zijn ongezouten mening over allerlei zaken anoniem kan geven (de lezer kan achter het pseudoniem van Michael te komen). En via een datingsite heeft hij contact met Nina, die van experimenten houdt, maar hij wil trouwen met de Russische stewardess Ljoeba, zodat hij met haar en haar zoontje een gezin kan vormen.

    Alles gaat zijn gangetje totdat Michael de schrijver Robert Benssen in zijn karretje krijgt. Hij zet Michael aan het denken met de uitspraak: ‘In ieder leven zit een roman, …’ Dit leidt ertoe dat Michael knopen gaat doorhakken in zijn leven. Hij trouwt met Ljoeba en ze gaan samenwonen, het illegale handeltje wordt steeds groter en er ligt misschien een promotie in het verschiet. Het is gedaan met zijn rustige leventje.

    Nieuwenhuis weet de lezer regelmatig een glimlach op de mond te toveren met de scènes uit het leven van Michael. Zeker gedurende de schrijfcursus van Benssen ergens in de totaal verregende Ardennen is hij goed op stoom. Maar uiteindelijk is het boek een kritiek op de hedendaagse samenleving. Michaels gedoe met de buitenlandse bruid versus de datingsitedame, het illegale handeltje en de extreme uitspraken in de chatroom, zijn kenmerkend voor het gebrek aan moraal van veel mensen in Nederland. Het is niet belangrijk wat je doet, het is belangrijk dat je niet betrapt wordt. Leven volgens regels en staan voor je keuzes, maken het leven nodeloos ingewikkeld. Zodra Michael besluit om iets met zijn leven te gaan doen en keuzes te maken loopt alles dan ook in het honderd. Hij is gewend aan zijn rustige, makkelijke leventje. En daarvan is hij zich bewust. En hij weet ook dat zijn kwaal niet strikt persoonlijk is, maar dat ze heerst in heel Nederland. Hij barst aan het einde van het boek uit in een paginalange litanie over alles wat vroeger goed was en tegenwoordig mis is:

    ‘Wanneer zijn radiopresentatoren allemaal gaan schreeuwen alsof het aankondigen van een nieuw nummer van het miljoenste zangeresje dat een paar jaar later dood in bed of bad gevonden wordt even spectaculair is als het neerstorten van de Hindenburg? Wanneer zijn quizkandidaten van bedeesde en wereldvreemde provincialen veranderd in zelfbewuste fuifnummers, wanneer is het overal en elke dag carnaval geworden?’

    Een messcherpe en hilarische opsomming. Aan de hand van het leven van Michael laat Nieuwenhuis zien hoe het er tegenwoordig aan toe gaat in van de Nederlandse samenleving. In die zin is Man van de wereld zeer vergelijkbaar met Het diner van Herman Koch. Alleen heeft Nieuwenhuis niet de wezenloze stijl van Koch, Nieuwenhuis schrijft met humor.