• Liefde en sterven in een mooi geschreven novelle

    Liefde en sterven in een mooi geschreven novelle

    Lezers die niet houden van indringende gedachtewisselingen over dood en leven, over trouw en ontrouw, over kunst en vliegwerk en al het andere dat er is tussen hemel en aarde, kunnen Theodor Holman’s novelle Als de liefde beter niet ter hand nemen. Tenzij men wil leren hoe dat moet, want Holman is daar een meester in, zoals lezers van zijn columns in Het Parool en De Groene Amsterdammer weten. In de loop van de jaren heeft Holman een indrukwekkend oeuvre bij elkaar geschreven met Het blijft toch familie als vermoedelijk meest bekende roman. Dat verhaal gaat over zijn ouders die – getraumatiseerd door hun oorlogservaringen in Nederlands-Indië – in Nederland nooit hun leven goed op de rails konden krijgen en daardoor hun kinderen ook geen gelukkig gezinsleven konden bieden.

    Er nog iets van maken

    Dat onverwerkte Indische verleden is de rode draad in Holman’s werk, maar in Als de liefde koos hij voor een ander spoor: de verlangens van de ouderdom. Begrafenisondernemer Henk heeft jaren geleden het uitvaartcentrum van zijn vader overgenomen maar besluit als hij wat ouder wordt dat te verkopen.
    ‘Mijn vader en ik hadden beiden de naargeestige neiging op latere leeftijd het leven volkomen zinloos te vinden. Dat was ook de reden dat ik besloot om de zaak eerder van de hand te doen. Ik moest er nog wat van zien te maken.’
    Hij heeft een Volkswagen bus gekocht en omgebouwd tot een ‘gerieflijke maar zeer kleine eenkamerwoning. Ik wilde domweg wat rondrijden in de wereld. Musea bezoeken, boeken lezen bij een meer of met een bos als uitzicht en lekker eten.’ Behapbare wensen en het eerste ritje (naar Texel) belooft veel goeds: ‘ik sliep op een camping waar ik de wind als een vrouwenkoor rustgevend maar smekend om de auto hoorde suizen’. En dat maakt een andere behoefte wakker.

    Op zoek naar een vrouw

    Henk is twaalf jaar geleden gescheiden van zijn vrouw Inge toen die verliefd werd op een ander en met haar nieuwe man naar Frankrijk verhuisde. Een lieve dochter heeft hij aan dat huwelijk overgehouden, meer eigenlijk niet. Ex-vrouw Inge is inmiddels alweer zes jaar dood en Henk besluit het zoeken naar een nieuwe gade hoog op zijn bucket list te zetten. Hij wordt lid van een dating site, wat in eerste instantie weinig succes oplevert: ‘Niet één vrouw van 24 schreef namelijk: “Ik zoek een rustige ex-uitvaartondernemer van een jaar of zestig met een verbouwde Volkswagen.”’ 

    Maar na enige tijd krijgt hij langs deze weg toch contact met Carine, de weduwe van iemand die hij als begrafenisondernemer naar zijn laatste rustplaats heeft gebracht. Ze was onder de indruk van zijn medeleven bij die gelegenheid en wil hem graag ontmoeten. Er groeit verliefdheid tussen het tweetal. Maar dan brengt het lot Henk in contact met een oude vlam. Hij heeft ooit de kunstacademie doorlopen en is daar een randfiguur geweest in een groep jonge ambitieuze kunstenaars, van wie de mooie Esther het stralende middelpunt was. Tussen alle verhitte discussies over kunst door sliep ze met iedereen, dus ook met Henk, maar hij heeft nooit het gevoel gehad dat ze echt iets voor hem voelde. En omdat hij sterk twijfelde over zijn artistieke gaven koos hij er voor om zijn vader op te volgen en begroef zijn artistieke dromen.

    Trouwen en sterven

    Nu, veertig jaar later, is Esther een beroemde beeldend kunstenares. Maar ze lijdt aan ALS, zal binnen enkele maanden sterven en wil Honk (zoals ze Henk  noemt, omdat hij voor haar het symbool was en is voor ’thuis’) weer in haar leven hebben. Hun relatie herleeft alsof er geen veertig jaar voorbij gegaan zijn en Henk geniet – ondanks de nabije dood van zijn lief – weer van hun gesprekken over leven en dood, over trouw en ontrouw, over kunst- en vliegwerk en al het andere dat er kan zijn tussen hemel en aarde. 

    ‘”Ha, daar is mijn Honk weer. Jij houdt niet van dat kunstenaarsgelul, hè?”
    “Ik ben er nooit beter van geworden.”
    “Je hield wel van praten.”
    “Mondjesmaat.”
    “Woorden zijn goden! Woorden zijn placebo’s.”’

    Esther wil met hem trouwen op de dag dat zij ook – door euthanasie – uit het leven zal stappen. Gaat Honk daarin mee? Of kiest hij toch voor Carine? In het laatste deel van Als de liefde wordt die vraag beantwoord. Een mooie, goed geschreven, wat melancholieke novelle. Holman op zijn oude dag.

     

     

  • Oogst week 44 – 2022

    Sprookjesboek

    Godfried Bomans schreef meer dan zestig boeken, waaronder vele kinderboeken, en werd vooral bekend met Erik of het klein insectenboek en De avonturen van Pa Pinkelman, een absurdistische strip. Hij was een kenner van Charles Dickens en vertaalde de Pickwick Papers. Hij schreef humoristisch en ironisch, een stijl die weerklank vindt bij illustrator Thé Tjong-Khing.

    Deze veelgeprezen illustrator heeft sinds 1956 ontelbare boeken en verhalen geïllustreerd en strips getekend. Thé begon als tekenaar bij de Toonder Studio’s en werkte vanaf 1971 als freelance illustrator. De meeste illustraties zijn voor kinderboeken, waarvan alleen al zeven voor de Vos en haas boeken, een reeks van Sylvia Vanden Heede. Hij won met zijn werk vele prijzen, waaronder de Woutertje Pieterse-prijs en Gouden en Zilveren Penselen. In 2010 kreeg hij voor zijn hele oeuvre de Max Velthuijs-prijs.

    Uitgeverij Sunny Home verzocht Thé uit de sprookjes die Godfried Bomans schreef het Sprookjesboek samen te stellen en het te illustreren. Thé deed dat eerder met Bomans’ De gierige koning. Hij vindt het een eer en groot plezier om tekeningen te maken bij de sprookjes, omdat hij erg houdt van de ‘ietwat ironische, quasi-ernstige toon en verhalen met een donker randje’, zoals hij zegt.
    Thé heeft altijd affiniteit met de tekst. Zijn detaillistische stijl met pen en fijn penseel is magisch en tegelijkertijd realistisch. Gevoelens van personages worden door hem uitmuntend weergegeven en ook humor is in zijn tekeningen te vinden.

    Sprookjesboek
    Auteur: Godfried Bomans
    Uitgeverij: Uitg. Sunny Home

    Waarom een schilderij werkt

    Jurriaan Benschop is curator, kunstcriticus en schrijver en woont in Berlijn. Hij publiceerde boeken over Berlijn als kunststad, over Cezanne, over de drijfveren en opvattingen van hedendaagse Europese artiesten en over tentoonstellingen van toonaangevende Europese kunstenaars. Voor het magazine Artforum recenseerde hij meer dan zeventig exposities. Hij publiceerde interviews met kunstenaars en schreef essays en artikelen over kunst en aanverwante zaken in tijdschriften en tentoonstellingscatalogi. Ook houdt hij lezingen en is hij gastdocent bij kunstacademies in Europa en de VS, waar hij ook schrijfworkshops geeft.

    In Waarom een schilderij werkt laat Benschop de lezer kennismaken met tientallen hedendaagse schilders. Hij onderzoekt hun werk, hun thema’s en motieven, de manier van schilderen en de culturele achtergrond van de schilder. Daarmee probeert hij antwoord te geven op de vragen die hij zich voortdurend stelt: Waarom werkt dit schilderij, welke betekenis heeft het, kan het overtuigen? Eveneens behandelt hij kwesties als hoe we, behalve ernaar kijken, over kunst kunnen spreken en schrijven, en het doorgronden van een kunstwerk. De verhouding tussen concept en schilderkunst komt aan de orde, evenals bijvoorbeeld de vraag wanneer een schilder een colorist wordt genoemd. Verder verklaart Benschop waarom het bezoeken van een museum of een atelier zo veel voldoening kan geven.

    Het boek bevat kleurenreproducties van Nikos Aslanidis, Paula Rego, Rezi van Lankveld, Lara de Moor, Martha Jungwirth, Marc Mulders, Matthias Weischer, Daniel Richter, Louise Bonnet, David Benforado, Andreas Ragnar Kassapis, en van vele anderen.

    Waarom een schilderij werkt
    Auteur: Jurriaan Benschop
    Uitgeverij: Uitg. Van Oorschot

    Autobiografie tot op de dag van vandaag

    In Autobiografie tot op de dag van vandaag van Arjen Duinker staat het leven van de dichter zelf centraal. In Delft wel te verstaan, waar hij al vrijwel zijn gehele leven woont.

    Duinker debuteerde in 1980 met gedichten in Hollands Maandblad, maakte met K. Michel het gestencilde en handgeschreven tijdschrift AapNootMies (1982-1985) en publiceerde later zestien dichtbundels en een roman. Met zijn gedichten won hij belangrijke prijzen, waaronder de Jan Campertprijs en tweemaal de VSB-poëzieprijs. Hij werkt ook samen met internationale kunstenaars.

    Duinker doet niet mee aan de hedendaagse poëzietrend waarin het navelstaren veelal de regels vult en iedere minimale ervaring van de dichter breed wordt uitgemeten. Bij Duinker gaat het om de schoonheid, de verwondering van wat hij concreet aanschouwt, de absurditeit van het bestaan. Hij is wars van abstracties en metaforen. Zijn dichtregels bestaan uit klanken, ritmes, herhaling in heldere, korte regels.

    De Delftse binnenstad is in Autobiografie tot op de dag van vandaag een grote rol toebedeeld. Het boek is één lang gedicht, bestaande uit straten en straathoeken, winkels, cafés, meubilair en bloemen. ‘Ik ben ver weg geweest. Ik heb mijn ogen de kost gegeven. Ik ben in Delft geweest.’ Het meest houdt hij van de Baljuwsteeg, vertelt hij in een interview in Trouw, ‘omdat die nergens heen lijkt te gaan. Maar als je eruit komt, sta je opeens in een andere wereld, de grachtenwereld, met mooie panden, licht, water, intimiteit.’ En in de Autobiografie schrijft hij: ‘Ik loop door de Baljuwsteeg en ga de hoek om Naar de Voorstraat! Wat een hoek!’

    Vertalingen van Duinkers werk verschenen in Italië, Engeland, Frankrijk, Portugal, Australië, Iran, Finland en Rusland.

     

    Autobiografie tot op de dag van vandaag
    Auteur: Arjen Duinker
    Uitgeverij: Uitg. Querido