• Zwijgen als vorm van zelfbehoud

    Zwijgen als vorm van zelfbehoud

    Zwijgen kan soms levensgrote proporties aannemen, zeker als je daarnaast ook nog eens een slopend geheim meedraagt. Voor wie met misbruik te maken krijgt geldt dat dubbel, je wordt opgezadeld met het geheim en de levenslange gevolgen daarvan. Misbruik vindt daarnaast ook nog eens vaak plaats in de familiekring, wat het nog lastiger maakt om erover te praten. Aisha Dutrieux kiest ervoor om in haar auto-fictionele boek Wat wij verzwijgen daarover een boekje open te doen. Daarnaast stipt ze ook het ‘Indische zwijgen’ over pijnlijke zaken in haar familie aan.

    Voor het hoofdpersonage Mia die opgroeide in een Indisch gezin, was er een zekere gespletenheid in het opgroeien. Ze ontleende een houvast aan het verleden, maar tegelijkertijd groeide er sluipend bij haar een dubbelzinnig besef van iets wat niet klopte. Van zwijgen en van familie die eigenlijk geen familie meer is, in dit geval haar oom die haar jarenlang heeft misbruikt. In het boek vertelt ze in een lange monoloog de herinneringen die ze aan hem bewaart. Ze was vijftien toen ze aangifte deed. Na de rechtbank is de volgende keer dat ze hem ziet zijn begrafenis. De tijd daartussen vult zij zelf op om het verhaal compleet te maken. Dat verhaal vertelt ze terwijl ze zijn huis schoonmaakt. Het roept een wirwar aan tegenstrijdige emoties op: schaamte, woede, angst, maar ook rouw, medelijden, zijn aardigheid, zijn liefde. Afgewisseld met herinneringen aan haar oom vertelt ze episodes in het heden over haar eigen leven waarin ze inmiddels veertig, getrouwd en moeder van twee dochters is.

    Verstikkend zwijgen

    Mia constateert dat het zwijgen van de familie over de oorlog en over het gebeurde met haar oom een vorm van zelfbehoud was. Dit noemt ze typisch voor de Indo gemeenschap. De eerste generatie die zich met moeite aan moest passen aan een vreemd land draagt dat trauma over aan de tweede generatie die leert dat ze zich koest moet houden. Niet opvallen, en zwijgen: ‘Maar het zwijgen verstikt me. Ik zou het willen uitschreeuwen.’ Zodoende is het ook een verhaal over de kleine leugens die we onszelf vertellen om niet te zien hoe we anderen kwetsen. Mia probeert zich te bevrijden van het verhaal van haar verleden, maar allerlei lichamelijke klachten bevestigen dat het niet zo makkelijk is het verleden te vergeten. In haar herinnering speelt ze bepaalde gebeurtenissen dwangmatig af. ‘Wat er gebeurd was betrof enkel ons tweeën, jou en mij. Doorkliefde vervolgens een hele familie.’

    De vraag blijft waarom je je überhaupt in zou willen leven in iemand die zoiets heeft gedaan. Het is een thema waar de meeste mensen niks mee te maken willen hebben. Dutrieux schrijft: ‘Het komt te dichtbij, het is te kwetsbaar. Te zeer vervuld met schaamte. Een volwassen man die aan een kind zit, geen mens wil weten hoe dat precies gegaan is. Hoe dat voelt, wanneer je het kind in kwestie bent.’ Toch beantwoordt dat weten net als boeken als Wij waren, ik ben aan een zekere behoefte. Autobiografische of semiautobiografische verhalen zoals deze doorbreken een taboe, maar dat neemt niet weg dat het zeer beladen is om over te lezen. Dutrieux kiest ervoor om het gebeuren zonder opsmuk te vertellen in een sobere stijl die balanceert tussen haar perspectief en dat van hem. Tegelijkertijd is het een manier om de processen waar ze in zat definitief af te sluiten. Uiteindelijk gaat het meer over de gevolgen van het trauma dan dat er in detail wordt in gegaan op het gebeurde.

    Het verleden uitwissen

    ‘Vrijheid is wat je doet met wat je is aangedaan’ schreef Sartre al eens. Dutrieux probeert via Mia het gebeurde van zich af te schrijven en het bestaan van haar oom uit te wissen door zijn aanwezigheid uit zijn appartement te verwijderen. Vroeger had ze geen keuze, nu kiest ze er op deze manier toch voor om de controle terug te nemen. ‘Ik maak van jou een personage, zodat ik uit het verhaal kan stappen, en jou daar achter kan laten, zonder jou verder kan gaan.’ Waarbij het wel opvalt dat de lacunes in haar geheugen veelal opgevuld worden door vooronderstellingen. ‘Maar omdat jij geen antwoord geeft en ik je bij leven deze vraag nooit gesteld heb zal ik het nooit weten. Wie was jij?’ De persoon van de oom blijft een beetje vaag door het hele boek. Ze vraagt zich onder andere af hoe anders zijn leven had kunnen lopen. Als ze zelf niet die woorden had uitgesproken, of als ze gewoon vrienden waren geweest. De vele vragen halen soms wel het tempo uit de tekst, bijvoorbeeld: ‘Heb je spijt van het verleden, ons verleden? Hunkerde je naar vergeving, van mij, van je kleine broertje dat jou op jonge leeftijd in zoveel opzichten al ontstegen was? Hadden we je dit geschenk moeten geven?’

    Naast de herinneringen aan gezellige uitjes naar Amsterdam en eindeloze gesprekken eist het verleden zijn bestaansrecht op in het lichaam en in het hoofd van Mia. Ze realiseert zich gaandeweg dat ze ondanks alles toch van hem hield en hem soms mist. Het helen, en het weer heel worden is een uiterst langzaam proces dat met veel vallen en opstaan gepaard gaat, het lijkt een bijna onmogelijke opgave. Dat het haar toch is gelukt, daarvan getuigt het boek. Het geheel voelt als een poging om ergens definitief een levensgrote punt achter te zetten. Op het einde resteren alleen zijn spullen nog, kan ze afscheid nemen van de herinnering aan het trauma. Er komt weer ruimte voor geluk, voor het mooie van haar dochters die opgroeien.

    Ongemakkelijke waarheid

    Het meeste van dit soort verhalen ontstijgt zelden de persoonlijke sfeer. Er is in dit geval ook het element van de Indische zwijgcultuur dat iets toevoegt maar niet heel diepgravend is. Het is wel interessant dat ook Mia’s particuliere trauma net als het koloniale trauma netjes wordt weggemoffeld. De waarheid is te ongemakkelijk om te kunnen bestaan. Zwijgen is geen oplossing concludeert Mia: ‘Ik begrijp waar het vandaan komt, en dat het mijn voorouders veiligheid heeft geboden. Maar misschien is het als oplossing voor alle kwalen over zijn houdbaarheidsdatum heen.’ Het verhaal is ongemakkelijk om te lezen, net als elke traumatische ervaring. Mia doorloopt alle stadia van zelfverwijt tot zich weer veilig gaan voelen. Misschien is het bespreekbaar maken van zo’n proces ook een manier om het familiale zwijgen te doorbreken. Het dubbele verleden van Mia wordt tot een heden waarin de schaduw naar de achtergrond verschuift. Mooi door haar verbeeld als een blauwzwarte vogel die haar onder het opruimen bekijkt. ‘De schaduwmaker, ik heb je ontmaskerd.’

     

     

  • Oogst week 11 – 2024

    Na de zon

    De Nobelprijs heeft de Deense schrijver Jonas Eika (1991) nog niet gewonnen. Maar ‘die andere Scandinavische onderscheiding’ staat al wel op zijn naam: de Nordic Council Literature Prize. Hij dankt die prijs aan de verhalenbundel Efter solen. Sinds februari dit jaar ligt de Nederlandse vertaling door Michal van Zelm – Na de zon –  in onze winkels. Zelfs overzees scoort het boek van Eika; een klein gedeelte van Na de zon verschijnt als feuilleton in de New Yorker. Ook zijn debuutroman Lageret Huset Marie levert hem al literaire prijzen op in Denemarken. Jonas Eika komt eraan.

    De titel – Na de zon – anticipeert op een duistere inhoud. Wat bevindt zich immers achter die allesverwarmende en -verlichtende ster, behalve het eeuwige donker? Bovendien prijzen recensenten Eika’s dierlijke stijl, die zindert van lichamelijkheid. In dit werk beziet Eika het leven van Londenaren, Amerikanen, Mexicanen en Denen, die allen om andere redenen de veranderende wereld proberen te begrijpen, vaak tevergeefs. De meeste personages zijn weliswaar ongelovig, het mystieke blijft hen aantrekken. Net als seks, uiteraard. En of dit alles nu zijn doel bereikt of voorbijschiet: het levert prachtige verhalen op! Na de zon, voor de lezer.

    Na de zon
    Auteur: Jonas Eika
    Uitgeverij: Koppernik

    Landziek

    Wie zeeziek wordt, moet gewoon even stevig over zijn nek gaan. Probleem opgelost. Oh ja, en van boord gaan, natuurlijk. Want landziekte, daar heeft geen sterveling last van. Of toch wel? Sommige ziekten zijn niet op te lossen, zelfs niet met een simpele vaccinatie. Neerlandica Mariëlle Selser ondervindt dit aan den lijve en schrijft erover in haar medische geschiedenis Landziek. Ze lijdt aan ME/CVS, wat staat voor myalgische encefalomyelitis en het chronische vermoeidheidssyndroom. Deze ziekte is niet aangeboren en overvalt Selser in 2011 als een beroerte die haar tot op heden parten speelt. Praten, schrijven, bewegen: alles kost moeite.

    Vanaf het moment van verschijnen kent Selsers boek een grote lezersschare. Mensen met longcovid, bijvoorbeeld, herkennen zich in haar verhaal. Wat te doen, als je niet meer volwaardig mee kunt draaien als voorheen? Landziek is meer dan de tegenhanger van zeeziekte. Hoe laconiek de Nederlandse overheid omgaat met bepaalde ziekten, hekelt Selser. Zelfs de wetenschap tast wat ME/CVS aangaat, in het duister. De ‘hersenmist’ waar meerdere patiënten last van hebben, wordt dichter en dichter en trekt zelden meer op. Ongelooflijk eigenlijk, dat Selser desondanks Landziek wist te schrijven.

    Landziek
    Auteur: Mariëlle Selser – een medische geschiedenis
    Uitgeverij: Querido Fosfor

    Wat wij verzwijgen

    Stille wateren, diepe gronden. Als deze uitdrukking nog niet bestond, was hij speciaal voor de familie van Aisha Dutrieux in het leven geroepen. In haar autobiografische roman – Wat wij verzwijgen – staat de zwijgzaamheid van een Nederlands-Indische familie centraal. Eerder schreef Dutrieux al Het leven noemen en Wees niet bang. Ook geniet ze bekendheid als Volkskrantcolumniste en heeft ze een carrière als rechter achter de rug. Beroepsdeformatie of niet: in Wat wij verzwijgen stelt Dutrieux zich eveneens neutraal en objectief op richting haar oom. Met het oog op wat hij haar geflikt heeft en hoe de familie hierop reageert, mag dat een wonder heten.

    Wat wij verzwijgen verenigt een oud cliché met een nieuwe maatschappelijke tendens. Enerzijds gaat de roman over grensoverschrijdend gedrag, dat het meest in familiesferen voorkomt. Anderzijds bestrijdt Dutrieux een cliché, hardnekkig als het koloniale verleden: de ‘zwijgzame Indiër’. Haar familie houdt zich weliswaar koest over het misbruik van hoofdpersoon Mia, zelf doorbreekt zij dit doodzwijgen als ze haar ooms oude huis doorzoekt. Ze spreekt hem toe, oordeelloos, moedig. In dat opzicht doet Wat wij verzwijgen denken aan De tolk van Java, geschreven door Alfred Birney. Geen afrekening, maar een verrekening.

    Wat wij verzwijgen
    Auteur: Aisha Dutrieux
    Uitgeverij: Spectrum
  • Prachtige ode aan havenstadje Batavia dat uitgroeide tot Jakarta

    Prachtige ode aan havenstadje Batavia dat uitgroeide tot Jakarta

    Dat Philip Dröge ooit als journalist is begonnen, daar profiteert hij nu als schrijver van. En de lezer ook, want zijn zoektocht naar het Indische verleden van zijn familie leest als een trein. Maar het is tegelijk een literaire traktatie, want weinig schrijvers slagen er zo goed in als Dröge om situaties en personen zo beeldend in enkele zinnen te schetsen. Moederstad, de familiegeschiedenis die hij schreef speelt vrijwel geheel in de Indonesische hoofdstad Jakarta. Ofwel ‘Batavia’ in de tijd dat Dröge’s voorouders er woonden. Zijn eigen DNA is voor tachtig procent Europees, negenenhalf procent Indonesisch, negenenhalf procent Chinees en een procent Papoea staat vermeld op het omslag van het boek. Hoe die mengeling tot stand is gekomen, daar is hij in Jakarta naar op zoek gegaan.

    Op de plek waar al eeuwenlang een klein havenplaatsje lag aan de rivier Ciliwung, ontstond onder gouverneur-generaal Coen in mei 1619 het VOC-bolwerk Batavia. De eerste voorvader die Dröge tijdens zijn stamboom-onderzoek vond stapte er al twaalf jaar later aan wal met vrouw en vier dochters. Hij heette David de Solemne, was kwartiermaker in het Hollandse opstandelingenleger dat oorlog voerde tegen Spanje en kreeg als beloning diezelfde functie bij de VOC. Een belangrijke functie want er moest stevig gepland en gebouwd worden in het snel groeiende Batavia en dat kon hij als de beste. Wel met hulp van duizenden geïmporteerde Chinezen, harde werkers.

    Rijkdom verzamelen

    In de archieven vond Dröge zijn naam veelvuldig terug, net als andere uit Holland overgekomen voorvaders. Zoals de man die in 1664 mee mag rijden in de trouwkoets van Gouverneur-generaal  Maetsuycker: ‘De mensen langs de straat zien een plompe man met een dikke neus en trieste ogen, gezet in vlezige kassen.(..) Naast hem zit een slanke, lange vrouw met opmerkelijk brede jukbeenderen. (..) Het zijn de 53-jarige Carel Hartsinck en zijn vrouw Sarah de Solemne, mijn voorouders.’
    Carel is volgens Dröge een ‘gewetenloze houwdegen’, zoon uit een rijke familie, overgestoken vanuit Europa met maar één doel: nog meer rijkdom verzamelen. Wat heel goed lukt. Hetzelfde motief hebben eigenlijk alle voorvaders uit de 17e en 18e eeuw, het zijn zakkenvullers. Pas later komen generaties die ook iets willen bijdragen aan het land dat na zo lange tijd ‘hun’ land is geworden en de stad die hun ibu kota (moederstad) is. 

    Dröge is steeds op pad in Jakarta om de Bataviase plekken terug te vinden waar zijn familieleden woonden en werkten. Ze zijn vaak moeilijk te vinden, maar hij houdt vol, ook in de hitte en de stank van de miljoenenstad die het nu is: ‘De geur die rond de markt hangt is het makkelijkst te omschrijven als ‘rotting’, maar ook dat is weer veel te fijnbesnaard. Alsof iemand een aangesneden galblaas zomers te lang buiten de koelkast heeft bewaard, dat komt meer in de buurt.’

    Geschiedenis van een uitgroeiende stad

    Tegelijk met de historie van de familie vertelt hij de geschiedenis van de steeds verder uitgroeiende stad en de problemen die er in de loop van de eeuwen waren. Zo lees je over de Chinezen die rond 1740 werkloos raakten toen de suikerrietplantages waar zij werkten door overproductie en dalende prijzen massaal de arbeiders ontsloegen. Daar stonden ze, meer dan drieduizend kilometer van huis en geen geld om terug te keren. Er ontstonden bendes die roofden en plunderden in de randgebieden van de stad om in leven te blijven. En dat leidde weer tot de Chinezenmoord op zondag 9 oktober 1740 toen in verschillende kerken een VOC-oproep was voorgelezen om ten strijde te trekken tegen de Chinese dreiging.
    ‘In plaats van een uitval te doen richting de vijanden rond de stad, storten de soldaten en zeelui zich op de Chinese inwoners van de stad. De mannen trekken moordend door de straten. Iedere Chinees die ze tegen komen, snijden ze de hals door. Het zijn families die vaak al veel langer in Batavia wonen dan zij. Mensen die die stad hebben helpen opbouwen.(…) Het is een klassiek voorbeeld van etnische zuivering.’

    Geregeld krijg je – al lezend – zin om eens een kijkje te nemen op de plekken die Dröge bezocht en dat kan tegenwoordig heel makkelijk dankzij Google Street View. Zo kan je bijvoorbeeld het grote landhuis zien dat Andries Hartsinck, één van Dröge’s voorouders en steenrijk geworden in de suiker, in de 18e eeuw buiten Batavia liet bouwen en dat nu als politiebureau nog in gebruik is, midden in Jakarta. Andries hield er een harem op na, maar daar weten de huidige bewoners natuurlijk niets van. ‘”Nederland,” vraagt een van de inspecteurs me, “zijn drugs daar echt legaal? En homoseksualiteit ook?” Als ik ja zeg, moeten de mannen lachen. Wat zijn we in het Westen toch van het padje. Op Sumatra zijn net nog een paar lesbische vrouwen opgepakt, vertelt hij tegelijk giechelig en trots. Wat moet ik daar nou op zeggen?’

    Ode aan havenstadje Batavia

    Na zijn Hollandse voorvaderen komen in Dröge’s familiegeschiedenis de Indonesische en Chinese oermoeders in beeld, het begin van de Indische familie waar hij toe behoort. Ze hebben minder sporen nagelaten, maar Dröge slaagt er toch goed in om ze te portretteren. Zoals Maria Burgemeestre (de vreemde spelling komt door een ambtelijke schrijffout), zijn Chinese over-oma met Nederlandse en Duitse wortels, die ook Tjang Mie genoemd wordt: ‘Dan schuifelt een kleine oude dame binnen, aan de arm van een jongere vrouw. Oma en kleindochter. De oude vrouw lijkt als twee druppels water op mijn moeder. Dezelfde ogen, dezelfde wat voorover gebogen houding, exact haar handen. Ze kijkt vriendelijk omhoog naar mij.’

    Dröge’s verhaal eindigt in de 20ste eeuw met de oorlogservaringen van zijn tante Hannie en haar pogingen om in Jakarta te overleven na de soevereiniteitsoverdracht. En het grote Indische zwijgen over die beroerde tijden dat zij tot haar dood volhield. Moederstad is een prachtige ode aan dat kleine havenstadje Batavia dat uitgroeide tot Jakarta, de uit zijn voegende groeiende, op veel plekken bijna onleefbare maar toch indrukwekkende hoofdstad van Indonesië. En het is een evenzo indrukwekkende zoektocht naar de wortels van zijn familie. Mooi boek.