• Indrukwekkende familiesage

    Indrukwekkende familiesage

    Met drie lijvige boeken, De familie Aubrey, Mary en Rose, en Rosamund geeft de Aubrey-trilogie van Rebecca West met voldoende maatschappijkritiek een mooi beeld van het Engeland aan het begin van de vorige eeuw. De Aubrey’s zijn arm, muzikaal en intellectueel. De schrijfster – pseudoniem van Cicely Isabel Fairfield – leefde van 1892 tot 1983. Ze was romanschrijfster, columnist en journalist, met een Schotse moeder die haar carrière als concertpianiste opgaf ter wille van haar gezin en een vader die zich als een halfslachtige journalist profileerde, net als bij de familie Aubrey.

    De vier kinderen Aubrey groeien beschermd en liefdevol op, maar ze moeten accepteren dat hun ouders excentriek zijn. Vooral de oudste dochter Cordelia heeft daar veel moeite mee. De familie heeft een haast obsessief zelfbewustzijn, wat een mooi contrast vormt met hun naïeve kijk op de levens van anderen. Zoals het niet kunnen begrijpen dat iemand er andere denkbeelden op na houdt over bijvoorbeeld de beleving van muziek.

    Moeder Clare was een begenadigd concertpianiste, maar haar gezin gaat voor. Met strenge hand geeft ze geeft haar dochters pianoles. Vader Piers, journalist en pamflettist, is naast bijzonder en erudiet, ook egocentrisch. Hij gaat zijn eigen gang en geeft aandacht aan de kinderen als hem dat uitkomt, maar zorgt er wel voor dat ze hem waarderen.

    Ook Clare houdt hem telkens weer de hand boven het hoofd, terwijl hij al zijn verdiensten vergokt, vrienden geld afhandig maakt en zijn jonge gezin tot diepe armoede brengt. Als hij stiekem haar meubels verkoopt en op mysterieuze wijze met medeneming van de familiejuwelen verdwijnt, lopen de emoties hoog op. Maar Clare blijkt een appeltje voor de dorst achter de hand te hebben gehouden. De schilderijen die achteloos in de kinderkamers hangen zijn geen kopieën, zoals ze altijd beweerde tegen haar man. Nu vader vertrokken is, kunnen de kostbare originelen worden verkocht en kan er eindelijk op ruimere voet geleefd worden.

    Muziek speelt een belangrijke rol

    Cordelia wil violiste worden, maar heeft nul talent en is tot grote frustratie van haar jongere zussen, de tweeling Mary en Rose, daarvan niet te overtuigen. Wat liefdevolle haat en nijd oplevert. De twee zussen erfden wel het muzikale talent van hun moeder en zijn voorbestemd om beroemde concertpianistes te worden. Het jongste broertje Richard Quin is een wonderkind met een bovennatuurlijke levenswijsheid. Moeder Clare, rots in de branding die het gezin bij elkaar houdt, komt wat wereldvreemd over. Ze heeft een verwarde haardos en loopt in zakkige kleren, wat haar niets kan schelen maar wat begin vorige eeuw in Engeland not done was.

    Rose is de verteller van het verhaal. Ze is dol op haar excentrieke ouders en heel close met Mary. Ze hebben allemaal moeite met Cordelia, die zich geneert voor haar ouders en een gewoon (en saai) leven zou willen. Rose beschrijft de herinneringen aan haar jeugd gedetailleerd en met uitgesponnen dialogen. Ze is hardvochtig en kritisch, maar ook humoristisch, met grappige metaforen, fantasieën en denkwijzen, met anekdotes binnen verhalen en herinneringen aan diverse personages. De conflicten zijn klein en alledaags, – wat eten we, wat gaan we doen, wie studeert piano – met neiging tot gebabbel. Vooral in deel een zijn het kinderen die de wereld ontdekken aan het begin van de vorige eeuw, wat wel eens gedateerd overkomt. Tegelijkertijd geeft het een mooi tijdsbeeld, mede dankzij Wests meedogenloze pen. De kleding, de etiquette, de eerste auto en de afhankelijkheid van bedienden, niets wordt gespaard.

    The Forsythe Saga van John Galsworthy (1867-1933) en De jaren van Virginia Woolf (1882-1941), of The Old Filth trilogie van Jane Gardam (1928) zijn net zulke heerlijk uitgesponnen familiegeschiedenissen, waarmee Rebecca West zich prima kan meten. Ook wordt een vergelijking met The Cazalets van Elizabeth Jane Howard (1923-2014) wel aangehaald.

    Andere personages

    In de trilogie van rond de 1250 bladzijden komen veel markante personages voor. Enkelen verdienen het om genoemd te worden, zoals Nancy Phillips, een vriendin van Cordelia en later ook van Mary en Rose. In deel een wordt haar vader vermoord door haar moeder, Queenie. Een ingrijpende gebeurtenis in de levens van de nog jonge meisjes. Hun eigen vader is betrokken bij het proces om Queenie een lichtere straf te geven. Tante Lily, de inwonende ongetrouwde zus van Queenie, kan nergens heen en wordt opgenomen door de Aubrey’s. Vervolgens brengt Lily hen in contact met haar oude vrienden, oom Len en tante Milly. Hartelijke, warme mensen die The dog and duck runnen, een uitspanning aan de Thames. Een levendige plek waar de familie Aubrey zich thuis voelt.

    Meneer Morpurgo is een rijke jood en weldoener, een zeer menselijk en bovenmatig aardig heerschap, die het gezin altijd heeft ondersteund. Aanvankelijk was hij een bewonderaar van vader Piers. Keer op keer hielp hij Piers als hij zich weer in de nesten had gewerkt. Als Piers zijn gezin verlaten heeft, raakt meneer Morpurgo steeds meer betrokken bij de familie.

    Een ander belangrijk personage is nicht Rosamund, uit het gelijknamige deel drie van de trilogie. Haar vader Jock, een verschrikkelijke man volgens Rose, is een neef van Clare. Constance en Rosamund zijn diepongelukkig bij hem en ook zij trekken bij de familie Aubrey in. Constance en Rosamund zijn rustig en wijs en hebben een louterende invloed op de veel onstuimigere Aubrey-kinderen. Mary en Rose bewonderen hun nicht en vooral Richard Quin is dol op haar – tussen hen sluimert een diepe liefde, maar het blijft wel allemaal lief en braaf.

    In deel twee, Mary en Rose, studeren de tweelingzussen piano, beiden aan hoogstaande conservatoria. Cordelia vindt een echtgenoot en kan eindelijk haar vreselijke familie ontvluchten. Mijnheer Morpurgo wordt een huisvriend met vaderlijke kwaliteiten, en de eerste wereldoorlog breekt uit. Richard Quin gaat het leger in en moeder Clare blijkt ernstig ziek te zijn. Dit deel eindigt met een mooie invoelende beschouwing op het stervensproces van Clare.

    Rosamund

    Deel drie, Rosamund, speelt in de jaren na de eerste wereldoorlog en is een samenraapsel van eindjes uit de vorige twee delen, die nog niet afgeknoopt waren. De achtergrond van oom Len wordt duidelijk, Nancy trouwt en haar moeder komt vrij. Rosamunds huwelijk is een hoogtepunt in het boek. Rosamund, lang en blond, trouwt met een onooglijk klein, maar schatrijk mannetje.

    Rose heeft een stellige mening over de man van haar vriendin en wint geen doekjes om haar beschrijvingen van uiterlijkheden of karaktereigenschappen. ‘Ik was woedend. Het ging tegen de natuur in dat ze gelukkig zou worden met deze man, die een kop kleiner was dan zij, die absurd gebouwd was, wiens hoofd bijna meteen aansloot op zijn lijf dat zo geleidelijk aan van mollig tot kleine voeten verschrompelde dat hij een vis leek die op zijn staart stond.’

    Toch blijft Rosamund als personage schetsmatig. We komen in deel drie niets meer te weten over haar stille-water-karakter, wat een teleurstelling is. Rosamund reist met haar man over de wereld en heeft geen tijd meer voor haar oude vriendinnen. Alsof ze door met hem te trouwen alle herinneringen aan Richard Quin, die ontegenzeggelijk haar grote liefde was, en de armoe en ontberingen uit haar jeugd wil vergelden. Aan Rose knaagt het gemis van Rosamund en ze mist ook haar vader, moeder en Richard Quin, maar die zijn overleden. ‘Rosamund had bestaan, en aangezien ze niet overleden was, moest ze nog steeds bestaan.’

    Rose en Mary treden veelvuldig op in Europa en Amerika. Ze zijn well-to-do en laten het breed hangen na hun armoedige jeugd. Toch houden ze een sterke hang naar vroeger en wonen ze nog thuis met hun oude bediende Kate. Uiteindelijk vindt Rose de liefde, ze omarmt het huwelijk en ontdekt het genot van seks. Alsof West hiermee wil zeggen dat dit het is waar het in het leven om draait.

     

     

  • Wie zijn we en hoe moeten we ons gedragen?

    Wie zijn we en hoe moeten we ons gedragen?

    ‘Wie zijn we?’ Een vraag die de mensheid, en inzonderheid de filosofie, al eeuwenlang bezighoudt. Deze existentiële vraag is ook het uitgangspunt van Charles Foster. Deze Britse excentriekeling maakte naam op vele gebieden: naast auteur is hij ook afgestudeerd diernenarts, doceert hij medisch recht en ethiek in Oxford, is hij advocaat, amateur-muzikant en vader van zes kinderen. In 2017 verscheen zijn aparte boek Leven als een beest waarin hij onderzocht in hoeverre je je als mens kan verplaatsen  in een ander wezen. Hij had al tig boeken over het onderwerp gelezen, maar dat bracht hem geen voldoening en dus besloot hij enkele maanden effectief in de huid te kruipen van een das, otter, vos, hert en gierzwaluw. Het boek werd prompt een bestseller. Dat moest dus een vervolg krijgen en het resultaat is Leven als een mens. Daarin gaat hij nog steeds op zoek naar het antwoord op de initiële vraag en ditmaal kruipt Foster in de huid van onze voorouders. Zijn uitgebreide boekenkennis deed hem drie cruciale periodes uit onze geschiedenis selecteren die bepalend geweest zijn voor onze (in zijn ogen) negatieve evolutie en die zowat 35.000 van de voorbije 40.000 jaar omvatten.

    Doodsteek van ons mens-zijn

    Eerst dompelt hij zich samen met zijn zoon Tom onder in het leven van de jager-verzamelaar uit het laatpaleolithicum. In de bossen van Derbyshire worden ze één met de natuur en het heelal, overleven op roadkill en hebben heel wat transcendentale belevingen. Het blijft volgens Foster de periode waarin we echt mens waren. Vanaf dan ging het alleen maar bergaf. In het neolithicum lag de kiem van ons verlies aan het échte leven. We werden sedentaire landbouwers en sloten ons deel af van de natuur. We plantten afrasteringen en stelden grenzen. Dit had een heleboel zaken tot gevolg, ook biologisch zoals het verlies aan hersenmassa, concentratie en beweging, maar ook het ontstaan van tandbederf, epidemieën en dergelijke meer. De definitieve doodsteek voor de mens in relatie met zijn omgeving en de natuur werd gegeven door de Verlichtingsdenkers van de achtiende eeuw. René Descartes motto Cogito, ergo sum zorgde voor de definitieve scheiding tussen de mens en alles wat niet-mens is en dus niet ‘bestaat’ en enkel materie is.

    Eclectisch

    Leven als een mens is geen gewoon boek. Het weerspiegelt ook de man die Charles Foster zelf is niet eenduidig. Het is een eclectisch allegaartje en houdt het midden tussen een wetenschappelijk traktaat, een reisdagboek en een avonturenroman doorspekt met autobiografische noten. Soms wegen de wetenschappelijke argumenten wat door en wordt de taal iets moeilijker. De vijftig bladzijden voetnoten zorgen hier voor wat soelaas. Soms is het grappig en wordt het gelukzaligheidsgevoel tot leven gewekt. Foster wilde vooral proefondervindelijk ervaren hoe je als mens in het leven staat en hoe alles met alles verbonden is, wars van alle wetenschappelijke verklaringen. Want ook dat is Leven als een mens. Hij gaat in tegen de heersende theorieën en wetenschappelijke verklaringen. Hij hekelt het feit dat door de Verlichting de wetenschap een dogma is geworden, fundamentalistischer dan heel wat religies die we vandaag als dusdanig zien. Zijn onderzoek is atypisch en misschien weinig wetenschappelijk en wordt daardoor door heel wat collega’s argwanend bekeken. Voor Foster is het vooral een pleidooi om de relaties  tussen alles wat is weer te zien.

    Romantiek

    In zekere zin kun je Foster een romanticus noemen die pleit voor een terugkeer naar de natuur. Hij heeft het niet begrepen op wetenschappers voor wie axioma’s heilig zijn. Intuïtie speelde bij de aanvang van wetenschappelijk onderzoek een grote rol en daar moeten we volgens hem weer naartoe. De Romantiek was een reactie op het Verlichtingsdenken, maar een terechte reactie. Het bewustzijn an sich is onverklaarbaar, vandaar ook de vele onverklaarbare zaken waarop de wetenschap geen enkel antwoord heeft zoals bijnadood-ervaringen of telepathie. In zijn tocht door de eeuwen heen wordt hij begeleid door X en zijn zoon, twee schaduwen uit het laatpaleoliticum die voor hem echt zijn. Deze onverklaarbare verschijningen zijn voor hem het bewijs dat niet alles te vatten is in wetenschap en dat we bewust in het leven moeten staan en loskomen van het puur biologische, mathematische en materiële van vandaag.

    Leven als een mens is een aangenaam en kritisch pseudo-wetenschappelijk werk dat de lezer doet stilstaan bij enkele fundamentele waarden van het bestaan, dat doet nadenken over wie of wat we zijn als mens en ons bewuster doet nadenken over onze relatie met de natuur en het heelal.

     

     

  • De oneindigheid van de geest

    De oneindigheid van de geest

    The Plains uit 1982 is de derde roman van de Australische schrijver Gerald Murnane. Achterin de ‘De vlakte’, de recente Nederlandse vertaling, zijn twee brieven opgenomen die dateren uit 2013. Een bewonderaar stelt hem, na een lange inleiding over zijn eigen schrijverschap, de vraag: ‘Hoe bent u tot die gewoonte van nauwkeurig beschrijven gekomen?’ Murnanes antwoord, in een nog veel langere brief, is verrassend: ‘Ik hoor uit mijzelf een stem; lange tijd heb ik die willen horen.’ Deze zin voegde hij op het allerlaatst toe aan zijn manuscript ‘Landscape with landscape’ (1985). Het was dé zin die hem in zijn lange bestaan als schrijver is bijgebleven als de essentie van zijn schrijverschap. 

    De vlakte is een wonderlijk boek waarop het woord roman eigenlijk niet van toepassing is, er is weinig verhaallijn en karakterontwikkeling. Aanvankelijk is het boek lastig en met enige verzuchting te lezen, omdat er nauwelijks iets gebeurt en omdat iedere zin wel twee keer gelezen moet worden om hem ten volle te bevatten. Tot, op ongeveer een derde, het kwartje valt. 

    Uitgestrektheid

    De roman gaat niet alleen over het lege binnenland van Australië, de vlakte is een metafoor, een allegorie voor de geest. Zoals Murnane in bovengenoemde brief schrijft: De uithoeken van mijn geest interesseren mij, vermoedelijk net zoals reizigers geïnteresseerd zijn in verre landen. […] geest zie ik als ruimte. Al lang geleden heb ik de populaire theorieën over de geest verworpen die in de twintigste eeuw naar voren zijn gebracht. Voor mij betekent de geest uitgestrektheid en, mogelijk ook, oneindigheid, in de betekenis van “zonder einde”.’ 

    Een jonge filmer, de ik-verteller, wil een film maken over het binnenland van Australië, de vlakte en zijn bewoners. Deze plainsmen zijn kunstenaars, schrijvers, musici en aristocratische grootgrondbezitters met landhuizen en grote bibliotheken vol boeken met de vlakte als onderwerp. De filmer neemt zijn intrek in een hotel in een provinciestadje en wacht tot de plainsmen samenkomen in het weekend voor hun drinkgelag. Dagen- en nachtenlang wordt er gediscussieerd en gefilosofeerd onder het genot van veel drank. De filmer maakt aantekeningen en becommentarieert deze scènes. ‘Iedereen die vanaf zijn jeugd was omringd door een overvloed aan vlak land moest wel afwisselend dromen van het verkennen van twee landschappen – een ervan voortdurend onzichtbaar, zelfs als je er dagelijks in rondtrok.’

    Kleuren

    De plainsmen onderzoeken hun herinneringen, hun culturele bagage en hun afkomst en vergelijken die met de schilderkunst en gedetailleerde natuurbeschrijvingen van de vlakte: van grassprieten tot verre einders, de kleuren van het licht en de vormen van de wolken. Er worden heel veel kleuren beschreven, blauw, groen, goud en de blanke huid van een vrouwenhals. Dankzij die kleuren komen de beelden tot leven. Ze hebben de omslagontwerper van het boek doen denken aan de schilderijen van Mark Rothko.
    In het plotloze verhaal gebeurt weinig tot niets, de meeste tijd gaat voorbij met wachten. ‘Het leven bestaat uit wachten en dat is gelijk aan de leegte van de vlakte.’ Een leegte tegelijkertijd vol van gedachten over tijd, beschouwingen over het landschap die vertaald kunnen worden naar de reikwijdte van de geest en vragen over het zijn in toen, hier en nu.

    Niets wordt echter specifiek benoemd, de filmer en de plainsmen hebben geen naam, waardoor een zekere afstand tot de lezer is geschapen en tegelijkertijd ben je aanwezig, daar in die bar van dat hotel of op de loggia van het landhuis terwijl de ogen zijn gericht op de vlakte bij avondlicht. Want tijdens de zonovergoten, zinderend hete dagen zit men binnen, de zonwering gesloten, de neus in de boeken. ‘Ik probeer een vlakte te scheppen waar alleen dat bestaat wat kunstenaars beweren gezien te hebben. En als ik die landschappen heb samengevoegd tot één grote geschilderde vlakte, dan loop ik op een morgen naar buiten en ga op zoek naar een nieuw land. Dan ga ik zoeken naar de plekken die net achter de geschilderde horizonten liggen, de plekken waarvan de schilders alleen maar wisten dat ze te suggereren waren,’ schrijft de filmer.

    Alleen film toont verrre horizonten

    Hij solliciteert naar een aanstelling bij een van de plainsmen om bij hem thuis in zijn bibliotheek de vlakte verder te bestuderen en houdt, na lang naar de verschillende mannen geluisterd te hebben, een betoog met de motivatie voor zijn film. ‘Daarop wendde ik me tot de zevende van de grote landeigenaren en verklaarde dat van alle kunstvormen alleen film de verre horizonten van dromen kon laten zien als een bewoonbaar land en tegelijkertijd vertrouwde landschappen kon herscheppen als een vaag decor dat alleen in dromen thuishoorde.’
    Tijdens het schrijven van zijn filmscenario verliest hij zich in zijn aantekeningen en vraagt hij zich af of hij niet beter schrijver kan worden. Hij zit dagen in de bibliotheek van de landeigenaar met zijn rug naar de ramen waarachter de vlakte ligt. De vrouw van de heer des huizes zit in dezelfde ruimte in haar eigen hoek. Tot een uitwisseling komt het nooit en ze lijkt zelfs blind voor de reden van zijn aanwezigheid in het huis. 

    Andermans geest is niet te doorgronden

    Tegen het einde van het boek zijn we twintig jaar verder. De filmer voelt zich onbegrepen door de landeigenaar en zijn gezin en dat is wederzijds: ‘En in die stervende middagen waarin het landschap vaker aangewezen leek dan geobserveerd, telkens als de camera in mijn handen het beeld bij me opriep van een jonge vrouw’ is het de vraag of hij na al die jaren op de vlakte de plainsmen heeft weten te doorgronden. Nee, andermans geest is nooit ten volle te doorgronden. 

    Murnane heeft nooit gereisd, hij heeft geen computer en typt met één vinger omdat hij dan het tempo van zijn denken volgt, schrijft Wim Boevink in een verhelderend voorwoord. Overigens werpen de brieven aan het eind van het boek ook een mooi licht op het leven van een uitzonderlijk en ondanks zijn grote productie onbekend schrijver, die wel wordt vergeleken met Kafka, Borges, Calvino en Beckett. 

    Zoeken naar herkenningstekens

    Zodra je je niet meer verzet tegen het onbegrip, maar je laat meeslepen door de taal, de woordkeuze en de rangschikking van de woorden in een zin, – ‘ieder mens is in zijn hart een reiziger in een onbegrensd landschap, maar zelfs de plainsmen (die geleerd moesten  hebben verre einders niet te vrezen) zochten naar herkenningstekens en wegwijzers in dit verontrustende domein van de geest.’ – zie je de wonderlijke poëzie van Murnanes gecomponeerde zinnen en wordt het lezen van De vlakte een genot. 

     

  • Oogst week 11 – 2020

    De vlakte

    De 81-jarige auteur van De vlakte, Gerald Murnane, is op zijn zachtst gezegd een enigmatische figuur. Zo zou hij nooit een computer hebben aangeraakt – dat wil zeggen: hij zou er in ieder geval nooit een manuscript op hebben getypt –, en zou hij nog nooit een voet in een vliegtuig hebben gezet. Hoewel hij oorspronkelijk van katholiek-Ierse afkomst is, woont en verblijft hij al zijn hele leven in Australië. Zijn fictie staat haaks op die persoonlijke werkelijkheid. In zijn romans overstijgt hij juist gebieds- en landsgrenzen. Ondanks of dankzij Murnanes zonderlinge levenshouding werd hij eens ‘de grootste auteur in het Engelse taalgebied (waar de meeste mensen nog nooit van hebben gehoord)’ genoemd (in The New York Times). De vlakte is een heruitgave, oorspronkelijk in het Engels verschenen in 1982, en bereikt nu voor het eerst een Nederlands lezerspubliek.

    In De vlakte strijkt een jonge filmmaker neer in Australië, waarmee een wisselwerking tussen werkelijkheid en fictie in gang wordt gezet. De beginzinnen zijn veelzeggend:

    ‘Twintig jaar geleden, toen ik voor het eerst op de vlakte aankwam, hield ik mijn ogen open. Ik zocht naar iets in het landschap wat leek te wijzen op een diepere betekenis onder het oppervlak.’

    De vlakte
    Auteur: Gerald Murnane
    Uitgeverij: Signatuur

    Hier zijn we

    Hier zijn we van de Britse schrijver Graham Swift gaat over drie jongeren die in een theater aan de pier van Brighton werken: Evie, Jack en Ronnie. Tegen de achtergrond van een voorspoedig, bruisend zomerseizoen komt de verhouding tussen de drie op scherp te staan. Die relatie tussen het algemene en het persoonlijke komt vaker terug in Swifts werk. Eerder schreef hij de historische novelle Moeders Zondag (Mothering Sunday), die in Nederland lovend werd ontvangen. Daarin speelt de nasleep van de Eerste Wereldoorlog in Groot-Brittannië een bepalende rol, maar wordt juist ook het particuliere perspectief van hoofdpersonage Jane Fairchild uitgediept in het tijdsbestek van één beslissende dag.

    Graham Swift schreef negen romans en schreef daarnaast korte verhalen, gedichten en essays. Hij won de Booker Prize met Last Orders (vertaald als Laatste ronde).

    Hier zijn we
    Auteur: Graham Swift
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De Parelduiker, Louis Paul Boon

    In het nieuwste nummer van De Parelduiker staat Louis Paul Boon (1912-1979), ook wel de ‘Vlaamse Multatuli’ genoemd, centraal. Hij is wijd en zijd bekend dankzij zijn magnum opus De Kapellekensbaan (1953), waarop in 1956 het vervolg Zomer te Ter-Muren verscheen. Boon werd lange tijd getipt als belangrijke kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur. Hij was niet alleen schrijver, ook zijn productie beeldende kunst valt ontzagwekkend te noemen.

    Geheel in lijn met het thema van de Boekenweek 2020, ‘Rebellen en dwarsdenkers’, wordt in De Parelduiker Boons rebelse imago binnenstebuiten gekeerd en aan een kritische herziening onderworpen, onder anderen door Boon-kenner Jos Muijres. Hoe kijken we met de kennis van nu naar Louis Paul Boon – wás hij inderdaad een rebel of dwarsdenker, of is dat vooral een rol die hem in retrospectief is toegekend?

    De Parelduiker, Louis Paul Boon
    Auteur: Eindredactie Hein Aalders
    Uitgeverij: Uitgeverij Vantilt
  • Een ‘verschrikkelijk’ boek

    Een ‘verschrikkelijk’ boek

    In de nieuwe verhalenbundel van Pulitzerprijswinnaar Adam Johnson (The orphan master’s son) staan zes verhalen. Een aantal daarvan is beklemmend, indrukwekkend, gruwelijk; door het gedrag van de hoofdpersonages, door de setting, door de manier van vertellen. Je zou het, al zijn ze op een verraderlijk lichte en luchtige toon verteld, horrorvehalen kunnen noemen.

    Johnson vertelt van binnenuit, vanuit de personages, maar ook vanuit de situatie en maakt zo invoelbaar wat personages doormaken, geloven, voelen, hoe ze tegen de wereld aankijken, maar vooral ook: hoe de wereld naar hen kijkt De hoofdpersonen zijn allemaal buitenstaander in die wereld. Het zijn allemaal personages met een twist: op het eerste gezicht ‘normaal’, lees je wat verder dan komt de ware aard naar voren.
    Het boek wegleggen is bijna niet mogelijk omdat het zo spannend is, en tegelijkertijd: steeds maar doorlezen wil je ook niet omdat een verhaal soms wel erg gruwelijk wordt.

    Beklemmend
    Een mooi voorbeeld is het verhaal over de ex-directeur van een Stasigevangenis in het voormalige Oost-Duitsland: George Orwell was een vriend van me. Deze man is zo beïnvloed door de omstandigheden waarin hij is grootgebracht, dat hij, zelfs jaren na de val van de muur en de opheffing van zijn land, niet wil en kan zien wat er in zijn gevangenis gebeurd is en hoe hij daar aan mee heeft gewerkt. Tussen de regels door lees je over zijn gezinsleven, over zijn bestaan als gevangenis-directeur. Hij ontkent in feite zijn bestaan, zijn gezin. Hij ontvangt geheimzinnige pakketjes met voorwerpen uit de jaren dat hij de gevangenis bestuurde. Voorwerpen die hij van gevangenen in beslag nam. Hij ontdekt wie die pakketjes bij hem achterlaat, wat hem aan het denken zet. Hij sluit zich aan bij een  rondleiding in zijn als museum ingerichte gevangenis, waar hij geconfronteerd wordt met een ex-gevangene die hem wil laten inzien wat er werkelijk in zijn gevangenis is gebeurd.

    Dit verhaal is zo ongelooflijk beklemmend, zo goed gedocumenteerd dat je je tijdens die rondleiding terugwaant in de tijd, alsof je zelf in de jaren zestig in die gevangenis zit: de geur, de angst, de kou, de gruwel. Het lijkt wel door een Duitse ex-gevangene geschreven.

    Vervreemdend
    Het verhaal Nirvana, waarmee de bundel opent, is vervreemdend, maar heeft toch een herkenbaar en invoelende sfeer. De echtgenoot van een ernstig zieke vrouw vlucht in dialogen met een 3d-versie van de vermoorde president van zijn land waar hij moed en kracht uit put om het uitzichtloze leven met zijn vrouw vol te houden. Hij geeft zijn vrouw het mooiste cadeau wat hij voor haar kan bedenken. Merkwaardig, gek, onrealistisch en toch: je vergeet het niet.

    Verontrustend
    Ook sterk is het verhaal over een verknipte pedoseksueel, die spijt lijkt te hebben van zijn verleden, een rol wil spelen in de opsporing van de makers van kinderporno, maar tegelijkertijd zijn eigen verzameling koestert en een zeer ongezonde belangstelling heeft voor twee jonge buurmeisjes. Dader en bestrijder in één. Hij leest een verhaal over bommen onklaar maken: ‘hij zegt dat je een bom in de echte wereld onklaar kunt maken, maar de bom in je hoofd, die zit er voorgoed’. Hij kan zichzelf nog net in de hand houden, maar je twijfelt elke zin weer hoe lang hij dat vol kan houden. Heel erg verontrustend.

    Lot of geluk
    Het laatste verhaal, het titelverhaal, gaat over twee gevluchte Noord-Koreanen die in Zuid-Korea heimwee hebben naar hun vaderland. Ook weer zo’n twist: je vlucht uit je land voor alle gruwelen, komt in het land van melk en honing, maar je ervaart dat niet zo. Een van de twee gaat zelfs, op een nogal bijzondere manier, terug naar het noorden. Hij gebruikt daarvoor een merkwaardig argument. Hij beweert: ‘Een mens krijgt maar een bepaalde hoeveelheid geluk in zijn leven Dat geluk is op als hij vrij is en dan is het verlangen naar vroeger groter’

    En daarmee zijn we bij de titel van deze bundel aangekomen: Als het lot lacht. De Engelse titel luidt: Fortune smiles, wat ook vertaald had kunnen worden als Als het geluk lacht. Het Geluk en het Lot zitten dicht op elkaar blijkt uit alle verhalen. Het Lot lacht de mens vaak uit, het Geluk heb je niet in eigen hand.

     

     

  • Gelukkig eindelijk vertaald

    Gelukkig eindelijk vertaald

    De eerste roman van Mantel die in het Nederlands verscheen, was Wolf Hall, een alom geprezen historische roman waarmee zij vele prijzen in de wacht sleepte. Het doet geen afbreuk aan deze roman te vermelden dat de schrijfster niet meer piepjong was toen zij deze roman schreef. Een veiliger oord schreef zij veel eerder. Mantel besloot op haar tweeëntwintigste over de Franse Revolutie te schrijven en voegde meteen de daad bij het woord. Dat je op zo’n jonge leeftijd een monumentaal werk kunt schrijven dat van begin tot eind de lezer weet te boeien is ongelofelijk knap! Zo’n veertig jaar later is hiervan de prachtige Nederlandse vertaling verschenen van de hand van Ine Willems. In Nederland wordt dit werk in drie delen uitgebracht waarvan Vrijheid, het eerste deel, de aanloop naar de Franse Revolutie vormt.

    In Brief aan de lezer, voorwoord op het eerste deel, zegt de schrijfster dat zij nu, ongeveer veertig jaar later bij het beschrijven van de Revolutie meer aandacht gegeven zou (kunnen) hebben aan de rol van de arbeiders en de vrouwen, maar dat zij als romanschrijver toen niet uit de voeten kon met schrijven over een massabeweging en daarom bewust gekozen heeft om drie jongemannen Camille Desmoulins, Georges-Jacques Danton (later d’Anton) en Maximilien de Robespierre, eruit te lichten en die op de voet te volgen.
    De roman opent met het jaar 1763 en tegelijkertijd met drie verhaallijnen van de drie jongemannen vanaf hun geboorte, of indien nodig, eerder. We lezen welke gebeurtenissen, welke ervaringen, welke personen en welke vrouwen hen vormen tot de jongemannen die ze zijn op het moment dat de Franse Revolutie begint. Om die reden is het dan ook nodig om hun familie te leren kennen, de onderlinge verhoudingen binnen de familie en de plaats die hun familie inneemt op de sociale ladder. Ook het dorp of de streek waar de jongens opgroeien komt uitgebreid aan bod. Hilary Mantel beschrijft dit alles zodanig dat het leest als een boeiende familieroman, als een streekroman en het grotere geheel als een historische roman.

    In Guise, Picardië, wordt in 1760 Camille Desmoulins geboren als oudste zoon van Jean-Nicolas Desmoulins en Madeleine Godard, die al dertig jaar is wanneer haar familie de financiële situatie van Desmoulins enigszins aanvaardbaar acht. ‘De dames van die familie (Godard) zijn voorstander van jaarlijkse productie [van kinderen, AvB], en Madeleines late start weerhoudt haar bepaald niet.’ Al jong gedesillusioneerd zit de drieëndertigjarige Jean-Nicolas, echtgenoot, vader, jurist en notabele, in zijn werkvertrek, gekweld door de rekening van een nieuw dak én door de familie van zijn vrouw, de verwaande Godards en de hooghartige de Viefvilles. Hoe weinig de vader heeft in te brengen bij zijn schoonfamilie moge blijken uit het volgende: ‘Het kind had een hele riedel namen omdat de peetouders het niet eens konden worden. Jean-Nicolas maakte zijn voorkeur kenbaar, waarop de familie de rangen sloot: Noem jij hem Lucien als je zo graag wilt, maar Wij noemen hem Camille.’ De relatie met zijn zoon Camille is al niet beter: ‘Diep vanbinnen vreesde hij dat de baby op een goede dag in gezelschap rechtop zou gaan zitten en het woord zou nemen; dat hij hem recht zou aankijken, naar waarde zou schatten en zeggen: “Wat ben jij een lul.”’ En dat is precies wat er gaat gebeuren. Camille zal noch tegenover zijn vader noch tegenover iemand anders een blad voor de mond nemen. Dit maakt hem uiteraard niet geliefd bij de gevestigde orde. Een geldelijke bijdrage van de de Viefvilles maakt mogelijk dat hij naar de beste school van Parijs gaat, het Louis-le-Grand, waar de verhaallijn van Maximilien de Robespierre de zijne kruist. Zij waarderen elkaar om hun eerlijkheid en rechtvaardigheidsgevoel; beiden zijn ervan overtuigd dat er een revolutie komt, die Camille toejuicht en waarvan Maximilien de noodzaak inziet. Er volgen gesprekken over de politieke wantoestanden, zoals de decadentie aan het hof van de jonge, onbetekende koning Louis XVI en zijn eveneens jonge echtgenote, van wie haar grote spilzucht nog de minst erge fout schijnt; de vele, elkaar afwisselende ministers van financiën die er maar niet in slagen het hof te laten bezuinigen; de ongelijkheid in de Standenvergadering (de stem van de Derde Stand, de burgerij, kan nooit opwegen tegen die van de andere twee Standen, de adel en de geestelijkheid). Voeg daarbij de absurd hoge graanprijzen, die elk jaar nog hoger worden; vlees eet de burgerij al helemaal niet. Gesprekstof genoeg!
    Terug naar Maximilien. In Arras (Artois) is de dochter van een rijke bierbrouwer, Jacqueline Carraut, zwanger door toedoen van de adellijke François de Robespierre. De geliefden trouwen, hun liefdesbaby Maximilien wordt geboren; maar vijf zwangerschappen in zes jaar tijd is te veel van het goede. Als zij na de geboorte van haar vijfde kind op sterven ligt, glipt de 6-jarige Maximilien haar kamer binnen. ‘Ze draaide alleen haar ogen naar hem toe, niet haar hoofd, en de schamele restanten van een glimlach. De huid rond haar mond zag grauw. Jij en ik zullen nu gauw uiteengaan, leek die te zeggen. Toen hij dat zag, wendde hij zich af. Bij de deur hief hij zijn hand naar haar, een nietig, vroegwijs blijk van solidariteit.’ De kinderen worden door tante Eulalie naar de grootouders Carraut gebracht, waar ze ‘fijn’ een paar dagen blijven logeren, ‘”totdat jullie moeder zich beter voelt,” zei Eulalie. Maar hij herinnerde zich de grauwe huid rond zijn moeders mond. Hij begreep wat die hem had gezegd: algauw lig ik in mijn doodskist, algauw lig ik in mijn graf. Hij vroeg zich af waarom ze zo logen. (…) Hij telde de dagen tot ze zouden besluiten de waarheid te vertellen.’ Vader François begon zwaar te drinken, verwaarloosde zijn clientèle, verdween soms dagen aan een stuk en uiteindelijk voorgoed. Maximilien groeit verder op bij zijn grootouders, hij bezorgt ze geen last, leest veel en verzorgt met liefde duiven die hij houdt in een kot in de tuin. Omdat hij een goed stel hersens heeft, wordt voor hem een beurs geregeld zodat ook hij naar de beste school van het land kan: het Louis-le-Grand.

    Georges-Jacques Danton: eindelijk een jongen na vier meisjes! Zijn vader heeft niet lang kunnen genieten van zijn zoon, hij sterft op veertigjarige leeftijd, maar laat zijn vrouw niet onbemiddeld achter. De bazige madame Danton redt het wel, en verder wordt ze op zondag van advies gediend door haar zwagers. ‘Intussen lapten de kinderen God en zijn gebod aan hun laars. Ze vernielden omheiningen, joegen schapen op en begingen diverse andere plattelandszonden. Wanneer ze erop werden aangesproken, gaven ze een grote mond. Kinderen van andere families duwden ze in de rivier.’ Camus, een broer van madame, informeert naar het verband om het hoofd van de jongen. Twee dagen eerder hadden zijn zusjes hem in de avondschemer thuisgebracht. ‘Ze hadden in de stierenwei eerste-christentje gespeeld.’  Zijn halve gezicht was opengereten door de stierenhoorn. En vier dagen later zag madame Danton ‘hoe het stoffelijk overschot van haar zoon alle hoeken van de wei te zien kreeg.’ Ook dit overleeft hij, evenals de pokken. Zijn gezicht wordt er niet mooier op. Een paar jaar later wordt Georges-Jacques ‘vertrappeld door een kudde zwijnen (…) “Dit is echt de laatste keer dat een beest me onder de voet loopt,” zei hij. “Of het nu vier poten heeft of twee.”’
    Georges-Jacques vervolgt zijn opleiding aan het kleinseminarie in Troyes om later in de advocatuur te gaan. Zijn ambitie voert hem naar Parijs, waar zijn gehavende gezicht grote aantrekkingskracht blijkt uit te oefenen op het vrouwelijke geslacht en waar hij in contact komt met de twee andere mannen.

    Naast deze drie hoofdpersonages lopen er nog heel veel andere personages rond in Parijs, Versailles, Troyes, en elders, over wier levens, karakters, avonturen en escapades we al net zo boeiend onderhouden worden.

    Op een heel vanzelfsprekende manier wordt het verhaal van de jongemannen ingebed in het grotere geheel: het Frankrijk aan de vooravond van de Franse Revolutie, zonder dat de lezer geconfronteerd wordt met een saaie, vertragende opsomming van historische feiten. Politieke nieuwtjes en juristenroddels worden uitgewisseld door de vaste klanten van het Café du Parnasse. Dit café is eigendom van monsieur Charpentier, een belastinginspecteur en de latere schoonvader van Georges-Jacques Danton. Soms wordt een journaalachtig verslag gegeven van de politieke of economische situatie die onveranderd slecht is of slechter wordt. Via de overpeinzingen van de personages of hun gesprekken verneemt de lezer eveneens hoe het land ervoor staat.

    Hilary Mantel heeft een heel prettige, natuurlijke manier van schrijven; waar gesproken wordt, heb je de indruk zelf ter plekke aanwezig te zijn. Bij tijd en wijlen is het boek spannend, vaak humoristisch (ondanks de malaise), de toon is luchtig.
    Waarom de schrijfster bovenal geprezen moet worden, is omdat zij zich niet heeft laten verleiden om (historische) uitleg te geven bij de vele situaties of personages – niets zo irritant als vertragingen! Een historische roman dient een roman te zijn en niet een geschiedenisboek of encyclopedie. – Zelfs de personages worden, nadat ze eenmaal zijn voorgesteld, zelden met hun volledige naam of toenaam genoemd! Zo weet Mantel goed de vaart in het verhaal te houden. Voor wie het te snel gaat, bieden de lijstjes ‘Wie is wie’ en ‘Wie staat waar’, plus het plattegrondje ‘Parijs ten tijde van de Revolutie’ uitkomst.

    Het is jammer dat dit boek hier niet veertig jaar eerder is verschenen. Als middelbare scholier met het eindexamenvak geschiedenis moest ik me verdiepen in de Franse Revolutie, me worstelend door dorre, taaie geschiedwerkjes. Hoe veel meer zou ik van deze spannende episode in de geschiedenis opgestoken en genoten hebben als dit meesterwerk van Mantel eerder vertaald was! Maar nu heb ik nog wat moois in het vooruitzicht: deel 2 en 3, Gelijkheid en Broederschap. 

     

  • Oogst van de Week, week 7

    Deze week kwamen o.a. drie historische romans binnen op de burelen van Literair Nederland:

    Etalage

    Moord op de noordelijke bergweg, Anila Wilms (1971)
    Laat u niet van de wijs brengen door de titel van dit boek van de Albanese schrijfster Anila Wilms. Het mag dan misschien spannend zijn, het is vooral een roman over een turbulente periode uit de Europese geschiedenis, net na de Eerste Wereldoorlog, die gekenmerkt werd door politieke intriges en veranderende internationale machtsverhoudingen.

    Het verhaalt begint in Tirana in 1923. De Amerikaanse ambassadeur Julius Grant is met grote verwachtingen naar de hoofdstad van het jonge en roerige staatje Albanië gekomen. Men zegt dat er olie te vinden is. Van de ene op de andere dag staat het land in de belangstelling van alle belangrijke westerse regeringen en oliemaatschappijen. Maar dan worden er in april 1924 in het onherbergzame noorden twee jonge Amerikanen vermoord. Wie heeft de moord gepleegd? Wat deden de twee Amerikanen daar? De moord brengt de nieuwe ambassadeur in verlegenheid. De politieke spanningen tussen de verschillende partijen in het land lopen zo hoog op dat een burgeroorlog dreigt. Het voortbestaan van het land staat op het spel.
    Met rake zinnen typeert Wilms de klank en de sfeer van de Balkan in dit waargebeurde verhaal.
    Moord op de noordelijke bergweg, Uitgeverij Van Gennep, vertaald door Dineke Bijlsma, 224 pagina’s, € 18,90.

     

    9200000022091590Een veiliger oord. Vrijheid, Hilary Mantel
    Bij uitgeverij Signatuur is de vertaling verschenen van A Place of Greater Safety van Hilary Mantel uit 1992 dat handelt over de Franse Revolutie. Een veiliger oord wordt in Nederland in drie delen uitgebracht. Deel 1, Vrijheid is nu verschenen en gaat over de explosieve tijd waarin Desmoulins, Danton en Robespierre elkaar leren kennen. Mantel schetst hun jonge jaren, waar ze vandaan komen en hoe ze hun mening vormen in deze tumultueuze tijd, en laat zien hoe ze worden tot de personen zoals wij die nu kennen.
    Mantel: ‘Als project heeft het er zijn tijd over gedaan om van de grond te komen. De eerste versie had ik voor mijn zevenentwintigste af, zo’n beetje op de leeftijd van de mensen over wie ik schreef. Toen het eindelijk werd gepubliceerd was ik veertig, ouder dan mijn personages zelf zijn geworden. Nu is er nog eens twintig jaar verstreken, en ik zou het niet meer kunnen schrijven. Ik zou niet meer kunnen beschrijven, niet meer in mezelf kunnen voelen, wat die jonge mensen voelden: de opwinding bij het vooruitzicht van een nieuwe wereldorde, van een frissere, eerlijkere wereld. Ik zou de noodzaak voelen om ironischer te zijn, en selectiever; om mijn blikveld te vernauwen. En tegelijkertijd zou ik me zorgen maken om wat er daardoor buiten dat blikveld valt.’ 

    Hedendaags toneel
    Het berust ongetwijfeld op toeval, maar op dit moment speelt Toneelgroep Amsterdam het stuk Dantons dood van Georg Büchner waarin Danton (Hans Kesting) en Robespierre (Gijs Scholten van Aschat), inmiddels vele jaren ouder, lijnrecht tegenover elkaar zijn komen te staan.
    Een veiliger oord. Vrijheid, Uitgeverij Signatuur, vertaald door Ine Willems, 272 pagina’s, € 19,95 (Delen 2 en 3, Gelijkheid en Broederschap verschijnen respectievelijk in juni en oktober 2014)

     

    de dag dat de leider werd vermoordDe dag dat de leider werd vermoord, Naghib Mahfouz (1911 – 2006)
    De Egyptische winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur uit 1988, Naghib Mahfouz was in eigen land een man die de gemoederen flink kon bezighouden. Hij maakte zich niet populair toen hij stevige kritiek op Nasser (president van 1954 tot 1970) uitte. Ook zijn houding ten opzichte van het vredesverdrag tussen Israël en Egypte, eind jaren ’70 werd hem naar verluid niet door iedereen in dank afgenomen.

    De dag dat de leider werd vermoord speelt in Egypte, 1981. Anwar al-Sadat is president en Egypte staat op het punt om tot de moderne wereld toe te treden. Tegen deze achtergrond wordt het verhaal verteld van een Caïreense familie uit de middenklasse. Drie kleurrijke karakters staan centraal: de vrome familiepatriarch Moehtasjemi Zajid, zijn kleinkind Alwaan en Alwaans grote liefde, Randa. Randa’s vader acht de eenvoudige arbeider Alwaan te min voor zijn dochter, waarmee hij de jongeman tot een wanhopige en fatale daad drijft.
    Mahfoez’ vertelling wordt sprankelend en ironisch genoemd. De Nobelprijsjury sprak over ‘een vertelstijl die lezers over de gehele wereld aanspreekt’.
    De dag dat de leider werd vermoord, Uitgeverij De Geus, vertaald door Djûke Poppinga, 128 pagina’s, € 16,95

     

    Ook de verhalenbundel Ambulance van de Noorse schrijver en grafisch ontwerper Johan Harstad (uitgeverij Podium), en de roman van de Italiaanse Caterina Bonvicini, De man die flirtte met domheid (wat een intrigerende titel!) (uitgeverij De Geus) zullen binnenkort op Literair Nederland besproken worden.

    AmbulanceDe man die flirtte met domheid

     

     

     

     

     

    selectie door Carolien Lohmeijer 

     

     

  • Ik ben een beul – Rajesh Parameswaran

    Ik ben een beul – Rajesh Parameswaran

    ‘Zie het leven als een verhaal. Aan elk verhaal moet een einde komen, wil het vorm en betekenis hebben. Het zijn de lijken aan het eind, die de verhalen leven inblazen.’  [uit: ‘Aan de oevers van de Tafelrivier (Lucina, Andromedanevel, A.D. 2319)]

    Recensie door Huub Bartman

    Onder de intrigerende titel Ik ben een beul verscheen dit jaar bij uitgeverij Signatuur de eerste verhalenbundel van de Amerikaanse schrijver Rajesh Parameswaran in de vertaling van Adriaan Krabbendam. Het gaat om negen verhalen, ogenschijnlijk nogal verschillend van karakter, opbouw en thematiek, maar in werkelijkheid heel samenhangend. In alle verhalen gaat het om een ontmoeting tussen uitersten en juist daarin laat zich de liefde kennen. Een paar voorbeelden. In  ‘De gevreesde Bengaalse Ming’ koestert de tijger zijn oppasser in de dierentuin, maar als hij hem abusievelijk heeft gedood en het bloeden wil stelpen door het op te likken, ontdekt hij pas echt hoeveel hij van de mensen houdt; in ‘De vreemde carrière van dokter Raju Gopalarajan’ laat de ongeneeslijk zieke Manju zich ten einde raad aan haar eierstokken opereren door haar lieve, charlatanachtige echtgenoot, een oplichter die zich uitgeeft voor arts gespecialiseerd in vrouwenproblemen. Beiden gaan hun ondergang tegemoet; in ‘Ik ben een beul’, het titelverhaal, bereiken de geliefden elkaar pas als Margaret heel precies inzicht heeft gekregen in alle details van het werk van haar man, de beul.

    Een telkens terugkerend thema is de vrijheid van het individu tegenover de beknellende banden van een benepen sociale moraal, bijvoorbeeld in de ‘Vier Rajeshes’, een verhaal met een soort graalmotief en, naar het lijkt, sterk autobiografisch; vrijheid van het individu tegenover gevangenschap, bijvoorbeeld in ‘Olifanten in gevangenschap (Deel een)’; vrijheid van het individu tegenover de alom aanwezige ogen van de geheime diensten die ons zeggen te beschermen tegen zogenaamde terroristen in het Orwelliaanse verhaal ‘Verslag van Agent 97-4702’.

    Parameswaran is een echte Amerikaan met een onbegrensd geloof in de uniciteit van individueel talent zoals hij laat zien in het prachtige ‘Bibhutibhushan Malliks laatste storyboard’, waarin vakmanschap te kijk wordt gezet als het zich willen meten met echte genialiteit: prachtig en ontluisterend bovendien. Maar hij is ook een immigrant met oog voor hun accomodatieproblemen zoals blijkt uit het ontroerende ‘Demonen’.

    Parameswaran is ook een schrijver die voortdurend op zoek is naar nieuwe perspectieven van waaruit hij een verhaal kan vertellen. Zo kiest hij soms voor het perspectief van de dieren zoals in ‘De gevreesde Bengaalse Ming’ en ‘Olifanten in gevangenschap’. Vooral dit laatste verhaal is experimenteel, aangezien zich hiervan meer dan de helft afspeelt in de voetnoten.  Maar ook in de ‘Vier Rajeshes’ kiest hij voor een verrassend perspectief, nl. dat van een vergeelde foto van een van zijn voorouders. Daarnaast probeert hij ook door een afwisseling in taalgebruik bepaalde effecten te bereiken. Zo laat hij de beul van het titelverhaal opzettelijk een beetje onbeholpen, kinderlijk praten, terwijl Agent 97-4702 juist weer heel ambtelijk formuleert.

    Het moge duidelijk zijn dat Rajesh Parameswaran een bijzondere schrijver is, die een prachtig boek heeft geschreven. Sommigen vergelijken hem met Bret Easton Ellis vanwege zijn vermeende morbiditeit. Dit is echter verre van terrecht. Parameswaran is absoluut niet morbide in zijn verhalen, wel vaak bizar. Maar middels deze bizarre benadering weet hij vaak een grote ontroering teweeg te brengen. Eigenlijk is hij een romanticus.

     

    Ik ben een beul


    liefdesverhalen

    Auteur: Rajesh Parameswaran
    Vertaald door: Adriaan Krabbendam
    Verschenen bij: Uitgeverij Signatuur
    Aantal pagina’s: 360
    Prijs: € 19,95

  • Aanpassen en overleven

    Aanpassen en overleven

    ’s Lands wijs, ’s lands eer. Misschien ook wel ’s lands smaak. Het is de vraag of deze roman in ons land wel net zo veel lof zal oogsten als in Duitsland. Nederlandse lezers hebben nu eenmaal een ander referentiekader dan de Duitse lezers, van wie een deel wellicht ook nog met heimwee terugdenkt aan de goede, oude tijd van voor de Wende. Verder zal de gemiddelde Nederlandse lezer nauwelijks een beeld hebben van het Duitsland achter de Muur, en van het weinige dat Schalansky daarover loslaat, wordt hij ook niet veel wijzer. Opmerkingen als ‘dat na de Wende het voormalige Oost-Duitsland ontvolkt raakte’ en ‘dat frontaal lesgeven uit de tijd is’ maken niet dat wij met dezelfde ogen dit boek lezen als de Duitse lezer.
    Aanvankelijk boeit het boek zeer, maar naarmate je verder leest, bekruipt steeds meer het gevoel dat het zo wel genoeg is.

    Mevrouw Inge Lohmark is al meer dan dertig jaar werkzaam als lerares biologie. Van heel nabij volgt de lezer haar passie voor wat de natuur de mens leert. Lerares Lohmark en haar visie op alles wat leeft, daar draait het wel zo’n beetje om. Daarbuiten gebeurt er niet veel in dit boek. Lohmarks manier van lesgeven is niet eens zo bijzonder: ze is niet te streng, ze is niet te soepel, ze houdt de leerlingen kort. Waar ze beveelt of opdrachten geeft, zijn een paar woorden voldoende; waar biologie gegeven wordt, zit zij op haar praatstoel. Een feest van herkenning voor iedereen die in het onderwijs werkzaam is? Nee, dat niet. Daarvoor heeft Schalansky van de lerares te zeer een karikatuur gemaakt: een gestoord en verstard wezen zonder menselijk gevoel.

    Al lang geleden heeft Lohmark haar gevoelens verdrongen en verbannen – de reden wordt niet duidelijk – tot in de verste uithoeken van haar ziel. Wanneer tijdens het afdwalen van haar gedachten een verdrongen gevoel naar boven dreigt te komen, blijft dat bij een soort ‘voorbij zweven’, het wordt niet ‘verder-gevoeld’, niet afgemaakt. Tot haar eigen verbazing bemerkt de lerares dat zij een leerlinge in gedachten ‘aardig’ noemt. Geeft haar zelfs spontaan een lift. En dat was het. Af en toe lijkt het alsof Inge Lohmark verdrietig is omdat zij haar enig kind, een dochter, die naar Amerika is geëmigreerd, nooit meer ziet, maar later blijkt dat zij niet alleen als moeder maar ook als docent haar dochter zó genadeloos in de kou heeft laten staan dat je als lezer geen keus gelaten wordt door Schalansky: het is onmogelijk medelijden te krijgen met deze onmens. De schrijfster heeft het verstardzijn van Lohmark tot in het extreme doorgevoerd – de lerares constateert dat een leerling gepest wordt, maar doet daar niets aan. In de natuur gaat het om aanpassen en overleven.

    De mooiste passages zijn die waarin Lohmark leerlingen en collega’s analyseert als ware het preparaten onder een microscoop. De betreffende leerling of collega wordt steevast neergesabeld door haar ironische commentaar: (over leraren die bij hun leerlingen in het gevlij proberen te komen, p. 13) ‘Met één bil op de leraarstafel. Nageaapte mode en uitdrukkingen. (…….) En helemaal voorop natuurlijk Karola Schwanneke met haar lievelingetjes: smiespelende grietjes, die ze in de pauze in een gesprek betrok, en knapen met de baard in de keel, voor wie ze met grote ogen en gestifte lippen de allergoedkoopste signaalprikkelshow opvoerde. Zeker al lang niet meer in de spiegel gekeken.’ Dergelijke observaties maken het boek een feest om te lezen. Maar zoals het met alle feesten gaat: je moet weten wanneer het tijd wordt om te vertrekken. En daar zit het probleem: de gedachten, de observaties, de negatieve kijk op alles en iedereen: er komt geen einde aan. Het is een aaneenschakeling van hak-op-de-takkerige gedachten van Lohmark, waarin mensen tot op het bot ontleed worden en dat meestal in zeer compacte taal. Als lezer moet je alert blijven; je mag je aandacht niet laten verslappen. Ondanks de heerlijke ironie uiterst vermoeiend! Voeg daarbij de traktaten van ‘biologische’ aard, die lezers die dit vak snel hebben laten vallen, weinig zullen aanspreken.

    Opvallend aan dit boek is de vormgeving die de indruk moet wekken van een ouderwets biologieboek, met bovenaan de pagina een soort ‘paragraafaanduiding’ en op talrijke plaatsen voorzien van zwart-wit illustraties (waarvan de lezer zich het nut kan afvragen, evenals de aardigheid).

    Dit boek heeft veel mooie passages, die dankzij de typerende karakterschetsen, de humor en de ironie, geschreven in een taal die zowel bondig is als sierlijk en rijk aan beelden, een genot zijn om te lezen. Jammer dat je, net als de leerling, de lessen van mevrouw Lohmark tot aan het einde van het cursusjaar moet uitzitten! Vertaalster Goverdien Hauth-Grubben verdient een tien met een griffel: zij heeft haar huiswerk goed gedaan!


    De lessen van mevrouw Lohmark

    Auteur: Judith Schalansky
    Vertaald door: Goverdien Hauth-Grubben
    Verschenen bij: Uitgeverij Signatuur
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: 16,95

  • In de huid van een veroordeelde

    In de huid van een veroordeelde

    Meteen is het duidelijk: de hoofdpersoon van Huid, de nieuwe roman van Russell Banks, is een veroordeelde zedendeliquent die onder toezicht staat. Vermoedelijk is hij zelfs een pedofiel, al houdt Banks lang voor de lezer verborgen wat zijn misdaad nu precies was.

    De 22-jarige Kid, ook wel De Kid, woont in een tentje onder een viaduct in de stad Calusa. Zijn enige vriend is leguaan Iggy. ‘Hij houdt van de hagedis. Hij zou kunnen zeggen dat Iggy de enige is van wie hij houdt. Maar dat zegt hij niet.’ (20) Het viaduct is de enige plaats binnen de stadsgrenzen die meer dan 750 meter van een school, bibliotheek of kinderspeelplaats ligt. Daarom vormt het de verzamelplaats voor dakloze zedenplegers die nergens heen kunnen. Hier beweegt deze anonieme groep zich buiten het gezichtsveld van de samenleving.

    Kid is één van hen. In Huid staat zijn leven na zijn veroordeling centraal. Deze wereldvreemde jongen heeft zijn leven leren aanvaarden en hij accepteert dat hij geen pogingen moet doen een normaal leven te leiden, want hij realiseert zich dat dit onmogelijk is. Eens veroordeeld, altijd een outcast. De macht van internet blijkt enorm.  Kid kan geen huis of een plaats in de samenleving veroveren, want het openbare ‘goed-gedrag-register’ torpedeert iedere poging al bij voorbaat. Alle potentiële werkgevers of huisbazen raadplegen dit register en niemand geeft een veroordeelde pedofiel een kans. Ondanks dat hij zijn straf heeft uitgezeten, blijft zijn situatie uitzichtloos.

    Langzaam ontvouwt Kids verleden zich. Zijn vader kent hij niet. Zijn egocentrische, alleenstaande moeder had meer aandacht voor haar snel wisselende minnaars dan voor haar zoon. Kid zocht al jong troost in porno, maar zijn moeder maakte zich enkel druk om de hoge rekeningen en niet om het gedrag van haar zoontje. Hij was en is een vreemde jongen, een eenling. Zelfs in de groep verschoppelingen onder het viaduct: ‘Een eenling. Dat is zijn soort. En ook bij de eenlingen is hij een geval apart. Een buitenbeentje. Fokking so-lemi-o.’ (18)
    Zijn afstandelijkheid is geen keuze, het is een noodzaak. Kid heeft gewoon geen enkel idee hoe hij met andere mensen moet omgaan. Schrijnend zijn de passages waarin hij vol onbegrip naar ‘normale burgers’ kijkt. ‘Mensen van wier gedachten hij zich geen voorstelling kan maken en van wier levens in verleden, heden en toekomst hij niets begrijpt. Alsof ze een andere diersoort zijn.’ (53) ‘Fok wat zijn dit voor een mensen vraagt de Kid zich af…’ (54).

    Hoop is er pas als er een tweede persoon ten tonele verschijnt. ‘De Professor’ mengt zich in de beschadigde groep om sociologisch onderzoek te doen naar behandelingsmethoden van delinquenten. De Kid werkt mee aan de interviews. Hij leert de Professor kennen, maar nog niet te vertrouwen en vertelt uiteindelijk toch over zijn veroordeling na een chatroom-bezoek. Door een misverstand kreeg de toen 21-jarige Kid chatcontact met de 14-jarige Brandi. ‘Gewoon een beetje chatten kan geen kwaad besloot hij.’ (215), maar daar ging het mis. Zijn eerste menselijke contact, al was het via een computer, voelde goed, dus hij bleef met haar praten. En voor hij het wist was hij op zijn 22ste een veroordeelde zedendeliquent, die nog nooit een meisje had gekust of aangeraakt.

    De Kid en de Professor zijn tegenpolen. De Kid is naïef, klein en mager en mislukt in het leven, de Professor hyperinteligent, groot en gezet en succesvol. De Kid vertelt leugens, de Professor de waarheid. Tenminste, tot de Kid ontdekt dat ook de Professor zijn geheimen heeft. Dat maakt de Professor tot een intrigerend personage, wiens bedoelingen niet duidelijk zijn. Toch heeft de Professor een positieve invloed. Hij geeft de Kid meer zelfvertrouwen en helpt hem zijn verleden als een oude huid van zich af te werpen.

    Auteur Russel Banks (1940) wordt in Amerika gezien als een van de grootste vertolkers van de Great American Novel. Great American Novels zijn romans die de essentie van de Amerikaanse tijdsgeest weten te vangen. Dit begrip werd in 1868 voor het eerst gebruikt door schrijver John William DeForest. Hij vroeg zich af welke romans de essentie van de Amerikaanse ziel wisten te grijpen. Hij zocht naar een Amerikaanse Thackeray of Trollope. Dit idee paste goed bij de Amerikaanse zoektocht naar identiteit. Als jonge natie had Amerika daar behoefte aan. Een literair meesterwerk zou helpen de identiteit vast te leggen. Huckleberry Finn was zo’n roman. Het had belangrijke thema’s, zoals vrijheid, slavernij en lef en het had historische actualiteit.

    Huid past inderdaad in het rijtje Great American Novels. Het onderzoekt de Amerikaanse tijdsgeest en zoomt in op de onderkant van de moderne samenleving. De Professor stelt interessante vragen over het verband tussen de perverse cultuur waarin we leven en mensen die ontsporen. Tegelijk is het controversieel om een hoofdpersoon als de Kid te kiezen. Ondanks zijn trieste verhaal is het voor de lezer moeilijk om empathie voor hem te krijgen. Hij is vreemd, heel vreemd. Toch zijn er momenten dat je medelijden met hem hebt, maar op even veel momenten verafschuw je hem.

    Huid is een indringende roman, hard en rauw. Het boek blijft bij omdat het tot nadenken stemt over de maatschappij waarin we leven en de keuzes die we maken.

     

    Huid

    Auteur: Russell Banks
    Vertaald door: Laura van Campenhout
    Verschenen bij: Uitgeverij Signatuur
    Aantal pagina’s: 416
    Prijs: € 25,00

     

  • Krankzinnigen en heiligen

    Hij heeft een missie, de christus van Elqui. Hij predikt, geneest zieken en hij, zo gaat althans het gerucht, wekt doden tot leven. Daarbij is hij naarstig op zoek naar zijn eigen Maria Magdalena.

    De oorspronkelijke titel van het nu vertaalde De christus van Elqui is, bij de speciale gratie van het Spaans, oneindig veel mooier: El arte de la resurrección. De Chileen Hernán Rivera Letelier (1950) won met het boek in 2010 de Premio Alfaguara, een grote prijs in de Spaanstalige letterenwereld. Het verhaal van deze gereïncarneerde, ‘wederopgestane’ christus speelt zich af op ‘het terrein van de duivel’, rond de mijnen en dorpen in de Atacamawoestijn. Het is de plek waar Letelier zelf groot is geworden. In de mijnen werkte Letelier van jongs af aan en in de woestijn predikte zijn vader.

    Maar de titelfiguur in Leteliers roman ontleent zijn naam en karakter niet aan zijn vader, maar aan een prediker die decennia geleden rondtrok in de woestijn. Het is zijn verhaal dat door Letelier als uitgangspunt wordt genomen. De echte naam van de christus van Elqui luidt Domingo Zárate Vega. Een aantal jaren woonde hij als kluizenaar in het Elqui-dal, waar hij goddelijke visioenen kreeg en begon te geloven dat hij een reïncarnatie van Christus was. En zoals het een christus betaamd – en bovendien heeft hij het zijn overleden moeder beloofd – reist hij rond om goede werken uit te voeren.

    Dat gaat niet altijd even gemakkelijk. Al in de eerste scène ondergaat hij een beproeving: door een groep mijnwerkers wordt hij gevraagd om te proberen hun tijdens een flinke zuipsessie plots voor dood neergevallen kameraad, Lazarus geheten, weer tot leven te wekken. De christus van Elqui waagt een poging, en tijdens zijn geprevel en gemurmel begint Lazarus inderdaad tekenen van leven te vertonen. Maar het blijkt geen ware resurrectie, enkel de bekroning van de grap die Lazarus en zijn kameraden met de christus van Elqui uithalen.

    Zo’n grap is problematisch, want ook deze christus weet ‘dat je om prediker te zijn niet alleen moet geloven, maar ook geloofwaardig moet zijn.’ Op andere momenten wordt er wel met ontzag naar zijn preken geluisterd. Bovendien schijnt de christus van Elqui inderdaad wonderen te hebben verricht, al blijft het bewijs hiervoor apocrief. Het is vooral de gelovigheid van de mijnwerkers die te wensen overlaat. Zo krijgt hij op zijn pleidooi voor een matige alcoholconsumptie de bulderende reactie: ‘Beter een kutwijn dan wijwater, maat!’

    Desondanks is deze christus zelf allerminst een ontzagwekkende heilige. Zijn profetieën zijn doorspekt met pseudo-intelligente en maar halfgrappige clichés. Een voorbeeld: ‘Hij die over gebaande wegen gaat, laat geen sporen achter’. Om het zo maar te zeggen: zijn preken zijn meer hemeltergend dan hemelwijzend. En tegenover de vrouwen is hij vooral een smeerlap, een ‘wellustige sater’, die – zo geeft hij zelf ook toe – het als deel van zijn heilige missie ziet een eigen Maria Magdalena te vinden, een vrouwelijke apostel die hem volgt ‘met hart en ziel’.

    En hij komt haar op het spoor, namelijk Magalena (wiens vader ruzie had met de man van het geboorteregister, die daarop de ‘D’ wegliet). In het mijnwerkerskamp La Providencia, oftewel De Luis, heeft zij haar ‘gaarkeuken van de liefde’ opgezet. In de hoek van haar slaapkamertje staat een bijna manshoog Mariabeeld; waarvan ze, als zij haar ‘kerkgangers’ ontvangt, nog wel het gelaat met een fluwelen lapje bedekt.

    In De Luis voltrekt zich het voornaamste gedeelte van dit met bijbelverwijzingen doorspekte verhaal. Het meest intrigerende verhaalonderdeel is dat rond Don Anónimo, ‘De gek met de bezem’, die iedere dag de woestijn gaat vegen. Hij schijnt ooit meegereisd te zijn met een trein vol krankzinnigen. Evenals de meeste krankzinnigen en heiligen – waartussen de grens, niet onverwacht, permeabel is – draagt Don Anónimo een weerzinwekkend geheim met zich mee.

    Magalena verkrijgt in de perceptie van de lezer daadwerkelijk iets heiligs wanneer ze deze arme man liefdevol opneemt. Ook de christus van Elqui woont een korte tijd bij hen, wat de mooiste stukken oplevert in deze meestentijds toch tegenvallende roman. Mede als gevolg van teveel flauwe grappen en verwijzingen lukt het de lezer maar niet zijn of haar houding tegenover ofwel de heilige prostituee Magalena ofwel de christus van Elqui te bepalen. Alsof Letelier ons wil laten herinneren dat we het beoordelen van een christus altijd al moeilijk vonden.

    Rond ieder Latijns-Amerikaans verhaal, zeker wanneer het zich afspeelt in een zinderende woestijn, zweemt het modieuze predikaat ‘magisch-realisme’. Zo ook op deze boekcover. De vreemde trekken van De Luis zijn allerminst onrealistisch en zeker niet vergelijkbaar met bijvoorbeeld Marquez’ magische Macondo. De christus van Elqui bezit evenmin magische kwaliteiten. Hij zou het graag anders zien, maar wanneer hij probeert te vliegen resulteert dat toch gewoon in een smak op de grond. Wat sommige mensen er niet van weerhoudt te beweren dat de prediker ‘echt een paar meter had gevlogen terwijl hij als een aangeschoten vogel wild met zijn armen fladderde.’

    Omwille van het onderwerp is Leteliers roman wellicht beter te vergelijken met dat andere recente Latijns-Amerikaanse hoogtepunt, De oorlog van het einde van de wereld van Vargas Llosa, zelf evenmin een echte magisch realist. Maar De christus van Elqui bevat de scherts die Vargas Llosa’s apocalyptische meesterwerk niet bezit. Het is ook als gevolg van diezelfde scherts dat het boek uit balans raakt. Na de twintigste halfgrappige, vaak naar seksuele uitspattingen verwijzende beschrijving is het wel genoeg geweest.

    Bovendien werkt de combinatie tussen bevreemding – die haast noodzakelijk optreedt door de extreme locatie, de beknopte verhaallijnen van de krankzinnigen en door de aanwezigheid van de profeet – en de satire niet goed. De eigenaardigheden van de profeet zijn eventjes leuk, maar deze moeten niet de overhand nemen. Onwillekeurig rijst het verlangen om meegezogen te worden in ofwel de zengende realiteit van de woestijn ofwel in haar luchtspiegelingen. En dat gebeurt niet.

     

     

  • Geschiedenis, niet aan te ontkomen

    De Colombiaanse geschiedenis kent in de tweede helft van de negentiende eeuw een bloedige periode waarin de aanleg van de Panama Railroad en het beroemde Panamakanaal samen duizenden doden eisen. Met zijn nieuwste roman, De geheime geschiedenis van Costaguana, wil Juan Gabriel Vásquez (1973) deze gebeurtenissen aan de vergetelheid onttrekken. Of hij daarin slaagt hangt af van de hoeveelheid moeite die de lezer hiervoor wil doen.

    Vásquez’ vertelling is gegoten in de vorm van een pleidooi: volgens verteller en hoofdpersoon José Altamirano, Colombiaan van geboorte, is dìt boek het ware verhaal over de geschiedenis van Colombia, niet de leugen die de grote schrijver Joseph Conrad (1857-1924) heeft gepubliceerd in zijn roman Nostromo (1904). Om zijn gelijk te bewijzen vertelt José de ‘Lezers van de Jury’ hoe geschiedenis en politiek zijn leven op de meest vreselijke manieren hebben beïnvloed, hoe hij er uiteindelijk toe gekomen is Colombia te ontvluchten en zijn levensverhaal te delen met Conrad – en hoe die laatste hiervan, in Josés ogen, schromelijk misbruik heeft gemaakt.

    De literaire vorm waarvoor Vásquez gekozen heeft, houdt het midden tussen een avonturenverhaal en een familiekroniek. Tegen het dramatische decor van grote projecten die gebouwd worden op de fundamenten van duizenden mensenlevens, volgen we de lotgevallen van de familie Altamirano, vader Miguel, zoon José en diens gezin. Door Josés ogen zien we hoe de haast tastbare Engel der Geschiedenis en de wrede Gorgo van de Politiek hun levens regisseren, alle verzet ten spijt: ‘En zo drong de Gorgo van de Politiek uiteindelijk huize Altamirano-Madinier binnen. Zo boorde de Geschiedenis […] mijn pogingen me afzijdig te houden, mijn met moeite geforceerde apathie, de grond in. De les die de Grote Gebeurtenissen me leerden was helder en duidelijk: je ontkomt er niet aan, zeiden ze, je kunt er onmogelijk aan ontkomen.’

    Een van de zaken die De geheime geschiedenis van Costaguana wil laten zien is dat Grote Geschiedenis gedefinieerd wordt door kleine momenten. Dat plaatst de verteller echter voor een lastig dilemma: ‘ […] al die kleine geschiedenissen die […] ongemerkt het angstaanjagende fresco van de Grote Geschiedenis vormen, verhouden zich in juxtapositie tot elkaar, raken elkaar, kruisen elkaar; geen enkel verhaal staat op zichzelf.’ Hoe spring je daarmee om in een lineair verhaal? Omdat zaken verzwijgen volgens José gelijkstaat aan liegen, kiest hij ervoor àlles te vertellen. Deze keuze maakt het boek echter moeilijk toegankelijk: enerzijds ontstaat een overvloed aan gegevens die het verhaal weliswaar ergens raken, maar die verder geen betekenis hebben, anderzijds zwalkt de verteller hierdoor soms als een aangeschoten zestienjarige door tijd en ruimte. Beide zaken vragen een behoorlijke inspanning van de lezer.

    Dat geldt ook voor de wijze waarop de auteur omspringt met geschiedschrijving. Vásquez combineert literaire technieken als schrijven in scènes en het neerzetten van levensechte personages met een journalistieke documentatiedrang. Als een historicus die een romanvorm gebruikt, verweeft hij Josés levensverhaal zo kunstig en gedetailleerd in de feitelijke geschiedenis, dat feit en fictie haast niet van elkaar te onderscheiden zijn. Het resultaat is een realistisch verhaal dat best zo gegaan zou kunnen zijn. Het vraagt echter ook een voortdurende alertheid van de lezer: wat is feit en wat is fictie?

    Van goede literatuur groei je een beetje en word je wijzer. De geheime geschiedenis van Costaguana heeft het in zich om beide waar te maken. Het boek vult het wereldbeeld van de lezer op aangename wijze aan met geschiedkundige kennis en nuanceert dat beeld bovendien door een moderne visie op diezelfde geschiedenis: deze wordt pas achteraf geschreven. Neem er de tijd voor: man, kinderen, iedereen de deur uit, poes op schoot en een grote pot thee erbij. Of liever nog: een week ongestoord lezen – en herlezen – in het donkere binnenste van de bibliotheek. Pas als je er echt voor wilt gaan zitten, heeft De geheime geschiedenis van Costaguana kans zijn potentie waar te maken.