• Andorra brengt je in verlegenheid

    Andorra brengt je in verlegenheid

    Schrijver Max Frisch, Zwitser en gestorven in 1991, en schilder Marlène Dumas, geboren in 1953 in Kaapstad maar sinds 1976 wonend in Nederland, zouden het waarschijnlijk goed met elkaar hebben kunnen vinden als ze elkaar ooit hadden ontmoet.

    Een dergelijke ontmoeting tussen hen kan zich nu alsnog afspelen in het gemoed van de lezer/museumbezoeker die, net als ondergetekende, ongeveer tegelijkertijd het toneelstuk Andorra van Frisch leest en de overzichtstentoonstelling van Dumas in het Stedelijk in Amsterdam bezoekt. Van haar hangt daar onder andere The White Disease, geschilderd naar een portret van een patiënt met een huidziekte en een verwijzing naar de raszuiverheid die ideologieën als apartheid en het nazisme voorstonden. Veel van Dumas’ werk geeft je een ongemakkelijk gevoel omdat het knaagt aan de vooroordelen die we allemaal hebben op grond van beelden die zich in ons bewustzijn en onze manier van kijken hebben vastgezet.

    Het is een belangrijk thema in Andorra van Max Frisch: hoe we ons een oordeel vormen op basis van beelden die we geïntegreerd hebben en hoe die beeldvorming de identiteit van iemand bepaalt. En daarmee samenhangend: hoe we onze manier van kijken rechtvaardigen en te laf zijn om die los te laten.

    De centrale figuur in Andorra is Andri. Hij is door zijn biologische vader, een leraar uit Andorra, buitenechtelijk verwekt bij een señora uit het land der Zwarten. In dat land is zoiets een schande en om de señora die te besparen, keert de leraar met zijn kind terug naar zijn eigen land. Omdat hij ook daar niet voor zijn buitenechtelijke vaderschap durft uit te komen hangt hij het verhaal op dat het kind een joodse jongen is die hij gered heeft.
    De Zwarten staan bekend om hun Jodenhaat en de Witten uit Andorra zien zichzelf als een volk dat tolerantie en vrijheid hoog in het vaandel heeft. De vader trouwt in zijn eigen land en krijgt daar een dochter, Barblin. Andri groeit in dat gezin op.

    Later als Andri 20 is en Barblin 19 en de twee – niet wetend dat ze in werkelijkheid broer en zus zijn – verliefd worden op elkaar, vallen de Zwarten Andorra binnen. Om zijn zoon te redden vertelt de vader hem de waarheid, maar Andri gelooft hem dan niet meer. Zijn zelfbeeld is zo bepaald door hoe zijn omgeving steeds naar hem als een jood heeft gekeken, dat het zijn identiteit heeft gevormd. Hij beschouwt zich als jood en voelt zich lotgenoot van de joden over de hele wereld: ‘Heus, het is geen bijgeloof, het bestaat echt, mensen die vervloekt zijn en met wie je kunt doen wat je wilt. Ze hoeven je alleen maar aan te kijken en plotseling ben je wat ze van je zeggen’, stelt Andri al vroeg in het stuk.

    Frisch schreef Andorra in 1961. Het is verleidelijk het te zien als een afrekening met de Tweede Wereldoorlog en je de Zwarten voor te stellen als de nazi’s. Maar Frisch wierp die interpretatie verre van zich. Andorra is niet het dwergstaatje in de Pyreneeën, maar een model van een staat die zichzelf als rechtvaardig en gewetensvol beschouwt. Zo is ook het land van de Zwarten een model.
    In het stuk geeft Frisch tal van regieaanwijzingen die ervoor moeten zorgen dat de thema’s die hier aan de orde komen los worden gezien van één historische gebeurtenis of van aanwijsbare personen. Een sterk voorbeeld daarvan is dat de dramatis personae in de dialogen weliswaar met namen worden aangesproken, maar in de rolaanduiding types zijn: leraar, waard, meubelmaker, soldaat, pater enzovoort. Daardoor wordt het stuk geen terugblik op het nazisme en de Jodenvervolging, maar een actuele kritiek op discriminatie en rassenhaat. Wij, de toeschouwers bij een opvoering van het stuk, zijn behept met dezelfde stereotyperingen en vooroordelen die we voor onze ogen gepersonifieerd zien. Dat is dezelfde confrontatie die we ondergaan bij het kijken naar Osama Bin Laden of Mohammed B op de doeken van Dumas.

    Het achtste tafereel van Andorra is een prachtige illustratie van de mechanismen die onze beeldvorming ondersteunen. We zien daarin een groot deel van de bewoners van het witte Andorra op het stadsplein in gesprek met elkaar terwijl een inval van de Zwarten dreigt. De dokter vertelt dat hij uit vaderlandsliefde is teruggekeerd naar zijn land, maar eerder heeft hij in situaties waarin dat te pas kwam geventileerd dat hij in het buitenland niet is geslaagd omdat de joden zijn baan hadden ingepikt. De soldaat houdt vol dat hij zijn land tot de laatste snik zal verdedigen, maar na de inval zal hij de eerste zijn die overloopt naar de vijand.

    Als de Zwarten daadwerkelijk binnengevallen zijn wordt Andri tijdens een razzia als jood afgevoerd en Barblin voor jodenhoer uitgemaakt. Niemand neemt het voor hen op. Na bijna elk tafereel komt één van de typen op het voortoneel een verklaring afleggen, waarin alle bekende drogredenen om zichzelf schoon te wassen voorbijkomen: ‘Het is niet míjn schuld dat het allemaal zo gelopen is’ (de waard en de meubelmaker). In de verklaring van sommigen heeft Andri de slechte afloop ook wel een beetje aan zichzelf te wijten: ‘Ik wil niet beweren dat we hem goed behandeld hebben, maar dat lag toch ook aan hem, anders was het nooit zo gelopen’ (de gezel van de meubelmaker). Of ‘ik heb alleen gedaan wat ik als soldaat moest doen. Bevel is bevel’ (de soldaat). En: ‘Naderhand is het altijd erg gemakkelijk om te weten hoe je je had moeten gedragen (…) Maar we mogen niet vergeten dat het een overspannen tijd was’ (de dokter).

    Frisch kreeg in 1976 de Friedenspreis des Deutschens Buchandels. In zijn dankwoord zag hij het als taak voor de mensheid om ook in vredestijd vijandbeelden af te bouwen. Die onderneming is volgens hem niet minder dan revolutionair. Andorra maakt het duidelijk op een manier die je in verlegenheid brengt.

     

     

     

  • Grândola, vila morena en wat volgde

    Grândola, vila morena en wat volgde

    Op 25 april 1974 werd met een geweldloze coup een eind gemaakt aan het autoritaire en gewelddadige regiem van premier Caetano, die in 1968 de beruchte dictator Salazar was opgevolgd. Deze Anjerrevolutie bracht het land een parlementaire democratie. Nu zou alles beter worden. Voorbij was het militaire (koloniale) geweld. Voorbij de uitbuiting van het eigen volk. Het land juichte. Heel Europa juichte.
    Maar niet José Rentes de Carvalho. Hij was ten tijde van Salazar het land ontvlucht en doceerde in het revolutiejaar Portugese taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij voegde zich niet in het koor van feestvierders. Hij schreef zijn cynisme een jaar later van zich af in het, door zijn collega August Willemsen in het Nederlands vertaalde, Portugal, de bloem en de sikkel. Een geschiedenis. Er was weinig veranderd met de staatsgreep, vond hij: de nieuwe machthebbers waren bijna allemaal schatplichtig aan de oude. Met een bijtende spot schreef hij op hoe zijn moederland eeuwenlang was geplukt door de leiders. Die rovers kregen nu alleen een ander gezicht. En hij spaarde in zijn boek ook de bevolking zelf niet, die genoegen nam met illusies. De vroeger arme mensen schaften zich ineens spullen aan die ze helemaal niet nodig hadden, omdat ze dachten dat de macht om dat te kunnen was wat vrijheid voorstelde: ze konden het nu, want ze waren verlost.

    Maar hoe zou men geen begrip kunnen hebben voor deze aanstellerij? Ze bezitten wat ze nooit gedroomd hadden te zullen hebben, plus geld op de bank! (…) Vele van deze vrouwen hebben zelf nog van de vroege ochtend tot de late avond gespit en gemaaid, hebben in de winter van de koude grond één voor één de olijven opgeraapt die de welgestelden achteloos in de mond steken. Ze hebben nog hun kinderen geworpen als beesten, ze hebben de angst gekend voor ziekten en geen geld te hebben voor de dokter of de medicijnen (…) denkend dat het Gods wil was. Net zoals ze tegenwoordig denken, omdat het hun zo gezegd wordt, dat de verbetering in hun levensomstandigheden een zegen Gods is, en dat God daarvoor betaald moet worden. En ze betalen, mannen en vrouwen, maar al te graag, opdat de ellende nooit meer terug zal keren.’

    De auteur kreeg veel kritiek. Menigeen wierp zijn spot ver van zich: er gebeurde toch iets geweldigs in Portugal? In het land zelf werd zijn boek niet uitgebracht, maar ook in Nederland mocht de roes niet worden verstoord: er verscheen maar één recensie en er werden nog geen vijftig exemplaren verkocht.
    Pas dit jaar verscheen het boek in Portugal; binnen een week was de eerste druk uitverkocht. Veertig jaar nadat het radiostation Rádio Renascença het lied Grândola, vila morena (Grândola, het bruine dorp) ten gehore bracht en daarmee het startsein gaf voor de revolutie, is het gewild.
    In Nederland is nu tegelijkertijd een herdruk verschenen in de reeks Kritische Klassieken van Uitgeverij Schokland.

    Rentes de Carvalho doet zijn verhaal in twintig min of meer thematische hoofdstukken, die in chronologische orde zijn gerangschikt. Daaraan zijn eveneens, meestal door hem zelf geschreven appendices toegevoegd, toevallig ook twintig, die uitweiden over gegevens, statistieken, stellingen enzovoort, die hij in het boek gebruikt.
    Strikt gescheiden zijn de thema’s niet. Het ene houdt nu eenmaal verband met het andere. Tot aan 1974 zijn dat bijvoorbeeld de verkiezingen die altijd kluchten waren. En de grote verschillen tussen het platteland en de hoofdstad Lissabon. In vrijwel het hele boek komt de enorme emigratie van Portugezen om de hoek kijken: omdat de bewoners nauwelijks te eten hebben, is er een grote trek naar andere landen om daar geld te verdienen en het thuisfront te kunnen onderhouden (op pagina 72 noemt de schrijver Parijs qua inwonertal de derde stad van Portugal). Een verbijsterend thema is het optreden van Portugal in de koloniën Guinee-Bissau, Angola en Mozambique, waar de macht geldverslindend en met zinloos bloedvergieten moet worden gehandhaafd om enige status te behouden tegenover Europese naties met rijkere wingewesten. En er is het wonder van Fatima, de verschijning van Maria aan drie herderskinderen in het begin van de 19de eeuw, die door de Portugese leiders, gesteund door de kerk, gretig wordt ingezet om het volk te laten geloven dat God (en de regering) het beste met land voor heeft.

    Rentes de Carvalho heeft veel oog voor de absurditeiten waartoe die geschiedenis van Portugal leidde. Ronduit vermakelijk – als het niet zo wrang zou zijn – is bijvoorbeeld het hoofdstuk over de censuur onder Salazar en Caetano. De censoren kunnen hun werk nauwelijks goed doen omdat ze genadeloos worden afgestraft als ze fouten maken. Uit angst onwelgevallige publicaties in kranten over het hoofd te zien, knippen ze daarom maar alles uit, waardoor de censuur zichzelf belachelijk maakt. Er wordt in al dat knipwerk meer gelet op woorden dan op inhoud: bij gebruik van nauwelijks verdachte termen schiet de schaar al in het papier. Een klein maar prachtig voorbeeld is dat over Paus Paulus VI. Die heeft in 1961 een opmerking gemaakt over de Portugese politiek, die Salazar niet beviel. Vier jaar later wilde een tijdschrift een artikel publiceren waarin de zin voorkwam ‘Paulus VI is een intelligent man’. De schaar amputeerde het woord ‘intelligent’, waardoor in de goedgekeurde tekst bleef staan: ‘Paulus VI is een man’.

    Onder de Salazar-Caetanodictatuur kroop iedereen in zijn schulp. Rentes de Carvalho stelt dat er geen noemenswaardige literatuur werd voortgebracht omdat de schrijvers te laf waren om hun hart uit te storten: ‘Als de censuur er niet was, zeiden ze, zouden ze grootse dingen schrijven. Wanneer de vrijheid kwam, dan zouden ze de manuscripten uit de laden halen, de meesterwerken, de door het fascisme verstikte hartenkreten. De vrijheid kwam op 25 april 1974, maar de laden waren helaas leeg’.

    Dat is allemaal geschiedenis als Rentes de Carvalho in 1975 zijn Portugal, de bloem en de sikkel schrijft. Maar de essentie van zijn boek is dat hij aantoont, zo vers na de staatsgreep, dat er geen reden is om te verwachten dat het plotseling beter is geworden. Die stellingname beviel vrijwel niemand en daarom was het boek de ramsj beschoren. Het is zinvol om het 40 jaar na dato alsnog ter hand te nemen om te beoordelen in hoever onze eigen kijk destijds vertroebeld was door de euforie.

    Daar komt bij dat Portugal, de bloem en de sikkel een boek is dat ook nu nog kostelijk is om te lezen. Het is verrassend fris van stijl en toon en de vlammende, giftige pen doet ook nu nog zijn werk. Natuurlijk zijn alle gebruikte statistische cijfers (en daarmee bijna het hele hoofdstuk 2) van vóór 1975. Maar dat maakt het boek niet minder de moeite waard, vooral omdat de persoonlijke stem van Rentes de Carvalho, die zelf de dictatuur van zijn land ontvluchtte, zo aanwezig is. Oppervlakkig lezend zou je denken dat hij toen rancuneus afgaf op zijn vaderland, maar tussen de regels door is voelbaar hoezeer hij er tijdens het schrijven aan leed dat het land dat hij liefhad weer een illusie rijker was. En hoezeer hij zich alleen voelde te midden van landgenoten en sympathisanten die zonder reserve de vlag uithingen.

     

     

     

     

  • Het hedendaags anarchisme van Kropotkin

    Het hedendaags anarchisme van Kropotkin

    ‘En toen ik uit de bergen kwam, na een week bij de horlogemakers geweest te zijn, had ik mijn mening gevestigd. Ik was anarchist.’

    Met deze haast Bijbelse woorden formaliseert Kropotkin zijn bekering tot het anarchisme in de herfst van 1872. Dit is tevens het keerpunt in zijn Memoires, eigenlijk, zoals hijzelf zijn geschrift had willen duiden, zijn ‘Herinneringen. Daarvóór beschrijft hij zijn groei naar dit besluit en daarna zijn loopbaan als anarchistisch activist.

    Kropotkin behoort, na Bakoenin, ontegenzeglijk tot de meest bekende anarchisten uit de tweede helft van de 19e eeuw en zeker tot de meest kleurrijke. Het bekende beeld van anarchisten als bommengooiers en geweldplegers is beslist niet van toepassing op de zachtmoedige geleerde Peter Kropotkin. Kropotkin is, blijkens zijn Memoires, voortdurend op zoek naar een rechtvaardiger samenleving op democratische grondslag, waarbij het individu niet geleid hoeft te worden, maar actief deelneemt als vormgever van die samenleving. Het is een bijzonder goede zet van uitgeverij Schokland dit boek opnieuw onder de aandacht te brengen van het publiek in een tijd waarin gevestigde verticale gezagsverhoudingen zowel in de politiek als in het bedrijfsleven onder druk staan en sterk aan legitimiteit inboeten. Het nawoord van Peter Blom, directeur van de alternatieve Triodosbank, is dan ook beslist op zijn plaats en biedt stof tot overdenking en discussie.

    Ook anderszins is het een goede keuze. Het boek biedt een prachtig politiek raamwerk van het Rusland in de tweede helft van de 19e eeuw tegen de achtergrond waarvan de gouden generatie van de Russische literatuur veel van haar meesterwerken heeft voortgebracht. Verhalen als ‘Vaders en zonen’ en ‘Rook’ van Toergenjev krijgen een diepere lading en vragen als het ware om opnieuw gelezen te worden. Tenslotte geeft Kropotkin niet alleen een uniek inzicht in de sociaal-politieke werkelijkheid van de ontbindingsfase van het tsarenrijk, dat definitief zal instorten met de Russische Revolutie, maar ook in de geschiedenis van het socialisme in Europa met aan de ene kant het zich in de voetsporen van Marx en Engels ontwikkelende meestal Noord-Europese topdown georganiseerde socialisme en aan de andere kant Bakoenin en het netwerksocialisme van de Jurafederatie en Kropotkin, dat vooral zijn sporen heeft nagelaten in Zuid-Europa.

    Peter Kropotkin is afkomstig uit een aanzienlijke, Russische adellijke familie en groeide op in het oude Adjudantenkwartier in Moskou achter het Kremlin. Daar klitten deze families samen, mokkend over de nieuwkomers die sedert Peter de Grote goede sier maakten aan het hof in St. Petersburg. In zijn jeugd was de scepter in handen van de tirannieke tsaar Nicolaas I (1855†). Op vijftienjarige leeftijd viel hem in 1857 ‘de eer’ te beurt page te mogen worden aan het hof van de nieuwe tsaar in St. Petersburg, waar hij, ten tijde van de eerste, verlichte jaren van Alexander II, in contact kwam met de nieuwe ideeën van de Verlichting, die, na de nederlaag in de Krimoorlog (1853-1856), steeds meer aanhang kregen onder Russische intellectuelen. In deze jaren van relatieve ‘dooi’ begonnen er steeds meer verhalen in de pers te verschijnen van wat later literaire iconen zouden worden als Toergenjev, Tolstoj, Herzen, Bakoenin, Dostojevski en Nekrasov, waarin, in verband met de nog steeds vrij strenge censuur, op verhulde wijze commentaar werd geleverd op de bestaande situatie, verhalen die tot dan toe slechts fluisterend de ronde hadden gedaan in de beslotenheid van de eigen kring. Toen Alexander II er in 1861 toe overging de lijfeigenschap af te schaffen, was het progressieve tij eigenlijk al aan het keren.  Onder invloed van conservatieve grootgrondbezitters, die zich bedreigd voelden in hun eigen belangen, was de maatregel zodanig uitgekleed dat de boeren nog decennia lang van hen afhankelijk zouden blijven. De aanvankelijke euforie over het eerste optreden van de nieuwe tsaar maakte al gauw plaats voor ergernis en ongeduld en leidde uiteindelijk tot groeiend verzet. De wankelmoedige tsaar werd steeds meer een speelbal in handen van louche, conservatieve figuren, die zich meester hadden gemaakt van de mooie baantjes aan het hof en die de tsaar voortdurend bang maakten voor mogelijke opstanden en aanslagen. Uiteindelijk mondde zijn bewind uit in regelrechte tirannie (1870-1881) die eindigde met zijn gewelddadige dood.

    Na een vrijwillig verblijf als officier bij de Kozakken in Siberië (1862-1867) met als oogmerk het gebied van de rivier de Amoer wetenschappelijk te exploreren, keert hij begin 1867 terug in St. Petersburg. In Siberië werd hij zich eigenlijk voor het eerst de kracht bewust van wat Peter Blom de ‘netwerksamenleving’ noemt en van de absolute onmogelijkheid iets ten voordele van de mensen te veranderen via de administratieve molen. Hier ontkiemde ook het zaad voor zijn latere activisme. Tijdens zijn eerste Europese reis naar Europa en zijn verblijf bij de horlogemakers van de Jurafederatie in Zwitserland, hakte hij definitief de knoop door. ‘…de afwezigheid van een kloof tussen de leiders en het volk in de Jurafederatie was ook de reden dat elk lid van de federatie ernaar streefde tot een onafhankelijke mening te komen. Hier zag ik dat de arbeiders geen grote massa waren die geleid werd en ondergeschikt gemaakt aan politieke doeleinden van een enkeling; hun leiders waren eenvoudigweg hun metgezellen die wat meer actief waren – eerder initiatiefnemers dan leiders.’  In 1872 keerde hij van zijn Europese avontuur terug in St. Petersburg waar hij lid werd van een anarchistische cel, de zogenaamde ‘Tsjaikovsky-groep’, en onder de naam Borodin propaganda maakte voor de socialistische zaak. Eind maart 1874 werd hij opgepakt en opgesloten in de beruchte Petrus- en Paulusvesting. Zijn spectaculaire ontsnapping in augustus 1876 uit deze gevangenis draagt onmiskenbaar bij aan de mythevorming rond Kropotkin. Hij weet via Finland te ontkomen naar Engeland en zal pas tijdens de revolutie van 1917 terugkeren naar Rusland.

    Hoewel het boek voor mensen met een historisch-maatschappelijke interesse beslist een aanrader is, is het niet voor iedereen zonder meer toegankelijk. Daarvoor is het boek te onevenwichtig. Sommige stukken laten zich lezen als een trein en zijn gewoon spannend, terwijl andere delen wellicht als taai en ingewikkeld kunnen worden ervaren, maar ook als erudiet en intrigerend modern. Tenslotte blijkt Kropotkin een echte preutse negentiende-eeuwer te zijn. Hij laat enerzijds erg weinig los over zijn eigen intieme gevoelens, terwijl hij zich anderzijds soms laat gaan in sentimentele, dweperige beschrijvingen, bijvoorbeeld als het gaat om zijn broer en de leden van de Jurafederatie. Het is in ieder geval geen ‘pageturner’ en dat is maar goed ook.

     

  • ‘En allemaal hadden ze hetzelfde gezicht’

    ‘En allemaal hadden ze hetzelfde gezicht’

    ‘En allemaal hadden ze hetzelfde gezicht’

    Na achttien pagina’s hebben we bijna uitsluitend dialogen gelezen. Bedrieglijk naïeve dialogen. En toch is de essentie van Mens of niet al aangeroerd: de roman opent in poëtische sfeer met de herontmoeting van partizaan N-2 en Berta in een winter die de zachtste is sinds haar geboorte in 1908. En Selva, bewoonster van het huis waar N-2 en Berta elkaar treffen, heeft hem dan al één van de vragen gesteld waar het in deze roman om draait: ‘Jullie verbeelden je nogal wat. Jullie werken voor het geluk van de mensen, maar wat de mensen nodig hebben om gelukkig te zijn weet je niet. Kunnen jullie werken zonder zelf gelukkig te zijn?’. En verder in het gesprek: ‘Alles heeft alleen maar zin als de mensen er gelukkig door kunnen worden. Is dat niet de enige zin van de dingen?’
    Op pagina 78 is het weer Selva die het thema tegenover Berta aanroert. Sprekend over N-2 zegt ze: ‘Een man moet een vriendin hebben. En zeker als hij één van ons is. Hij moet gelukkig zijn. Hoe kan iemand weten wat de mensen nodig hebben als hij zelf niet gelukkig is? Daar vechten wij voor. Dat de mensen gelukkig zijn.’

    Het is 1944. N-2 is de tweede man van een partizaneneenheid genoemd naar de wijk Naviglio in Milaan. Zijn groep heeft juist een aanslag gepleegd die door de Duitsers en de in hun opdracht werkende fascistische brigade wordt vergolden.

    Elio Vittorini, de auteur van Mens of niet, schrijft uit eigen ervaring. Hij was aanvankelijk zelf fascist, maar toen hij zag wat er tijdens de Spaanse burgeroorlog gebeurde verliet hij die partij. In de oorlog zat hij korte tijd gevangen. Hij sloot zich aan bij de communisten en nam actief deel aan het Milanese verzet tegen de nazi’s en de volgelingen van Mussolini. Al vroeg in zijn leven had hij een grote literaire belangstelling, in het bijzonder voor moderne Amerikaanse schrijvers.
    Dat is te merken in Mens of niet. De lezer herkent elementen uit Vittorio’s eigen leven (de gevangenisstraf, de aanslagen, de stad Milaan), terwijl in de stijl en de filosofie van de roman echo’s zijn te vinden van vooral het werk van Hemingway.

    Allereerst die stijl. Die vergt van de lezer aanvankelijk overgave aan de staccato zinnen die als een repeterend geweervuur worden afgeschoten. Meer dan de helft van de roman bestaat uit kinderlijk ogende gesprekken vol herhalingen. Maar als je bereid bent er in op te gaan werken ze bedwelmend. Vittorini weet er een sfeer mee op te roepen waarin de filosofie die hij wil overbrengen de lezer des te meer aangrijpt.

    Daarbij komt de poëtische kracht van zijn verhaal, waarin hij op een magistrale manier vragen over liefde en de zin van verzet in elkaar vlecht. N-2 en Berta zijn tien jaar geleden verliefd geworden op elkaar, maar hij heeft steeds te belangrijke zaken aan zijn hoofd om zich eraan over te geven. Al die tien jaar lang hangt achter zijn kamerdeur een mantelpak van Berta, dat daar na de eerste ontmoeting is achtergebleven; het blijft hem spookachtig de vraag stellen wat hij eigenlijk met haar wil.

    En dan is er Milaan, de grotendeels in puin gegooide stad, met zijn dagelijkse aanslagen en vergeldingsacties. Niet voor niets gebruikt Vittorini zowel voor dit Milaan als voor de niet doorleefde liefde hetzelfde beeld. Herhaaldelijk noemt hij de stad een woestijn en als het spook van Berta’s mantel achter de deur hem aanstaart na een vrijpartij met een andere vrouw waarin het hem erom te doen was zijn mannelijkheid te bewijzen, lezen we: ‘Een man zonder vrouw, ík weet wat het betekent, in een vrouw geloven, een vrouw toebehoren, en haar toch niet hebben, jaren doorbrengen zelfs zonder dat je man bent bij een vrouw, en er dan een nemen die niet de jouwe is en ja, in een hotelkamer vind je dan, in plaats van de liefde, de woestijn van de liefde.’

    Vittorini stelt grote vragen over de zin van geweld, het verzet en menselijkheid. Hij kiest niet voor een feitelijke beschrijving van gruwelijkheden, maar maakt die voelbaar in de dialogen en de reacties van daders, slachtoffers en omstanders. De kilheid van de moordmachine dringt zich bijvoorbeeld op in een gesprek waarin een een SS-er aantoont dat de Duitsers altijd zullen winnen omdat ze elke vermoorde landgenoot vergelden door tien vijanden te doden: ‘Wij zijn met negentig miljoen Duitsers. Voor wij alle negentig miljoen dood zijn zouden we negenhonderd miljoen personen gedood moeten hebben. Zijn er negenhonderd miljoen personen op de wereld? Die zijn er niet. Duitsland kan niet sterven.’ Het helpt voor dat standpunt bovendien dat de SS ook voor elke moord op een Duitse hond een Italiaan vermoordt. Ook zo’n geval beschrijft Vittorini des te krachtiger door de pesterijen te beschrijven die voorafgaan aan de wraak op een oude man die een Duitse hond heeft neergestoken; hij wordt levend verscheurd door andere honden. Van die geweldsdaad zelf geeft Vittorini geen enkel detail, maar hij is o zo voelbaar.

    Ontroerend, beklemmend, diepzinnig en daardoor prachtig zijn de hoofdstukken volgend op een executie van Milanezen, waaronder kinderen, vrouwen en een oude man, als vergelding van de aanslag door de partizanen. Ook hier wordt niet de executie zelf beschreven, maar wat die doet met de overlevenden. Omstanders die van de plek waar de lijken liggen weglopen reageren op vragen van anderen met: ‘Ik heb niets bijzonders gezien’. Aan de partizanen dringt zich de vraag op waarom zij als plegers van de aanslag zijn blijven leven, terwijl hier onschuldige burgers liggen als vergelding. De kracht van de voortdurende herhaling maakt de waarom-vraag steeds urgenter, bijvoorbeeld als de partizanen naast een geëxecuteerd meisje de eveneens doodgeschoten verzetsman Foppa aantreffen:

    Hij was een vreedzaam man geweest, een eenvoudig man. Waarom was hij dood?

    Hij had ook níét kunnen gaan vechten: alleen van de film houden, en van de Chinezen. Maar hij had zich gedwongen gevoeld te gaan vechten, en hij was als het meisje dat van haar bed was gelicht en gefusilleerd. Hij was net zo. Niet minder onschuldig dan zij, en zijn dood was net als die van haar. Niet minder ongerechtvaardigd.

    (…) Alle doden zeiden dag. En allemaal hadden ze hetzelfde gezicht.

    Niets in dat gezicht was nog open en goed; of standvastig en goed, scherpzinnig en goed, nadenkend en goed; zoals ook niets nog kinderlijk was of fout.

    Vittorini velt geen moreel oordeel. Er zijn geen goede en kwade mensen. Er is het kwaad. En dat kan in elk mens huizen:

    Ergens wordt er gekrenkt en dadelijk staan wij achter degene die gekrenkt wordt, en we zeggen dat hij de mens is. Bloed? Zie de mens. Tranen? Zie de mens.

    Maar hij die krenkte, wat is hij?

    Nooit overwegen we dat ook hij de mens zou zijn. Wat anders kan hij zijn? Werkelijk de wolf?

    Vandaag de dag zeggen we: het is het fascisme. Of het nazisme. Maar dat het het fascisme zou zijn, wat betekent dat dan? Ik zou het fascisme wel eens los van de mens willen zien. Wat zou dat dan zijn?  Wat zou het doen? Zou het kunnen doen wat het doet als de mogelijkheid het te doen niet bij de mens zou horen?

    Laat als lezer Mens of niet van Vittorini binnenkomen. Vouw het boek respectvol dicht. En laat de sporen ervan zijn werk doen.

    De roman werd in 1984 en in 1995 ook al in het Nederlands vertaald. Hij kreeg lovende kritieken, maar vond nauwelijks zijn weg onder lezers. Het is goed dat Uitgeverij Schokland de lezer nu een nieuwe kans geeft.

    Mens of niet moet gelezen worden.

     

    Mens of niet

    Auteur: Elio Vittorini
    Vertaald door: Anthonie Kee
    Aantal pagina’s: 196
    Verschenen bij: Uitgeverij Schokland (2013, 3e druk)
    Prijs: € 23,90

     

     

  • Idealistische bevlogenheid

    Idealistische bevlogenheid

    Uitgeverij Schokland heeft onlangs in haar serie Kritische Klassieken Een jeugd in Duitsland van Ernst Toller opnieuw uitgegeven in een nieuwe vertaling van John Luteijs. Dit is een compliment waard aan alle betrokkenen. Het is een genot dit ontroerende werk in de hand te houden en te lezen in deze prachtige vertaling gevat in een schitterend verzorgde uitgave.

    Het boek is chronologisch geschreven. De structuur wordt zichtbaar gemaakt aan de hand van de titels van de hoofdstukken. Bindend in het boek is de ontwikkeling van Ernst Toller zelf, van bedeesd, nadenkend kind tot de revolutionaire activist die hij uiteindelijk is geworden, maar alles natuurlijk gezien door de ogen van de gerijpte mens Toller, die beseft dat Duitsland in 1933 opnieuw aan de vooravond staat van een cruciale fase in zijn geschiedenis. Ook wat betreft schrijfstijl is het een opmerkelijk boek, afwisselend kort en bondig, objectiverend beschrijvend of poëtisch al naar gelang de boodschap die Toller wil uitdragen.

    Toller verhaalt over zijn kinderjaren in Samotschin, een stadje in het westen van het huidige Polen en in die tijd behorend bij Pruisen (Duitsland). Geboren in een gegoede, Joodse familie die zich graag presenteerde als Duitser dan Duits was hij bevriend met Stanislaus, een Poolse jongen van arme komaf. Hierin wordt meteen al zichtbaar met welke conflictstof de jonge Ernst geconfronteerd werd in zijn directe omgeving. Duits versus Pools; Joods versus Pools en Duits; rijk versus arm. Hij toont zich een nadenkende  jongen met gevoel voor ethische vraagstukken. Als hij aan zijn moeder vraagt waarom Stanislaus arm is en hij rijk, neemt hij aanvankelijk nog genoegen met haar antwoord: ‘Omdat Onze Lieve Heer dat zo wil.’ Later, in zijn studentenjaren in Grenoble, ontdekt hij het genot dat geld kan verschaffen: ‘Ja, ik hou van geld, met knagend geweten. [……] ik ben voor mezelf twijfelachtig geworden.’ Deze tweeslachtigheid in zijn gevoelens komt vaak prachtig tot uiting in een uiterst geserreerd taalgebruik voor het beschrijven van bepaalde scènes. Zo ontmoet hij in zijn pension in Grenoble een oud-officier van het Oostenrijkse leger, die een Frans vriendinnetje heeft, een naaistertje. De officier wijdt de jongen Ernst in in het grote leven. ‘Elke namiddag ontmoet ik in een café studenten van heinde en verre , ze spelen een spel dat ‘Poolse Bank’ heet en dat noch iets met Polen noch iets met een bank te maken heeft. Zilver- en goudstukken gaan van hand tot hand. Men drinkt zwarte koffie, het is erg onderhoudend. Ik kijk naar de spelers. Het kleine Franse naaistertje zit naast me, de Oostenrijker verliest de ene na de ander munt van twintig franc, het naaistertje lacht naar me, mijn knie streelt haar knie, ze staat op, ik volg haar, ze vraagt me waar ik woon, ze zou het moeten weten, maar ze is het wellicht vergeten, ze wil mijn kamer zien, ze zegt “Mon petit”, ik kijk naar de officier, hij verliest nog steeds, ze neemt mijn arm en haakt in, ik ben heel gelukkig, ik leer Frans’.

    En dan breekt de oorlog uit. Na zijn terugkeer in Duitsland meldt Toller zich aan als vrijwilliger. In soms hilarische scènes schildert hij de waanzin en hysterie die over de mensen is gekomen. Zo wordt hijzelf, terwijl hij rustig op een bankje in een park zit, bijna gemolesteerd door een groeiend gezelschap ‘vaderlandslievende burgers’ vanwege zijn hoed die, gezien een klein labeltje, van Franse makelij blijkt te zijn. De geserreerdheid is weg en maakt plaats voor een meer objectiverende beschrijving.
    De beschrijving van zijn frontervaringen behoren zonder twijfel tot de meest aangrijpende op dit gebied. Niets geen heldendom, gebral over vaderlandsliefde, maar waanzin, angst, teleurstelling en woede: ‘De woorden worden zachter, ze druppelen in de dikke stilstaande lucht.’ Na de eerste aanval van een Frans vliegtuig, als er niemand is gewond, zegt de sergeant tegen Ernst Toller, dat zijn voorganger meer geluk heeft gehad, hij is meteen getroffen door een granaatscherf en rust in het lazaret. Het optimisme maakt steeds meer plaats voor cynisme.

    Toller heeft dertien maanden aan het front gediend alvorens ziek en gedesillusioneerd terug te keren naar het vaderland, waar hij, naarstig op zoek naar lieden die leiding kunnen geven aan de jeugd en richting kunnen wijzen naar een nieuwe toekomst, steeds meer affiniteit voelt voor de radicale socialistische beweging onder leiding van Kurt Eisner. Want als één ding kenmerkend is voor de jonge Toller dan is het wel het verlangen naar leiding. De wapenstilstand van begin oktober 1918 komt voor de Duitse bevolking als een donderslag bij heldere hemel. In één klap wordt de zinloosheid van de oorlog voor iedereen zichtbaar en rest er niets dan woede, radeloze woede. Het hele politieke bestel dreigt als een kaartenhuis in elkaar te storten. De keizer is gevlucht en de straat regeert. Politieke moorden beheersen de voorpagina’s van de kranten: Karl Liebknecht, Rosa Luxemburg, …….Kurt Eisner.

    Toller raakt diep verwikkeld in de revolutionaire woelingen van zijn tijd en wordt een van de leidende figuren in de Beierse Radenrepubliek. De beschrijving van wat zich hier allemaal heeft afgespeeld is vooral van belang voor wie zicht wil krijgen op de scherpe politieke tegenstellingen die speelden binnen de kraamkamer van de Weimarrepubliek en die uiteindelijk hebben geleid tot een verziekt politiek klimaat waarvan lieden als Hitler geprofiteerd hebben. Toch is er bij Toller ook hier altijd ruimte voor het hilarische zoals het verhaal over zijn ontsnapping aan arrestatie door militairen. Toller zit ondergedoken in een appartement bij een vriend van adellijke komaf als er onverwachts huiszoeking wordt gedaan in het betreffende woonblok. Overal wordt aangebeld. Paniek! Ten einde raad vraagt Toller aan zijn vriend of hij een jaquet heeft en een monocle in de gedachte dat iedere officier buigt voor deze rekwisieten. Maar dan wordt het rustig. De soldaten gaan weg. Alleen bij hen is niet gebeld! Hoe kan dit? Later horen ze dat de bevelvoerende officier, toen hij de hoge adellijke naam op het naamplaatje bij de deur zag staan, de soldaten liet vertrekken. Pruisen in de overtreffende trap!!

    Uiteindelijk wordt Toller gearresteerd en veroordeeld tot vijf jaar vestingstraf in de vesting Niederschönfeld. Daar zitten de ‘rode beesten’, aldus de Beierse officier van justitie Emminger. Hij komt er nog genadig vanaf. Een aantal van zijn linkse kameraden krijgt de doodstraf. De moordenaar van Kurt Eisner, graaf Arco, ondergaat zijn straf in de vesting Landsberg. Die mag gaan en staan waar hij maar wil. ‘Overal in München regeren de oude heersers. Ze verdedigen de republiek…………..’, zo schrijft hij.

    Je leest dit boek met een zekere eerbied voor de mens Toller. Zijn boeken behoren immers tot de eerste die Goebbels ritueel aan de vlammen toevertrouwde bij de beruchte boekverbrandingen in 1933. Maar wat vooral treft, is het feit dat er in dit boek nog iets is terug te vinden van iets wat wij tegenwoordig niet zoveel meer aantreffen in de literatuur, namelijk idealistische bevlogenheid, de drang om de wereld te hervormen, het geloof in vaste leidraden volgens welke de samenleving zou moeten worden ingericht. Wij leven in de post-moderne tijd. Jammer eigenlijk of toch niet?

     

    Een jeugd in Duitsland
    Memoires 1893-1924

    Auteur: Ernst Toller
    Vertaald door: John Luteijs
    Verschenen bij: Uitgeverij Schokland
    Prijs: € 22,90

  • Duitse schelmenroman over pubers in de Tweede Wereldoorlog

    Duitse schelmenroman over pubers in de Tweede Wereldoorlog

    Lont van Franz Josef Degenhardt is goed, spannend en bijzonder. Een tikkie gedateerd misschien, maar dat moet de lezer maar voor lief nemen. Vanwege de burleske verhalen en de eigen toon. En vanwege de bijzondere wereld waarin het speelt: een Duitse armoewijk in de Tweede Wereldoorlog.

    Frans Jozef Degenhardt was een troubadour die in Duitsland ooit minstens zo populair was als Reinhard – Gute Nacht, Freunde – Mey. En veel maatschappijkritischer. Hij werd uit de Sozial Democratische Partei geknikkerd, omdat hij een links Volksfront wilde vormen met de communisten, in plaats van de zoveelste coalitie met Christendemocraten en Liberalen. Dat was in de jaren zestig, toen Duitsland nog worstelde met een bruin verleden, en vóór de Baader Meinhof Gruppe zo maatschappijkritisch werd dat er doden bij vielen.

    In 1973 publiceerde Degenhardt (geboren in het stadje Schwelm, in het Ruhrgebied in 1931) zijn roman Lont. Het speelt zich af in de armoewijk van een Schwelm-achtig stadje tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de wijk wordt al jaren op de rode revolutie gewacht. Tijdens drankgelagen komt een foto van Stalin uit de la. De echte mannen ontbreken – afgevoerd naar het front, in een kamp of dood. Overgebleven zijn de jongeren, de vrouwen, de invaliden en de bejaarden. En de Russische krijgsgevangenen die de metaalfabriek gaande moeten houden en in barakken op het fabrieksterrein wonen. De wereld in het klein, met een paar cruciale verschillen: oorlog, geen mannen, geen school. De wijkbewoners plegen verzet. Niet grootschalig of heldhaftig, maar als overlevingsstrategie. En uit jeugdige branie. Op jacht naar voedsel maken ze de ene keer een lading condooms buit, de andere keer een vat wijn – en is de hele wijk dronken. Er wordt een paard gestolen en geslacht en ze weten nauwelijks waar ze het vlees moeten laten. Ze kiezen tegen de nazi’s, om dezelfde reden waarom ze al generaties lang opstandig zijn tegen alle gezag. Ze weten dat de nazi’s hen nu nog nodig hebben – als kanonnenvoer of fabrieksslaaf – , maar hen uiteindelijk als Üntermenschen weg willen vagen. Geen streep beter dan de fabrieksdirecteur of de oude keizer.

    Sporen van damesachtigheid 
    Het is niet wat je vreest van een Duits boek uit de jaren zeventig dat verschijnt in een reeks ‘Kritische Klassieken’. Geen zware ideologische betogen over structuren en systemen, maar een schelmenroman vol losgeslagen pubers en drankzuchtige ouderen. Geen heldendaden of martelaarscènes, maar inventiviteit, dapperheid en gestuntel. Een vreemde tussenwereld, met paradijselijke trekken, maar ook wreed, lomp en hard. Waar het jongvolk namen heeft als Fänä, Sugga, Zünder en Viehmann. Met schilderachtige figuren als de ‘afwezige’ oom, die beweerde in de Mexicaanse revolutie te hebben gevochten. Een vergeelde foto met snor en sombrero is het enige bewijs. Of Berta Niehus, die in een rolstoel met haar dochters in een leegstaande wagon huist (er is een luchtmijn op haar huis gevallen). Ze vertoont sporen van een hogere opleiding en damesachtigheid. Ze stijgt op de sociale ladder, want ze kan praten met de neergestorte piloot Sjalie (Charley). En ze dondert er weer vanaf als ze een verhouding begint met de ‘foute’ rangeerder Fuchs. Maar als die bewijst ‘goed’ te zijn geworden kan de bruiloft alsnog doorgaan.

    Patroongordels en sombrero
    Piloot Sjalie wordt ondergebracht, bewaakt en verzorgd in de Elzengrot – een perfecte schuilplaats in een uitgebreid onderaards gangenstelsel. Daar spoelen in de loop van het boek nog meer drop-outs aan. Een Poolse violist, een verpleegster (die de piloot redt en er vervolgens mee aan het vrijen slaat) en uiteindelijk ook voormalig Jungvolkleider Berti, die met een stevig trauma is gedeserteerd uit het leger. Ze bestrijden de verveling met muziek, drank, seks en ruzie. Totdat Berti uit zijn stille waanzin ontwaakt en een grootscheepse revolutie begint te prediken: commando’s van elf man, die met ‘echte’ wapens de strijd moeten aangaan, gesteund door een front van boeren voor de voedselvoorziening, enzovoorts. De jongens raken erdoor aangestoken, totdat ze tot bezinning komen en de zelfbenoemde partizanen hardhandig tot de orde roepen. Ook Fänä bezwijkt bijna voor de verleiding, maar wordt ’s nachts door zijn oudere broer ontnuchterd. ‘Wij vechten ook, zei Karlheinz, alleen onder andere omstandigheden en met andere wapens. Anders kan dat hier niet.’ Toch droomt Fänä nog van een leven als revolutionair, compleet met patroongordels en sombrero. Die droom wordt om zeep geholpen als hij de volgende ochtend voor de spiegel poseert met een oude strohoed van zijn vader. ‘Hij zag zichzelf, een gele gerafelde strohoed en het gezicht van zijn moeder die hem achterna was geslopen. Goedemorgen, meneer de directeur, zei ze, gaat meneer nu naar het café? Fänä smeet de hoed in een hoek en liep naar buiten.’

    En dan is er nog het spannende bezoek aan het huis van rechter Pahlmann, die – hoe symbolisch – tussen de beneden- en de bovenstad woont. Hoewel die de schijn tegen heeft met zijn huis vol boeken en pianospelende dochter, staat hij aan de goede kant, en de jongens verrichten dan ook spionagewerk voor hem. Maar hij blijft iemand die ‘niet van hen’ is. Er wordt omzichtig zaken met hem gedaan en er wordt met enige afgunst naar gekeken. Fänä – hoofdpersoon en het jonge alter ego van de auteur, ben je geneigd te denken – leert zelfs noten lezen en studeert een Mozartsonate in op zijn mondharmonica om indruk te maken op de vioolspelende dochter des huizes. De bende slaat zich vrijgevochten en virtuoos door de oorlog, maar steeds duikt de boodschap op: discipline, kennis en cultuur zijn nodig voor een beschaafde samenleving. Solidariteit en strijdlust zijn niet genoeg. Hier wijkt de volbloed schrijver Degenhardt voor de socialist.

    Gelukkig laat hij zich meeslepen door zijn eigen verteltalent, want schrijven kan hij. In een directe praatstijl die af en toe aan Louis Paul Boon doet denken (maar dan eerder Jan de Lichte dan Mijn kleine oorlog) vertelt hij in korte scènes van een bladzijde of 5 het verhaal. Zoals over eerder genoemde Berti, die naar het gymnasium ging en het allemaal beter wist en die ze dus uit de groep stootten. Hij schopt het tot leider bij het Jungvolk, en alle jongens moeten verplicht lid worden.  Op een zaterdagmiddag legt dikke Bannführer uit dat ze, net als hun verdwenen vaders, volksparasieten zijn, maar dat ze nu ‘alles weer goed konden maken.’ ‘Eeiertüss, een beer van een vent uit de papagaaienwijk, veertien jaar, die al twee zoons had, onderbrak hem en vroeg of zij nu zoiets waren als een colonne in het concentratiekamp, of een strafbataljon. Bek dicht, schreeuwde de dikke en: ze zouden die vijandelijke slogans er nog wel uitkrijgen, en hij begon weer over Wehrvolk, vooral jonge mensen, enzovoort.’ Berti wordt te grazen genomen bij het voetbal, hij slaat terug door een paar jongens verschrikkelijk af te tuigen en vervolgens neemt de bende wraak op hem. Einde verplicht lidmaatschap. De praatstijl en het rauwe realisme voorkomen dat Lont een tendensroman wordt: maatschappijkritiek werkt beter als impuls dan als literair programma. Zie het verschil tussen Max Havelaar en De negerhut van oom Tom. 

    Het boek eindigt zoals het begon: het groepje jongeren hangt op zijn favoriete muur bij Meurich. De vaders zijn teruggekeerd, de school zal worden heropend en twee (krijgsgevangen) vrienden uit Minsk staan op het punt terug te keren naar de Soviet Unie. ‘Toen omarmden ze elkaar en gingen uit elkaar, verschillende kanten op.’ Minstens eentje is er goed terecht gekomen.

     

     

  • Recensie: De sfinx van Spanje – Albert Helman

    Recensie door: Machiel Jansen

    Na de Tweede Wereldoorlog verdedigden veel Duitsers zich met de niet erg overtuigende woorden: ‘Wir haben es nicht gewu?t.’ Maar halverwege de jaren dertig wisten duizenden in Europa het al wel: het fascisme was een kwaad dat bestreden diende te worden, desnoods met geweld. Rond 1936 hadden drie Europese landen een fascistisch regime: Duitsland, Italië en Hongarije. Daar dreigde een vierde bij te komen, namelijk Spanje. Daar waren de fascisten onder leiding van generaal Franco een opstand begonnen tegen de jonge, republikeinse regering. De opstand werd een burgeroorlog. In de drie jaar die volgden, besloten 35.000 mensen uit meer dan vijftig landen om naar Spanje te gaan en tegen de fascisten te vechten.
    Onder hen was de Britse schrijver George Orwell die in 1938 zijn herinneringen aan de strijd beschreef in het prachtige Homage to Catalonia (door Aad Nuis vertaald onder de titel Saluut aan Catalonië).
    Er waren ook Nederlanders in Spanje. In 1937, dus een jaar voor Orwells Homage to Catalonia, verscheen in Nederland De sfinx van Spanje van Albert Helman. Abert Helman, pseudoniem van Lodewijk (Lou) Lichtveld, was geboren in 1903 in Paramaribo en schreef romans, artikelen voor kranten en tijdschriften en zelfs twee kookboeken. Als jongen had hij kort in Nederland gewoond. In 1922 kwam hij voor een tweede keer naar Nederland en werd er journalist. Hij sloot zich aan bij het progressief katholieke weekblad De Gemeenschap maar uiteindelijk bleek hij meer progressief dan katholiek en keerde zich af van de kerk. In 1932 vertrok hij naar Barcelona en mocht voor de NRC en de Groene Amsterdammer reportages schrijven. Een aantal daarvan vormde later de basis voor De sfinx van Spanje.

    Helman moet het in Spanje goed naar zijn zin gehad hebben. Hij woonde in een huis aan de rand van Barcelona en had regelmatig vrienden en kennissen over de vloer. Schrijvers, kunstenaars, dichters, waaronder Slauerhoff, kwamen hem daar bezoeken. Ondertussen schreef Helman zich een ongeluk.
    In Spanje rommelde het in de jaren dertig. Het was één van de armste landen van Europa. De bevolking bestond voor het overgrote deel uit boeren en het land was in handen van een kleine, rijke elite. De armoede en ongelijkheid hadden schrijnende vormen aangenomen. Het was niet zo vreemd dat de roep om radicale verandering, revolutie en opstand in Spanje gehoor vond.
    De heersende macht, de adel, de grootgrondbezitters, de kerk en de militairen moesten van verandering en revolutie niets weten. Zij vormden in de jaren dertig het monarchistische, fascistische blok dat zei te strijden tegen het communistisch gevaar en voor het Roomse geloof en de traditie.
    In 1931 was Spanje een republiek geworden. De koning was het land uitgevlucht en de spanningen liepen langzaam op. In 1936 breekt de burgeroorlog uit wanneer een aantal conservatieve generaals in opstand komen tegen de republikeinse regering. In Barcelona gebeurt er iets anders. Daar grijpt links de macht en vindt een heuse revolutie plaats. Het zijn voornamelijk de anarchisten die, samen met communisten en socialisten, van Barcelona heel even een schijnbaar klasseloze maatschappij maken.
    Helman zat in 1936 al vijf jaar in Barcelona. Orwell zat nog thuis in Engeland. In De sfinx van Spanje ? nu voor het eerst herdrukt sinds 1937- beschrijft Helman hoe de Catalaanse revolutie zijn leven binnen komt. Vanuit zijn huis, net buiten de stad, probeert hij voorzichtig de stad binnen te gaan. Op een pleintje wordt hij samen met een aantal cafébezoekers even onder schot gehouden, maar echt gevaar loopt hij niet. De situatie is chaotisch. Er wordt geschoten en het is totaal niet duidelijk wat er aan de hand is. Pas als het schieten stopt, komt er meer duidelijkheid en worden de sporen van de gevechten zichtbaar. Kerken en kloosters zijn verwoest, barricaden zijn opgericht en er heerst een stemming van uitgelaten optimisme. De revolutie is een feit.

    Orwell komt in Barcelona aan als de stemming van optimisme nog in de lucht hangt maar toch ook al over zijn hoogtepunt heen is. De revolutie leeft nog. Elke standsverschil is weggevallen; de arbeiders, het gewone volk is hier echt aan de macht. Mensen lopen niet in dure kleren en rijden niet in luxe auto’s. Iedereen is een arbeider, jijt en jouwt elkaar, groet met saluut en noemt elkaar kameraad. Bedienden, obers, chauffeurs zijn hun onderdanigheid kwijt. Iedereen is gelijk. Helman beschrijft hoe ook geld onbelangrijk is geworden. Hij wordt door de kapper gratis geknipt.
    Het is het anarchistisch ideaal, de droom dat iedereen gelijk is, die heel even werkelijkheid lijkt te worden. Het is schijn. Orwell realiseert zich later pas dat veel mensen doen alsof, uit angst voor represailles.
    Orwell sluit zich aan bij een kleine militie die zich P.O.U.M. noemt. De P.O.U.M. was één van de linkse, communistische partijen die tegen de fascisten streden, en de revolutie wilde voortzetten. Slecht bewapend en nauwelijks getraind gaat de militie naar het front. De fascistische tegenstander blijkt, ondanks steun van Duitsland en Italië al even incompetent. Orwell bekijkt het met zijn Britse ogen vol verbazing. Hij beschrijft hoofdschuddend de afwezigheid van uniformen, de weinige, nauwelijks bruikbare wapens en de enorme hoeveelheden uitwerpselen rond elke plaats waar milities langer blijven. Overal is er sprake van goed bedoeld amateurisme. Van vechten komt niet veel, op een enkele uitzondering na. Orwell wordt na enkele maanden door een sluipschutter in zijn keel geschoten. Hij overleeft het, maar het vechten is voor hem voorbij.
    Helman was al eerder aan het front geweest. Niet om te vechten, maar om als journalist verslag te kunnen doen van de oorlog. Maar zijn idealisme kruipt waar het niet gaan kan en ook hij neemt een geweer in handen om heel even mee te vechten. Al gauw komt hij tot de conclusie dat hij geen soldaat is. Hij kiest voor de pen als zijn wapen.
    De anarchistische militie waar Helman mee optrekt doet wat professioneler aan dan die van Orwell. Hij bevestigt het goedbedoelde amateurisme van de milities en de afwezigheid van een strenge hiërarchie. In de milities bestonden nog wel rangen maar zo heel veel stelden die niet meer voor. Na de revolutie was iedereen immers gelijk. Bevelen werden dan ook regelmatig bediscussieerd voordat ze uitgevoerd werden.
    Orwell komt terug van het front. Barcelona is een veranderde stad. De rijken zijn terug. De sfeer van optimisme en gelijkheid is verdwenen. De communisten hebben hun macht versterkt en de P.O.U.M. wordt zwart gemaakt, beschuldigd van heulen met de fascisten. Er breekt een kleine oorlog uit in de straten van Barcelona tussen de communisten en de anarchisten. Uiteindelijk winnen de door Stalin gesteunde communisten. Op bevel van de Sovjets, in ruil voor wapens, wordt de P.O.U.M. verboden. De leden worden vervolgd en Orwell vlucht het land uit.

    Homage to Catalonia is het verhaal van de linkse idealist die wil vechten tegen het fascisme, terecht komt in een onderlinge strijd van de linkse partijen en ten slotte moet vluchten voor de communistische geheime politie. Het is een verhaal van idealisme, desillusie en onbegrip. Een verslag van innerlijke betrokkenheid die stuk loopt op de harde politieke realiteit.
    Helman beschrijft het zwart maken en het verbieden van de P.O.U.M. ook. Maar in tegenstelling tot Orwell had Helman geen persoonlijke band met dit kleine linkse partijtje. Zijn beschrijving vormt maar een klein onderdeel in een groot overzicht van de chaotische politieke verwikkelingen tijdens de burgeroorlog. Waar Orwell zich doelbewust concentreert op zijn eigen persoonlijke ervaringen, wil Helman de gebeurtenissen in een groter verband plaatsen. Dat maakt het er niet makkelijker op.
    De sfinx van Spanje begint dan ook vrij taai, met een geschiedenis van Spanje die begint in de oertijd en na tien pagina’s eindigt in de vorige eeuw. In gedragen zinnen, die af en toe wat aan Ter Braak doen denken, wil Helman ons duidelijk maken dat ook de burgeroorlog een voorzetting van de geschiedenis is. Het doel is te ambitieus voor een verzameling reportages. Helmans behoefte om de oorzaken van de burgeroorlog te plaatsen in eeuwen oude verhoudingen, ontwikkelingen en gewoonten, is wat ouderwets en vooral saai.
    Orwell begint zijn Homage beter. Bij hem geen inleiding of geschiedenis. Hij begint met zijn herinneringen en legt de context van de gebeurtenissen pas uit als het echt niet anders kan. Hij doet dat in aparte hoofdstukken waar hij de lezer voor waarschuwt. ‘Sla maar over als het je niet interesseert’, zegt hij er bij. Overslaan doe je niet, zo goed heeft hij je ondertussen al weten te boeien.
    Helman geeft die tip tot overslaan niet en zijn tweede hoofdstuk probeert vol goede moed de uiterst onoverzichtelijke politieke situatie overzichtelijk te maken. Het regent afkortingen van alle vakbonden, syndicaten en partijen – Orwell heeft het over een Spaanse plaag van initialen ? en wie helemaal niet bekend is met de achtergronden van de burgeroorlog, voelt zich hier wat verloren.
    Maar daarna komt Helman toch beter op gang. Het mooiste uit De sfinx van Spanje zijn de delen die aan Orwell doen denken; Helmans persoonlijke ervaringen. De Ter Braak zinnen verdwijnen en even beleef je zijn reis naar het front, de chaos en het optimisme. De beschouwende hoofdstukken die nog volgen zijn interessant maar in plaats van een analyse wil je liever lezen hoe het er nu ‘echt’ aan toeging. Hij was erbij en we willen van hem horen hoe het was. Orwell heeft zich dat beter gerealiseerd dan Helman, die de gebeurtenissen liever wil duiden dan ze vanuit persoonlijk perspectief beschrijven.

    De twee kenden elkaar, zo blijkt uit het nawoord van De sfinx. Beiden waren idealistisch, links en verre van objectief. Die positie maken ze allebei ook heel goed duidelijk. Orwell en Helman hebben beiden partij gekozen maar zijn niet blind voor fouten, mislukkingen en onrecht aan eigen kant. Beiden zijn erg kritisch op de communisten en hameren op de leugens die in de Europese pers de ronde doen. Net als Orwell wordt Helman uiteindelijk gedwongen Spanje te verlaten. En net als de Engelsman doet hij dat met pijn in zijn hart. Wie Orwells Homage leest moet Helmans Sfinx er ook meteen maar achteraan lezen.

    Ten slotte, een opmerking over de heruitgave van De sfinx van Spanje. Er is tegenwoordig bijna moed voor nodig om een boek dat zijn enige druk in 1937 kende, opnieuw uit te geven. De tekst van Helmans werk is zelfs op internet te vinden (auteursrechten bij de erven Helman). Wie een dergelijk boek uitgeeft moet dat bijna wel uit idealisme doen. En inderdaad, deze uitgave, voorzien van een nawoord en annotaties, maakt deel uit van de nieuwe reeks Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland. De idealisten Orwell en Helman zouden het een mooi initiatief gevonden hebben.

    De sfinx van Spanje

    Beschouwingen van een ooggetuige
    Auteur: Albert Helman
    Verschenen bij uitgeverij: Uitgeverij Schokland
    Met een nawoord van: Prof. dr. Michiel van Kempen
    Prijs: €22,95