• Barea timmert aan de weg

    Barea timmert aan de weg

    In de prachtige serie Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland is dit jaar de indrukwekkende autobiografische roman De weg (La ruta) van Arturo Barea (1897-1957) verschenen. Hierin beschrijft hij de Spaanse aanwezigheid in Marokko die het voorspel tot de Spaanse Burgeroorlog zal vormen. De tekst is al eens eerder vertaald en in 1948 uitgegeven. Dit boek is echter onvindbaar (zelfs de Koninklijke Bibliotheek beschikt niet over een exemplaar), maar gelukkig is er nu een uitstekende vertaling van Mia Buursma. Hub Hermans schreef het verhelderende nawoord. Het register, dat ten onrechte wordt aangeduid als noten, zorgt – net als het kaartje achterin het boek – voor de noodzakelijke achtergrondinformatie.

    Barea is van eenvoudige komaf. Na de dood van zijn vader zorgt zijn moeder voor vier jonge kinderen door als wasvrouw kleren te wassen in de door Madrid stromende rivier de Manzanares. Een oom en tante betalen zijn schoolopleiding. Hij verlaat de school op 13-jarige leeftijd en gaat voor een hongerloontje bij een bank werken. Hij vervult zijn verplichte militaire dienst in Marokko waar hij zich opwerkt tot sergeant. Hij begint te schrijven, houdt een dagboek bij en publiceert enkele gedichten. Na de machtsovername van Francisco Franco vlucht Barea naar Engeland en publiceert zijn boeken in het Engels en in het Spaans voor de Latijns-Amerikaanse markt. Het zal tot na het einde van de dictatuur van Franco duren voor zijn boeken – met groot succes – in Spanje worden uitgebracht.

    Een Afrikaanse kolonie voor Spanje

    Spanje is na de Eerste Wereldoorlog zijn positie van wereldmacht kwijtgeraakt: de Latijns-Amerikaanse kolonies zijn onafhankelijk geworden, terwijl de nieuwe koloniale machten (Britten, Fransen, Portugezen, Belgen en Italianen) volop begonnen zijn met hun verovering van Afrika. Spanje houdt daarom vast aan de Rif in het huidige Marokko, waar de bevolking maar niet wil snappen dat zij gekoloniseerd worden voor hun eigen bestwil en dat hun land niet van hen is, maar van Spanje – de klassieke leugen van elke kolonisator.

    Wanneer Spanje niet eens een kolonie kan domineren aan de overkant van het water op nauwelijks 14 kilometer van zijn eigen kustlijn, dreigt het zijn internationale geloofwaardigheid helemaal kwijt te raken. Daarom worden tienduizenden soldaten naar de Rif gestuurd. Het zijn analfabete boerenzonen, grotendeels afkomstig uit kleine dorpen gelegen in het Spaanse binnenland, waar de armoede soms nog groter is dan in de Rif. De situatie in Spanje is zo slecht dat voor velen vrijwillig in dienst blijven na de dienstplicht de enige kans is op een vast inkomen en – als ze het overleven – op een klein pensioen.

    Koloniale corruptie

    Het behoort tot de taak van sergeant Barea een weg te tekenen en toe te zien op de aanleg ervan in bezet gebied. Vandaar de titel van het boek. Hij ontdekt al snel dat het Spaanse leger door en door corrupt is. Er wordt geld gevraagd voor meer arbeiders dan er daadwerkelijk zijn, officieren steken de niet-uitbetaalde soldij in eigen zak en worden zo slapend rijk. Barea moet alles netjes verwerken in de boekhouding: zolang er een door een meerdere ondertekend bonnetje bestaat, hoeft hij zich nergens druk over te maken.

    Met veel empathie beschrijft Barea de dagelijkse ontberingen van de soldaten: hoe ze bedorven voedsel moeten eten (‘met paprika gekookte bonen vol wormen’) of honger moeten leiden, hoe ze moeten slapen in lekke tenten en hoe de luizen vrij spel hebben in hun ongewassen uniformen. Sommigen gaan naar de prostituees die syfilis hebben, in de hoop besmet te raken: dan mogen ze – samen met de zwaargewonden – terug naar Spanje. Wie echter een bevel weigert op het slagveld riskeert de doodstraf met de kogel. Eén van de hogere officieren is Francisco Franco die krediet heeft bij de soldaten omdat hij één van de weinige hogere officieren is die aan de frontlijn zijn leven riskeert.

    Riffijns verzetsleider Abd El-krim El Khattabi dwingt Spanje in 1923 tot de terugtocht. Dit is de andere koloniale mogendheden een doorn in het oog en Frankrijk helpt Spanje uit de nood. Franco, ondertussen de jongste generaal ooit in het Spaanse leger, onderwerpt met Franse hulp opnieuw de Rif: de Riffijnen worden gruwelijk afgeslacht. Hij doet dat met zijn leger dat hij in 1936 zal inzetten voor een staatsgreep tegen de democratisch verkozen regering in eigen land. Zijn dictatuur zal tot aan zijn dood in 1975 duren.

    Seksuele moraal

    Barea mag thuis herstellen van een levensbedreigende tyfus-infectie. Hij ontdekt dat de Spanjaarden geen weet hebben van de gruwelen die hun landgenoten in de Rif aanrichten en van de ontberingen van de Spaanse soldaten. Wanneer hij na zijn diensttijd uit Marokko terugkeert (met achterlating van zijn vriendin en hond) is hij een overtuigd antikoloniaal en denkt hij ook kritisch na over de seksuele moraal van zijn vaderland waar gearrangeerde huwelijken nog steeds de norm zijn. Gehuwde koppels die zich na de wittebroodsweken als geliefden gedragen, worden met wantrouwen bekeken; dat hoort niet. Mannen moeten hun vrouwen niet lastigvallen, kunnen er beter een vriendin op nahouden of naar de bordelen gaan; vrouwen hebben geen andere taken dan kinderen baren en het huishouden verzorgen.

    Anti-oorlogsboek

    Barea was erbij in de Rif en kan er uit de eerste hand over schrijven. Aan het slot van het boek denkt hij terug aan de aanleg van de weg in de Rif waar een blinde man gedesoriënteerd raakt omdat zijn hobbelige, maar vertrouwde pad verdwenen is. Er ligt nu immers een nieuw aangelegde vlakke weg. Hij vervloekt die weg die volgens hem volgezogen is met bloed. Barea realiseert zich dat de vooruitgang in Spanje betekent dat ook daar veel nieuwe wegen zullen worden aangelegd en vreest dat hierbij evenveel bloed verspild zal worden. Zo laat hij zien hoe de gebeurtenissen in Marokko parallel lopen aan die in Spanje. Hij doet dat zonder zichzelf te sparen. Zijn eerlijkheid overtuigt en maakt het eerste deel van zijn boek tot één van de beste anti-oorlogsverhalen die ooit geschreven zijn, en het tweede deel tot een vileine afrekening met de patriarchale, Spaanse maatschappij.

  • Oogst week 23 – 2025

    De weg

    In de serie Kritische Klassieken publiceert Uitgeverij Schokland na De Slag nu De weg van de Spaanse journalist, radiomaker en schrijver Arturo Barea (1897 –1957), in een vertaling van Mia Buursma. Tijdens zijn dienstplicht in Ceuta en Marokko was Barea ooggetuige van de verschrikkingen in De Spaanse oorlog in Marokko.

    Vlak na de Eerste Wereldoorlog had Spanje het protectoraat over Spaans Marokko, een brede strook rond het Rifgebergte en een smalle strook in het Zuiden van het huidige Marokko. Voor Spanje was het van levensbelang om daar de regie te behouden en jonge dienstplichtige mannen werden erheen gestuurd om te vechten tegen het in opstand gekomen Riffijnse rebellenleger onder leiding van de legendarische Abd El-krim. Tussen hen bevond zich de jonge Spanjaard Arturo Barea die van 1920 tot 1923 in Marokko verbleef.

    Barea wordt al snel bevorderd tot sergeant, waardoor hij niet meer tot de gewone dienstplichtige soldaten behoort, maar ook niet tot de geprivilegieerde klasse van hoge officieren. Dankzij deze positie is hij wel getuige van het door en door corrupte Spaanse leger waar onrecht, omkoping, geweld en machtsmisbruik aan de orde van de dag zijn. Het slecht georganiseerde leger lijdt bloedige en verpletterende nederlagen in de Slag bij Annual en bij Melilla, waarbij honderdduizenden soldaten omkomen. Al snel rijst bij hem het besef dat hij meevecht in een volstrekt zinloze koloniale oorlog en krijgt hij voorgoed zijn bekomst van het leger en het kolonialisme.

    Ondertussen is er op het Spaanse vasteland ook al jaren sprake van politieke chaos, met onmachtige regeringen die elkaar voortdurend opvolgen. Als Barea in 1923 afzwaait, pleegt generaal Primo de Rivera een succesvolle staatsgreep, terwijl ook elders in Europa duistere machten hun schaduw vooruitwerpen.

    Barea neemt geen blad voor de mond en net als in De slag toont hij zich in De weg een vlijmscherp waarnemer van het leven van de gewone soldaten en de officieren. Francisco Franco, de latere Spaanse dictator, is één van hen. Hij zal deze koloniale ervaring later gebruiken om in 1936 in opstand te komen tegen de Spaanse Republiek. De militaire exercitie in Marokko is daarmee niets meer en niets minder dan de opmaat tot de Spaanse Burgeroorlog en de tot 1975 durende dictatuur van Franco.

     

    De weg
    Auteur: Arturo Barea Ogazón
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland, Kritische Klassieken 24

    Sjees en paella

    De roman Sjees en Paella van de Spaanse veelschrijver Vicente Blasco Ibañez  (1867 – 1928) verscheen in 1894 in het Spaans als Arroz y tartana en is nu door Nobelman opnieuw uitgegeven in de vertaling van Frans Oosterholt. Het is een realistische roman over het booming Valencia van de tweede helft van de negentiende eeuw.

    Het hart van de roman wordt gevormd door een stoffenzaak die in 1832 wordt opgericht door een arme immigrant uit Aragon, Don Eugenio. De lezer wordt meegenomen naar het begin, vervolgens de glorietijd, en ten slotte de ondergang van deze winkel doordat de laatste eigenaar zijn hand overspeelt op de beurs.

    De weduwe Manuela Peña trouwt met haar jeugdliefde, de charlatan Rafael Pajares, die weldra het fortuin van haar eerste echtgenoot erdoor jaagt. Als ook hij overlijdt, na een leven vol uitspattingen, blijft Manuela alleen achter met haar twee zonen en twee dochters. Wanneer de laatsten de huwbare leeftijd bereiken, zet hun moeder alles op alles om de high society van Valencia ervan te overtuigen dat ze de begeerlijkste prijsdieren op de huwelijksmarkt zijn.
    Maar dan slaat het noodlot toe. Brillante, het dappere paard dat de sjees van de familie trekt, gaat plotseling dood. Geld voor een nieuw paard heeft Manuela niet, maar haar dochters kunnen zich niet in hoge kringen van Valencia vertonen zonder rijtuig. Wat nu?

    Vicente Blasco Ibáñez kwam uit een arm immigrantenfamilie uit Aragon. Hij werkte zich uit het milieu van kleine middenstanders in Valencia op tot een populaire en wereldvermaarde veelschrijver en invloedrijk politicus. Deze veelschrijver publiceerde verhalenbundels, historische romans, sociale, psychologische en avonturenromans en reisverhalen.

    Sjees en paella
    Auteur: Vicente Blasco Ibañez
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman

    De kwetsbare tijd

    Donatella Di Pietrantonio won met L’età fragile de belangrijkste Italiaanse literatuurprijs, de Premio Strega 2024. Nu is de Nederlandse vertaling van Hilda Schraa, De kwetsbare tijd verschenen. Lucia’s dochter Amanda keert terug uit Milaan, waar ze studeert. Lucia is verontrust, want het lijkt alsof Amanda alleen maar wil verdwijnen: ze sluit zich op in haar kamer en wil met niemand praten. Lucia heeft haar dochter altijd voor alles willen behoeden, maar nu kijkt ze hulpeloos toe. Er moet in Milaan iets afschuwelijks zijn voorgevallen, want het licht is uit Amanda’s ogen verdwenen.

    Tegelijkertijd ruziet Lucia met haar oude vader over de verkoop van hun verlaten familiecamping in de bergen. Dertig jaar geleden heeft daar een tragedie plaatsgevonden waardoor de camping is gesloten, en Lucia voorgoed naar de kust is verhuisd. Klemgezet tussen haar koppige vader en haar zwijgzame dochter moet Lucia onder ogen komen dat dit de onherstelbare wonden zijn die je oploopt in het leven.

    Donatella Di Pietrantonio (1962) werd in Arsita in Italië geboren. Ze schreef eerder de zeer goed ontvangen romans Teruggeworpen en Mijn zusje en de zee. Romans voor liefhebbers van Elena Ferrante.

    De kwetsbare tijd
    Auteur: Donatella Di Pietrantonio
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • De kracht van fictie

    De kracht van fictie

    ‘Maar deze nacht, in de Moezelvallei, met de trein die fluit en mijn kameraad uit Semur, ben ik twintig jaar en lap ik het verleden aan mijn reet.’ Deze verzuchting slaakt de twintigjarige Jorge Semprun in 1943 tijdens de vierde nacht in de treinwagon waarin hij met 120 mensen zit opgesloten met, wat pas later zal blijken, bestemming Buchenwald. In De grote reis legt de Spaanse schrijver Jorge Semprun in een autobiografisch memoir over zijn ‘reis’ verantwoording af van wat hij gezien en ervaren heeft. In de wagon beseft hij dat hij dit niet nu, maar pas later, na vijftien jaar misschien, kan doen. Semprun vertelt zijn verhaal vooral via gesprekken, die hij in de treinwagon heeft met een Franse jongen uit Semur, die tegen hem aangeklampt staat in de opeengepakte wagon en die hij heeft leren kennen in het kamp in Compiègne.

    Zijn boek, De grote reis, zal pas in 1962 in druk verschijnen. Hij heeft er dan wel al jaren aan gewerkt. Uit zijn beschrijving van het overlijden van een oude man onderweg in de treinwagon blijkt hoezeer zijn denken over leven en dood zich tijdens de reis heeft ontwikkeld. De oude man komt te overlijden ondanks pogingen van de jongen uit Semur hem te helpen. ‘“Het zal wel iets met het hart zijn”, zegt de jongen uit Semur. “Het is een heel gewone gebeurtenis, een hartaanval, het had hem ook aan de oever van de Marne kunnen overkomen, terwijl hij zat te hengelen.”’ Deze geruststellende gedachte over de dood werpt Semprun in een indrukwekkende vertelling verre van zich af. Door de oude man in een laatste opflakkering van levenskracht te laten zeggen: ‘Geven jullie je er wel rekenschap van?’, laat hij zien dat de oude man natuurlijk niet is gestorven aan een hartaanval, maar is vermoord en dat het zijn plicht is dit verhaal te vertellen aan het nageslacht. Fictie geeft Semprun de vrijheid om datgene wat hij wil vertellen zo sterk mogelijk te laten overkomen. Hij heeft immers een boodschap.

    Wie is Jorge Semprun

    Semprun komt uit een familie die zich tijdens de Spaanse Burgeroorlog schaart aan de kant van de Republikeinse regering in haar verzet tegen de fascistische generaal Franco. Zijn vader is ambassadeur van de Spaanse Republiek in Den Haag. Na de overwinning van Franco en de erkenning van zijn regime door de Nederlandse regering keert het tij en gaat de familie Semprun in maart 1939 in ballingschap in Parijs. Als de Duitsers in 1941 Parijs bezetten, sluit de achttienjarige Jorge zich aan bij het communistische verzet. In januari 1943 wordt hij in de buurt van Auxerre gearresteerd door de Gestapo en, na een kort verblijf in een doorgangskamp in Compiègne, op transport gesteld naar, wat later blijkt, kamp Buchenwald.

    Leren om te begrijpen en begrijpen om te leren

    In De grote reis doet Semprun in zijn gesprekken niet alleen verslag van zijn reiservaringen in de wagon, zijn activiteiten in het verzet, zijn arrestatie en zijn ervaringen in de kampen in Auxerre en Compiègne, maar ook van de intens gevoelde kameraadschap met zijn medeverzetsstijders en zijn filosofische inzichten gebaseerd op intensieve studie van de geschriften van de grote marxistische denkers. Semprun is in die tijd nog een echte marxist. Dit blijkt heel duidelijk in zijn weergave van het prachtige en principiële gesprek met de Franse gevangenenbewaker in Auxerre over het begrip ‘vrijheid’. Semprun wil de lezer meenemen in zijn denken, hij wil hem iets leren. De roman geeft hem de vrijheid zijn getuigenis vorm te geven. Het opvoeren van, wat hij later zelf zal erkennen, de gefingeerde jongen uit Semur is een stilistische truc. Hij doet dienst als praatpaal, kameraad en leerling. Bepaald indrukwekkend is het te zien hoe Semprun oog heeft voor zowel het grote lijden van de mens als het kleine, individuele lijden.

    Een voorbeeld van het grote lijden is zijn huiveringwekkende verslag van de aankomst in Buchenwald van het kindertransport uit Polen aan het einde van de oorlog. Een prachtig voorbeeld van het individuele lijden geeft hij in zijn verhaal over de Joodse vrouw, die hij in 1941/42 ontmoet in Parijs, als zij verweest zoekend om zich heen kijkt en hij haar aanklampt met de vraag of hij haar misschien ergens mee kan helpen. Hij ziet als het ware de dood in haar ogen, die ver aan hem voorbij kijken, in haar verleden, lijkt het wel. Als hij haar na de oorlog opnieuw tegenkomt ontdekt hij, wat hij eigenlijk al weet, dat zij een kampnummer heeft en een overlevende is van Auschwitz. Op zijn vraag of zij zich nog iets herinnert van hun ontmoeting eertijds, reageert zij zeer afhoudend, terwijl je eigenlijk zou denken dat zij inmiddels een band hebben door hun gemeenschappelijke kampervaringen. Echter, hij kan haar niet begrijpen, omdat hij geen Jood is en vrienden heeft.

    Een meesterwerk

    Het onlangs bij uitgeverij Schokland in de serie Kritische Klassieken opnieuw uitgegeven boek De grote reis van Jorge Semprun is maatschappelijk en literair gezien een meesterwerk. Maatschappelijk gezien omdat Semprun als getuige een beeld schetst van het verbijsterende en mensonterende kwaad dat fascisme heet, wat de gevolgen van wegkijken kunnen zijn en waarvan wij weten dat de uitwassen daarvan, ook wat ons betreft, niet ver weg zijn. Literair gezien omdat Semprun een hoogst originele verteltechtniek toepast, kenmerkend voor zijn hele oeuvre. Zo schrijft hij niet alleen over zijn gesprekken met de jongen uit Semur, die natuurlijk gaan over zijn verleden in het verzet en hun belevenissen in de trein, maar houdt hij ook bespiegelingen over de bevrijding en de jaren daarna. Het boek is immers pas in 1962 gepubliceerd.

     

     

  • Nieuwe Oogst week 4 -2024

    Nieuwe Oogst week 4 -2024

    Meneer Norris neemt de trein

    De abonnees op de serie Kritische Klassieken mogen zich weer verheugen op twee mooie, nieuwe titels in die reeks. U kent de reeks mogelijk al: hierin verschijnen jaarlijks twee tot drie klassiekers uit de kritische literatuur. Uitgeverij Schokland noemt de reeks zo omdat het boeken zijn die ‘versmaad, verboden, verguisd, verbrand of inmiddels vergeten zijn, niet meer worden uitgegeven, niet of moeilijk meer verkrijgbaar zijn of zelfs nog nooit in het Nederlands vertaald.’ Lezers kunnen zich abonneren op de reeks.

    Nummer 21 en 22 uit de reeks zijn in december ’23 verschenen, het zijn Meneer Norris neemt de trein en Afscheid van Berlijn van de van oorsprong Britse schrijver Christopher Isherwood (1904-1986).

    Isherwood woonde vanaf 1929 in Berlijn. Hij viel op mannen en was aangetrokken door Berlijn vanwege het vrije seksuele klimaat aldaar. Hij schreef er, gaf er les en hield een dagboek bij om ooit een grote roman over Berlijn te kunnen schrijven. Maar die ambitie bleek niet haalbaar, het lukte hem niet om alles in één roman te verwerken. Hij splitste het manuscript op en zo ontstonden in 1935 Mister Norris changes trains en in 1939 Goodbye to Berlin.

    In het uitgebreide nawoord schrijft redacteur Nils Buis: ‘Meneer Norris neemt de trein leest als een schelmenroman tegen de achtergrond van de roerige nadagen van de Duitse Weimarrepubliek. De verteller, William Bradshaw, ontmoet in de trein van Amsterdam naar Berlijn de mysterieuze Arthur Norris. Het is het begin van een vriendschap die zich zowel voor de lezer als voor de verteller laat lezen als een zoektocht naar de ware aard van meneer Norris. Vanaf dat moment raakt Bradshaw verwikkeld in een reeks ongewone gebeurtenissen, waarin meneer Norris steeds de hand lijkt te hebben.
    […]
    Het Berlijn van 1933, de opmaat naar de Machtübernahme, de weke schurk meneer Norris, zijn smoezelige zaakjes en zijn merkwaardige kennissenkring, het voortdurend wisselen van bondgenoten en politieke partijen krijgen in levendige details gestalte. Pas tegen het einde, als meneer Norris voor het laatst de trein neemt, vallen de puzzelstukjes in elkaar.’

    Meneer Norris neemt de trein
    Auteur: Christopher Isherwood
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland (2023)

    Afscheid van Berlijn

    Toen Hitler de macht overnam in Duitsland is Isherwood vertrokken en via China uiteindelijk in de Verenigde Staten terecht gekomen waar hij is blijven wonen tot aan zijn dood.

    Afscheid van Berlijn wordt op het omslag een ‘Roman in verhalen’ genoemd. Het is opgebouwd als een raamvertelling van drie verhalen en drie dagboekfragmenten. De hoofdpersoon is in alle delen dezelfde, de in de ik-vorm vertellende ‘Christopher’ die zijn indrukken beschrijft van de sfeer van de stad Berlijn en de uiteenlopende mensen die hij er ontmoette tijdens de nadagen van de Weimarrepubliek, de jaren 1929 tot 1932. Dat waren ook de jaren dat Isherwood in Berlijn woonde.

    In 1951 werd het boek bewerkt voor het theater getiteld I Am a Camera. Deze titel is gebaseerd op een zin uit het begin van het boek ‘Ik ben een fototoestel, waarvan de sluiter openstaat, volkomen passief, ik leg vast, ik denk niet.’
    Ook de film Cabaret (met Liza Minnelli in de hoofdrol) is gebaseerd op het boek.

    Dichter en schrijver Willem van Toorn heeft Afscheid van Berlijn vertaald. In zijn nawoord bij het boek schrijft hij: ‘Hoewel de belangstelling voor het werk van Isherwood in de Nederlandse pers nooit overdreven groot is geweest – de uitgaves en heruitgaves van Meneer Norris en Afscheid van Berlijn werden vooral gesignaleerd en slechts hier en daar besproken – gaat het om boeken waarvan het lot precies hun thema weerspiegelt: hoe de genotzoekende gemiddelde burger wegkijkt terwijl de politieke situatie aanstuurt op onderdrukking, oorlog en geweld. Dat maakt ze nu, nog weer een halve eeuw later, weer even actueel als toen. ‘

     

    Afscheid van Berlijn
    Auteur: Christopher Isherwood
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland (2023)

    Vluchtoord Marseille

    Ook uitgeverij Cossee heeft een mooie reeks, Cossee Century, met klassieke titels van bijvoorbeeld Arnold Zweig, Jiri Weil, Hans Fallada, Erich Maria Remaque en vele anderen.

    De nieuwste titel uit deze serie is Vluchtoord Marseille van Varian Fry (1907-1967). Vluchtoord Marseille is het persoonlijke verslag van een spannende en gevaarlijke tijd waarin de journalist Fry in 1940 met gevaar voor eigen leven naar Frankrijk reisde om daar naar Frankrijk gevluchte Duitsers te helpen ontsnappen aan de nazi’s.

    Fry kende Duitsland uit de tijd dat hij er buitenlandcorrespondent in Berlijn was geweest. Hij had in o.a. The New York Times geschreven over het veranderende politieke klimaat en het geweld tegen de joden.

    Het was de ERC, de Emergency Rescue Committee die Fry met een dikke portemonnee op zak naar Marseille stuurde om de vluchtelingen te helpen. Hij heeft duizenden vluchtelingen helpen ontsnappen. Dit waren Duitse kunstenaars en intellectuelen – joods en niet-joods – die op de lijsten stonden van de Gestapo. Deze groep raakte in het nauw toen de Vichy-regering het op een akkoordje gooide met de nazi’s en toezegde om alle gevluchte Duitsers in Frankrijk over te dragen aan Duitsland.

    In 1941 verliep zijn paspoort en moest hij terug naar Amerika. Hij ging er aan de slag bij een tijdschrift en bleef schrijven over het lot van de joden in Europa. Het moet zuur voor hem geweest zijn dat hij nooit de erkenning heeft gekregen die hij verdiende. Daarvoor was hij in zijn stukken blijkbaar te kritisch op de in zijn ogen te grote terughoudendheid van de Amerikaanse overheid in de opvang van Europese vluchtelingen.
    Israel was hem wel dankbaar en kende hem in 1996 de eretitel ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’ toe, maar toen was Fry al dood.

    In Vluchtoord Marseille beschrijft Fry reddingsacties die (vaak voor de ogen van Duitse spionnen en Vichy-politieagenten) uitgevoerd moesten worden. Walter Benjamin was een van de geredde vluchtelingen. Net als Marc Chagall, André Breton, Max Ernst, Hannah Ahrendt, Alfred Döblin, Heinrich Mann, Alma Mahler en Hans Sahl, om maar een paar bekende namen te noemen.

    De laatste schreef over Fry:

    ‘Je moet je voorstellen: de grenzen waren dicht, je zat in de val, elk moment kon je weer gearresteerd worden, het leven was voorbij – en dan is er ineens een jonge Amerikaan in hemdsmouwen, die je zakken vol geld propt, zijn arm om je heen slaat en met een samenzweerderige stem fluistert: “Er zijn wel mogelijkheden om je eruit te krijgen,” terwijl, verdomme, de tranen over je wangen lopen, en de man waarachtig zijn zijden zakdoek uit zijn jas tevoorschijn haalt en zegt: “Hier, neem deze. Hij is niet helemaal schoon meer. Excuses daarvoor.”’

     

     

    Vluchtoord Marseille
    Auteur: Varian Fry
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee
  • Thuis in het ongemakkelijke verleden – Armando’s Berlijnse stukken gebundeld

    Thuis in het ongemakkelijke verleden – Armando’s Berlijnse stukken gebundeld

    Toen schrijver/kunstenaar Armando (pseudoniem van Herman Dirk van Dodeweerd, 1929-2018) in 1979 op uitnodiging van de Deutsche Akademische Dienst naar Berlijn vertrok, was het idee er een jaar te blijven. Hij is echter nooit meer vertrokken. Vanuit zijn nieuwe woonplaats schreef Armando van 1980 tot 1986 zijn Verslag uit Berlijn voor de Culturele Bijlage van de NRC . De stukken verschenen in drie boeken, Uit Berlijn, Machthebbers en Krijgsgewoel. Uitgeverij Schokland heeft de drie delen nu gebundeld en prachtig uitgegeven in de serie Kritische Klassieken.

    Gemene eenzaamheid

    Zowel in de boeken als in het beeldende werk van Armando staat de Tweede Wereldoorlog centraal. Niet vreemd aangezien de in de Amsterdamse Pijp geboren tiener tijdens de oorlogsjaren nabij kamp Amersfoort woonde en zich terdege bewust was van de gruwelijkheden in het kamp. De oorlog liet hem nooit meer los. Berlijn fascineerde hem vanwege het alom aanwezige verleden en de door de oorlog veroorzaakte lelijkheid, waar hij schoonheid in zag. ‘Want er zijn ook dingen die niet mooi zijn, maar toch mooi zijn. Oorlogstuig bijvoorbeeld. En buit, oorlogsbuit. Ook: de muur. Zoals men weet is de muur, die van hier, een onzedelijk bouwseltje, maar buitengewoon mooi: gemene eenzaamheid.’ Ergens anders zegt hij ‘De schoonheid is daar waar je haar hebben wilt. Maar vooral waar ze jou hebben wil, want ze dringt zich op, en wel dan als je haar nooit zou verwachten.’

    In Berlijn was Armando meer dan waar dan ook op zijn plek. Het handjevol gelukkigen, dat met mijn werk vertrouwd is en mijn thematiek kent, weet dat ik me hier in het hol van de leeuw bevind. Dat geeft deels, vreemd genoeg, een vertrouwd gevoel, een gevoel eindelijk weer thuis te zijn in het ongemakkelijke verleden, maar het spreekt vanzelf dat zo’n levenshouding beklemmend werkt.Toch is die beklemming niet nadrukkelijk aanwezig, daarvoor is Armando’s nieuwsgierigheid voor wat hij dagelijks tegenkomt te groot. Deze stukken zijn vooral een ontdekkingstocht door het na-oorlogse, door de Muur gescheiden Berlijn, met altijd weer die oorlog die geen enkel verhaal ongemoeid laat. Berlijn is dus geen mooie stad, maar wel een boeiende stad. Boeiend door de soms ondraaglijke spanning tussen een schijnbaar onbekommerd heden en een beklemmend verleden.’

    ‘Het heden als vermomd verleden’

    J. Heymans spreekt in zijn fraaie nawoord van ‘Het heden als vermomd verleden’. Al sinds Kamp Amersfoort en de Tweede Wereldoorlog is Armando gefascineerd door wat hij het schuldig landschap noemt. De gedachte van het schuldig landschap ligt nogal voor de hand. Het heeft me eigenlijk altijd verbaasd dat een ander nooit op dat idee is gekomen. […] Je ondergaat de onverschilligheid van de stille getuigen en tegelijkertijd ontdek je de schoonheid van wat er over is gebleven. Inderdaad, dat is in een notendop ook mijn thematiek’, zo citeert Heymans Armando. Dat schuldige landschap komen we ook in deze stukken tegen. Onder de naam Flarden groepeert Armando steeds een handvol ultrakorte verhalen, getuigenverklaringen die altijd weer uitkomen bij de oorlog. Hij tekent ze op, als een journalist die de mensen hun verhaal laat vertellen, zonder commentaar. Altijd blijft hij de Beobachter, veel meer dan duider; dat mag de lezer zelf doen.

    Een treffend voorbeeld is de man die vertelt hoe vooral de situaties direct na de bombardementen op Berlijn de ware hel betekenden. En dan moesten we proberen de mensen te redden, ik zat in zo’n reddingsploeg. Ik heb gevallen meegemaakt van mensen die er onmogelijk uitgehaald konden worden, maar je hoorde ze wel schreeuwen en roepen. Afschuwelijk. Ik wil er eigenlijk niet meer aan denken, maar dat lukt me niet zo. En als ik nou als ouwe kerel door Berlijn wandel kom ik soms langs die straten en dan denk ik: hier was het, hier schreeuwden ze. En nu staan er nieuwe huizen of er spelen kinderen.’

    Elk stuk komt vroeger of later weer uit bij de oorlog, met meningen en herinneringen die niet in zwart-wit te vangen zijn. Ze willen graag van mij horen dat alle oudere Duitsers, die ik spreek of gesproken heb, nazi’s, fascisten of minstens fascistoïde zijn. Maar ik zeg dat niet, want het is niet zo. Dat zou wel erg eenvoudig zijn. De verslagen vormen een niet-aflatende stroom aan getuigenissen. Was iemand nou wel of geen enthousiaste nazi? De beweegredenen zijn vaak vaag, en gestuurd door zowel pragmatisme en schaamte als ontkenning en hypocrisie. Met als constante dat voor velen Hitler zeker in zijn beginjaren de redding betekende, want hij bezorgde het leger van werklozen werk. De vele getuigen leven nog. We kunnen dit feit niet plechtig genoeg onder ogen zien. Getuigen, die tot het eind toe in dat Rijk geloofd hebben, getuigen, die aanvankelijk begeistert waren, maar later ernstig teleurgesteld, mede omdat het zo slecht ging; getuigen, die toentertijd te jong waren om anders te kunnen denken, en nu met enige verbijstering terugblikken; getuigen, die geleden hebben; getuigen, die alleen maar geleefd hebben, zo goed en zo kwaad als het ging en nu gemakshalve in het verleden leven.’

    Droog-humoristische ondertoon

    Opvallend is de Selbsthass van vooral de jongere, na-oorlogse generatie, vermengd met blind idealisme richting DDR en Oostblok. Een Oostduitse schrijver die ‘van de ene dag op de andere z’n land werd uitgelazerd’ barst in huilen uit als hij door ‘een vriendelijke man met lange baard en inspraaksandalen’ bestraffend wordt gevraagd waarom hij de sociaal voorbeeldige DDR heeft verruild voor de ‘fascistische Bondsrepubliek’.Hij wist nog niet dat juist deze rechtschapen lieden hier en daar wat abuis zijn. Met name in die passages doet Armando’s nonchalante, nuchtere stijl met droog-humoristische ondertoon soms denken aan Karel van het Reve of Bob den Uyl. Er zijn ook schrijvers die het betreuren dat ze alles mogen schrijven, dat ze geen gevaar lopen. Ze kijken jaloers naar landen waar schrijvers in tuchthuizen komen of in inrichtingen. Daar wordt, zeggen ze, een schrijver tenminste nog serieus genomen en bij ons niet. De nazi’s namen de schrijvers en schilders ook serieus, ze vermoordden ze of ze verboden ze te schrijven en te schilderen. Toch waren deze schrijvers en schilders de nazi’s niet dankbaar, er is mij tenminste nooit iets van dien aard ter ore gekomen.

    Het is dan ook niet vreemd dat hij in Oost-Berlijn meer realiteitszin tegenkomt. Roemenië is populair bij jullie in het Westen, omdat het zich onafhankelijk opstelt tegenover Rusland. Maar wat de binnenlandse politiek betreft is Ceaucescu, met z’n familieleden, een van de grootste tirannen die er rondlopen. Daar verdwijnen nog steeds mensen van de ene dag op de andere. Jullie hebben het altijd over Zuid-Amerika, ik merk nooit dat er bij jullie gedemonstreerd wordt tegen Roemenië.’

    We zijn inmiddels zo’n veertig jaar verder. De muur is al lang verdwenen, Berlijn is weer één stad, en verreweg de meeste getuigen zijn overleden. Des te waardevoller worden deze prachtige en nog altijd uitermate leesbare verslagen als document van het na-oorlogse, verdeelde Berlijn.

     

  • Oogst week 38 – 2022

    Weerspiegeld in een waterglas

    Onlangs is bij uitgeverij Athenaeum een lijvige biografie verschenen over Maurice Gilliams (1900 – 1982) geschreven door Annette Portegies. Tegelijkertijd verscheen daar Een binnenplaats met gras, een bloemlezing uit Gilliams verhalend proza, poëzie en essays, samengesteld door schrijfster Leen Huet.

    Hoewel de Vlaamse Gilliams in 1969 de Constantijn Huygensprijs en in 1980 de Prijs der Nederlandse Letteren ontving, en zijn roman Elias of het gevecht met de nachtegalen is opgenomen in de Vlaamse Canon van de Nederlandstalige Literatuur, is hij, in ieder geval bij de Nederlandse lezers, nog vrij onbekend.

    Daar komt met deze beide uitgaven, en een podcast in oktober van de VRT misschien verandering in.
    Er bestaat zelfs een website over Maurice Gilliams. Daar kan je lezen dat schrijver en biograaf Pierre H. Dubois  in 1983 in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde het volgende schrijft: ‘Gilliams is een complexe figuur geweest. Wie het voorrecht had hem te kennen weet dat hij onder bepaalde omstandigheden zeer sociabel kon zijn, lachen kon als geen ander, verhalen vertellen, parodiëren, vlijmscherp uit de hoek komen en van een haast dodelijke ironie zijn. Er was een andere Gilliams, maar dezelfde, die mateloos melancholiek, zonder illusies, de vergeefsheid van alles en de opgeblazen ijdelheid van velen met spottende minachting doorzag. Er was een Gilliams die plotseling, door onrecht geprikkeld, een strijdbaarheid toonde, wonderlijk contrasterend met de stilte waarvan zijn werk getuigt. Er was, achter al deze verschijningsvormen, een raadselachtige Gilliams, de dichter, de denker, de mijmeraar die zich niet anders blootgaf dan in het spaarzame dat hij aan zijn handen, aan zijn hoofd, aan zijn hart, liet ontsnappen.’

    De podcast ‘Maurice Gilliams. Het wonderlijke leven van een schrijver uit Antwerpen’ gemaakt door Gudrun De Geyter, is vanaf 3 oktober op VRT Max te beluisteren.

    Weerspiegeld in een waterglas
    Auteur: Annette Portegies
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2022)

    Uit Berlijn Machthebbers Krijgsgewoel

    In de jaren 80 van de vorige eeuw schreef beeldend kunstenaar, dichter, schrijver en acteur Armando (1929 – 2018) vooral vanuit Berlijn een wekelijks verslag voor de literatuurbijlage van NRC Handelsblad.
    In Uit Berlijn | Machthebbers | Krijgsgewoel zijn al deze columns gebundeld, aangevuld met twee langere verslagen uit China, inclusief bijbehorende illustraties.
    Het vormt het 20e deel in de serie Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland.
    Armando’s leven en werk werden voor een groot deel bepaald door de Tweede Wereldoorlog en Kamp Amersfoort. In zijn columns heeft hij het over de vele vormen en nuances die goed en kwaad kunnen aannemen. Soms blijft hij als commentator op de achtergrond, laat hij alleen de mensen aan het woord in de hoofdstukken ‘Flarden’.

    Het nawoord is geschreven door J. Heymans die in 1999 De boom, Over Armando uitbracht, een essay over het werk van de Nederlandse kunstenaar in de verschillende artistieke disciplines (de schilder, de schrijver, de beschouwer, de dichter, de beeldhouwer e.a.) en de onderlinge samenhang daarin.

    Uit Berlijn Machthebbers Krijgsgewoel
    Auteur: Armando
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland (2022)

    Neubach

    Erik Voermans is muzikant, componist, docent, columnist en schrijver.
    Jarenlang schreef hij – soms zeer kritische – columns over klassieke muziek voor het Parool. Deze zomer stopte hij daarmee.
    Van hem verschenen eerder Van Andriessen tot Zappa, een bundeling van interviews met componisten & andere verhalen, en Eerste Hulp Bij Klassieke Muziek, waarin hij voor mensen die kennis willen maken met klassieke muziek, maar niet weten waar te beginnen, als ‘reisleider’ fungeert.

    En nu is daar zijn eerste roman. Over een Russische componist, Vladimir Neubach, die in 1953 van Moskou via Berlijn naar Amsterdam vlucht. Daar groeit hij uit tot de succesvolste componist van zijn generatie. Op het hoogtepunt van zijn roem, als hij in opdracht van het Concertgebouworkest werkt aan een requiem en als de vrouwen in zijn leven zich van hem afkeren, gaat hij zijn onontkoombare ondergang tegemoet, geplaagd door schimmen uit het verleden.

    Uit Neubach:
    ‘Toen was het de beurt aan Neubachs Angels. Al bij de eerste episode met raadselachtig doorzichtige koperakkoorden, waarin de spanning tussen consonantie en dissonantie heel precies was afgewogen, ging er een golf van ontroering door de zaal. Toen het stuk na vijftien minuten was afgelopen, bleef het minstens tien seconden doodstil. Niemand durfde te applaudisseren. Een vrouw verbrak die stilte door luid ‘bis!’ te roepen, een verzoek dat als een veenbrand door de zaal ging, gevolgd door donderend geraas van klappende handen en stampende voeten.’

    Neubach
    Auteur: Erik Voermans
    Uitgeverij: AFdH
  • Op zoek naar een gouden snijtand

    Op zoek naar een gouden snijtand

    De grote verhaallijn in De generaal van het dode leger van Ismail Kadare is eenvoudig. Twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog gaat een Italiaanse generaal op zoek naar de stoffelijke overschotten van landgenoten die in Albanië zijn gesneuveld. Hij doet dat samen met een priester die Albanees verstaat. Italië heeft met de Albanese overheid een regeling getroffen die opgravingen mogelijk maakt en waarbij de generaal gebruik mag maken van Albanese arbeiders. Hij is er in het bijzonder op gespitst de restanten te vinden van kolonel Z. Deze kolonel was aanvoerder van het Blauwe Bataljon dat gold als het meest wrede onderdeel van het Italiaanse leger. Als hulpmiddelen heeft de generaal een kaart bij zich waarop (vermoedelijke) plekken staan aangegeven van de graven – als de soldaten er al één hebben, want de meesten zijn zomaar ergens neergelegd – en beschrijvingen van de belangrijkste kenmerken van de gevallenen. Van kolonel Z is bijvoorbeeld bekend dat hij 1:82 m lang was en een gouden snijtand had.
    Bovendien droegen alle soldaten in de strijd een medaillon met de beeltenis van de Heilige Maria met daaronder een regimentsnummer.

    Het graven naar de stoffelijke overschotten is tevens een afdaling in de Albanese ziel en een oprakelen van het oorlogsleed. De omstandigheden kleuren het lugubere van de expeditie nog eens extra want op alle dagen is het mistig of regent het.
    De generaal van het dode leger is Kadares romandebuut. Het verscheen in de jaren zestig in het Albanees, maar trok pas aandacht door de Franse vertaling in 1970. Zeer tot ongenoegen van de toenmalige dictator, president Enver Hoxha, een bewonderaar van Stalin en Mao, die zijn land in een ongekend communistisch isolement had gedreven. Pas in het jaar van de Franse vertaling drong tot Hoxha door dat Kadare via de omweg van een historisch verhaal kritiek leverde op het Albanese regiem.

    Ontbindingen

    In de serie Kritische Klassieken van Uitgeverij Schokland is nu de vierde druk van de Nederlandse vertaling (uit het Frans) verschenen. Deze gaat vergezeld van een zeer informatief Nawoord van Piet de Moor over Kadare, dat de alleszeggende titel Welkom in de hel draagt: ‘Afgehakte hoofden en verminkte ledematen vormen (…) de ingrediënten van de literaire fricassee die Kadare in heel zijn oeuvre voor zijn lezers serveert’. En even verder:  een ‘jongleren met afgerukte ledematen en het versnijden van lichaamsdelen als aankondiging van grotere, staatkundige ontbindingen’. Geen wonder dat Hoxha zich in een hoek gedreven voelde.
    De Moor beschrijft ook de aanleiding voor het ontstaan van De generaal van het dode leger. Kadare was als opgroeiende jongen zeer opgewonden geweest over de vestiging van een bordeel voor Italiaanse soldaten in zijn geboortestad Gjirokastër. Dat had hij een vriend verteld, die hem kort voor die naar China vertrok, liet beloven dat hij daar een roman over zou schrijven. Toen deze vriend korte tijd later op de terugvlucht verongelukte voelde Kadare dat hij zijn belofte gestand moest doen. Het bordeelverhaal duikt in de roman op als de generaal stuit op het lijk van een vermoorde prostituee.

    Medaillon

    Het verhaal van die prostituee is één van de voorbeelden die De generaal van het dode leger op gevoelsniveau zo schrijnend maken. De generaal, die naamloos blijft, wroet zich met zijn gravers door de modder en de kilte terwijl er steeds toespelingen zijn op behoefte aan warmte en liefde. Een bijzondere motivatie van de generaal om de resten van kolonel Z te vinden is bijvoorbeeld zijn heimelijke verliefdheid op diens weduwe. Die speelt hem zozeer parten dat hij de priester ervan verdenkt iets met haar te hebben. Verder is er ook een heimelijke verliefdheid van een gedeserteerde Italiaanse soldaat op een dochter van een Albanese molenaar (de soldaat kan niet worden geïdentificeerd omdat hij zijn medaillon aan het meisje heeft gegeven) en een keer of vijf staat in de roman een nauwelijks opvallende zin over een jong stel dat de generaal op een bankje in het park of in een hoekje van het café ziet zitten.

    Nylonleger

    Maar vooral schrijnend en tragikomisch zijn de confrontaties met de Albanese bevolking. De generaal is zo bezeten van zijn opdracht (en van zijn doel de resten van kolonel Z te vinden) dat hij over de gevoelens van de Albanezen heen walst. Dat blijkt vooral als hij van de priester waarschuwingen krijgt om zich anders te gedragen, maar daar doof voor is. Zijn onderneming wordt getekend door vooroordelen over de Albanezen, ‘een grof en achterlijk volk’; ze willen alleen maar doden want dat is hun instinct. Daarnaast is er de luitenant-generaal, een enigszins onbestemde figuur met één arm, van wie de nationaliteit niet duidelijk wordt, die de generaal steeds meer verleidt om het niet zo nauw te nemen met zijn opdracht. Er zijn zoveel soldaten van 1:82 m. En die gouden tand kan toch kwijt zijn geraakt! Waarom niet gewoon een willekeurig stel botten naar huis gestuurd?
    Als het erop lijkt dat de restanten van kolonel Z zijn gevonden, maar dan wel op een gruwelijker manier dan de generaal zich had voorgesteld, kan hij letterlijk de last niet aan. Zijn opdracht heeft zozeer bezit van hem genomen dat hij geestelijk in de war is en alleen nog maar wil vluchten. Hij wil ontsnappen aan dit nylonleger (de botten worden verpakt in nylon zakken voor ze de kist ingaan).

    Daarvóór al is hij tijdens een bezoek aan een Albanese bruiloft door de mand gevallen toen een oude man hem aansprak, ‘Ik weet waarom je in ons land bent gekomen’, had hij gezegd; de generaal had de opmerking gevoeld als een dolksteek. Hij was al lang bang voor een gesprek dat tot een provocatie zou kunnen leiden: ‘Hij had zich ingespannen de reden van zijn eigen aanwezigheid te vergeten, in de waan dat zijn vergeten dat van anderen tot gevolg zou hebben (…) Het speet de generaal dat hij gekomen was.’.

     

  • Een precieze maar dreigende evocatie van de tijdsgeest

    Een precieze maar dreigende evocatie van de tijdsgeest

    Welke opties zijn er als je persoonlijke idealen niet stroken met die van de maatschappij waarin je leeft? Je kan koppig vasthouden aan je eigen principes, rebelleren en de boel op stelten zetten à la Greta Thunberg. Of je kan je kop in het zand steken, je ziel verkopen en je overleveren aan de maatschappij in de hoop dat het wat oplevert. Beide principes zijn beproefde strategieën doorheen de wereldgeschiedenis, maar weinig worden zo accuraat weergegeven als in Mefisto van Klaus Mann. Deze controversiële maar belangrijke roman dateert van 1936, maar onlangs gaf uitgeverij Schokland het werk opnieuw uit als achttiende deel in zijn reeks Kritische Klassieken.

    Een van de belangrijkste schrijversfamilies uit het interbellum is ongetwijfeld de familie Mann. Buddenbrooks van nobelprijswinnaar Thomas Mann wordt nog altijd beschouwd als een klassieker die iedereen gelezen moet hebben, maar ook diens broer Heinrich Mann was een niet onbegenadigd schrijver. Zoon Klaus Mann is minder gekend, maar niet minder belangrijk. Hij groeide op als overtuigd liberaal en democraat, verkende Europa en de wereld en schreef openlijk over zijn homoseksualiteit. Maar toen de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen in Duitsland was er voor hem nog weinig om optimistisch over te zijn. Hij vluchtte, eerst naar Nederland, later naar de VS om uiteindelijk in 1949, na tal van depressies, een einde aan zijn leven te maken. 

    Hoogtepunt Exilliteratuur

    Het magnum opus van Klaus Mann is ongetwijfeld Mefisto, dat vaak het hoogtepunt wordt genoemd van de antifascistische exilliteratuur tijdens het Derde Rijk. Het werk is gebaseerd op de Faustlegende waarin het hoofdpersonage zijn ziel verkoopt aan de duivel in ruil voor geld en macht. In Mefisto maken we kennis met Hendrik Höfgen, toneelspeler in Hamburg, notoir antifascist, links georiënteerd met marxistisch-socialistische sympathieën. Stap voor stap zien we hoe hij zijn idealen opoffert tot meerdere eer en glorie van zichzelf. Hij klimt omhoog op de sociale ladder, wordt vriend en beschermeling van Hermann Goering en schopt het uiteindelijk tot intendant van Hitlers staatstheater. 

    Mann schrijft indringende portretten van uiteenlopende personages en schotelt de lezer een precieze, maar dreigende evocatie van de tijdsgeest voor. Op een scherpzinnige en gedetailleerde manier weet hij de juiste sfeer te capteren die vandaag zeer ongemakkelijk aanvoelt. Ondanks de gruwelijke en verachtelijke keuzes die sommige personages maken, slaagt Mann er ook in wat humor in zijn werk aan te brengen. Hij toont hoe de tomeloze ambitie en machtswellust van een aanvankelijk tweederangsacteur het succes hebben bepaald van het fascisme. Höfgen verraadt alles en iedereen: zijn vrienden, zijn publiek, maar ook zichzelf. Zijn glansrol is Mefisto uit Faust, en ook hij sluit een pact met de duivel, hier in de gedaante van Goering, Hitler en bij uitbreiding de nazi’s.

    Beeld van individuele meelopers

    De ondertitel Roman van een carrière zegt alles. Het gemak waarmee verschillende figuren uit de kunst- en wetenschapswereld zichzelf prostitueerden en zich lieten corrumperen voor geld, macht en lijfsbehoud is een thema dat niet alleen voorkomt in dit werk, maar is van alle tijden. Daarom ook is het korte naschrift in Manns werk zo veelzeggend. Hij schreef: ‘Iedere persoon in dit boek stelt een type voor en is geen portret.’ Hij wilde enkel een beeld schetsen van de intellectuele meelopers van die tijd en de rampzalige gevolgen daarvan voor de hele maatschappij. Hoewel hij types wilde portretteren, baseerde hij zijn personages op echt bestaande mensen en kennissen, een techniek die hij in meerdere van zijn boeken gebruikte.

    Zo is Höfgen gebaseerd op de Duitse acteur Gründgen, korte tijd zwager van Mann, iemand die zijn principes verloochende en na de oorlog opnieuw een grote carrière wist op te bouwen ondanks zijn banden met het regime. Hoewel Mefisto in 1936 door uitgeverij Querido in Nederland werd uitgegeven, zou het nog een hele tijd duren vooraleer het ook in Duitsland werd uitgegeven. Het boek stond immers op de verboden lijst in Duitsland omdat het de naam van Gründgen zou schaden, ook na diens dood in 1966 bleef zijn familie zich halsstarrig verzetten tegen een Duitse publicatie van het boek. Pas in 1981 kon men in Duitsland het werk van Klaus Mann lezen. 

    Mefisto. Roman van een carrière, blijkt ook vandaag een hoogst actueel boek. Het toont aan hoe in dictatoriale of totalitaire regimes soms vreemde keuzes worden gemaakt. De verleiding om ‘een pact te sluiten met de duivel’ is soms groot. Als dit inspeelt op de primaire behoeften, zoals overleven, zijn veel mensen geneigd om zich hieraan over te leveren. Het is makkelijker en voordeliger. Klaus Mann lijkt het nageslacht te waarschuwen voor deze al te makkelijke capitulatie. 

     

  • De strijd tegen het fascisme, een getuigenis

    De strijd tegen het fascisme, een getuigenis

    In Spanje liet het fascisme al brutaal zien waar het op uit was, halverwege de jaren dertig van de 20e eeuw. De Spaanse burgeroorlog bleek een voorafschaduwing van wat er niet veel later te gebeuren stond in heel Europa. Boven alles was het echter een tragedie voor de Spanjaarden, die nog altijd doorwerkt. Arturo Barea maakte het mee en deed verslag, onder meer als radiostem in het belegerde Madrid, maar ook schrijvende. Een deel van zijn verhaal is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald. De slag verschijnt binnen de reeks ‘Kritische Klassieken’ van Uitgeverij Schokland (vertaling: Roland Fagel).

    Meesters en slaven

    De eerste pakweg honderd pagina’s van De slag spelen zich af voordat het geweld losbreekt, en ze laten zien dat de mechanismen die daartoe leiden niet veranderd zijn. Barea komt zelf uit de gegoede middenklasse, hij werkt op een octrooibureau in de Spaanse hoofdstad. Beroepshalve ziet hij dat rijken en machtigen, waaronder internationale bedrijven, het recht naar hun hand zetten en zich met speels gemak meester maken van de hulpbronnen en arbeidskrachten van het land. Op een dag wordt hij uitgenodigd om het nieuwste model vliegtuig te bekijken van de Duitse fabrikant Junker, waarbij hem zonder terughoudendheid gedemonstreerd wordt hoe er eenvoudig bommen gemonteerd kunnen worden op een passagiersvliegtuig.

    Barea betrekt in deze tijd, wanneer alles aan de oppervlakte nog rustig is, met zijn gezin een zomerhuis in het dorpje Novés, niet ver van de hoofdstad. De plaatselijke notabelen verwelkomen hem als één van hen, totdat blijkt dat hij er linkse sympathieën op nahoudt en net zo lief omgaat met de boeren en arbeiders uit de streek. De situatie staat al snel op scherp. Gedwongen tot een keuze voegt Arturo Barea zich bij het arme deel van de bevolking, degenen die altijd onder de duim gehouden zijn door een handjevol landbezitters. Hij organiseert een politieke bijeenkomst in het dorp waarbij socialisten, communisten en anarchisten, normaliter meer verdeeld dan samen optrekkend, zich presenteren aan het volk.

    Ondertussen beschrijft Barea in De slag ook steeds de overkoepelende ontwikkelingen, vooral dan uit Madrid. Hoofdstukken hebben titels als ‘Brandstof’, ‘Vonk’ en ‘Vlam’ en deze aanloopfase is eigenlijk het beste deel van het boek. Wat hier beschreven wordt is veel meer dan alleen een persoonlijk ervaringsverhaal, het heeft algemene zeggingskracht omdat het de voedingsbodem laat zien voor oorlog. Rechtse en linkse krachten lijken wel in twee gescheiden werelden te leven. Ze willen elkaar niet begrijpen of tegemoetkomen. Propaganda, politieke obstructie, angsttactieken, het was allemaal aanwezig in het Spanje van 1935, broeiend op grote ongelijkheid in bestaanszekerheid en economische kansen.

    Oorlog als proeftuin

    De geschiedenis ontrolde zich: links, verenigd in het Volksfront, behaalde een ruime verkiezingsoverwinning maar voordat een stabiele regering was gevormd braken er in het land garnizoensopstanden uit. De burgeroorlog is dan een feit. Hoewel je over de benaming burgeroorlog kunt twisten. Hitler en Mussolini verleenden immers in alle openheid militaire steun aan de opstandige generaal Franco. Daartegenover kon de democratische Republiek slechts rekenen op een paar wapenleveranties uit Mexico, gevechtsvliegtuigen uit de Sovjet-Unie en de heroïsche Internationale Brigades. De rest van de wereld hield zich stil en hoopte dat alles vanzelf over zou gaan.

    ‘Het beleg van Madrid begon in de nacht van 7 november 1936 en eindigde twee jaar, vier maanden en drie weken later – tegelijk met de oorlog’. In tegenstelling tot een groot deel van de gegoede burgerij ontvlucht Arturo Barea de stad niet. Hij maakt mee hoe vakbonden en politieke organisaties erin slagen om, nauwelijks bewapend, Madrid te ontdoen van opstandige legereenheden. Huiveringwekkend zijn de zuiveringen die de plaatselijke anarchisten vervolgens op touw zetten (‘een ritje maken’ in het jargon), niet veel onderdoend voor wat Franco’s falangisten aanrichten elders in het land. De pacifistische Barea besluit zich ondertussen nuttig te maken als perscensor van de democratische Republiek in Madrid. Wanneer de officiële regering naar Valencia vlucht, blijft hij op zijn post en moet hij, improviserend, een censuurstrategie uitstippelen. Dit alles in een belegerde stad waar het aan vers voedsel net zozeer ontbreekt als aan centrale regie.

    Zonder rugdekking

    Omdat Arturo Barea zich niet aansluit bij één van de grote politieke facties (communisten, socialisten en anarchisten) ondervindt hij weinig steun en kan een onvoorzichtigheid grote gevolgen hebben. Meermaals komt hij in de problemen, eerst alleen en later met zijn levenspartner Ilsa Kulcsar, een Oostenrijkse die als vrijwilliger naar Madrid afgereisd is. Beiden stellen zich onafhankelijk op van de diverse ideologische doctrines en worden bijgevolg door iedereen gewantrouwd. In dit mijnenveld kan Arturo Barea alleen zeggen wat hij op zijn lever heeft als ‘de stem van Madrid’, een dagelijkse radio-uitzending waarin hij de wereld vertelt wat oorlog betekent voor gewone mensen.

    Door de bombardementen en de constante dreiging loopt Barea een vorm van shellshock op. Hij beschrijft het voorval van een onontplofte granaat waarin een briefje wordt aangetroffen, afkomstig van een Duitse arbeider die zijn solidariteit uitspreekt met het Spaanse volk: de projectielen die deze onbekende fabriceert zijn onschadelijk. Helaas ontploffen de meeste granaten wel en ook de werkplek van Ilsa en Arturo, de Telefónica, het hoogste gebouw van Madrid, is verre van veilig. Daarbij komen dan nog de machinaties van verschillende personen die de schrijver vijandig gezind zijn en een verstikkende bureaucratie, waardoor het uiteindelijk onmogelijk blijkt om in Spanje te blijven.

    Inzichten van een ooggetuige

    Arturo Barea vlucht samen met Ilsa Kulcsar naar Frankrijk, het land dat net als Groot-Brittannië weigert om de Spaanse Republiek te hulp te schieten of zelfs maar wapens te leveren, uit angst voor de toorn van Hitler en Mussolini, die wél ongestoord hun oorlogsmaterieel uittesten. Barea analyseert: ‘Spanje had slechts twee uitwegen: aan de ene kant de afgrijselijke hoop, zelfs nog gruwelijker dan wanhoop, dat er toch oorlog in Europa zou uitbreken, wat een van de andere landen zou dwingen tot interventie tegen Hitler-Duitsland. De andere uitweg was onszelf opofferen zodat andere landen tijd konden winnen om zich voor te bereiden. […] In beide gevallen dienden we de prijs te voldoen in ons eigen bloed, in de pasmunt van de barbaarse vernietiging van ons eigen grondgebied.’ Dit soort bespiegelingen duikt geregeld op. Arturo Barea had contacten in allerlei geledingen van de Spaanse samenleving en kan dus een gedegen beeld geven van wat er gebeurde. Ook met sommige priesters onderhield hij vriendschapsbanden (terwijl de katholieke kerk ondubbelzinnig verbonden was aan politiek rechts en aan Franco). Indringend fulmineert hij tegen de fascistische ‘doodgravers’ en ‘slavenmeesters’, representanten van een kaste die Spanje al eeuwenlang regeren, louter om hun eigen belangen te dienen. Tegelijk sluit hij ook zijn ogen niet voor de baantjesjagers die de communistische partijrangen domineren, of voor de schadelijke intriges en nutteloze papiermolen binnen de democratische regering. Hij maakt de geopolitieke onmacht van de Sovjet-Unie inzichtelijk, net zo goed als de funeste misrekening van de Westerse democratieën.

    Solidariteit over de grens

    Zo blijft De slag voortdurend variëren tussen persoonlijke belevenissen en het grotere verhaal van de antifascistische strijd. Dit laatste is het meest interessant, want voor privébesognes rondom een vroegere minnares zal niemand het boek oppakken. Arm en uitgeblust bevindt de schrijver zich in de slotalinea’s op de boot naar Engeland, waar hij zijn herinneringen zal uitwerken en publiceren. Niet in het Spaans maar in het Engels, vertaald door Ilsa Kulcsar. Tegen twee Franse arbeiders die hij onderweg tegenkomt spuwt Barea zijn gal: ‘Zijn jullie Fransen blind of hebben jullie de vrijheid al opgegeven?’. Het antwoord ligt in lijn met de Duitse fabriekswerker die briefjes aan zijn granaten toevoegde en geeft toch weer een sprank hoop: ‘O nee, wij vechten. De ánderen vechten niet. […], vertrek niet bitter uit Frankrijk. Wij strijden nog samen.’

  • Literatuur als gebed en houweel

    Literatuur als gebed en houweel

    Het is rond 1955 als de veertienjarige zoon uit een bemiddeld gezin in Chili in de bus in gesprek raakt met een zesjarig straatschooiertje dat bolero’s zingt: beblaarde voeten, zwart, plakkerig haar en gescheurd hemd. Als hij in de villawijk, waar hij met zijn ouders woont, uitstapt nodigt hij het jongetje uit om mee te eten. Het doet zich te goed aan veel lekkers en krijgt bij vertrek nog wat kleren mee. De volgende dag meldt het zangertje zich opnieuw en de dag daarop weer. Eerst brengt hij twee andere scharminkeltjes mee, later een moeder met baby en een klein meisje. Dan maakt de moeder van de veertienjarige een eind aan deze bezoekjes. Ze maakt haar zoon duidelijk dat dit niet de juiste manier is om Chili’s armoedeprobleem op te lossen.

    De veertienjarige is Ariel Dorfman en de scène staat in Koers Zuid, richting Noord * Een reis in twee talen. Het is de onlangs opnieuw uitgegeven Nederlandse vertaling van het eerste deel van zijn autobiografie, verschenen in de serie Kritische Klassieken van Uitgeverij Schokland.
    Het is niet verwonderlijk dat Ariel zich zo begaan voelt met arme mensen. Zijn joodse vader was communist, in 1920 gevlucht uit Odessa; zijn – eveneens joodse – moeder was als kind in 1909 vanwege pogroms haar Oost-Europese geboortestad Kisjniev ontvlucht. De twee leerden elkaar kennen in Argentinië en in mei 1942 werd in Buenos Aires de zoon geboren die ze Vladimiro noemden naar Vladimir Lenin. Hij zou veel later pas zijn tweede voornaam Ariel aannemen, nadat hij zich tussentijds bovendien nog Eddie had genoemd. Die naamwisselingen hebben alles te maken met het geworstel van Dorfman met zijn identiteit in dit eerste deel van zijn biografie, waarin hij meerdere keren moet vluchten (of zoals hij het noemt ‘verbannen wordt’) en waarin de dood een grote rol speelt.

    Engels
    In het kort een paar feiten: Ariel Dorfman werd geboren in 1942 als Argentijns staatsburger, maar kwam als driejarige al in Miami in de VS terecht omdat zijn vader moest vluchten voor het regime Peron. Waar hij vrijwel meteen drie maanden in quarantaine in het ziekenhuis belandde wegens longontsteking. Daar kreeg hij te maken met Engelssprekend personeel, met het gevolg dat hij bij terugkeer in zijn gezin, weigerde om een woord Spaans te spreken. Uit verzet zwoer hij zelfs zijn Spaanse voornaam af en ging zich Eddie noemen omdat dat Amerikaanser klinkt. In 1954 volgde het gezin de weg uit 1945 in omgekeerde richting.

    Het waren de jaren van het McCarthyisme: in de VS was alles wat naar communisme rook verdacht. Vader Dorfman zocht daarom met vrouw en kind zijn toevlucht in Chili, waar hij als tolk Spaans-Russisch aan de slag kon. ‘Eddie’ hield echter zolang mogelijk vast aan zijn Amerikaanse identiteit en slaagde er maar moeilijk in ingeburgerd te raken omdat hij nog steeds geen Spaans wilde spreken. Hij ging echter steeds meer van zijn nieuwe land houden, raakte onder de bekoring van de Spaanse taal en paste opnieuw zijn naam aan. Die werd nu Ariel (naar de geest uit The Tempest van Shakespeare). Hij ging literatuurles geven en schrijven in het Engels en Spaans. Toch verkreeg hij pas in 1967 het Chileense staatsburgerschap. Zes jaar later vertrok hij opnieuw naar de VS. Hij was één van de medewerkers van de socialist Salvador Allende. Die was via democratische weg gekozen, maar werd in 1973 afgezet door de militaire coup die de door de VS gesteunde Pinochet aan de macht bracht. Dorfman woont nog steeds in de VS, maar keert geregeld terug naar zijn geliefde Chili.

    Dood
    Koers Zuid, richting Noord heeft niet voor niets de ondertitel *Een reis in twee talen. Dorfmans persoonlijke ontwikkeling voltrok zich langs de weg van een afstoten en uiteindelijk toch vergroeid raken met twee talen. Een even grote component is zijn ervaring met dood en ballingschap. De biografie opent met een verwijzing naar de dag ‘waarop ik had moeten sterven maar niet stierf’. Die dag was 11 september 1973 toen de militairen de presidentiële residentie bestormden om een einde te maken aan Allendes revolutie met de dood van de president tot gevolg. Dorfman zou op die dag dienst hebben gehad, maar had die geruild met een vriend, die wel omkwam. Dat was niet de enige confrontatie met de dood. Was er al de kritieke toestand als kind met een longontsteking in Miami, na de coup verneemt hij de zelfmoord van vrienden en éénmaal ziet hij actief van de dood af als hij in de gelegenheid is een militair neer te schieten, maar het niet doet.

    Taal en dood als rode draad dus. Dit eerste deel van de biografie (het tweede, Feeding on Dreams; Confessions of an Unrepentant Exile verscheens, nog niet in het Nederlands vertaald) is rond die thema’s opgebouwd. De zeventien hoofdstukken wisselen elkaar steeds af met de vaste titels ‘Een hoofdstuk dat gaat over de ontdekking van de dood (gevolgd door een tijdsaanduiding)’ en ‘Een hoofdstuk dat gaat over de ontdekking van het leven en de taal (gevolgd door een tijdsaanduiding)’.

    Misrekeningen
    Dorfman betoont zich een man van de diepgaande analyse in een zeer persoonlijk relaas met oog voor zijn eigen fouten en zelfs een ruimhartig begrip voor zijn tegenstanders. Over de gebeurtenissen in de jaren 70 bekent hij, doelend op idealisme van de strijders met te weinig oog voor wereldwijde ontwikkelingen: ‘Allendes revolutie was helemaal geen aankondiging van de toekomst maar juist de laatste ademtocht van een verleden dat stierf, en de komende twintig jaar zou blijken dat we tegen het tij van de wereldgeschiedenis in waren gegaan, dat de staatsgreep van generaal Augusto Pinochet er toch wel was gekomen, zelfs al was er niet het geringste op ons aan te merken geweest, zelfs al hadden we niet een van onze talrijke misrekeningen gemaakt, want wij waren de dinosaurussen, wij waren degenen die het verleden meetorsten, wij waren degenen die de mondialisering wilden tegenhouden’.

    Prachtig is hoe Dorfman in het hele boek kruisverbanden weet te leggen tussen zijn eigen persoonlijke gevoelens en jeugdherinneringen aan de ene kant en zijn politieke en literaire optreden in andere situaties. Zo krijgt het verhaal van de veertienjarige jongen met het bolerozangertje in Chili een mooie tegenhanger als hij met zijn Chileense vrouw Angélica en hun zoontje Rodrigo in 1968 in Berkeley twee hippies (‘midden twintig, ongeveer mijn leeftijd’) tegenkomt. Het stel demonstreert hoe het niet de gevangene wil zijn van materiële zaken; ze gedragen zich als een soort outcasts. Het raakt Dorfman. Tot ze hem om geld vragen. Dan knapt er iets bij hem en hij denkt terug aan het straatschoffie dat hij ooit in Chili mee naar huis nam. Dat jongetje had geen keus en zou nooit kunnen ontsnappen aan kou, modder, verkrachtingen en dakloosheid: ‘Hij zong bolero’s omdat het zijn enige manier was om zijn dood uit te stellen. Heel anders dan deze hippies, bij wie de armoede kunstmatig en zelfgezocht was en in een oogwenk kon worden afgeschud’. Ze hadden volgens hem geen benul van wat werkelijke armoede was: ‘Ik wilde ze beetpakken en ze hun illusies uit hun ogen rammelen (…) ze dwingen (…) naar de echte wereld te kijken, ik wilde ze toefluisteren dat je geen eind maakt aan onderdrukking en repressie door af te haken maar door ertegen in opstand te komen’.

    Verhalen
    Na 11 september 1973 worstelt Dorfman een tijd met de vraag waarom hij op zo’n bizarre manier ontkomen was. Oude vrienden vertellen hem dat hij die schuldvraag los moet laten omdat zijn betekenis ligt in het vertellen van het verhaal zodat de dood van de anderen zin heeft gehad. Dorfman werpt zich daarna volop op de literatuur. Hij geeft les, leest veel en schrijft. Op een ‘wonderbaarlijke avond’ leest hij Die Verwandlung van Kafka en ‘ik (…) begreep dat de literatuur een gebed en een houweel kon zijn, een uitweg uit de vastgevroren wereld waarin we opgesloten blijken te zitten, de enige stem die we kunnen verheffen tegen de dood en de eenzaamheid’.
    Laat deze machtige rol van de literatuur niet onopgemerkt blijven. Boeken als Koers Zuid, richting Noord moeten blijven verschijnen!

     

  • Kinderen van de revolutie

    Kinderen van de revolutie

    De glasblazers is een waar gebeurde historische roman van Daphne du Maurier over de lotgevallen van haar bloedeigen Franse voorouders tijdens de Franse Revolutie. Een weldoortimmerde roman over glasblazers die zich omhoog werken van ambachtslieden tot industriëlen, maar door de Franse revolutie omver worden geblazen. Naar de vorm een verdediging van het literaire ambacht tegen de avant-garde, naar de inhoud een waarschuwing tegen de woelige geest van de jaren zestig van de twintigste eeuw.

    Ambacht en avant-garde
    Het is haast ironisch dat De glasblazers werd herdrukt in de reeks Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland. Het perspectief op de Franse revolutie is eerder conservatief dan ‘kritisch’. Je zou ook kunnen zeggen dat het kritische vooral zit in het gekozen perspectief: de hoofdstedelijke revolutionaire giganten Marat, Robespierre en de Duc d’Orleans zijn achtergrondfiguren in het leven van de plattelandse glasblazersfamilie Busson. En de grote gebeurtenissen, van de eed op de Kaatsbaan en de bestorming van de Bastille tot en met de onthoofding van Marie-Antoinette dringen met grote vertraging en sterk vertekend door tot de levens van de hoofdpersonen. De roman is eerder revolutiekritisch dan maatschappijkritisch, zou je kunnen zeggen. De revolutie vindt zijn gerechtvaardigde oorsprong in reële sociale problemen en begint met nobele motieven en ideologische bevlogenheid, maar ontspoort dan in een chaotische reeks bloeddorstige plundertochten. Menselijke waardigheid en maatschappelijke orde legen het af tegen wraak- en hebzucht. De glasblazers is dan ook te lezen als een anti-revolutionaire waarschuwing tegen de geest-des-tijds van een schrijfster die de politieke en sociale woelingen van de 20e eeuw afkeurend bezag. Iets dergelijks kun je zeggen over constructie en vorm: het is een staaltje vertellersvakmanschap in een tijd die het ambacht verruilde voor avant gardisme.

    Muiterij en maîtresses
    Het echtpaar Busson runt een glasblazerij die ze pachten van een adelijke familie. Ze zijn streng maar rechtvaardig, met hart voor de gemeenschap van geschoolde en loslopende arbeiders (van meester-glasblazers tot houtskoolbranders), die rond de glasblazerij wonen. Een minimaatschappij waarin het leven geordend is volgens de ongeschreven regels van het feodale en het gildenstelsel. Twee zoons, Robert en Michel ontwikkelen zich tot meester-glasblazer, en nummer drie, Pierre, wordt na wat koloniale avonturen sociaal bevlogen advocaat. Robert vestigt zich in Parijs en bouwt een klandizie op onder de elite, terwijl Michel hardnekkig voortwerkt in de voetsporen van zijn vader, als pachter van een glasblazerij. Pierre wordt in zijn advocatenpraktijk geconfronteerd met de noden van het volk en de oneerlijkheid van de bestaande praktijken voor de opkomende kleinburgerij. De nieuwe gewone mensen, zeg maar. Dan spoelt de revolutie over hen heen. In de geschiedenisboekjes klinkt dat allemaal nog best heroïsch, hoewel je daaruit toch ook leerde dat de guillotine overuren maakte en dat woord ’terreur’ in die tijd zijn hedendaagse betekenis kreeg. Maar de zegeningen op langere termijn zijn hier ver te zoeken en wat overblijft is de chaos en collateral damage in het toendertijdse hier en nu. En die is niet gering. Eerst de paniekzaaierij en muiterij op het platteland, waarbij de adel wordt verdreven en de geestelijkheid zijn landerijen in moet leveren. Onvermijdelijk gevolgd door gehamster en geplunder door verarmde arbeidersgezinnen. Die zijn koud met hun gejatte zilverwerk en damast teruggekeerd naar hun huisjes, of een contrarevolutie van uitgeweken adel, maîtresses en royalistische boeren uit de Vendée neemt, gewapend met degens, zilverbeslagen pistolen en dorsvlegels bezit van steden en dorpen en laat die na een dag of wat kaalgeroofd achter. Pas na een halve generatie wonden likken, puin ruimen en rouwverwerking kan het leven weer min of meer zijn gewone gangetje hernemen.

    Reconstructie en inventie
    Dat uiteindelijk miljoenen kansarme lieden een stuk betere uitgangspositie kregen in het leven dan voorheen krijgt Du Maurier niet uit haar pen. Ze weet wel een overtuigend beeld te geven van de onvermijdelijkheid waarmee iedere revolutie de eigen kinderen verslindt. Minpuntje: het boek is dermate geschiedkundig verantwoord en zorgvuldig in elkaar gestoken, dat historisch spektakel en psychologisch drama er onder leiden. Teveel (re)constructie en wat weinig inventie. Het maakt van De glasblazers vooral een interessant boek. Eigenlijk is het wachten tot de producenten van Downtown Abbey, Madmen en The Hunger Games De glasblazers als basis nemen voor een revolutionaire HBO-serie die een seizoen of 4 omspant. Grootheden als Alfred Hitchcock (Birds en Rebecca) en Nicholas Roeg (Don’t look now) verfilmden al andere romans van Du Maurier, dus het zou moeten kunnen.

  • Immer dran denken – nie vergessen

    Titel en ondertitel van dit dagboek van communist en verzetsstrijder Nico Rost geven meteen aan waar het hem om gaat: Goethe staat voorop, want – citeert Rost hem – ‘de oude aarde staat nog en de hemel welft zich nog boven mij’ en andere literatuur volgt. De auteur – voor de oorlog bekend als journalist en vertaler van Duitse literatuur – is zelfs dankbaar dat hij kan lezen en schrijven in wat zijn werkelijkheid van alle dag is: één van de ziekenbarakken van het concentratiekamp Dachau, in de buurt van München. Barakken met een kanariekooi boven de deur en een goudvissenkom op tafel. Rost noteert het allemaal op droge toon en in de hoop dat hij ‘van dit dagboek iets behoorlijks zal maken’, en zijn ‘notities over literatuur enige waarde hebben.’

    Zijn opmerkingen zijn vaak raak. ‘Het probleem Luther’, schrijft hij bijvoorbeeld, ‘is zo gecompliceerd, omdat het niet van het probleem Duitsland te scheiden is.’ Maar het is niet alleen lezen en schrijven dat hem hoop geeft, ook gesprekken met geestverwanten doen dat. Hiervan maakt hij al even uitvoerige notities. Schrijven en praten zijn middelen om zijn gedachten en energie op iets anders te concentreren en niet steeds aan zijn vrouw en zoon, of zichzelf, te hoeven denken.

    Je vraagt je af hoe Rost de gelegenheid vond om dit allemaal te noteren. Dat blijkt te danken aan lange periodes van luchtalarm, rusttijden in de ziekenbarak en papier verzamelende medegevangenen. Rost hoopt langer in de ziekenbarak te kunnen blijven door als Stubenschreiber de verpleger te mogen helpen met het noteren van koortstabellen e.d.. Dit lukt hem. Hij wordt later tewerk gesteld op de malaria-afdeling en uiteindelijk wordt hij Revierläufer, bode tussen de verschillende ziekenbarakken. En hij schrijft verder.

    Naast schrijven en van gedachten wisselen met iemand als Wiardi Beckman, waarmee hij eerst weinig affiniteit heeft maar die hij uiteindelijk steeds meer gaat waarderen, geeft de auteur op z’n tijd ook een ‘lezing’ tussen de bedden. Als het licht uitvalt, wendt hij zich, haast associatief, aan om aan de Duitse romantiek te denken.
    Het dagboek wordt gaandeweg steeds beklemmender. Maar – haast gelijk op – ook de geruchten over de komst van de Amerikanen als bevrijders nemen met de dag toe. Op 29 april 1945 wordt het kamp bevrijd. Dat markeert tevens het einde van het dagboek.

    Huiveringwekkend is het verhaal over de zuster van beeldhouwer Frits van Hall die in Dachau komt op het moment dat haar broer vijf minuten ervoor ‘de poort uit is gegaan.’ Ook details die uiting geven aan een gevoel van zwarte humor ontsnappen niet aan Rosts aandacht. Zo vroeg een Poolse vrouw uit het kampbordeel eens naar een exemplaar van Dantes Hel. Ze was bang daar later terecht te komen en wilde zich vast ‘inlezen’, te midden van de hel om haar heen. Maar dat laatste, schrijft Rost, scheen ze niet door te hebben.

    Als lezer kom je in de verleiding de literatuur ter hand te nemen die Rost las. Maar dit heeft in zoverre weinig zin, dat de context nu een heel andere is en de auteur zelf al schreef dat die context juist zo bepalend was voor de manier waarop hij een en ander las, en na de oorlog wilde herlezen om te kijken of hij dat dan met andere ogen zou doen.
    In dat verband had hij ook een droom: ‘Als we elkaar na de oorlog beter willen leren kennen – en dat zal nodig zijn – is, volgens mij, een der beste middelen hiertoe een grondige kennis van elkaars literatuur.’

    Vanaf het begin was het Rosts plan om zijn dagboek na de oorlog te publiceren. Misschien ook, om een regel te citeren die hij uit een lied oppikte, als opdracht: ‘Immer dran denken – nie vergessen.’ Zoals de gevangenen het raam opendeden als ze er lucht van kregen dat mensen terecht zouden worden gesteld. Om de schoten te horen en te proberen ze te tellen: zoveel doden vandaag.
    Soms schuilt er, in die wetenschap van latere publicatie, ook een beetje koketterie in het dagboek. Bijvoorbeeld over redelijk onbekende auteurs, waarvan hij de jaartallen en andere biografische gegevens zo weet op te lepelen.
    Daar staat tegenover dat de gevoelens die Rost beschrijft, o zo herkenbaar zijn. Bijvoorbeeld over een schrijfmap die werd gevonden nadat iemand in de barak was overleden. Er zat één tekening in: van de vrouw van de overledene. De man had geprobeerd haar ‘teer-beminde gelaat terug te vinden.’ Rost ontroerde dit ‘meer dan de honderd doden die vandaag weer in het straatje, voor de Totenkammer lagen.’ Het eerste overviel hem en tegen het tweede wilde hij zich harden.

    De eerste druk van dit dagboek verscheen in 1948, de tijd waarin ook een standaardwerk als De SS-staat. Het systeem der Duitse concentratiekampen van de Duitse socioloog/politicoloog Eugen Kogon en andere dagboeken op de markt kwamen. Nu is de vierde druk van Rosts dagboek verschenen, met voetnoten en een nawoord van Ewout van der Knaap. Wederom haast weer gelijktijdig met een omvangrijke studie: KL. Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen van de historicus Nikolaus Wachsmann.
    Een boek als dit en andere dagboeken vullen dergelijke analytische studies van Kogon en Wachsmann vanuit een persoonlijk perspectief in en aan. Beide genres versterken elkaar opdat niet mag worden vergeten: ‘Immer dran denken – nie vergessen.’

    Wat er van Rost na de oorlog is geworden? Hij zette zich onder andere in voor het herstel van de relatie tussen met name Nederland en Duitsland. Publiceren deed hij nog maar weinig. In 1967 overleed hij. In 1997 verscheen een biografie over hem van de hand van Hans Olink.

    Goethe in Dachau
    Literatuur en werkelijkheid. Dagboek 1944-1945

    Auteur: Nico Rost
    Nawoord van Ewout van der Knaap
    Verschenen bij: Uitgeverij Schokland
    Serie: Kritische Klassieken
    Aantal pagina’s: 272 p.
    Prijs: € 24,00