Op 12 augustus is schrijver, dichter, essayist K. Schippers na een korte periode van ziek zijn overleden. Hij werd vierentachtig jaar. Schippers, die ook wel de ‘beeldend kunstenaar onder de schrijvers’ werd genoemd, was in juni van dit jaar een van de gasten in de laatste uitzending van het boekenprogramma van de VPRO Brommer op zee, waar hij vanaf zijn huis in de Concertgebouw buurt, naartoe was gewandeld om daar verslag te doen van wat hem onderweg zo was opgevallen. Wie de uitzending terugkijkt, ziet dat de presentatoren die hem interviewden over zijn laatste boek Nu je het zegt, gretig aan zijn lippen hingen, een verwachtingsvolle lach om de lippen, verlangend naar een typisch schipperiaanse observatie. Die dan niet kwam.
K. Schippers werd op 6 november 1936 als Gerard Stigter in Amsterdam geboren en schreef een uitzonderlijk oeuvre van verhalen en beschouwingen, gedichten, romans, essays en readymades. Hij was een creatieve kijker, alledaagse dingen werden door zijn waarneming van hun gewoonheid ontdaan. Samen met J. Bernlef en G. Brants richtte hij het tijdschrift Barbarber (1958-1972) op dat in eigen beheer werd uitgegeven. In 1963 debuteerde Schippers met de dichtbundel De waarheid als De koe. Hij schreef in totaal ruim veertig romans, poëziebundels en bundels verhalen & beschouwingen. Op zijn eigen typische wijze vermengde hij in alle genres fictie, documentaire en autobiografie.
Zijn romans hebben vaak een gedachte-experiment als uitgangspunt, zoals de gedachte over het toe-eigenen van taal in de roman Zilah (2003). Hij schreef over kunst in het documentaire boek Holland Dada (1974/2000) en voor zijn beschouwende bijdragen voor NRC Handelsblad, kreeg hij in 1996 de P.C. Hooftprijs. Het jaar daarop ontving hij voor zijn kunstkritieken de Pierre Bayle-prijs. Twee van zijn romans werden bekroond, in 1983 de Multatuliprijs voor Beweegredenen en in 2006 de Libris Literatuur Prijs voor Waar was je nou, de roman die uitgroeide tot een bestseller.
K. Schippers trad geregeld op tijdens de Nacht van de Poëzie, de laatste keer was in 2015 waar hij door Ester Naomi Perquin werd aangekondigd met een anekdote. Perquin vertelde dat zij eens met een bijna tachtig jaar oude dichter een museum bezocht. Dat zij die dichter onderweg kwijtraakte en na tientallen minuten zoeken, waarbij ze de suppoost inschakelde en bang werd bij elke toiletdeur die zij opentrok de dichter ineengezakt op de vloer zou aantreffen. Tot ze de dichter buiten in de zon zag zitten, een sigaret rokend. Zij vertelde hem hoe ze hem had gezocht, (Waar was je nou) haar groeiende angst hem op de vloer van een toilet te vinden. Hoe de dichter, na aandachtig luisteren, vroeg: ‘En, lag hij daar?’
Waarna K. Schippers met verende tred het podium betrad en vanaf de katheter voorlas: ‘Iemand elke dag zien/iemand toevallig zien/iemand af en toe zien/ iemand per vergissing zien/(…)/iemand nooit meer zien’uit zijn bundel Fijn dat u luistert.
Het is verwonderlijk hoe Schippers zijn verrassende standpunten en visies kwijt kon in de romanvorm. Zijn romans zijn geen ‘pageturners’, ze behoren langzaam gelezen te worden, als was het poëzie, en dan komt het genieten. In 2014 schreef hij ter ere van de Poëzieweek het Poëziegeschenk. Het thema ‘Verwondering’, kon niet toepasselijker, Schippers keek enkel met verwondering naar de dingen om hem heen. Een van zijn meest geliefde en geciteerde gedichten is ‘De ontdekking’:
Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is
Waarna je geïnfecteerd lijkt met zijn woorden en niets zich nog kleurloos aan je voordoet.
Gerard Stigter was getrouwd met Erica Hoornik, samen hadden ze twee dochters, Diana en Bianca. K. Schippers publiceerde bij Uitgeverij Querido waaraan hij meer dan zestig jaar verbonden is geweest.
Voor haar debuut Het water vangen nog moest verschijnen, riep het NRC Lies Gallez (1990) al uit tot dé rijzende ster in de literatuur. Dat was niet zonder reden. Ze won met haar korte verhalen, die onder meer in literaire tijdschriften als De Gids en Kluger Hans verschenen, reeds de A.L. Snijders-publieksprijs, de Hendrik Prijs-prijs en de Totaalprijs.
Het water vangen is een verhalenbundel over buitenbeentjes, over mensen die hoe graag ze ook aansluiting willen vinden, net buiten de boot lijken te vallen. Zo denkt in het verhaal Fantoomgeluid een meisje dat ze als enige de tweede oerknal meemaakt tijdens een wandeling door haar woonbuurt, in ‘Geluid en water’ raakt een meisje ervan overtuigd dat ze zwanger is van een dolfijn. Er is het schrijnende relaas over een jonge asielzoeker die wanhopig op zoek is naar een veilige plek waar hij zich thuis kan voelen.
Poëtische toon
De toon van de verhaalbundel is soms poëtisch en droomachtig. Het verhaal Ik heb stenen in mijn DNA is daar een mooi voorbeeld van: ‘Ik heb stenen in mijn DNA, die moeder en vader heten. Misschien kan ik ze huilen zoals het meisje uit Jemen dat steentjes huilt, om mezelf te verlossen van het verdriet dat in mij slaapt als een straathond vol vlooien. Omdat jeuk ook betekent dat ik wil aangeraakt worden, misschien. Een hand op een voorhoofd misschien.’
De tragische verhalen over Omar, een jonge asielzoeker, zijn weer heel anders van toon. Ze schuren vooral door de grote betrokkenheid van de schrijfster bij dit onderwerp. Als leerkracht van anderstalige nieuwkomers heeft Gallez duidelijk affiniteit met asielproblemen en dit toont ze op een heel persoonlijke manier. De drie verhalen, die vanuit verschillende perspectieven worden verteld, kenmerken zich vooral door de directe en rauwe vertelstijl. In het eerste verhaal leren we Omar kennen via de ogen van Lies die – net als de gelijknamige schrijfster – Nederlands geeft aan anderstalige nieuwkomers. In het tweede verhaal is Omar zelf aan het woord. In het derde verhaal kijkt een naamloze verteller terug op het onzekere lot van Omar. De manier waarop Omar wordt vermalen door het onmenselijke asielsysteem zal menig lezer niet onberoerd laten.
Spelen met perspectiefwisselingen
Lies Gallez wisselt in deze bundel sowieso regelmatig van perspectief. Soms gebruikt ze de eerste persoonsvorm enkelvoud, soms de tweede persoonsvorm enkelvoud of de meervoudsvorm. Daarnaast wordt er veel met taal gespeeld in de bundel. Er wordt lustig op los geassocieerd en worden regelmatig stukken tekst tussen haakjes gezet. In veel van de verhalen richt de verteller zich rechtstreeks tot de lezer. Opmerkingen als ‘Daar kom ik later op terug’ of ‘daarover later meer’ komen vaak terug. Soms is die herhaling wat te veel van het goede. Soms pakt het directe aanspreken van de lezer ook heel goed uit. Neem bijvoorbeeld de volgende passage uit Fantoomgeluid: ‘Alles begon ooit met een knal. Ook dit verhaal. Dus hier gaan we.’ Door dit soort korte zinnetjes af te wisselen met soms heel lange zinnen zit er een lekker taalritme in de verhalenbundel.
Ondertussen rijgt Gallez de mooie zinnen aan elkaar. ‘Herinneren is soms een weggetje kerven met een aardappelmesje. En elke mens in je leven bezit de mogelijkheid er eentje te worden.’ Het zijn dit soort pareltjes die regelmatig tot nadenken stemmen. Het is alsof Gallez duidelijk wil maken dat we weliswaar allemaal individuen met onze eigen levens zijn, maar dat we tegelijk niet zonder elkaar kunnen. Alle personages zijn afgedreven van de wereld om hen heen, maar hunkeren er naar gezien te worden, naar liefde, naar een thuis. Het maakt van Het water vangen tot een sympathieke en empathische verhalenbundel die lang na blijft zinderen.
Verhalenschrijfster Roos van Rijswijk (1985), debuteerde in 2016 met de roman Onheilig waarmee ze de Anton Wachterprijs won. Onlangs verscheen De dwaler, een verhalenbundel met een dystopische en surrealistische inslag.
Roos van Rijswijk (1985) studeerde Nederlandse taal & Cultuur en Literatuurwetenschap. Ze is literair recensent voor het NRC, interviewt schrijvers en is schrijfdocent aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Voor Literair Nederland zocht ik haar op in Amsterdam waar ze een zolderkamer in een voormalig zusterhuis bewoont. Bovenin het trappenhuis word ik opgewacht. Door een lange gang en ruime keuken komen we in de gemeenschappelijke woonkamer. Er ging wat mis, de schrijfster trok de thermostaat onbedoeld van de keukenmuur, die wil ze er nu weer even aanmaken. Er is iets met de temperatuur, in de woonkamer staan de ramen open. Op tafel staat de thee klaar. We spreken over de sfeer in haar verhalen, hoe ze ontstaan en hoe een roman zich (wel/niet) laat schrijven, zich ontwikkelt. Over eerste zinnen, de tijd waarin we leven en de fascinatie met spookverhalen.
Hoe gaat het, na de publicatie van je verhalenbundel?
‘Buiten het gebruikelijke pandemie chagrijn, gaat het wel goed. Het opgesloten zitten en de constante zorg om familie, inkomsten en de vraag of de wereld wel weer wordt zoals we hem kenden, dat houdt me wel bezig.’
Komt dat ook in je verhalen terecht, die bezorgdheid?
‘Sommige verhalen waren al voor de pandemie geschreven, sommige tijdens. De twee laatste verhalen schreef ik september vorig jaar. Het was toen heel warm en er waren veel bosbranden. Dan krijg ik al gauw een soort apocalyptisch gevoel. Dat is wel mijn aard, en daar word ik ook wel een beetje weemoedig van.’
In een van je verhalen gaat een man op het trottoir liggen omdat hij zo moe is van het leven, hij vergroeit met de omgeving. Hoe kom je daarop?
‘Dat verhaal schreef ik in een periode dat ik al heel lang heel moe was, als ik dan over straat liep dacht ik wel eens, zal ik hier gewoon gaan liggen? Dat doe je natuurlijk niet, maar als schrijver heb je het geluk dat je er wel over kunt schrijven. Ik heb het verhaal vrij vlug geschreven, voelde me ook aanzienlijk beter daarna. Ik had het niet verwacht, maar het is wel het eerste verhaal waar iedereen over begint. Misschien omdat het gevoel herkenbaar is, dat je erbij wilt gaan liggen.’
Gebruik je vaker ervaringen van jezelf voor je verhalen?
‘De laatste twee verhalen zijn autobiografisch. Ik heb ook echt met mijn moeder die wandeling over begraafplaats Zorgvlied gemaakt. Mijn moeder kreeg aan het begin van de pandemie een hartaanval, het was niet helemaal zeker of ze het zou redden. Alles was toen net helemaal dicht. Dan fietste ik door zo’n dichte stad dagelijks naar het ziekenhuis. Nu, een jaar later, is ze er weer helemaal bovenop. Toen dat met mijn moeder gebeurde, was dat ook de eerste keer dat ik weer op de fiets stapte. Ik kon heel lang niet meer fietsen, iets tussen tussen gekheid en overspannen zijn. Dat alles heeft veel impact op me gehad.’
‘Dat ik met mijn moeder over Zorgvlied liep, daar ben ik over gaan schrijven. Een verhaal waar ik al die dingen heb ingestopt, maar wel net anders natuurlijk. Ik heb gevraagd of ze dat goed vond. In het verhaal wordt ze bijna doodgereden door een AH bezorger. En zelf ben ik lang niet zo gek geweest als in dat verhaal, en die stoet van moeders, geesten van voorouders die daar verschijnen, is natuurlijk verzonnen. In het allerlaatste verhaal loop ik als personage rond, niet een op een, maar ik ben er wel.’
Je beginzinnen hebben een bepaalde urgentie, zoals ‘Je moet je fiets binnen zetten.’ Is dat bewust?
‘Het verhaal “Een zee” begon wel met de eerste zin, “Ze had de zee nog nooit gezien”. Maar het begon ook met een idee. Als ik schrijf kom ik er gaandeweg achter wat ik aan het doen ben, de eerste drie alinea’s zijn een soort voorwerk. In veel boeken over schrijven is het toch wel een tip dat je eerste zin lezers moet trekken. Terwijl ik denk, als de lezer al begonnen is met lezen, dan wil die ook best een paar alinea’s doorlezen. Bij korte verhalen wil je natuurlijk wel snel weten waar het over gaat. Maar dat je met een eerste zin de lezer moet trekken? Je bent geen reclameschrijver. Er is niets op tegen, maar het is beter je niet al te veel met de lezer bezig te houden.’
Werk je een idee eerst uit op papier?
‘Ik vind het een heerlijk idee om met pen en papier te schrijven, maar ik ben er te ongeduldig voor. Toen ik pas met schrijven begon en nog niet zo snel kon typen, schreef ik liever met de hand. Maar zo gauw mijn typesnelheid op denksnelheid lag, typte ik alleen nog. Toen ik het verhaal ‘Zorgvlied’ schreef, deed ik mee aan een onderzoek van het Huygens Instituut over het schrijfproces van schrijvers op een computer. Er zijn veel oude manuscripten met de hand geschreven, met doorhalingen en dan zie je hoe zo’n verhaal geschreven is, met alle kladversies erbij. Nu deden ze onderzoek naar hoe dat digitaal gaat. Toen het onderzoek gestart werd, kon ik eerst helemaal niet schrijven omdat elke toetsaanslag geregistreerd werd. Van de weeromstuit begon ik een soort schaduwadministratie bij te houden, ging ik met de hand schrijven (schaterende lach).’
Je schreef ook een verhaal over het uploaden van het bewustzijn van iemand die dood is, hoe kom je daar op?
‘Ik wilde een modern spookverhaal schrijven. Toen dacht ik, wat is nu de modernste variant van een geest die we kennen? Naar hoe je het geheugen en bewustzijn van de mens kunt bewaren is al veel onderzoek gedaan. Er bestaan al een soort chatrobots van mensen die dood zijn, naar aanleiding van hun posts op social media. Ik heb onderzocht of zo’n chatrobot werkelijkheid kan worden, nu blijkt dat die dus al bestaan. Het inscannen van hersenen in relatie met het ‘bewaren’ van iemands brein, is ook onderzocht. Ik heb me helemaal verloren in dat onderzoek, toen moest er nog een gegeven zijn, een verhaal. Ik was er wel over uit dat het iemand moest zijn die zijn bewustzijn bewaart en vervolgens een soort klopgeest wordt. Toen dacht ik aan wat het ergste is dat je kan overkomen, en dat is toch wel je eigen kind bijna de dood injagen. Ik heb wel gepuzzeld met de vraag, wat wil zo’n personage? Over dit verhaal heb ik heel lang gedaan, ik moest er verschillende vormen voor vinden.’
Wat heb je met spookverhalen?
‘Als schrijver vind ik het interessant dat een spook geen lichaam heeft. Het is een mens, maar ook weer niet. Een spook roept veel emoties op; angst, weemoed, verdriet, of liefde. Je kunt er ontzettend veel kanten mee op. Maar wat het voor de schrijver moeilijk maakt is dat een spook oneindig is. Ik heb wel eens geprobeerd een roman te schrijven vanuit een geest. Mike McCormack (Ierse schrijver / Dag der zielen Iv/dG) heeft het gedaan, een verhaal vanuit een gestorven man. Dat lukt mij dus niet, omdat het nooit stopt, een geest is oneindig. Ik heb zelf geen aanleg voor geloof in het hogere, maar als iemand mij vertelt dat hij een geest heeft gezien, geloof ik dat wel. Ik vind het geweldig dat mensen zingeving vinden in het ontastbare.’
Was schrijven een keuze?
‘Als kind las ik puur als tijdverdrijf. Later werd ik geraakt door de poëzie van Leo Vroman. Maar ik had nooit het idee dat iemand zomaar schrijver kon worden. Er waren mensen die boeken schreven en mensen die ze lazen, zo zag ik het. Dat je die schrijver zou kunnen zijn, kwam niet bij me op. Ik schreef wel heel graag. Vanaf mijn zestiende schreef ik voor een theatergroep. En toen ik op mijn vierentwintigste ging studeren, schreef ik columns voor het universiteitsblad. Maar nog steeds dacht ik niet, ik ga schrijven. Pas nadat ik een kort verhaal geschreven had, dacht ik, Oh, dit kan gewoon.’
Toen het verhaal ‘Een zee’, dat in bewerkte versie ook in de bundel staat, werd opgenomen in literair tijdschrift Revisor, werd Roos van Rijswijk benaderd door verschillende uitgevers.
‘Daar schrok ik wel van. Ik dacht, wat heb ik nou aan mijn broek hangen. Ik ben wel met verschillende uitgevers gaan praten, maar ook gezegd dat ik het nog niet wist, dat ik eerst wilde afstuderen. Uiteindelijk ben ik bij uitgeverij Querido terecht gekomen. En afgesproken dat ik me zou melden als ik dacht daadwerkelijk een boek te kunnen schrijven.’
Ging het gelijk om een roman?
‘Ik heb nog gevraagd of het een verhalenbundel mocht zijn, maar daar werd niet heel juichend op gereageerd. Ik snap ook wel waarom, verhalen verkopen gewoon niet goed. Met deze verhalenbundel wist ik ook dat het geen verkoopknaller zou worden. Zelfs als ik hier een prijs mee zou winnen, dan nog zal het niet een ‘warme broodjes boek’ worden. Het is geen populair genre. Het meest gehoorde argument is, ‘Ik wil zo graag verdwijnen in een roman.’ Pleitbezorgers van het korte verhaal vergelijken het dan weer met een serie op Netflix kijken. Dan denk ik, Nee! Korte verhalen vraagt echt wel wat meer dan een serie kijken. Maar goed, toen ik een idee had voor een roman, heb ik weer contact opgenomen. En dat is uiteindelijk Onheilig geworden.’
Hoelang heb je daaraan gewerkt?
‘Dat is moeilijk te zeggen, ik heb er niet elke dag aan gewerkt. Ik moest ook gewoon voor een inkomen zorgen. Ik werkte toen in een boekhandel, daarmee kwam ik niet rond, wat op zich een tragisch gegeven is. Daarna ben ik op een kantoor gaan werken, vier dagen per week. Toen Onheilig uitkwam, had ik genoeg gespaard om een half jaar te overleven. (Lacht) Wel op water en brood hoor. Nadat ik gedebuteerd was, ben ik gaan freelancen, begonnen met interviews, recenseren.’
Je won er de Anton Wachterprijs mee.
‘Ja, dat was fantastisch natuurlijk. Ik wist al een beetje hoe de literaire wereld in elkaar stak, dat je als debutant nergens op moet hopen, en dat deed ik ook niet. Ik vond het überhaupt al geweldig dat ik een boek af had. Ik ben een notoire ‘niet afmaker’ van projecten. Dus daar was ik al zo mee in mijn nopjes. Het boek werd ook goed ontvangen, en toen won ik ook nog die prijs.’
Je schreef daarna verschillende korte verhalen, werkte aan kleine projecten, dacht je nog wel eens aan een roman schrijven?
‘Ik heb wat turbulente jaren gehad, relatie verbroken, verhuisd naar een zolderkamer, maar ben wel steeds blijven schrijven. Maar om iets groters te maken, dat lukte me niet. Ik hoor wel eens van schrijvers die zeggen,”De eerste drie uur van de dag zijn heilig.” Maar het lukt mij niet om te schrijven als er honderd andere dingen zijn die me dwarszitten. Ik kan dat niet uitzetten. Dus ik moet heel erg mijn eigen bedje spreiden, en dat lukt niet altijd, maar wel steeds beter.’
‘Als ik schrijf wil ik niets aan mijn hoofd hebben, en dat is heel onhandig als je als freelancer werkt. Toen ik al een tijdje aan Onheilig werkte, stukje schrijven, weer weggooien, en op de helft was, ben ik een paar weken naar Duitsland geweest en daar heb ik het boek in één keer afgeschreven. Zo werk ik het liefst, me helemaal begraven in iets, als een soort maniak. Dan leef ik op een heel ongewoon ritme. Ik was ook gewoon vies en verwaarloosd na die weken. Maar het was heerlijk.’
‘Dat maniakale heb ik ook in mijn andere werk. Als ik een schrijver moet interviewen, sluit ik me op om alles van die schrijver te lezen. Alsof ik een expert moet zijn op het gebied van degene die ik ga interviewen. Wat natuurlijk helemaal niet hoeft!’
Is het voor een schrijver een interessante tijd waarin we leven?
‘Ik vind de discussie over toe eigening heel interessant. Zou ik, als witte vrouw over een zwarte man kunnen schrijven? Ik weet het niet. Ik denk dat ik het niet zou doen omdat ik me niet genoeg kan verplaatsen in een zwart personage, dat personage loopt tegen bepaalde dingen aan waar ik nooit tegen aanloop. Maar ik ben er niet tegen. Als een witte schrijver vanuit een zwart personage schrijft vind ik het oneerlijk om te zeggen, doe maar niet. Het hangt er heel erg vanaf of het goed gedaan wordt. Maar ik weet ook niet of ik dat kan beoordelen. Ik vind het, zoals gezegd een interessante discussie die me er wel bewust van heeft gemaakt dat als je een personage niet beschrijft, de lezers ervan uitgaan dat het een witte man is rond de 30-40 jaar.’
‘Als schrijver ben ik me bewust dat ik wat kleur moet aanbrengen, en dan bedoel ik niet gelijk huidskleur, maar een soort reliëf, zodat er niet alleen een soort Matt Damons in rondlopen. Het is niet dat ik het er bewust inschrijf, het is wel meer in mijn bewustzijn gekomen.’
Is de buitenwereld niet meer te negeren?
‘De thema’s en discussies die in deze tijd spelen zijn wel in mijn bundel terechtgekomen. Ik heb er wel een zekere diversiteit in aangebracht binnen mijn eigen comfortzone. In twee verhalen noem ik niet of het om een vrouw of man gaat. In twee recensies werd de protagonist van het titelverhaal ‘De dwaler’ verschillend ingekleurd. In het Parool was het een vrouw, de recensent in Trouw had er een jongen van gemaakt. Ik denk wel dat het voor schrijvers belangrijk is te weten hoe ze erin staan, erover nadenken. Sommige witte mannen roepen, “Mag ik dan helemaal nergens meer over schrijven?” Zo werkt het natuurlijk niet. Maar je kunt ook niet doen alsof de buitenwereld niet bestaat.’
Uit je verhalen klinkt ook een zweem van fatalisme, waar komt dat vandaan?
‘Ik ben heel fatalistisch. ik denk al snel, wat heeft dit voor zin. Wat voor mij zin heeft, is kunst, maar om dat te maken moet ik wel eerst twintig drempels voor over. Als ik schrijf ben ik minder fatalistisch, maar het komt er wel in. Ik begin de bundel dan ook met het einde van de mensheid, dat vond ik wel leuk. En ik eindig met het einde van de literatuur (lacht hard), dat verhaal begint met, “Ik heb niets te vertellen. Alles wat er aan de hand is, is er al.”’
Je bent schrijfdocent, schrijver, recensent en interviewer, wat heeft je voorkeur?
‘Als ik met het mes op de keel zou moeten kiezen, dan wel schrijver. Maar ik ben ook wel blij met de afwisseling. Schrijfdocent vind ik fantastisch om te doen en recenseren doe ik graag, maar ik zou wel meer tijd willen hebben voor schrijven.’
Is er een schrijver, een boek waarvan je wenst zo te kunnen schrijven?
‘Oeh, heel veel. De dag van de zielen van Mike McCormack, dat had ik graag willen schrijven. Ik herlees bijna nooit iets, maar eens per jaar herlees ik Boven is het stil, van Gerbrand Bakker. En Faxen aan Ger van Mizee, vind ik geweldig, maar zou nooit zoiets schrijven. En Eva Meijer, die als schrijver zegt dat het altijd wel komt, dat schrijven. Dat zou ik ook wel willen. En ik zou heel graag een Gothic Novel willen schrijven, vrouwen spelen daarin een sterke rol. Ik vind het een heerlijk genre, zoals Shirley Jackson ze schrijft. Ik heb een heel plot liggen, ben er weken mee bezig geweest. Maar dan heb ik het plot, dan denk ik, nu weet ik al wat er gaat gebeuren, en schrijf er niet aan verder. (Lachend) Ik moet mezelf blijkbaar ook verrassen tijdens het schrijven.’
Een meisje, haar vader, het graf van haar moeder bovenop een berg en een beer. Meer is er blijkbaar niet nodig om een roman te schrijven over het einde van de menselijke beschaving en het begin van een nieuwe samenleving met een jong meisje als enig overgebleven mens moet overleven in de natuur. De derde roman van de Amerikaanse schrijver Andrew Krivak (1963), De beer, is zijn het eerste boek dat van deze schrijver in Nederlandse vertaling is verschenen. Als kind van Slowaakse immigranten is hij opgegroeid in Pennsylvania; tegenwoordig woont hij in Massachusetts. Het boek bestaat uit twee delen: het leven van het meisje samen met haar vader en haar leven na zijn dood. De mensen in het boek zijn naamloos, de dieren worden met hun soortnaam genoemd, alsook de planten.
De natuur als ruimte
Vanuit de beschrijvingen van de natuur en de woonplaats van de auteur is het duidelijk dat de roman zich in het noordwesten van de Verenigde Staten afspeelt. Een vader voedt, sinds de dood van zijn vrouw, zijn jonge dochter liefdevol op. Hij onderricht haar op het kunnen overleven in de natuur. De vader ziet de noodzaak in om haar te leren hoe ze in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Hij leert haar hoe ze van natuurlijke materialen wapens voor de jacht en visvangst kan maken. Hij leert haar naar mossels te duiken, konijnenstrikken uitzetten, honing uit bijennesten halen, alsook hoe een kompas te gebruiken en vuur maken. Bovendien leert hij haar hoe ze met behulp van de maanstanden en de wisseling van de seizoenen vat kan krijgen op het fenomeen tijd.
Niet de klokken bepalen het tempo waarin de mens wordt gedwongen te leven, niet Kronos, de Griekse god van de tijd, maar zijn mythologische tegenhanger Kairos, de god van het juiste moment, van de gelegenheid, is daarin bepalend. Wanneer een probleem zich aandient, dan pas is het ogenblik aangebroken om dit op te lossen. De mens moet niet voortdurend proberen alle eventuele moeilijkheden voor te zijn, want het leven is geen zaak van plannen, vooruitdenken, uitgebreid hamsteren of je toekomst veilig stellen. Leven is één worden met de natuur, dat straalt dit boek uit. Opgemerkt moet worden dat De beer meer is dan een eigentijds handboek vol handige tips om in de ongerepte natuur te kunnen overleven. De dialogen tussen het meisje en de vader zijn zo levendig en oprecht dat ze ontroeren. Ze hebben een filosofische grondtoon en zijn een eenvoudige handreiking voor de mens die direct in contact wil komen met de natuur.
De beer als leidsman
Na het overlijden van de vader gaat het meisje alleen verder. Ze verbrandt zijn stoffelijk overschot en draagt zijn as als een kostbaar kleinood bij zich. Haar doel is zijn as bij te zetten in het graf van haar moeder. Dat is een fraai thema in de roman, het grote verlies dat haar overkomt, vertaalt ze rechtstreeks naar haar reisdoel, namelijk de juiste rustplaats voor haar vader is bij haar moeder. Zo’n wijze van denken is alleen mogelijk wanneer je in harmonie leeft met de natuur, zonder het harde leven zelf verwijten te maken. Een beer helpt en begeleidt haar tijdens haar reis zonder dat een van de twee dominant is ten opzichte van de ander. Ze leren van elkaar te jagen en te vissen. Ook vertellen ze elkaar verhalen. Wanneer de beer toe is aan zijn langdurige winterslaap, moet het meisje zelf zien te overleven. Echter, wanneer ze in gevaar is, is er een poema die haar redt en haar helpt bij de dagelijkse voedselvoorziening. In dit tweede deel is de roman geworden tot een fabuleus sprookje en tegelijkertijd blijft het verhaal geloofwaardig.
Post-apocalyptische roman?
Bij de verschijning van de Amerikaanse editie van De beer werd dit boek in de aankondigingen en recensies beschouwd als een post-apocalyptische roman. De vraag is of De beer aan de kenmerken van dit genre voldoet. De post-apocalyptische roman valt onder de noemer science fiction en daarin worden de gevolgen gepresenteerd van de ondergang van de hedendaagse, menselijke beschaving. In het algemeen gaat het om de teloorgang door een natuurramp of door onverantwoord menselijk handelen. Soms is de kern van het boek dat de samenleving gestraft wordt omdat deze zich heeft afgewend van de natuur, deze vernietigd of een grote afstand tot de natuur heeft gecreëerd. Veel lezers zullen in dit boek van Andrew Krivak een waarschuwing zien: geef je niet roekeloos over aan een al te moderne levenswijze. Een dergelijke visie wordt overigens niet expliciet gepropageerd.
De beer voldoet aan de meeste kenmerken van een post-apocalyptische roman, maar enkele andere aspecten vallen op. Zo ontbreekt in De beer een desastreuze ramp die een grote massa mensen treft. Het apocalyptische is teruggebracht tot het overlijden van de vader, het meisje als wees overblijft en volledig afhankelijk is van de natuur. In dit boek gaat de eindtijd over in een prille begintijd en de nadruk ligt op dit nieuwe begin, niet op wat verloren is gegaan. De beer is in een sobere maar poëtisch taal geschreven, met gevoel voor de precieze waarneming van de flora en fauna en het handelen van de dochter en haar vader en later met de beer. De auteur laat het meisje op een (bijna) volwassen manier met haar vader spreken. Hij vermijdt al te kinderlijk taalgebruik, want dat zou afbreuk doen aan de gelijkwaardige verhouding tussen de vader en zijn dochter. Ook het taalgebruik van de dochter en de beer in de dialogen is met elkaar in evenwicht.
Een betoverende werking
De beer is zeker geen moralistisch boek, er wordt een natuurlijke wereld beschreven waar wij misschien ver van afstaan, maar die als een paradijs wordt gepresenteerd. Het zet aan het denken, zonder dat de lezer zich schuldig hoeft te voelen over het leven dat hij zelf leidt. Omdat de personen, de dieren en de plantenwereld met elkaar in balans zijn, krijgt De beer een betoverde werking, je zou de roman wel willen binnenstappen om deze nieuwe wijze van leven en de daarbij behorende opvattingen te leren kennen. Het is moeilijk het boek, dat stilistisch meer het karakter heeft van een novelle dan van een roman, weg te leggen. Het in één keer uitlezen van het boek is een bijzondere en indringende leeservaring. Het is een verademing tussen de vele boeken die zich in de moderne wereld afspelen, over verstedelijkte samenlevingen waarin allerlei problematische situaties onder de loep genomen en psychologisch verklaard worden. De beer is een unieke en hoopgevende sprookjesachtige roman, waarin de natuur centraal staat.
Podium van Europa. Creativiteit en ondernemen in de Amsterdamse Schouwburg van de zeventiende eeuw
Het is helaas nog even wachten tot we weer van een live theatervoorstelling mogen genieten, maar voor wie het toneel mist en graag meer te weten komt over de geschiedenis van de Schouwburg van Amsterdam, is er Podium van Europa. Creativiteit en ondernemen in de Amsterdamse Schouwburg van de zeventiende eeuw. Het boek is geschreven door Frans Blom en verscheen onlangs bij Querido. Blom verwerpt in deze geschiedenis onder andere de aanname dat toneel destijds enkel iets was voor the lucky few: toneel was er ook juist voor de massa, en populair bovendien.
Ook waren de Nederlandse uitvoeringen vaak gebaseerd op, of bewerkingen van, oorspronkelijk anderstalige stukken (Titus Andronicus is in dezen een bekend voorbeeld): de theatertraditie was een internationale, en verschillende theatergezelschappen en toneelschrijvers beïnvloedden elkaar. Podium van Europa is een lijvige geschiedenis: het telt ruim 500 pagina’s.
Maar als Blom net zo bevlogen vertelt als hij doet tijdens zijn letterkundecolleges (die ondergetekende tijdens haar studie met veel plezier bijwoonde), dan belooft Podium van Europa een levendig en kleurrijk beeld te schetsen van de ontwikkelingen in de Schouwburg gedurende een belangrijke periode in de Nederlandse geschiedenis.
Auteur: Frans Blom
Uitgeverij: Querido
Echt gebeurd op papier
Zet een (onervaren) verteller op een podium en vraag diegene een verhaal te vertellen aan een publiek, met als enige voorwaarde: het is echt gebeurd. Dat initiatief van schrijvers Paulien Cornelisse en Micha Wertheim werd 12,5 jaar geleden voor het eerst georganiseerd in de vorm van een middag in comedyclub Toomler (Amsterdam). Cornelisse en Wertheim baseerden het op het Amerikaanse concept The Moth.
De sprekers zijn als gezegd geen ‘beroepsvertellers’, maar ‘gewone’ mensen met een bijzondere persoonlijke anekdote die aansluit bij het thema van de desbetreffende editie. Het leverde een grote hoeveelheid intrigerende en grappige verhalen op (zo’n 5.000!), die resulteerden in de gelijknamige podcast en waarvan de auteurs er 72 bundelden in Echt Gebeurd op papier(verschenen bij De Harmonie). Naast de podcast en de bundeling zijn er speciale edities van Echt Gebeurd geweest op onder andere IDFA, Crossing Border en Lowlands.
Auteur: Paulien Cornelisse, Micha Wertheim
Uitgeverij: De Harmonie
De mannen die we oogstten
Jesmyn Ward publiceerde haar memoir Men We Reaped in 2013. Nu is het boek in Nederland verschenen bij uitgeverij Atlas Contact, in de vertaling van Astrid Huisman, als De mannen die we oogstten. Ward schrijft over de vijf mannen die ze verloor door uiteenlopende gebeurtenissen, maar met institutioneel racisme, dat zo diep verankerd is in de Amerikaanse samenleving, als gedeelde oorzaak.
Ward werd geboren in Californië en verhuisde op haar derde naar DeLisle, Mississippi, waar ze woonde met haar moeder, broer Joshua, zusjes Nerissa en Charine en neefje Aldon. Ze overleefde orkaan Katrina, waarover zij de roman Salvage the Bones (2011) schreef, en was de eerste in haar familie die naar de universiteit ging. In De mannen die we oogstten schetst Ward aan de hand van haar persoonlijke relaas het racisme, de armoede en het kansarme toekomstperspectief van de Zwarte gemeenschap in de VS.
Het boek werd door New York Magazine een van de beste boeken van de 21e eeuw genoemd. Eerder verscheen bij Atlas Contact haar Sing, Unburied, Sing in de Nederlandse vertaling Het lied van de geesten (2017). Ward ontving maar liefst twee keer de National Book Award voor fictie, in 2011 en in 2017.
De omvangrijke romancyclus De Tandeloze Tijd van A.F.Th. van der Heijden heeft een spraakmakend vervolg gekregen. Reeds een maand voor publicatie van Stemvorken slingerde het podcast- en schrijversduo van Damn Honey een Instagram-post de wereld in die er niet om loog. Wederom eigent een witte heteroman zich het verhaal toe van een groep waartoe hij niet behoort: dat van verliefde lesbiennes. Waren er geen vrouwelijke queers die deze vorm van liefde beter konden verdichten? Hier lijnrecht tegenover staat het cliché van de auteur als geniale ‘homo universalis’, die na wat denk- en speurwerk over alles zou mogen schrijven. Van dit adagium bedient Van der Heijden zich. In de proloog schrijft hij over de figurerende personages dat ze zich van hem hebben losgemaakt ‘om zich op papier te verzelfstandigen.’
Autonome figuren dus, die geenszins gecorrumpeerd zijn door een witte, hetero, mannelijke blik: de male gaze. Aan ondergetekende recensent, met blinde vlekken, de dankbare taak Stemvorken te beoordelen. Het boek is monumentaal te noemen, alleen al vanwege de 888 pagina’s woordkunst waarop Van der Heijden zijn lezers trakteert. Waar het de verwoording van gevoelens betreft, kent het Nederlandse taalgebied geen gelijke aan de geboren Brabander. Toch is de geleverde kritiek terecht. Dit is geen verhaal van twee vrouwen die van elkaar houden: hoe overtuigend Zwanet Egberts ook vanuit de ik-vorm reflecteert op de affaire tussen haar en Corinne Suwijn, steeds voelt het alsof er een man aan het woord is. En wat voor een…
Talige verleiding – de erotiek van zinnen
In een roman die zo veel bladzijden bestrijkt, móét het meesterschap van Van der Heijden wel schitteren. Dat gebeurt ook. De plot heeft weliswaar letterlijk en figuurlijk weinig om het lijf – Zwanet en Corinne verliezen zich in een noodlottige romance, wat de directe omgeving nauwelijks kan verkroppen – het is niet de seksualiteit waarmee de schrijver ons bedwelmt. Waar normaliter de volwassen erotiek zinnenprikkelend wordt genoemd, zijn juist de passages buiten de seks om het verleidelijkst. ‘Zinnenprikkelend’ krijgt zodoende een nieuwe betekenis: spreuken betoveren de lezer.
Zwanet is ongelukkig in haar huwelijk met toneelschrijver Albert, een onuitstaanbare allesweter: ‘Hij kan geen kreupele vinden zonder over voeten te beginnen.’ In hun rijke buurt vlakbij de Zuidas maakt verveling plaats voor vervoering, waar echtelijke ruzies de sporadische hoogtepunten vormen: ‘een schervengericht van versplinterend vaatwerk.’ Na een ontmoeting met Alberts jeugdliefde Corinne en flink wat gin tonics in hun weelderig bloeiende tuin, volgt de eerste stiekeme zoen in de vestibule. Het zou niet de laatste zijn: ‘hou ik nog wel van hem? (…) Het vraagteken diende uitsluitend nog om de al te harde waarheid een reddingshaak toe te steken.’ De vrijpartijen worden steevast bezegeld met een nonchalant in de rechterhand vastgehouden, nasmeulende sigaret: ‘Rokers die kringels de lucht in blazen, beelden hun eigen strop uit.’ Hoe omineus dit ook klinkt, de liefde tussen de twee dames is inderdaad allesverzengend, dient niets anders dan zichzelf en verteert beide minnaressen van binnenuit: ‘Cupido’s boog bestond uit de schakels van een wervelkolom.’
Even ziet het ernaar uit dat Van der Heijden via de vrouwenliefde genadeloos afrekent met het patriarchaat. Albert wordt uit de echtelijke sponde verdreven, mag de vrijages van zijn vrouw en haar Corinne slechts via het sleutelgat beloeren en hij wordt samen met Corinnes man Hans voortdurend belachelijk gemaakt. Over hun sukkelige orgasmes schampert Corinne: ‘‘De pols met de holle vuist nog even als jaknikker, en meneer mag zich weer voor even Giant wanen. Grote jongen… hij is braaf.’ Soms deed ze me denken aan die knettergekke tante van Albert, Tientje Poets, die ook zo kon doordraven, veel erger nog, als het over de mannen in haar leven ging.’ Maar het register van Tientje Poets, alias De Helleveeg, weigert Van der Heijden open te trekken.
Twee vrouwen die zoenen is geil
De titel Stemvorken verwijst in eerste instantie naar de twee stemvorken die Corinne in haar Louis Vuitton-tas bewaart voor haar gitaar. Al snel wordt echter duidelijk dat de naam een knipoog is naar de seksuele positie waarin lesbische vrouwen het liefst vrijen, als we het boek mogen geloven: scharend, als twee kruislings verklonken objecten. Omdat de titel ontegenzeggelijk de nadruk legt op intimiteit tussen twee vrouwen, verdienen de sekspassages een grondige analyse.
Albert loert door het sleutelgat naar de bezigheden van de tortelduifjes en dan zegt Corinne: ‘De male gaze. Als een man, zoals ze zeggen, zijn blik is… en dat geldt zeker voor een voyeur als Albert… dan kunnen we hem er in zijn geheel in gevangenzetten.’ Hier lijkt Van der Heijden zich bewust te zijn van het gladde ijs waarop hij zich begeeft, maar begaat een schwalbe: door het seksistische fenomeen te benoemen, is het nog niet omzeild. Even later merkt Corinne namelijk op: ‘Mannen, heb ik altijd geleerd, zijn van nature voyeurs. De exhibitionisten, dat zijn wij… de sletten die hun benen openen en met een glibberige spleet hele reeksen mannelijke oogballen opslorpen, alsof het oesters zijn.’ Met andere woorden, het is logisch dat mannen naar vrouwen blikken, want vrouwen hebben zoveel prachtigs dat ze laten zien.
De opmerking in de proloog dat de personages zich verzelfstandigd zouden hebben van Van der Heijden, verloochent de auteur in talloze fragmenten. Hij overschreeuwt bij vlagen zijn opgevoerde verteller: niet Zwanet, maar Van der Heijden spreekt. Als Zwanet en Corinne elkaar in het Amsterdamse Bos willen kussen, bemerken ze dat ze een droge mond hebben. Alleen speeksel opwekken helpt: ‘Vrouwen weten verdomd goed waar het spog te halen is wanneer ze het nodig hebben.’ Wanneer Corinne nostalgisch mijmert over haar dochter Rita, die ze vanwege een modellencarrière amper heeft opgevoed, brengt ze uit: ‘‘Je kunt bij haar precies zien wat voor heerlijk harde tietjes ze straks krijgt.’’ Op zeker moment wil Corinne geen orale seks van Zwanet, waarna Zwanet haar weigering negeert en over Corinnes geslacht zegt: ‘De achilleshiel van de vrouw, waarin haar hele weerloosheid zich blootgaf, ten gunste van de wonderschone aanblik.’ Corinne laat zich overrompelen en geeft de #Metoo-beweging nog even een ironische sneer, ‘Boor maar wat dieper… verkracht me met die vinger…dan doe ik straks wel aangifte op het bureau.’
Besluit
Zowel inhoudelijk, als stilistisch sijpelt de ware vertelinstantie door in Stemvorken. Zwanet, geboren en getogen Amsterdamse, blikt als volgt terug op de zoveelste extatische intimiteit: ‘Zonder erg, misschien als postcoïtale tic, stond ik met het luciferdoosje te rammelen.’ Een echte Amsterdamse zegt hier natuurlijk ‘Zonder er erg in te hebben’. ‘Zonder erg’ is een typisch Brabantse zinsnede, die gebezigd wordt, om maar iets te zeggen, door een in Geldrop geboren Nederlandse auteur. Stemvorken overtuigt als onderdeel van De Tandeloze Tijd, maar doorstaat het ook, zoals de erotische poëzie van Sappho uit Lesbos, de tand des tijds?
Eind april was ik eindelijk weer eens in Amsterdam. Vanaf Centraal station nam ik tram 2, (of 12) naar het Leidseplein, vandaar moest ik een stuk lopen. Ik had een interviewafspraak met een schrijfster van geweldig bizarre verhalen. Het was stil in de tram. Bij het Leidseplein tegenover het American hotel stapte ik uit, vlakbij was een brug, moest ik links of rechts? Ik liep eerst een stuk naar links, tot ik begreep dat ik rechts moest. Het regende alsmaar, ik droeg een afgrijselijk grijze, lange regenjas, capuchon over mijn hoofd. Een gele tas dwars over mijn schouder. Ik werkte me door de straten heen, keek uit naar een bloemenwinkel, voor de schrijfster. Toen ik die niet vond, kocht ik bij een buurtwinkel een fles wijn, een rode wijn. Er was geen speciale verpakking voor de fles. Wel een papieren zak, waardoor ik aan New York moest denken. Waar ze in parken en portieken uit papieren zakken hun alcoholische drank drinken. Het was zo guur en koud in de stad dat ik dat ook wel wilde doen.
Er waren weinig mensen op straat, enkel daklozen, die aan de roep om thuis te blijven geen gehoor konden geven. Ik zag ze in groepjes in portieken, in voorportalen van winkels die gesloten waren, voor de ingang van een AH. De lange mouwen van trui of jas waarin handen verdwenen, afhangende schouders, plastic tasjes. Als waren de daklozen achtergebleven voorwerpen, vergeten. De stad als een rommelige zolder nadat die was opgeruimd, heerlijk overzichtelijk gemaakt. De overgebleven dingen waarvan je niet weet wat je ermee moet kwamen in beeld. In de verhalen van de schrijfster waarnaar ik op weg was, figureren mensen die nergens bij horen, niet meer mee doen. In het verhaal, ‘De dag dat Alfred besloot te gaan liggen’, heeft een man er genoeg van. Van stoplichten die maar niet op groen springen, vervelende gesprekken op de zaak, een wasmachine die het opgeeft net nadat de koelkast vervangen is, onbegrijpelijke brieven van de Belastingdienst.
Tijdens een wandeling door een sjieke buurt gaat de man op het trottoir liggen. ‘Zijn ledematen spreidde hij uit. Een bleke zeester in een grijze pantalon en groen-blauw ruitjesoverhemd. De bestrating was al een beetje warm van de vroege lentezon’. Hij vindt het wel lekker zo. Er wijst een kind naar hem, ‘niet aanzitten’, zegt de moeder. ‘”De jottem”, murmelde Alfred, en hij lachte zachtjes om zichzelf.’ Er snuffelt een hondje aan hem. Een dakloze zegt ‘goede morgen’, de postbode rijdt met zijn postkarretje over zijn enkels, een oude man denkt dat hij onderdeel is van een kunstroute. Alfred verdwijnt in de omgeving, straatvegers vegen opgehoopte bladeren uit zijn oksels. ‘Hij was, mijmerde hij onder een stofstorm die tachtig jaar duurde, de laatste en enige man op aarde, en dat was nooit anders geweest.’ Een fantastische zin in een, ja, toch wel opbeurend verhaal, waarna hij voorgoed de ogen sluit.
Ik was te vroeg, wachtte tot het tijd was, belde aan. Beklom de vijf (ik was gewaarschuwd) inderdaad lange trappen van een oud zusterhuis, werd verwelkomd.
De dwaler, verhalen/ Roos van Rijswijk / 204 blz. / Uitg. Querido
Inge Meijer reist met het OV, vergeet geregeld haar mondkapje, leest boeken uit.
Dingen die je meeneemt op reis is de debuutroman van Aroa Moreno Durán, (Madrid, 1981). Ze publiceerde eerder een biografie over Frida Kahlo en Federico García Lorca. In het Spaans heet deze korte, indringende roman ‘La hija del comunista’ (Dochter van de communist), een titel die zoveel beter past. Dingen die je meeneemt op reis, is wat luchtig voor dit diep droeve verhaal, dat overigens maar 165 bladzijden telt. Kort en krachtig in uitstekende vertaling uit het Spaans van Corrie Rasink.
Katia woont met haar Spaanse ouders en jongere zusje in Oost-Berlijn in ballingschap. Haar vader vocht in de Spaanse burgeroorlog met de communisten tegen de fascisten en gelooft heilig in het Communistisch systeem. Hun leven in Oost-Berlijn is eenvoudig en armoedig. De sfeer is vaak beklemmend, maar het nest is warm. De moeder is haar man gevolgd uit liefde, maar weigert Duits te leren. De vader werkt in een fabriek. Hij beschermt zijn dochters en heeft met Katia een sterke band.
Verlangen naar dat andere
Naarmate Katia ouder wordt heeft ze vragen. Ze studeert en leest wat ze te pakken kan krijgen, kent de beperkingen van dit leven in Oost-Berlijn maar bij gebrek aan vergelijkingsmateriaal klaagt ze niet. Totdat ze Johannes ontmoet, een knappe en intrigerende Duitser uit het westen die haar bijzonder vindt. Haar nieuwsgierigheid en verlangen naar dat andere wat er moet zijn, maar waar ze geen idee van heeft, wint het van de loyaliteit naar haar ouders. Ze wordt nieuwsgierig naar het leven aan de andere kant (van de muur). En even verandert het verhaal in een liefdesgeschiedenis wanneer Johannes haar beweegt om te vluchten en ze in een impuls ja zegt. Vervolgens regelt hij een zeer gevaarlijke vluchtactie voor haar.
Haar nieuwe leven begint in een dorpje in Zuid-Duitsland, maar ze blijft een ossie, een oustsider. Ze mist haar ouders en zusje met wie ze de volgende twintig jaar geen contact heeft. Haar huwelijk met Johannes taant, met haar stijve schoonouders heeft ze geen klik en tot haar eerste dochtertje voelt ze afstand. ‘Toen het eerste meisje Theresa werd genoemd, bracht ik daar niks tegen in. Het is gebruikelijk om het eerste kind naar haar oma van vaders kant te vernoemen, zei Johannes. O. Er was niemand met wie ik erover kon praten. Toen bedacht ik dat Theresa ook een Spaanse naam was. …’
Heimwee naar en herinneringen aan wat ze achterliet worden pijnlijk scherp en ze vraagt zich af of het ‘t allemaal waard was. Pas als de muur in 1989 valt en ze in 1992 teruggaat en haar moeder en zusje terugziet, beseft ze welke desastreuse gevolgen haar vlucht voor haar familie heeft gehad.
Een lange herinnering
Dingen die je meeneemt leest als een lange herinnering van Katia. De korte hoofdstukken zijn vanuit Katia’s ik-perspectief, de proloog en laatste hoofdstukken zijn in de derde persoon enkelvoud geschreven. Aanhalingstekens om dialoog aan te geven of beletseltekens om een zin af te breken worden niet gebruikt, wat even stoort, maar snel went. Die herinneringen slaan op de Nederlandse titel, uiteindelijk zijn die, samen met een nikkelen pen, een Spaans insigne van haar vader en een Russische bontmuts van haar moeder, het enige wat Katia meeneemt naar het westen.
Het verhaal begint in 1956, Katia is een jaar of zes, zeven en heeft haar eerste sterke herinneringen: Het trappenhuis en de buren, een vakantie aan zee met een geleende trabant, een bezoekje aan Spaanse vrienden in Leipzig, die ze daarna vreemd genoeg nooit meer zien. Een het land binnengesmokkelde Spaanse bief aan haar moeder gericht, die besmeurd raakt met het bloed van sardientjes. De kartonnen koffer, die zij en haar zusje tijdens het verstoppertje spelen onder het bed van hun ouders vinden. Die koffer is verboden terrein voor de kinderen. ‘Er is veel wat je nog niet begrijpt, omdat je niets over de oorlog weet. Dat weet ik wel, mama, sommige dingen weet ik wel. Ik heb het niet over die van hier, maar over onze oorlog.’
Loyaliteit versus vrijheid
Of de herinnering aan haar vader die uren in gedachten verzonken voor het raam staat. ‘Door het enige raam dat op straat uitkeek was een leegstaand huizenblok te zien. Dat doet oorlog, die maakt alles kapot, zei papa, die vaak zwijgend voor de ruit stond. Alsof hij voorbij de sneeuw wilde kijken, voorbij de enige nog weerstand biedende boom, en voorbij het duister. Voor mij was de oorlog een schim, een witte vlek, iets wat lang geleden had plaatsgevonden En hoewel overal een sfeer van verwoesting hing en alle kinderen loopgraafje speelden, kan ik me er niks bij voorstellen.’
Het woord stasie wordt nooit genoemd, maar alles draait om loyaliteit versus vrijheid (van meningsuiting). Met op de achtergrond de terreur van een onderdrukkend regiem, al blijft de beklemming en de uitdieping van de personages wat vlak. Aroa Moreno Durán heeft de thematiek vooral verwerkt in Katia’s verhaal, die naïef was over de gevolgen van haar vlucht. Hoewel het verhaal fictie is, wordt een stuk naoorlogse geschiedenis beschreven, die niet verloren mag gaan, al is het alleen maar omdat de geschiedenis zich niet mag herhalen, of zoals de laatste bladzijde meegeeft: ‘Zevenentwintig jaar na de val van de muur zijn er over de hele wereld meer dan vijftien muren waarmee mensen op gewelddadige wijze worden tegengehouden.’
Zoals Ian McEwan in zijn boek Notendop beschrijft hoe Hamlet al in de baarmoeder aan het filosoferen slaat, zo belicht Joke van Leeuwen in haar nieuwste boek haar kijk op de wereld vanuit het gezichtspunt van een foetus. Met name vanuit het hiernamaals waar de achttienjarige Dinka het verhaal vertelt. Het is daarboven zoals in de Bijbel wordt beschreven: ‘een poort van smaragd en een stad met gouden straten’. Niemand maakt zich druk over vragen of je in de eeuwigheid nog nagels en haren hebt, zoals de middeleeuwse scholastici deden. De laatsten zijn er de eersten, en duizend jaar is er als één dag. Een contingent maagden is er niet, maar wel Dinka’s doodgeboren zusje.
Het gezin
We gaan terug in de tijd, toen Dinka, de ik-figuur in de baarmoeder nog ‘aan het worden’ is. Samen met haar Siamese tweelingzusje Dinska, de jij in het boek. Dinska sterft in de baarmoeder als ze bijna zijn volgroeid en wordt na de geboorte van Dinka gescheiden. Hun vader is procesmanager binnen het bank- en verzekeringswezen, hun moeder suppoost in het plaatselijke museum voor moderne kunst. Deze twee werelden worden geïroniseerd, zoals in respectievelijke films als The Lawyer en The Square. Er wordt door de auteur niet gezocht naar betekenissen van bijvoorbeeld kunstwerken, want misschien zijn die er wel niet. Omdat de kunstwereld de moeder begint te vervelen, start ze een adempraktijk aan huis en na hun verhuizing naar een villa met een grote tuin switcht ze weer naar Intuïtief Schilderen.
Op school wordt Dinka geplaagd (Dinka Stinka) en belandt ze vaak in de hoek. Daar valt het haar op, dat beide wanden van de hoek allebei geel zijn geverfd, maar ook dat ze door de lichtval toch anders lijken, waardoor ze ‘nooit kan weten of ik echt zie wat ik denk dat ik zie, want hetzelfde kan verschillend zijn’. Als een Siamese tweeling, en ook eenzelfde soort beeld als waarmee het boek begint: ‘een harde tegelvloer die een optische illusie vormt van kubussen’. Dinka zag de vloer van dichtbij, ze viel er languit op en overleed uiteindelijk aan die val. Het beeld van de hoek waarin Dinka op school moet staan en waarvan beide wanden geel zijn geverfd, de lichtval die ze anders doet lijken, doet sterk denken aan een van de late schilderijen van Edward Hopper: Zonlicht in lege kamer. En die harde tegelvloer met de optische illusie refereert natuurlijk aan schilderijen van Vermeer en tijdgenoten. Détails die benadrukken hoe beeldend Joke van Leeuwen te werk gaat. Zij is immers ook een gevierd, soms wat absurdistische tekenaar en mede-auteur van kinderboeken als Het Grote Rembrandt voorleesboek en Het grote Rijksmuseum voorleesboek.
Dinka en Mier
Ook Mier (Miranda), een interessant personage met meerdere kanten en een paar klassen hoger zit, staat ook vaak in de hoek. Dinka kan echter ‘niet naar haar toe om te vertellen dat ze op het licht moet letten, omdat niets is wat het lijkt, door dat licht’. Mier zit in een kindertehuis, waar de meisjes ook naar de vloer kijken, ‘waar het zonlicht dat door een boom achter het raam scheen dansende vlekjes op toverde’. Dinska in de hemel is jaloers op haar zusje, dat meer bezig lijkt te zijn met Mier dan met haar nagedachtenis. Uiteindelijk worden Dinka en Mier geliefden en streelt Mier vaak en graag het litteken waar Dinska aan Dinka vastzat. Gaandeweg komen we te weten, dat de moeder van Dinska en Dinka de dochter van vluchtelingen is. Een gegeven dat verder niet of nauwelijks een rol speelt, zoals dat in bijvoorbeeld Van Leeuwens boek De onervarenen wel het geval is.
Rake karakteristieken
De bedachtzame Dinka en vooral Mier worden, net als de moeder, raak gekarakteriseerd. Wat de moeder betreft inclusief een tijdsbeeld met windgongen, die ze aan het balkon had bevestigd, en uitspraken over nieuwetijdskinderen. Joke van Leeuwen wisselt deze rake details af met ironische beschrijvingen over de wereld van de ouders, quasi-poëtisch en met humor beschreven. Leuk is een typische Van-Leeuwen-taalvondst als ‘Boven de hoofden klinkt zachte muziek waar haar oren over uitglijden’. Een enkele keer schemert door, dat de schrijfster in Vlaanderen woont (‘binnen te raken’). Al met al een mooie, nieuwe van Van Leeuwen.
De stad Kampen had ooit twee tolpoorten die flink wat geld opbrachten. Dat bracht de vroedschap op de gedachte dat zij de inkomsten zou kunnen vervijfvoudigen door nog acht tolpoorten extra te bouwen. Het is één van de talrijke voorbeelden van domheid die Matthijs van Boxsel debiteert in zijn alsmaar groeiende reeks publicaties over het verschijnsel. De domheid waarin hij zich al een leven lang verdiept is die waarin de mislukking centraal staat van wat slim bedoeld was. Domme daden waarvan degene die ze begaat weet dat ze stom zijn vallen er niet onder, zoals doorgaan met roken terwijl je naasten aan longkanker zijn gestorven.
Wat de domheid dan wel precies is kan Van Boxsel niet strikt definiëren. Zijn uitgangspunt is al jaren zijn spitsvondige stelling dat geen mens intelligent genoeg is om zijn eigen domheid te begrijpen. Het is zijn eigen draai aan het Bijbelcitaat (1 Kor. 3:19): ‘De wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor God’. Zijn omkering van die stelling leidt tot de conclusie dat onze intelligentie uiteindelijk niet meer is dan een reeks min of meer mislukte pogingen om onze domheid te beteugelen.
De nieuwste studie van Van Boxsel (1958) is De topografie van de domheid. Het heeft betrekking op plaatsen die geassocieerd worden met domheid, de zogenaamde ‘domoorden’. Het boek kan worden beschouwd als het vierde deel in een reeks die in 1999 begon met De encyclopedie van de domheid, in de jaren erna gevolgd door Morosofie (over wijze dwazen en dwaze wijzen in Nederland en Vlaanderen) en Deskundologie (Domheid als levenskunst).
Nieuw verband
De obsessie met het onderwerp begon voor Van Boxsel, zoals hij in zijn eerste deel beschrijft, met Robert Musil. Enthousiast geworden over De man zonder eigenschappen van deze Oostenrijkse schrijver ging hij alles van hem lezen en stuitte toen op diens Über die Dummheit uit 1937. Hij studeerde in 1983 af met een studie naar aanleiding van dit werk. De domheid zou hem niet meer loslaten.
De genoemde grote publicaties zijn nauwelijks systematische verhandelingen, maar een alsmaar uitdijende zoektocht naar het wezen van de domheid en de betekenis ervan voor onze menselijke ontwikkeling. Dat al zoekende schrijven heeft tot gevolg dat Van Boxsel zich in de vier delen nogal eens herhaalt. Het in de aanhef aangehaalde idee van de Kampenaren om het aantal tolpoorten uit te breiden en vele andere domheden duiken in De topologie van de domheid bijvoorbeeld een paar keer op en ze stonden soms ook al in de eerdere delen. Toch stoort dat niet. Van Boxsel zet de voorbeelden steeds weer op een verfrissende manier in en verknoopt ze op een onnavolgbare manier tot een nieuw verband.
Stultodroom
In De topografie van de domheid richt de auteur zijn aandacht op plaatsen die als bolwerken van domheid bekend staan. Elk land kent ze. Ook Nederland is er op een bij het boek geleverde overzichtskaart flink mee bespikkeld. Kampen is de onbetwiste hoofdstad van de domkoppen met Dokkum als goede tweede. Op Europees niveau stelt Van Boxsel een interessante ‘stultodroom’ (een denkbeeldige lijn van domduidingen) vast die parallel lijkt te lopen met bergketens, rivieren en andere obstakels, maar ook met religieuze, taalkundige en politieke grenzen. Hij schuift globaal op van west naar oost: Nederlanders vinden Belgen dom, Belgen Luxemburgers, Luxemburgers Duitsers enzovoort enzovoort, om uiteindelijk via Iranezen, Irakezen, Turken en Grieken op de Balkan te eindigen. Alle landen hebben er blijkbaar behoefte aan domheid aan een plaats te koppelen. Dat was in de vroegste geschiedenis al zo, toen bijvoorbeeld Boeotië het summum van domheid voor de oude Grieken belichaamde. Daarom noemt Van Boxsel de vele universele ‘domdaden’ of grappen ‘boeotiana’ of – wat Nederland betreft met een verwijzing naar Kampen – ‘Kamper uien’.
Identiteit en mythe
Van Boxsel is sterk in paradoxale formuleringen en analyses. Als hij onderzoekt wat beschuldigingen van domheid binnen Nederland (het is altijd de ander die dom is) met onze identiteit te maken hebben en vaststelt dat dé Nederlander niet bestaat, luidt het: ‘Het ontbreekt Nederland niet aan inwoners, maar aan Nederlanders’ en ‘Martelaarschap is domheid met een heroïsch gezicht’.
Een fraai voorbeeld is wat hij ‘de paradox van Kampen’ noemt: die stad is ooit een vestiging geweest van kolonisten die het veen gingen afgraven om landbouw mogelijk te maken. Dankzij die ontginning kwam het land lager liggen, werd de Zuiderzee van een zoetwatermeer een verzilte binnenzee en kreeg Kampen door smeltwater via Rijn en IJssel steeds meer last van hoogwater. ‘De mythe dat de Nederlandse identiteit zich heeft gevormd in de strijd tegen het water, verhult dat we de ramp over onszelf hebben afgeroepen’.
Aan onze identiteit ligt voortdurend tweespalt ten grondslag. Daarom doen we net alsof onze nationale zaak wordt bedreigd door buitenlanders, immigranten of door andere binnenlanders. We herkennen in de ander een vreemde versie van onszelf. ‘Kort gezegd: in de ander lachen we onze eigen domheid uit’. Door te doen alsof al die grappen hun oorsprong vinden in oude geschiedenissen, miskennen we dat idiotie van alle tijden is, ook de onze: ‘Domheid is de motor die de beschavingsgeschiedenis gaande houdt’.
Lachspiegel
Spotnamen voor steden en dorpen kunnen heel verschillende bronnen hebben. Soms geeft een plaatsnaam er aanleiding toe (Domburg, Oenkerk), soms bekendheid om specifieke attributen of gewoonten (‘Boterpotten’ voor Oostburgers in Zeeland of Wittewierumers in Groningen; ‘Keitrekkers’ voor Amersfoorters). Dommigheden worden onder meer verteld in de vorm van kluchten of moppen. Daar is een groot verschil tussen. De mop is zo onwaarschijnlijk dat ze de lokale spot overstijgt. Eigenlijk is niet de inhoud belangrijk, maar de pointe. In een klucht gebeurt het tegenovergestelde: de pointe is al meteen min of meer duidelijk; de klemtoon ligt op het vertellen en het vermaak. De mop is voor eenmalig gebruik; de klucht kan herhaald worden omdat hij een lachspiegel is. Een speciale categorie vormen de surrealistische moppen. Ze verwijzen volgens Van Boxsel naar onze algehele verwarring over onze plaats in een geglobaliseerde wereld. Een mooi voorbeeld is die over de pinguïn die bij de bakker een brood vraagt. Op de vraag ‘Wit of bruin?’ antwoordt de pinguïn: ‘Maakt niet uit, ik ben toch met de scooter’.
‘Uniek stukje geschiedenis’
Een enkele keer laat Van Boxsel zien hoe we ons in onze eigen tijd aan dommigheden schuldig maken. We kunnen meewarig lachen om die Kampenaren met hun vele poorten, maar hoe vaak blijkt niet dat de moderne stedelijke architectuur de relatie tussen doel en middelen miskent? En wat voor hogere wiskunde zit er achter het idee om van tweebaanswegen vierbaanswegen te maken met als gevolg verkeerscongestie bij de stadsgrenzen. De bedoeling was toch juist files te voorkomen?
Hilarisch is het hoofdstuk dat Van Boxsel wijdt aan het leasurepark Esonstad in Friesland, genoemd naar een mythisch stadje bij Dokkum en thans geëxploiteerd door Landal. De woningen zijn er ‘opgetrokken in een zestiende- en zeventiende-eeuwse “oud-Friese stijl”’, waarin alles standaard is uitgerust: ‘Een uniek stukje geschiedenis herleeft’, blaten de folders. Maar er was nooit een origineel Esonstad. ‘De projectontwikkelaars zullen niet rusten voor heel Friesland op Friesland lijkt’, verzucht Van Boxsel.
Als toegift roept hij de aanleg van het Lauwersmeer in herinnering. Prins Hendrik keek bij een bezoek vanaf de dijk naar de Lauwerszee en vroeg aan een polderbestuurder: ‘Is dat nu de Atlantische Oceaan?’, waarop de notabele antwoordde: ‘Jawel Majesteit, maar dan in een ver verwijderd verband’. Zo kunnen we volgens Van Boxsel zelfs volhouden dat Esonstad naast New York ligt.
Geuzennaam
Wat kunnen al die ‘domoorden’ in Nederland, die door de ‘Kamper uien’ (je realiseert je ineens hoe knap de vondst van Koot en Bie was om hun gemeente Juinen te noemen!) te kijk lijken te worden gezet doen als verweer? Verzet tegen de naam heeft geen zin. Dat bevestigt vaak juist de profetie.
In het buitenland bestaan voorbeelden van plaatsen die hun naam veranderden in de hoop geen mikpunt van spot te blijven. Zo werd Ganslosen in Duitsland Auendorf en ging het Zwitserse Thurstuden zich Sonnental noemen. Zonder resultaat.
Nee. Dan kun je beter je spotnaam tot geuzennaam verheffen. Zo toverde Kampen een zomerevenement uit de hoge hoed onder de naam Kamper Ui(t)dagen. Het is een toeristische trekpleister geworden. Spot werd zelfspot.
Een mooi besluit van De topografie van de domheid is dan ook: ‘Domheid (…) getuigt van een teveel aan ideetjes, aan dadendrang, aan denkkracht. Domheid heeft niets passiefs, domheid is een roeping. Domheid is geen gebrek’. En: ‘De uien tonen op komische wijze de tragische kern van ons bestaan: dat de mens alleen via schade en schande wijs wordt’. Wat is De topografie van de domheid na de vorige drie delen over domheid opnieuw een wijs boek!
In Onze kinderen van Renée van Marissing, haar vierde roman, moeten de zussen Mia en Iris in een Fries dorp het huis opruimen van hun vader die kort daarvoor is overleden. Van Marissing is ook toneel- en hoorspelschrijver, performer en regisseur. Daaraan zal het te danken zijn dat de gebeurtenissen in de roman in bondige, snelle scènes en veelal korte zinnen zijn verwerkt.
De ouders van de Amsterdamse Mia en Iris zijn al lang geleden gescheiden. De vader, Nico, was een man met een drankprobleem. In flashbacks vertelt ik-persoon Mia het verloop van de relatie met hun vader. In het heden speelt Mia’s relatie met Sally die zwanger is van hun eerste kind. Sally is de rots in de branding. Ze zit rustig en vrolijk zwanger te zijn, overziet situaties, is geduldig en begripvol en zegt verstandige dingen.
Ook als Mia afwezig is bij zwangerschapscontroles want druk, druk, druk, en niet weet wat een geboorteplan is, berust Sally met slechts een enkele opmerking. Zelf had Mia niet de behoefte haar DNA door te geven. ‘Ik zie mijn genen bij bosjes op slot gaan, een steeds gemankeerder lichaam, en ik vervloek de epigenetica.’ Als Mia ergens in het boek denkt ‘Ik krijg een kind’ dan komt dat ietwat bevreemdend over omdat zij er biologisch niet aan te pas komt, al is de beleving vanuit haar standpunt begrijpelijk.
Slechte herinneringen
Voor het opruimen van Nico’s woning heeft Iris een container gehuurd. Die is hoog, er is een trap nodig om de spullen erin te deponeren en Mia worstelt zelfs in haar eentje om een bank buiten te krijgen, tegen de trap omhoog te duwen en over de rand te kiepen. Wat niet lukt. Zo’n hoge container om huisraad in te laten afvoeren is een nogal onrealistische keuze van de auteur en lijkt alleen bedoeld om drama te kunnen toevoegen. Als de zussen samen in het huis zijn (Mia lijkt het meeste werk alleen te doen), verwijt Iris haar zus dat ze het voor hun vader opneemt, terwijl zijzelf vooral boos is en weinig woorden wil wijden aan de slechte herinneringen. Mia probeert echter begrip op te brengen voor de man die worstelde met het leven: ‘… mijn vader is altijd meer alleen geweest dan mijn moeder’.
Kundig verweven feiten
Tot doorleefde problematiek komt het in het boek echter niet. Of het nou het opruimen betreft, de zwangerschap of het verleden, het blijft bij situatieschetsen zonder veel diepgang. Nico heeft kanker gehad toen zijn dochters nog kinderen waren, raakte door de lange ziekte zijn werk kwijt en had na de scheiding nog een paar relaties, feiten die door Van Marissing kundig door het verhaal worden geweven. Maar de vader wordt niet echt een karakter. Er ontstaat een beeld van een man die ondanks de drankverslaving zijn dochters toch af en toe een uitje wil bieden of thuis hartelijk ontvangen, wat door het egoïsme dat een verslaafde eigen is meestal verkeerd uitvalt.
Ruim voorbij de helft van het boek wordt het verhaal beschouwender – en daarmee interessanter – onder meer aan de hand van de ervaringen en het alcoholisme van Marguerite Duras. Mia peinst: ‘…mijn drinken is een ander soort dan dat van mijn vader en Marguerite Duras. Het niet kunnen stoppen, je leven inrichten naar alcohol, ja, dan ben je verloren. Het was ondenkbaar dat er geen bier in mijn vaders huis aanwezig was, en hij wist op elke onbekende locatie in een mum van tijd een café te vinden.’
Less is more voldoet niet
Spijtig genoeg blijft Van Marissing bij geen enkele essentiële scène lang stilstaan, waardoor de gebeurtenissen voorbijgaan als dingen die nu eenmaal gebeuren met mensen die allemaal wel een groter of kleiner probleem hebben. Het geeft een beetje het gevoel dat de auteur een drama vertelt zonder te willen ingaan op de gevoelens die daarmee gepaard gaan. Sommige passages lijken er met de haren bijgesleept, zoals de ruim twee pagina’s over de film Eternal Sunshine of the Spotless Mind waarin de hoofdpersonages herinneringen aan elkaar hebben laten wissen. De auteur vertelt dit met geen andere reden dan dat Mia aan die film denkt nadat ze hem een paar dagen eerder ‘voor de zoveelste keer’ had bekeken. Natuurlijk kan de lezer daar zelf van alles bij invullen, maar less is more voldoet hier niet. En de op zich mooie scène van de eend die plotseling binnenshuis op Nico’s tafel staat en vervolgens weer buiten belandt, komt voorbij met dezelfde portee als wanneer de ik-figuur een kop koffie had gedronken.
Leed komt er niet uit
Het zijn mooie en ook treffende zinnen die Van Marissing schrijft, maar dat maakt nog niet dat verdriet en pijn in Onze kinderen invoelbaar worden. Misschien is dat het gevolg van de keuze voor drie onderwerpen binnen een kleine roman: het verleden met Nico, het heden met het opruimen en de zwangerschap. En misschien hoeft het ook niet, situaties op gevoelsniveau uitspinnen, ware het niet dat de lezer meer betrokken zou raken als zwaarwegende gebeurtenissen dieper zouden zijn uitgewerkt. Bijvoorbeeld wanneer Mia opnieuw terugdenkt aan een situatie met haar vader:
Ze is zestien en logeert twee nachten bij hem in een huis aan de Vecht van afwezige vrienden. Ze gaan naar een feestje en bij thuiskomst parkeert de dronken vader de auto van de vrienden tegen een boom. Met moeite waggelt hij langs de Vecht naar het huis. Even later laten ze de hond uit. Mia loopt voor haar vader uit en fantaseert hoe zij het niet zal horen als hij in het water valt omdat de hond net op dat moment hard blaft. Dat laat zien hoe de situatie haar bedrukt, maar daar blijft het dan ook bij. Angst, ontzetting, leed, hetzij van de vader, hetzij van de dochter, komen er niet uit.
Qua verloop zit Onze kinderen goed in elkaar en is het verhaal efficiënt verteld. Het boek leest vlot weg, aan de juiste woorden ontbreekt het Van Marissing niet. Jammer alleen van het gebrek aan pieken en dalen. Daardoor blijft het toch een beetje bij vertier met een donkergrijs randje.
In zijn verhalenbundel We vertrekken voordat het licht is brengt Wim Hofman een eerbetoon aan zijn geboortegrond Zeeland. Daarnaast legt hij een meesterlijke veelzijdigheid aan de dag: vele genres komen langs en nog op een aansprekende manier ook. Bovendien verklaart hij de natuur zijn onbegrensde liefde zonder klef te worden. Altijd ligt de ironie op de loer om de lezer alert te houden en tranentrekkerij te voorkomen. Als kers op de taart heeft Hofman zijn boek ouderwets kundig verluchtigd met prachtige, speelse illustraties. Zeeuwse kunst.
Het branievolle ‘Niets gaat boven Groningen!’ kende tot 2020 een calvinistische tegenhanger: ‘Niet iedereen houdt van Zeeland.’ Na de economische misère van afgelopen jaar revancheerde de lokale toerismesector zich met de slogan ‘Zeeland, niet normaal mooi.’ Wil dit gebied opnieuw bij toeristen in de smaak vallen, is het niet geholpen bij de mierzoete, gewild complexe versjes van Bløf. Nuchter, nauwkeurig proza redt de provincie pas echt van een financiële verdrinkingsdood. Dit heeft Wim Hofman begrepen. ‘Hoe en waar zijn de juiste en andere onvergelijkelijke onvergetelijke woorden te vinden?’
Eén stijl is geen stijl
We vertrekken voordat het licht is blijkt een bonte verzameling van uiteenlopende thema’s en tekstsoorten te zijn. Het is ondoenlijk één moraal van het verhaal te destilleren uit deze bundel. Diversiteit en verrassing houden de vaart erin. Hofman verhaalt bijvoorbeeld over een lichtautistische curator in een Natuurhistorisch Museum die niet met zijn stagiaire kan omgaan. Hij schetst de cultuur van het eiland Enland, waar men elkaar groet met ‘En?’ en kritiek pareert met een smalend ‘En wat dan nog?’. Nu eens doet Hofman uitgebreide observaties van de nabije natuur, dan weer sombert hij hoe Zeeland door de grillen der elementen én mensheid verwoest is. Hij doet verslag van een Zeeuwse kapelaan die in Zuid-Frankrijk een preek in een bergdorpje verzorgt. Daarbij vat hij een rivier in woorden door simpelweg alle hoofdletters en leestekens te verwijderen en laat hij de lezer verdrinken in een woordenwirwar, in een onvervalste stream-of-consciousness. En dit is nog maar een fractie van het brede scala dat Hofman bestrijkt.
Vanwege de genoemde veelzijdigheid experimenteert Hofman flink met stijlregisters. De schrijver zweeft van ambtelijk naar kinderlijk, van zwaarmoedig naar nonchalant, van poëtisch naar aards. Zijn grootste blijk van meesterschap geeft Hofman in een kort hoofdstuk over de schelp: ‘Alleen wat keihard is, blijft over.’ Geen enkel ander hoofdstuk schrijft Hofman zo bondig, zo hoogstnoodzakelijk op als dat over schelpen. ‘De lijven verdwijnen, alles wat zacht en teer is, verdwijnt. De wat taaiere delen ook, de sluitspier, de tentakels, de kop, ….’ Daarnaast strooit Hofman gul met assonanties, zoals in deze passage over bedompte sneeuwgeluiden: ‘Sneeuw die vastklontert onder je klompen zodat het lopen strompelen wordt en je ten slotte omvalt in de sneeuw.’ En telkens wanneer de lezer zich afvraagt of Hofman niet te veel literaire kunstgrepen in één werk wil persen, haalt de schrijver zijn eigen gezag onderuit. Zo beslaat een hoofdstuk over het Natuurhistorisch Museum en de stagiaire slechts één zin, een open einde bovendien: ‘Slot, omdat wij niet weten hoe het verderging.’ Daaronder tekende Hofman een touw met twee losse eindjes en dan snapt de lezer: dit is een stijloefening in de breedste zin van het woord. Willekeurig is het echter absoluut niet.
Attenborough van de Lage Landen
Zoals gezegd is Hofman een groot liefhebber en kenner van het natuurschoon in Zeeland. Normaliter krijgen lezers jeuk van verkleinwoorden (een dingetje, een stukje vertrouwen, een vleesje), maar in Hofmans breekbare beschrijvingen van dieren zijn ze een blijvertje. Freek Vonk is een zwetende, schreeuwende puber vergeleken met deze schrijver, wiens vertedering lijkt op die van Jan Wolkers: ‘De spinnetjes steken hun achterlijfjes met de spintepeltjes naar boven, maken vlug een paar draadjes, gaan op hun voorpoten staan en hopen dat de wind hen meeneemt, omhoog, zo hoog mogelijk.’ Hofman verzoent zich met de chaotische schoonheid die de natuur voortbrengt, hetgeen blijkt uit verzuchtingen als ‘Wonderlijk zijn ze wel, die wetmatigheden.’ Voortdurend vermenselijkt hij de beesten, die in hun weerloosheid van waarde zijn. Zo zegt hij over een gevangen vlokreeftje: ‘Met zijn zielige oogjes kijkt hij je aan: laat me gaan, laat me gaan, alstublieft, u heeft alle macht.’ Het enige diertje waaraan (of aan wie) de verteller zich ergert, heeft niet toevallig een geelgroene kleur: de buxusmot.
De bundel barst van ironische knipoogjes tussen schrijver en lezer. Zo merkt Hofman in Het weeshuis of De verdwijning op: ‘In het weeshuis – de lezer had het al geraden – wonen wezen.’ Uiteraard krijgt het geloof een veeg onder uit de pan, zij het subtiel, ‘Ik moest naar school (…) om de catechismus te leren. De eerste vraag was meteen al een moeilijke: Waartoe zijn wij op aarde? Gelukkig stond het antwoord erbij.’ Hier is een ik-figuur aan het woord die geen enkele behoefte heeft zijn gelijk te halen bij wie of wat dan ook, zijn vuisten stoer te ballen richting de blauwe lucht of manmoedig sterk over te komen. Deze verteller is kwetsbaar, ronduit lief, volledig in harmonie met de natuur. Bij een salamander die zojuist een rups verorberde, schrijft hij, ‘komt uit de bek (…) een luchtbelletje. Het is niet erg groot. Zoiets: o’. Verheugd stelt hij vast dat een vrouwtjesvlieg wel 6,5 biljoen eitjes per etmaal legt, om vervolgens droogjes op te merken: ‘Ik heb gelukkig ook al spinnen gezien.’ De natuur moet natuurlijk wel in balans blijven, net als dit schitterende boek.
Neem ik Zeeland als besluit
In Hofmans vertellingen is geen ruimte voor grabbeltongezwets over een zilte, zoute lucht, een draaiend levenswiel of een mannenhart dat gebroken wil worden. Waar de bekende Zeeuwse band zich met lukrake teksten door liedjes heen bluft, schrijft Hofman geen woord te veel op. Verkijkt u zich echter niet op de ogenschijnlijke eenvoud: hij put uit een indrukwekkend arsenaal aan disciplines die wonderwel alle tot hun recht komen in deze verhalenbundel. Hofman beheerst satire, imaginaire reisverhalen, jeugdliteratuur, poëzie, reclameteksten, het korte verhaal, een pastorale, horror én vergadernotulen. Zelfs de illustraties van Hofman, die ook kunstschilder is, voegen iets wezenlijks toe. Zijn stijl is direct, lieflijk en aandachtig. En waar kustaanbidders zich ware romantici wanen als ze een sentimenteel gedicht of lied aan de zee of de maan wijden, begrijpt Hofman dat échte melancholie ook spot nodig heeft. Neem het allemaal niet te serieus. Na de laatste bladzijde van dit boek ervaart de lezer ademruimte en weten toeristen niet hoe snel ze zich zuidwaarts moeten spoeden. Zeeland krijgt weer kleur op de wangen. Niet normaal mooi.