• Anne Vegter wint met ‘Big data’ de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2022

    Stichting Zutphen Literair maakte deze week bekend dat Anne Vegter de Ida Gerhardt Poëzieprijs gewonnen heeft met haar bundel Big data.

    Uit honderdveertig ingezonden bundels kozen de juryleden Maria Barnas en Onno Kosters een shortlist van vijf genomineerden, waaruit Big data van Anne Vegter als winnaar naar voren kwam. Vegter werd twee maal eerder voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs genomineerd, in 2008 met de bundel Spamfighter en in 2012 met Eiland berg gletsjer, driemaal is scheepsrechts zou men in deze kunnen zeggen.

    De jury schrijft in haar rapport: ‘In Big data (…) wordt woede omgebogen tot een krachtige en onderzoekende stem zoals die niet eerder heeft geklonken. Vegters talige universum is uniek. Ze weet met taal te verleiden, te troosten, om zich heen te slaan en een eigen plek te veroveren. Vegter weet van tegenstrijdigheden haar kracht te maken en blaast de lezer omver met schommelingen tussen tederheid en razernij, aarzelingen en wijsheid.’

    De overige genomineerden waren Erik Bindervoet met De droom van eb inkt diervoer (De Harmonie), Charlotte Van den Broeck met Aarduitwrijvingen (De Arbeiderspers), Maarten van der Graaff met Nederland in stukken (Pluim) en Sasja Janssen met Virgula (Querido).

     

    De prijs zal op zaterdag 2 april feestelijk worden uitgereikt in de Burgerzaal aan de Korte Hofstraat 4 te Zutphen.

    Lees hier de recensie van Big data!

     

     

  • Grote thema’s thrillerachtig verpakt

    Grote thema’s thrillerachtig verpakt

    In een graf ligt een dode man. Ernaast staat een andere man die met de dood van de eerste te maken heeft en zichzelf geen moordenaar voelt. Dat valt te lezen op de eerste twee pagina’s van Mannenmaal, de tweede roman van Rinkse Hillen. Pagina’s die vanaf dat moment intrigeren. De overledene is Ben, een beroemde kunstschilder, de ander is Wout, neonatoloog en echtgenoot van kunstjournalist Eva. Zij heeft Ben, haar vroegere geliefde, recentelijk aan een serie diepte-interviews onderworpen.

    In afwisselende hoofdstukken volgen we de degelijke, betrouwbare Wout en de wat zweverige Eva. In haar ogen is hun huwelijk mat, spanningsloos. In een subtiele formulering geeft Hillen Eva’s blik op haar man weer: ‘Op de trap stonden zijn schoenen. Nette, zwarte schoenen, met kerven, naadjes, vouwen voor de neus en kleine afgesleten stukken aan de punt. De soevereiniteit van zijn lichaam, van zijn karakter, maar zijn schoenen stonden hier op deze tree, onbeholpen en achtergelaten. Zijn onvermogen zat in deze schoenen, met hun ijverige stappen.’ Schoenen met ijverige stappen, hoe mooi kun je een karakter weergeven.

    De ontbrekende opwinding vindt Eva terug bij Ben, als ze voor het eerste interviewgesprek komt. De seksuele aantrekkingskracht is er onmiddellijk weer, of nooit weggeweest in de tien jaar dat ze elkaar niet hebben gezien. Behalve geïnterviewd worden wil Ben Eva ook schilderen. Naakt. Daarmee begint hij bij het tweede interviewbezoek en Eva beleeft dan ook al een orgasme, zij het niet door toedoen van Ben. Kort ervoor had Eva tegen Wout tijdens de seks gefluisterd: ‘Wil je niet een keer met een ander naar bed?’ Wout voelt daar niets voor maar begrijpt wel dat Eva’s ex een rol speelt in de opmerking. Hillen brengt hiermee een erotiek in het boek die vervolgens dominant aanwezig blijft.

    Doodzieke baby

    Ondertussen worstelt Wout in het ziekenhuis met het feit dat hij ‘het meisje met de blaarziekte’, een doodzieke, pijn lijdende baby na haar geboorte in leven heeft gehouden. Daar komt bij dat internationale kranten hem belasteren omdat hij euthanasie bij pasgeborenen mogelijk wil maken. ‘If you travel to Holland, don’t bring your children.’ ‘Mengele is still alive and lives in the Netherlands.’ Maar baby Josefien moet hij met een morfinepomp aan haar ouders mee naar huis geven. Als Eva hem over haar gevoelens voor Ben vertelt, wil Wout het allemaal ruimdenkend laten gebeuren, wat niet voorkomt dat de stress in hun huwelijk oploopt. Wout besluit Ben op te zoeken en er ontstaat een merkwaardige driehoeksrelatie.

    Auteur Rinske Hillen (1975, studies rechten, filosofie) werkte als griffier, schreef voor verschillende media en wijdde zich aan haar kinderen alvorens zich fulltime op het schrijverschap te richten. In haar verhalen heeft ze de behoefte om pijnlijke zaken bloot te leggen, vertelt ze in een interview in Vrij, bijlage van enkele Noord-Hollandse dagbladen. In Mannenmaal zijn dat grote thema’s zoals de vrijheid om te leven zoals iemand wil – hoewel die vrijheid in dit geval beperkt blijft tot de liefde, in casu seks – en euthanasie bij pasgeborenen. Wat dat laatste betreft werd Hillen geïnspireerd door het Groningen-protocol, dat voorziet in richtlijnen en criteria waarmee artsen zonder gevaar voor strafvervolging het leven van een pasgeborene kunnen beëindigen in het geval van ondraaglijk en uitzichtloos lijden.

    Als Wout tegenover de ouders van Josefien zijn twijfel heeft uitgesproken, zegt arts-assistent Saar: ‘Hebben die mensen daar wat aan, dat je toegeeft dat je twijfelt over je keuzes?’ […] Wout: ‘Ik geloof in twijfel en het toegeven daaraan. Als het erop aan komt willen mensen de waarheid weten. Die hebben ze nodig. Als ze boos op me willen zijn, mag dat. Dat geeft ze iemand om zich op af te reageren. Maar wat ze verdienen is de realiteit. De realiteit is dat er doodzieke kinderen worden geboren die niet meteen sterven. De realiteit is dat mensen makkelijk oordelen en flauwekul schrijven in de krant. De realiteit is dat mensen kinderen maken, fouten maken en dat kinderen sterven. Als je de realiteit niet kunt omarmen, wat doe je hier dan?’ En met hier bedoelt hij de mensen op deze wereld.

    Onvolkomenheden

    Voor haar eerste roman Houtrot (2017) werd Hillen geïnspireerd door de instorting van twee grachtenpanden aan de Keizersgracht in Amsterdam in 1998. In de roman zijn de gevolgen van een verrotte fundering van een grachtenpand het decor voor ingewikkelde menselijke relaties. Familieloyaliteit, niet geuite wensen, te hoge verwachtingen, verraad, het komt allemaal voorbij. Personage Wenksterman wordt omringd door een dochter, een minnares en een echtgenote in een psychiatrische inrichting, en door gebrek aan geld voor de renovatie van zijn pand. Een familiegeheim komt aan het licht en alle relaties raken in verval, net als Wenkstermans huis. Jammer van een paar ongerechtigheden in het boek: Iemand trekt haar schoenen uit terwijl ze dat een paar pagina’s eerder ook al deed, en er wordt op een feestje een boek van een tafeltje gepakt waarna de personages zich naar een ander deel van de kamer verplaatsen en daar wederom datzelfde boek van een tafeltje pakken. Je vraagt je af waar redacteuren toe dienen.

    In Mannenmaal overtuigt het personage Eva niet helemaal. Ze wordt enerzijds geprofileerd als een kwetsbare vrouw met kinderlijke trekjes, die bijvoorbeeld tijdens een levensgevaarlijke verkeerssituatie in een gladde haarspeldbocht haar tong in de autospiegel bekijkt, in plaats van haar man te helpen bij het oplossen van het probleem. En als Wout in hun slaapkamer het bed verschoont en hij Eva vraagt te helpen, zegt zij: ‘Dat vind ik moeilijk.’ Een volwassen vrouw die het ‘moeilijk’ vindt om een bed op te maken?
    Hillen geeft Eva een soort naïviteit mee die niet strookt met de weloverwogen beslissingen en redeneringen over de omgang met Ben, niet met haar stellige optreden als het om haar zoontje gaat, niet met haar werk, en ook niet met de gedachte ‘Natuurlijk had Ben het haar niet gezegd, niets willen zeggen, ze had hem nooit toegestaan te sterven.’ In het licht daarvan wordt Eva een naar egoïsme neigende vrouw die vooral naar vrije seks verlangt maar tegelijkertijd iemand anders zijn persoonlijke vrijheid ontzegt.

    Wat een beetje stoort is het voortdurende gebruik van de naam Ben. Aan vrijwel alles wat Eva zegt of vraagt voegt ze zijn naam toe, en later doet Wout hetzelfde. Dat in Bens laatste maanden geen sprake is van enig ander individu, en alleen Wout en Eva – afzonderlijk van elkaar – in een ondoorzichtig bondgenootschap betrokken en verantwoordelijk zijn, doet onwaarachtig aan.

    Filosofische meerwaarde

    Niettemin zijn de minder geloofwaardige keuzes ondergeschikt aan Hillens vermogen om met een boeiend boek te komen. Zij weet een thrillerachtige spanning op te bouwen en tot het einde toe vast te houden, zelfs al is de afloop in haar beide romans niet heel verrassend. De scènes zijn levendig, goed getimed en de personages levensecht. De filosofische visies die Hillen in de boeken legt vormen een meerwaarde zonder dat de filosofie nadrukkelijk aanwezig is. Dat de kunst van het schrijven haar in het bloed zit, is wel bewezen.

     

     

  • Dartelen in het schemergebied tussen droom en werkelijkheid

    Dartelen in het schemergebied tussen droom en werkelijkheid

    Midden in de roman Lalalanding van Emily Kocken staat de zin: ‘De wereld is gemaakt van woorden, veel meer is het niet’. Het is een geïsoleerde regel, die volgt op een alinea waarin de omgang met woorden is verbonden aan de dood van een collega van de belangrijkste protagonist, Jean Rodin. In zijn ogen moest die dood wel volgen op de noodlottige omgang met diens achternaam en de laatste letter van zijn voornaam. Raadselachtig? Ongetwijfeld. Lalalanding is dan ook geen roman die de lezer langs gemakkelijk herkenbare aanknopingspunten naar een afrondend einde voert. Emily Kocken vraagt geconcentreerd lezen, woorden proeven en terugbladeren. Alleen dan is haar taalspel ten volle te genieten. Ze vertelt een dromerig verhaal, maar vooral de vorm waarin ze het verpakt en haar associatieve en intuïtieve schrijfstijl verschaffen de lezer die bereid is zich op haar stroom mee te laten voeren het grootste genoegen.

    Kocken verbleef voor haar roman een aantal maanden in Parijs; ze verkende er grondig de wijk Monmartre waar Lalalanding zich afspeelt. Ze gebruikt bekende locaties zoals Bar Bistro La Renaissance waar Jean en zijn vader regelmatig aan de tap te vinden zijn (op internet zijn tal van foto’s ervan te vinden) en verdiepte zich in de stadsgeschiedenis van de veertiger en vijftiger jaren van de vorige eeuw en in het beroemde verhaal van de L’inconnue de la Seine, het onbekende meisje dat rond 1900 verdronken in de rivier werd gevonden; de speculaties over haar identiteit inspireerde diverse schrijvers (Camus, Nabokov) vanwege de gipsen dodenmaskers die van haar bestaan. Een afbeelding van één daarvan is achter in Kockens roman te vinden.

    Lampjesdraaier

    Lalalanding speelt zich af in ongeveer een week in de zomer van 1953. De belangrijkste personages zijn Jean Rodin en zijn zusje Odilette. Jean is geboren in 1933. Odilette is zeven jaar jonger. Met hun ouders Hyppolite en Geneviève bewoonden ze een flat bij het station Porte de la Chapelle vlakbij de Renaultfabriek waar Hyppolite autosleutelaar was. Na een Duits bombardement in 1944, waarbij onder andere die fabriek werd verwoest moest hij met zijn gezin verhuizen naar een sociaal woonproject voor veteranen in de armoedige buurt Grandes-Carrières, een naam die al net zo ironisch is als die van het gehorige complex: Villa Championnet.
    Het leven van het gezin Rodin is getekend door de oorlog. Hyppolite blijft in zijn nieuwe baan als sorteerder in het bureau Gevonden Voorwerpen van de Metro het leven vergelijken met de goede tijd die hij had bij Renault, en Geneviève brengt haar tijd vooral biddend en in bed tussen haar zwerfkatten door. Odilette zit op school, maar spijbelt vooral en Jean werkt als ‘lampjesdraaier’ in de fabriek van Emmanuel Lumière. Deze twintigjarige Jean staat centraal in het boek. Kocken heeft hem de achternaam gegeven van beeldhouwer Auguste Rodin, net zoals Elzbieta in haar debuutroman Witte vlag haar achternaam deelde met de Poolse dichter Tadeusz Różewicz.

    Zwaaimeisje

    De verteller duikt voornamelijk in het hoofd van Jean die getekend wordt als een dromerige denker. Hij houdt van zijn zusje, dat meent het onbekende meisje uit de Seine te zijn. Hun relatie heeft vooral door haar avances incestueuze trekjes. Maar is dat echt zo? Od is het wat Jean denkt? Of misschien vreest? Hij wordt bovendien achtervolgd door het beeld van een meisje dat eens op het perron naar hem zwaaide, toen hij op weg ging naar zijn werk maar haar niet durfde aan te spreken. Een overheersend drama in Jeans leven is echter het dodelijke ongeval van zijn collega André in de lampenfabriek: hij viel van een balustrade. Was het een ongeluk? Was het zelfmoord? Of was er misschien sprake van amoureuze perikelen met het keukenmeisje C.C., waarin Lumière zelf ook een rol speelde? De vader van Jean voegt daar nog een verdacht aspect aan toe: is de baas misschien verantwoordelijk omdat de balustrade niet deugde? Het zijn allemaal gedachten die Jean kwellen en waarover hij blijft piekeren, maar moeilijk met iemand kan delen.

    Fatale ingreep

    Het bijzondere aan Lalalanding is de manier waarop Kocken dit verhaal vorm geeft. Ze speelt met woorden en letters (ook typografisch), gebruikt citaten en liedjes en verwijst in allerlei variaties terug naar eerder gebruikte zinnen.
    De structuur van de roman doet enigszins denken aan die van Apeirogon van Colum McCann: korte zinnen en alinea’s die niet direct logisch op elkaar volgen maar samen betekenisvolle verbindingen aangaan. Kocken haalde de inspiratie voor haar opzet echter vooral bij Georges Perec. Die gebruikte in zijn La Disparition (vertaald als ’t Manco) het ontbreken van de letter E als aanjager van een verhaal over een noodlottige doem. Kocken laat het wegvallen van een letter of het snijden in woorden op verschillende niveaus plaatsvinden. De ongelukkige collega André Vérité schrijft zelf zijn naam al als André V omdat hij zich schaamt voor zijn volle achternaam (Waarheid) en Jean haalt vervolgens ook nog eens de laatste letter van diens voornaam weg – waarna het fatale ongeluk gebeurt. Die fatale ingreep wordt weerspiegeld in de relatie tussen Odilette en Jean. Zij houdt ervan om woorden af te snijden. Ze maakt van hun woonhuis Villa Championnet eerst ‘Villa C’ en later zelfs alleen ‘C’. Ze is daarom erg gevleid als Jean haar (per ongeluk) aanspreekt met enkel de letter O en ze wil dat hij haar zo blijft noemen. Hemzelf slaat de schrik om het hart bij dat idee. Hij wil niet nog eens een dode.

    Schaduw

    Buiten dit woordspel zijn er fraaie contrasten. Het meest opvallende voorbeeld daarvan is dat tussen schaduw en licht. Het zwaaimeisje dat Jean op het perron zag (en liet glippen) komt herhaaldelijk terug als het schaduwmeisje en vader Hyppolite bedrijft een schaduwhandel door gevonden voorwerpen die hij moet beheren af en toe mee naar huis te nemen of stiekem te verkopen. En moeder Geneviève doet waarschijnlijk al evenzeer iets in het verborgene door ‘groezelige dingen’ te bedrijven in ruil voor het beste vlees van de slager. Die schaduwen staan tegenover de zon die vaak schijnt (het is zomer) en tegenover de naam Lumière (licht), het bedrijf waar Jean werkt.

    Mooi zijn ook de speelse verwijzingen. Naar beeldhouwer Rodin bijvoorbeeld: in bepaalde fysieke houdingen van Jean; of als hij zichzelf ziet als ‘De Denker’ of als de mannelijke figuur in Rodins ‘De kus’.
    Met Odilette gebeurt iets dergelijks als de verteller het meerdere keren heeft over haar ‘porseleinen gezicht’, daarmee verwijzend naar het dodenmasker van de Onbekende uit de Seine. En er is de onheilspellende opmerking van André die een paar keer over Lumière zegt: ‘Monsieur is onze guillotine’. In allerlei toespelingen wordt die dreiging door de roman heen nog eens versterkt: C.C. (het opschephulpje) die in een droom van Jean het gebaar maakt dat ze het hoofd van Lumière wil laten rollen, wordt door hem ‘een werktuig van de revolutie’ genoemd, Odilette denkt dat het afkappen van de e van André’s naam ‘wel de revolutie’ leek en Jean en zijn zusje horen op straat een keer een tekst zingen die een parafrase is van La Carmagnole, een lied waarmee Koningin Marie-Antoinette kort voor haar onthoofding in 1793 belachelijk werd gemaakt.

    Dartelend

    Tussen alle verwikkelingen door kent het verhaal ook nog eens een soort running gag waarin Jean in de trein op weg naar zijn werk steeds studenten ziet die in slaap zijn gevallen met een boek van Sartre op schoot. Waaruit Jean dan weer zinnen onthoudt.

    Lalalanding is qua omvang een bescheiden pocket, maar toch een bomvol boek: ideeënrijk, speels en tegelijk serieus. Het laat zich niet gemakkelijk veroveren, maar wie bereid is zich te laten verrassen door de ongewone fantasieën en dartele taalvondsten zal er weinig moeite mee hebben om het nog eens tweede keer te lezen en nog weer nieuwe ontdekkingen te doen. ‘La vie est comme un rêve’, zegt een in Lalalanding aangehaald Frans spreekwoord. ‘Dat zou je willen’, voegt de verteller daaraan toe, zich richtend tot Jean. De lezer wordt door Kocken uitgenodigd het schemergebied tussen droom en werkelijkheid te betreden en zich voor alles daarbinnen open te stellen.

     

  • Zeemansverhalen in een nieuwe literaire traditie

    Zeemansverhalen in een nieuwe literaire traditie

    In 1595 vertrok de eerste Nederlandse handelsexpeditie met vier schepen uit Texel om specerijen te gaan halen op Java. Van de 249 bemanningsleden keerden twee jaar later slechts 87 heelhuids terug met drie schepen; het vlaggenschip Amsterdam was wegens een gebrek aan matrozen voor het eiland Bawan in brand gestoken. De expeditie leverde niets op. De historische roman A.D. van Gustaaf Peek beschrijft in bloemrijke taal zo’n Nederlandse zeereis vol tegenslag en rampspoed, maar nadrukkelijk niet deze zeereis. Volgens de flaptekst is het 1597 en stuurt de jonge Republiek der Nederlanden reusachtige schepen oostwaarts om ‘buit te vergaren’. Opmerkelijk omdat er in dat jaar geen schip die kant op werd gestuurd.

    Het boek opent met een citaat uit de Aeneis, het heldenepos van Vergilius over de Trojaan Aeneas die van de goden de opdracht krijgt een nieuw wereldrijk te stichten, het latere Romeinse rijk. Hoewel dit boek bepaald geen heldenepos is, bevat de inhoud van het citaat een omineus voorteken: het beschrijft de wanhoop van de doden die geen graf in vaste aarde hebben gevonden, de verdronkenen dus, omdat hen de toegang tot de onderwereld wordt geweigerd.

    Geen mededogen

    Door middel van steeds wisselende perspectieven leeft de lezer mee met de bemanning die ziektes, straffen, windstiltes, stormen, honger en gevaarlijke inboorlingen moet trotseren. Het gebrek aan historische aanknopingspunten zoals tijden en plaatsen, maakt invoelbaar hoe de bemanning was overgeleverd aan het ongewisse. De kennis die de bemanning wel bezit, wordt specifiek benoemd: soorten schepen (Pinas, Lichter), scheepsonderdelen (het allemansend), verschillende functies (provoost, adelborst, bottelier), wapens (haakbus, hartsvanger), straffen (laarzing, drie sprongen van de ra) en ziektes (de rode loop). Alles zonder uitleg, wat de historische afstand van de lezer tot het verhaal tegelijk ontkent en onderstreept. Naar eigen zeggen wil Peek het de lezer niet makkelijk maken, maar wel een onvergetelijke en nieuwe ervaring bieden. Daar is hij goed in geslaagd.

    Het wordt de lezer niet gegund zich aan de bemanningsleden te hechten. Dat komt niet alleen door het voortdurend wisselende perspectief, maar ook doordat de een na de ander sterft door ziekte, ongeluk, straf, moord of suïcide. De bemanningsleden hechten zich ook niet aan elkaar. Ze geven elkaar bijnamen om de afstand zo groot mogelijk te maken. Er is nauwelijks mededogen of solidariteit, maar door de perspectiefwisselingen krijgt de lezer een rijk palet aan ontreddering, sadisme, verveling, onverschilligheid, haat en hebzucht voorgeschoteld. Zelfs het collectief van opvarenden voor de mast krijgt af en toe een stem, degenen die achter de mast leven (de kapitein, de kooplieden, de schipper en de officieren) nadrukkelijk niet. 

    De machtelozen

    Het zijn dus de machtelozen die in de geschiedenisboeken ongehoord blijven en in de sociologische tak van de literatuurwetenschap ‘de ander’ worden genoemd en die Peek alsnog een stem geeft. Het is niet de stem van een slachtoffer of een heilige, maar de stem van de wanhoop en de haat. Een uitstekend idee om een historische roman te schrijven die de ontberingen van een zeereis niet in verband brengt met heroïek en godvruchtigheid, maar met machtsmisbruik, klassenverschil, racisme, vrouwenhaat, sensatiezucht, lust en het recht van de sterkste. 

    A.D. biedt daarmee tegenwicht aan de heroïek die in boeken als De scheepsjongens van Bontekoe en films als Nova Zembla wordt opgevoerd. In A.D. is de kapitein erger dan de duivel. De bemanning schaamt zich, maar wil dat niet weten. En het is gevaarlijk om hen daaraan te herinneren: ‘Maak hen niet belachelijk want dat vrezen ze het meest. Maak hen niet kleiner, minder.’

    Aan het begin van het tweede deel staat het schip in brand voor de kust van een eiland, zoals het vlaggenschip van De eerste schipvaart ook in vlammen is opgegaan. Toch wijkt Peek zodanig af van historische gebeurtenissen en reisbeschrijvingen dat het duidelijk is dat hij zich niet heeft laten inspireren door één specifieke reis. De brand en de resterende verwikkelingen worden nu opeens allemaal vanuit hetzelfde perspectief verteld, dat van een jonge eilandbewoner, zoon van een verdwenen Portugees en een overleden inlandse vrouw. De hoofdstukken zijn niet langer genummerd om te benadrukken dat de verteller van dit tweede deel ongeletterd is.

    Wanhopige jongeman

    Met deze jongeman gooit Peek opeens een van zijn favoriete thema’s op tafel: een hoofdpersoon die los komt van zijn achtergrond. Deze jongen is wanhopig op zoek naar rolmodellen die hij niet kan vinden onder zijn stamgenoten noch onder de nieuwe kolonisten. De manier waarop de jongen als een kip zonder kop het eiland afschuimt en in een voortdurende existentiële crisis verkeert, is nogal over the top. De schaarse dialogen stuiteren heen en weer tussen onbegrijpelijk en ridicuul, de beschreven gruwelijkheden zijn misselijkmakend.

    Dit tweede deel is beduidend minder goed dan het eerste. De lezer moet per sé de politiek-correcte boodschap geserveerd krijgen dat kolonialisme, geweld, verkrachting, diefstal en toe-eigening betekent en tot verweesde bastaards en geknechte inlanders leidt. Onnodig, want waarschijnlijk vinden vrijwel alle lezers van dit boek dit al. Bovendien bleken die slechte bedoelingen al overduidelijk uit het eerste deel. Beter had Peek een historische roman over De eerste schipvaart geschreven. Die vertrok weliswaar al in 1595 in plaats van 1597 en resulteerde niet in de oprichting van een fort en de onderwerping van een eiland, maar bevatte voldoende materiaal voor een prachtige roman waarin Peek zijn opvattingen over het misplaatste gebral over het roemrijke VOC-verleden kwijt kan, precies zoals hij dit in het eerste deel van het boek geweldig heeft gedaan. 

    Als hij zich beperkt had tot een beschrijving van die ene reis, zou het boek een evenwichtiger indruk hebben opgeleverd. Dat laat onverlet dat dit boek door zijn stijl, invalshoek en opvattingen aan de fraaie Nederlandse literaire traditie van zeemansverhalen en reisbeschrijvingen een nieuwe richting geeft.

     

  • Herinnering als omweg naar de verbeelding

    Herinnering als omweg naar de verbeelding

    Je moet erbij geweest zijn, aan de Waalkade in Nijmegen tussen 1980 en 1992 om het gezien te hebben, de wonderlijke boodschap op een van de onderste bogen van de brug over de Waal die Kees ’t Hart aan het denken zette: ‘Victorien ik hou van je.’ Verder navragen van de schrijver onthult dat het eigenlijk Victorine moest zijn en dat de ontvangster van deze boodschap al lang verhuisd was. Ze wordt alsnog de aanloop voor deze veelzijdige bundel verhalen en ontboezemingen zoals ’t Hart ze noemt, die lopen van het Nijmegen van zijn jeugd tot het vermeende uiterlijk van Madame Bovary of de woordgrappen uit het befaamde Toonbusje. Naast verhalen bevat de bundel ook essays en gedichten.

    Associatief van onderwerp wisselend gaat de schrijver aan de haal met zijn jeugdherinneringen en jongensbegeertes. Dit spel onthult hier en daar quasi-autobiografische gegevens en levert een zeer diverse keur aan onderwerpen op. Hij behandelt zijn eigen werk zijdelings in het verhaal Het proefschrift waar hij opmerkt dat hij in plaats van te wroeten in het verleden liever gebruikmaakt van de verbeelding. Hij doet beide met verve, waarbij de herinnering als omweg dient om bij het verhaal te komen. Beelden roepen sterke associaties op zoals in het verhaal De mitrailleur waar een Droste-blik vol loden soldaatjes hem terugvoert in de tijd. Uit de mist van het verleden doemt ook de figuur op van de moeder van een van zijn vriendjes: ‘Als ik nu lang genoeg naar de twee mitrailleurs naast mijn computer kijk, mijn eigen mitrailleur en die uit Ieper, dan weet ik alles weer denk ik. Als ik maar lang genoeg kijk. Ik hoef er niet over te wrijven. Dan kan ik haar woorden uittekenen, woorden zijn er om uit te tekenen.’ De woorden kunnen verrassen of aanleiding geven tot binnenpretjes. 

    Een dromerige kijk

    De dromerige kijk van de schrijver geeft eindeloos aanleiding tot materiaal om over te schrijven. Daarnaast is hij gefascineerd door zinnelijke details waar lang over wordt nagedacht. Bijvoorbeeld als hij inzoomt op de blik die Flaubert ons meegeeft op Madame Bovary, of in het prachtige verhaal In het Noorden dat in een koortsige beschrijving langs personen en cafés in Leeuwarden voert. Een lichte ironische toets is ook aanwezig in veel van de verhalen, bijvoorbeeld in Na afloop waar hij in korte zinnetjes fantaseert over het verdere leven van romanpersonages. De deur naar de verbeelding en de fictie staat bij ’t Hart altijd op een kier. Zo belooft hij in het titelverhaal niet te schrijven over Victorien, maar hij doet het toch. 

    Dat de schrijver een gulzige lezer is bewijst hij in De lezing. Daar haalt hij er een brede keur aan halfvergeten schrijvers en filosofen bij om zijn lezing over de grondslagen van het schrijven kracht bij te zetten. Ook wijst hij zijdelings op het door hem vermeende verband tussen erotiek en literatuur. Met een luchtige toon behandelt hij het begin van de ziekte genaamd schrijven. Via een uitstapje naar de grafologie en de hoge toppen van Wittgenstein komt hij uit bij de conclusie dat het gegoochel met taal een vorm van magie is. ‘Een symptoom van eindeloze verveling.’ De pathologische schrijver heeft dus iets te verhullen, schrijft zich ‘langs magische weg de wereld in.’ Boeken gebruikt hij het liefst als omweg om uit te komen bij zaken die hem interesseren.

    Hongerig schrijven

    In een kort essay over de poëzie van Gorter, De sporter, is ’t Hart vol bewondering over de schrijftrant van de dichter: ‘Schrijven in de breedte. Luisterend, tastend en kijkend schrijven, hongerig en bloeddorstig schrijven.’ Gorter is de dichter van het lichaam en het erotische en daarin vinden de twee elkaar bij uitstek. De ‘gevoel en lichaamserupties’ van Gorter sluiten aan bij de filosofie van ’t Hart. Zelf schrijft hij hierover: ‘Op begeertegebied is niets een bezit, alles is een droom.’ Het halfzusje is dan weer een verhaal als een dagdroom die als een stroom indrukken voorbijglijdt. Een meisje bouwt in dit verhaal een replica van Graceland en later komt een schilderij van Manet langs, het thema is kijken en bekeken worden. De oplettende blik van de schrijver gaat ook in het verhaal Het hoofddoekje over de kleine details. ‘Geheimzinnig vindt ze het: kijken naar mensen van wie je houdt zonder dat ze weten dat je kijkt.’ In dit verhaal is de blik van anderen de bepalende factor. 

    De bundel bevat ook gedichten en die zijn van wisselende kwaliteit. De humor van ’t Hart is een tikkeltje droog en kan soms wat flauw zijn. Maar de gedachtesprongen die hij maakt zetten altijd aan het denken en hij slaat talloze omwegen in puur om te ontdekken. ‘Zo goed mogelijk dromen, dromerig blijven, dat is bij schrijven zijn uitgangspunt.’ En of het nu over dronken nachten gaat waar hij in de buitenlucht sliep of over het begrip God bij Thomas Mann, ’t Hart haalt alles erbij om zijn oor te luisteren te leggen bij het maatschappelijk leven. Soms ontkent hij wat er gaande is, draait hij om de dingen heen of verzint hij zomaar wat. Dat levert een fijne leesroes op met dit woorddronken proza. Door alle gedachtesprongen moet je er wel een beetje bijblijven, maar ’t Hart weet zijn enthousiasme voor literaire zaken goed over te brengen. ‘Lezen is nodig hebben’ schrijft hij, en van deze ‘schrijfschurk’ neem je het graag aan. 

     

  • Prins of kikker

    Prins of kikker

    Ik word wakker, denk aan het meisje in het boek, Ondine. Met haar beeldschone moeder, die geen vaste verblijfplaats voor hen kan vinden, trekt ze van adres naar adres. De moeder is koudbloedig (dat kan, ze is een zeemeermin met benen), maar met een hart vol liefde. Ze houdt zoveel van haar kind, dat ze het eens, als pasgeborene uit haar wieg roofde bij het stel dat het eerst van haar had afgenomen. Ondine is een kind als alle kinderen, glashelder observerend, meegaand op de bewegingen om haar heen, vragend naar het waarom. Een meisje met bolle ogen, transparante huid. Sommigen denken dat ze ziek  is, vragen of ze zo geboren is. De schrik van het ongewone met vragen verbloemen. Ondine maakt een lijstje van de man waar ze tijdelijk bij zijn  ingetrokken, hij blijkt niet zo vriendelijk als ze dachten dat hij zou zijn. Ze schrijft op een papiertje, ‘prins of kikker’ (in schrijfletters gedrukt), vertaalt zijn gedrag in het aantal streepjes. Waarbij kikker ver voorloopt op prins. Zo brengt ze haar omgeving in kaart.

    In de badkamer draai ik de douche open, denk aan Loek en Brenda, die in een woonwagen zonder licht en water, op een strook verontreinigde grond wonen. ‘Soms dreven er plotseling vissen omhoog in de sloten en de kanalen, hun bleke, bolle buiken als een onheilspellend voorteken. Maar Loek en Brenda hadden ergere dingen meegemaakt. Ze wilden opnieuw beginnen, ver weg van de levens die ze hadden geleid, de schulden die uitstonden en de mensen die ze waren geweest.’ Dat je je niet om het klimaat kunt bekommeren als jezelf in de shit zit, dat moet ook maar eens duidelijk zijn. Eens vonden ze een meisje naakt in het gras langs het kanaal waar ze hun dagen vissend doorbrachten (vissen is een manier van leven). Dat meisje werd zwanger van Loek (hij wilde het niet, maar ze was zo aanhankelijk).

    Als ik het espressopotje op het gas zet, denk ik aan Alex en zijn ziekelijke moeder. Op een dag treft hij haar dood aan. Dat hij dan niet weet wat hij met haar lijk moet, zogezegd handelingsonbekwaam is, is schokkend inlevend beschreven. Ze spelen nog lang door mijn hoofd, deze verschillende figuren, de oprechte dialogen. Alex nog even, met zijn collega Rick, die hem aanmoedigt het gezag van zijn moeder te ondermijnen. Alex wil een aquarium, zijn moeder niet. ‘Als jij vissen wilt, dan moet je dat godverdomme gewoon doen.’ En Ondine met haar moeder die een bad voor haar hen klaarmaakt. ‘Het water was ijskoud. Ik bibberde en vroeg of er wat warm bij mocht. “Nee,” zei je. “Dan werkt het niet.”‘ De ongerijmdheid van het leven, serieus in vorm gebracht. Geweldig boek, in de zin van sprakeloos, onder de indruk zijn.

    Jeanette Winterson schrijft in haar boek Zwaarte, de mythe van Atlas en Herakles, ‘Sedimentgesteente wordt gevormd in de loop van een tijdspanne waarin de ene laag sediment na de andere op de zeebodem wordt afgezet.’ Ze schrijf: ‘De lagen van het sedimentgesteente zijn als de bladzijden van een boek; op elk ervan staat een verslag van het leven uit die tijd geschreven.’ Ik denk aan dit boek, aan Hier komen wij vandaan.

     

    Hier komen wij vandaan / Leonieke Baerdwaldt /221 blz. / Querido


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

     

  • Oogst week 43 – 2021

    De scheurkalender is een genre op zich. Het woord ‘genre’ impliceert bovendien dat je een goede of een slechte kunt krijgen, en dat is ook zo. De ene hoort thuis in de kast, de andere op het toilet. Je hebt schijtlollige bundels van Moppentoppers, quotes jattende snuisterijvelletjes van Happinez en natuurlijk stichtelijke kalenders van christelijken huize. Tussen 1972 en 1986 maakten Van Kooten & De Bie de Bescheurkalender. Hun niveau heeft eigenlijk niemand meer geëvenaard, met uitzondering van makers die gewoon hun eigen weg bewandelden: Maarten van Rossem, Quest of de Poëziekalender van Plint. Maar de F*ck-it list (‘grappig’, want het tegenovergestelde van Bucket List)? ‘Mijn middelvinger is gek op iedereen.’ … doortrekken maar.

    Uitgeverij Sunny Home komt nu met een wel heel verrassende kalender aangescheurd, getiteld DNA Arnon. Aangezien Grunberg naast een ontzagwekkend literair oeuvre ook al duizenden voetnoten in De Volkskrant op zijn naam heeft staan, staat buiten kijf dat hij voor 365 dagen eveneens iets boeiends optekent. Uit allerlei romans, essays, opiniestukken en toespraken van zijn hand heeft DNA Arnon wijsheden, overdenkingen en zinsneden geselecteerd. 

    Wat de aanprijzing betreft, zetten de grote boekhandels hoog in: de lezers zullen het mysterie achter Grunberg ontdekken met slechts één ferme rits per dag. Zelf vermoed ik vooral dat het werk een mooie vingerafdruk, of – zo u wil – een DNA-blauwdruk van Grunbergs werk biedt: provocatief, geestig, absurd, scherpzinnig en intelligent. En vergeet je op een Blauwe Maandag een keer de juiste datum weg te rissen? Wees niet getreurd. Literatuur is soms net als eten: een nachtje laten sudderen en de volgende dag waardeer je het des te meer.

     

    Uitgeverij: Sunny Home

    Nederlandse mannen van middelbare leeftijd lijken een flinke scheut Frankrijk nodig te hebben om in melancholie te kunnen verzinken. Philip Freriks’ bloedtype is Merlot; Matthijs van Nieuwkerk adoreert Charles Aznavour; Youp van ’t Hek oreert over de périphérique; Ivo Niehe spreekt beter Frans dan de gemiddelde Parijzenaar; Wim Sonneveld ontleent zijn lijflied Het dorp aan La montagne van Jean Ferrat. Daar komt nu een Vlaamse francofiel bij die geen pseudoniem behoeft: Jo Komkommer. In De opkomst en ondergang van de Citroën Berlingo wordt de oude, vertrouwde romantische weemoed gevierd, maar nergens is het boek te serieus: wij, mensen kloten maar wat aan, zo luidt de boodschap. Daarop vormt de hoofdpersoon in dit verhaal geen uitzondering.

    België is nu niet bepaald de omgeving die je associeert met ‘Il dolce far niente’ in een oranje avondzon. ‘Niksig en onnuttig voortstrompelen in de drassige klei’ komt al meer in de buurt. Dat is dan ook precies wat onze hoofdpersoon doet: lanterfanten tot hij erbij neervalt. Akkoord, hij werkt sporadisch als afwasser, behaalt per ongeluk na meerdere pogingen zijn rijbewijs en rijdt in Montenegro zijn Franse Citroën Berlingo aan gort. In feite leeft hij als een kind dat al zijn ervaringen ongefilterd absorbeert. Dit prachtige boek is daarvan het resultaat. 

    ‘Ik was een kind en wist niet beter / dan dat het nooit voorbij zou gaan’ zong Sonneveld. Jo Komkommer heeft slechts zijn openingszin nodig om jeugdige onwetendheid bondiger en empathischer te verwoorden: ‘Als kind duurt het leven geruststellend lang.’ Het boek is opgetrokken uit 26 kortere verhalen. Toch vertoont het genoeg samenhang en hangt er een zweem van Vlaamse tevergeefsheid overheen: dit mag een door diknekkige Hollanders bedacht, hardnekkig cliché zijn, maar Komkommer doet De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst nog eens dunnetjes over. Nooit echter verloochent hij zijn eigen stijl en dat is zijn grootste prestatie. Chapeau!

     

    Auteur: Jo Komkommer
    Uitgeverij: Manteau

    De leeservaring wordt intenser, naarmate de lezer zich sterker identificeert met personages of onderwerpen. Een werk moet, voordat het beklijft of een indruk achterlaat, met andere woorden, resoneren via herkenning. Daarom is de titel Echo van de Vlaams-Afroamerikaanse schrijfster Neske Beks zo doeltreffend gekozen. In deze essaybundel betoogt zij onder meer dat een wit narratief in een wit curriculum van een dominant witte mannenwereld ertoe heeft geleid dat de Zwarte vrouw (hoofdletter is bewust) zich dubbel in de marge bevindt: zij is én geen man én zij is niet wit. 

    Echo is Beks’ krachttoer, zij het níét om witheid, mannelijkheid en wat beide concepten inhouden aan te vallen. De Zwarte vrouwen verleent zij de kracht en het narratief dat hen uit de schaduw van minderwaardigheid en onzichtbaarheid sleurt. Volgens de uitgeverij poogt Echo een brug te slaan tussen zwart en wit. Ook deze op het eerste gezicht wat uitgekauwde metafoor werkt kneitergoed: een brug slaan lukt normaliter pas met twee aan elkaar (op zijn minst gedeeltelijk) gelijke overzijden – dan moet die gelijkheid natuurlijk wel eerst bereikt worden. 

    Waar de activistische, ‘wokey’-hoek nogal eens ten laste wordt gelegd dat deze alles wat man en wit is, kapot wil maken, verheft Beks slechts hen die te lang niet zijn gehoord. Zij haalt teksten aan van Amanda Gorman, Toni Morrisson, Gloria Wekker en Maya Angelou. Bovendien verruilt zij schaamte voor trots en verschaft zij elke zwarte vrouw de diepgewortelde overtuiging dat ze vertegenwoordiging verdient. Echo zal daardoor niet alleen bij zwarte vrouwen nagalmen.

     

    Uitgeverij: Querido
  • De kunst van het langzaamfietsen en louter behangstalen

    De kunst van het langzaamfietsen en louter behangstalen

    Nadat in 1971 het laatste reguliere nummer van het literaire tijdschrift Barbarber verschenen was, verklaarden de oprichters en redactieleden Bernlef, Brands en K. Schippers dat het blad zou blijven bestaan zolang zij het niet ophieven. Toen in 2018 het Barbarberkunstwerk Lijnen beschadigd raakte door een lekkend dak, concludeerde K. Schippers laconiek dat Barbarber nog steeds in beweging was nu de tijd letterlijk haar sporen had nagelaten. En nu, na zijn overlijden afgelopen augustus, alle redactieleden ter ziele zijn, is er het boek van Toef Jaeger om Barbarber levend te houden: De jongens van Barbarber. Hoe een vriendschap het literaire landschap veranderde.

    Barbarber is het literaire tijdschrift dat in de jaren zestig van de vorige eeuw het gedachtegoed van Dada in de praktijk bracht in de Nederlandse letteren: de werkelijkheid werd vaak op een geestige of absurdistische manier als literatuur voorgeschoteld, want een gedicht is ook maar een tekst – en in Barbarber ook vaak andersom: een tekst is ook een gedicht; de beroemde readymade die vaak in het blad te vinden was.  En soms was er helemaal geen tekst maar bestond een nummer louter uit behangstalen, een grammafoonplaat of een fles wijn. 

    Drie titaantjes uit Oud-West

    Toef Jaeger vertelt hoe Henk Marsman (J. Bernlef), Gerard Stigter (K. Schippers) en Gerard Bron (G. Brands) -kort voor de Tweede Wereldoorlog geboren in Amsterdam Oud-West- elkaar na de oorlog leerden kennen op de Eerste Openbare Handelsschool. Daar kregen ze Nederlands van Rob Nieuwenhuys. Hij liet hen kennis maken met moderne schrijvers als Hanlo, Alberts en Reve – van hem leerden ze het oude niet klakkeloos te aanvaarden als het goede. 

    Aan niemand iets gelegen laten liggen, zeker niet aan ouderen, blijkt een rode draad in de geschiedenis van Barbarber. In het Nederlandse culturele klimaat van de jaren vijftig domineerde aan de ene kant de vrij klassieke dichters (Vasalis, A. Roland Holst en J.C. Bloem) en aan de andere kant de vijftigers (Lucebert, Kouwenaar, Claus, Campert, Vinkenoog etc). De drie titaantjes uit Oud-West vinden dat allemaal veel te serieus en te pretentieus. Zij hebben het in café Eylders aan het Leidseplein liever over Vroman, Dada, Laurel en Hardy en Tatie.  Vanuit de gedachte dat iedere tekst -als hij de moeite waard is- zo goed is als een andere, ontstaat  het plan een literair tijdschrift op te richten: Rabarber.

    Langzaamfietsen

    Wanneer Schippers en Brands de kunst van het langzaamfietsen beoefenen in de Leidse straat verandert die naam door een verspreking in Barbarber. In 1958 verschijnt het eerste zelf getypte en gestencilde nummer. In de inleiding schrijven ze dat een gedachte formuleren die de moeder moet zijn van een tijdschrift vaak moeilijk is waarna een schaakpartij uit 1906 wordt afgedrukt, overgenomen uit Praktische Schaaklessen deel 11 van Dr. M. Euwe en H.J. den Hertog. Maar natuurlijk zit er wel degelijk een gedachte achter het tijdschrift: literaire teksten moeten niet te serieus worden genomen en ze moeten ook niet al te serieus zijn.

    De oprichters illustreren die opvattingen met een “tombola van gedichten” (zoals Bernlefs Deur: `Duwen/Trekken’),  “aftandse moppen, verhaaltjes, brieven en krantenberichten” (altijd uit de Harlinger Courant) of andere trouvailles zoals de running gag over een rode driewieler die steeds weer opduikt als vermist, gestolen, gevonden, gezocht, te koop etc. Het blad wordt echter nauwelijks opgemerkt. Na de eerste jaargang is het aantal abonnees maar 26. Vermakelijk is het om te lezen hoe de redactie zich van slimme trucs bedient om in de publiciteit te komen en leden te winnen. Nadat ze het blad eerst ongevraagd naar allerlei mensen van betekenis hebben gestuurd, wordt in het zesde nummer de schaamtelijst ingezet: een namenlijst van alle mensen die wel gratis nummers hadden ontvangen maar geen abonnement hebben genomen. 

    Simon Carmiggelt vindt dit zo grappig dat hij voor het eerst een positieve Kronkel aan het blad wijdt. Vervolgens krijgt het blad in de literaire wereld steeds meer aandacht: Kouwenaar vindt het onbetekenende meligheid, maar Jan Hanlo loopt ermee weg en zal de belangrijkste medewerker worden. Uiteindelijk neemt het aantal abonnees toe tot maximaal 300. 

    Nooit enige twijfel over de koers 

    Opvallend is hoe de oprichters nooit aan zichzelf of de koers van het blad lijken te twijfelen. Vinkenoog mag niet meedoen, Hanlo wel. Van Herzberg en illustrator Chris van Geel wordt alles zonder enig commentaar geplaatst wat hen ook zenuwachtig maakt: zijn ze wel kritisch genoeg? Wat vinden ze er eigenlijk van? Van de meeste anderen en van elkaar wordt kopij echter regelmatig -meestal zonder opgaaf van reden geweigerd.  Boze brieven maken weinig tot geen indruk. 

    Hanlo die vanaf het achtste nummer zoveel bijdraagt dat hij het vierde redactielid genoemd wordt, zegt herhaaldelijk zijn medewerking op (omdat hij het niet eens is met andere bijdragen of omdat er voor de zoveelste keer nog fouten in zijn teksten stonden) maar komt steevast met hangende pootjes terug omdat de drie vaste redactieleden geen sjoege geven. Bernlef, Schippers en Brands blijven wars van ouderen en anderen die hen vertellen wat zij wel of niet moesten doen. 

    Kenmerkend is een interview van Ischa Meijer met Schippers, Bernlef en Ed Hoornik, de dichter die de schoonvader was van beide redacteuren. Wanneer Hoornik zegt : Ik zou niet bestaan als ik niet schreef’ regeert Bernlef met: ‘Nou, biologisch lijkt me dat een onhoudbare verklaring.’ En wanneer Hoornik over sociaal engagement begint (‘Bij jullie was niets van de sociale bewogenheid van ons… ‘), krijgt hij niet eens de mogelijkheid zijn verhaal af te maken omdat Bernlef en Schippers een gesprek beginnen over de nieuwe fiets die Schippers op de middelbare school kreeg en die al vrij snel gestolen werd.  

    Opsomming Amsterdamse straatnamen

    De poëzie van Bernlef, Schippers en Brands is inderdaad niet sociaal geëngageerd en wars van pretentie. Brands schrijft (onder het pseudoniem G. Bak) Het laatste kwatrijn: ‘Des morgens sta ik op/des avonds weer naar bed/mijn wekker heb ik dan/ op zeven uur gezet.’ En K. Schippers wil zonder enige opsmuk van metaforen en vergelijkingen de kale werkelijkheid tonen: ‘Ja/ Ik heb je lief zoals je/soms gelijk een gouden zomerdag bent/ nee nee nee/Ik heb je lief zoals je bent/ nee nee / Ik heb je lief zoals / nee/Ik heb je lief’. In 1966 opent hij de beroemde poëziemanifestatie in Carré met zijn opsomming van Amsterdamse straatnamen.

    In het laatste hoofdstuk behandelt Jaeger de invloed van Barbarber. Die moet eerder in de journalistiek dan in de literatuur gezocht worden. Journalistieke teksten werden literairder en diverser. Jaegers eigen oordeel over het blad blijft op een prettige manier op de achtergrond. Soms noemt ze iets melig, maar over het algemeen staat ze sympathiek tegenover het blad. Alleen de zoals altijd laconieke en stoïcijnse manier waarop de drie omgaan met het feit dat Brands een meisje had bezwangerd, verleidt Jaeger tot een afkeurende reactie.

    Waardevolle cultuurgeschiedenis

    Jaeger weet treffende of grappige citaten uit interviews, brieven en artikelen goed met elkaar te verbinden tot een prettig leesbaar verhaal. De pretentie dat ‘dit boek niet over de Zestigers [gaat], niet over Barbarber op zichzelf maar vooral hoe vriendschap de basis was van het blad’ wordt echter niet helemaal waargemaakt. Weliswaar rijst er een beeld van drie eensgezinde lefgozers, maar een collectief krijgt pas reliëf wanneer de individuele delen gestalte krijgen. Bernlef en Schippers komen echter niet goed uit de verf.

    De opbouw van het boek is wat onevenwichtig. Aan medewerker Jan Hanlo is een heel hoofdstuk gewijd, aan de redactieleden niet. Veel hoofdstukken missen bovendien een duidelijke invalshoek. Toch heeft Jaeger een waardevolle en leesbare cultuurgeschiedenis geschreven over een vrolijke noot in de literatuurgeschiedenis die vooral op zijn journalistieke waarde geschat moet worden.

     

  • Boeiende schets van culturele leven in de zeventiende eeuw

    Boeiende schets van culturele leven in de zeventiende eeuw

    De zeventiende eeuw, ook wel Gouden Eeuw genoemd, was de eeuw dat Amsterdam politiek, economisch en cultureel gezien op de kaart werd gezet. De Nederlandse Republiek werd de grootste macht ter wereld en straalde dat ook uit. Cultuurhistoricus Frans Blom schetst in Podium van Europa de ontstaansgeschiedenis van de Amsterdamse Schouwburg. Hij neemt de lezer mee op een reis vol verrassingen en wendingen in het zeventiende-eeuwse theaterlandschap. Dat meenemen, mag u letterlijk nemen. Blom heet ons in het eerste hoofdstuk Welkom en sluit af met een rondje Napraten. Daarmee houdt hij zijn publiek bij de theatertraditie. 

    Vandaag de dag blijft enkel de gerestaureerde schouwburgpoort over aan de Keizersgracht, met daarboven Vondels woorden ‘De weereld is een speel toneel/ Elck speelt zijn rol en krijght zijn deel’. In 1638 opende het eerste publieke theater van Nederland met Vondels Gysbreght van Aemstel, een soort van Nederlandse versie van Vergilius’ Aeneis, waarin de belegering en ondergang van het laatmiddeleeuwse Amsterdam wordt afgerond met de voorspelling van zijn luisterrijke toekomst. Het stuk zal tot 1800 het meest gespeelde stuk uit het repertoire van de stadsschouwburg blijven. 

    Bloemrijk overzicht

    Blom slaagt erin op een zeer bloemrijke en onderhoudende manier een gedetailleerd en volledig overzicht te bieden van het Amsterdamse theater in de zeventiende eeuw. Daarvoor heeft hij heel wat onderzoek gedaan en biedt hij de lezer een mix aan van economische en artistieke gegevens, zoals ook zijn subtitel Creativiteit en ondernemen in de Amsterdamse Schouwburg van de zeventiende eeuw aangeeft. Hij bestudeerde een groot aantal digitaal beschikbare bronnen met data over opvoeringen, recettes, aantallen toeschouwers en las de gedrukte tekstboekjes om zo tot conclusies te komen over de populariteit van de stukken. Hij werd gepassioneerd door de verrassende bevindingen van deze gegevens en wil met dit boek de geboorte van het culturele uitgangsleven en de slag om het publiek wereldkundig maken. Zo ontdekte hij dat de opbrengsten van het theater naar het Burgerweeshuis en het Oudemannengasthuis gingen, die op hun beurt weer investeerders werden van het theater en de bestuurders aanwezen.  

    De Amsterdamse Schouwburg stond open voor publiek uit alle lagen van de bevolking en schotelde een reeks aan boeiende thema’s voor. De verhaalstof was zeer divers en zeker niet enkel van de hand van de grote Nederlandse schrijvers als Vondel, Hooft of Bredero. Heel wat populaire stukken kwamen uit het ‘vijandige’ Spanje waar Lope de Vega en Calderon de la Barca als het ware twee hofleveranciers van het Amsterdamse theater werden. Hun stukken werden weliswaar naar Nederlandse hand gezet, maar bleven toch dicht bij het origineel. Ook Bijbelverhalen als Jozef en Esther waren bijzonder in trek, naast scabreuze kluchten als afsluiter van een toneelavond. Naar het einde van de eeuw toe werd alles wat serieuzer en was er meer aandacht voor de klassiekere Franse stukken. Blom laat de lezer alle stukken opnieuw beleven. Hij beschrijft elk stuk, en de impact op het publiek daarvan, tot in detail. Dat vergt heel wat van de lezer, maar het is aangenaam verteld en biedt een unieke inkijk op het theater van toen.

    Aangenaam naslagwerk 

    Tegen de achtergrond van deze stukken spelen zich achter de schermen ook heel wat drama’s en verhalen af. Ook deze onthoudt Blom de lezer niet. De theatervernieuwingen worden uitvoerig aangekaart, zowel de technische als bijvoorbeeld de eerste vrouwelijke acteurs die op het podium verschenen. De vele intriges en disputen tussen acteurs en schrijvers, geldschieters, belangengroepen, alles komt aan bod en dat maakt Podium van Europa een boeiende historische schets van het culturele leven toentertijd. Want ook het publiek speelt een belangrijke rol in het werk: aan de hand van de populariteit van de stukken kan men ook achterhalen welke topics hot waren op welke momenten. Bovendien kenden heel wat stukken internationale aandacht en werd Amsterdam een doorgeefluik van theater vooral naar de Duitstalige wereld.

    Het boeiende en bloeiende theaterleven kent na 1672 een serieuze terugval. Ook dat is Bom niet ontgaan. De Republiek werd door Franse troepen onder de voet gelopen en dat betekende de doodsteek voor veel populaire stukken. In 1677 ging het theater weer open, maar de luchtige stukken van Jan Vos en bijna alle scabreuze kluchten werden van het repertoire geschrapt en maakten plaats voor serieuzere stukken die eerder gericht waren tot een elitair publiek. De ‘schouwburg van het spektakel’ maakte plaats voor dat van de ‘beschaafde lach’. Het volk bepaalde niet meer wat ze te zien kregen, maar een intellectuele elite nam het over. 

    Podium van Europa is een aangenaam naslagwerk geworden met aandacht voor diverse aspecten van het zeventiende-eeuwse Amsterdamse culturele leven, gelardeerd met heel wat originele citaten en opgesmukt met relevant cijfer- en datamateriaal. Blom toont de lezer hoe het er op het podium en achter de schermen aan toe ging en dat in een bloemrijke taal met veel aandacht voor detail.

     

     

  • Eens kijken hoe het met God gaat

    Eens kijken hoe het met God gaat

    God is al tijdenlang aan het verdwijnen in Nederland en daarom is het goed dat Toon Tellegen eens hier en daar gekeken heeft hoe het met hem gaat. Dat heeft, met als titel God onder de mensen een boekje met sprookjesachtige waarnemingen opgeleverd dat een mooie plek verdient in het oeuvre van Tellegen. God is in de beschrijvingen van Tellegen meestal een oude man, slecht gekleed, vaak niet best gehumeurd en teruggetrokken levend. Het is bekend dat hij macht heeft over alles en iedereen, maar hij doet daar eigenlijk niets mee en het kan hem ook duidelijk niet boeien dat hij er iets mee zou kunnen doen. Die macht is hem kennelijk komen aanwaaien, en van weinig belang voor hem, hoe groot dat belang ook is voor de mensen. 

    Exentrieke God

    God kan ook behoorlijk excentriek zijn, laat Tellegen overtuigend zien, als hij Hem bijvoorbeeld dwars door iemand heen laat wandelen. ‘Het lichaam van die man, met een gat er middenin, bleef op straat achter’, noteert Tellegen. God kan ook wrede dingen doen. Zo peutert hij de gehoorbeentjes uit de oren van iemand die naar Zijn idee hem niet wil horen. Dat zijn toch dingen waarvan je als lezer van het boek denkt: jeetje, dat wist ik niet van God. Goed dat Tellegen dat eens uit de doeken doet! Soms maakt God het te bont. Zoals op de dag dat hij op straat iemand jent met de mededeling: ‘Je vreest mij… verzoekt mij om de meest uiteenlopende en onmogelijke zaken, zoals genade, vergeving van zonden, erbarmen, deernis en nog meer van dat soort dingen… terwijl je mij helemaal niet kent, niets van mij afweet en mij van jouw kant niets te bieden hebt.’

    En zoiets gaat deze trouwe gelovige dan te ver: ‘Hij voelde een soort razernij in zich opkomen als een vuur uit een vuurpot diep binnen in hem, waarin zijn kindertijd nog lag te smeulen, zijn vader, zijn christelijke school, zijn huwelijk, zijn plichtsgetrouwheid als belijdend christen… De vlammen laaiden hoog op. (…) Het was een sterke man, hij had vroeger op gewichtheffen gezeten, was ooit districtskampioen in de lichtzwaargewichtklasse geweest, had een paar maal aan de nationale kampioenschappen deelgenomen en ook nog een jaar aan kogelslingeren gedaan op atletiek. Hij tilde God op, knelde hem tegen zich aan, draaide vier keer op zijn hakken rond en slingerde hem midden op straat. ‘Of ik u niet ken…!’ riep hij hem achterna. Hij liet zijn handen weer zakken. Het was zes uur, hij had honger, zijn vrouw wachtte op hem met het eten. Het begon te regenen. De straat was verlaten, er was nergens een levende ziel te bekennen, zelfs geen hond.’

    Tobben over zijn Godzijn

    Het werd wel eens tijd dat deze minder bekende kanten van God belicht werden en Toon Tellegen doet dat op zijn eigen wijze: eerlijk en onopgesmukt. God is ook eenzaam, dat wordt wel duidelijk. Zo mist hij – om maar iets te noemen – een godin. Misschien dat hij vanwege die eenzaamheid eens in het hoofd van een mens kroop (‘Op een dag ontdekte een man dat God zich schuilhield in zijn hoofd. Alsof het buiten zijn hoofd regende of gevaarlijk was voor hem’) of een ander mens van dichtbij voortdurend bleef aankijken (‘Een man zag voortdurend het gezicht van God voor zich.’) tot die er tureluurs van werd en God ging uitschelden.

    Dat God voortdurend aan het tobben is over zijn Godzijn, en wat hij daarmee aan moet, dat beschrijft Tellegen in meerdere van deze stukjes in deze bundel ZKV’s. Vooral zijn onsterfelijkheid is voor God een straf. In één van de verhalen looft hij 1000 euro uit voor wie hem dood kan maken. Maar dat lukt tot zijn spijt niemand. Als hij voor het raam van een liedjescomponist probeert zichzelf op te hangen aan de beuk in diens tuin gaat dat voortdurend mis, omdat hij de lus niet goed om zijn nek krijgt, of het touw breekt, of de stoel waarop hij staat wil niet omvallen. De liedjescomponist ziet het gebeuren: ‘Dit voorval herhaalde zich vervolgens gedurende lange tijd dagelijks voor zijn raam. Hij achtte het waarschijnlijk dat God om een of andere reden dood wilde gaan, maar daartoe niet in staat was. Alsof alleen mensen over hun leven konden beschikken en hij niet. Wij zijn gelijkzijdige driehoeken, zei hij tegen zichzelf. Hij vond dat een verontrustende gedachte, hij kon niet uitleggen waarom.’

    Behalve de boodschap dat God – áls hij al bestaat – méér mens is dan wij denken, lijkt dit wel de voornaamste conclusie van Tellegen’s onderzoek naar de relatie tussen ons en Hem: wij zijn gelijkzijdige driehoeken en dat is een verontrustende gedachte, zonder dat we weten waarom. Goed dat iemand dat nu eens opgeschreven heeft!

     

  • Puzzelen aan een zondvloedverhaal

    Puzzelen aan een zondvloedverhaal

    De nieuwe bundel van Mischa Andriessen, Het Drogsyndicaat, kwam min of meer toevallig tot stand. Eigenlijk zou Andriessen een tekst schrijven voor een Belgische theaterproductie, wat door de pandemie niet doorging. Hij besloot vervolgens het onderwerp, het verhaal van de ark van Noach, te gebruiken voor een dichtbundel. De opzet herinnert aan een theatertekst. Voorin staat een lijstje met de ‘dramatis personae’, die de onderwerpen van verschillende gedichten vormen en een eigen stem krijgen. Ook de meeste andere titels als ‘Vloed’, ‘Broom’ of gewoon ‘Het Drogsyndicaat’ keren telkens terug.

    Het drogsyndicaat moet worden gelezen als een geheel en heeft een sterk episch karakter. Andriessen houdt ervan bestaande verhalen en bronnen in zijn gedichten te verwerken. In de verantwoording staat hier een lange opsomming van. Als lezer moet je daar maar net mee bekend zijn, zoals de roman De zondvloed van David Maine of De zondvloedmens van Bert Sliggers. Laat staan dat je de talloze citaten en verwijzingen naar dichters, schrijvers, filosofen en (rock)musici zult herkennen. Andriessen kan trouwens ook zelf in een enkel geval de inspiratiebron niet meer thuisbrengen en schrijft dat er onbewust vast meer invloeden in de bundel zijn geslopen. De vraag rijst in hoeverre deze kennis belangrijk is voor het begrip van de bundel. 

    De reusachtige vogel Ziz

    Dat geldt in ieder geval voor het verhaal van de ark van Noach en de zondvloed. Hiervan zullen lezers zonder religieuze achtergrond maar globaal op de hoogte zijn. Wie weet dat Naäma Noachs vrouw was en Sem, Cham en Jafet zijn zonen? En dat Sem getrouwd was met Ila? Dat Noach zijn middelste zoon Cham wegstuurde nadat deze hem naakt en dronken had aangetroffen? En kent iedereen het verhaal van de reusachtige vogel Ziz, een fabeldier uit de Joodse mythologie? Tijdens het lezen moet je steeds in de bronnen duiken. Pas daarna worden de gedichten begrijpelijk. Andriessen veronderstelt dus te veel als bekend. Hij denkt zelfs dat iedereen The Dream Syndicate kent, een alternatieve rockband uit de jaren tachtig waar de titel op is geënt, al hoef je dat niet per se te weten.

    Als je ‘drogsyndicaat’ in Google intikt, wordt je gevraagd of je misschien ‘drugssyndicaat’ bedoelt. De personages zou je inderdaad als gedrogeerd kunnen zien door Gods bijna onbevattelijke opdracht. ‘Drog’ verwijst ook naar ‘bedrog’ of ‘schijn’. Het is een van de terugkerende titels van de gedichten. De onmenselijke opdracht roept allerlei vragen op. Bijvoorbeeld: waarom worden juist Noach en zijn familie gered? Hoe kan de Almachtige zo wreed zijn al zijn onderdanen te laten verdrinken? Is een nieuw begin wel mogelijk of zal de tot decadentie neigende mens spoedig in zijn oude fouten vervallen en is het nieuwe begin maar schijn?

    Knappe inleving

    Andriessen heeft het verhaal van de zondvloed teruggebracht tot menselijke proporties. In de gedichten staan de onderlinge relaties centraal: vooral die tussen Noach en zijn vrouw Naäma, Noach en zijn middelste zoon Cham en tussen Noachs oudste zoon Sem en diens vrouw Ila, tussen wie ook niet alles koek en ei is en die een kind verwachten. Het is knap hoe Andriessen zich in hen heeft ingeleefd. Hij verplaatst zich zelfs in de ezel, ook een van de terugkerende ‘personages’. De bundel heeft ook luchtige kanten. De ezel blijkt echter een scherpzinnig observator: ‘Tellen is niet je sterkste kant, of denk je zelf van wel? Druk doende was je al de treeplank/binnen te halen toen je me ineens op de kade ontwaarde, ik, die – heel de tijd dat je bezig was – je al bekeken had, zag hoe je uitdrukking veranderde; gradueel je voldoening overging in angst.’

    We lezen wat er in de hoofden van de personages speelt. De opdracht trekt een zware wissel op de relatie tussen Noach en Naäma. Er is veel sprake van onzekerheid en angst en van onderling wantrouwen. Vooral Noachs beslissing Cham weg te sturen zorgt voor tweespalt in zijn huwelijk en grote vertwijfeling bij zowel Noach als Naäma:

    ‘Steeds zag ik de jongen weggaan de wereld weer niets
     Dan water zijn steeds zag ik zijn onbegrip hoorde ik
     Zijn bevreesde kreten en hoe jij in antwoord stil bleef
     Steeds hoorde ik mezen die buiten de jongen zochten
     Hun woonst verlieten telkens terugkeerden om te zien
     Of zij zich het lege nest misschien toch hadden ingebeeld.’

    De personages gaan voor ons leven: ze worden mensen van vlees en bloed. Daardoor kun je de verhalen makkelijk op jezelf betrekken, wat een belangrijk doel van de dichter lijkt. Hoe gaan wij tegenwoordig met mens, plant en dier om? Het antwoord op deze vraag wordt impliciet gelaten, zodat de toon – en dat is een pre – niet moralistisch wordt. Soms spelen de gedichten zich opeens af in het heden, als er gewag wordt gemaakt van een auto, een saxofoon of een sms, of zitten we voor de televisie:

     Het Drogsyndicaat

    ‘Het regent op de eerste dag het regent toevallig
     Op de tweede het regent de derde vierde vijfde dag
     Het regent nog als de maand ten einde is een nieuwe begint
     En als ook die eindigt en het nog altijd regent is het toeval
     Sla de regels van de kansberekening er maar op na
     Zegt de man die voor de camera zijn kraag opslaat
     Zijn doorweekte haar in iets van een model kneedt en verdergaat
     Het mag onwaarschijnlijk zijn maar daarmee is het nog niet onwaar
     In Monaco viel bij roulette de zwarte bal eens zesentwintig keer achter elkaar
     Op zwart hij lacht triomfantelijk als de wind hem in het gezicht zwiept
     Als de kijkers thuis niet druk met het dichtspijkeren van hun ramen zijn
     Die lach door ontelbare druppels op de lens vervormd zien tot een grijns
     Verkouden op hun vingers nog eens natellen hoelang de regen nou wel niet’

    Het karakter van dromen 

    De opzet van de bundel is nadrukkelijk niet chronologisch. Het eerste gedicht heet ‘Omega’, de laatste letter in het Griekse alfabet, het laatste gedicht ‘Alfa’, de eerste. Daartussen loopt alles door elkaar, waardoor je als lezer regelmatig de kluts kwijtraakt. Ook is het niet altijd duidelijk wie er met de persoonlijk voornaamwoorden worden bedoeld. Poëzie mag uiteraard de hersenen aan het werk zetten, maar je bent in deze bundel wel erg vaak aan het puzzelen. De gedachtespinsels hebben het karakter van dromen. Er wordt in de gedichten veel geslapen. Idyllen staan tegenover de rauwe werkelijkheid. Men vraagt zich af wat beter was, de tijd voor of na de zondvloed. Noach en Naäma keren in gedachten regelmatig terug naar het begin van hun leven, toen alles nog pais en vree was. Het volgende beeld staat in schel contrast met de zondvloed: ‘De houten kuip zou op het tuinpad staan / En onbeschaamd lieten zij hun kleren neer / Stapten na elkaar in het water warm en klam / Zagen ze de zachte golven die ze maakten / Wegebben tot nauwelijks nog een rimpeling’ 

    De bundel bevat vooral lange gedichten met verhalende regels vol omkeringen en ellipsen. Doordat interpunctie veelal ontbreekt en de regels doorlopen (terwijl de regel met een hoofdletter begint) moet je deze vaak herlezen, wat wel eens gaat irriteren. De beeldspraak is weinig spitsvondig, schaars en ondergeschikt aan het verhaal. De dichter schetst soms mooie beelden, met treffende details: 

    ‘Met een ruige dos haar slepende tred en eeuwig slaap
     In de wimpers kwam van buiten een jongen de stad in
     Liep regelrecht door naar de fontein en nam daar plaats
     Op de stenen rand stond hij met geheven handen stil
     Tot hij in het bekken dook water wild over de kanten spatte
     Telkens als hij sprong tot het plein rondom blank stond
     Hij bloedend op de bodem van de springbron lag nu zacht
     Tegen de toegestroomde menigte sprak en zo zal het zijn’

    Een boom voor elk kind

    Het vele gebruik van tautologieën en van archaïsche woorden, zoals ‘zwadder’, ‘fezelen’ en ‘wepel’ (‘het wepele laken’), dragen bij aan de oudtestamentische sfeer, hoewel je die woorden ook weer moet opzoeken. Door de vele herhaling wordt Het Drogsyndicaat op den duur wat langdradig: wanneer er voor de zoveelste keer gemijmerd wordt over Chams terugkeer, of Naäma weer eens bedenkt hoezeer het gedrag van haar man is veranderd. Ook moet je thema’s als huwelijksgeluk en vaderschap maar interessant vinden. In de verantwoording lezen we dat Andriessens eigen vaderschap een belangrijke motivatie was. Centraal in de bundel staat het beeld van Noach die een boom plant voor zijn zoon. In de verantwoording lezen we dat ook Andriessen hoopt een boom te planten voor zijn twee zonen, iets aan hen na te laten. 

    Het Drogsyndicaat is een interessant en gedurfd experiment, maar als dichtbundel minder  geslaagd. Andriessen toont weliswaar een groot inlevingsvermogen, maar houdt te weinig rekening met de lezer, die in dit op bijbelse leest geschoeide relatiedrama, alle draadjes aan elkaar moet knopen. Misschien kan de tekst alsnog, met enige omwerkingen, op de planken worden gebracht. Met de vuige rock van The Dream Syndicate als soundtrack. 

     

     

  • Over de familie Swart, doodnormale witte Zuid-Afrikaners

    Over de familie Swart, doodnormale witte Zuid-Afrikaners

    Het is 1986 en ‘Ma’ is in het eerste deel van De belofte, waarmee de Zuid- Afrikaanse Damon Galgut de longlist van de Booker Prize haalde, overleden. ‘Oom Ockie en tante Marina vangen Amor, de jongste dochter op. Zij is al bijna geen kind meer.’ Dergelijke korte zinnen worden afgewisseld met beschrijvingen in beeldend taalgebruik,  zoals die van oom Ockie: ‘Bruine broek; geel overhemd en glimmende schoenen’. Hij heeft flaporen en rookt sigaretten. Het huis waar ze wonen is ‘als een dronkaard die een samenraapsel van kledingstukken draagt’.      

    De ziekelijke moeder, Rachel Swart was niet geliefd bij haar zuster Marina. Moeder Rachel en dochter Amor worden – tot de dood van Ma – verzorgd door Nanny Salomé, ‘die zat bij de koop van het land inbegrepen’; een terloops zinnetje dat inslaat als een bom. Ook Amor voelde zich soms, net als de zwarte Salomé, onzichtbaar. Salomé was erbij toen Rachel haar laatste adem uitblies, maar ze telt als getuige uiteraard niet mee. Die getuige had Amor moeten zijn, vindt haar aan anorexia lijdende zus Astrid.
    Rachel was joods, haar man Manie is Nederduits Gereformeerd en wordt ondersteund door ds. Simmers, die eigenlijk niet meer gelooft, slecht ziet (mooie metafoor) en wordt geleid door een predikant in opleiding. Salomé is ook Nederduits Gereformeerd. Conform dit geloof meent ze, dat God Rachel ‘dit grote lijden heeft gegeven’ zodat ze voor haar kon zorgen. Als dank heeft Rachel aan Salomé het huisje beloofd waarin ze woont.

    Familieperikelen in Zuid-Afrikaanse geschiedenis geplaatst

    De verschillen tussen de personages worden treffend en tot in de détails uitgedrukt. Zo zit Manie tijdens het rouwbeklag op een stoel en niet – volgens joods gebruik – op een laag krukje, zo dicht mogelijk bij de grond. Het geeft de zorgvuldigheid aan waarmee Galgut te werk is gegaan en die je ook als langzame lezer zou moeten betrachten, al schrijft de auteur soms een tussenzin als: ‘Let op de nautische term’.

    Grote gebeurtenissen in Zuid-Afrika worden door het familieverhaal gestrooid: ‘Een kleefmijn in Johannesburg, troepen in de townships’, terwijl de racistische houding van Marina en Ockie tegenover Salmomé uitvoeriger aan bod komt: ‘Onvergeeflijk, zo lui is ze, (…) ze moet als een soort rotsblok voortgeduwd worden, de hele tijd bevelen geven is een uitputtingsslag’. Die afwisseling in stijl geeft het boek iets ritmisch, waarin ook de kosmos meedoet: ‘Het is nacht, dezelfde nacht, maar later, de sterren hebben zich verplaatst’. Zo verschuift het verhaal ook in de tijd, steeds dichter naar het heden toe.
    Naast Amor en Astrid is er nog een broer, Anton. Ook een naam die begint met de eerste letter van het alfabet. Hij zit in het leger en wordt op weg naar huis geraakt door een steen van een ‘oproerige inboorling’.

    De vertaler, Rob van der Veer, heeft zijn woorden zorgvuldig gekozen. Zo speelt hij bijvoorbeeld met de gevoelswaarde van ‘blank’ en ‘wit’ en met verschillende taalregisters, zoals ‘flatulentie’, ‘vlietende momenten’, Bijbels taalgebruik (‘lankmoedig’) en Zuid-Afrikaans.

    Niet naast elkaar leven, maar wel sterven

    Het tweede deel van het boek gaat over Pa, die door een cobra uit zijn eigen reptielenpark in een slagader is gebeten. Hij ligt bewusteloos in het ziekenhuis, naast een zwarte man die kreunt in ‘de taal van de pijn’, een universele taal. De ‘apartheid is gevallen, we sterven tegenwoordig naast elkaar, in intieme nabijheid. Alleen naast elkaar leven is nog iets wat we onder de knie moeten krijgen’, denkt zoon Anton. Pa sterft en Salomé hoopt dat Amor de belofte van haar ouders aangaande het huis gestand zal doen. Dit is echter niet het geval. Nog niet.

    In het derde deel, ‘Astrid’, zijn we weer verder in de tijd, de periode van Mbeki’s bewind. Astrid heeft zich bekeerd en is rooms-katholiek geworden. Kort na de bekering wordt ze bij een roofmoord gedood. Het huis voor Salomé speelt nog steeds een rol. Haast letterlijk: als een personage dat telkens stilzwijgend opduikt. 

    In het laatste deel volgen we Anton, die het hele boek door, al zo’n twintig jaar aan een roman over het menselijk tekort werkt. Hij heeft alle vertrouwen in Zuid-Afrika verloren, hoewel hij er zelf aan meewerkt door een verkeersboete vanwege dronkenschap af te kopen. Hij doodt zichzelf met een geweerschot, ‘een vernederend incident’, aldus zijn vrouw Desirée. Tijdens de crematie wordt al dan niet terecht benadrukt, dat Anton waarheidlievend was; de macrokosmos van de waarheidsvinding in Zuid-Afrika wordt in de microkosmos weerspiegeld.

    Onvoltooid manuscript over menselijk tekort

    Als Amor in de werkkamer van Anton slaapt, vindt zij het onvoltooide manuscript van zijn veelgenoemde roman. Het zouden, net als Galguts boek, vier delen moeten worden, naar de vier seizoenen. In beide gevallen, zowel bij Antons roman als die van Galgut, kun je je afvragen: ‘Is het een familiesage of een plaatsroman?’ In beide gevallen is alles ‘gescheiden door tussenpozen van grofweg tien jaar’. Maar er is ook een verschil: de natuur doet bij Galgut als een personage of als een koor in een Griekse tragedie mee, geeft commentaar: ‘Onweersgerommel in de verte, als een menigte die in een vreemde taal schreeuwt’. Niet universeel, zoals die van de pijn. Het bouwvallige huisje gaat na eenendertig jaar met een fors geldbedrag naar Salomé en haar zoon. De reactie is anders dan Amor had gedacht. ‘Verbonden maar niet verbonden’, zo voelt het.
    Ondanks alle geweld, lijkt het land momenteel op een keerpunt te staan. De naam Amor lijkt dit uit te drukken en houdt een belofte voor de toekomst in.