• Woutertje Pieterse Prijs voor De jongen die van de wereld hield

    Woutertje Pieterse Prijs voor De jongen die van de wereld hield

    Adem kan niet wachten om geboren te worden. Maar dan echt. Want in het prachtige, sfeervolle De jongen die van de wereld hield van Tjibbe Veldkamp, verschijnt Adem als een mogelijk kind, dat hoopt later écht te leven. Hij is ontstaan uit de eerste blik die zijn potentiële ouders op elkaar wierpen. De vraag die centraal staat in het hele boek is echter: zullen die twee elkaar weerzien en gaat het dan ook echt wat worden? Kortom: zal Adem wel leven? Dat maakt het boek spannend. Het wordt een zoektocht vol avonturen, tegenslagen en vreemde wendingen.

    Lees hier de hele recensie op Jong Literair Nederland.

    Op 6 april 2024 ontvingen auteur Tjibbe Veldkamp en illustrator Mark Janssen de Woutertje Pieterse Prijs voor het beste oorspronkelijk Nederlandstalige kinder- of jeugdboek.

  • Een mandje tussen de lisdodden

    Een mandje tussen de lisdodden

    Malaga Island, voor de kust van Maine, is een eilandje van amper 40 hectare. Vanaf het begin van de negentiende eeuw woonden er een paar families. Die werden in 1912 met geweld verdreven vanwege belangen van een vermeende eigenaar van het gebiedje. De bevolking was door rasvermengingen en inteelt binnen de gemeenschap divers van huidskleur en erg arm. Aanvankelijk kwam er nog voedsel- en andere hulp van het vasteland, maar onder de opkomende rassenhaat en eugenetica kregen de bewoners het stempel van domme, zedenloze en smerige lieden waarvan het eiland gezuiverd moest worden.
    Op deze geschiedenis is Dit andere paradijs van Paul Harding gebaseerd. Hij won in 2010 met zijn debuutroman Kwikzilver de Pullitzerprijs en was vorig jaar met zijn derde, Dit andere paradijs, genomineerd voor de Booker Prize.

    Malaga Island is in het verhaal van Harding ‘Apple Island’ geworden, een naam die het kreeg van de fictieve voormalige slaaf Benjamin Honey die zich er in 1793 vestigde met zijn vrouw Patience Raferty. Hij wilde er een appelboomgaard beginnen die hem zou herinneren aan zijn kindertijd waarin hij de tuin van zijn moeder ervoer als het paradijs. Dit andere paradijs op zijn nieuwe eiland zou verkeren in zijn tegendeel, maar dat zouden zijn nakomelingen pas meemaken.

    Schooltje

    De roman begint in 1911 als Esther Honey , de achterkleindochter van de appelkweker, door Harding wordt gepresenteerd met de belangrijkste personages om haar heen: haar zoon Eha en diens kinderen Ethan, Charlotte en Tabitha. Buiten deze familie wordt in het verhaal een belangrijke rol vervuld door Matthew Diamond, een missionaris van het vasteland die voor de eilanders een schooltje heeft opgezet, de ietwat zonderlinge maar goedaardige Zachary die in een uitgeholde boom huist en de eveneens alleen wonende Annie Parker. Om een idee te krijgen van de woonomstandigheden van Apple Islanders loont het om rond te kijken op deze website van Main Coast Heritage Trust, waarop foto’s staan van Malaga Island uit de periode waarin Dit andere paradijs zich afspeelt.
    Harding spint een weefsel van hartverscheurende verhalen zonder effectbejag en zonder in dramatiek te vervallen. Hij maakt van de eilandbewoners niet uitdrukkelijk slachtoffers van de hardvochtige behandeling door de staat Maine en evenmin idealiseert hij de gemeenschap. Alle personages en het eiland zelf komen tot leven in rake karakteriseringen. Zelfs de figuren van het tweede plan worden bijna tastbaar.

    Bijbel

    De ontruiming van Apple Island is niet het enige drama dat Harding vertelt. Als Esther Honey in het begin het verhaal van de zondvloed vertelt waarin zij er ternauwernood in slaagde haar zoon Eha en zichzelf te redden, mag ze nog een geliefde oma lijken voor haar kleinkinderen die aan haar lippen hangen. Later wordt de lezer een wredere achtergrond duidelijk over de herkomst van het kind, de rol van haar vader, en waarom Eha nog leeft. Het was háár persoonlijke zondvloed.
    Er zitten veel meer Bijbelse verwijzingen in de roman. Naar de doortocht door de Rode Zee, naar de ark van Noach en naar de redding van Mozes in zijn biezen mandje. En er is Zachary, wiens volledige naam Zachary Hand To God Proverbs is en die Bijbelse taferelen aan de binnenkant van zijn eik kerft.
    Esther bewaart haar grote geheimen voor alle eilandbewoners; de lezer waant zich lange tijd de enige die er kennis van draagt, tot aan het eind blijkt dat de mysterieuze Zachary het altijd heeft geweten.

    Tekenaar

    De missionaris Matthew Diamond heeft succes met zijn onderwijs aan de eilanders. Hij ontdekt er talenten, zoals de tienjarige Tabitha, dochter van Esther, die vloeiend Latijn spreekt en de ongeveer even oude wees Emily Sockalexis die al snel beter is in wiskunde dan haar leraar. Maar de meest opvallende in dit opzicht is de withuidige zoon van Esther, Ethan, die alles in zich heeft om een groot tekenaar te worden. Diamond heeft het beste voor met zijn schoolkinderen, hoewel hij ook zelf bepaald niet vrij is van raciale oordelen. Als hij door de gouverneur van Maine wordt gedwongen mee te werken aan de vernederende onderzoeken zoals schedelmetingen en lichamelijke inspecties van de eilandbewoners vindt hij een uitweg voor het tekentalent. Via een vriend laat hij Ethan ontkomen. Toch zal blijken dat ook die daardoor niet gered is. Voordat dat duidelijk wordt heeft Harding de lezer nog verrast met een vertederende liefdesgeschiedenis tussen Ethan en het dienstmeisje Bridget Carney, die geleidelijk diens geschiedenis en die van de eilandbewoners ontdekt.

    Onze ark

    Als de ontruiming eenmaal daar is, breken de bewoners zelf hun huisjes af en laden ze in bootjes met de bedoeling ze op het vasteland weer op te bouwen. Esther ziet ze vertrekken ‘samen op drift op een vlot volgestouwd met onderdelen van hun huis, het huis dat een stap was geweest in hun hardnekkige streven naar het soort thuis dat ze allemaal voor zichzelf hadden gewild sinds ze naar de rots, het eiland, waren gekomen en zich eraan hadden vastgeklampt’. Ze kijkt om naar het verdwijnende Apple Island: ‘Dat arme eiland, zei ze. Dat arme kleine eilandje van zulke arme lieve mensen. Verdreven van onze grond, onze ark, ons mandje tussen de lisdodden’.

    Harding gebruikt kleine woorden om grote gevoelens over te brengen. Ook de Nederlandse vertaler Jan Fastenau is erin geslaagd die eenvoud en het ritme te behouden: ‘The trees at the borders bowed in the gusts of wind and straightened in the pauses and rain swept in sheets across the greening grass’ werd in het Nederlands bijvoorbeeld: ‘De bomen aan de zomen bogen door in de rukwinden en richtten zich op tussen de vlagen door, en regengordijnen geselden het groenende gras’.

    Dit andere paradijs
    ontging uiteindelijk de Booker Prize 2023 (bekroond werd The Prophet Song van Paul Lynch), maar zal er niet ver naast gezeten hebben. Het is een haarscherpe invoelende roman over het kwaad dat vooroordelen en egoïsme kunnen aanrichten. Én een roman over overlevingskracht waar je stil van wordt.

     

     

  • Den Ouden lees je kwispelstaartend

    Den Ouden lees je kwispelstaartend

    Het lezen van een bundel van Martijn den Ouden is altijd een avontuur. Je wordt als lezer heen en weer geschud alsof je in een achtbaan zit. Den Ouden experimenteert graag met vorm en inhoud in zijn gedichten, heeft maling aan gevestigde opvattingen over wat poëzie zou moeten zijn en schept een geheel eigen universum naar zijn wil, waar alles mogelijk is en wetmatigheden niet bestaan. Hij zet daarbij de logica naar zijn hand, spreekt zichzelf tegen, schept verwarring en gaat vrolijk zijn eigen gang. De gedichten stralen brutaliteit en lef uit en wekken de indruk dat ze met veel plezier geschreven zijn. Dat gold voor zijn voorlaatste bundel Ruimtedagen, maar zeker ook voor de nieuwe bundel Visioenen.

    Deze bundel is één lang gedicht, dat de lezer het best in één keer uitleest om de draad niet kwijt te raken. Alsof het een scenario van een toneelstuk is, wordt het verhaal verteld door meerdere stemmen, die aangeduid worden door hun naam boven de tekst. Alleen de ik-figuur, de belangrijkste rol, wordt niet speciaal aangegeven. Soms is ‘de dichter’ aan het woord, die een innerlijke monoloog houdt, maar het wordt niet duidelijk of dat dezelfde is als het lyrisch ik. Beurtelings spreken Jimi Hendrix, God, de dichter, een landschap en diverse andere kleine rollen. Er is zelfs een echte rei, een klassiek koor, dat als in een Griekse tragedie interrumpeert, waarschuwt, commentaar levert of alleen maar als echo fungeert.

    Vreselijke dromen

    De dichter wordt bezocht door vreselijke dromen. Jimi Hendrix, die na een ongeluk ‘de spreekbuis van God’ is geworden, komt hem vertellen dat deze dromen waarschuwingen zijn: ‘het wordt tijd dat jij je visioenen serieus neemt/ je bent een profeet/ dat je weet’. De dichter verzet zich hiertegen: ‘wanneer is het een visioen/ wanneer is het een onschuldige droom’. Jimi leert hem dat hij op vlinders moet letten: ‘de verschijning van een vlinder is altijd een visioen’. Er dwarrelen dan ook op verschillende bladzijden voldoende vlinders rond. De dichter moet, zeer tegen zijn zin, een profeet worden die de mensen moet waarschuwen voor een naderende catastrofe. Dit doet denken aan de profeet Jona uit het Oude Testament, die de opdracht krijgt van God om de inwoners van Nineve te waarschuwen wegens hun slechte gedrag. Ze moeten hun levensstijl beteren, anders zal de stad verwoest worden. Jona weigert om God te gehoorzamen en vlucht weg met een schip, de andere kant op. Net als Jona wil de dichter de opdracht niet aanvaarden: in een droom gaat hij naar de haven om weg te varen. Maar het schip dat aanmeert is niet voor hem bestemd:

    op het dek staat een man
    die schittert in een rood gewaad

    in de flanken radslagen
    mannen en vrouwen
    in hysterisch gekleurde kostuums
    met zwartgeschilderde
    gezichten

    koor
    dus het is feest

    Bijbelse citaten

    De bundel wemelt van Bijbelse verwijzingen en letterlijke citaten. De religieuze symboliek is niet zo vreemd als je bedenkt dat Den Ouden de zoon van een predikant is. Zijn taalgebruik is doorspekt met plechtige en archaïsche uitdrukkingen die contrasteren met de gewone spreektaal: zinsneden als ‘mij is groot onrecht aangedaan’ worden gecombineerd met ‘er geen sjoege van hebben’. Er wordt niet alleen geciteerd uit de Bijbel: het gedicht ‘engelen schilderen met oorverdovend gekrijs de lucht in de kleur van bunkers’ is geschreven met deels woorden en regels uit de poëzie van Campert in opdracht voor een bijdrage aan een nummer van De Revisor. Maar ook andere dichters zijn ruimschoots vertegenwoordigd in veel intertekstuele verwijzingen. Er zijn dichtregels opgenomen die doen denken aan het werk van andere dichters, zoals Hugo Claus en Willem Hussem. Ze wekken niet de indruk dat ze noodzakelijk zijn, maar ze komen mooi in het gedicht van pas. Het kan bedoeld zijn als eerbetoon aan de betreffende dichters, maar het zou ook een grap van Den Ouden kunnen zijn om de lezer bij de les te houden.

    De dichter vlucht een bar in en treft daar het gedicht/de vrouw/de god aan, naast wie hij plaats
    neemt. Zij vertelt hem dat er weer een pandemie aankomt. Over een vaccin is zij niet enthousiast, want ‘het is juist de bedoeling dat er mensen doodgaan/ vanwege de overbevolking’. De dichter moet deze boodschap overbrengen en de mensen waarschuwen, maar hij heeft daar geen zin in. Dan laat het gedicht/de vrouw/de god een dreigend staaltje zien van haar goddelijke macht:

    de vrouw
    de god
    dit gedicht

    beweert dat ze de zon
    in haar hond kan laten verdwijnen

    hoewel zij misschien wel
    de mooiste vrouw op aarde is
    maakt ze zich volkomen belachelijk
    met haar uitspraak

    we lachen om wat ze beweert

    de zon in haar hond

    het is een kleine hond
    daar past geen zon in

    om zeven voor vijf
    staat ze op het plein
    en propt
    met grof geweld
    de zon in haar hond

    terstond is het nacht
    de hond gloeit

    straalt licht
    uit de bek
    wanneer hij blaft

    koor

    jullie zijn gewaarschuwd

    Het is de opmaat voor een wereldslachting. De vlinders en de zee, die eerst zo veelvuldig en uitbundig werden bezongen en die symbool stonden voor visioenen en zuiverheid, worden vervangen door bloedige geraamtes, vreemde beesten uit de zee, schroeiend vlees, brandende trommels. ‘nog even een bokje doodslaan/ om de wangen te sieren met / bloed’. De wereld wordt een pandemonium dat zijn weerga niet kent, als op ‘Het laatste oordeel’ van Jeroen Bosch. Er is geen ontkomen aan: het laatste gedicht in de bundel luidt:

    met de fiets naar de Lada
    met de Lada naar de toendra
    van de toendra naar de zee

    koor
    zo zuiver is de zee

    het water ingelopen
    om van het gedonder af te zijn

    en te worden gered
    door een boot vol vluchtelingen

    Wrange humor

    De humor van Den Ouden is vaak wrang, zoals in de laatste strofe van bovenstaand gedicht. Hij houdt ervan om op die manier tegen heilige huisjes aan te trappen. Maar soms lijkt hij alleen maar om zich heen te trappen uit baldadigheid, uit branie, en wordt zijn humor flauw en melig. Zoals wanneer de dichter aan het gedicht/ de vrouw/ de god vraagt of Thierry de profeet niet kan worden. Hij krijgt als antwoord: ‘Thierry is – sorry dat ik het zeg – niet goed bij zijn hoofd/ hij begrijpt de boodschap niet of is mentaal te gemankeerd om/ die goed over te brengen’. Den Ouden wekt de indruk dat het hier om Thierry Baudet gaat, maar zonder diens naam voluit te noemen.

    Sommige gedichten zijn hoogdravend, andere weer in alledaagse taal. Een aantal ervan lijkt buiten de bundel te staan, omdat ze weinig toevoegen aan het geheel, maar net zoals in een toneelstuk als ‘terzijdes’ beschouwd kunnen worden. Ook kunnen ze een intermezzo zijn in de lange tekst, waarna de aandacht weer gericht wordt op de hoofdzaak. Maar er zit vaart in de bundel die boordevol zit met vindingrijke, originele, verrassende beeldspraak, die zijn komisch effect niet mist. Jongehondenpoëzie kortom: enthousiast, meeslepend en plezierig.

     

     

  • Zoektocht naar Nataraja

    Zoektocht naar Nataraja

    Op het omslag van het boek Oog in oog met de goden van Alexander Reeuwijk staat een bronzen beeld van Nataraja, de dansende Shiva. Een beetje liefhebber van Indiase beelden kent het uit het Aziatisch Paviljoen van het Amsterdamse Rijksmuseum. Zo ook de schrijver Alexander Reeuwijk, voor wie het liefde op het eerste gezicht is. Het zet hem aan om er meer van te weten te komen. Dit boek is de neerslag van die zoektocht. Maar er is méér, en dat maakt dit boek er uiteindelijk een met een rijke inhoud.

    Reeuwijk publiceerde eerder onder meer over Indonesië (dat op de shortlist van de Jan Wolkers Prijs terecht kwam) en Iran. Boeken die niet alleen zijn gebaseerd op onderzoek, maar ook op reizen. Daar in het paviljoen van het Rijksmuseum ontluikt het idee om zo’n Natarajabeeld op te gaan zoeken in een Natarajatempel. Want in Amsterdam staat het er maar wat verloren bij, meent Reeuwijk.

    Amsterdam, Zuid-India en terug

    Het begin van het boek katapulteert de lezer van Amsterdam naar Zuid-India. Naar Baskar en zijn neef Vasanth die massief gegoten godenbeelden voor tempels maken, maar vooral vrij werk dat ze in een winkel verkopen. Reeuwijk vraagt ze de oren van het hoofd over onder andere de techniek van de modellen in was tot de afwerking ervan, over hun leermeester, de routine van hun werkdag, maar ook over hun leven als kind en jongvolwassene.
    Reeuwijk laat het niet bij het beschrijven van het uiterlijk van de beelden. Hij wil ook een idee krijgen van de betekenis en de functie van de Nataraja. Terug in Nederland maakt hij daarvoor een afspraak met een indoloog, conservator Zuid-Aziatische kunst van het Rijksmuseum. Daarbij is het goed dat achterin het boek een afbeelding van de Nataraja is afgedrukt. Geestig is dat Reeuwijk de conservator in dit verband juist wel naar haar uiterlijk en voorkomen beschrijft, namelijk als een gedecideerde vrouw die zeker is van zichzelf, terwijl haar uitlatingen eigenlijk getuigen van meer bescheidenheid: ‘Zelf ben ik er (…) niet zo zeker van dat dit de correcte uitleg is’ van de kleine Apasmara onder de voeten van Nataraja – door Reeuwijk consequent als ‘dwerg’ omschreven. ‘Of,’ vervolgt ze dan, ‘eigenlijk ben ik er gewoon zeker van dat het niet de juiste interpretatie is.’ Ze blijkt een vrouw van nuances en zet Reeuwijk op het spoor van een tempel in Chidambaram, waar een beroemde Nataraja staat. Hij gaat ernaartoe.

    Verschillende beelden van Nataraja

    In bloemrijke taal beschrijft hij wat hij er ziet en hoort; tweemaal heeft hij het over blauwe vingers, die van hemzelf van het schrijven en van een ander van het trommelen. En wel erg veel mannen hebben opvallend genoeg een ‘eivormig hoofd’…
    De opeenvolgende uitleggen die hij over Nataraja krijgt, ziet hij niet als aanvullingen op elkaar, maar ze duizelen hem. De kennis om het allemaal te kunnen plaatsen ontbreekt, zoals hij zelf erkent. Iets weerhoudt hem ervan om in India in een tempel het beeld van Nataraja ook daadwerkelijk te naderen en in de ogen te zien. Is hij bang er iets van zichzelf in te herkennen dat hij liever niet onder ogen komt? Het is opvallend dat Reeuwijk zich in het Government Museum in Chennai afvraagt wat al die godenbeelden daar doen ‘uit hun context gehaald, in vitrines in het museum, sfeervol uitgelicht met ledlampjes’, maar zich tot dan toe niet afvraagt of het beeld van Nataraja in het Amsterdamse Rijksmuseum misschien roofkunst is. Hoewel hij wel meldt dat mensen in India met ‘lede ogen’ aanzien ‘hoe het culturele en religieuze erfgoed’ naar het buitenland verdwijnt. Ook citeert hij uit het werk van onder anderen de Duits-Nederlandse schrijver en VOC-beambte Jacob Haafner, die zich tegen het kolonialisme keerde. Want boeken over zijn onderwerp heeft Reeuwijk genoeg. Zijn kast puilt uit, zoals hij in een apart hoofdstuk (‘Nataraja en de boeken’) schrijft. In die boeken kan hij verwijlen.

    Spanning en afwisseling genoeg

    Reeuwijk laat de lezer in spanning wat de herkomst van het beeld in Amsterdam betreft. We weten inmiddels wel hoe een ander Shiva- en een Parvatibeeld in het Rijksmuseum terecht zijn gekomen. Maar snel verplaatst de auteur de aandacht weer naar achtergrondverhalen, interviews, bezoeken aan tempels, het bijwonen van een processie en het zich verdiepen in de leefgemeenschap van Aurovillianen. Dit zijn mensen uit alle landen van de wereld die in een stad in India vredig en harmonieus samenleven en die uitstijgen boven alle verschillen in geloof, politiek en nationaliteit.

    Zo is voor de lezer afwisseling gewaarborgd, hoewel Nataraja op die manier wel eens wat teveel naar de achtergrond lijkt te verdwijnen. Deze insteek is wellicht beïnvloed door Walden van Henry David Thoreau, die ook ‘persoonlijke observaties, filosofische bespiegelingen en maatschappijkritiek met feitelijke informatie over de natuur’ combineert, zoals Reeuwijk schrijft. Al doet Reeuwijks reactie op persoonlijke aangelegenheden bij de familie van Vasanth, waar hij zich thuis voelt, voor de een misschien wat te pertinent aan en getuigt ze voor de ander wellicht van een vertrouwdheid die nu juist te prijzen valt.

    En dan gaat het weer over de herkomst van de Shiva Nataraja in Amsterdam. Of liever gezegd over de vraag ‘welke weg de beelden ooit hebben afgelegd, vanuit India naar de musea of privéverzamelaars’. De auteur geeft een gesprek hierover weer met Vijay Kumar, die jacht maakt op handelaars van Indiase beelden. Hier wreekt zich soms de boekenwijsheid en de ietwat betweterigheid van Reeuwijk: ‘Je hebt gelijk, maar…’ of ‘Uiteraard, maar…’.  Het langverwachte antwoord blijft ook nu uit. Misschien – denkt de lezer op dit moment van het boek aangekomen – had het boek aan kracht gewonnen als het in twee afzonderlijke delen was verschenen: een over de godenbeelden en een over de reis door India. Daadwerkelijk en innerlijk.

    Inzicht en (h)erkenning

    Wie een antwoord op de vraag naar de herkomst van de Nataraja zoekt, komt dan ook bedrogen uit. Maar wie niet bang is met Reeuwijk de diepte in te gaan zal wellicht anders kijken naar wat hij aan extra’s toegeworpen krijgt – zoals de reisverhalen en interviews – waarbij alles aan het eind van het rijk geschakeerde boek uiteindelijk in elkaar past en valt. De auteur had het klaarblijkelijk allemaal nodig om tot een inzicht te komen, eerder dan tot een conclusie. ‘Thuis’ is voor hem niet langer alleen Amsterdam, maar blijkt ook India ‘van Rajasthan tot Tamil Nadu en van West-Bengalen tot Maharashtra’ waar hij ‘families ontmoet’ die hem levensverhalen vertellen waarin hij zich herkent. Dát is de uiteindelijke boodschap van het verhaal. Het gaat allang niet meer om alleen de herkomst van het beeld, maar om (h)erkenning.

     

  • En Danijel is bang

    En Danijel is bang

    Drago Jančar (1948) werd in de jaren zeventig gearresteerd om zijn kritische houding tegenover het communistisch bewind en later gedwongen in het leger te dienen. Pas na het overlijden van Tito voelde hij de vrijheid om te schrijven. Tegenwoordig wordt hij als een van de belangrijkste hedendaagse Sloveense schrijvers beschouwd. Hij is ook actief als essayist, toneel- en scenarioschrijver. In Slovenië staat hij bekend als maatschappelijk geëngageerd en om zijn kritische houding tegenover de politiek.

    Bij het ontstaan van de wereld speelt zich af vijftien jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Maribor, toenmalig Joegoslavië, tijdens het bewind van Maarschalk Tito, in de tijd van de Koude Oorlog. Bij de 11-jarige puber Danijel ontstaan in de lente nieuwe gevoelens. ‘Elke ochtend breekt uit de stilte het luide geraas van de wereld naar buiten. Zo ontstaat de wereld.’ Hij wordt zich voor het eerst bewust van het leven en noemt dat het ontstaan van de wereld. ‘Maar het is wel zo dat ogen die net ter wereld komen op een andere manier kijken, want ze zien alles voor het eerst.’

    En juist dan trekt de jonge, mooie Lena beneden in, in het huis waar Danijel met zijn ouders woont. Hij is totaal door haar gebiologeerd en houdt haar scherp in de gaten. Lena begint een verhouding met loodgieter Pepi en later ook en tegelijk met Ljubo. Dat loopt niet goed af. Pepi wordt dood in zijn werkplaats gevonden, waarna Lena en Ljubo worden gearresteerd. Eerst bekent Ljubo dat hij schuldig is aan de dood van Pepi, later neemt Lena die schuld op zich.

    Partizanen en papen

    Tegen de achtergrond van dit liefdesdrama maakt de lezer kennis met het leven in een dorp in een deelrepubliek van Joegoslavië dat nog steeds aan het opkrabbelen is na het einde van de oorlog. De mensen zijn druk bezig het hoofd boven water te houden: werken, het dorp onderhouden, eten, een nieuw bestaan opbouwen.
    De oorlog speelt nog een grote rol. Danijels vader heeft in een concentratiekamp gezeten en is lid van de socialistische Strijdersbond. Hij geeft af op alles wat Duits is of ermee te maken heeft, zoals zijn buurman die voor de Duitsers heeft gevochten en zijn been is kwijtgeraakt. Er wordt veel gedronken door de Partizanen en de Strijdersbond die vaak bij Danijel thuis ‘vergaderen’. Er worden sterke verhalen verteld over Dolfi (Hitler), er wordt ruzie gemaakt, maar altijd wordt het ook weer goed gemaakt.

    Danijels moeder is anders: zij is zachtmoedig, is trouw katholiek, heeft Danijel laten dopen. Pater Alojzij heeft met zijn catechese en Bijbelverhalen veel invloed op Danijel. Vader moet niets van de clerus hebben. De strijd tussen de papen en de strijders, de tweedeling in de maatschappij, speelt een grote rol in deze roman. Danijel wordt door de twee kampen regelmatig verscheurd: dan moet hij op school weer het socialistische Pionierslied zingen en de beloften doen die daarbij horen (onverschrokken zijn, beleefd, eerlijk, oprecht) en wordt hij middenin de nacht uit zijn bed gehaald om op zijn accordeon te spelen als de Strijders de oude Partizanenliederen zingen, en dan, even later, gaat hij voor het eerst naar de communie en vergeet hij het belangrijkste woord uit te spreken (Amen) waardoor hij de hostie mist.

    Door al die verhalen van de partizanen en die van de pastoor uit de bijbel droomt Danijel veel en heftig: over oorlog, bommen, dood en verderf. Dat wordt nog eens verhevigd door de diepe angst die er in die jaren in Slovenië heerst voor een nieuwe oorlog, met atoomwapens. ‘Zijn rust en vrede niet meer dan een periode tussen twee oorlogen?’ En Danijels vader zegt: ‘Oorlogen zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn.’

    Danijel vereenzelvigt zich met film- en andere helden uit boeken, de bijbel en de partizanen. Zijn broer, die marinier is, wordt ook op een voetstuk gezet. En steeds is het conflict tussen Onze-Lieve-Heer en de Strijdersbond aanwezig. ‘Waarom winnen we alleen maar in een oorlog die voorbij is of in films en boeken en de bijbel? In dit leven gebeurt het nooit.’
    Tito regeert nog met harde hand. Zijn milities (de Veiligheidspolitie) voeren nog steeds zuiveringen uit: Danijels buren (de eenbenige ex-tankcommandant) wordt met zijn gezin, inclusief Danijels vriend, weggevoerd, evenals professor Fabijan, die Danijel veel heeft geleerd over de grote Russische schrijvers, geschiedenis, de klassieke wereld en oorlog en vrede, maar die tijdens de oorlog Duitse lessen bleef geven.

    De boodschap is duidelijk

    Danijel realiseert zich na alle gebeurtenissen in de lente, de zomer en de herfst waarin de roman zich afspeelt ‘dat alles draait om de liefde, het grote verhaal van het leven, dat zich sinds het ontstaan van de wereld in ontelbare varianten afspeelt’. En Jančar verzucht: ‘Ach, die kinderjaren. Waarin je de gruwelijkste dingen moet zien om te weten wat schoonheid is, angst moet voelen om te leren wat moed is en alle rampspoed van de wereld moet ervaren om jezelf geestelijk te verrijken’.

    De roman is associatief en behoorlijk breedsprakig geschreven: al die dromen en al die natuur! En al die gebeurtenissen in het dorp: ze geven aan dat de wereld doordraait, maar ook dat ze er niet toe doen. Waarom dan toch verteld. Wat voor nut heeft de beschrijving van de relatie tussen Lena en haar twee minnaars en de fatale afloop daarvan, misschien om een stukje spanning in de roman te krijgen? En wat is het belang van de beschrijving van de verdwijning van Danijels broer als hij een vechtpartijtje heeft verloren? Waarom wordt Danijel opeens een ziener genoemd? Jančar haalt er veel bij aan waardoor de samenhang een beetje zoek raakt. De boodschap is evengoed duidelijk: Jančar waarschuwt voor oorlog en dat doet hij goed en terecht. Dat lijkt ruim voldoende als thema. Meer heeft hij niet nodig. Hij verwoordt dat mooi in de angst van Danijel in een aftelrijmpje:
    ‘Ben je naar de tuin gegaan?
    Heb je daar de dood zien staan?
    En was je bang?’

     

     

  • Vermakelijk absurdisme in verhalenbundel vol liefde

    Vermakelijk absurdisme in verhalenbundel vol liefde

    ‘Liefde is een stroopgraf voor de bij’ beweert een van de hoofdpersonen uit het laatste verhaal van de recent verschenen verhalenbundel van Tom Hofland. ‘Wie zich er […] in laat zakken zal zich omringd voelen met het zoetste wat de wereld te bieden heeft’. Maar, vervolgt hij, passie verblindt. En zoals de bij verstrikt en vleugellam raakt in een teveel aan zoetigheid, zo leidt liefde en passie ook bij een mens tot veel onheil. Het laatste verhaal, ‘Een stroopgraf voor de bij’ uit de gelijknamige bundel, is in meerdere opzichten een dissonant, maar geeft met de liefdesmetafoor wel een van de belangrijkste thema’s aan.

    De bundel bevat tien korte verhalen. De eerste negen beslaan elk minder dan zestien pagina’s, het laatste (titel)verhaal is vijftig pagina’s lang. Die eerste negen zijn een feest om te lezen. Ze zijn toegankelijk geschreven, bevatten prikkelende open plekken of plottwisten en zijn vooral vermakelijk door bizarre gebeurtenissen en wendingen.

    Liefde en absurdisme

    Moederliefde of het gebrek daaraan speelt een belangrijke rol in het eerste verhaal, ‘De pruik’. Er is in dat verhaal sprake van een moeder die haar zoontje verlaat als hij nog heel jong is – op zijn verjaardag nota bene! Hoofdpersoon Yorgos beleeft dat moment therapeutisch na en gaat vervolgens een liefdesrelatie aan met de vrouw die in die setting zijn moeder verbeeldt. Een half jaar later gaat hij met deze Risha min of meer onaangekondigd naar zijn moeder toe om het met haar te hebben over haar vertrek van twintig jaar geleden en zijn gemis. Zij heeft nooit tijd en aandacht voor hem gehad en heeft dat ook nu eigenlijk niet. De pijn is navoelbaar. In het verhaal ‘Het advies’ wordt deze pijn nog eens beschreven. Elsie verwoordt de paniek van haar vriend toen zij hem vertelde dat ze hem zou verlaten als ‘alsof ik zijn moeder was en hij mijn kind, en ik hem vertelde dat ik hem achter zou laten.’

    Liefde, vaak in een hilarische, onbereikbare of ploeterende vorm, speelt een rol in veel van de verhalen. De ‘sirene’ uit het tweede verhaal van de bundel is een vreemde vogel die Suli, de vrouw van Junot lokt, Elsie uit het verhaal ‘Het advies’ verlaat zoals gezegd haar geliefde. Zama de zwerfster uit het gelijknamige verhaal knoopt een verrassende en wellicht wat opportune relatie aan met politiechef Hein, professor Anderson uit ‘De mysterieuze barricade’ is ‘verliefd op iemand die er niet meer is’. Voor Acea uit ‘De scheur’ is er een definitieve scheiding van zijn geliefde doordat het moedercontinent Pangea scheurt en zij zich beiden aan verschillende zijden bevinden. Verliefdheid is een ‘romantisch concept dat lang niet voor iedereen is weggelegd’ aldus Elsie.

    Wat de verhalen ‘spannend’ maakt, zijn de irreële, vaak absurde gebeurtenissen. Een bezoeker die enkele dagen in het zwembad in de tuin staat is zo’n absurditeit in het verhaal de ‘De sirene’, maar ook en vooral de vrouw des huizes die een liefde voor hem op lijkt te vatten, en niet in de laatste plaats hoofdpersoon Junot die dit alles maar heel gewoon lijkt te vinden en onverstoorbaar liefdevol blijft voor zijn vriendin. Ook de hoofdpersoon Arvo Klam uit het verhaal ‘De belediging’ lijkt zo’n subassertief watje. Hij laat zich door een ober onheus bejegenen en anderszins schofferen en verlaat vervolgens aangeslagen en nederig het restaurant. De gebeurtenissen zijn verrassend en origineel, de reacties van de personages bij tijden tenenkrommend, maar ook ontwapenend kwetsbaar en integer.

    Absurdisme voorbij

    Het absurdisme in sommige verhalen doet erg denken aan dat van de korte verhalen uit Armando Duyns’ Herenleed uit 1977, maar het is minder realistisch. Zo is er in ‘De tafel’ sprake van een ik-figuur die zich niet alleen absurd lang onder de tafel verstopt om zijn vriendin te verrassen en vervolgens om haar niet te laten schrikken, maar die uiteindelijk voor altijd blijft zitten en één wordt met de tafel. In ‘De mysterieuze barricade’ is er een werkende tijdmachine waarmee de professor terug kan naar zijn (nu) onbereikbare oude liefde. In het eerste geval is de niet-realistische ontwikkeling nog wel vermakelijk want origineel en verrassend, in het tijdmachineverhaal is ze nogal voorspelbaar. In het verhaal ‘Het advies’ doen buitenaardse wezens hun intrede. Voor de hoofdpersoon is het schokkend dat ze een nogal vergaand advies heeft opgevolgd dat uiteindelijk van zo’n wezen blijkt te komen, voor de lezer is het een grappige plottwist.

    Schrijver Tom Hofland flirt vaker met ‘bovenmenselijke’ zaken. Naast (toneel)schrijver is hij ook radio- en podcastmaker. In zijn podcastserie ‘Er is iets vreemds gebeurd’ komen allerlei bijzondere ervaringen langs van doorgaans nuchtere mensen. Hofland geeft in een interview aan dat hij gefascineerd is door dat wat we niet weten en wat we niet helemaal kunnen begrijpen. Met negen van de tien verhalen uit deze bundel probeert hij onze hedendaagse onttoverde wereld weer van wat magie te voorzien en dat is goed gelukt.

    In het laatste verhaal van de bundel, ‘Een stroopgraf voor de bij’, is dit niet aan de orde. Het is een ‘kostuumdrama’, een negentiende-eeuws realistisch verhaal dat zich afspeelt in fictief Mesopië, ergens in Oost-Europa. Het sluit aan bij Hoflands debuutroman Lyssa uit 2018 die zich ook daar en dan afspeelt. Dezelfde personages duiken op, zoals de mysterieuze Gaspar Szabó als cynische maar ook verraderlijk verliefde hoofdpersoon. Het is een verhaal dat niet bij de bundel past en dat is jammer, want dat levert een teleurstellende anticlimax op na negen verhalen vol leesplezier.

     

  • Oogst week 46 -2023

    Kukuruznik

    Na het overlijden van haar ouders vindt de joodse Noa in de nalatenschap van haar vader allerlei documentatie over vrouwelijke ‘aviatrices’. Ze heeft geen idee waar de obsessie van haar vader met deze vliegeniersters vandaan kwam en gaat op onderzoek uit. Noa is een kluizenaarster, woont in een kruip-door-sluip-doorhuis op de Wallen, en is mensenschuw omdat ze is opgevoed door getraumatiseerde ouders die na de Tweede Wereldoorlog bang waren voor anderen en de buitenwereld. Spreken deden Noa en haar ouders vooral via de muziek. Muziek speelt daarom ook een belangrijke rol in deze roman.

    Bij toeval stuitte schrijfster Saskia Goldschmidt op een bericht uit 1938 over een vliegenierster. Het bleef haar bij, en stond aan de basis van deze roman waarin talloze geschiedenissen van vrouwelijke piloten de revue passeren.

    In een interview met Opium vertelt Goldschmidt dat ze met deze roman niet alleen de rol van vrouwen in de geschiedenis zichtbaar wil maken, maar ook aandacht wil vragen voor de moed van deze vrouwen om anders te durven zijn dan van hen verwacht werd. Die moed noemt ze inspirerend.

    In Kukuruznik verweeft Goldschmidt Noa’s familieverhaal over een oorlogstrauma met tal van geschiedenissen van bijzondere en moedige pilotes, van o.a. de Kukuruzniks, kleine, lichte vliegtuigjes die de Russen gebruikten om de Duitsers te bombardeerden en die vooral door vrouwen werden gevlogen.

    Noa vraagt zich af waarom haar vader haar deze verhalen zo bewust heeft nagelaten. Daar komt ze langzaam maar zeker achter.

    Saskia Goldschmidt (1954) schreef eerder o.a. De hormoonfabriek en De voddenkoningin.

    Kukuruznik
    Auteur: Saskia Goldschmidt
    Uitgeverij: Uitgeverij Meulenhoff

    Dagen van glas

    Bij uitgeverij Cossee is onlangs de nieuwe roman van Eva Meijer verschenen, Dagen van glas.
    Eva Meijer (1980) is veelzijdig, zij deed het conservatorium in Den Haag, wijsbegeerte in Amsterdam, schreef romans, novellen, essays en gedichten. In 2017 ontving ze de Halewijnprijs voor haar oeuvre, een prijs op basis van de onweerstaanbaarheid van het gepubliceerde werk. Haar werk is in meer dan twintig talen vertaald en werd meermaals genomineerd voor literaire prijzen of won deze.
    Meijer is daarnaast ook politiek actief, en ook als muzikant, kunstenaar en columnist.

    In Dagen van glas gaat het volgens de flaptekst ‘over de kernvraag van ons bestaan: wat betekent het om goed te leven? Hoe moet je je eigen bestaan betekenis geven, en wat houdt het in om goed samen te leven met anderen?’

    Ook hier op Literair Nederland aandacht voor diverse boeken van Meijer. Thomas van Houwelingen bijvoorbeeld, schrijft over Voorwaats: ‘Meijer slaagt erin een toch vrij ernstige ideeënroman zodanig licht en stijlvol op te schrijven dat de inhoud ervan niet te zwaar op de maag ligt.’

    Dagen van glas
    Auteur: Eva Meijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Gelukkige dagen

    Renée van Marissing (1979) schrijft romans, korte verhalen, essay, theater- en hoorspelteksten.

    Haar romans gaan veelal over familie: -leven, -leed en -liefde.
    Ging het in haar debuut Het waaien van mijn oma over de relatie tussen drie generaties, in Parttime astronaut over een uiteenvallend huwelijk, in Onze kinderen stond het ouderschap centraal. Met deze laatste roman stond ze op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. De jury schreef o.a.: ‘Hoewel het verhaal bij vlagen hartverscheurend is, houdt ze het elegant, licht en geestig.’

    Het onlangs verschenen Gelukkige dagen is haar vijfde roman. De waarde van vriendschap is hierin het thema. In Gelukkige dagen maken we kennis met de zesenveertigjarige Sil. Zij krijgt al jong de diagnose ‘ziekte van Alzheimer’. Haar vriendin Lina verzorgt haar zo goed en zo kwaad als het gaat, samen met Sils vrienden. Naarmate de tijd verstrijkt en woorden steeds meer hun betekenis lijken te verliezen, wordt dat steeds lastiger.

    Gelukkige dagen
    Auteur: Renée van Marissing
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido
  • Met weinig woorden veel effect

    Met weinig woorden veel effect

    De naamloze ik-verteller in Ik dacht dat jij van Joke van Leeuwen is kunstschilder, zijn vrouw Zigi is violiste. Vanaf pagina één leren we hem kennen als iemand die tegen veel dingen niet bestand is. Hij kon niet tegen het huilen van zijn babydochter Lotta (die hij kreeg met zijn eerste vrouw), hij kan niet tegen buren, niet tegen het viool oefenen van Zigi en kan er ook niet tegen als Zigi ‘zo’ naar hem kijkt. Hij kan er überhaupt niet tegen als iets niet strookt met zijn wensen en verwachtingen. ‘Voor haar’, repareert hij het lek in de badkamerkraan ‘want zoiets kon ze dus niet.’ De tafel in de woonkamer is ‘mijn tafel’. Lotta at als peuter ’tergend langzaam’ en hij dacht dat ze ‘het expres deed, om te treiteren’. Na zijn scheiding geeft hij een tijdje les waarbij een van de leerlingen huilend wegloopt omdat ‘ze beter een trui kon gaan breien als ze dat tenminste wel kon. (…) Ik zei het misschien te dicht bij haar gezicht, maar zo erg is dat niet.’

    Als kind had hij ‘een vader die mij vertelde wat ik moest denken over de wereld. Hij had een stuk of zes in een mal gegoten meningen’, en zijn moeder stuurde hem op zijn zevende naar een psycholoog omdat hij zijn eten uitkotste boven zijn bord als hij het niet lustte. Toen al kleurde verongelijktheid en zelfovertuiging de ik-figuurs blik op de wereld. Met Zigi zit hij in bad en wil eruit ‘en ze antwoordde in van die slijmjurkentaal dat ik best wat meer in het nu kon zijn.’
    Dan zijn we pas op pagina tien. De neiging om een etiket te plakken op ’s mans gedrag is nauwelijks nog te onderdrukken.

    Psychisch landschap

    De roman Ik dacht dat jij is de elfde van creatieve duizendpoot Joke van Leeuwen. Al decennialang onderhevig aan wat zij haar scheppingsdrang noemt, publiceert ze tientallen kinderboeken, illustraties, romans, dichtbundels en vier non-fictieboeken, en staat ze geregeld op het podium met voorstellingen voor kinderen en volwassenen. Haar stijl is ‘pregnant’, zoals ze die zelf bestempelt op dbnl.org. ‘Als je je in drie zinnen precies kunt uitdrukken, waarom dan een hele pagina gebruiken? Ik voel me goed bij een pregnante manier van uitdrukken, in heldere taal.’ Die heldere taal voelt ook voor de lezer goed. Met haar rake zinnen en puntige humor roept Van Leeuwen hele werelden op, zoals die van de Franse revolutie in Feest van het begin (2012) en van Nederlandse emigranten uit 1847 in een tropisch land in De onervarenen (2015). Met Ik dacht dat jij blijven we dichter bij huis maar krijgen we wel een interessant psychisch landschap voorgeschoteld.

    In de relatie tussen de ik en Zigi lijkt Zigi de op- en aanmerkingen, het wantrouwen en de onterechte beschuldigingen, plus de ‘liefde’ van haar man lijdzaam te ondergaan. Ze is nog niet los van de charme die hij ook tentoon kan spreiden, heeft begrip voor zijn lichtgeraaktheid, doet suggesties hoe in contact te komen met dochter Lotta die hij al negen jaar niet meer ziet en vraagt hem mee te gaan naar concerten als ze moet spelen.

    Wie er aan zichzelf denkt

    Andersom is het anders. Reflecteren is de ik vreemd. Hij roept Zigi om naar een schilderij te komen kijken dat hij net voltooid heeft, maar zij zit in bad. Als ze later komt kijken staat het schilderij met de achterkant naar voren. Hij laat het niet zien. ‘Ze snapte niet dat ze zeurde en dat ze meteen had moeten komen, ze was duidelijk niet geïnteresseerd, ze dacht alleen maar aan zichzelf, Zigi.’ Hij levert schilderijen aan een nieuw te openen restaurant en al snel volgt er onenigheid met de twee eigenaren over de financiële afhandeling. Begrip van zijn kant is totaal afwezig, kwaad gooit hij het bijltje erbij neer, haalt zijn schilderijen terug.

    Voortdurend beweert hij dat hij van Zigi houdt. Hij koopt een blouse voor haar, verfraait de wand van haar oefenkamertje als zij een week weg is met het orkest, legt er dik tapijt neer en koopt een kastje voor haar muziek, doet er een lief briefje bij. Hij mist haar, het huis en bed zijn koud. Eten laat hij komen. In de prullenbak vindt hij een doorgescheurde ansichtkaart en ‘wist opeens zeker dat het een kaart van Lotta was, dat Lotta wèl kaarten terugstuurde en dat Zigi die onderschepte omdat ze er niet tegen kon dat ik een kind had en zij niet (…).’ De snippers aan elkaar gelegd ziet hij dat het een kaart van Zigi aan een vriendin was die ze niet verstuurd heeft, en hij concludeert: ‘Het was dus geen kaart van Lotta, maar wie zei me dat Zigi geen andere kaarten had kapotgescheurd als ze zo goed kon scheuren?’ Tegen die tijd vraag je je al lang af waarom Zigi nog in dat huis woont met die man.

    Geen time-out

    Van Leeuwen heeft aan weinig woorden genoeg om de tragedie op te roepen. Niets wordt uitgesponnen, de vertelde feiten spreken voor zich. Misschien juist daardoor dendert het boek binnen. Met twee zinnen duidt de auteur het stuklopen van het eerste huwelijk van de ik en in niet meer dan drie zinnen in het boek schemert de dreiging. Waarom de ik geen contact meer heeft met zijn dochter wordt tegen het einde van de roman duidelijk, als hij een plaats en een school in Oostenrijk heeft weten te achterhalen waar hij denkt Lotta te kunnen zien. Hij heeft er met Zigi een huisje gehuurd. Zij is met het orkest in Wenen en de ik reist er eerder heen zonder dat tegen Zigi te zeggen om Lotta te zoeken, wat op een debacle uitloopt. De ik is geschokt en verontwaardigd. Tegen Zigi zwijgt hij of liegt erover. Al eerder zijn ze op aandringen van Zigi naar een psycholoog geweest. Na dat bezoek zegt de ik dat ze niet time-out tegen hem moet roepen, dat zal ‘een verkeerd effect op me hebben, doe dat niet’. Zelfinzicht en empathie zijn geheel afwezig.

    De kracht van Van Leeuwens beschrijving is dat die laat zien hoe hulpeloos en eenzaam iemand met zo’n persoonlijkheidsstoornis eigenlijk is, naast het onmogelijke gedrag van de egocentrist die al geërgerd is als hij bij een benzinestation ‘alles zelf moet doen’. Hoe leeg zijn gevoelsleven ook. Iets van genegenheid voor zijn ouders en Lotta en Zigi bestaat slechts in een verre uithoek van zijn gemoed. Hij kan niet zonder Zigi. Als ze er niet is, is hij rusteloos en hij heeft haar, liever gezegd iemand, nodig om voor hem te zorgen en zich tegen af te zetten. Ondertussen vlucht hij voor iedere vraag, voor iedere confrontatie, in wijn en zijn schilderijen.

    De afloop is niet echt verrassend, wel verrassend is de manier waarop Van Leeuwen die vertelt: in haar heldere stijl, onomwonden, zonder een woord teveel. Dat is niet de enige reden waarom de lezer toch nog onvoorzien kan glimlachen.

     

     

  • Dans als remedie tegen problemen

    Dans als remedie tegen problemen

    Aanvankelijk lijkt Kleine werelden van Caleb Azumah Nelson te gaan over het leven van een groep Ghanezen in Londen die voortdurend bezig is met luisteren naar muziek en dansen: gelukkige mensen. De roman krijgt zelfs iets gezapigs omdat hij alleen maar lijkt te gaan over steeds terugkerende huiselijke taferelen en ontmoetingen tussen vrienden op de dansvloer of samen luisterend naar muziek. Gaandeweg blijkt dat plezier in het leven niet zo vanzelfsprekend. Onder de oppervlakte ligt een geschiedenis en een gemis die de auteur geleidelijk voor de lezer opdient, maar die daardoor des te schrijnender voelt. Kleine werelden blijkt dan te gaan over migratie en wat dat doet met je identiteit.

    Nelson (1993) is een in Londen wonende fotograaf en schrijver die in zijn kindertijd opgroeide bij een Ghanese oma. In 2021 debuteerde hij als auteur met de roman Open water. Die roman gaat over een fotograaf en een danseres die als zwarte mensen moeten zien te overleven in een stad vol racisme. Dit thema keert in Kleine werelden terug. Nelson schrijft zwart steevast met een hoofdletter, alsof hij wil benadrukken dat hij in zijn werk de Black Lives Matter-beweging ondersteunt.

    Dat de roman in het begin vooral de indruk maakt van gelukkige mensen heeft te maken met de diepe genegenheid en tederheid tussen de protagonisten uit het gezin waarvan hoofdpersoon Stephen, vanuit wiens persperspectief het verhaal wordt verteld, deel uitmaakt. De andere leden zijn zijn broer Raymond en zijn ouders Eric en Joy (de naam van de vader blijft lang onbekend en die van de moeder komt de lezer zelfs pas op het allerlaatst te weten, wat op te vatten valt als symbool voor de moeite die ze moeten doen om als Ghanezen in Londen zichzelf te kunnen zijn). Daaromheen is er de grote vriendenkring van vooral landgenoten, maar ook Nigerianen en Senegalezen.

    Racisme

    Kleine werelden valt uiteen in drie delen die achtereenvolgens spelen in de zomers van 2010, 2011 en 2012. In het eerste daarvan, Twee jonge mensen in de zomer, staat de opbloeiende liefde centraal tussen Stephen en Adeline (‘Del’), in het tweede, Een vluchtige verbondenheid, zijn dat de momenten waarop de hoofdpersonen voelen wat hen met elkaar verbindt, en in het derde, Vrijheid, de worsteling van generatie op generatie om als immigrant een veilige plek te vinden in je ‘nieuwe’ wereld.
    In deel twee blijkt hoe die romantische wereld wordt bedreigd door racisme, zoals in de beschrijving van de Londense rassenrellen van 4 augustus 2011, toen de ‘Zwarte’ Mark Duggan door de politie werd vermoord.
    In het ontroerende derde deel lezen we hoe een ruzie die de relatie tussen Stephen en zijn vader kapot maakte, voortkwam uit het verleden dat zijn vader met zich meedroeg toen hij zich vanuit Ghana met zijn vrouw in Londen vestigde: een stad ‘die zijn best doet jullie allebei te laten verdwijnen’. Eric vertelt zijn zoon wat de migratie voor hem betekende: ‘Dit is wat je meebracht, dit is wat je probeerde achter te laten. Dit is het schuldgevoel dat het overleefde. Dit is je last. Dit is waarom je er moeite mee hebt vrijelijk lief te hebben, omdat het voelt alsof je alles kwijtraakt wat je liefhebt’. En zoon Stephen begrijpt daarmee wat hem en zijn vader uit elkaar dreef en herkent het gevecht in zichzelf voor je zover bent dat je in vrijheid kunt zeggen ‘hier ben ik’.

    Ritme

    Dan is ook duidelijk waarom muziek en dans de boventoon voeren in Kleine werelden. Het zijn die kringen van vrienden waarin je je eigen geschiedenis herkent, je eigen ritmes en je verwantschappen in een grote wereld die je liever kwijt dan rijk is.
    De delen van de roman beginnen alle drie met dezelfde zin: ‘Aangezien dansen het enige is wat het gros van onze problemen kan oplossen…’. Het is een zin die wel dertien keer in het boek voorkomt. En dat is niet de enige herhaling. Die zijn er veel meer, zoals de talrijke opmerkingen over herinnering en (niet kunnen) vergeten, zinnen als ‘herinnering, beeld en mogelijkheid schuiven over elkaar heen’, het gebruik van de woorden ruimte en ritme en de opbouw van langere alinea’s uit bijzinnen die steeds op dezelfde manier beginnen: ‘naar huis, waar…, waar…, waar…, waar…..’ Het zijn een manier van schrijven en een stijl die ook de tekst van de roman zelf een ritme en muzikaliteit geven die de lezer nog meer de wereld van Stephen in trekt, de wereld waarin de vrienden elkaar vooral vinden in muziek en beweging en in de geuren die herinneren aan Ghana. Want inderdaad: alleen dansen kan het gros van hun problemen oplossen.

     

  • Oogst week 37 – 2023

    De kolonel slaapt niet

    Emilienne Malfatto (1989) betekent letterlijk: ‘Uit duizenden’ en ‘slecht gedaan’. Toch excelleert zij tot nu toe voortdurend. Zowel haar journaalfoto’s als schrijfwerk wordt alom geprezen. Als oorlogscorrespondent in onder andere Irak schreef zij voor The Washington Post en The New York Times. Haar debuutroman Que sur toi se lamente le Tigre leverde haar Le Prix Goncourt Premier op: de beste debuutroman van Frankrijk. Ook haar tweede roman – Le colonel ne dort pas – verdiende een Franse prijs: die van de beste tweede roman. Benefatto!

    De kolonel slaapt niet, vertaald door Martine Woudt, gaat over een woeste oorlog die legercommandanten de slaap ontneemt. De vertelling focust zich op drie mannen: een kolonel, een generaal en een ordonnans. Vanuit haar ervaring in oorlogsgebied zet Malfatto haar karakters en decor geloofwaardig neer. Zo wakker als de hoofdpersonen zijn uit gewetenswroeging, zo alert registreert Malfatto onrecht. Dit doet zij met impressionistische toets: een stilistisch contrast met de wreedheden, begaan door het slapeloze drietal. Lezen dus, maar liever niet vlak voor het slapengaan…

     

    De kolonel slaapt niet
    Auteur: Émilienne Malfatto
    Uitgeverij: Cossee

    Nu we er toch zijn

    Alles uit Deventer ademt literatuur. Dit geldt ook voor Erwin Hurenkamp (1993). En nu we daar toch zijn: Hurenkamps debuutbundel luidt Nu we er toch zijn. Op Hard//Hoofd valt te lezen dat hij een vrij letterlijke broodschrijver is: hij werkt in Amsterdam bij een Franse bakkerij. Editio’s Debutantenschrijfwedstrijd heeft hij in 2021 gewonnen, hetgeen hem er vast toe inspireert door te gaan.

    Zelf heeft hij echter niks met inspiratie: ‘Voor mij ontstaat een tekst meer vanuit een spelletje, vanuit het oeverloos combineren van woorden, beelden en ideeën.’ Toch lijkt Nu we er toch zijn hoger in te zetten dan een simpel spelletje. Verwijzingen naar de Bijbel én kritiek op haar – Genesis, Agnus Dei, Koolstof, Kyrie en Credo – lijken maar op één ding te anticiperen: een kleine bundel over de grote geschiedenis. Het is afwachten hoe biologie, geloofskritiek, natuurkunde, scheikunde én poëzie een coherent geheel vormen.

    Nu we er toch zijn
    Auteur: Erwin Hurenkamp
    Uitgeverij: Querido

    Lessen van King

    In vijf jaar tijd wordt Martin Luther King hét gezicht van de Amerikaanse Civil Rights Movement. Tussen 1963 en ’68 (het jaar waarin hij vermoord wordt) brengt de dominee een raciale verbroedering teweeg van wereldse proporties. Zestig jaar na zijn gedroomde speech blijkt echter dat we nog een wereld te winnen hebben. Lessen van King, coproductie van Peter Sierksma, Johan Fretz en Harcourt Klinefelter, vat Kings koninklijke nalatenschap samen. Het driekoppige doorgeefluik bevestigt in elk geval deze les van de predikant: ‘You can kill the dreamer, not the dream.’

    Harcourt Klinefelter, Kings persvoorlichter én sinds 1972 wonend in Nederland, heeft het icoon van dichtbij meegemaakt. Naar het credo ‘what would Martin do?’ zet hij zich onder meer in voor Black Lives Matter en Extinction Rebellion. Hij kiest de thema’s waarover amerikanist en journalist Peter Sierksma zich buigt: De lessen van King. Enerzijds is het natuurlijk prachtig dat Martin Luther King tot op heden miljoenen mensen weet te inspireren. Anderzijds blijft het onverteerbaar dat zijn oproep tot geweldloos verzet nog altijd actueel is. Onrecht, het verdwijnt niet zomaar.

    Lessen van King
    Auteur: Peter Sierksma, Johan Fretz, Harcourt Klinefelter
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Romantiek in een nieuwe Ierse donkere jas

    Romantiek in een nieuwe Ierse donkere jas

    De verre voortijd, de elfde roman van Sebastian Barry (1955), leest als een romantisch schilderij. Geen romantiek met rozen en harten, maar romantiek als in het schilderwerk van Turner en tijdgenoten: veel, zwierig, onheilspellend, kleurig, mysterieus. Er zijn veel details, het zit vol emotie, het is overweldigend, het is een indrukwekkende prestatie en soms is het een beetje veel. Kent u het schilderij van de Friedrich Wandelaar boven de nevelen? Op dat schilderij zien we een man op de rug in een deftige jas die vanaf een rots over zee uitkijkt. De zee is woest en mysterieus, er hangt onheil hangt in de lucht. Dat is het gevoel dat Barry met De verre voortijd weet te geven door beschrijvingen als: ‘Tussen de ophaalplek en de parkeerplaats liet de zon alles weer een dag in de steek, de zee ging op zwart en de eilanden gingen op een nog dieper zwart, zwarter dan zwart, en de hemel oogde geschokt en leeg, alsof hij er niet echt op vertrouwde dat de maan straks opkwam en zijn sterrenlegertje zou komen aanstormen als pelgrims tijdens een hadj.’

    Barry, naast auteur ook dichter en toneelschrijver, heeft voor zijn romans verschillende prijzen gewonnen en is de eerste auteur van wie twee romans (De geheime schrift uit 2008 en Dagen zonder eind uit 2017) Costa Book of the Year zijn geworden. Ook is Barry twee maal genomineerd voor de Man Booker Prize. 

    Heropende zaak

    De verre voortijd speelt in Ierland en gaat over een gepensioneerde politierechercheur, Tom Kettle. Hij is weduwnaar en woont in een kasteel in Dalkey, een wijk aan de kust van Dublin waar hij als einzelgänger leeft. Door zijn ex-collega’s wordt hij benaderd om te helpen bij een cold case. De zaak gaat over de moord op een priester waarbij Tom in de jaren ’70 als rechercheur was betrokken. Zijn collega’s hebben de zaak heropend omdat ze met een dossier bezig zijn over een collega-priester die jonge kinderen in een weeshuis seksueel heeft misbruikt. Ze hebben Toms ervaring nodig om meer bewijs tegen de priester te verzamelen. Ook als Toms buurvrouw hoort dat hij rechercheur is geweest, vraagt ze hem om hulp. Ze heeft te maken met een agressieve ex-man met wie ze problemen heeft over het gezag van hun kind. Hij besluit haar te helpen ondanks hun minimale contact. Aan het eind van de roman is de cold case opgelost en heeft Tom zijn buurvrouw geholpen en is duidelijk wat er is gebeurd, waarom het heel zwaar is voor Tom en waarom hij zo intens betrokken raakte bij deze zaak.

    Wie denkt dat we hier met een klassieke thriller te maken hebben, heeft het mis: de roman bevat alle ingrediënten van een ‘whodunit’, maar de stijl en sfeer is anders, literairder, mysterieuzer. De roman gaat over emotie, trauma, filosofie, leven en dood. Existentiële vragen – Wat is ons doel op aarde? Wat is waarheid? Wat is de dood? – worden niet geschuwd. De cold case dient slechts als kader waarin deze thema’s worden behandeld. Bovendien duurt het maar liefst tot pagina 121 voordat Tom echt bij de zaak wordt betrokken. De pagina’s daarvoor geven een beeld van zijn persoon, zijn manier van denken en handelen, zijn werk, zijn leven en vooral van zijn nostalgische gedachten en herinneringen uit de tijd met zijn gezin.

    Vreemde trekken

    De verre voortijd is een veelomvattende roman waarin grote thema’s aan de orde komen als religie, moord en zelfmoord, (seksueel) misbruik, kolonialisme en onderdrukking, drank- en drugsgebruik, depressies en trauma’s. Dat alles tegen een sombere, verstikkende Ierse achtergrond door de ogen van een getraumatiseerde, depressieve oud-rechercheur. Toms jeugd in een weeshuis en slechte ervaringen in het leger hebben hem getekend voor het leven. Ook zijn vrouw June is beschadigd door het weeshuis waar zij is opgegroeid, wat zelfs uiteindelijk tot haar dood heeft geleid en veel impact heeft gehad op het leven van hun kinderen. Het is onmogelijk om niet met Tom mee te voelen na alle ellende die hij heeft meegemaakt. Passages als ‘[Tom gaat] soms met bus 8 naar de stad, zijn eenzaamheid achterlatend, op zoek naar het volle leven, naar genezing zelfs’, komen binnen. Aan het einde van de roman, als de cold case zaak is opgelost, blijft de lezer achter met een gevoel van leegte en begrip.

    Toch heeft Tom ook een aantal vreemde trekken, waardoor hij niet erg sympathiek overkomt. De eerste maanden in zijn nieuwe woning in Dalkey heeft hij geen woord met zijn buren gewisseld en weet hij zelfs niet wie ze zijn. Als zijn collega’s aan de deur komen, wil Tom ze het liefst wegsturen. En dan is er nog zijn vreemde liefde voor zijn vrouw June, die in eerste instantie prachtig en liefdevol lijkt, maar zich ontwikkelt heeft tot een vreemde obsessie of verafgoding van ‘de enige ziel om wie hij gaf: (…), en haar kussenachtige borst, o, wat was ze warm, ja, een kachel, die krankzinnige schoonheid, het woeste genieten, beter dan welke kermisattractie dan ook, beter zelfs dan elk uitzicht op verlaten zee, die volmaakte vrouw, zijn ideaal, ondanks alle ruzies en tumult en woordenwisselingen, de schoonheid waaraan hij alle andere schoonheden afmat, zijn maatstaf, zijn sjabloon, de eeuwigdurende stralendheid van June’. 

    Onbetrouwbare verteller

    De roman is geschreven vanuit het perspectief van Tom, de lezer zit in zijn hoofd. Hij presenteert zichzelf meermaals als onbetrouwbare verteller. Zo zegt hij een aantal keren dat hij iets is vergeten of niet meer weet, dat hij zich heeft vergist en verward is, wat volgens hem te wijten is aan zijn leeftijd. Hij trekt de waarheid ook meermaals in twijfel ‘Hem was gevraagd in zijn geheugen te graven, alsof een mens dat werkelijk zou kunnen’. Hierdoor dwingt de auteur de lezer om na te denken over het begrip waarheid: bestaat er iets als één waarheid? Ook verwisselt Tom soms fantasie met werkelijkheid en denkt hij dat hij misschien een beroerte heeft gehad. Zinnen als ‘hij vond dat hij moest geloven, zichzelf moest geloven’ in combinatie met existentiële vragen als ‘Wie was hij überhaupt, hij wist het niet. Heette hij eigenlijk wel Kettle? Was dat überhaupt een naam?’, dagen uit om zelf na te denken en niet alles van deze (onbetrouwbare) verteller aan te nemen. 

    Het literaire en zwierige taalgebruik in De verre voortijd kan niet onbenoemd blijven. Alleen al de titel: een verromantisering van het woord ‘het verleden’. Barry’s stijl is uitzonderlijk en theatraal: een aaneenschakeling van gedachten, associaties en beeldspraak, met een rijkdom aan woordgebruik. Zo schrijft hij: ‘De stad lag onder een enorme donkere wolkenbuik, als een kind dat zijn boek onder de dekens las, alleen had de stad erg slecht leeslicht’. Complimenten aan de vertaler Jan Willem Reitsma zijn zeker op zijn plaats, die niet alleen de moeilijke taak had om al deze woordkunsten te vertalen, maar ook de sfeer van de roman wist over te brengen en Barry’s cynische humor te behouden, ‘het was officieel zomer, dus de inwoners van Dalkey deden hun jaarlijkse poging daarin te geloven, en zoals gewoonlijk solde het weer met hun geloof’. Barry’s bijzondere stijl zorgt ervoor dat sommige passages vragen om herlezing om zijn woorden nog eens goed te ‘proeven’ en te laten doordringen. Want hoewel de romantische ‘woordenzee’ soms erg woest is en de beeldenlucht erg dreigend, is De Verre Voortijd een unieke en interessante roman die de lezer bij zal blijven en aan het denken zet.

     

     

     

  • Aleid Truijens schrijft monumentale biografie Hella Haasse

    Aleid Truijens schrijft monumentale biografie Hella Haasse

    In verschillende interviews die Hella Haasse (1918-2011) op latere leeftijd gaf, zei ze dat ze geen biografie wilde. Het feit dat ze desondanks haar agenda’s bewaarde omdat ‘zulke bronnen voor iemand anders ook van waarde zouden kunnen zijn’, toont al aan dat ze in deze wens niet heel standvastig was. Daarnaast was er het ‘zwarte schrift’, waarin ze haar meest persoonlijke gedachten en herinneringen bewaarde. Naarmate het einde naderde werd het dan ook steeds duidelijker dat die biografie er na haar dood zeker zou komen. Dat Aleid Truijens voor deze dankbare taak werd benaderd was een logische keuze gezien haar grote staat van dienst in de bestudering van en het schrijven over het oeuvre van Hella Haasse.

    Familie

    Natuurlijk begint Truijens met de geboorte van Haasse in wat toen nog Nederlands Indië heette. Haar jeugd aldaar zou haar hele schrijversleven als een rode draad door haar werk blijven lopen – met Oeroeg (1948) en Heren van de Thee (1993) als de grote publiekslievelingen. In 1925 kreeg haar moeder tbc. Ze moest naar een kuuroord en Hella werd naar haar grootouders van moederskant gestuurd in Baarn. In 1928 keerde ze terug naar Indië. Afgezien van een half jaar met het hele gezin in Nederland (1935) waren de jaren daarna een gelukkige tijd voor haar, tot haar ouders haar in 1938 opnieuw naar Nederland stuurden om te studeren. Mede door de oorlog zou ze haar ouders acht jaar niet meer zien. De band met haar ouders bestond uitsluitend uit intellectuele intimiteit. Voor haar emotie zocht ze toevlucht in haar fantasie. ‘Ik heb de fantasie altijd nodig gehad om te kunnen leven’, zo zei ze in een interview. Voor Hella Haasse was de schrijver per definitie een waarnemer, geen deelnemer. Het werd haar tweede natuur om zich als buitenstaander op te stellen.

    Met haar vader was de relatie ook afstandelijk. Die afstand tot de ouders zou haar parten blijven spelen, en later zou dit patroon zich herhalen in haar band met haar dochters. Het opvallende is dat haar kinderen wél een goede band hadden met hun grootouders, net zoals Hella later een hechte band zou ontwikkelen met haar kleindochters. Haar broer Wim vertrok al op jonge leeftijd naar Australië. Een poging zich met zijn Australische vrouw in Nederland te vestigen liep op een mislukking uit omdat zijn vrouw hier niet kon aarden. De spaarzame bezoeken van Hella en echtgenoot Jan aan Australië worden gekenmerkt door afstandelijkheid; aan warme band zou het nooit worden.

    Huwelijk

    In 1939 ontmoette Hella Jan van Lelyveld. Ze werd verliefd, maar ondanks haar eigen woorden die het tegendeel beweerden, zou het huwelijk altijd problematisch blijven. Hella en Jan trouwden in 1944 en in datzelfde jaar werd dochter Chrisje geboren. April 1947 overleed Chrisje aan difterie. Hella zou haar hele leven schuldgevoelens houden; ze verweet zichzelf dat zij en Jan te laat hulp in het ziekenhuis hadden gezocht. Dit schuldgevoel speelde zeker ook een rol in haar latere verstandhouding met dochters Ellen en Marijn. Het is tevens een van de redenen dat het huwelijk tussen Hella en Jan stand hield want zij droegen samen dit verdriet.

    Er was geen intimiteit in het huwelijk, waardoor Hella verbitterd raakte. Compensatie zocht ze in het schrijven. Dochter Ellen van Lelyveld zei daarover: ‘Ik denk wel eens: mijn moeder had dat drama nodig. Ze had sterk de behoefte om slachtoffer te zijn, en dan een slachtoffer dat haar ellende met opgeheven hoofd droeg.’ Aleid Truijens: ‘Pas toen ze volwassen waren, doorzagen ze het patroon: een mengeling van superioriteit en zichzelf vernederen was een belangrijke karaktertrek van hun moeder. Naarmate Hella meer de smekende rol op zich nam werd hun vader afstandelijker, wat weer reden tot klachten gaf. Zo nam de kilte tussen hen toe.’ Echtgenoot en dochters hadden er moeite mee zichzelf te herkennen in de verhalen van Hella, ook al begrepen ze heel goed dat Hella soms eigenschappen van hen leende omdat ze pasten in het verhaal. Voor vrijwel al haar werk haalde Hella Haasse inspiratie uit haar eigen leven. ‘Wat ik ook schreef, het ging over mezelf’, zo zei ze ooit.

    De Grote Vier

    Een biografie van Hella Haasse ontkomt niet aan de clichés die we door de jaren heen zo vaak gehoord hebben. Als vrouwelijke auteur zou zij niet de waardering hebben gekregen die haar mannelijke collega’s ten deel vielen, er hing altijd een zweem van braafheid om haar heen. ‘Wat moet ik in godsnaam doen om van dat imago af te komen? […] Iemand die mij maar een beetje kent, zal nooit en te nimmer zeggen dat ik braaf ben’.  Tegelijkertijd werd ze ‘De Grande Dame van de Nederlandse Literatuur’ genoemd en werd ze niet zelden tot ‘De Grote Vier’ gerekend. Toch voelde Hella Haase zich altijd de mindere van de grote drie, Reve, Hermans en Mulisch. Toen haar in 1983 de P.C. Hooftprijs werd toegekend, nam zij deze dankbaar in ontvangst, maar ergens wrong toch ook de late toekenning.

    Haasse had grote waardering voor Hermans, Wolkers en Reve. Met Hermans ontstond er zelfs een vriendschap, al werd tijdens hun gezamenlijke etentjes vrijwel nooit over hun werk gesproken. Voor Reve had ze een zwak, al vond ze hem ‘een beetje getikt’. De vriendschap met Yvonne Keuls liep regelmatig deuken op, niet in het minst omdat het nogal eens botste als ze aan een gezamenlijk project werkten. Alleen met Harry Mulisch boterde het totaal niet. De laatste decennia woonden Hella en Jan in Byzantium, aan het begin van het Vondelpark. Mulisch woonde letterlijk aan de overkant. Als Annie Kroon, een van haar twee vaste Franse vertalers, op bezoek was, meden ze voor hun gezamenlijke lunches liever Hotel Americain omdat ze bang was Mulisch daar te treffen. En elk jaar dronken ze samen een glas van haar favoriete wijn Morgon om te vieren dat Mulisch opnieuw de Nobelprijs níet had gewonnen.

    Tegelijkertijd overvleugelde ze haar mannelijke collega’s in haar tweede thuisland Frankrijk, waar ze jaren woonde met Jan. Mede dankzij haar heldere, zeer vertaalbare stijl waren de Franse vertalingen van Haasse’s werk zeer succesvol. Het leverde haar zelfs een plaats op in het programma Bouillon de Culture van Bernard Pivot. Opvallend is het verhaal achter de Amerikaanse vertaling van haar vroege roman Het woud der verwachting. Ene Lewis Kaplan raakte in 1949 geïntrigeerd door het onderwerp en leerde speciaal hiervoor Nederlands. Hij maakte een vertaling die na zijn dood in 1957 jaren in de kast bleef liggen, tot zijn zoon het weer oppikte in de jaren tachtig. Met behulp van professionele vertalers verscheen er in 1989 een vertaling die naast lovende recensies een oplage haalde van 50.000 exemplaren.

    Monumentaal en invoelbaar

    Misschien wel de gootste verdienste die Aleid Truijens met dit monnikenwerk – het schrijven van deze biografie nam acht jaar in beslag – heeft geleverd is de wijze waarop je als lezer zoveel zaken vooral aanvoelt, hetzij voor, hetzij nadat deze zijn benoemd. Het moeizame huwelijk met Jan, diens autisme, tegelijkerijd de wederzijdse waardering voor de persoon, vooral gebaseerd op hun intellectuele band, de moeizame relatie met haar ouders en haar dochters, het gemak in de verstandhouding met haar kleindochters. En vooral, dat er zoveel meer schuilt achter die op het oog inderdaad misschien wat brave dame. Je kunt het als biograaf natuurlijk vertellen, maar het werkt zoveel beter als de lezer het ook werkelijk voelt.

    Aleid Truijens is zeer zorgvuldig te werk gegaan in het leveren van de context bij de vele romans van Hella Haasse, waarbij het knappe is dat het werk zelf centraal blijft staan en nooit ondergesneeuwd raakt door al die informatie. Het is en blijft altijd ‘in dienst van’, en daarmee heeft ze een zeer waardevolle biografie van deze ‘grande dame’ van de Nederlandse literatuur geschreven.