• Oogst week 50 – 2024

    Oogst week 50 – 2024

    IJsvogel

    Dit najaar verscheen IJsvogel, het debuut van van beeldend kunstenaar Lotta Blokker (1980).
    De aanleiding om te gaan schrijven was haar fascinatie voor wereldberoemde en vooral impactvolle foto’s, vertelt ze in Een Uur Cultuur van de VPRO. Wat haar bezighield was de vraag waarom maken juist deze foto’s zo’n indruk? Een van die foto’s was ‘Het meisje en de gier’ van fotograaf Kevin Carter die voor zijn foto de Pulitzerprijs won en een paar maanden daarna zelfmoord pleegde. Het hele verhaal was zo aangrijpend voor Blokker dat ze vanuit een obsessieve behoefte een beeld van hem maakte. Tot haar verbazing voelde ze zich daarna toch niet helemaal van hem ‘bevrijd’. Toen is ze gaan schrijven en ontstond Max, een hoofdpersoon uit een van de drie verhalen uit IJsvogel.

    Max is een man die dagelijks vanuit zijn huis een vrouw en haar dochtertje filmt met een videocamera.
    Lieke en Vincent uit een ander verhaal draaien eindeloos om elkaar heen. Hij omdat hij getrouwd is en een trouwe echtgenoot wil zijn. Zij omdat ze weet dat hij getrouwd is, maar ze is ook hopeloos verliefd. En in het laatste verhaal worstelt een vader met de dood van zijn zoon en zijn tekortkomingen als vader.

    Alle verhalen zijn los van elkaar te lezen, maar er zijn wel verbanden.

    Bij de presentatie van IJsvogel zei Kees ’t Hart: ‘Er gaat iets bijzonders van dit werk uit. Het is nieuwsgierig, het is volhardend. Het toont allerlei creatieve en psychologische inzichten. Het is nergens rancuneus; de personages hebben het moeilijk, maar er hangt een geëngageerde meelevendheid in dit boek.’

    IJsvogel
    Auteur: Lotta Blokker
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Die mooie Atlantische wals

    In Die mooie Atlantische wals worden twee verhalen met elkaar verweven. Het ene verhaal speelt in 1957 en gaat over het harde leven op zee van een walvisjager in de Zuid-Atlantische Oceaan. Ook al kiest hij vervolgens bewust voor een leven op de Shetlands, aan de wal met vrouw en kind, hij blijft toch de zee missen.
    Het andere verhaal dat in het heden speelt gaat over een oude man, Jack. Hij woont op Shetland, alleen, in het huis waarin hij is opgegroeid. Hij houdt van muziek, Amerikaanse countrymuziek. Hij luistert ernaar en schrijft het ook. Als er op een dag onverwachts iets bij hem wordt afgeleverd is dat het begin van een grote verandering in zijn regelmatige en eenzame leven.

    Tegelijk met het boek heeft Tallack ook een plaat met countrymuziek uitgebracht. Bij elk hoofdstuk is een songtekst opgenomen. De plaat heet ‘That Beautiful Atlantic Waltz’ en is via streamingdiensten te beluisteren.

    De Schotse Malachy Tallack (1980) is muzikant, schrijver en journalist. Hij publiceerde zowel fictie als non-fictie. Hij was redacteur van het tijdschrift Shetland Life, richtte het online tijdschrift The Island Review op en is hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Gutter.

     

     

    Die mooie Atlantische wals
    Auteur: Malachy Tallack
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers

    Wij van de Ripetta

    In de nieuwe roman van Tomas Lieske ontmoeten Caravaggio (1571-1610) en Shakespeare (1564-1616) elkaar. Het waren tijdgenoten, maar het is onbekend en wordt als onwaarschijnlijk betiteld dat de twee elkaar echt ontmoet hebben. Maar laat zo’n ontmoeting maar aan Lieske over. Hij laat vaker beroemdheden optreden in zijn romans, die vaak geestig zijn, de verbeelding voeden en een goed (historisch) verhaal vertellen.

    Wij van de Ripetta speelt zich grotendeels af in een kroeg in de Via di Ripetta, gelegen in een wat gure buurt. De bezoekers van de kroeg komen daar om te drinken, anderen te ontmoeten en vooral elkaar op de hoogte te houden van het wel en wee van de buurtbewoners. Naar die verhalen is de vreemdeling op zoek.

    In eerste instantie zit men helemaal niet te wachten op een vreemdeling, maar dit is wel een bijzondere en al snel is iedereen gefascineerd door de man, de muze van Caravaggio Lena en zijn hulp Cecco incluis, tot verdriet van Caravaggio zelf.

    In juni van dit jaar werd bekend dat Tomas Lieske de winnaar is van de Constantijn Huijgensprijs, een prijs die hij op 25 januari 2025 in Theater aan het Spui in Den Haag uitgereikt zal krijgen voor zijn gehele oeuvre dat bestaat uit romans, verhalen, gedichten en essays.

    Wij van de Ripetta
    Auteur: Tomas Lieske
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido
  • Een wankelende wereld

    Een wankelende wereld

    Alle tijden zijn onzeker is de nieuwste roman van Joke van Leeuwen. Een grote klimaatramp speelt een rol, er is sprake van polarisatie, wantrouwen in wetenschap, en er worden complottheorieën aangehangen over orgieën met zelfs kinderen en een bad vol kinderbloed. Kinderen worden bij hun ouders weggehaald omdat dat beter voor hen zou zijn, er vindt exorbitante zelfverrijking plaats, er is ‘geen man die deugt’ en ergens op een muur staat ‘Ga trug nar je eige lant’. Van Leeuwen heeft dus een bijzonder actuele roman geschreven zou je denken. Maar schijn bedriegt, want Alle tijden zijn onzeker speelt in het Parijs van enkele jaren voor de Franse Revolutie, in 1783 en 1784. Onzekere tijden zijn blijkbaar van alle tijden.

    De prachtige en verzorgde schrijfstijl van de de 72-jarige schrijfster, is het eerste wat opvalt. ’In de vroege zomer van 1783 vliegen de merels en spreeuwen rusteloos boven de daken van die ene hoofdstad waar de rivier als een kromme ruggengraat doorheen stroomt.’ De geboren Nederlandse die sinds haar dertiende in België woont, schrijft en illustreert al meer dan vijfendertig jaar kinderboeken, romans, non-fictie en poëzie en haar werk is vele malen bekroond. Ook in deze roman is haar poëtische taalgebruik een lust om te lezen. Ze verstaat de kunst van wat ze zelf de ‘nadenkende lichtheid’ noemt, een term van Italo Calvino die staat voor taal waarmee wezenlijke zaken op lichte wijze toegankelijk worden gemaakt.

    Mensen en omstandigheden

    De wezenlijke zaken waar het in dit boek om gaat zijn zaken van gewone mensen in het 18e eeuwse Parijs én die van vorst Lodewijk XVl en zijn Oostenrijkse vrouw Marie-Antoinette. Parijzenaar Gaston D. lijdt na het overlijden van zijn vrouw dertien jaar eerder aan godsdienstwaanzin. Hij verkondigt op straat vanaf een houten kistje de boodschap van de Allerhoogste. De jonge dakloze wees Pierre wordt zijn ‘discipel’, ook al weet hij zelf niet zo goed wat dat is. Pierres vader verliet het gezin al vroeg voor een andere dame en zijn moeder is aan de pokken overleden. Hij is een onzekere zoekende tiener, niet dom maar wel beïnvloedbaar en naïef. Daarnaast is er Vince, de vrolijke, nieuwsgierige en creatieve echtgenoot van kostwinner Marie die in de drukkerij van haar vader werkt. De alwetende verteller laat de personages elkaar tegenkomen zonder dat ze het zelf weten en maakt ook duidelijk dat de verguisde en gedemoniseerde ‘Buitenlandse’ Marie-Antoinette een totaal eigen perspectief heeft en speelbal is van haar eigen en andere omstandigheden, die later tot de bekende bloedige ondergang van de Franse monarchie en henzelf zullen leiden.

    Een zo’n belangrijke omstandigheid is de uitbarsting van de zogeheten spleetvulkaan Laki op IJsland in 1783, de grootste uitbarsting op IJsland ooit die ruim een half jaar duurde. Op het Europese vasteland zijn de (klimaat)gevolgen van deze uitbarsting groot. Parijs en zijn bewoners hebben te lijden onder een verstikkend hete mistige zomer, een ‘herfst in verwarring’ en een ‘stervenskoude winter’. Deze toentertijd onverklaarbare fenomenen maken de onwetenden vatbaar voor allerlei verklaringen zoals het naderende einde der tijden, een komeet die naar de aarde snelt en buitenlandse aanvallen. Er zijn grote tegenstellingen tussen doem- en complotdenkers als Gaston aan de ene kant en een rationele wetenschappelijke zoeker als Vince aan de andere kant, personages die overtuigend en aanstekelijk worden uitgewerkt. Gaston lijdt onder zelfverwijt na het overlijden van zijn vrouw en vindt wetenschap grootheidswaan, Vince doet niets liever dan dingen uitpluizen en uitproberen en is juist van de wetenschappelijke verklaringen. Hij is een uitvreter bij de gratie van zijn vrouw Marie die de kost verdient en kan naar hartenlust experimenteren en zich verdiepen in de raadselen van elektriciteit en magnetisme.

    Zo kleuren mensen en omstandigheden een geschiedenis in. ‘De Buitenlandse’ die in Versailles baadt in exorbitante rijkdom valt in sommige opzichten niet te benijden. Van Leeuwen verstaat de kunst de lezer zelfs in haar en haar goede bedoelingen mee te laten leven. Op veertienjarige leeftijd wordt ze uitgehuwelijkt, in Frankrijk leeft ze letterlijk en figuurlijk in keurslijven. Ze doet haar best zich aan te passen, is begaan met arme kindertjes en houdt oprecht van haar eigen kinderen die ze graag wat meer zelf zou opvoeden. Ze weet dat ze bekritiseerd en bespot wordt, maar dat dat ondergrondse gerommel de opmaat is van een op handen zijnde figuurlijke vulkaanuitbarsting die zelfs de Franse monarchie op z’n grondvesten gaat laten schudden, kan zij natuurlijk niet bevroeden.

    Verzet

    In de drukkerij van haar vader werkt Marie zich een slag in de rondte. Vader is voor wat betreft zijn werk een opportunist. Hij drukt alles wat hem aangeboden wordt, dus ook spotprenten en ander opruiend en belastend materiaal over ‘de Buitenlandse’. Dat zijn enige dochter, een vrouw, de drukkerij draaiende houdt zint hem maar matig, helemaal omdat haar man Vince in zijn ogen een nietsnut is. Ontroerend is de beschrijving van de broze relatie tussen vader en dochter en hun strijd, die een climax bereikt als Marie een grens trekt bij een smadelijk en opruiend stuk over Marie-Antoinette: ‘Dit ga ik niet zetten […] ik heb nu al zoveel moeten zetten waar ik niet achter kan staan. Dit slaat alles.’ De breuk tussen vader en dochter is van korte duur want zij is toch zijn dochter. ‘Hij had haar willen omhelzen, maar zijn armen hadden dat niet goed geleerd.’ Haar man Vince blijft op zijn beurt bij zijn wetenschappelijk-kritische houding en weigert naar schoonvaders pijpen te dansen. De arme Pierre ondertussen, als slachtoffer van allerlei omstandigheden en van eigen misinterpretaties tot ‘eenzame wolf’ geworden, meent dat hij een belangrijke taak heeft uit te voeren. Hij wil niet naamloos sterven en realiseert zich dat het doden van een beroemd iemand door het doorsnijden van de hals hém bekend zal maken.

    Na de extreem strenge winter van 1783 breekt er toch weer een voorjaar aan. ‘Het koninklijke sneeuwpoppenhoofd glijdt langzaam en onontkoombaar van zijn romp en ploft neer op kasseien, en niemand die er de onbedoelde vooruitwijzing in ziet naar wat negen jaar later met het echte hoofd zal gebeuren.’ Zover komt het niet in deze roman die laat zien dat een geschiedenis of gebeurtenis vele perspectieven kent en waarin de lezer tussen de regels door niet om de onmiskenbare paralellen tussen toen en nu heen kan. Joke van Leeuwen heeft op de regels zelf met Alle tijden zijn onzeker een boeiende historische roman geschreven waar de lezer in meerdere opzichten iets van kan leren.

     

     

  • Vanzelfsprekende onlogica

    Vanzelfsprekende onlogica

    Wat zou jij doen met meer dan twee armen? De octopus, in dit nieuwe verhaal van Toon Tellegen, heeft voor al zijn acht armen een eigen logische functie. Of toch niet? In dit prachtige prentenboek De armen van de octopus lezen we hier meer over.

    […]

    Voor wie bekend is met de fantasierijke dierenverhalen van Tellegen, die vaak een wijze en filosofische ondertoon hebben, zijn er veel herkenbare situaties. Denk bijvoorbeeld aan brieven die worden geschreven in Misschien wisten zij alles en die soms wel of juist niet aankomen. Denk aan de overpeinzingen van de eekhoorn en de mier. Denk aan de speelse en onderzoekende functies van de slurf van de olifant of de steeltjes van de slak. Denk aan bezoek dat zomaar aan kan komen waaien of letterlijk binnen kan vallen.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Peultjes, prei en schorseneren

    Peultjes, prei en schorseneren

    De onlangs overleden Albanese schrijver Ismail Kadare wordt algemeen beschouwd als een van de grootste schrijvers van zijn tijd. In het communistische Albanië van diktator Enver Hoxha heeft hij getracht een modus te vinden om als kritisch schrijver actief te blijven zonder zich al te veel te vereenzelvigen met het regime. Hij deed dit door zijn politieke boodschappen te verpakken in legendes, volksverhalen, parabels, allegorieën, satiren en insinuaties. Hoewel hij op deze manier hoopte buiten schot te blijven van de censuur, is hem dit niet altijd gelukt.

    De geheime dienst

    Hoewel Kadare zijn boek Het Dromenpaleis situeert in het 17e eeuwse Istanbul, de hoofdstad van het multiculturele Ottomaanse Rijk, waar Albanië indertijd deel van uitmaakte, gaat het in werkelijkheid om het Albanië van Hoxha. De hoofdpersoon in het verhaal is Mark-Alem, een telg uit een aanzienlijke familie met Albanese roots. Het Dromenpaleis is een uiterst geheime en geheimzinnige instelling en een broeinest van politieke intriges. Daar worden de dromen van alle mensen in het rijk verzameld, geselecteerd, geanalyseerd en geïnterpreteerd, een soort geheime dienst avant la lettre. Elke dag worden de dromen met speciale bodes uit het hele rijk verzameld en afgeleverd bij het paleis. Zo komt de regering te weten wat er zoal leeft onder de bevolking. Elke vrijdag wordt er op de afdeling Meesterdromen één droom uitgekozen als meesterdroom. Deze wordt plechtig overhandigd aan de sultan. De meesterdroom kan, zoals overigens ook andere dromen, grote gevolgen hebben voor de situatie in het rijk. Dromen worden niet alleen beoordeeld op particulier niveau om te zien of iemand een mogelijk gevaar kan opleveren voor de sultan en zijn coterie, maar ook op meer algemeen niveau. Zo kan het zijn dat uit bepaalde gebieden in het rijk nogal wat nachtmerries en koortsdromen komen. Dit kan duiden op onrust onder de bevolking aldaar zodat er wat meer militaire aandacht nodig is.

    De droom van de groenteman

    Door zijn machtige familie wordt er op Mark-Alem druk uitgeoefend een baan te nemen bij het Dromenpaleis. Geheel tegen de gebruiken van het paleis in krijgt hij meteen een baan op de afdeling Selectie, een van de hoogste afdelingen in de bureaucratische hiërarchie. Men heeft ‘buitengewoon hoge verwachtingen’ van hem. Die ‘hoge verwachtingen’ zorgen er voor dat hij ook later pijlsnel carrière maakt in de organisatie en al spoedig doorstroomt naar de afdeling Interpretatie. Voor het interpreteren van dromen is een goede kennis van de symboliek in dromen van wezenlijk belang. Tijdens zijn werk stuit hij op een droom van een Albanese groenteman waar een brug in voorkomt. De symbolische betekenis van het woord ‘brug’ in deze droom doet hem denken aan zijn familienaam Qyprilli, die taalkundig ook gebaseerd is op het woord ‘brug’. Grappig, of toch niet?

    Tijdens zijn gang door de verschillende afdelingen raakt Mark-Alem voortdurend de weg kwijt en dwaalt hij, zonder iemand tegen te komen, door de schaars verlichte krochten van het immense bouwwerk. Telkens als hij de wanhoop nabij is, vindt hij weer een ingang naar de afdeling waarnaar hij op zoek is. Contact met andere ambtenaren op zijn afdeling heeft hij niet. Iedereen werkt stil voor zichzelf aan de stapel dromen op zijn bureau. Alleen tijdens de pauze kan hij in contact komen met anderen. Daar hoort hij van iemand van de afdeling Kopiëer dat er ook isoleercellen in het gebouw zijn en dat in één van die cellen iemand al veertig dagen lang dag en nacht wordt ondervraagd naar aanleiding van zijn droom. Zijn dossier bevat inmiddels honderden pagina’s. Mark-Alem krijgt steeds somberder en angstiger gevoelens, zeker als hij voor de tweede keer dezelfde droom op zijn bureau aantreft van de Albanese groenteman. De huiveringwekkende kant van het Dromenpaleis krijgt hem steeds meer in zijn greep.

    Als hij op een familiebijeenkomst hoort dat zijn oom Kurt hoog opgeeft van het feit dat de Albanese familie Qyprilli de enige familie in het Rijk is waarover een echt epos is geschreven, iets waarop zelfs de familie van de sultan niet kan bogen, ziet Mark-Alem dat zijn andere oom, de grootvizier, somber begint te kijken, zeker als oom Kurt belooft de volgende keer te zorgen voor een Albanese groep rapsoden om het epos muzikaal ten gehore te brengen. Na een privégesprek met zijn oom, de grootvizier, die hem vertelt dat er soms sprake is van het bewust in omloop brengen van valse dromen, voelt Mark-Alem zich steeds meer een vooruitgeschoven pion op het schaakbord van de macht. Hij hoort dat zijn directeur verwikkeld is een machtsstrijd met zijn familie en hij vermoedt dat de droom van de groenteman, over de brug, op zijn bureau een provocatie moet zijn. In de daarop volgende dagen is er onrust in de stad met veel militair vertoon en wordt zijn oom Kurt gearresteerd. Mark-Alem is totaal geschokt als hij hoort dat de droom van de groenteman inderdaad de meesterdroom is die de afgelopen dagen gezorgd heeft voor alle onrust. Op zoek naar het dossier van de Groenteman in het Archief stuit hij onverwacht op een stoet bewakers die een lijkkist torst. Zou daar de groenteman in liggen wiens dossier uit niets anders blijkt te bestaan dan uit honderden pagina’s lange opsommingen van zaken als de prijs van peultjes, prei en schorseneren op bepaalde dagen in bepaalde seizoenen?

    De ander, dat ben jezelf

    Ismaïl Kadare heeft een indringend boek geschreven over het Albanië van Enver Hoxha, waar de angst te worden opgepakt door de geheime politie regeert en waar niemand veilig is. De situering in het labyrintachtige Dromenpaleis heeft sterke Kafkaëske trekken. De staat die het menselijk individu wil controleren door te regeren over zijn meest geheime gedachten, krijgt in dit boek gestalte in het Dromenpaleis. In onze huidige wereld zien wij deze controledwang vooral terug in dictatoriale landen als China. Maar ook in onze eigen Westerse wereld worden wij steeds meer beheerst door de angst voor de ander en neemt de invloed van geheime diensten sterk toe. Het boek van Kadare bevat een uiterst actuele boodschap en heeft een tijdloos karakter.

     

     

  • Het kleedje voor Hitler beste historische boek van dit jaar

    Bas von Benda-Beckmann ontvangt de Libris Geschiedenis Prijs 2024 voor zijn boek Het kleedje voor Hitler. Een familiegeschiedenis (uitgeverij Querido). Juryvoorzitter Gerdi Verbeet maakte de winnaar van het beste historische boek van 2024 bekend tijdens een live-uitzending van radioprogramma OVT.

    Von Benda-Beckmann groeide op in een Duits-Nederlands gezin en raakte al vroeg gefascineerd door de Tweede Wereldoorlog. Op zijn dertiende hoorde hij voor het eerst dat zijn oudtante Luise de weduwe was van Hitlers trouwste generaal, Alfred Jodl, die tijdens het Proces van Neurenberg als oorlogsmisdadiger ter dood was veroordeeld. Later volgden meer verhalen, onder meer van de jongere zus van zijn oudtante., die eerst partijlid was maar later een relatie kreeg met een half-Joodse arts en bevriend raakte met een van de samenzweerders tegen Hitler.

    De jury over Het kleedje voor Hitler: ‘In dit goedgeschreven boek verweeft Bas von Benda-Beckmann zijn boeiende familieverleden met de turbulente geschiedenis van Duitsland in de negentiende en twintigste eeuw. Door fascinerende personages op te voeren en gebruik te maken van een grote rijkdom aan bronnen geeft hij inzicht in het leven en denken van de lage adel van Duitsland, maar kweekt hij ook begrip voor de omstreden keuzes die richting de Tweede Wereldoorlog werden gemaakt. De jury noemt Von Benda-Beckmanns historisch onderzoek voorbeeldig, en het resultaat een pageturner die je in één keer uitleest.’
    Aan de Libris Geschiedenis Prijs is een bedrag van 20.000 euro verbonden.

    De overige genomineerden waren:
    Michal Citroen – Een adres (Alfabet Uitgevers)
    Jaap Cohen – De bolle Gogh (Uitgeverij Querido)
    Benjamin Duerr – De droom van Den Haag (AtlasContact)
    Rick Honings – De ontdekking van Insulinde (Prometheus)
    Zij ontvingen een bedrag van 1.500 euro.

     

    Foto: Sander Heezen

     

  • Een Olympische prestatie

    Een Olympische prestatie

    In zijn boek Russische Spelen wijst Rolf Bos erop dat het besluit de oude Olympische Spelen nieuw leven in te blazen duidelijk gestoeld was op militaristische gronden. Er was fysiek deugdelijker kanonnenvoer nodig. Zowel de Fransman Pierre de Coubertin als de Russische generaal Aleksei Butovski waren onthutst over de slechte lichamelijke conditie van ‘hun jongens’ tijdens respectievelijk de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) en de Krimoorlog (1853-1856). Sport en politiek blijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat was toen zo en is ook nu nog ontegenzeglijk het geval. Zo stelde president Macron de vorming van een nieuwe regering op basis van een overduidelijke verkiezingsuitslag uit tot na de Spelen in 2024, omdat hem dit politiek beter uitkomt, en is Rusland niet welkom op de Spelen vanwege de oorlog in Oekraïne. Rolf Bos maakt die verwevenheid tussen sport en politiek in een uitgebalanceerde studie over de Russische Spelen van 1980 inzichtelijk.

    De kleinheid van grote politiek

    De toewijzing van de Spelen aan Moskou heeft een politieke achtergrond. De verhoudingen tussen Oost en West zijn in 1974 veel minder gespannen dan in de daaraan voorafgaande periode, mede als gevolg van wat genoemd wordt de Cadillacdiplomatie tussen de partijleider van de voormalige Sovjet- Unie, Leonid Breznjev, en de Amerikaanse president Richard Nixon. Breznjev is dol op mooie auto’s en tijdens elke ontmoeting tussen de beide heren krijgt hij er weer een cadeau. Door zijn beschrijving van dit soort onthutsende details over de grote politiek weet Rolf Bos een heerlijke leessfeer te creëren. Hoewel de toewijzing van de Spelen behoort tot de competentie van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en niet tot die van nationale regeringen, zou tijdens zo’n toponderonsje in 1974 over de vermindering van kernwapens overeengekomen zijn de organisatie van de Olympische Spelen van 1980 aan Rusland te gunnen en die van 1984 aan de Verenigde Staten. Dit handjeklap-spelen tussen wereldleiders onderling met schoffering van het IOC, werd natuurlijk niet officieel geboekstaafd, maar de aanwijzingen daarvoor blijken wel erg overtuigend te zijn.

    Voor de Amerikaanse president Carter ziet het er aan het eind van zijn eerste ambtstermijn in 1979 somber uit voor wat betreft zijn kansen op herverkiezing. Zijn populariteit is laag. De werkloosheidscijfers zijn hoog evenals de inflatiecijfers. De dollar daalt in waarde. Daarnaast is de Sjah als steunpilaar van de Amerikanen in Iran van het toneel verdwenen en vervangen door de Islamitische geestelijke Ayatollah Khomeiny en worden er al wekenlang Amerikaanse burgers gegijzeld in de ambassade in Teheran. Als dan in 1979 de Russen ook nog eens Afghanistan binnenvallen, is de maat voor president Carter vol en roept hij de internationale sportwereld op de Olympische Spelen in Moskou te boycotten. Hoewel de meeste westerse regeringen, behalve de Franse regering, gevolg geven aan deze oproep, geldt dit niet voor alle nationale Olympische Comités in die landen. Zo besluit het Nederlands Olympisch Comité (het NOC), evenals het Britse, de boycotoproep van hun regering niet te volgen en het aan de sporters zelf over te laten of zij willen deelnemen aan de Spelen of niet. De Bondsrepubliek voelt zich in die jaren nog niet bij machte een onafhankelijke koers van Amerika te varen. Dit geldt ook voor het West-Duitse Olympisch Comité ondanks het hartstochtelijke pleidooi van de gelauwerde Duitse schermer Thomas Bach. Sport blijkt eens te meer de barometer van de politieke verhoudingen te zijn.

    Uit liefde voor de sport

    Toch heeft Rolf Bos geen louter politiek boek willen schrijven. Hij laat zich kennen als een echte sportliefhebber. Met een gevoel van meeleven beschrijft hij hoe individuele sporters zich jarenlang hebben voorbereid op de Spelen en nu plotseling door een twijfelachtige politieke beslissing hun droom in rook zien opgaan. Het onrecht wordt diep gevoeld, dat de morele verontwaardiging over de Russische inval wel gaat ten koste van de individuele sporters, maar niet ten koste van grote bedrijven die flink verdienen aan de Spelen. Met veel warmte en respect verwerkt Rolf Bos in zijn boek het verhaal van de Nederlandse zilveren medaillewinnaar op de marathon Gerard Nijboer. We volgen hem tijdens zijn training langs de grachten van het roerige Amsterdam ten tijde van de kroning van Beatrix en overal de leuze ‘Geen woning, geen kroning!’, langs het beeld van Rembrandt, naar Ouderkerk, langs de oude Joodse begraafplaats en de polder De Ronde Hoep. We lezen over het drama van het 14-jarige zwemtalent Conny van Bentum die het in haar glorietijd moet opnemen tegen de afgevaardigden van de Duitse Doping Republiek en het juryschandaal rond de Roemeense turnster Nadia Comâneci en haar van woede briesende trainer Béla Károlyi. Tenslotte besteedt Bos ruim aandacht aan de mogelijkheden die journalisten hebben om in vrijheid hun reportages te maken in een stad die tevoren is ontdaan van bedelende kinderen en ander ongewenst volk. Hij beschrijft hoe journalisten als Mart Smeets en Barend en Van Dorp hun werk trachten te doen, hoe Alexander Munninghof op bezoek gaat bij Jelena Bonner, de vrouw van de beroemde dissident Andreï Sacharov in Moskou en hoe André Naber in het geheim per trein op bezoek probeert te gaan bij Sacharov zelf in de verboden dissidentenstad Gorki.

    Tussen droom en werkelijkheid

    Bos heeft een rijk boek geschreven, uitstekend gedocumenteerd en benaderd vanuit verschillende invalshoeken. Het gaat om de interactie tussen grote politiek en de weerslag daarvan op de individuele sporter, maar ook over moraliteit. De Olympische gedachte houdt in dat sport iets is voor iedereen, ongeacht politieke kleur, etnische afkomst, genderneutraal, rijk en arm. Sport zou de vertolker van vrede moeten zijn. Oorlogen worden stilgelegd en iedereen strijdt met elkaar op basis van gelijkwaardigheid. In zijn boek beschrijft Bos het verschil tussen droom en werkelijkheid, maar betoont hij zich een pleitbezorger van de droom. Kortom, Rolf Bos heeft een prachtig boek geschreven.

     

     

  • Is het echt goed zo?

    Is het echt goed zo?

    Dat Maarten Moll een moeizame relatie had met zijn vader bleek eerder al uit zijn vorig werk. De journalist en columnist van Het Parool debuteerde in 2011 met de dichtbundel Lichaam waarin het vooral gaat over de onbereikbare vader. Ook in zijn debuutroman Oberhausen (2016) stond de moelijke relatie tussen vader en zoon centraal. In de nieuwe roman De man op de foto, of zoals de ondertitel zegt Memoir over een afscheid,  staat de auteur stil bij de laatste weken en de dood van zijn vader die in 2022 overleed.

    Antwoorden
    Uitgangspunt van het boek is een foto waarin Molls vader in een zwembad staat, tot boven zijn knieën, starend naar een punt in de verte. Vermoedelijk dateert de foto uit 1980 en is hij genomen ergens op een camping in Luxemburg. Maarten Moll kan maar niet loskomen van de foto en vraagt zich af wie de man op de foto werkelijk was. In de soms ontroerende, maar vaak ook geestige zoektocht die het boek is, slaagt de auteur er niet in een eenduidig antwoord te vinden op die vraag. Moll gaat ook zijn eigen verantwoordelijkheid in de moeilijke relatie niet uit de weg. Het feit dat hij niet close was met zijn vader, daaraan kan hij ook zelf schuld hebben. Wie heeft wie verwaarloosd, lijkt een vraag te zijn die hij zich vaak stelt. In het werk verwijst hij ook naar zijn twee vorige literaire werken waarin hij op zoek ging naar zijn vader en die hem evenmin dichterbij brachten. Als hij hoort dat het leven van vader op zijn einde loopt, probeert de auteur toch nog het ultieme gesprek aan te gaan. Hij tracht antwoorden te krijgen op grote levensvragen, maar de dialogen eindigen steevast met ontwijkende antwoorden of faits divers over de tuin of vogels. De echte gesprekken worden uit de weg gegaan en de ware gevoelens blijven achterwege. Zelfs een laatste gesprek op het doodsbed dat Moll stiekem opneemt met zijn smartphone, levert niets veelzeggends op. De auteur heeft er zelf ook geen sterke gevoelens bij. Als zijn vader uiteindelijk sterft, heeft hij er vrede mee. De dood van zijn kat Puk, toen hij twaalf was, deed hem meer verdriet.

    Afscheid
    Maarten Moll schrijft direct en vlot. Hij weet de juiste woorden te vinden en wordt nergens pathetisch. Hij worstelt met de manier waarop hij zijn werk moet presenteren. Stukken uit het boek verschenen eerder als columns in Het Parool. Daarin merk je ook de taalvirtuositeit van de auteur. Door ze samen te brengen in een boek was hij ook verplicht er een rode draad in aan te brengen. Daarin is hij zeker geslaagd, maar af en toe stoort de herhaling wel. Hij probeert de zaken af te wisselen met wat hij Illusoire conversaties noemt met zijn vriend H. Wellicht zijn dit elementen uit echt gebeurde conversaties die hij had met verschillende vrienden naar aanleiding van de nakende dood van zijn vader. Daarin gaat het vaak over het feit of het geen goed idee zou zijn om fictie van zijn vader te maken. In zijn zoektocht naar de ware vader stootte hij immers op weinig verrassingen of uitspattingen. Vader was een grijze muis die postzegels verzamelde, fotografeerde en in de tuin werkte. Iets spectaculairs zou hem mooier, groter maken. Maar dan komt Moll ook tot het besef dat je de werkelijkheid nooit helemaal kunt vatten, dus ook zijn relaas is een verdraaiing van de werkelijkheid. De onkenbaarheid staat duidelijk centraal en bij het afscheid van zijn vader legt Moll daar zich ook bij neer. Zonder grote emoties, mijmerend over het voorbije en afgelopen leven. Zelfs het opruimen van de spullen van zijn vader maakt weinig bij hem los. Ook zijn moeder lijkt het afscheid goed te kunnen verteren en dat stelt hem enigszins gerust.

    Er zijn al heel wat afscheidsromans verschenen in de Nederlandse literatuur. Denken we maar aan Sprakeloos van Tom Lanoye of Gestameld Liedboek van Erwin Mortier, waarin ze afscheid nemen van hun moeder. Denken we maar aan Tonio van A.F.Th. of aan Schaduwkind van P.F. Thomèse die aan de hand van een roman de dood van hun kind trachten te verwerken. Er zijn echter weinig auteurs die zoveel aandacht schenken aan de relatie met en dood van hun vader als Maarten Moll. En hoewel hij zegt er vrede mee te hebben, laat het feit dat hij al zijn derde werk wijdt aan de relatie met zijn vader, toch het tegendeel vermoeden. De man op de foto is een zoektocht naar het waarom van de afstandelijkheid tussen vader en zoon, weliswaar zonder antwoorden te vinden, maar wat wellicht een belangrijk aandeel vormt in een rouwverwerkingsproces.

     

  • Wat staat mij als dichter te doen

    Wat staat mij als dichter te doen

    Schrijver en muzikant Bart Koubaa is een politiek-maatschappelijk betrokken dichter die zich in zijn woonplaats Gent al langer bezighoudt met het lot en leven van emigranten en vluchtelingen. Zijn ervaringen en inzichten heeft hij daarover vastgelegd in zijn essaybundel Dansen in tijden van droogte (2021). Koubaa debuteerde in 1988 met de bundel In de wolken. Dit is zijn tweede poëziebundel. Ook schreef hij enkele romans, waaronder het opzienbarende De leraar (2009).

    De verliefde engel
    bestaat uit drie afdelingen met vrije verzen. Elke epische afdeling van elf strofen eindigt met een lyrisch slotgedicht. Het getal elf wijst op een toekomstig gewenste verandering. De alwetende hij-verteller beweegt zich voortdurend tussen de hij en de dichter. De verhaallijn kent concrete, magische en religieuze momenten, met de engel als meest expliciete vertegenwoordiger. Op beslissende ogenblikken kiert de autobiografie van de dichter door de verzen heen. De nieuwe bundel vormt een aaneenschakeling van verrassende metaforen, spiritueel-mythische scènes met als ‘vurige’ scheppingsbron ‘de blauwe steen’, afkomstig uit Afghanistan. ‘De blauwe steen’ als metafoor manifesteert in New York en Gent zijn dwingende aanwezigheid met transcenderende uitwerking op het doen en denken van de hij en de dichter. 

    Bewustwordingsmoment

    In de eerste afdeling, ‘Manhattan of de ontdekking van de werkelijkheid, zomer’, weet de hij zich gedreven door de liefde die hem in staat stelt zichzelf te overstijgen. ‘De blauwe steen’, afkomstig uit Afghanistan, hem bij toeval in handen gekomen, vuurt hem aan het zekere pad te verlaten. Op aanraden van zijn Tunesische vrouw Laïla Koubaa opent de dichter met een scheppingsproces als ooit in het Afghaanse hooggebergte. Daar is in een ver verleden, ‘de ondoorzichtige lapis lazuli, / bezongen en bejubeld / om zijn oogverblindende schoonheid / en zijn vermogen diepe vrede / en heldere inzichten /met zich mee te brengen’. 

    Toen de gravers hem zagen, keken ze onder de grond ‘naar de hemel’. In de steen stond ‘hun toekomst’ geschreven. Het lijkt wel alsof, ‘God of de duivel / een flitsend geschenk  / voor [de] voeten [van de dichter] had laten vallen: / een blauwe meteoriet / die sindsdien deel uitmaakte / van zijn bestaan

    Voortaan was de steen de ‘magische toetssteen’ ‘die de zin / van de onzin’ zou scheiden. De dichter voert ons met deze vondst een heden vol transcendente momenten binnen. Zoals de dichter zijn pen opneemt, zo zit eenieder die de steen opneemt voor de rest van zijn leven aan zijn werking vast. Eenmaal in New York leest de hij op de reclameborden zijn levensopdracht: ‘Discover reality’.

    De directe aanleiding voor het bezoek aan New York in juni 2022 is het aanbod van een jeugdvriend van zijn vrouw, vice-ambassadeur van België bij de VN, om achter het spreekgestoelte van de Algemene Vergadering te staan. De hij laat zich met de blauwe steen op zak in gedachten meedrijven boven Harlem in een vrijheid ‘die elke dichter dichter / bij zijn doel’ brengt. Hij weet zich teruggeblazen naar Afghanistan, ‘dansend op de vleugels / boven reusachtige bergketens’. De vraag die zich daarboven aan hem ontvouwt, is of het nodig is mensen te doden, zoals de taliban en de Amerikanen in Afghanistan hebben gedaan, om rechtvaardigheid te bewerkstelligen. 

    Na de regen van bankbiljetten uit de grijsgroene wolk boven het Riverside Park vraagt de hij zich af wat er met al die armoede in de wereld moet gebeuren, naast de overdadige rijkdom in de stad: ‘Het goede kun je niet in steen schrijven, / het is vloeibaar als het sap van de papaver.’ Terwijl hij achter het spreekgestoelte staat, herinnert de hij zich het verhaal van de Afghaanse Mir Nazit, die bankroet raakte en een beslissing moest nemen: ‘Ik heb ten einde raad mijn jongste dochter, / Sofia, aan mijn oom verkocht, voor net geen 300 dollar.’ Een zelfverwijt klinkt daaruit op: we zijn helaas ‘teruggeworpen op het eigen overleven’.

    Verlangen naar samenzijn

    De titel van de tweede afdeling ‘Gent of de ontdekking van het hinkelspel, herfst’ herinnert aan het grillige lot uit de roman Een hinkelspel van Julio Cortázar. Het motto van Joseph Brodsky wijst op het verlangen van ieder mens naar niets anders dan samenzijn. In New York had hij ervaren dat het ‘denkbeeld van vrijheid’ omvergeworpen was. Er trokken ‘Afghaanse rillingen’ over zijn lijf, denkend aan wat haar was overkomen. ‘Het gezicht van een kleine engel’ verscheen boven zijn stad Gent. In de oranjevlammenzee keek ze hem aan. Zijn kernvraag is: ‘Wat [is] het belangrijkste vraagstuk / van de filosofie?’ Hij weet het antwoord daarop eigenlijk niet, maar hij voelt zich te veel mens ‘om onbewogen te blijven / bij de prijs op haar hoofd.’ In zijn Gentse onderkomen reikt een engel hem het voorlopige antwoord aan: Safia vraagt om sereniteit. 

    Starend in het vuur bezon de hij zich op manieren om haar te kunnen teruggeven aan haar ouders. Hij beseft dat niet religie of traditie haar rechten schonden, maar de Afghaanse oorlogen. In zijn slaap ‘vliegt’ hij met haar over de oceaan van Afghanistan naar de VN en, ‘neuriëde zachtjes voor Safia Nazir / een slaapliedje waaruit alle poëzie / en vuur was ontstaan’.

    Hij vraagt zich af of hij zich niet vergist heeft. Maar fladderen vergissingen ‘niet altijd rond de waarheid / als engelen rond een licht?’ Een meisje, dat niet Safia heette, wijst hem op het hinkelpad. Het is aan de dichter om met woorden naar de toekomst te hinkelen.

    Schrijven over morele kwesties

    In de derde afdeling ‘Takoe-takoe-taan of de ontdekking van de dichter, winter’ geeft Koubaa aan hoe moeilijk het is een gedicht te schrijven over een morele kwestie: ‘Het is niet de taak van de dichter / om de ziel van Safia Nazir te redden, / maar om haar ziel / de moeite van het redden / waard te maken.’ Het blijft ambivalent om in het breugeliaans winterlandschap een gedicht voor Safia te schrijven: ‘Hoe dichter hij het absurde naderde, / hoe intenser het onmogelijke zich liet zien’. Even verkeert de hij in de waan om naar ‘het paradijs! – op te stijgen’, maar met een doffe klap belandt hij weer op het ijs en raakt zijn blauwe steen kwijt. Deze dichter, ‘Salvator Mundi’,  raakt het spoor bijster. 

    We raken verzeild in een vergelijkbaar sneeuwlandschap als in De sneeuwkoningin van Andersen, waar de kleine Kay de glassplinters in woorden legt. De hij vreest dat het gedicht in verkeerde handen terechtkomt. Daarom selecteert hij denkbeeldig een regenbui met geld boven Afghanistan, om zodoende met die dollars de ‘schulden af te lossen’, opdat de meisjes naar school kunnen. Misschien zou het goed zijn de werken van Voltaire boven Afghanistan af te werpen, opdat het land zou seculariseren. Maar ‘Discover reality’: we denken wel als de verlichte Voltaire, maar ‘doen als idioten’. De inheemse Amerikanen die Frankrijk bezochten, wezen er al op dat het geld de bron van alle kwaad is. In zijn slaap zocht de hij op de oceaan de ziel van Safia Nazir. Uit de zee steeg het koor op: ‘Ik ben Afghanistan waarvan ik verdreven ben, hier ben ik, morgen word ik geboren.’ De hij weet dat hij ‘parels voor de zwijnen / heeft gegooid, / [om] oprecht een ziel de moeite / van het redden waard [..] [te] maken.’

    Enkel in de stilte gebeuren echter de grootste wonderen. De dichter heeft geen keuze in wat in hem opkomt. Gelukkig of niet: ‘elk gedicht was uiteindelijk / de puinhoop van een volmaakt / een voortreffelijk idee’. Daarna pakte hij ‘de blauwe steen’ en gooide hem in de hoek waar de winter voorbijsnelde. Een peper-en-zoutvlinder bevrijdde zich uit een voeg en kondigde een eerst bloesem in zijn kroon van de bottende tak de lente aan. 

    In de laatste afdeling ‘De dichter spreekt de Verenigde Naties toe, lente’ beseft de hij de kracht van het transpersoonlijk bewustzijn dat werkzaam is in het leven. Dat laatste vindt zijn uitdrukking in het bemiddelend optreden van ‘de blauwe steen’ én de engel bij zijn dichterlijke werk. We worden omringd, en naast ons waakbewustzijn, mede gestuurd door een energie die ons verstand te boven gaat. Dit dichterlijk besef maakt deze bundel tot een bijzonder gelaagde leeservaring. In de transcendente liefdesverbinding tussen het meisje, de engel en de dichter ligt de zin van het dichterschap besloten: ‘een meisje, een verliefde engel // met een ziel, de moeite van het redden waard’.



     

  • Oogst week 28 – 2024

    Aangrenzende kleuren

    De nieuwe roman van de Poolse schrijver Małecki gaat volgens de flaptekst over moed, vergelding en onmogelijke liefde. En over de vraag of je kunt sterven van verlangen. Door die vraag raakt de hoofdpersoon in Aangrenzende kleuren gefascineerd als hij werkt aan een doodskist voor iemand bij wie dat gebeurd zou zijn.

    Jakub Małecki (1982) is een schrijver die in eigen land veel succes heeft en die al voor verschillende literaire prijzen is genomineerd. ‘Małecki schrijft geestig en toegankelijk’ aldus Thomas van Houwelingen in april 2023 in zijn recensie over Saturnin, het tweede boek dat van Małecki in Nederlandse vertaling is verschenen, na het eerder goed ontvangen Roest.

    Karol Lesman die in 2017 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs ontving voor zijn vertalingen uit het Pools, tekende voor de vertaling van Aangrenzende kleuren.

    Aangrenzende kleuren
    Auteur: Jakub Małecki
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2024)

    Een tuin voor verloren benen

    ‘Stemmen uit Gaza’ is de naam van een serie Palestijnse literatuur die Uitgeverij Jurgen Maas gaat uitgeven samen met de stichting Hope. De eerste titel uit deze serie is Een tuin voor verloren benen van Mahmoud Jouda. Het plan voor de serie ontstond enkele maanden voordat de oorlog in Gaza uitbrak. Ook de keuze voor het boek van Jouda was van vóór die tijd. Vertaalster Djûke Poppinga is een van de raadgevers bij de keuze voor de titels uit de serie.

    Een tuin voor verloren benen grijpt terug op de Mars van de Terugkeer uit 2018 en 2019 toen duizenden Palestijnen die in het verleden door de Israëliërs uit het gebied verdreven waren demonstreerden om te mogen terugkeren naar de plek waar ze vandaan kwamen. Op enig moment schoten Israëlische soldaten op de demonstranten. Velen Palestijnen werden gedood, nog meer werden ernstig verwond. Sinds die tijd werd het straatbeeld in Gaza bepaald door mannen en vrouwen op krukken en in rolstoelen. In Een tuin voor verloren benen zoekt de verteller de gehandicapten op, gaat met ze in gesprek en tekent hun ervaringen op.

    Mahmoud Jouda (1985) is psycholoog en schrijver/journalist. Begin 2024 ontvluchtte hij Gaza. Hij woont nu in Egypte.

    Een tuin voor verloren benen
    Auteur: Mahmoud Jouda
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2024)

    Strijdtonelen

    Naar aanleiding van de trilogie van de Engelse schrijver en oorlogsdichter Siegfried Sassoon raakte Paul Moeyes gefascineerd door de Eerste Wereldoorlog. Hij realiseerde zich naar eigen zeggen toen pas wat the Great War in Engeland had aangericht en werd daardoor ook nieuwsgierig naar Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog en naar de rol van Nederland als neutraal buurland.
    Sindsdien leest, schrijft en praat Moeyes over de Eerste Wereldoorlog.

    In Strijdtonelen, De Eerste Wereldoorlog in de Nederlandse pers en literatuur 1914-1918 gaat Moeyes in op de manier waarop door de Nederlandse kranten verslag werd gedaan van de strijd en hoe dat er uiteindelijk voor zorgde dat de Nederlandse pers onbedoeld partij werd in de propagandaoorlog.

    Strijdtonelen
    Auteur: Paul Moeyes
    Uitgeverij: Uitgeverij de Arbeiderspers (2024)
  • Oogst week 20 – 2024

    Het land achter de zee

    Midden in de grootste hedendaagse crisis tussen Israël en de Palestijnen is er een boek verschenen dat vertelt over de Joodse overlevenden van de Holocaust die na de oorlog naar Palestina vertrokken, destijds nog Brits mandaatgebied. Het land achter de zee is gebaseerd op een ooggetuigenverslag dat historisch letterkundige dr. Frans Blom een aantal jaar geleden in handen kreeg.

    Het is niet alleen een hoofdstuk uit de pijnlijke geschiedenis van het Palestijnse volk en Israël, het laat ook het verband zien met huidige vluchtelingencrises. De Joodse vluchtelingen werden beschouwd als illegale migranten en geïnterneerd in kampen op Cyprus waar tienduizenden werden opgesloten. Dat deze kampen hebben bestaan was al lang bekend, maar persoonlijke verhalen over dit drama waren dat nog niet of nauwelijks.

    Het ooggetuigenverslag is van de hand van de Joodse Amsterdammer Emil Pimentel (1923-1988), die twee jaar in zo’n kamp heeft vastgezeten en die in 1988 in Israël is overleden. Zijn zoon bezorgde het materiaal dat Emil had geschreven. Het was heel veel: dagboeken, gedichten, brieven en korte verhalen. Niemand had het ooit gelezen. Dat heeft zijn familie pas dertig jaar na zijn dood gedaan.

    In voorwoord ‘Tot de lezer’ staat: ‘Het verhaal van Emiles migratie is een essentieel onderdeel van de Joodse naoorlogse geschiedenis en de ontwikkelingen in het Midden-Oosten. Tegelijk kan het een spiegel zijn voor het heden. Het grootste conflict van het Midden-Oosten, dat door de migratie na de Holocaust voor het eerst hevig oplaaide en nu bijna dagelijks het nieuws beheerst, is na 75 jaar strijd zo diepgeworteld en zo complex dat er ondanks herhaalde pogingen nog geen begin van een oplossing in zicht is.’

    Het land achter de zee
    Auteur: Frans R.E. Blom, Vivian Beekman
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2024)

    Wat onbesproken bleef

    In Wat onbesproken bleef doet Daniël erg zijn best om met zijn vader in gesprek te gaan om zo achter een hoop geheimzinnigheid te komen. Maar het gaat moeizaam, zeker als Daniël vraagt over de oorlog en zijn Joodse moeder.

    Pas als hij een map met aantekeningen van zijn vader uit de oorlog vindt, krijgt hij iets meer beeld over zowel het leven van zijn vader, die als soldaat in het Duitse leger diende, als dat van zijn moeder.

    Nog even had iedereen gehoopt dat Niek Bremen de presentatie van zijn laatste boek Wat onbesproken bleef zou kunnen bijwonen, maar helaas. De Limburgse schrijver Niek Bremen overleed half maart van dit jaar, zijn boek is onlangs, op 11 mei jl. postuum gepresenteerd. Bremen begon pas laat met schrijven, op 72-jarige leeftijd debuteerde hij met zijn roman Bang voor de liefde. Ook heeft hij verschillende verhalenbundels geschreven. Over Wat ons raakt uit 2021 schreef Daan Lameijer op deze website: ‘Bremen raakt ons ontegenzeggelijk, maar richt zijn pijlen niet op de onderbuik. Liever schotelt hij ons een wonderlijke combinatie voor van gitzwarte nationale historie, niet waargemaakte dromen en een lachwekkende nietszeggendheid.’ Lees hier de hele recensie.

     

     

     

     

     

    Wat onbesproken bleef
    Auteur: Niek Bremen
    Uitgeverij: Uitgeverij In de Knipscheer (2024)

    Van licht naar duisternis

    Aan het begin van de twintigste eeuw bloeiden in Wenen de kunsten en de wetenschap als nooit tevoren. Als we aan bekende namen denken uit die tijd, betreft dat in vrijwel alle gevallen mannen. Alsof de vrouwen niet bestonden of geen belangrijke rol speelden. Met Van licht naar duisternis brengt Kris Lauwerys daar, voor in ieder geval drie vrouwen, verandering in. Het gaat om Emilie Flöge, Milena Jesenská en Veza Taubner-Calderon (Veza Canetti).

    Emilie Flöge was een succesvol modeontwerpster. Gustav Klimt was haar vriend en bewonderaar die haar o.a. afbeeldde in haar eigen ontwerpen op zijn nu zo beroemde werken.
    Milena Jesenská was schrijfster en journalist. Naar aanleiding van haar verzoek aan Kafka om zijn werk te mogen vertalen, onstond een uitgebreide briefwisseling. Kafka’s brieven aan haar zijn bewaard gebleven en werden in 1952 uitgegeven onder de titel Briefe an Milena.

    Veza Taubner-Calderon publiceerde onder pseudoniem en het is ook bekend dat ze meeschreef aan het werk van haar echtgenoot Elias Canetti, zonder daar ooit waardering voor te krijgen. Haar eigen werk werd pas postuum onder haar  naam (Canetti) gepubliceerd en wordt gezien als van groot literair niveau.

    Er zijn meer boeken die over de bloei en neergang van het Wenen uit die tijd gaan. Maar Lauwerys kleurt de stad in mede aan de hand van deze drie vrouwen en hun omgeving en dat is een eigentijdse en hoognodige invalshoek.

    Van licht naar duisternis
    Auteur: Kris Lauwerys
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2024)
  • Sasja Janssen valt van de ene Poëzie prijs in de andere

    ‘Het duizelt me!’, liet Sasja Janssen op social media weten nadat bekend werd dat ze voor haar gehele oeuvre de A. Roland Holst Prijs werd toegekend. Niet gek als je eerst de Johan Polak Poëzieprijs wint voor Virgula (2021). Dan ben je ‘Flabbergasted’, valt alles uit zijn verband, zoals haar poëzie dat geregeld doet.

    Sasja Janssen (1968) publiceerde zes dichtbundels en twee romans bij uitgeverij Querido. Regelmatig publiceert ze met poëzie of proza in De Gids, en geeft les in poëzie aan de Schrijversvakschool Amsterdam.

    In haar poëzie tovert Janssen absurde beelden tevoorschijn en wapent de lezer tegen gemeenplaatsen. Tijdens een integrale voorlezing van haar laatste bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica (2024) in Theaterzaal Luxor in Zutphen was het opmerkelijk hoe het publiek door haar bijzondere taalgebruik zeer goed bij de les bleef. Haar manier van woorden geven aan wat wordt waargenomen is consequent uniek. (‘Het heden is een lach in het donker’, of ‘Wat slapen de geraniums licht’).

    De Johan Polak Poëzieprijs is een nieuwe prijs en wordt jaarlijks uit gereikt aan de beste dichtbundel die er in de voorgaande drie jaren verschenen is. Aan de prijs is naast de eer een bedrag van  € 50.000 verbonden. De jury voor dit jaar bestond uit Janita Monna, Bertram Mourits, Mathijs Sanders, Carl De Strycker en Anne Vegter.

    De gelauwerde bundel Virgula (won in 2021 de Awater Poëzieprijs en werd genomineerd voor vier andere poëzieprijzen), verscheen dit jaar in Engeland bij uitgeverij Prototype in vertaling van Michele Hutchison, die eerder ook Ik trek mijn species aan vertaalde (Putting on my species) en werd in 2022 naar het Spaans vertaald door Micaela Muylem.

    De Johan Polak Poëzieprijs wordt dit jaar voor het eerst uitgereikt aan de beste Nederlandstalige bundel die in de afgelopen drie jaar (2021-2023) is verschenen.

    De officiële uitreiking vindt plaats op vrijdag 31 mei in ‘De Salon’ van De Balie in Amsterdam
    Aanvang: 20:00 uur

    Lees hier de recensie van haar laatste bundel: Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica

    (Foto auteur: Bianca Sistermans)

     

     

  • Wij bezitten het juiste heden 

    Wij bezitten het juiste heden 

    Sasja Janssen benadert in haar nieuwe bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica, net als in haar voorlaatste bundel Virgula (2021), de telkens veranderende werkelijkheid met licht, logica en beheersing. In een schemerige atmosfeer waarin het logisch denken verder weg lijkt dan ooit, voert ze ons naar een bewustzijn van het heden in allerlei levensfasen. De bundel bestaat uit vijf afdelingen, voorafgegaan door een ‘heden’ gedicht. Verder wordt elke afdeling ermee afgesloten. In ‘Het heden is een lach in het donker’ spreekt ze zich uit, verwijzend naar de liefdesroman van Vladimir Nabokov over een jong meisje en een oudere man, over het heden dat, ‘wacht op zijn volledige openbaring / maar het houdt niet van mij en zwerft in zichzelf / prostitueert de tijd’.

    De ik ziet krampachtig verlangend uit ‘naar de judaskus die het [heden] me geeft’ dat impliceert dat je er mag zijn, voor jezelf en de anderen. Daarmee is het volledig op willen gaan in het heden een diep verlangen van de ik om los te kunnen komen van wat geweest is en komt. 

    Ontoereikendheid van taal

    Janssen werpt in ‘het beste’ uit de eerste afdeling ‘Wat slapen de geraniums licht’  fundamentele vragen op: ‘zijn wij alomtegenwoordig? Zijn wij goed?’ Uit haar antwoorden blijkt dat de ‘verzengende feitelijkheid’ ons raakt en de moraal ons op een dwaalspoor zet met dood maken tot gevolg: ‘Wij deden altijd het betere / we verlangden elkaar kapot, vraten elkaars bezit’. Onze taal blijkt ontoereikend te zijn om de alomtegenwoordige schepping en onszelf te doorgronden. Al het denken over zonde en schuld is de schuld van Bijbelse theorie. Dat laat de ik achter zich. ‘Tot niets keer ik weer’ blijft dan over. Er is enkel een hier en nu. In ‘Lichte geraniums’ verwoordt ze ‘doodgemoedereerd’ het verwerkingsproces van een overlijden van moeder: ‘bij haar wake branden ze een kaars / zodat ze niet verdwaalt in haar einde’. Het brengt de ik dichter bij het besef van de eigen vergankelijkheid ‘dat de mensen net zo snel gaan als de aarde / door de ruimte schiet’. In ‘de heimwee als meisje van zestien’ komt de ik erachter dat ‘het heden is het probleem van de kunst’, omdat je als kunstenaar in dat heden wil blijven dat achter je geraakt. In ‘Het heden is een gramarijn’ drukt het voortdurend bestellen van ‘dure kleren’ een verlangen uit om als taalkunstenaar gewetensvol om te gaan met woorden.

    Licht en duisternis, dood en leven duelleren met elkaar in de tweede afdeling ‘Het bloeiende uitroeiende’. In de bloemrijke omgeving leeft bij de ik een verlangen naar wat is geweest. In de plantenkas ervaart de ik existentieel ‘das Seiende und das Wesen’. Terugkomst in de moestuin betekent ‘op zoek naar het juiste woord’, om woorden aan herinneringen te geven aan het ouderlijk huis. De betrokkenheid op het proces in de natuur helpt om de essentie van het heden te benaderen.  In ‘Het heden is een sjibbolet’ wijst op het onderscheidend woord ‘heden’ gestalte te geven als toegang tot het leven: ‘Wij bezitten het juiste heden, enig in onze enige soort / wij zijn de logica in onszelf’. 

    Verrassende beeldwendingen

    Het heden diagnosticeert in de derde afdeling ‘De eerste bloem als een magnolia’ de wording van de ik tot een taalgevoelig dichter. In het kerngedicht ‘ben ik niet langer een teken begint men mij te betekenen’ lezen we de wording van ik: 

    ‘een vader zegt entropie mijn moeder logica
     mijn vader schaken mijn moeder dammen
     […]
     daarna scheppen ze mijn duisternis leeg
     en word ik van een deling een speling 

     En 

     zo ritmeer ik tussen alle klanken, maar verlies mijn taalloosheid
     ons oudste zintuig
     toch praten we het opgetuigde brood met smaak’

    Op de hotelkamer in ‘ik ging naar Greenwich’ gebruikt Janssen een van de zovele verrassende beeldwendingen. Zo ‘zapte ik op de hotel-tv, at dinerkokkels als ontbijt / zo kort beefde de nacht, tot ik het ei uitpoepte / en uit het flinterdunne heden glipte’. De ik beseft in ‘terug naar het eerste lied’ als een eerbetoon aan Nicole, haar tweelingzus, dat ze in een paradox leeft: ‘dat ik pas dood kan na jou / smaect men bitteren suere / mij gruwelt dat ic leve / maar mijn moeder heft opnieuw haar lied aan als ze zwarte bessen plet’. Hadewijch komt haar tegemoet in haar mystieke eenheidservaring. Het obsessief kopen geeft in ‘Het heden is geen zweetdoek van Veronica’ een ‘onbetaalbaar maar vol heden’, en ‘je bent elke keer nieuw’.

    Patronen in de werkelijkheid

    De ‘Spinsels’ hebben in de vierde afdeling ‘Tapijtbloemen’ direct betrekking op wat Janssen zich als dichter bij het heden voorstelt: ‘zwijgen is van vrouwen, het niet-bestaan, daarom bezitten zij het weten / van voor de tijd dat het denken bestond / van de tijd waarin weten ruimte was’.
    Het gedicht spint woorden ‘omdat ze niet lineair zijn / en valt zijn prooi aan om zo mooi mogelijk te glinsteren’. De ik houdt ‘meer van de waanzinnige / dan van de dichter, omdat die zichzelf betekenis ontzegt’. In het derde spinsel’ staat er wat Janssen zich als dichter toewenst: 

    ‘soms hebben we een filosoof nodig voor onze woorden en dingen
     soms een psychiater om te weten dat we menselijk zijn, een kosmoloog
     die ons opgeilt met zijn verstrekkende kennis, te wijd
     om na te vertellen, een priester die seks tussen God en materie
     stelt, waardoor we ons kunnen vermeerderen, soms een moeder
     of vader voor duiding van een wereld van taxonomie’ 

    Janssen verenigt als dichter de filosoof, psychiater, priester en ouder in zichzelf. Net als melancholie is het ontdekken van patronen in de werkelijkheid voor de ik belangrijk. In ‘Het heden is de derde ruimte’ gaat het om wat niet hoorbaar is in klanken, maar wel wordt gesuggereerd met de sjwa-klank. Het heden is niet te vatten, het is iets wat het verleden uitvreet en voor toekomst geen geduld heeft: ‘ik ben het stuifmeel van mijn eigen tijd’.  

    In het gedicht ’een spiegel in de aarde’ uit de vijfde afdeling ‘De narcissen buigen’ schemert het niet, ‘toch is er geen licht, toch is er geen donker’. De krans van bladeren aan de oever toont een zwartgroene onderwereld en een doorzichtige bovenwereld. Op het meer mengt toekomst en verleden zich, ‘in zijn oog dat nooit sluit / de narcissen buigen, een uil draait zijn kop, vlinders geborgen // dan zinkt ze en duikt op het gedicht als nieuwste tijd’.

    opmerkelijke metaforen en personificaties

    Het gedicht opgedragen aan Marianne Moore spreekt van een ‘coup de foudre’ in de eenzaamheid ‘van het onzegbare in elke geboorte en moord’. Hoezeer ook alle schepsels zich afhankelijk weten, ‘alleen het gedicht echoot ons in en uit en slijpt zichzelf ruw / naar de wetten van zijn enige geluid’. Of het nu Freud of Rimbaud is – in het gedicht dat Janssen aan zichzelf opdraagt – hij is de enige ‘die mijn gedichten begrijpt, volledig / als een wortelkanaal / daar heb ik wel wat seks voor over’. Hoe het ook zij: ‘de poëzie laat me nooit / meer in de steek’. 

    Janssen heeft een beeldrijke bundel geschreven. Strak gecomponeerd vol van opmerkelijke metaforen en personificaties die er niet alleen een objectiverend karakter aan verlenen, maar ook indirect het levenloze tot leven wekken. Ze toont een voorliefde voor eigenzinnig geformuleerde versregels die in hun vervreemdende werking de distantie tot de lezer vergroten, zoals ‘performatieve papavers’ of ‘de ostranenie van het organisme’. De ik heeft aldoor ‘alleen maar Gegenwart’ willen leven, om aan het eind in haar tijdelijk huis te worden teruggebracht ‘tot mijzelf in een kaal bad’. De vraag blijft in dit schaakspel dat leven heet: ‘waarheen toch en waarvandaan’, aldus de Perzische dichter Omar Khayyam. 

    Vooralsnog lijkt voor Janssen poëzie te ontstaan uit een geheimzinnige werkelijkheid, die aan haar betekenissen toedicht en waarop ze vervolgens al schrijvend grip probeert te krijgen. Ze doet er in de hele bundel alles aan ‘het juiste heden’ te veroveren: ‘enig in onze enige soort / wij zijn de logica in onszelf’. In die zoektocht naar zichzelf als dichter probeert ze een vast geloof in het heden te doen oplichten. Deze bundel is een intense zoektocht naar betekenisgeving voor dichter en lezer.